Skip to main content

9789401426657

Page 1

8


De witzusters in Antwerpen (1312-1784)


Afbeelding p. 8: Het oudste bewaarde document waarin de vrouwen van het Heilig Kruishuis – hun oorspronkelijke naam – ‘witte susteren’ genoemd werden, dateert van 18 december 1360. De tekening toont het habijt ten tijde van de opheffing van de orde in 1796. (Afbeelding 21 uit ‘Kleding der vernitigde geestelijcke deser stad Antwerpen’, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience)

Le plus ancien document conservé dans lequel les femmes de la maison Sainte-Croix – leur nom originel – sont appelées « Sœurs Blanches » date du 18 décembre 1360. Le dessin montre l’habit au moment de la dissolution de l’ordre en 1796.

De Sorores penitentes beate Marie Magdalene werden Albae Dominae de ordine Poenitentium genoemd of kortweg: ‘Witte Vrouwen’ vanwege het witte habijt dat ze droegen volgens de voorschriften van de instituties van Sint-Sixtus. (heylot p. (1715) Histoire des Ordres Religieux, Monastiques et Militaires. deel 3. Parijs: Cognard. p. 360) Les Sorores penitentes beate Marie Magdalene étaient appelées Albae Dominae de ordine Poenitentium, ou tout simplement « Les Sœurs Blanches » en raison de l’habit blanc qu’elles portaient, conformément aux institutions de Saint Sixte. ‘De Sorores penitentes beate Marie Magdalene’ were also called ‘Albae Dominae de ordine Poenitentium’, or more simply ‘White Women’. The name was derived from the white habits worn by the sisters, in compliance with the institutional regulations of Saint Sixtus. 10

The oldest preserved document in which the women of the Holy Cross House are referred to by their original name – ‘White Sisters’ – is dated 18 December 1360. The drawing shows the habit at the time of the dissolution of the order in 1796.


Zorg voor meisjes ‘door de wereld niet meer gewenst’ – Anne Dewulf Politieke, economische, culturele en religieuze ontwikkelingen gaan hand in hand. Het ontstaan van het klooster van de witzusters in  staat dus niet los van de ontwikkeling van de stad. Een klooster dat wordt gesticht, heeft ook niet vanaf de eerste dag zijn definitieve vorm noch een definitieve naam. Bij het klooster in de Kammenstraat was dat niet anders. Ook de naam van de bewoners heeft, zeker tijdens de eerste jaren na de oprichting, een evolutie doorgemaakt. Pas vanaf  staan de zusters bekend als de ‘witzusters’. Onder die naam zullen ze blijven bestaan tot de opheffing van het klooster in .

Antwerpen in de tijd van de stichting van het klooster Rond  bedroeg de oppervlakte van Antwerpen binnen de stadswallen – die toen nog van aarde waren en onderbroken werden door stenen poorten – ongeveer  hectare. Mede dankzij de steun van de hertogen van Brabant, die aan Antwerpen verschillende vrijheidsprivileges en voorrechten hadden toegekend, werd de Scheldestad groter en rijker. Vanaf de jaren  maakte ze deel uit van de ‘zeven goede steden van het hertogdom Brabant’. Door de aanhechting van Woeringen en Limburg bij het hertogdom Brabant lag de handelsweg naar Duitsland open. Het huwelijk van hertog Jan II met Margaretha van York, de oudste dochter van de koning van Engeland, in  verstevigde de positie van Antwerpen. Dankzij dat huwelijk breidden de handelsbetrekkingen met en de scheepvaart naar Engeland uit. Handelaars stroomden toe, de meest uiteenlopende beroepen en ambachten vestigden zich in de havenstad. Ook de kerkelijke infrastructuur kende een uitbreiding in die periode. Er waren in Antwerpen al een begijn-

hof en twee gasthuizen die door vrouwen bewoond – en eigenlijk ook bestuurd – werden. In  stichtten de victorinnen van Bieselingen een nieuwe abdij in Antwerpen, Sint-Margrietendaal, in de volksmond Ternonnen geheten. Deze zusters waren toen de enige ‘echte nonnen’ in de stad. Vanaf  volgde er een nieuwe stadsuitbreiding. Toen deze wallen rond  voltooid waren, sloten ze in een boog aan op de Scheldeoever en omvatten ze ongeveer  hectare. De stad was dus binnen een eeuw ruim viermaal groter geworden. Een stad die zich ontwikkelt, wordt niet alleen rijker, ze trekt ook veel armen aan. Rond  werd duidelijk dat een stad met ambities ook een sociaal opvangnet nodig had. In  stichtten Ida Van der List en kanunnik Jan Tuclant het Sint-Julianusgasthuis voor arme vreemdelingen op doorreis in Antwerpen. Het was gelegen vlak bij de toenmalige rand van de stad, aan de Sint-Janspoort in de Hoogstraat. In  plaatste de hertog van Brabant 11


dit gasthuis met een open brief onder zijn bescherming en hij beval het aan de liefdadigheid van de gelovigen aan.

dat het om een antwoord vroeg: ‘het zedenbederf ’t welk op dit tijdstip algemeen was, vergde dringend dat er eene schuilplaets voor boetvaerdige vrouwen wierd geopend, vooral te Antwerpen waer, door het bloeien des handels, de overvloed aen levensmiddelen gevoegd by den rykdom, tot de wellust en de ontucht opwekte.’ Kortom, de politieke, sociale en economische evolutie die aan de basis lag van het ontstaan van verschillende huizen van de orde van de penitenten van Maria Magdalena was rond  ook in Antwerpen aanwezig.

