De filo soof sterft
De filo soof sterft Johan Temmerman roman
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Tekst: Johan Temmerman Opmaak: Asterisk*, Amsterdam Coverontwerp: DPS Design & Prepress Bureau Auteursfoto: Kristof Ghyselinck Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015 D/2015/45/491– NUR 301 ISBN: 978 94 014 2866 8 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
i Van het begin herinner ik mij niets. Na het einde zal ik ook niets meer weten. Ik zal van niets naar niets gegaan zijn. Dit is het verhaal van mijn leven. Net als de mensheid van niets naar niets gaat, zo ook ik. En toch heeft de uitsparing van het leven in het grote niets zin gehad. Het leven is niet niets, het is, even. Ik zie mijzelf zijdelings, zittend in de fauteuil, want het donkert buiten en de spaarlamp in mijn kamer maakt van het raam een spiegel. Tweemaal daags sta ik op. De eerste keer helpt men mij van het bed naar de fauteuil, de tweede keer ga ik aan hun arm terug. Ze denken dat ik hier de hele dag zit te niksen. Kranten hoef ik niet en televisie nog min der, want nooit eerder was het leven mij zo welgezind. Nu kan ik eindelijk vrij spelen in de tuin van mijn geheugen. Nu zie ik pas echt de kleur van bloemen en planten, hoor ik wolken uitwaaieren en ervaar ik de zinderende intensiteit
ďœľ
van de stilte. Roerloos ben ik te midden van de dingen die passeren. ‘De professor slaapt’, fluisteren ze, ‘met zijn ogen open.’ Zachtjes sluiten ze de deur. De dag dat ze mij hier binnenbrachten was nochtans de donkerste van mijn leven. Ik moest mijn boeken achter laten. Nog eenmaal ging ik met mijn wijsvinger over de vergeelde ruggen en knikte eerbiedig. Mijn hele leven laaf den de letteren mijn dorstig denken. Ze vouwden de wereld voor mij open, boden luwte in tochtige dagen en deden mij dromen, overdag en ’s nachts. Nooit lieten ze mij alleen of gaven niet thuis. Zelfs toen ik mijn rug naar hen keerde, kon ik nog op hun begrip rekenen. Geen teken is trouwer dan de schone letter, geen woord is geduldiger dan het ge schrevene, geen zin is zonder betekenis. Maar nu blader ik door het archief van mijn geheugen en loop langs de rekken waarop ervaringen naar intensiteit zijn gerangschikt. Ik rijg draden aan elkaar en vorm een weefsel, een transparant zinsverband tussen flarden herinnering en de ervaringen van jaren. Nu zie ik eindelijk de zin van het leven, de uitsparing in het niets: de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Eindelijk heb ik geen tijd te kort meer, want ik ben klaar.
1 Terwijl ik lichtjes in mijn fauteuil kantel en een lijntje speeksel vanuit mijn rechtermondhoek langs de plooien van mijn kin parelt, keer ik terug in mijn herinneringen. Naarmate ik verder reik, wordt de tijd vager. Voorbij tiener ervaringen en eerste grote wendingen passeer ik flarden uit mijn vroegste kindertijd. Mijn verbeelding geeft mij vleu gels. Ik zweef door de tijd. De kleuter en de tiener zijn de zelfde als de ik die in de fauteuil zit, schuin weggezakt, met perkamenten huid en ouderdomsvlekken. Nooit eerder heb ik mij zo vrij gevoeld. Een herinnering trekt mijn aandacht: het beeld van een bleekblauwe eenhoorn met kleurrijke vleugels. Het sierde de voorkant van een sprookjesboek. De sprookjes zelf ben ik vergeten, maar het beeld van de omslag is gebleven. Ik was nog een peuter en me helemaal niet van mezelf bewust. Wanneer mijn bewustzijn intrad, is niet duidelijk. Het is in mij gegroeid, rond mijn tiende, aarzelend en aanvankelijk angstwekkend, maar tegelijk wonderlijk en zomaar plots. Het beeld van de eenhoorn werd in mijn geheugen opge slagen toen ik nog niet wist dat ik een geheugen bezat. Ik
