Skip to main content

9789401427944

Page 1

Altijd zal ik van je houden


Maurice Hermans

Altijd zal ik van je houden Herinneringen aan mijn vader


‘In ieder geval is een zoon geen rechter over zijn vader, en zeker ik niet, en zeker niet over een vader als jij...’ — uit: Ivan Toergenjev, Vaders en zonen. Nederlandse vertaling: Veen uitgevers, 1991


INHOUD

Inleiding 9 Mijn verhaal 16 Toon 18 Vaderschap 21 Chaos en familie 34 Gezin 38 Schooljaren 42 Zandvoort 50 Moutarde van Sonansee 58 Zwitserland 62 Brieven 68 Op weg naar Amerika 73 Terug naar Nederland 77 Amerika 82 Hoogtepunt in Nederland 89 Maastricht 92 Decembermaand 103 Reddende engelen 106 Rustig aan terug naar het theater 115 Toon en eten ‌ 123 Bloemendaal 129 Carnaval 136 Hilversum 140 Hart en geloof 151 Jong hart 159


Vlaanderen 164 Vrienden, televisie en Gemma 168 De Heilige Gemma 176 Theater Pittoresk 180 Sport en theater 199 Theatervrienden 206 Rietje 217 Zonder Rietje 222 Hoe nu verder? 226 Laatste cd’s 232 Schrik om Toon en New York 238 Een einde en een nieuw begin 244 Bijlage 1: Functies van Toon Hermans Bijlage 2: De dood van Wim

249 251


Mijn vader Toon

Het mooiste beeld dat ik van m’n vader heb is op een fiets in de zon op zijn balkon Het mooiste beeld dat ik van m’n vader heb is op die fiets op zijn balkon in de zon denkend en fietsend, zingend en zwijgend zijn eigen gedachten ver-overschrijdend zo zat hij daar, een man van meer dan tachtig jaar de laatste jaren van zijn leven Zo zat hij daar, kijkend naar zijn kleinkinderen en genietend van de kou of van de warme zonnestralen op zijn gezicht er was niets dat hem maar enigszins kon hinderen alleen was er die heimwee naar dat theater en dat licht Ik was vijftig toen ik hem verloor Het was paaszaterdag, midden in april een zachte glimlach rond zijn mond, hij sloot zijn blauwe ogen toen is hij … met fiets en al de hemel in gevlogen … — Maurice (uit de voorstelling: Zo’n Toon)

7


INLEIDING

Ieder mens raakt op een gegeven moment geïnteresseerd in zijn af­ komst. Bij de een komt dat moment na de pensionering, wanneer vrije tijd de mogelijkheid biedt om in archieven te duiken en terug te gaan naar voorouderlijke geslachten. Een ander raakt op jongere leeftijd verslaafd aan ‘stamboomonderzoek’ en wordt lid van een genealogi­ sche vereniging. Men komt dan uit tot in de zeventiende en zestiende eeuw. ‘Ik ben nog familie van je’, hoorde ik iemand zeggen. ‘We heb­ ben een gezamenlijke voorouder in 1639 ...’ Zó ver terug ga ik niet in mijn geschiedenis, bijlange na niet. Ik ben niet zo’n speurder in het verleden, ben nog te veel bezig met het leven nu, geboeid door vrouw, kinderen en kleinkinderen, door wat ik om mij heen zie, in het thea­ ter, in de sport, in de schilderkunst. In een eerder verschenen uitgave van dit boek ging ik een klein stukje terug in mijn geschiedenis. Ik schreef dat boek vrijwel direct na het overlijden van mijn moeder Rietje, in een tijd dat ik nou niet direct een ‘goed’ contact met mijn vader onderhield. Nu, bijna 25 jaar later, denk ik dat de tijd gekomen is om mijn wat ‘volwassener’ gedachten over deze en de periode ‘daarna’ vast te leggen. Dat had te maken met de tiende sterfdag van mijn vader in 2010. Er werden documentaires over hem gemaakt, er was veel eerbetoon, er verscheen een biografie en er werd een musical gespeeld in de Neder­landse en Vlaamse theaters, artiesten begonnen opeens zijn liedjes te zingen, maar er zou niemand zijn die deze altijd bezige Toon Hermans écht zou kunnen analyseren of zijn eigenlijke levensverhaal