Een tweede initiatief was een huis voor ‘gevallen meisjes’. De armoede onder de vrouwelijke bevolking van een almaar rijker wordende samenleving uitte zich onder meer door een stijging van het aantal prostituees. In het begin van de de eeuw was in Antwerpen aan alle randvoorwaarden op het vlak van sociale en economische evolutie voldaan zodat de prostitutie er floreerde. Zelfs zo goed

Het ontstaan van de orde van de penitenten van de heilige Maria Magdalena Magdalene. Op 10 juni 1227 werd de orde door paus Gregorius IX goedgekeurd en onder de regel van de heilige Benedictus en de gewoonten van Cîteaux geplaatst. Ruim vijf jaar later plaatste dezelfde paus, met een bulle van 23 oktober 1232, de zusters onder de regel van de heilige Augustinus en de instituties van Sint-Sixtus. Hierbij kregen de zusters een reeks regels en voorschriften die de instituties verduidelijkten of aanvulden: Constitutiones sororum sancte Marie Magdalene. De sorores penitentes beate Marie Magdalene werden ook wel aangeduid als Albae Dominae de ordine Poenitentium3 of in het Nederlands kortweg als ‘witte vrouwen’, vanwege hun witte habijt, toen de traditionele kleur voor de kledij van kloosterlingen. Het voorschrift van de kledij stond opgenomen in de instituties van Sint-Sixtus, die ook door andere kloosterordes werden gevolgd. Oorspronkelijk was de orde van de heilige Maria Magdalena een dubbelorde met broeder- en zusterhuizen. De orde kende vooral in Duitsland een grote uitbreiding tussen 1232 en 1252. Vanuit Duitsland verspreidden de penitenten zich ook over Brabant. Er ontstonden onder andere kloosters van witte vrouwen in Brussel (rond 1238), Leuven (voor 1248), Nijmegen (rond 1248), Tienen (1251), Maastricht (1252). Rond het midden van de 13de eeuw maakte de orde zowel op geestelijk als op materieel vlak een crisis door. Om die reden vroegen en kregen verschillende kloosters hun overgang naar de orde van SintVictor. Op dat ogenblik was het klooster in Antwerpen nog niet gesticht.

In de middeleeuwen zocht de kerk naar een antwoord op de nood aan opvang voor voormalige prostituees die een nieuw en ander leven wilden. Door de vooruitgang van zowel de handel als de ambachten en de kunsten groeiden de rijkdom en de welvaart. Vooral bij de stedelijke klasse ging dat gepaard met een toename van allerhande genotsmiddelen. Prostitutie ontstond en groeide op de maat van de economische vooruitgang. De stijging van de welvaart veroorzaakte bij de klasse die ervan profiteerde, een daling van de zedelijke waarden. Ook in de universiteitssteden of bij de kruisvaarders vond je veel prostituees. De economische situatie van de vrouw in die tijd maakte haar tot een gemakkelijk slachtoffer voor hen die uit waren op lust en winstbejag. Die situatie baarde paus Innocentius III (1160-1216) zorgen en in een brief van 29 april 1198 riep hij alle christenen op om mee te werken aan de bekering van de prostituees. Meer nog, hij vroeg om de vrouwen te helpen naar een staat van eerbaarheid terug te keren. Aan mannen die een publieke vrouw huwden, beloofde hij zelfs een volle aflaat.2 In Duitsland gaf een zekere Rudolf, kanunnik van Sint-Mauritius te Hildesheim, gehoor aan de oproep om de vrouwen te bekeren. Hij kreeg er een apostolische zending voor. Rudolf doorkruiste Duitsland, predikte er en verzamelde de bekeerlingen in huizen waar ze door middel van caritas werden onderhouden. Sommige vrouwen huwden, andere omarmden het religieuze leven dat Rudolf hun voorstelde en zij kregen rond 1225, samen met het kloosterhabijt, de naam Sorores penitentes beate Marie

12


Register van de witzusters (1676-1779) met een inventaris van alle diensten, jaarlijkse missen en schenkingen. (Rijksarchief Antwerpen) Registre des Sœurs Blanches (1676-1779) contenant un inventaire de tous les services, des messes annuelles et des dons. Register of the White Sisters (1676-1779) with an inventory of services, annual Masses and donations. 13


Oorkonde van hertog Jan II aan broeder Gerardus () Wij vragen aan al onze ambtenaren, de maarschalken, de baljuws, de hulpbaljuws, de burgemeesters, de boswachters en alle anderen die dienstdoen op ons grondgebied, dat ze zouden verdedigen en beschermen tegen geweld en onrechtvaardigheid en dat ze hen in vrede en rust zouden bewaren: die broeder en zijn gezanten, dragers van deze brief. We vragen ook dat zij broeder Gerard en zijn gezanten, dragers van deze brief, laten profiteren van de aalmoezen door wie dan ook verzameld op ons grondgebied voor dit huis. Dat ze mogen genieten zonder gemor of tegenspraak omdat wij willen dat deze aalmoezen bewaard blijven voor dit huis.