wist niets. Nu ik aan het einde van mijn bestaan terugkijk, lijkt de eenhoorn uit een ander leven afkomstig te zijn. Het wonderwezen is het bewijs dat ik er was vóór mijn bewust zijn intrede deed. Waar was mijn zelfbewustzijn toen ik als kleuter op handen en voeten door de woonkamer kroop en bij de bleekblauwe eenhoorn met kleurrijke vleugels stil hield? Hoe komt het dat dit beeld werd opgeslagen, zodat ik het nu, na meer dan tachtig jaar, kan oproepen? Deze vragen doen mij twijfelen of er in den beginne wer kelijk niets was en vooral of er straks, na het einde, niets meer zal zijn. Bij mijn geboorte kwam een lichaam ter we reld waarin alle voorzieningen voor de ontwikkeling van een zelfbewustzijn aanwezig waren. Het bewustzijn zelf was er nog niet, het was komende. Waar kwam het vandaan? En waar zal het heengaan als straks mijn lichaam sterft? Zal ik eindigen zoals ik begon? Tijdens mijn geboorte in de jaren dertig van de vorige eeuw, zo wil de overlevering, was er een stroomstoring. Een andere versie spreekt van een staking. In elk geval was de verloskamer verlicht met kaarsen. Toen ik ter wereld kwam, tikte de dokter op mijn rug en slaakte ik mijn eerste kreten. Daarna piste ik met een flinke straal een kaars uit. ‘Deze jongen wordt zeker een jezuïet of een ketter’, grapte de dok ter. Mijn moeder vertelde het verhaal en hekelde zo mijn niet-aflatende drang als kind om steeds vragen te stellen. Dertig jaar later nam ik in de handschriftenbibliotheek van
de universiteit een dagboek van een oud-collega door. Ik las dezelfde anekdote, gedateerd 1840. Meer dan om een fei telijkheid gaat het hier om een door de tijd heen gesijpeld tafereeltje, dat de neiging van kleine kinderen illustreert om bij alles ‘waarom?’ te vragen. Als kind meende ik dat mijn eerste daad van betekenis een welgemikte plasbeurt was. Na de ontdekking dat het om een lokale legende gaat, was ik eerst ontgoocheld. Later vertelde ik deze anekdote zelf aan kinderen die overal vragen bij stellen. Nog later begreep ik dat de mythologieën over het ont staan van de mensheid uit dergelijk hout gesneden zijn. Het is mondelinge overlevering die een verklaring aanreikt voor steeds weerkerende en dus ook actuele tendensen. Alle culturen die aan de wieg van de beschaving stonden, brach ten ontstaansmythen voort. Het is een bonte verzameling van goden en geesten die afgronden trotseren en over wa termassa’s heen zweven. Ze zingen een betoverende wereld in het leven, van jaloerse halfgoden en gevallen engelen, gezeten op de rug van zeemonsters en draken, die een gou den mensengeslacht als bij toeval doen ontstaan, waarna de chaos door moraal wordt beteugeld en een ambigue, door deweekse realiteit verschijnt. Voor aan de stoet van onze beschaving loopt een fanfare van veelkleurige fabulanten, die met dissonante bazuinstoten en schellende cimbalen een requiem voor het niets speelt. Het leven stroomt als lava in de leegte.
Als ik nu versteen, zal het geen fraai gezicht zijn. Opge droogd speeksel maakt mijn lippen korstig en laat een kleffe smaak achter in mijn mond. Zachtjes zak ik dieper weg, terwijl mijn gedachten terugkeren naar het begin, toen er nog rek in de rubber zat en ik elastisch opveerde uit de ver getelheid van mijn kinderjaren. Alle begin is verbeelding. Door ervaring wijzer wordend wissen we wat we niet willen en willen we wat we niet weten. Maar als we goed luisteren, kunnen we nog steeds de echo horen van de bonte fanfare die de beschaving aanvoert, als de uitdijende geluidsgolven van de big bang. Uit het achtergrondgeruis rijst een melo die op. Hoor! In den beginne was er klank.
