Oktober Johan de Boose Beeld Caryl Strzelecki
Opgedragen aan alle slachtoffers van het Sovjetregime, naar schatting tussen 20 en 70 miljoen mensen maar speciaal aan Maria Nikolajevna
6
DEEL DEEL EEN XX
7
1
De kip pikte in de kuit van de man die naar haring stonk. De man pakte de kip beet en wrong ze de nek om. Een oude vrouw met een doorploegd gezicht ranselde de man af met haar wandelstok. De trein hield halt. Maksim stapte uit om op het perron gedroogde vis te kopen. Er was niets te koop, behalve bosjes najaarsbloemen en vruchten in papieren tassen. Een jonge boerin sloeg een kruis terwijl Maksim het geld uit zijn portemonnee afpaste voor noten. Op het tegenoverliggende spoor arriveerde een trein. In de derde klas zaten schooiers, dronkaards en vrouwen met kippen, net zoals in Maksims trein. Maar hij ging liever kijken naar de eerste klas. Daar zaten dames in dure jurken en heren met sigaren in hun handen. Hij wuifde net zo lang naar hen, totdat ze zich afwendden. Opeens werd de lucht gevuld met muziek. Een beschilderde trein met muzikanten op het dak reed het station binnen. Meteen verschenen er soldaten op het perron. Ze begonnen de muzikanten uit te schelden, joegen hen met hun bajonetten van het dak af en dwongen alle inzittenden uit te stappen. De dames en heren van de eerste klas loerden angstig naar buiten. Een van de mannen uit de beschilderde trein werd door de soldaten op de grond gegooid en vastgebonden. ‘Zo lopen de gootjes als het regent’, hoorde Maksim iemand zeggen. Een bedelaar stak zijn hand naar hem uit. Hij had een gerimpeld gezicht en een grijze baard, maar hij was hoegenaamd niet oud. Maksim legde een paar noten in de uitgestoken hand. ‘Als Nicolaas hem niet was gesmeerd,’ zei de bedelaar, ‘was het allemaal anders gegaan.’
9
‘Waarom denkt u dat, Igor Aleksandrovitsj ?’ vroeg Maksim. Hij kende de bedelaar. Hij woonde bij hem in de buurt, in eenzelfde krot aan de rand van de stad. Vroeger was hij ambtenaar, maar zijn kantoor was in brand gestoken en er zat niets anders op dan zijn inkomen bij elkaar te bedelen. ‘God mag weten waar Nicolaas nu is,’ zei Igor Aleksandrovitsj, ‘of hij nog in leven is, of ergens in het buitenland, in Holland of Engeland.’ ‘En zijn kinderen’, zei Maksim. De kinderen van de tsaar kende hij allemaal bij naam, alle vijf. Hij wist wanneer ze geboren waren en hoe ze eruitzagen, ofschoon hij ze nooit in levenden lijve had gezien. ‘Ze komen heus terug,’ zei hij, ‘zodra de oorlog afgelopen is.’ ‘Zij daar hebben het straks voor het zeggen’, zei de bedelaar. Hij wees naar de beschilderde trein. De soldaten hadden de geknevelde man geslagen en lieten hem voor dood achter. De muzikanten en de inzittenden vloekten. Ze gingen omstanders die partij hadden gekozen voor de soldaten te lijf. ‘Ze maken muziek en schreeuwen grote woorden,’ zei de bedelaar, ‘maar daarna gaan ze zich wreken. Slachtoffers worden de bloeddorstige beulen.’ Maksim gaf de man nog een paar noten en nam afscheid. Hij ging op zijn plaats in de trein zitten. Hij zette zijn brilletje recht en pakte zijn boek, dat hij in krantenpapier had gewikkeld. De kip lag aan zijn voeten. Ze bewoog nog. Haar kop trilde. Haar snavel was opengesperd. Hij las, langzaam spellend : ‘In de geschiedenis van de mens vormen drie zaken de noodzakelijke voorwaarden : de dierlijkheid, de gedachte en de opstand.’