9


zou kunnen vertellen. In het jaar 2000, het jaar dat Toon overleed, richtten mijn broers Gaby, Michael en ik de Stichting Toon Hermans op. In deze Stichting beheren wij zijn culturele nalatenschap, op een manier waarvan wij denken dat hij het ook zo zou doen. Zijn schilde­ rijen, zijn liedjes en teksten, zijn leven met Rietje ... Het is ons zo dier­ baar en ik mag er nu over schrijven. Vier jaar geleden ben ik zelf begonnen met schrijven. Hoe? Dat leg ik u uit in een apart hoofdstukje in dit boek. In deze herschreven uitgave van Mijn vader komt u ook schrijfsels van mij tegen van de laatste ja­ ren. Ik vind nu dat ze bij elkaar horen en passen. Gedichten, kleine versjes en af en toe een filosofietje. In 2013 mocht ik mijn eerste ge­ dichtenbundel publiceren: Dichter bij Liefde. In deze uitgave leest u ook een aantal nieuwe gedichten. Zo nu en dan nam ook Toon de vrijheid om te schrijven, omdat hij zo graag wilde schrijven, zoals in Tussen mei en september. Een prachtig dagboek (1976), Verhalen uit mijn leven (1986) en zijn laatst gepubli­ ceerde Levensboek (2001). Deze boeken bevatten fragmenten uit zijn leven, maar vormen niet een samenhangend verhaal. Het kan en mag allemaal … Toon – zoals ik mijn vader in dit boek vaak zal noemen, zoals u en elke lezer hem noemt, niemand had het over meneer Hermans, behal­ ve zijn medewerkers in het theater – was geen man die romans, lange levensverhalen, kon schrijven. Er was toen ook nog niemand die zijn biografie kon schrijven. Toon had immers nog zoveel te doen en te vertellen. Ook ik ga, zoals gezegd, maar een klein stukje terug in Toons geschiedenis, namelijk tot het moment dat ik geboren werd. Dat was op 14 april 1949 in de Churchilllaan te Amsterdam. In deze nieuwe uitgave van mijn boek ga ik verder, zoals gezegd vanaf het overlijden van moeder Rietje tot vandaag de dag, 22 april 2015, vijftien jaar en een dag na het overlijden van mijn vader.

10


Het is vandaag ’n onwaarschijnlijk mooie dag, de mensen om me heen zijn duidelijk opgetogen … Zo begint een liedje, dames en heren, uit de allerlaatste onemanshow van mijn vader Toon Hermans, en daar moest ik sterk aan denken toen ik ongeveer een jaar of tien, twaalf geleden (… ik ben net als Toon niet sterk in jaartallen) samen met mijn broers aanwezig was bij de onthulling van een levensgroot bronzen standbeeld van Toon, dat nu een plek gevonden heeft voor de Stadsschouwburg van zijn ge­ boortestad Sittard. Het was ook een van de weinige keren dat mijn broers Gaby en Michael met hun echtgenotes naar het zuiden des lands waren ver­ trokken om vooraf nog even bij ons thuis in het Limburgse Beek een paar uurtjes door te brengen, alvorens we de emoties en de pershausse over ons heen lieten komen tijdens de emotionele onthulling van dat beeld. Natuurlijk is er dan vlaai, Limburgse vlaai met een extra klod­ der slagroom erop. Al snel werd de koffie ingewisseld voor een lichte Pinot Blanc uit de Elzas en het werd steeds gezelliger. Toch was er die middag bij ons thuis ook wat spanning. Niet veel men­ sen zullen het meemaken een onthulling bij te wonen van een levens­ groot beeld van hun eigen vader. De kinderen van Michiel Adriaenszoon de Ruyter of Joost van den Vondel (als ze kinderen hadden tenminste …) kenden waarschijnlijk ook een dergelijke spanning. Deze al met al ‘ontspannen spanning’ loste zich vanzelf op toen we eenmaal de Stadsschouwburg hadden bereikt en vriendelijk werden onthaald door een van de medewerkers. Zelfs de burgemeester was er om ons te ver­ welkomen, en de wethouder, die zichtbaar zenuwachtig de laatste zin­ nen van zijn toespraak doornam. Ook goede vriend Jos Brink, die het standbeeld zou onthullen, was aanwezig. Wij voelden ons weer echt thuisgekomen in, zoals Toon zelf het theater noemde, zijn ‘tweede huis’.