De oorspronkelijke oorkonde is verloren gegaan. Maar dankzij de geschiedschrijving van Franciscus Haereus Verhaer, die een tijdlang in het klooster van de witzusters verbleef en die op 14 september 1612 het originele document getrouw kopieerde, is de inhoud toch bewaard gebleven. J.C. Diercxens heeft in zijn werk Antverpia Christo nascens et crescens4 de tekst van Haereus overgenomen. De onderstaande werkvertaling is gemaakt op basis van die tekst. Wij, Jan, bij de genade van God, hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, laten het volgende weten aan al onze vrienden, en aan allen en iedereen, inwoners van ons grondgebied, zowel religieus als seculier, wat ook hun staat of conditie is: omdat we een bijzondere voorliefde hebben voor broeder Gerard en de promotie van zijn huis, onlangs gesticht in Antwerpen in eer van het Heilig Kruis (huis waar werken van barmhartigheid worden gedaan, dat wil zeggen opdat zondaressen worden tot rechtvaardige goede vrouwen en God toegewijd), kondigen wij u aan en nodigen wij u ertoe uit, zowel in algemene als op bijzondere wijze, dat u, vanuit de goederen die de Heer jullie heeft toevertrouwd, vrome aalmoezen zoudt geven als een geste van vroomheid en dankzij de tussenkomst van onze gebeden aan dezelfde broeder Gerard en aan alle dragers van deze brief, die door dezelfde broeder Gerard gezonden worden om in naam van dit huis de aalmoezen van de gelovigen te collecteren, en dat u hen vriendelijk behandelt opdat de Beloner van alle Goed het u honderdvoudig zal vergoeden en dan zullen wij aan u voor altijd eerbiedwaardige dank verschuldigd zijn.

Bovendien gebieden wij aan alle onderdanen dat niemand op een ongeoorloofde manier het huis van de zusters van broeder Gerard in Antwerpen zou betreden zonder de toestemming van en de wil van broeder Gerard of de magistraat die daar door hem werd aangesteld. Hij die ons bevel in deze zaak weigert op te volgen, zal gestraft worden met een aangepaste gevangenisstraf door onze rechter te Antwerpen. En indien een zondares die daar woont, terugkeert in de wereld, het huis verlatend en het habijt verwerpend, verbieden wij vastberaden om haar gastvrijheid te bieden of met haar te spreken. Anders zal aan wie dit heeft gedaan een straf worden opgelegd, door onze burgemeester, op de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan. Als getuige werd onze zegel aan deze brief gehecht. Gedaan en gegeven in het jaar van Onze Heer 1312 de dinsdag voor het feest van de geboorte van Johannes de Doper.

14


Het Heilig Kruishuis van broeder Gerardus5 re naam of titel dan Frater Gerardus of een letterlijke vertaling van de naam. Sommige historici suggereren dat Gerardus een broeder was die in Antwerpen was blijven wonen nadat zijn bedelorde door het Tweede Concilie van Lyon in  werd opgeheven. Andere bronnen vermoeden dat het om frater Geroldus ging. Aan het begin van de de eeuw was Geroldus, voormalig prior van de penitenten in Hildesheim, algemeen-overste van de orde en gedomicilieerd in Keulen. Het was niet ongebruikelijk dat oversten veel reisden en zich inlieten met de situatie in de dochterstichtingen. De stichting van de penitenten in Leuven was waarschijnlijk een dochterstichting van Keulen. De Leuvense witte vrouwen dreigden naar de orde van Sint-Victor over te gaan en de prior van de penitenten in Keulen zou naar Brabant zijn gereisd om dat te voorkomen. Zijn tussenkomst mocht echter niet baten, want de Leuvense kloosterlingen werden op  december  officieel als Leuvense victorinnen erkend. Dat het Antwerpse huis ook een stichting van Keulen was, zou mooi zijn en onder meer de beroemde Antwerpse priester-stadsarchivaris Floris Prims was deze mening toegedaan. Maar Prims’ motivatie om Gerardus en Geroldus met elkaar te vereenzelvigen, is weinig onderbouwd. De enige aanwijzing om beide personen met elkaar te vereenzelvigen, is het feit dat ze in dezelfde tijd leefden en hetzelfde nastreefden: gevallen meisjes op het goede pad brengen. Prims’ visie werd later bijgetreden door E.H. Philippen, gewezen archivaris van de Commissie van Openbaren Onderstand van Antwerpen. Die schreef aan de auteur van het boek Ons Antwerpsch Sint-Vincentiushuis: ‘Gerardus en Geroldus is dezelfde naam… Voor mij is er niet de minste twijfel meer: frater Geroldus, algemeen prepositus van de kloosters der H. Maria Magdalena, is de persoon ten voordele van wien, hertog Jan II den brief van  Juni  uitvaardigde en dus de stichter van het Antwerpsch klooster der witzusters.’ Op basis van welke bron Philippen besloot dat beide namen dezelfde zijn, staat niet vermeld. Fonetisch lijken de namen inderdaad op elkaar, maar etymologisch zijn het wel twee verschillende namen. Gerardus of Gerard komt van de Germaanse naam Gerhard en betekent ‘sterk met de speer’ (ger = speer + harti = hard, sterk), terwijl Geroldus of Gerold afgeleid is van Gerald

