‌
en ‌ ent ent tam tam tes Hettes De
Frank Wouters ‌
t ‌ ten enen tam tam tes Hettes De rom an
roman
Alle personages zijn fictief, maar geen enkele is verzonnen.
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Tekst: Frank Wouters Opmaak: Asterisk*, Amsterdam Coverontwerp: DPS Design and Prepress Bureau Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015 D/2015/45/490– NUR 301 ISBN: 978 94 014 2446 2 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
1
Ik ben ingehaald door de banaliteit van het leven. Als ik om me heen kijk, zie ik mensen bij wie ĂŠĂŠn dramatisch voorval een ankerpunt smeedt dat hun hele verdere leven definieert. Mijn dromen zijn niet weggespoeld door de plotselinge windhoos van een ontgoochelende gebeurtenis of een ambitie waar ik jarenlang naartoe heb geleefd en die dan voor mijn neus de grond in is geboord. Ik heb geen beslissende nederlaag geleden in een sport waar ik goed in was, noch ben ik afgewezen op enig talent dat de belofte van grootsheid in zich had. Op dat vlak zijn de harde klappen mij bespaard gebleven, behalve dan die ene. Die, welke ik weggedrukt heb in de diepe kelders van mijn ziel, waar nog plaats genoeg bleek te zijn dankzij de voorraad wijn en single malt whisky die ik op dezelfde plek bewaarde. Maar in plaats van vernietigende schokken was mij een veel wreder lot beschoren. Mijn kleine dromen en halfbakken ambities in dit leven zijn langzaam uitgesleten door de dagelijkse erosie van gebeurtenissen die zachter waren dan mijn hoop. Maar zachtheid kan veel bereiken als het zonder ophouden doorgaat. Het water dat de steen uitholt, ik heb het nooit begrepen. Hoe kan het dat je scheermes bot wordt terwijl je baard niet op kan tegen staal? Is het als de bij die sterft door de mens te steken,
terwijl zij er zelf aan kapotgaat? En hoewel de mens alleen maar pijn heeft van de eerste steek, de zesentwintigste kan fataal zijn. Kent de wesp de fataliteit van haar daad op het moment dat zij steekt? Of beseft zij het pas als het te laat is en vervloekt zij het feit dat je geen ervaring kunt opdoen in de onvermijdelijkheid van het sterven? De zachte tegenwind die altijd waait, vertraagt je onmerkbaar tot je uitgeput je fiets langs de weg legt en leeggestreden in de berm, nee, in de gracht gaat zitten snikken. Daar vind je me nu terwijl ik dit testament schrijf. Ik probeer te verdelen wat er is, de optelsom van mijn leven en alles wat ik heb gedaan. Als ik eerlijk ben, zie ik weinig, weinig van waarde. Als ik morgen sterf, dan zijn er wel wat spullen te verdelen, maar wat ik heb verzameld, doet er nauwelijks toe. Het is de optelsom van vergissingen. Elsbeth Weilander liet het testament net voldoende zakken om over de rand van het gebroken witte notarispapier haar publiek te kunnen bekijken. Ze zag een gier, een beer, een vos en een hyena. Links zat de ex-vrouw van de overledene met een wantrouwende blik de anderen te bekijken. Vooral de steelse blikken van venijn naar Vera Dammer, geboren Simons, die zo ver mogelijk bij haar vandaan was gaan zitten, kon ze niet verbergen achter een masker van geveinsde rouw. Subtiele flikkeringen van onderkoelde haat schoten uit haar ogen als vonken in een Leidse fles telkens wanneer ze van opzij naar haar rivale keek. Het moet een verschrikking zijn om met de vrouw aan wie je je man hebt moeten afstaan ook nog te moeten strijden om de erfenis. Vera kon zich als enige de
6