11


Waarom vertel ik u nu dit verhaal? Wel, het gaat mij om dat gevoel. Datzelfde gevoel heb ik eigenlijk iedere dag dat ik dit boek herschrijf. Vandaag weer. Misschien nog wel iets sterker. Ik verplaats mij immers in gedachten naar een van de ‘huizen’ van Toon, en ik mag u wat ver­ halen uit ons leven vertellen. De meeste verhalen schreef ik thuis. Dit is mijn huis om lief te hebben, een huis dat mij zoveel liefde bracht, waar vader Toon en moeder Rietje ook zo graag kwamen, keer op keer, en waar wij samen rond de keukentafel verhalen uit ons leven vertelden. Natuurlijk weet ik wel dat het lied Dit is een plek om lief te hebben niet geschreven werd voor een woonhuis maar voor het theater, maar toch voel ik geen verschil tussen hier en daar. Dit huis was zijn kleedkamer, zijn speelkamer, zijn slaapkamer, met zuurstof en weinig zeurstof … Want een echte kleedkamer zonder zuurstof, dat ging er bij hem niet in, en gelijk had ie. Hij snakte naar verse lucht, ieder uur van de dag. Dertig, veertig keer kon hij soms naar buiten lopen, zonder enige aan­ leiding, alleen om de lucht te proeven en zijn longen te vullen met kracht, zoals hij zelf zei. Met deze inleiding, dames en heren, ben ik meteen aangekomen bij de vele conferences, typetjes en liedjes die Toon zo geliefd hebben ge­ maakt bij het grote publiek in Nederland en Vlaanderen. Toen hij 80 werd, zei hij tegen mij: ‘Ik geloof dat ik toch wel enkele mooie dingen heb gemaakt, enkele mooie liedjes, wat leuke conferences, maar wat is het toch vreemd dat die bal gehakt uit 1964 nog steeds achter me aan rolt.’ Hij kon niet over straat lopen of de mensen riepen hem wel na: ‘Hé Toon, leg neer die bal!’ … ‘Leg neer die bal!’ en High Society zijn niet meer weg te denken uit de vaderlandse theaterhistorie. Zelfs zijn allereerste kreet uit de show van 1956 zal veel mensen doen glimlachen: ‘Weet ik feel …’ Zo is er in iedere show wel iets terug te vinden wat voor­ goed in het collectieve geheugen van Nederlanders en Vlamingen, maar veel meer nog in onze harten een warm plekje heeft gevonden.

12


‘Heren, geef de appelmoes eens door!’ ‘De naam is Hartmann, mieneer … Charles Hartmann … de doif ist tot …!’ ‘Mevrouw Loofhutjes … Loofhutjes.’ ‘Wat ruist er door het struiiiiiikgewas?’ ‘Roepie, roepie … en de Poelifinario …’ Poelifinario: deze kleine, louter op klank gebaseerde, door Toon ver­ zonnen tropische vogel kreeg jaren geleden de hoogste onderschei­ ding van de Vereniging van Schouwburg en Concertdirecties: de VSCD Cabaretprijs voor het meest indrukwekkende cabaretprogramma van het theaterseizoen. Directeur VSCD Hans Onno van den Berg schrijft, en ik citeer hier: ‘De kunstvorm cabaret manifesteert zich voor de VSCD op velerlei manieren: conferences, liedjes, typetjes, kleinkunst, fysiek cabaret, nieuwe lulligheid en sterk confronterend cabaret. Het cabaretaan­ bod wordt steeds rijker en van een grotere diversiteit. Cabaret is bo­ venal een kunstvorm waarbij de tijdgeest een aanjager is. De inhoud is het belangrijkste, humor kan het transportmiddel zijn.’ Mijn vader had zo zijn eigen filosofie over hard, literair sterk cabaret: ‘Dit cabaret, zegt Toon, hoewel het misschien wel het dichtst bij de oorsprong ligt, en waarvoor er zeker ook een plaats moet zijn in de veelheid aan genres, roept een geheel ander gelach op. Het is begrij­ pelijk dat wie zich verkneukelt in het feit dat een ander een schop krijgt, of op zijn minst een lel om zijn oren, anders lacht en ook van binnenuit anders wordt bewogen dan iemand die lacht om iets liefs, iets primitiefs, iets kinderlijks, iets aardigs, iets doms, nou ja, iets van een clown.’

13


Mijn vader was geen cabaretier. Hij was wel geïnspireerd door het grote Franse cabaret, maar bleef er ver vandaan. Hij noemde zichzelf clown, carnavallist, kleinkunstenaar. Meer feestneus dan wijsneus. Fratsen­ maker. ‘Ein Kind kommt auf die Bühne’, schreef ooit een Duitse jour­ nalist na een voorstelling in München. Toon wilde niets liever dan de mensen tussen acht en elf uur hun problemen en zorgen doen verge­ ten. Hij speelde voor hen de zon: misschien wel het moeilijkste engage­ ment dat er is. Want de ware clown is altijd mild, hij wil geen pijn doen, omdat hij weet, héél diep in zijn hart, dat net zo groot is als zijn geruite jas en zijn schoenen, dat er al zoveel pijn is in de wereld.