De initiatiefnemer voor een huis voor ‘gevallen vrouwen’ in Antwerpen was een zekere broeder Gerardus. Hij stelde zijn Heilig Kruishuis, dat gelegen was in de Cammerstraete extra fossatum, ter beschikking als plaats ‘waar werken van barmhartigheid worden gedaan opdat zondaressen gemaakt worden tot rechtvaardige goede vrouwen en God toegewijd’. In een akte van  juni  was voor het eerst sprake van dit Heilig Kruishuis. Met het document gaf hertog Jan  van Brabant aan broeder Gerardus en zijn boodschappers de toestemming om in het hele hertogdom geld in te zamelen voor zijn huis. In hetzelfde schrijven gaf de hertog het gezag over de vrouwen aan de broeder en aan de schout van Antwerpen. Het leven in het huis was streng geregeld. Niet de vrouwen zelf, maar de mannen die over hen het gezag uitoefenden, bepaalden wie welkom was in huis en wie toezicht hield over de vrouwen. Bovendien dreigde voor iedereen die een uit het Heilig Kruishuis weggelopen vrouw hielp of in huis opnam, een strenge straf. Waar het Heilig Kruishuis juist gelegen was, is eenvoudig te achterhalen: vanaf de stichting tot aan de verbeurdverklaring in  zijn de witzusters altijd op dezelfde plaats in de stad blijven wonen en tot nu toe zijn er restanten van het oorspronkelijke pand bewaard. De ‘fossatum’ of de stadswal uit de plaatsaanduiding Cammerstraete extra fossatum lag ter hoogte van de huidige Steenhouwersvest en Lombardenvest. Het Heilig Kruishuis bevond zich ongeveer waar nu Kammenstraat  is. Het pand van de zusters heeft niet lang buiten de stadsomwalling gelegen. Twee jaar na de stichting waren de nieuwe wallen namelijk voltooid en bevond het huis zich binnen de bescherming van de stadsmuren. De huidige straatnaam, Kammenstraat, is een verbastering van de oorspronkelijke naam. Camme is een Middelnederlands woord voor brouwerij en een cammer is dus een brouwer. De straat kreeg haar naam door de vele brouwerijen die er zich bevonden. Dat het een zeer oude benaming is, bewijst het testament van Hendrik Nose uit , waarin de straat al vermeld stond. Tot in  bleef de Cammerstraete een straat met brouwerijen. Achterhalen wie broeder Gerardus was, is al veel moeilijker. Geen enkele nog bestaande bron vermeldt een ande15


en ‘heerser met de speer’ betekent (ger = speer + waltan = bewind voeren, heersen). De oorkonde van hertog Jan  van Brabant was gericht aan broeder Gerardus en zijn gezanten. Een verdere persoonsduiding werd er niet in opgenomen. Indien broeder Gerardus inderdaad de algemene overste van de orde was, lijkt het toch waarschijnlijker dat hertog Jan  hem ook in die hoedanigheid in de akte zou hebben vermeld en niet alleen met zijn naam.

Wat er ook van zij, broeder Gerardus trok zich het lot van de Antwerpse prostituees aan en ving de vrouwen die hun leven over een andere boeg wilden gooien, op in zijn Heilig Kruishuis, dat hij onder de bescherming van de heilige Maria Magdalena stelde. Voor zijn initiatief kreeg hij van de hertog bescherming en de vrijgeleide er geld voor in te zamelen. Of hij zijn huis moest aanpassen, is niet geweten, maar het lijkt wel waarschijnlijk.

Van vrouwen van het Heilig Kruishuis naar witzusters Tijdens de eerste jaren na de oprichting toonden de plaatselijke autoriteiten weinig interesse voor het huis. Daar kwam in  verandering in. Toen stelde Nicolas Canteman, kanunnik en plebaan van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, samen met het stadsbestuur een regel op voor het leven van de zusters van de Kammenstraat. De juiste inhoud van de regel is onbekend, want het document is jammer genoeg verloren gegaan. Uit het vervolg van de geschiedenis blijkt wel dat het huis vanaf dan onder toezicht van het kapittel van de hoofdkerk stond en dat de stad twee mamburni of voogden benoemde die de gelden van de zusters beheerden. Tot dan toe hadden de bewoners van het Heilig Kruishuis geen officiële kapel om er de liturgie te vieren. De rechten op een kapel waar de mis kon worden gelezen, kostten geld en vereisten de toestemming van het kapittel. De zusters spaarden ijverig. Rond die tijd bestond in Antwerpen een groeiende verering voor de heilige Maria Magdalena en was in de Onze-Lieve-Vrouwekerk een altaar voor haar opgericht. Een zekere Yda Spronginne, van wie de vader begraven lag naast dat nieuwe altaar, wilde daar een kapelanie en had daar al geld voor geschonken aan de kerk. Toch waren het geld dat de zusters van het Heilig Kruishuis hadden gespaard voor hun kapel, en de gift van Yda voor een kapelanie nog altijd ontoereikend. Claus de Fickere, een buurman van de zusters in de Kammenstraat, had een zoon die als priester gebaat zou zijn met een eigen kapelanie. Hij bood de dames hulp en zo werden de benodigde sommen toch gevonden. Hoewel de oversten van het kapittel niet om bijkapellen stonden te springen, besloten ze in  toch om beide vragen samen te voegen. De dames van het Heilig Kruishuis kre-

