L ie sbet d e Vi ss che r
, s l e e t s o B i b m a B t i u f j i w bere em B l az e g
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 3
10-03-15 13:30
— DEEL 1 —
Bambi
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 5
10-03-15 13:30
1 Dat mijn kasten volgepropt zaten met overbodige prullen, dat ik elk bestaand keukenaccessoire vijfdubbel had in de kleuren van duizenden-een-regenbogen, vertelde ik niet tegen Dana De Lepelaere, mijn buurvrouw. Ik had al genoeg cadeaus ontvangen in mijn leven. Toch bedankte ik haar. Ze bleef in de deuropening staan. Beleefdheid dwong me te vragen of ze binnen wilde komen. ‘Ik heb geen tijd’, zei ze. Hoe kan een gepensioneerde vrouw geen tijd hebben? Ik had de eer er zelf een te zijn, dus ik wist hoe leeg zo’n leven was. Maar eigenlijk wilde ze wel praten, Dana De Lepelaere. Als ze gedurfd had, ze had haar voet tussen de deur gekneld nog voor ik ze kon dichtslaan. Ik kende haar al mijn hele leven, sinds onze armtierige kindertijd. Onze levens waren gedoemd geweest om gelijk te lopen. Eén keer heb ik ruzie gehad met haar, drie jaar geleden. Toen kreeg ik een rake klap en mijn kaak zag blauw de volgende dag. Een week lang moest ik er ijs op leggen om de zwelling te verminderen. Nooit had ik geweten hoe hard een vuistslag kon aankomen, maar door Dana De Lepelaere zou ik het nooit meer vergeten. Ik herinner me enkel dat ze op me afgevlogen kwam als een woeste stier met haar vuist voorwaarts. Schuim op haar lippen. Ik wilde nog ‘goedemiddag’ zeggen, beleefd en ingetogen, maar die kans gaf ze me niet. Eén rake bonk op mijn wang en mijn licht was uitgegaan. Toen ik wakker werd op de zetel, was zij verdwenen. Misschien was ze haar hand gaan verzorgen; die had ongetwijfeld ook schade opgelopen. Alleen Berten, haar man, was nog in de kamer. Hij was enkele uren ervoor gestorven en ik kwam hem groeten. Hij zag er bleek uit. Vroeger was hij veel mooier. Het was onmogelijk me te concentreren op mijn verdriet om zijn heengaan, want mijn kaak gloeide en mijn rechteroog was dichtgeplakt. Met mijn vingertoppen tastte ik ter hoogte van het geraakte gedeelte, maar het was gevoelloos geworden, wat het enigszins draaglijk maakte. Enkele uren later zou
7
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 7
10-03-15 13:30
de rauwe verwonding voelbaar worden en steken, zwellen en bonzen. Ik had nooit eerder een blauw oog gehad en al zeker geen dat me door Dana De Lepelaere was geslagen. We hebben toen drie maanden niet tegen mekaar gepraat. Maar iets later ben ik gaan kloppen op haar voordeur en vroeg hoe het met haar ging. Wat vraagt men anders? ‘Goed’, had ze gezegd, maar ze was wel sterk vermagerd. ‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ik. Ze schudde het hoofd en kruiste haar armen. In de deuropening bleef ze staan, als een barricade die haar huis moest beschermen tegen mij. ‘Nog iets?’ vroeg ze. ‘Neen’, en ik trok mijn schouders op. Ik gaf haar een glimlach, maar die maakte haar chagrijnig; er kwam wederom schuim op haar lippen en ze smeet de deur voor mijn neus toe. Twee dagen later is ze bezweken en stond ze bij mij aan de deur. Hoewel ik eerst de neiging voelde haar op dezelfde manier af te wijzen, was ik braaf en vroeg of ze binnenkwam. En zo zijn we weer beginnen praten, bij een tas koffie zonder melk. Dat had ik haar altijd weten drinken. Ze rouwde om Berten. Sinds hij gestorven was, had ze haar huis niet meer durven verlaten. ‘Ik heb schrik’, zei ze. ‘Ik durf zelfs niet meer naar kruidenier Van Mol gaan. Ik ben opeens oud geworden.’ ‘Jeugdvriendinnen worden niet oud’, zei ik. En of de romance tussen mij en Berten lang geduurd heeft, vroeg ze uiteindelijk. Hij had het haar op zijn sterfbed verteld. Dat vond ik onverstandig van hem, maar eigenlijk schrok ik er niet van, want ik had hem wel vaker domme toeren weten uithalen. ‘Toch zeker een jaar en een half ’, zei ik. Ze sloeg haar hand voor haar mond. De sloor had echt niets doorgehad, maar zo gaat dat altijd met overspel. ‘Het is ons ook maar overkomen, Dana. Eigenlijk konden we er niets aan doen.’ Uiteindelijk trok Dana De Lepelaere haar schouders op, beseffend dat de wereld niet zou stoppen met draaien wegens een alledaags akkefietje als bedriegerij.