echte weduwe noemen en leek daarom de race gewonnen te hebben, maar de aanwezigheid van haar voorgangster alleen al was een vernedering. Voor haar was zij de malaria, die je wel kon onderdrukken, maar waar je nooit van afkwam. Normaal worden de erfgenamen opgeroepen door de secretaresse, maar in dit geval had Elsbeth al haar autoriteit als notaris in de schaal moeten werpen om Lilith als ex – tja, hoe noem je dat, ex-weduwe? – hoe dan ook, om haar zo ver te krijgen dat ze toch zou komen. Begrijpelijk. Ze had in de wedstrijd om de liefde van Lucas Dammer al het onderspit moeten delven, nu, wat was het, vijf jaar geleden? Wie zou er zin hebben om de vernedering te moeten ondergaan ook nog eens de race om zijn nalatenschap te verliezen? Zijn weduwe had zich, stijlvol als altijd, getooid met een zwarte voile die haar toeliet haar verdriet te verbergen. Maar het was evengoed een bescherming tegen elke oncontroleerbare en ongepaste vreugde mocht de erfenis wat groter uitvallen dan verwacht. De voile mystificeerde haar ogen en raakte precies haar rechte, maar net te lange neus. De lippen die haar reputatie onderstreepten als een Lorelei die huwelijksbootjes deed kapseizen, waren volrood gestift. Getemperd door haar verder diepzwarte kleding schetste de som van de delen een uitgebalanceerd beeld dat verleidelijk, maar toch niet ongepast was. De aarzeling in het voorlezen werd opgemerkt door de aanwezigen en snel pikte de notaris de draad weer op. Ik begrijp heel goed dat iedereen die dit nu aanhoort in wezen daarvoor komt…
7
‘Hij bedoelt de spullen’, vulde ze voor alle zekerheid aan, maar ze besefte al snel dat alleen haar eigen gedachten afgedwaald waren. Ze was vandaag net zo verstrooid door zijn woorden als toen hij ze aan haar gedicteerd had. Ik begrijp heel goed dat iedereen die dit nu aanhoort in wezen daarvoor komt, maar intussen heb ik jullie aandacht en gebruik ik die om te zeggen wat ik belangrijk vind. Veel heb ik, toen ik nog leefde, niet gezegd over wat me werkelijk beroerde, omdat de ondertoon van wat ik wilde, waar ik naar smachtte, nooit door jullie werd opgepikt. Ik hield gewoon niet van het uitspreken van concrete wensen. Wensen die nochtans niet uitzonderlijk waren. Je komt ze waarschijnlijk tegen bij ieder modaal mens, maar ze maakten me toch te kwetsbaar naar mijn zin. Misschien is dat wel de lakmoesproef voor elke relatie. Of het nu gaat om vrienden of liefde: een relatie is goed als de ander weet wat je niet zegt. Voor een keer kunnen jullie niet anders dan luisteren en ik kan niet anders dan mijn zinnen afmaken. De kans is groot dat het allemaal zinloos is, maar sommige dingen moeten nu eenmaal gezegd worden. Een deel daarvan zou zelfs gehoord moeten worden. Net zoals bij ‘hoe gaat het’ en ‘lekker weertje vandaag’ en zelfs ‘ben jij hier ook?’ gaat het er meer om dat er iets gezegd wordt dan om de inhoud. Ik vind dat jullie daar altijd aan voorbij zijn gegaan, maar ik kan het jullie niet verwijten. Geen beter moment dan deze laatste gelegenheid om met het verleden in het reine te komen. In het reine met de geschiedenis die wraak heeft genomen omdat ik haar niet goed heb behandeld. Sommige mensen zeggen dat ze nergens spijt van hebben en
8
dat – mochten ze het allemaal kunnen overdoen – ze alles precies hetzelfde zouden beslissen. Dat zijn idioten. Zij hebben werkelijk niets geleerd. Wat voor zin heeft het om vergissingen te begaan als je ze gewoon zou herhalen? Begrijp het dan toch: ik wil met deze laatste poging proberen mijn leven uit de diepgaande zinloosheid te halen. Wie wil dat uiteindelijk niet? Ik geloof niet meer in een hiernamaals of een volgend leven. Ook de draagster van mijn genen en naam is mij ruwweg ontnomen. Dus wat zal er nog van me overblijven? De gedachten van jullie aan mij en de kennis van wat ik meen geleerd te hebben en waarvan waarschijnlijk iedereen vindt dat die niet op hen van toepassing is. Ze zeggen dat elk falen een leerproces is. Als dat waar is, dan heb ik naar mijn zin veel te veel geleerd en toch heb ik niet de illusie dat iemand hier iets mee zal aanvangen. Zelf heb ik er nauwelijks iets mee gedaan, dus wat kun je dan verwachten van een ander? Blijkbaar moet je zelf de fouten maken die al duizend keer door anderen zijn gemaakt. Toch denk ik dat ik de sleutel tot maatschappelijk succes heb ontdekt. Het bestaat erin dat je de anderen ziet als producten van de evolutie terwijl je jezelf daaraan onttrekt. Dat was nu precies waarom dit testament en de opsteller ervan haar zo waren bijgebleven, al was het inmiddels bijna zes jaar geleden. Het was het eerste testament dat ze had geregistreerd, nauwelijks twee dagen na haar benoeming als notaris in het dorp waar ze was geboren. Tijdens haar studie had ze niet kunnen vermoeden dat ze opnieuw terecht zou komen in deze onooglijke negorij waarvan ze voorgoed afscheid