14


Na-oorlogskind

Ik ben een kind van na de oorlog en heb die waanzin dus niet meegemaakt mijn ouders vertelden mij verhalen over haat valse kreten, door de vijand heel stoer uitgebraakt zij vertelden van de wreedheid in de concentratiekampen de immense pijnen aangedaan aan volk en vaderland over de magere avonden thuis bij het licht van olielampen over echte helden, verstopt achter een kastenwand Maar ik ken ook het hoofdstuk van de hemelse bevrijding toen onze vlaggen weer mochten wapperen uit het raam van bommenwerpers die plotseling warme broden gooiden en van vreugde bij het einde van de rassenscheiding Mijn ouders keken opgelucht, naar de stinkend grauwe lucht en dansten dronken van geluk, op straat met Jan en alleman ze zongen het Oranje Boven wel honderdduizend keer per dag en bejubelden sir Winston, de ‘winnende’ bewindsman Nu, zoveel jaren later, kijk ik naar ons vaderland op de tv en zie nog zoveel leed op te veel beschadigde gezichten de meesten vinden troost in woorden en gedichten maar zou het intens verdriet ooit over gaan? Ja of nee ...? — Maurice (uit: Dichter bij Liefde)

15


MIJN VERHAAL

Mijn verhaal gaat over een periode van ruim vijfenzestig jaar, van 1949 tot 2015. De jaren vanaf Toons geboorte op 17 december 1916 te Sittard tot aan mijn geboorte in 1949 heb ik kort samengevat aan de hand van diverse documenten. Het gaat dan vooral om die gebeurtenissen die van belang zijn geweest voor de loopbaan van Toon in het theater. Natuurlijk, dit boek bevat een stukje geschiedschrijving van Toon Hermans en het theater. Ik ben er zo lang zo nauw bij betrokken ge­ weest, dat ik er vanachter de coulissen, vanuit de repetitieruimte, van­ uit de montagekamer, vanuit de besprekingen, kortom vanuit alle hoe­ ken over kan schrijven, óók vanaf het toneel. Maar het gaat ook over de uren buiten het theater en alles wat daaromheen hangt; het gaat over de relatie vader en zoon, zoals ik die mij herinner of zoals ik die aan de hand van brieven en andere documenten heb kunnen oproepen. In het leven van Toon, maar zeker ook in dat van mij, mijn vrouw Mary en onze kinderen, is een grote cesuur gekomen, een verandering die iedereen treft die een zeer grote liefde tamelijk plotseling verliest. De dood van Rietje, mijn moeder, heeft mij meer dan welk feit of wel­ ke herdenking dan ook, ertoe gebracht om eens terug te kijken op het gezin waaruit ik ben voortgekomen. Ik hoor, nu nog, mijn moeder al zeggen: ‘Zou je dat nu wel doen, Maurice?’ En ik antwoord: ‘Ja mam, als ik vind dat het een aardig boekje is geworden, komt het uit. Ik be­ gin er gewoon aan.’

16


Zonen die over hun vader schrijven zijn niet zo ongewoon. Van Ivan Toergenjev verscheen ooit een nieuwe Nederlandse vertaling van de roman Vaders en zonen, en hoewel het een gefingeerd verhaal is, is het een voorbeeld van het oude thema: zonen die zich afzetten tegen de ideeën van hun vader. Die behoefte heb ik niet gehad tijdens mijn va­ ders leven. In deze herschreven versie van mijn levensverhaal met Toon en Rietje en mijn broers zal ik toch enigszins opmerken dat ik niet alles kon accepteren van de dingen die onze vader van ons wilde. Sommige verhalenschrijvers, zoals Maarten ’t Hart, hebben met het geschreven portret van hun vader grote indruk gemaakt. Weer andere auteurs, neem Ischa Meijer, hebben hun vader heel scherp beschre­ ven, bijna een gelijkend documentair portret gemaakt. Ik heb geen enkele literaire pretentie. Ik heb ook niet het idee dat ik een biogra­ fisch portret kan maken dat de toets van de documentaire kritiek kan doorstaan. Wat ik wel kan is op mijn manier weergeven wat ik met mijn vader heb meegemaakt. Wat het betekent zoon te zijn van een man die door honderdduizenden op handen werd gedragen. Hoe een groot kind probeert zijn eigen weg te vinden, wat in mijn geval een bijna onmogelijke opgave was.