8
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 8
10-03-15 13:30
Ik verfrommelde het gele papier met de glitters en keek subtiel bewonderend naar het vaasje dat erin had gezeten. ‘Mooi, Dana. Dankjewel. Dat had je niet moeten doen.’ Enkele minuten later propte ik het in mijn rijkelijk gevulde buffetkast naast het blauwe keramiek vaasje, het doorzichtige kristallen vaasje, het vaasje uit Oostenrijk, de grote vaas, de kleine vaas en het vaasje met de twee handvaten, waarvan er een was afgebroken. Gelukkig had ik een nieuw gekregen.
2 Ik ben Bambi. Bambi Bosteels. Ik ben me bewust van het feit dat die naam vrij lachwekkend is, maar ik heb ermee leren leven. Mijn ouders hebben het waarschijnlijk niet slecht bedoeld, eerder lieflijk, zoals het zielige hertje uit de film. Toen ik geboren werd, had mijn moeder alreeds vier zonen. En toen kwam ik, de langverwachte dochter. Ze zouden het zich nog beklagen, dat verlangen, want ik was ondeugender dan mijn vier broers samen, zei mijn moeder later. Dat ik twee stenen kon doen vechten. Dat mijn engelengezicht de schuld altijd bij iemand anders deed belanden. Dat iedereen me dan op mijn hoofdje streelde en ik dan braaf terug lachte. Maar ze moest niet al te veel klagen over mij, onze moeder, want ik was heel gedienstig. Ik heb in ons huishouden altijd de was gedaan en dat was een zwaar karwei met vijf kinderen in huis. Ik had schone ogen, zei mijn moeder. Ze zijn nog steeds blauw, maar stralen doen ze niet meer. Hij viel wel mee, mijn kindertijd: ik was een blijmoedig kind en mijn moeder zag mij graag. Mijn papa was er ook, maar ik heb me altijd afgevraagd of hij mijn echte vader was. Eén keer heb ik het durven vragen aan mijn moeder en haar antwoord was te chaotisch om waar te zijn.