2 De melodie roept het alom bekende Bijbelse scheppings verhaal op. Wanneer het eerste mensenpaar aan mij werd voorgesteld, weet ik niet meer. Het is lang geleden, toen de stoelen in de dorpskerk nog allemaal bezet waren en de parochianen tot buiten stonden. In die tijd hoorde ik het verhaal voor het eerst. Ik zat vooraan, geknield op de van riet gevlochten zitting. Halfweg de misviering keerde men zich allemaal tegelijk naar het preekgestoelte in het midden van de kerk. Hoog boven het gepeupel verheven debiteerde mijnheer pastoor zijn wijsheid. Ik telde de ribbels op mijn blote knieën, terwijl een zwarte soutane wild gesticulerend door de scheppingsdagen liep. De zesdaagse arbeid van God en de welverdiende rustdag nadien zijn als stigmata van sleur in ons bestaan geslepen. We beseffen daardoor amper dat er nog een tweede scheppingsverhaal op de eerste week volgt en dat daarin helemaal geen sprake is van zeven dagen. Het relaas zou tevens van oudere datum zijn. Deze echo uit de beginjaren van de mens staat bekend als de Pa radijsmythe. In het slechtste geval spreekt men van ‘de zon deval’. De overtreding van het eerste mensenpaar is, volgens
de dominante religieuze interpretaties, de oorzaak van alle ellende in de wereld. Vanaf het begin is de mens afgedwaald en slecht, waardoor opgroeien of zelfbewust worden gelijk is aan klein blijven of nederig zijn. Schuldgevoelens ver knopen onze darmen al eeuwen, terwijl de striemen van prestatiedwang ons als een Kaïnteken vrijgeleide verschaf fen. Onze cultuur spreidde zich ten westen van Eden steeds verder uit. Het Oosten verzonk in verbeelding. Terwijl het buiten donkert en de kamer verstilt, zie ik mij zelf in korte broek en geribbelde knieën de handjes vouwen en doen alsof ik bid. De kracht ontbreekt mij om de ogen te sluiten, laat staan woorden te prevelen. Wat zou ik ver tellen? Dat het goddelijke rariteitenkabinet mijn weerzin opwekte? Dat ik mijnheer pastoor niet vertrouwde omdat hij met veel bravoure en acteertalent vanaf zijn hoogte over vergeving predikte, maar mij tijdens de voorbereidingen tot het vormsel op een flinke draai om mijn oren trakteerde, omdat ik onbedaarlijk moest lachen bij zijn melding dat de hostie het lichaam van Christus was en hij ons verbood erop te bijten? Er zou weleens bloed kunnen vloeien en we wilden de brave verlosser toch geen pijn doen. Het ergste was niet zozeer de oorvijg, maar dat hij het zelf geloofde. De rode afdruk van zijn hand op mijn wang verdween, maar zijn bijgeloof bleef. Mocht ik nog kracht in mij hebben om te bidden, dan kon ik misschien eerlijk bekennen dat mijn ontluikende zelfbewustzijn mij leerde van de natuur te ge nieten. En van mijn lichaam. Ik kan er dan aan toevoegen
te beseffen dat een moraal die pretendeert ons lichaam van de natuur te bevrijden vals is en in het tegendeel omslaat. Of moet ik danken, omdat ik waarheid leerde relativeren en men mij de biecht aanbood, zodat ik mijnheer pastoor op mijn beurt kon doen blozen met mijn zondige verzinsels. Hoe meer men mij op het hart drukte dat ik een verdorven natuur had, des te meer genoegen ik schiep in verderf. Maar ik luisterde en liet het verhaal toe. De crisisjaren wer den trouwens volledig begeesterd door een melancholisch mens- en wereldbeeld. Alles zou worden wat het ooit is ge weest, beter zelfs, maar er was discipline nodig, eenvoud en zuiverheid, zoals in het begin, toen alle mensen zich naar de ene god keerden. Mijnheer pastoor