gen de toestemming voor een kapel en Yda Spronginne voor een kapelanie in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, beide ter ere van Maria Magdalena. Zij moesten de kapelaan, Johan de Fickere, delen. Die kreeg de taak vier missen per week te lezen: twee in de kapel van het Heilig Kruishuis en twee aan het altaar van Maria Magdalena in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De kapel in de Kammenstraat behield wel de naam Heilig Kruiskapel. Het oudste bewaarde document waarin de vrouwen van het Heilig Kruishuis ‘witte susteren’ genoemd werden, is het testament van Henri Suderman, gedateerd op  december . Dat is ruim vijftig jaar na de stichting van het huis.‘Witzusters’ is de naam waarmee ze doorheen het verder verloop van hun geschiedenis het meest werden aangeduid. Zoals de andere kloosters in die tijd waren ze sterk ingebed in de parochiale structuur en participeerden ze aan de katholieke tradities in de stad. De zusters namen deel aan de processies, de ‘ommegang’, en waren afhankelijk van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Pas in een akte uit , waarin de zusters van het kapittel de toestemming kregen om aalmoezen te verzamelen om hun kapel te restaureren en hun oude zusters te verzorgen, werden de witzusters vermeld als leden van de Congregatie van de heilige Maria Magdalena. Zoals blijkt uit het document, stond het klooster toen nog altijd onder het toezicht van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ook aan het beheer van hun financiën was niets veranderd: zowel voor de kapel als voor het klooster werd dat nog altijd door stedelijke beambten gedaan. Hoe de zusters en hun klooster doorheen de geschiedenis in officiële documenten werden genoemd, varieerde, maar als verduidelijking staat telkens ‘witzusters’ vermeld. 16


Het klooster onder Windesheim In de tweede helft van de de eeuw veranderde er veel aan de parochiestructuur van de stad. Het bloeiende Antwerpen had nood aan meer parochiekerken dan enkel de Onze-Lieve-Vrouwekerk. En hoewel de invloedrijke kanunniken van de hoofdkerk deze evolutie probeerden tegen te houden – de parochierechten bepaalden immers de inkomsten – eindigde hun monopolie in . Vanaf toen kregen bestaande kerken zoals de burchtkerk van Sint-Walburgis en de Sint-Joriskerk extra rechten. De nieuwe Sint-Jacobskerk kreeg meteen volledige parochierechten toegewezen.

gen. Evenmin veranderde hun witte habijt. Wel werd er een mater aangesteld en kregen de zusters als geestelijke begeleiding een pater. De kloostergemeenschap bestond uit de koorzusters, de conversen of lekenzusters – die zich voornamelijk met de dagelijkse taken bezighielden – en de novicen. Later werd de gemeenschap uitgebreid met pensionnaires die door de zusters werden opgevoed. Het hoger gezag werd gevoerd door het kapittel, vertegenwoordigd door een plebaan, en twee voogden of momboors, die zoals vroeger uit de vertegenwoordigers van de stedelijke overheid werden gekozen. Het hoogste gezag was in handen van de bisschop van Kamerijk, die, na raadpleging van de zusters, de mater aanduidde. Geregeld bracht een door de bisschop aangestelde visitatiecommissie een bezoek aan het klooster. Op basis van het verslag besliste de bisschop of de mater en de pater hun functie mochten behouden of moesten afgezet en vervangen worden.

Ook voor het klooster van de witzusters veranderde er veel in die periode. Sommige bronnen vermelden dat het klooster in  gesloten was. Waarom en hoe lang is nergens terug te vinden. Anderen menen dat het woord ‘gesloten’ foutief werd gelezen en dat het klooster dan ‘besloten’ of een slotklooster werd. Dat laatste is wel degelijk een feit, maar de exacte datum ligt vermoedelijk een beetje later, net voor . Het is de periode waarin het geestelijk bestuur over de zusters van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in handen kwam van de kanunniken van het kapittel van Windesheim. Dit kapittel werd in  opgericht in de geest van de Moderne Devotie of de Broederschap van het gemene leven. Het was een laatmiddeleeuwse, in de Noordelijke Nederlanden ontstane, spirituele beweging die zich over heel Noordwest-Europa verspreidde. Kenmerkend was haar afkeer van het toenemende verval van de kerk en het verlangen daar iets aan te doen door terug te keren naar de kerk van de eerste christenen. De kloosters die verenigd werden in het kapittel van Windesheim, volgden de regel van de reguliere kanunniken van Sint-Augustinus, dezelfde regel die ook de witzusters naleefden. De beweging van de Moderne Devotie drukte een grote stempel op de maatschappij, niet in het minst omdat zij zich richtte op zielzorg, onderwijs en boekproductie. Het nieuwe kerkelijk bestuur zorgde voor grote veranderingen voor de zusters. Onder het gezag van het kapittel van Windesheim werd het klooster hervormd tot een slotklooster. Die ingrijpende gebeurtenis betekende niet dat de zusters geen gevolg meer gaven aan hun oorspronkelijke roeping om meisjes in problemen op te van-

De hervorming tot een slotklooster voltrok zich niet op één dag. Bovendien had het niet enkel gevolgen voor de structuur van de gemeenschap, maar ook voor de gebouwen. Een eerste duidelijk teken van verandering was de toestemming die de zusters in een akte van  januari  kregen om op hun eigen grondgebied een kerkhof

Augustinus van Hippo De heilige Augustinus (354- 430) was een Romeinse ambtenaar in Milaan, die zich in 387, na een lange filosofische zoektocht, liet dopen en naar zijn geboortestreek in Noord-Afrika terugging om er in een christelijke gemeenschap te leven. Daarvoor schreef hij een regel die de nadruk legt op vriendschap. Volgens die regel leefden en leven nu nog veel gemeenschappen van mannen en vrouwen die zich aan de zorg van armen en zieken wijden. Ook de witzusters die in de Kammenstraat woonden en voor de opvang van ongehuwde moeders zorgden, leefden volgens deze regel. Augustinus werd in 395 bisschop van Hippo (in het huidige Algerije). Hij was een groot predikant en een invloedrijke theoloog en kerkvader. (HH)