9
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 9
10-03-15 13:30
‘Maar kind, waar haalt ge dat vandaan? Wie heeft dat gezegd? Waarom zou het? Wat een vreemde gedachten hebt ge toch, kind?’ ‘Ik heb gewoon het gevoel dat papa niet mijn vader is. Hij ziet mij niet graag.’ Ik was toen een jaar of twaalf en werd me bewust van menselijke dwalingen en de drastische gevolgen ervan. ‘Ja, natuurlijk wel! Uiteraard is papa uw vader! Wie anders?’ Dat wist zij ongetwijfeld beter dan ik. Er kwam een minuscuul zweetpareltje onder haar neus tevoorschijn. Daar had ze altijd last van gehad, mijn moeder, van zweetpareltjes onder haar neus. Vooral wanneer ze nerveus werd. Ik ben het toen niet te weten gekomen. Aan mijn papa zelf heb ik het nooit durven vragen. Hij is vertrokken na de dood van mijn moeder, twaalf jaar geleden. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Hij is naar Zwitserland gaan wonen. Hij heeft altijd een voorliefde gehad voor dat land en ik ben er naar hem op zoek gegaan. Gewoon. Zomaar. Om te vragen of hij nu eigenlijk mijn vader was. Het was best akelig toen ik een paar dagen na de begrafenis van mijn moeder naar mijn ouderlijk huis ging. De rolluiken waren nog naar beneden en het was bijna middag. De brievenbus zat volgepropt. Eerst dacht ik nog: ocharme, papa laat zich gaan nu mama er niet meer is. En nog voor ik uitgestapt was, bedacht ik een opmonterende openingszin. ‘Gelukkig hebben we elkaar nog’, ging ik zeggen en dan zou ik hem eens goed vastgepakt hebben. Maar dat bleek allemaal niet nodig, want hij was gewoon verdwenen. Ik had eerst aan de voordeur staan bellen, maar niemand had opengedaan. Toen ben ik achterom gegaan. Ik had een sleutel van de achterdeur. Voor in nood, had mijn moeder gezegd. ‘Of voor als we op reis zijn. Dan moet ge de planten water komen geven’, zei ze. Ze gingen iedere zomer naar Oostende: de eerste week samen en de tweede week kwam mijn vader al naar huis. Omdat anders het onkruid in zijn tuin de bovenhand had genomen en zijn kweek om zeep was. ‘… want een moestuin, daar moet ge tijd in steken’, zei hij altijd. Hij was er trots op en zijn tomaten waren sappig. Maar waarschijnlijk was hij de zee na één week gewoon beu en verlangde hij naar zijn trouwe omgeving vol slakken en ongedierte. Wanneer mijn moeder
10
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 10
10-03-15 13:30
één week later thuiskwam, was ze altijd goedgemutst, alsof ze in de zevende hemel was. Maar zes weken na hun laatste reis was ze opeens doodgegaan, het arme mens. Een fatale hartaanval, neergevallen op de stoof. Ze had gedaan met leven. Ik drong mijn ouderlijke woning binnen en dat voelde vreemd aan, want mijn moeder was er anders altijd. Ze stond al naast mijn auto nog voor ik was uitgestapt. Bij het horen van remmende banden snelde ze de keuken uit. Een tikkeltje ongezonde nieuwsgierigheid, ja. Soms was het de kuisvrouw van de buren. Af en toe onze Zep, maar hem zag ze liever niet komen. Dat hij altijd vuile praat op had, zei ze vaak en dan toonde ze met een grimas hoe hard ze zich daarvoor schaamde. En van wie hij dat nu toch geleerd had, want thuis hadden we toch nooit zo tegen elkaar gesproken? Meestal was ik het die langskwam. ‘Moet ik u helpen dragen?’ vroeg ze terwijl ik uitstapte. Soms bracht ik wat boodschappen mee. Mandarijntjes, die at ze graag. Een bakje van vijf kilo, dan kwam ze twee weken toe. En een krat cola voor als er bezoek kwam. Die woog te veel, vond ze. Dan schoot het in haar rug. ‘Uw vader weigert om naar de winkel te gaan,’ zei ze, ‘omdat hij nerveus wordt als hij moet aanschuiven aan de kassa. Dan begint hij te zweten en krijgt hij ademnood.’ Eigenlijk irriteerde zijn hoge stressgevoeligheid haar, maar zo verwoordde ze het niet. ‘Hij moet zich regelmatig ontspannen met zijn kameraden bij een pintje of twee. Drie. Soms vier of meer.’ De woorden brandden vaak genoeg op mijn lippen: ik wilde haar zeggen hoe overdreven meegaand ze was, maar ik spaarde haar en liet haar het troostende geloof in de psychosomatische perikelen van haar man. Daar stond ze, haar stoof. Het was alsof mijn moeder er nog naast zat, met de streekkrant op haar schoot en haar leesbril die bijna van haar neus was gerezen. Ik liet wat daglicht binnen. Op het aanrecht lagen beschimmelde etensresten, op het tafelkleed met de barokke bloemen wat kruimels. De dag voor ze stierf had ik het haar nog gezegd: ‘Het is hoog tijd om dat tafelkleed eens te vervangen. Die bloemen zijn ouderwets en het is versleten.’