zei dat er sinds geruime tijd een spook door de wereld waarde. Dat spook was nu een monster geworden, een rode draak die met haar vuur spuwende muil onze streken in een gloeiende oven dreigde te veranderen. We moesten ons tegen de communisten ver zetten, schreeuwde hij luidkeels. Ik wist bij god niet waar over hij het had, maar ik hoorde en zag hem veranderen van een zoetgevooisde, gebogen verschijning in een brullende donderpreker. Het was waarlijk een wonder. Hoe kon een idyllisch verhaal, waarbij ik mij twee naakte mensen voor stelde, dartelend in een overvloedige vruchtentuin, plots omslaan in een giftig pleidooi tegen de goddeloze ‘rooien’. Weer thuis troostte moeder mij dat ik het later allemaal wel zou begrijpen. Vader, die nooit in de kerk kwam, zweeg. Ik verdacht hem ervan ‘ne rooie’ te zijn. Het wilde tussen
hen niet boteren thuis en ik ging met groeiende tegenzin naar de zondagse misviering. Na de zoveelste tirade in de donkere, kille kerk had ik er genoeg van. De volgende zon dagochtend vertrok ik vroom naar de mis, maar liep links langs de kerk naar het voetbalveld. Vader zag mij vanuit de kantine en keek over mijn hoofd heen naar de stralende hemel. Ik had een geheim en het voelde goed. Ik was als een jonge vogel die voor het eerst zijn vleugels strekt en met een krachtige slag in het luchtruim wordt opgenomen. De zwerm waaruit hij ontstaan was, vloog hem krijsend tege moet: ‘Je moet hierlangs, je moet met ons mee, je moet, je moet.’ Maar de jonge vogel had een warme luchtstroom ontdekt, waarin het aangenaam zweven was. De groep krijste ‘je moet’, het jong zweeg en zweefde. Mijn zelfbewustzijn ontlook en koesterde mijn lichaam. Ik kwam in een woestijn terecht, in het vacuüm tussen mo raal en genieting. Daarin liet ik mijn verbeelding de vrije loop, zoals ik nu vrij vertoef in de leegte tussen herinnering en verwachting. In mijn verbeelding ben ik vrij, ben ik nu zoals ik was tijdens de zweefvlucht van mijn kinderdromen, maar dan zonder angst.
3 De stilte was nooit eerder zo volkomen. De geluiden op de gang zijn verdwenen. Mijn hoofd rust schuin voorover op mijn borst. Mijn kantelend lichaam drukt in de fauteuil en ik wacht. Hoe dichter de dood nadert, hoe verder van alles ik mij voel. Sereen is het moment, ademloos. In den beginne was er wind, zo wil het oude verhaal, een briesje dat over het water woei en broedend het leven tevoorschijn riep. Nu is zelfs deze verkwikkende verkoeling verdwenen. Er rest mij slechts enkelvoudig zicht op niets. Hoe anders was het toen ik mijn eerste stappen in de grote wereld zette. Te midden van de storm voer ik van schipbreuk naar schipbreuk. Het contrast tussen de La tijnse driloefeningen op het college en de zondagse vrijheid was groot. Ik had eigenhandig de godsdienst afgeschaft en hoewel er een oorlog woedde, en de grote mensen daarover praatten als over de eindtijd, waarmee ze elkaar voedden met angst en onmacht om zich dan gezamenlijk te laten troosten op zondagochtend – de consecratie als catharsis – ontrolde zich voor mijn voeten een breed perspectief van mogelijkheden. De jezuïetendiscipline nam ik erbij, als