9
dacht te hebben genomen. Het was zo’n dorp dat een opvulling leek van een landkaart waarop nog een plekje over was nadat de beste plaatsen waren ingenomen. De naam deed bij niemand een belletje rinkelen omdat degenen die er nooit uit waren ontsnapt geen behoefte hadden om het te benoemen en degenen die zich wel hadden kunnen losrukken, liever de dichtstbijzijnde stad noemden als hun werd gevraagd waar ze vandaan kwamen. Op het moment van haar benoeming was ze met haar 29 jaar de jongste notaris van het land en niets in haar studie had haar voorbereid op dit soort wilsbeschikkingen. Het vak erfenisrecht was gegeven door een professor die zelf aan het dodenrijk onttrokken leek te zijn, een ervaringsdeskundige van de andere zijde. Hij declameerde monotoon, zonder ooit de cursus te gebruiken. Maar als je later tijdens de voorbereiding van het examen de cursus las, dan stond daar, op enkele nuances na, woord voor woord wat hij had verteld. De inhoud werd voorgesteld alsof het niets anders was dan een heel zakelijke verdeling van materie die het lijk in zijn leven had verzameld. Die materiële resten van zijn bestaan moesten dan onder de soortgenoten die hij had verwekt of gekend worden verdeeld, zodat de maatschappij weer verder kon. Het achtergelaten vacuüm in de verdeling van de wereld en al wat erop lag onder haar bewoners werd naadloos door het recht gedicht. Natuurlijk werden de studenten in enkele anekdotes voorbereid op de psychologie van de verdeling, maar minder op de sociaal wenselijke rouw dan op de praktijk van de ruzies die louter dienden om de cursus nog enige luchtigheid te verschaffen. De dag dat Lucas Dammer zijn testament had voorgelezen,
10
zodat zij het kon noteren in het bijzijn van twee getuigen, wist ze nog niet dat er nooit meer een soortgelijk stuk zou volgen. De meeste laatste wilsbeschikkingen gingen inderdaad over spullen die werden nagelaten aan een allegaartje van familieleden die je grofweg in twee categorieĂŤn kon verdelen: zij die overmand door verdriet totaal geen oog hadden voor wat ze kregen en mensen die het overlijden al achter zich hadden gelaten en zich hongerig stortten op de buit. Alsof de erflater het voorvoelde of bij een gebrek aan fantasie, misschien ook wel aan hoop, verdeelde hij meestal, naast soms een aanzienlijk fortuin, enkele armzalige spullen waarvan iedereen zich afvroeg wat ze er in godsnaam mee moesten. Het gevolg was dat ze zich vooral bezighielden met de vraag wat hun vader, moeder, oom of tante bezielde om het erfstuk niet alleen tijdens hun leven te bewaren, maar waarom ze het ook nog eens te langen leste, beladen met emotioneel stof, op hun schouders hadden gelegd in plaats van het zoals iedere respectabele burger bij het grof vuil te zetten. Lucas Dammer was anders. Zijn voorkomen, wat hij had geschreven, zijn aandacht voor de inhoud en de beladen vorm: alles had Elsbeth van haar stuk gebracht. Ze herinnerde zich nog goed hoe hij het in vieren gevouwen bundeltje uit de binnenzak van zijn ongekreukte vest had gepakt. Even liet hij zijn ogen wennen aan de afstand tot het papier en begon toen te lezen op dicteersnelheid. Terwijl ze de woorden intikte op haar laptop, voelde Elsbeth zich meer secretaresse dan notaris, maar toch had het dicteren van Lucas Dammer niets dominants. Hij leek meer in zijn eigen wereld voor zichzelf te declameren, af en toe onderbroken door een existentiĂŤle zucht of een hint
11