17


in te richten en in de kapel het Heilige Sacrament en de heilige oliën te bewaren. In datzelfde jaar wordt ook voor het eerst melding gemaakt van een mater, Catharine van Parijs. Rond  kwam Nicolaus van Veltswyck, een kanunnik van de priorij van Zevenborren, als pater naar het Antwerpse klooster. Dat de keuze op de priorij van Zevenborren viel om het Antwerpse klooster te hervormen, was geen toeval. De bisschop van Kamerijk, Henri de Mons, was bevriend met de prior van Zevenborren. Deze priorij lag in het Zoniënwoud en maakte, samen met de priorijen van Rooklooster en Groenendaal, deel uit van de congregatie van Groenendaal die aangesloten was bij het kapittel van Windesheim. De zusters waren voor de pater een jaarlijkse vergoeding verschuldigd aan het kapittel. Aan die eerste pater hadden de zusters veel te danken. In het gedenkboek van het klooster staat over hem geschreven: ‘Wy moeten bidden voor onzen Eerweerdighen pater   , bichtvader ende confessoor van onsen convente, die ons clooster uyt den gront heeft opgetimmert ende  jaeren ons getrouwelyck gedient heeft, waervoor men alle jaeren moet doen een gesongen misse van requiem ende vigilie lessen met  lessen; de religieusen zullen hebben een pint bier en een witten broodt.’ Uit het gebed van de zusters blijkt dat hij wel wat bouwwerken aan het klooster heeft uitgevoerd. Die werken waren noodzakelijk, want volgens een telling in  bedroeg het aantal bewoners toen ‘ juffrouwen’. Om het huis en de kapel te vergroten volstonden de gronden niet die ze in bezit hadden, en al in  kochten de zusters het huis Den Windhaes, dat rechts naast de ingang lag. Maar kopen en werken laten uitvoeren konden de zusters, ook later met behulp van de pater, niet zomaar. Het beheer van gelden en goederen bleef in handen van hun voogden, de stedelijke beambten. Onder het gezag van mater Catharine van Parijs groeide het aantal bewoners van het kloosterpand gestaag. Bij de heerdtelling van  mei  bleken er in ’t Clooster van de Magdalenen, geheeten Witsusteren,  personen te leven. In  waren dat al  personen. De bisschop van Kamerijk, Jacques de Croy, moet zeer tevreden zijn geweest over de evolutie van het klooster van Sint Maria Magdalena. Naar het model van het

Antwerpse klooster werd in  in Brussel namelijk het klooster van Bethanië gesticht. Met een bulle van  februari  kreeg het zowel zijn statuten als zijn eerste moeder toegewezen. Hiervoor koos de bisschop een van de Antwerpse zusters, Christiene Suckers, en hij zond haar samen met enkele medezusters naar Brussel om het klooster op te starten. Gielis de Wale volgde in  pater Nicolaus op. Tijdens het beleid van mater Catharine en pater Gielis kreeg het klooster voldoende financiële draagkracht. De gelden en goederen die de zusters doorheen de geschiedenis van het klooster verwierven, kwamen onder andere van meisjes van gegoede families die in het klooster binnentraden of die er opgroeiden als pensionaires. Zo vermeldt bijvoorbeeld een akte van  oktober  dat Laurys Aerts en Elisabeth van der Heyden uit Hoogstraten aan het klooster een jaarlijkse rente in natura zullen overmaken zodra hun dochter in het klooster geprofest is. Maar ook erfenissen, giften voor te lezen missen of van weldoeners allerhande zorgden voor inkomsten. Testamenten maakten het klooster niet alleen rijker, ze bepaalden ook de intenties van de mis en voor een deel zelfs wat er op het menu van de zusters kwam. Hierboven stond al te lezen dat de zusters ter nagedachtenis van de eerste pater een pint bier en wit brood kregen. Een ander voorbeeld is de gunst van zuster Rosa van Thienen. Voor haar zielenheil lazen de zusters op de verjaardag van haar sterfdag een mis en kregen ze op Allerzielen ‘een uper van den besten wyn met eenen cruytkoeck van eenen halven stuyver’. Sommigen gunden niet alleen de zusters wat lekkers, maar namen ook de armen op in hun testament. Zo bepaalde zuster Theresia van de Velde dat voor de  gulden die zij aan het klooster overmaakte, jaarlijks op haar sterfdag twee missen moesten worden gelezen, één voor haar en één voor het heil van haar weldoeners, en dat elke maand voor acht stuivers brood moest worden gekocht voor de armen die bij de poort aanklopten. Hoewel het stijgende aantal zusters, de geslaagde bouwwerken en de financiële toestand van het klooster één groot succesverhaal lijken, verliep de overgang naar het slotklooster toch niet zo rimpelloos. Na een visitatie kwam in  een einde aan het gezag van mater Catharina. Een aantal zusters was in opstand gekomen 18


tegen de moeder. Samenleven bleek niet altijd even eenvoudig te zijn: de ene zuster roddelde over de andere, ze bespotten elkaar en legden het verleden van hun medezusters bloot wat, gezien het feit dat sommigen bekeerde prostituees waren, beslist tot ruzie en spanningen moet hebben geleid. De overgang van een leven als prostituee naar een leven in een slotklooster was ook niet weinig drastisch. Met de aanstelling van Barbe Slaets als nieuwe mater waren de problemen niet van de baan. Verslagen van nieuwe visitatiecommissies vertellen dat de zusters niet ophielden met discussiëren of elkaar hun respectievelijke verleden onder de neus te wrijven. Kortom, ook Barbe Slaets slaagde er niet in de zusters in het gareel te houden. Intussen was het aantal kloosterlingen teruggevallen naar . Kort na de aanstelling van mater Slaets overleed Gielis de Wale. Mattheus Cammermans verving hem als rector en kreeg, als socius, Jean Schildemans naast zich. Beide heren kwamen, zoals hun voorgangers, uit het augustijnenklooster, de priorij van Zevenborren. Uit het vi-