17


TOON

Mijn vader is gestorven, ’n raar gevoel is dat. Nu is er niemand meer met wie ik op die speciale manier kan praten en lachen. Wie moet ik nu vertellen dat onze favoriete voetbalclubs Fortuna Sittard, Feyen­ oord of MVV weer verloren hebben, of misschien wel gewonnen? Aan wie ga ik nu zeggen dat ik die of deze mooie opdracht heb gekregen of dat mijn verhaaltjes en gedichten geplaatst worden in een of ander magazine? Aan wie laat ik nu horen hoe mijn zangstem klinkt in mijn eigen theatershow? Ik heb het intens beleefd, zijn laatste keer in het ziekenhuis en zijn aanwezigheid als corpus in het ouderlijk huis. Ik ben er blij om. Meermalen zocht ik hem op in het ziekenhuis, hoewel de berichten geenszins alarmerend waren. Het was warm in dat ziekenhuiskamer­ tje. Ik mocht van hem het raam openzetten. Dat was wat. Thuis had hij het de laatste weken erg koud. Hij liep door het huis met soms wel vier, vijf truien over elkaar heen aangetrokken. En als ik hem dan vroeg of hij het koud had, kreeg ik steevast in zijn Limburgs dialect hetzelfde antwoord: ‘Jungske, ich bin neet mie zoe jong es tich …’ (Jongen, ik ben niet meer zo jong als jij …) Ik belde hem aan de voor­ avond van zijn vertrek uit het ziekenhuis en ik vroeg nog of ik iets kon doen om zijn thuiskomst aangenaam te maken. ‘Ja’, zei hij opgewekt. ‘Voor morgenavond een tafeltje reserveren bij restaurant De Hoefslag. Ik heb echt zin om nu eens te vieren dat ik genezen ben en weer mag gaan werken aan een nieuw theaterprogramma.’ Diezelfde nacht over­ leed hij. Ze vonden hem iets te laat …

18


Samen zaten we thuis uren aan de keukentafel, de tafel waar hij zo graag zat, alleen of met vrienden. Met Paul, met Seth, Herman, Youp of Freek. Praten over zijn en hun metier, zoals hij zijn vak altijd noem­ de. ‘Ik doe maar wat’ was een gevleugelde uitspraak van hem, maar ik wist wel beter. Thuis aan die keukentafel hingen die jonge artiesten aan zijn lippen en namen gulzig de informatie op die ze op zo’n och­ tend of middag van hem meekregen. We zongen en lachten aan die tafel, hadden ernstige en vrolijke gesprek­ ken, speelden Scrabble of we damden erop los. Hij was een winnaar, ook met spelletjes. Hij kon woorden vormen met Scrabble waar ik nog nooit van gehoord had en die dan een woordwaarde vormden die grensde aan het ongelooflijke. Later ontdekte ik dat ze ook niet echt bestonden. We ontbeten, lunchten en dineerden aan die keukentafel, soms sober, soms uitbundig. We luisterden naar cd’s van zijn vriend Tony Bennett, naar Frank Sinatra, Jack Jones, maar ook naar zijn eigen nieuwe liedjes, die hij me vanaf kleine cassettes liet horen. Technisch was dat een van zijn groot­ ste hoogstandjes. Hij kon niet omgaan met elektronische apparatuur. Dat had hij zich de laatste jaren aangeleerd. Dat was maar goed ook, want nu ben ik telkens weer getuige van de geboorte van zijn nieuwe liedjes. Prachtige liedjes. De mooiste liedjes van zijn leven … Ik was een graadmeter. Net zoals Rietje een graadmeter was en Ted, zijn beste vriend uit Zwitserland. Hij luisterde aandachtig naar onze opmerkingen. Hoe reageren ze? Wat zegt hij over deze liedjes? Niet dat hij er zich iets van aantrok, maar ergens in dat koppetje met die al­ tijd stralende oogjes, waar de laatste jaren de glans van verbleekte, bleef toch onze of mijn mening hangen en verwerkte hij onze opmer­ kingen zo slim, dat wij soms nietsvermoedend meewerkten aan zijn teksten en ideeën.

19


www.lannoo.com www.mauricehermans.eu Omslagfoto: Will Dekkers Fotoreportage Vormgeving: Studio lannoo D/2015/45/529 – NUR 320

ISBN 978 94 014 27944 © Maurice Hermans Productions en Uitgeverij Lannoo nv, 2015 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401427944 by Uitgeverij Lannoo - Issuu