van een traan die hij wegveegde met de achterzijde van zijn hand. Hij had erop gestaan dat ze zijn handgeschreven origineel woordelijk overnam. Uiteindelijk werd het testament geprint op officieel papier. De echte, ambachtelijke lakzegel op de envelop waarin ze het document stopte, zou pas worden verbroken in aanwezigheid van de erfgenamen. Het lijstje genodigden had hij op de envelop laten noteren. De reden van deze omslachtige werkwijze was haar niet helemaal duidelijk. Hij had zijn testament ook zelf kunnen schrijven, desnoods zijn eigen document gewoon door haar kunnen laten verzegelen. Maar het leek wel of hij getuigenis wilde afleggen van, ja, van wat, van zijn bestaan? Of wilde hij misschien gewoon weten of dat juridisch wel kon, dergelijke ontboezemingen? Het recht bemoeit zich niet met de roerselen van de ziel, maar heeft er ook geen oordeel over. Lucas Dammer was op het eerste gezicht in niets heel bijzonder. Hij was rijzig, maar niet lang, perfect passend in de lijst van de deuropening en onopvallend. Enigszins uitdunnend haar, conform zijn leeftijd, en keurig gekleed in een blauw, glanzend pak dat hij droeg over een smetteloos hemd waarvan je zag dat het gesteven was. Geen das. Een oppervlakkige waarnemer zou alleen ogen hebben gezien van een ondefinieerbare kleur die je geneigd was als donker te omschrijven. Tenzij het licht erop viel, want dan zag je een grijze gloed. De weemoed in zijn ogen merkte ze pas op nadat ze zijn testament had aangehoord. Waarom ik het dan toch zeg, is omdat ik dan tenminste mijn plicht heb gedaan. Dat niemand luistert, is geen reden om te
12
zwijgen. Mijn nalatenschap is een korte schreeuw, in een gebrek aan lucht gesmoord, die zal uitsterven in jullie gedachten. Ik kan alleen maar hopen op een vage echo uit jullie monden, waarschijnlijk op een moment dat jullie zijn vergeten dat ik die woorden heb gezegd. Het enige probleem is dat als ik dit zo pompeus aankondig en jullie verplicht zijn te zwijgen, het allemaal futiel lijkt. Dat alles waar ik belang aan heb gehecht een maat voor niets was. Ik was afgeleid van het essentiële in het leven en dat had maar één reden: ik heb nooit geweten wat het essentiële is. Ook nu komen de tranen in me op, onhoudbaar, als water dat zich rond je schoenen vormt wanneer je op een grasveld staat dat is verzadigd door dagenlange regenbuien. Niemand van jullie heeft gezien dat het overstromingsgebied van mijn verdriet vol zat. Jullie hebben me nooit in de ogen gekeken omdat jullie bang waren om jezelf te zien. Maar de dagen gingen onophoudelijk door en elke dag kwam er wel een druppeltje bij. Veel minder dan er weglekte door de verwerende dichtingen van het geheugen of wat er kon verdampen uit de container van het onbegrip. Elsbeth slikte even, kuchte en nam een slokje water. Haar bedoeling om de spanning te breken had een tegengesteld effect. De erfgenamen schuifelden nerveus op hun stoel en de vader, die in het midden zat, keek beurtelings verwijtend naar de twee vrouwen om vooral de aandacht van zichzelf af te leiden. De andere man, die zich had voorgesteld als Peter Hanssen, staarde zich onzichtbaar door het patroon in het parket te bestuderen. Zijn voor de gelegenheid extra gepoetste schoenen vormden het referentiepunt van zijn dwalende blik.
13
Nee, ik ben niet bitter. Ik heb alles gevonden terwijl ik niet wist dat ik zocht. De droefenis zit in het onbestemde gevoel dat ik onwetend ben gebleven van wat ik had moeten zoeken en had kunnen vinden. Ik ben trouwens nog veel te jong om de eindbalans op te maken. Zevenenveertig jaar, te oud voor plannen, te jong om de handdoek in de ring te gooien. Dit is een tussenstand van een wedstrijd die is uitgesteld. Langzamerhand raakt mijn hoop bedolven onder het mos van de mislukkingen. Mislukkingen die geheel mijn fout zijn omdat ik tekortschiet in het bedenken van goede excuses. Alles wat ik aanraakte, werd zilver, nooit goud. Laat ik mijn vrouw maar het meeste gunnen. De hoofden van de twee vrouwen veerden tegelijk op uit wat zij dachten dat het meest geschikt was als rouwhouding. Elsbeth sloot even haar ogen. Ze had Lucas Dammer op dit punt onderbroken en gevraagd of hij zijn vrouw niet met naam wilde noemen. Je wist immers nooit. Hij had haar onderzoekend aangekeken. Hij leek enkele seconden nodig te hebben om vanuit zijn etherische herinneringen terug te keren in de realiteit. ‘Nee’, had hij gestameld. ‘Nee, letterlijk overnemen graag. Tenzij het niet mag.’ ‘Het kan problemen geven. Misschien nu niet, maar in de toekomst.’ Hij wreef over zijn kin. ‘Dat ligt eraan of je het heden ziet als een afwikkeling van het verleden of als een voorbereiding van de toekomst. Een testament is niet anders.’ De verwarring over dit statement gebruikte hij om verder te