barensweeën, want door watertrappelend mijn cijfers net boven de helft te houden, wachtte mij nadien het zachte briesje van vrijheid. Op de kast tegenover mij ligt naast de televisie een en veloppe met daarin een brief. Bovenaan geen datum, geen plaats, alleen L.S. Deze Latijnse groet aan de lezers leerde ik van de paters op school. Het heeft iets plechtigs, gezwol lens: lectori salutem, heil aan de lezer. Het is mijn laatste postume groet aan de directie, die mijn donkere kamertje morgen aan een ander zal toewijzen. Eerst zullen ze mijn versteende lichaam uit de fauteuil takelen en enkele dagen in het kleine gebouw naast de parkeerplaats onderbrengen. Van het mortuarium zal men mij naar het crematorium rij den, want na mijn laatste formele groet als aanhef van de brief volgt: ‘Ik wil verbrand worden.’ Geen kennisgeving, geen plechtigheid, alleen stof die aan de wind wordt gege ven, ‘met dank voor de goede zorgen’, getekend ‘Ben’. De gedachte dat alles is volbracht, maakt mij stil. Ik wacht. De dag van de bevrijding was een feest. Het was al weken ophanden. Onderweg naar school voelden we die ochtend de vreugde aanzwellen. Voor de schoolpoort posteerden zich dagelijks drie paters. Ze controleerden het uniform. Niemand kwam erin zonder eerst scherp gemonsterd te zijn. Ontbrak een attribuut aan je kledij, dan werd je naar de prefect gestuurd, die je strafstudie voorschreef en door verwees naar pater econoom om het ontbrekende aan te vullen. De ochtend van de bevrijding waren de drie druk
aan de praat. Ook op de speelplaats was het luidruchtiger dan toegestaan. Na het belsignaal, toen alle leerlingen in rijen per klas stonden en het laatste geroezemoes wegstierf, kwam de prefect tevoorschijn. Je kon een speld horen val len. ‘Jeunes hommes,’ zei hij, ‘het is voorbij, de oorlog is over, Duitsland is verslagen, aan ons de toekomst.’ Gejuich vulde de binnenplaats van het college. Zijn geheven hand maakte het stil: ‘Jongens, voorbij is de dag van gruwel, een blad is omgeslagen…’, en hij hief zijn hand hoger om de drei gende vreugde in te tomen, ‘en daarom moeten we ons van daag, meer dan ooit, bewust zijn van onze plicht…’ Ieder een kende de toon van pater prefect, die een kleine gestalte combineerde met een autoritair stemgeluid, dat aan kracht won door zijn redenaarstalent om de juiste stiltes tussen zinnen te laten klinken, ‘… en dat is in de eerste plaats de studie. Ik draag jullie dan ook op om vandaag de nodige sereniteit aan de dag te leggen, zodat de lessen ordentelijk verlopen.’ En terwijl het geluid van een feestende stad op de speelplaats neerdaalde, schoffelden wij in rijen van twee de klaslokalen binnen. Dit was de bevrijding waarnaar we vijf jaar lang hadden uitgekeken: een dag als een ander. Het duurde nog eens vijf jaar tot de nieuwe wereld ook tot het college doordrong, mondjesmaat weliswaar, maar onomkeerbaar. Tijdens de naoorlogse jaren leken twee we relden uiteen te drijven, zoals ooit de continenten deden. Er gaapte een zee van argwaan tussen de oude, door god ge schapen wereld, waarin de jezuïeten eeuwenlang de lakens van beschaving uitdeelden, en de nieuwe, door de mens
gemaakte sferen van absolute ideologieën. Wij scholieren kregen dan ook een waarschuwing met dubbel karakter: daag god niet uit door te zwelgen in de verdorven wereld. Het leek op een keuze tussen leven en dood. Deze keu ze ontstak in mij het vuur van de twijfel, alsof ik toen al begreep wat ik nu pas weet: er is geen keuze. In de stille duisternis tussen leven en dood groeit het zelfbewustzijn. Het jong dat met zijn eerste vleugelslagen het luchtruim in wiekt, landt op de tak van twijfel. De hakbijl die het oude continent kliefde, rustte in de handen van de klassenleraar van de poësis. Hij liet ons tek sten lezen, klassieken in Grieks en