10
Hij keek naar de kip. Haar hele lijf schokte zo hard dat het verschoof op de vloer. Vlak voor de trein vertrok, kwam er een groep mannen naar binnen. ‘Platzkarte !’ riep een van hen. Ze lachten allemaal. Ze waren geen soldaten, want ze droegen de helft van een uniform, en voor de rest zagen ze eruit als boerenjongens met gescheurde baretten en kapotte schoenen, maar hun geweren waren van gevlamd hout, beslagen met zilver. De jongens lieten hun blik over de passagiers gaan. Ze kozen er een pope uit, die Maksim tot nu toe niet had opgemerkt. ‘Wel alle teksten waar niemand iets van begrijpt,’ zei een van de jongens, ‘maar de Internationale, ho maar, die kennen we niet. Die kent toch de hele wereld. Laat eens horen !’ De pope was jong en schuchter. Ze dwongen hem op te staan. ‘Ik weet het niet’, zei hij. De jongen spuugde hem in het gezicht. ‘Ho, Vanja,’ kwam een ander tussenbeide, ‘zo gaan we niet om met zwartrokken.’ Hij ging voor de pope staan en pakte hem zijn bijbel af. Een derde jongen betastte het kruis om de hals van de pope. Hij knikte tevreden naar de anderen en rukte het kruis los. Een van de mannen, zo te zien de leider, kwam voor Maksim staan. Het boek in krantenpapier had zijn aandacht getrokken. ‘Hé, Dostojevski !’ zei hij. Maksim knipperde met zijn ogen en verroerde zich niet. De andere soldaten kwamen dichterbij. ‘Moet jij niet in de houding gaan staan als een diender tot je spreekt ?’ vroeg de leider. Maksim reageerde niet.
12
‘Zou je je buurman willen vragen’, zei de leider tegen een man naast Maksim, ‘dat hij enig respect mag betonen voor een soldaat ?’ De man haalde zijn schouders op. De leider greep de man beet bij zijn kraag en schopte hem vol in het kruis. De man viel huilend op de grond. Maksim veerde op. ‘Willen jullie … ?’ ‘Ha, Dostojevski is wakker.’ De soldaten lachten. De leider was enkele centimeters langer dan Maksim, zodat hij, wanneer hij zijn hoofd boog, in Maksims boek kon kijken. ‘Wij houden van een goed boek, hé, Dostojevski.’’ ‘Dit is …’ zei Maksim. ‘Ik denk’, viel de leider hem in de rede, ‘dat wij na de revolutie geen boekenwijsheid meer nodig hebben. Een boek kun je niet opeten. Je kunt er hooguit de kachel mee aanmaken.’ Maksim klemde zijn boek tegen zich aan. ‘Ik ben …’ stamelde Maksim, ‘ik … geloof in de revolutie.’ ‘Een goed begin is het halve werk,’ zei de leider, ‘maar sommigen hebben eerst een les nodig voordat ze zich een van ons mogen noemen.’ ‘Een van … ons …’ herhaalde Maksim. ‘Dit hebben we alvast niet meer nodig’, zei de leider. Met een snelle beweging pakte hij de bril van Maksims neus. Hij zette hem op zijn eigen neus en zei gemaakt deftig : ‘Ik geloof in de revolutie.’ Gelach. De leider liet het brilletje vallen en plette het met zijn laars. ‘Dit’, zei hij, ‘is les één.’ Maksim snakte naar adem en leek zich vast te willen klampen aan zijn boek.
13
De leider kwam nog een stap dichter bij Maksim staan. Maksim rook wodka. ‘De revolutie heeft denkers nodig’, zei Maksim. Hij keek snel naar buiten. De trein stond weer stil. Was er een mogelijkheid om te vluchten ? De leider lachte niet. ‘Denkers ?’ Hij pakte Maksim bij zijn nek. ‘Ik denk dat jij stiekempjes hoopt dat er helemaal geen revolutie komt. De tsaar vind jij best in orde. Ik denk dat jij vindt dat wij stinken, en je houdt niet van stinkende mensen.’ Hij grijnsde. ‘En daarom heb jij een tweede les nodig.’ De leider zette een stap achteruit en keek Maksim lang aan. Hij viste een kartonnen sigaret uit zijn zak. ‘Vuur’, zei hij. Een andere jongen, bijna nog een kind, met spleetogen, streek een lucifer af. De leider pakte het boek uit Maksims handen en hield het boven de vlam. Zodra het brandde, gooide hij het op de grond. Het viel neer naast de kip. ‘Dat’, zei hij, ‘was les nummer twee.’ Hij knipte met zijn vingers. De anderen kenden het signaal. Ze verlieten de trein. Maksim trapte het vuur uit. Op de eerste pagina was de titel te lezen : God en de Staat van Michael Bakoenin. Hij raapte de scherven van zijn bril bij elkaar. Het was doodstil in de wagon. Iedereen staarde ontdaan voor zich uit. De pope bad stemloos. De kip was dood.