14
dicteren en Elsbeth was gevolgd. De verplichte twee getuigen hadden een moment verbaasd opgekeken, maar dat was meer uit respect voor het instituut dat een notaris in een dorp als dit nog steeds is. Uiteindelijk zorgde zij ervoor dat we samen verder hobbelden over de middenbaan van het leven. Conform alle wetten, ongeschreven gebruiken en veronderstellingen die ze vermoedde bij iedereen die haar dierbaar was of meer nog bij wie ze haatte, zo wilde zij leven. Angstig om rechts te dicht bij de berm te komen en met een ontgoochelend gebrek aan moed om het linker baanvak op te eisen. Stil slopen we door het bestaan. Wat we hebben, is aan haar te danken en misschien is het wat laat om haar dat toe te dichten. Het is een gemengd compliment, want ook alles wat we niet hebben, valt haar te verwijten. Het spijt me. Over de doden niets dan goeds, zeggen ze, en misschien moet dat ook gelden voor ‘van de doden’. Kun je natrappen vanuit het graf ? Het is zeker niet mooi, maar terwijl ik dit schrijf, leef ik. Omdat ik dit schrijf, leef ik en behoud ik me het recht voor vrij te spreken. Maar waar zíj dan recht op heeft? Het geld ongetwijfeld, of in elk geval de helft en daardoor ook de helft van de schulden, mochten die er zijn. Alles wat we hebben gekregen van haar familie en waarvan ik nooit heb durven zeggen hoe lelijk het was. De bank, de lamp, de overdadig bewerkte tafel uit een tijd waarin waarde nog werd afgemeten aan de fysieke arbeid die in een object gestoken was. Ik zou haar een plezier moeten doen en alle spullen weg moeten schenken aan anderen, want alles zal haar aan mij
15
herinneren. Laat dat maar zo zijn, dan kan ze zelf beslissen hoe ze die strijd met het verleden aangaat. Ze zal misschien treuren, maar zelfs daar ben ik niet zeker van. Ik denk dat rouw niet op de middenbaan te vinden is. Rouw vereist dat je een afslag neemt en God weet dat ze dat niet zal doen. De auto krijgt mijn vader… Elsbeth herinnerde zich dat zij bij het overnemen van deze passage haar cliënt had gewezen op de ongebruikelijke formulering. Hij had even nagedacht en vervolgens gevraagd of het een juridisch probleem was. Zij had hem geantwoord dat er in dit geval geen twijfel kon bestaan dat de vader het onderwerp was. Nee dus. Hij had gefluisterd dat hij liefst geen letter veranderd zag aan de tekst. … als hij bij het lezen van dit testament tenminste nog over zijn rijbewijs beschikt en natuurlijk als hij nog leeft. ‘Ja, en als er nog wat overblijft van zijn auto. Daar heeft ie dan weer niet aan gedacht.’ De vader van de erflater gromde wat misnoegd. Hij gedroeg zich alsof zijn zoon nog leefde en hij naar gewoonte met hem kibbelde. Alleen Peter Hanssen leek het ongepast te vinden. Een derde van het geld dat overblijft, gaat ook naar hem, een ander derde naar mijn moeder, hoewel ik hoop dat zij het aan een goed doel geeft. Want, moeder, je hebt zoveel meer, zoveel meer dan je nodig hebt of ooit nodig zult hebben. Juist daarom krijg je er nog wat bij van mij: ik hoop dat je je afvraagt wat je
16