11
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 11
10-03-15 13:30
‘Dat kan gerust nog een tijdje mee, Bambi.’ Dat ik te veel streken had, zei ze dan. Ze was altijd zuinig geweest. Het huis rook muf. Dat had mijn moeder nooit laten gebeuren, maar wat kon ze doen vanuit haar put in de grond. Roepen dat iemand de ruiten moest gaan openzetten? ‘Papa?’ probeerde ik, hoewel ik meer de inwendige neiging voelde om op mama te roepen. De trap op, de gang door. Het bed bleek onbeslapen. ‘Papa, ben je hier?’ Niemand. ‘Papa!?’ Ze waren alle twee verdwenen, mijn ouders. Het was nooit eerder zo koud geweest in het huis, daar in de Lange Lindekensstraat. Ik rilde. Ik had toen nog drie broers. Eén was er al gestorven. Diede, de oudste. Dat was een triestige zaak. Mijn moeder was zijn heengaan nooit te boven gekomen. Ik was toen een jaar of negen. Ik herinner me enkel dat ze hele dagen in bed lag om haar verdriet weg te wenen. Of ze een emmer wilde, durfde ik niet vragen, maar die was misschien wel handig geweest. Onze Zep leeft nog, maar hem belde ik niet, want hij weet niet eens hoe hij moet opnemen. Hij zou het zelf wel merken als hij ooit eens langskomt, dacht ik. Hij was zeker een kind van papa, dat kon niet anders, want ze leken als twee druppels water op elkaar. Ze hadden een veel te grote neus en hun wenkbrauwen helden lichtjes naar beneden, waardoor ze altijd leken te mokken, maar eigenlijk konden ze er niet aan doen. Pastice, mijn eigenzinnige broer, was vele jaren terug naar de Ardennen gaan wonen. Hij woont er in een chalet zonder gsm of telefoonlijn. Een kluizenaarsbestaan, dat is geen lachertje als je het mij vraagt. Zelfs om de dood van mijn moeder te gaan melden, moest ik met mijn verdriet naar de Ardennen rijden, alsof ik daar toen zin in had. Wat hij daar toch te zoeken had te midden van die onmetelijke bomenmassa, vroeg ik me af. Ik kreeg het er benauwd, want de bomen leken reuzen en de wind leek er een orkaan. Geen mens in de buurt. Alleen mijn broer. En vogels, veel vogels.
12
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 12
10-03-15 13:30
En onze Pelle is ondertussen ook gestorven, vijf jaar geleden. Hij was mijn lievelingsbroer. Zijn vrouw heeft hem vergiftigd. Ze hebben geen bewijzen gevonden, maar ik ben zo goed als zeker dat ze schuldig is. Ik heb haar altijd een venijn gevonden. Ik draaide zijn nummer: ‘Pelle? Weet jij waar papa is?’ ‘Thuis.’ ‘Neen, hier is niemand.’ Dat hij dat merkwaardig vond, zei hij, want papa bleef altijd thuis in de voormiddag. Pas in de namiddag ging café De Scheve Toren open. Om drie uur had hij afgesproken met zijn kameraden. Om te ontspannen. Verder deed hij niets buitenshuis, want daar werd hij nerveus van. Gewoon in zijn tuin werken deed hij nog. Zijn sla mislukte ieder jaar opnieuw. Slakken! Die kon hij niet overmeesteren en spuiten deed hij niet, want daar kreeg je kanker van, zei hij. Dat alles er doods uitzag, zei ik. Het stonk er naar leegte. Pelle wist het niet. Vraag het aan de buren, had hij gezegd. De buurman had onze papa zien vertrekken met drie grote valiezen. Hij was een taxi ingestapt en had van daaruit nog eens gezwaaid naar hem. En dat was alles wat hij erover wist. Pelle was ’s avonds tot bij mij gekomen en we hebben mekaar eens goed vastgepakt. We begrepen er niets van. Gelukkig had ik hem nog.