14
2
Men zei dat een meisje niet alleen op straat moest lopen, ’s nachts niet, maar zelfs overdag niet. Vera Razoemovskaja was dol op de eerste kou. In september waren de hitte en de felheid van de zomer eindelijk afgelopen. De stad dampte. Mist gleed over de Neva. Een moerasgeur vulde de straten. Vervolgens kwam de vorst, dun rijm die langzaam zwol. Dat was Vera’s seizoen. Ze kon niet stil blijven zitten, ze moest de stad in. Haar ouders wisten vaak niet waar ze uithing. Ook nu niet. Ze had hun niet verteld wat ze ging doen. Ze hielden er niet van dat hun dochter zomaar de straat op ging. ‘Het is immers oorlog’, zeiden ze. Ze begrepen niet wat hun dochter zocht. Ze begrepen niet dat de veranderingen, die om hen heen gebeurden, tegelijk in haar plaatsvonden. Ze snapten niet dat de scheidslijn, die tussen de oude maatschappij en de nieuwe, onbekende maatschappij liep, dwars door haar liep. Ze was jong, ze voelde zich verscheurd en keek begerig naar de wereld. De avond viel. Ze zag haar gezicht weerspiegeld in de etalage van de chocolatier op Nevski Prospekt. De lage zon viel op haar smalle, benige gezicht. Ze droeg een bontmantel, zo’n korte, nog geen lange, die was voor de winter. De voorbijgangers bekeken haar alsof ze de mantel had gestolen. Ze keken niet boos of jaloers, maar bewonderend, omdat ze dachten dat ze hem gestolen had, en wat was er mis met stelen als je niks had ? Zij had alles, te veel, veel meer dan ze nodig had. Ze droeg haar suède schoenen in haar handen, alsof ze die ergens had gevonden bij een lijk in een steeg, bij een vrouw die verkracht en gewurgd was. Haar schoenen waren een trofee. Ze liep
17
blootsvoets over straat, hoewel het verdomd koud was. Haar voeten bloedden. De mensen gaapten haar na. Ze had nog nooit een verkrachte vrouw gezien. In een portiek stond een stel te vrijen. Vera bleef staan en riep hen iets toe. Hij was een krantenjongen, Vera zag hem vaak sjouwen met stapels papieren, en zij was ‌ Vera wist niet wie zij was, ze zag haar herhaaldelijk, maar ze kende haar niet, ze stond hier elke avond met een andere jongen. Er ging een golf van opwinding door haar lichaam. Dat meisje was zijzelf. Ze kon haar zijn. Ze wilde haar zijn. Er kwam een man op haar toe. Hij droeg een gestolen jas, of hij keek alsof hij hem had gestolen. Hij stevende op Vera af. Hij was niet van plan om uit de weg te gaan. Hij boorde zijn blik in de hare. Vlak voor hij tegen haar aanliep, week hij uit. Zijn lichaam schuurde tegen het hare. Zijn arm gleed langs de hare. Zijn hand leek los te komen van zijn arm en haar lichaam te zoeken. Ze scheurden zich los van elkaar. Vera rende weg. Ze liet haar schoenen vallen. Ze voelde hoe zijn blik achter haar aan rende. Vanuit haar schuilplaats in het portiek van het Singergebouw zag ze hoe de man een van haar schoenen oppakte, eraan rook en ermee wegliep. De tweede schoen bleef verweesd achter in het midden van de straat. Er kwam een paardentram, die hem verpletterde. Ze ging naar binnen door de dienstingang, waarvan ze een sleutel had. Dmitri, het hoofd van het huispersoneel, zat aan de keukentafel papieren in te vullen. Hij was een lange, magere man en droeg altijd een onberispelijk zwart pak. Zijn gezicht was ingevallen, net een doodskop.