nu werkelijk met je fortuin hebt gedaan en wat je had kunnen, nee, moeten doen. ‘Het spreekt voor zich dat nu mevrouw is overleden, haar gedeelte verdeeld wordt volgens de erfrechtelijke regels door de wet bepaald.’ ‘Eh,’ aarzelde de vader, ‘Lucas, is, eh, was toch ook erfgenaam van zijn moeder?’ ‘Ja.’ ‘Komen we zo niet in een oneindige lus terecht? Zijn erfenis gaat naar de erfopvolgers van zijn moeder, dat is hijzelf, dus gaat het volgens dit testament weer naar boven en komt het weer bij hem enzovoort.’ ‘We zullen dat later verder bespreken, de wet heeft hierin voorzien’, hoorde Elsbeth zichzelf zakelijk zeggen. ‘Maar ik lees nu even gewoon verder.’ Niets, behalve die ene reis naar Zwitserland met zijn allen. Waarna je nog enkele keren alleen wilde gaan. Voor de rest heb je altijd op je geld gezeten als een gans op haar eieren. Agressief uithalend telkens als je ook maar dacht dat er iemand in de buurt wilde komen van het jou toegevallen fortuin. Ik heb jou nooit begrepen, moeder. Waarom heb je nooit genoten van het geld dat je vader je heeft nagelaten? Waarom heb je nagelaten het te delen met anderen en met de wereld? Vond je dat je het niet verdiende? Deed het je denken aan je levende vader of juist aan zijn dood? Maar dan had je er evengoed afstand van kunnen doen. Of was je gewoon te gierig om anderen iets te gunnen? Wat mijn vader, je man, je ex-man heeft gedaan was
17
onvergeeflijk, maar misschien heb jij hem er wel toe gedreven. Misschien heb je hem er wel op uitgezocht, onbewust. Of zou het kunnen dat je door je wantrouwen iedereen die oprecht was van je hebt afgehouden en alleen iemand kon toelaten die perfect jouw code kon kraken? Elsbeth voelde opnieuw de plaatsvervangende schaamte opkomen die ze had gevoeld toen ze deze woorden overnam, nu toch al zo lang geleden. Ze wist niet wat Lucas hiermee precies bedoelde, maar het leek erop alsof de testamentgetuigen, willekeurig twee mensen uit de buurt die je tien euro gaf voor de moeite, het wel wisten. Hoeveel je ook wist over het dorp, er bleven altijd geheimen die buiten je omgingen. Wat was er eerst, moeder, het wantrouwen tegenover de man met wie je getrouwd was of zijn bedrog? Waarvoor heb je hem verlaten? ‘Moet dit nu?’ barstte Jacob Dammer uit. ‘Het heeft toch geen zin om dit alles nog te lezen. Mijn vrouw, ex-vrouw, is al meer dan vijf jaar overleden. Vijf jaar! Moeten we hier dan nog naar luisteren? Irrelevant. Irrelevant, zeg ik je. Hoe iemand, zonder daar ooit nog verantwoording voor te hoeven afleggen, zomaar wat kan roepen, dat gaat er bij mij niet in. Kun je in dit land dan ongeremd iedereen beschuldigen waarvan je ook maar wilt en dan ook nog via de mond van een notaris? Zelfs al zijn ze dood, dan nog spannen ze samen, die twee. Verdorie, hem een weerwoord geven, desnoods hem op zijn gezicht slaan, dat kan natuurlijk niet meer. Dan is het gemakkelijk. Ik ben door de
18
bevoegde instanties ter verantwoording geroepen en heb mijn straf uitgezeten, dus ik zie niet in waarom iedereen dat steeds weer moet oprakelen. Het is verdorie een eeuwigheid geleden. Het is er geen fluit beter op geworden dan in de middeleeuwen. Schilder maar een groot kruis op mijn voorhoofd en hang me een bel om.’ De notaris keek hem aan als een geïrriteerde lerares, de kin lichtjes naar beneden zodat ze hem met een opwaartse blik streng aan kon kijken. Ze wachtte om er zeker van te zijn dat zijn tirade de woede had afgevoerd. Elsbeth meende er nog tussen zijn op elkaar geklemde tanden ‘lafaard’ achteraan te horen, maar het kon ook ‘laat maar’ geweest zijn. Dacht je de dompteur te kunnen zijn die de leeuw in bedwang kon houden zonder zelf gebeten te worden? Ik denk dat dit een vrouwentrekje is. Aan mij viel voor vrouwen weinig te temmen, want ik was al getemd door jou, moeder. Dat verklaart misschien mijn matige succes bij vrouwen. Vera kuchte. Als Elsbeth zijn vrouw was geweest, dan had ze ook niet geweten hoe ze dit statement moest interpreteren. Je wilt toch altijd dat je een begeerde man hebt, maar dan ook weer niet zo begeerd dat je hem voortdurend moet verdedigen tegen de avances van iedere krolse vrijster. Of heb je hem uitgedaagd om uit je schaduw te treden, om dat podium te beklimmen waar jij stond door het geluk van de juiste geboorte? We hebben allemaal onze problemen. Voor sommigen is dat armoede en voor anderen is dat overvloed. Jij bent erin
19