sitatieverslag van  blijkt dat de zusters noch over hun pater en zijn socius, noch over de mater te spreken waren. Naar aanleiding van die visitatie vroeg Barbe Slaets om van haar taak als mater verlost te worden. Ze motiveerde dit door te verwijzen naar haar hoge ouderdom en het feit dat een aantal zusters ongehoorzaam was. Bovendien beklaagde ze zich over het gedrag van de pater en de socius. De eerste zou zich te veel gezag hebben toegeëigend en de laatste zou te veel omgang hebben gehad met vreemden en met de zusters. Jean Schildemans werd naar aanleiding van de visitatie overgeplaatst, maar Barbe bleef mater, ondanks haar vraag. De visitatieverslagen kunnen het beeld scheppen dat het leven in het klooster enkel kommer en kwel was. Ze bieden een inkijk in het dagelijkse kloosterleven, want tijdens een visitatie kregen de zusters de kans om eens goed hun hart te luchten. Toch geven die verslagen slechts een beperkt beeld weer. Andere documenten tonen namelijk aan dat, hoewel het aantal zusters schommelde, het klooster bloeide en rijker werd.

Het klooster van de witzusters in de zestiende eeuw De de eeuw was voor Antwerpen een gouden eeuw: de stad groeide uit tot een welvarende en belangrijke havenstad en werd een economische draaischijf waarin verschillende goederenstromen samenkwamen. Die economische bloei ging gepaard met een groeiende nijverheid. Niet alleen breidden de bestaande nijverheidstakken uit, de florerende havenstad trok er ook een aantal nieuwe aan zoals de diamantbewerking, de zijdeweverij, de suikerraffinaderij en last but not least de boekdrukkunst. In  vestigde Christoffel Plantijn zich in de stad en enkele jaren later opende hij er zijn eigen drukkerij. Bovendien kende Antwerpen ook een culturele groei. Belangrijke kunstenaars zoals Pieter Aertsen, Pieter Brueghel de Oude en Pieter Brueghel de Jonge, Joos van Cleve, Frans Floris, Quinten Matsijs enzovoort verbleven in die periode in de stad en schreven zich in de Sint-Lucasgilde in. Maar deze bloeiperiode betekende niet dat alles peis en vree was. De de eeuw was woelig en luidde het begin van de verwoestende godsdienstoorlogen in.

Door haar centrale positie in de wereldeconomie van die tijd en het feit dat de stad een centrale rol speelde in de verspreiding van gedrukte boeken, waren de  stellingen van Luther al in mei  in gedrukte vorm beschikbaar in Antwerpen. Hierdoor vond het protestantisme al zeer vroeg een vruchtbare bodem in de stad, die zowel zeer tolerant was als een internationale ontmoetingsplaats voor handelaars, kunstenaars en intellectuelen uit heel Europa. De Antwerpse Gouden Eeuw was ook voor het klooster van de witzusters een gunstige en een woelige tijd. Het klooster werd verfraaid. De vensters in verschillende kamers en cellen werden met glasramen versierd. Die glasramen verbeeldden scènes uit het leven van de heilige Maria Magdalena, en het wapenschild van weldoeners of van de bisschop en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders.

19


In de loop van de eeuw begonnen de zusters onderwijs te organiseren voor de vrouwen en meisjes die ze in het klooster opnamen. Wanneer de school precies van start ging, is niet duidelijk. Voor de schoolmeester moesten de zusters een jaarlijkse bijdrage betalen aan de Sint-Ambrosiusgilde. De registers van deze gilde vermeldden voor de jaren - de bijdrage voor de eerwaarde heer Franciscus Hoevelmans, die hun geestelijke bestuurder was en in het klooster woonde. Volgens het gedenkboek van het klooster stierf Hoevelmans in . Hij werd opgevolgd door Quinten Mettenhoven. In  onderging het klooster opnieuw hervormingen, ditmaal door Robert de Croy, bisschop van Kamerijk, die verschillende vrouwenkloosters uit die tijd hervormde. Het is heel waarschijnlijk dat hij meer rekening hield met de aard van het klooster – een opvangplaats voor ‘gevallen meisjes’ of meisjes die ongewenst waren in de ogen van de wereld – want vanaf toen werden de meisjes er geplaatst door hun ouders of familie en ontving het klooster prebenden voor hun opvoeding. Net voor de hervormingen, in , was er een vervelend voorval geweest met een meisje dat aan de zorgen van de zusters was toevertrouwd. Tijdens een wandeling met de mater ontvoerde ene Hans van Vochum, waarschijnlijk een oud-lief, het meisje. De hele gebeurtenis werd zowel door de stedelijke als door de kerkelijke overheid grondig onderzocht. De stappen die de magistraat zette, bleven zonder succes. Het kerkelijk onderzoek leidde tot de al vermelde hervormingen. Mettenhoven kweet zich zeer ernstig en met succes van de taak om de hervormingen door te voeren en het klooster terug op het rechte pad te brengen. Zowel de zusters als de buren droegen hem op handen.