18
‘Hebben we wederom een wandelingetje gemaakt ?’ vroeg hij met een strenge blik op haar voeten. Nadjezjda, een grofgebouwde kokkin met een mannelijk gezicht, kwam de keuken binnen met een dienblad vol theeglazen en een volle asbak. ‘O, o, o,’ jammerde ze, ‘het is hard tegen hard, lieve God, wat een benarde tijd.’ Toen ze Vera zag, zette ze het dienblad neer en snelde op haar toe. ‘Kindje, kindje …’ zei ze. Ze hielp haar op een stoel en zocht allerlei spullen bij elkaar om Vera’s voeten te verzorgen. ‘Here God, allejezus !’ ‘Het is geweldig,’ lachte Vera, ‘al doet het nu een beetje pijn. Maar we moeten offers brengen.’ ‘Wat is er zo geweldig ?’ vroeg Dmitri zonder van zijn papier op te kijken. ‘Straten vol vandalen, vlegels met wapens, hartstikke geweldig. Weet je hoeveel vrouwen er elke dag worden verkracht ?’ Hij herhaalde : ‘Ver-kracht ?’ ‘Je begrijpt het niet,’ zei Vera met een van pijn verwrongen gezicht, ‘we zijn op weg naar de vrijheid. Iedereen moet leren omgaan met vrijheid.’ ‘Vrijheid ?’ Dmitri grinnikte. ‘Je wilt vrijheid, jongedame ? Dan neem ik nu de vrijheid om aan je ouders te vertellen wat je vanavond hebt uitgevreten.’ Hij stond op en liep naar de deur. ‘Nee, alsjeblieft !’ smeekte Vera. Ze kon hem niet tegenhouden omdat Nadjezjda haar voeten net in een metalen teil met heet water had gedompeld. ‘Hij is mijn ondergeschikte, hij kan niet zomaar …’ ‘Goede genade, allemachtig nog aan toe !’ jammerde Nadjezjda. ‘Hou op met je geklaag !’ zei Vera. ‘Jij bent al even ondergeschikt als hij daar !’
19
Ze stapte uit de teil en rende, petsend met haar natte voeten, de keuken uit, de trap op naar de etages waar ze met haar ouders woonde. Ze maakte vieze vlekken op het vloerkleed. Bij de salon hield ze halt. Ze keek op naar het schilderij van haar grootvader. Waar was Dmitri ? Was hij al naar binnen gegaan ? Waarom hoorde ze de overslaande stem van haar vader nog niet ? Ze trok de deur open. Vier geschrokken heren staarden haar aan. Ze droegen keurige pakken met een stropdas, rookten sigaren en dronken cognac. Vera’s vader was de oudste. Hij trok een tobberig gezicht, niet vanwege zijn dochter, die hij nauwelijks opmerkte, maar vanwege de discussie aan tafel. ‘Zie je niet dat we in gesprek zijn ?’ zei hij, terwijl hij zijn monocle op de tafel legde. ‘Het spijt me, vader’, zei Vera. Net voor ze de deur uit wilde gaan, hoorde ze een van de heren zeggen : ‘De regering, mijn beste vriend Pitirim Aleksandrovitsj, is voorbereid op de onmiddellijke onderdrukking van elke vorm van rebellie.’ Dat was Aleksander Kerenski, wist Vera, de eerste minister van een rijk zonder tsaar, sinds de tsaar een half jaar geleden tot aftreden was gedwongen. ‘Sta me toe te zeggen’, zei een ander, die met Pitirim Aleksandrovitsj was aangesproken, ‘dat dit wijst op volstrekte ezelachtigheid of op een vals geloof in je eigen gelukkige gesternte.’ ‘Weten jullie’, zei een derde, ‘dat ik vandaag de raad heb gekregen om zo gauw mogelijk de stad uit te komen, want nog even, en dan kan het hoegenaamd niet meer.’
20
Met bijzondere dank aan professor Emmanuel Waegemans.
De auteurs ontvingen voor Oktober een werkbeurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL).
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp en vormgeving: Studio Lannoo Coverillustratie: Caryl Strzelecki © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016, en Johan de Boose en Caryl Strzelecki D/2016/45/548 — ISBN 978 94 014 2802 6 — NUR 300 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.