3 Onze Pelle is vermoord door zijn eigen vrouw. De pers heeft mij toen proberen te interviewen, maar dat heb ik geweigerd. Ik maakte een afwijzend gebaar met mijn hand naar de camera en dat hebben ze uitgezonden. Het was alsof ik een pretentieuze filmster was, achtervolgd door paparazzi. De plaatselijke krant had mij ook opgebeld,
13
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 13
10-03-15 13:30
maar toen heb ik de hoorn neergegooid. Ze hebben mij dan bespied vanachter de struiken en de volgende dag stond er in de krant: ‘Niemand rouwt om Pelle Bosteels!’ Ik sleurde vrolijk wat zakken uit de auto. Ik was een nieuw, zwart ensemble gaan kopen voor de begrafenis. Een verzetje, een afleiding. Toen hebben ze stiekem een foto genomen en die stond in de krant. Stinkende rioolpers. ‘Niemand rouwt om Pelle Bosteels!’ is de lelijkste zin die ik ooit gelezen heb. Gelukkig heeft onze moeder zaliger het nooit hoeven mee te maken en ik hoop ook dat ze het niet vanuit de hemel heeft zien gebeuren. Dat ze daar geen uren heeft zitten schreien in haar eentje, in de onmetelijke hemel. Misschien heeft ze daar ondertussen wel een lief gevonden na al die jaren, dan kon hij haar op zijn minst wat troosten. Toen ik onze Pelle zijn vrouw voor de eerste keer zag, wist ik onmiddellijk dat het zou knetteren. Haar lepe ogen voorspelden onheil en dat is ook gebleken. Ze zijn toch zeker vijftien jaar getrouwd geweest. Spijt heb ik! Spijt dat ik het hem nooit gezegd heb. Toen ze de eerste keer bij mijn moeder thuis kwam voor het paasfeest, had ik hem de achterkamer in moeten sleuren en zeggen: ‘Pelle! Je loopt in je ongeluk met die vrouw. Ze bliksemt.’ Haar aura stonk. Ik kreeg er rillingen van. Het was alsof de duivel mee zat te eten aan tafel. Soms keek ik in haar richting en dan keek ze star terug. Dan boog ik mijn hoofd, want het deed zeer als ze me aankeek. Zoveel venijnigheid had ik nog nooit bij mekaar gezien. Tamara heette ze. ‘Maar Bambi toch, je hoeft niet zo bezorgd te zijn. Ze is oké!’ zou hij gezegd hebben. Hij zag in iedereen het goede. Sommige mensen zijn selectief doof, anderen selectief blind. Onze Pelle was het allebei. Ze droeg een vulgair rokje en haar benen waren niet eens schoon van vorm. Haar borsten waren ongelijk, maar dat was bijzaak in vergelijking met haar gestoorde geest. ‘Wenst u graag wat koffie?’ vroeg mijn moeder. In normale omstandigheden sprak ze dialect, maar nu probeerde ze haar beste taal boven te halen om indruk te maken op de nieuwe aanwinst van de familie. Ze bedoelde het goed.
14
Een Berewijf uit Blazegem_PB.indd 14
10-03-15 13:30