gemanifesteerd. Martin Luther vond in de Scheldestad aanhangers onder de monniken van het augustijnenklooster. Mettenhoven was ook een augustijn, maar kwam uit Brussel. Het zou best kunnen dat ook hij protestantse sympathieën had. Rond  deden de doopsgezinden hun intrede in Antwerpen en nog eens vijftien jaar later lieten de calvinisten almaar meer van zich horen. Zij bouwden er een goed georganiseerde Nederlandstalige en Franstalige gemeenschap uit. Ondanks de plakkaten pasten de Ant-

Maria Magdalena Volgens de evangelies was Maria van Magdala een van de vrouwen die Jezus volgden en die ‘uit eigen middelen’ voor Hem zorgden. Zij was door Jezus bevrijd van zeven duivels (Lc. 8: 2-3). Zij was samen met enkele andere vrouwen getuigen van Jezus’ kruisdood en begrafenis en van het feit dat Zijn graf twee dagen later leeg was. Het Evangelie volgens Johannes vertelt dat Jezus zelf aan haar verscheen (Joh. 20: 11-18), terwijl zij buiten stond te huilen om het verlies van haar Vriend en Heer. Als eerste verkondigt zij het blijde nieuws van de verrijzenis aan de leerlingen, die dat aanvankelijk afdoen als vrouwengeklets (Lc. 24: 11). In de traditie van de westerse kerk wordt zij gelijkgesteld aan drie andere vrouwen die in de evangelies voorkomen: de naamloze zondares die in het evangelie volgens Lucas de voeten van Jezus met haar tranen nat maakt (Lc. 7: 36-50), de overspelige vrouw uit het evangelie van Johannes (Joh. 8: 1-11), en Maria van Bethanië, de zus van Marta (Lc. 10: 38-42), die in het vierde evangelie ook de zus van Lazarus is en geïdentificeerd wordt met de vrouw die Jezus’ voeten komt balsemen (Joh. 11: 1.5; 12: 3), maar naamloos bleef in Matteüs en Marcus (Mt. 26: 6-13 par Mc. 14: 3-9). Zo kon Maria Magdalena de patroonheilige worden van alle bekeerde zondaressen, overspelige vrouwen en hoeren. Daarom werd de kapel in de Kammenstraat, die oorspronkelijk aan het Heilig Kruis was toegewijd, geleidelijk aan Magdalenakapel genoemd. Volgens legendes uit de 11de en 12de eeuw zou zij zich in Vézelay of Aix-en-Provence in het zuiden van Frankrijk hebben gevestigd en daar zijn begraven. Volgens Gregorius van Tours (6de eeuw) bevindt haar graf zich evenwel in Efeze, in het huidige Turkije. (HH)

Op  oktober  trad Karel  af als vorst van de Nederlanden en werd zijn zoon Filips  van Spanje, hertog van Brabant en markgraaf van Antwerpen. Filips, die weinig affiniteit had met het hertogdom Brabant, maar wel zeer Spaans en katholiek was, bond de strijd aan met het protestantisme en zette de politiek van de antiketterse plakkaten van zijn vader voort. Die plakkaten bevatten strenge godsdienstverordeningen die erop gericht waren het protestantisme tot in de wortel uit te roeien. Het protestantisme had zich al vanaf de jaren  in Antwerpen 20


Als Maria Magdalena niet wordt afgebeeld aan de voeten van Jezus aan tafel bij Simon, of aan het graf terwijl Jezus haar zegt: ‘Noli me tangere’ (‘Houd me niet vast’ – Joh. 20: 17) zoals hier op de icoon in de kapel in de Kammenstraat, dan is ze vaak afgebeeld met lang haar dat haar hele lichaam bedekt, en met een fles of vaas balsemolie. (© Sant’Egidio) Quand Marie-Madeleine n’est pas représentée aux pieds de Jésus à la table de Simon, ou sur le sépulchre tandis que Jésus lui dit: Noli me tangere ( Ne me touche pas –Jean 20:17) comme ici sur l’icône dans la chapelle de la Kammenstraat, elle est souvent représentée avec de longs cheveux qui couvrent son corps et avec une bouteille ou un vase d’onguent. If Mary Magdalene is not shown by Jesus's feet at Simon's table, or at the grave, when Jesus tells her: ‘Noli me tangere’ (‘touch me not’ – John 20: 17), as seen here on the icon from the chapel in the Kammenstraat, then she is often depicted with long hair that covers her entire body, and with a bottle or vase of balsam oil.

werpse magistraten de verordeningen niet al te streng toe om het imago van ‘stad met tolerant en open karakter’ niet te schaden. Vooral de kooplieden hadden in de vrije handelsmetropool weinig te vrezen. Het stadsbestuur trad wel kordaat op tegen de doopsgezinden, die meestal eenvoudige lieden waren. Zo konden ze laten zien dat ze wel degelijk gevolg gaven aan de verordeningen en ketters terechtstelden, zonder al te veel de economische belangen van de stad te schaden. Begin april  overhandigden

enkele honderden edelen aan landvoogdes Margareta van Parma een smeekschrift waarin ze vroegen om de inquisitie af te schaffen en de plakkaten tegen de ketters op te schorten. Margareta was zelf niet bevoegd om de vraag te beantwoorden, maar beloofde dat ze de inquisiteurs zou vragen zich te matigen bij de uitvoering van de plakkaten tot de koning erover had beslist. Op basis van dit antwoord deed in Antwerpen het gerucht de ronde dat er vanaf toen volledige godsdienstvrijheid was. Velen die voor de ver21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401426657 by Uitgeverij Lannoo - Issuu