Latijn, en wees op de mogelijkheden om met taal de werkelijkheid te kneden. Hij was een meesterbeeldhouwer die uit schone letteren gebouwen boetseerde en ons uitnodigde om er een tijd in te verwijlen om er discussiërend de tekens op de wand te ontcijferen. Hij riep stenen tot leven en gaf betekenis aan lettercombinaties, zoals een sjamaan zijn totem plant ter bezwering van aardverschuivingen. ‘Pruimpje’ noemden we hem, omdat zijn kin in twee helften uiteenviel. Hij prik kelde onze geest door versteende interpretaties van beelden letterlijk te ontwikkelen en het verborgen hart ervan te re animeren. Zijn lessen, die meer weg hadden van een inwij ding, maakten ons lenig en leerden ons op het ene been staan, terwijl we het andere strekten en daarbij niet naar de grond maar naar boven moesten kijken, en dit alleen om de weldadige smaak van evenwicht te proeven. Vervolgens zet te hij ons op het andere been, om ons de zwakte te leren van
haastige argumentatie, zoals spieren zonder bloeddoorstro ming aan draagkracht inboeten. Hij leerde ons het kunstige spel van de geest, koorddansen en handstand, balanceren op de dunne balk van de verbeelding. Hij illustreerde de waarde van twijfel met de waarheid van weerlegging. Het leven en de werkelijkheid, zei hij, ontspruiten aan de geest, zoals de bloesem van een bloem zich aan de knop ontwor stelt. Pruimpje was meer dan een profeet, hij was poëzie. Misschien sprak pater Pruimpje tot de verbeelding van de jongeren omdat er tijdens de naoorlogse jaren niet veel poëzie te beleven was, op jazz en vriendschap na. Ook het veinzen van vroomheid en voorspoed verdween snel. Het optimisme van de wederopbouw vertoonde een pervers trekje, want allerwegen propageerde men vrijheid met de zelfde duistere slogans als voor de oorlog, maar dan in het Engels. Allemaal samen deden we een rondedans om het gouden kalf van de nieuwe wereldorde, verzekerd van een ijzeren gordijn dat het kwaad keurig in bedwang hield en in trance gebracht door de immer klinkende mantra ‘nooit meer oorlog’. Orde en vrijheid: twee kanten van dezelfde munt, die in de ideologische smeltoven van de twintigste eeuw onherkenbaar vermengd werden. Ik kan mijn blik niet van de kast tegenover mij losmaken en heb geen kracht om mijn ogen te sluiten. Zelfs mijn mond kan ik niet bewegen, terwijl een tollende carrousel van erva ringen uit mijn jeugd in mijn hoofd ronddraait. Niet zozeer uitwendige gebeurtenissen wentelen voor mijn oog, maar
ik herbeleef de intensiteit, het gevoel van toen, feit en ge dachte samen, en vooral helder. Ik ervaar een zomeravond in 1949. We zijn zestien, mijn vriend en ik, en lopen langs het kanaal tot aan de ijzeren brug die nog door de Duit sers is gelegd. Verwachting en belofte vormen samen een gevoel van vrijheid, want de hele wereld spreidt zich voor onze voeten uit. Het is een vrijheid zonder verleden, want niemand ziet om naar de open wonde die achter ons ligt en wat niet gezien wordt, bestaat niet. Op de brug gooien we steentjes in het stromende water. Mijn vriend hijst zich op de reling en hangt aan één hand aan de buitenzijde te bengelen, terwijl hij uit volle borst Ich bin von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt galmt. Ik voel de adem van Marlène Dietrich, de blauwe engel, en ik maan mijn vriend om niet te verongelukken. ‘En wat dan nog?’ bralt hij. Ik draai mij om. Nu begrijp ik de verwarring van toen, want eindigheid is de essentie van de belofte van het leven.