geslaagd om de twee op magistrale wijze te combineren. Er was altijd geld, maar we hebben er nooit van genoten. Al heeft het geen zin te oordelen en te veroordelen, ik geef je mijn geld, zodat je probleem om het uit te geven nog veel groter wordt. Ik hoop, ik hoop echt dat daarmee je weerstand eindelijk breekt, dat je bezwijkt onder het teveel zodat je gaat uitgeven, leven, schenken, drinken, eten, reizen, genieten. Het laatste derde van het resterende geld gaat naar een goed doel. Ik laat het aan de notaris om uit te maken welk, maar aangezien ik overbevolking zie als het grootste kwaad dat de mensheid bedreigt, moet het een organisatie zijn die expliciet achter geboortebeperking staat. Eens kijken waar dat toe leidt, want geen betere fondsenwerver dan de droeve ogen van een verwaarloosd kind. Ineens had haar publiek collectief last van een droge keel. Elsbeth wachtte geduldig tot iedereen uit was gekucht. Dan is er ook nog het verzekeringskantoor. Het heeft vele rollen op zich genomen in de afgelopen zeventien jaar. Het was mijn oase, mijn rustplek, mijn gevangenis en het kerkhof van mijn dromen. Ik wil het wegschenken, maar ik heb geen helder idee aan wie. Vraag aan kinderen wat ze later willen worden en je krijgt niemand die boekhouder wil worden, of orderverwerker of, ach, laten we het kind bij zijn naam noemen: verzekeringsmakelaar. Er zijn zelfs meer kinderen die achter de vuilniswagen aan willen lopen. Waar is iedereen gebleven die brandweerman wilde worden? Waar zijn ze, de ontelbare politieagenten en piloten? Waarom, wanneer en
20
door wie worden onze dromen vermorzeld? Waarschijnlijk door onszelf en onze angst om te slagen. Of verkopen we ze? Net zoals geen enkel meisje er ooit aan denkt om haar lichaam te verhuren, maar toch door de dwang van de martelende realiteit een hoer wordt? We verkwanselen onze dromen in een slechte ruil. De angst voor ons geluk en de deprimerende middelmatigheid weven ons in als een spin haar prooi in een onzichtbaar dun gesponnen web dat pas zichtbaar wordt als het veel te laat is. Als de herfst van je leven er dauwdruppels op achterlaat. Ondanks dat loopt de wereld vol mensen die besluiten om de schoonmaakbranche in te gaan – als ondernemer of als loonslaaf – en daar hun bestaan uit putten. Dankzij de vermorzeling van de dromen hebben we obers en behangers en mensen die auto’s in elkaar zetten, nee, die het plaatje met het merk op de auto bevestigen. Jaar in jaar uit. Die moeten aanhoren hoe de directie de order voor het nieuwe model heeft binnengehaald. Waarna ze met tranen in de ogen juichen om vervolgens drie jaar lang het plaatje met het merk van de auto op het nieuwe model zetten. Tot ze te duur zijn geworden en er geen orders meer worden toegewezen aan de fabriek omdat ze in China mensen hebben gevonden die voor veel minder geld hun dromen verkwanselen. Dan hebben zij het geluk om te juichen als hun directie het goede nieuws aankondigt dat ze tegen een fractie van de prijs een plaatje met het merk van een auto op het nieuwe model mogen bevestigen. Hun droom is dat ze zich ooit zo’n auto kunnen veroorloven en net voordat het gebeurt, wordt hun plaats ingenomen door een robot, die zo’n droom niet heeft en die nooit zo’n auto zal kopen. Robots
21
die zijn ontworpen door mensen die te veel verdienen om zich tevreden te stellen met zo’n banaal autootje, waar die arbeider wel zielsgelukkig mee was geweest. Ironisch genoeg is er een tekort aan luchtmachtpiloten en brandweermannen en een overschot aan arbeiders. Ik weet tenminste nog waar mijn dromen zich hebben verzameld om hun collectieve dood te sterven. Bijna wilde ik zeggen ‘als olifanten’, maar mijn dromen waren nooit zo groot. Misschien is het ook geen collectieve dood geweest omdat de ene wat taaier was dan de andere. Maar mijn verzekeringskantoor was zeker wel het bejaardentehuis waar ze, beschermd tegen elke impuls, voortijdig konden dementeren. Ooit heb ik gedroomd dat het kantoor de zekerheid was die ik Thomas kon bieden, maar nu zou ik het hem geven als een straf. Of noem het netjes een uitdaging die hij zou kunnen overwinnen door haar aan te nemen of minachtend, misschien lachend te laten. Gelukkig hoef ik die keuze niet meer te maken, ik ben nu dood, zodat mij de schande van de hoop bespaard blijft. Ik bedenk me. Ik geef hem de kans niet, want het zou hem de gelegenheid geven om met mijn leven te spotten. Ik ben niet dapper genoeg om hem gelijk te geven. Elsbeth richtte zich tot de ex-vrouw: ‘Mevrouw Steenhoven, Thomas, uw zoon, die u samen met de erflater tijdens uw huwelijk hebt geadopteerd, is niet aanwezig. Weet u waar hij op dit moment verblijft?’ Lilith Steenhoven aarzelde, stotterde een paar klanken, keek naar de grond en herpakte zich. ‘Eh, nee. Hij, wij hebben al lang geen contact meer. Het
22
laatste wat ik gehoord heb, eh, laat maar. Het is niet relevant.’ ‘Als u enig idee hebt waar we hem kunnen bereiken… het zou de afhandeling gemakkelijker maken. Weet hij dat zijn vader overleden is?’ ‘Nee, vermoed ik, ik weet het niet. Zoals ik al zei, we hebben geen contact. Hij is al meer dan dertien jaar weg. Hij was nog jong.’ Ze richtte zich nu meer tot de andere aanwezigen. ‘Hij had een verkeerd idee over ons, maar het zat nu eenmaal in zijn hoofd dat hij ongewenst was, of overbodig. Hij had daar lelijke woorden voor. Woorden die je nooit meer uit je gedachten krijgt. Hij ook niet uit de zijne. Het was een moeilijke tijd. Wat wisten wij nu van opvoeden? We deden ook maar wat we onze ouders hebben zien doen. We wisten niet dat ook zij maar wat deden, als goedbedoelende amateurs. Aan wie moesten we het anders vragen?’ Opnieuw keek ze Elsbeth aan: ‘Ze hebben me verteld dat hij nog steeds niet het rechte pad zou hebben gevonden, maar dat was acht, misschien wel tien jaar geleden. Ik wacht wel tot hij contact met mij opneemt. Wat kan ik doen? Ik ben geen slechte moeder. Ik heb geen verschil gemaakt tussen een echte dochter en een geadopteerde zoon. Dat zat in zijn hoofd, maar niet in mijn hart, echt niet. Geloof me. Maar, ach jullie waren er niet bij. Je kunt toch niet verwachten dat ik achter hem aan ga?’ Elsbeth voelde het pijnlijke van de situatie iets te laat aan en las verder alsof er niets gezegd was. Hij besloot om weg te gaan en niets achter te laten, behalve de herinnering aan strijd en haat. Gelukkig heb ik in mijn woede zijn kamer onmiddellijk leeggeruimd. Anders hadden we er
23
nog een rouwmuseum bij gehad. Alleen een dat de herinnering, dat de hoop op een terugkeer levend hield. Voor het andere heiligdom koesterden we de hoop dat het een moment in de tijd zou verankeren, een tijd waarin we de wreedheid van het bestaan nog onderschatten. Een tijd van overschatting van eigen kunnen, naïviteit. Meer hoop op het onbekende dan angst ervoor. Ook dat is niet gelukt, want je kunt geen herinneringen vasthouden die zo puur zijn dat ze alleen het verleden bevatten. Elk moment heeft in zich al de vooruitgeworpen schaduw van wat gaat komen en is daardoor later nooit meer zuiver wat het is geweest. Nooit is een herinnering een foto. Altijd is het een frame van een onafgewerkte film die we zelf tot een drama of een komedie monteren terwijl we denken dat we een documentaire maken. Thomas heeft tenminste mijn respect verdiend door niet terug te keren en dat moet hij weten. Hij krijgt toch het verzekeringskantoor en hij mag ermee doen wat ik had moeten doen. Wat dat is, mag, nee, moet hij zelf uitmaken, maar het zal zijn wat het moet zijn. Of hij er nu mee verdergaat, het verkoopt of voor mijn part kort en klein slaat of in de fik steekt, hij zal doen wat ik had moeten doen, wat het ook is. Elsbeth herinnerde zich dat ze had voorgesteld om de elkaar corrigerende passages te schrappen, maar daar wilde Lucas Dammer niets van weten. Hij zag er geen overbodigheid in. Ze herinnerde zich nog precies hoe hij zijn argument had geformuleerd: iets wat gezegd is en daarna teruggenomen, is niet nooit gezegd. Iets wat geschreven is en daarna geschrapt, heeft een andere betekenis dan wat in één keer is opgeschreven.
24