Skip to main content

9789401424424

Page 1

Wie wij waren


Wie wij waren


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Opmaak: Asterisk*, Amsterdam Coverbeeld: © Shutterstock – Joshua Lerner Vertaling: Joke Guns Oorspronkelijke titel: Monday Monday Oorspronkelijke uitgever: Farrar, Strauss & Giroux, © 2014 Mary Elisabeth Crook Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015 D/2015/45/268 – NUR 302 ISBN: 978-94-014-2442-4 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


1 DE TOREN

S

helly staarde naar de grafiek van imaginaire getallen op het krijtbord, verwarrende cijfers vertegenwoordigd door de letter i en minder relevant voor haar leven dan de feeën uit haar kindertijd of het konijn uit de hoed tijdens de goochelshow van de studentenvereniging, vorige week. De professor had het gezicht van een cherubijn en armen die te lang leken voor zijn mollige lichaam. Hij schreef verder op het krijtbord terwijl hij sprak. ‘De vierkantswortel van min vier,’ legde hij uit terwijl hij de cijfers op het bord kalkte, een zweetvlek onder zijn arm, ‘is twee i. Het kwadraat van twee i is min vier. Dus twee maal twee is vier, maal i maal i, wat dus uitkomt op min een...’ Het lokaal was onaangenaam heet, de ventilatoren verspreidden moeizaam nauwelijks koel te noemen lucht. Vanaf haar plek naast het raam keek Shelly uit over de bomen en wandelpaden van de South Mall. Bij de dichtstbijzijnde uitgang van het winkelgebied rees een fontein van bronzen ruiters op uit het troebele water in een stroom van zonlicht, ze trokken een wagen met een gevleugelde berijder voort. Ver weg, helemaal aan de andere kant, voorbij de takken die zwaar waren van plukken mos en zomerloof, voorbij de zwermen troepialen, drong het grote stenen hoofdgebouw met zijn zuilen en terrassen en de toren van wel dertig verdiepingen zich genadeloos op aan de zinderende, wolkenloze hemel. De professor keerde zich naar zijn studenten en herhaalde de redenering. Er kwam nauwelijks respons. ‘We hebben het tot nu toe over reële getallen gehad’, zei hij. ‘Getallen die op een getallenas voorgesteld worden. Dat zijn zowel de rationale als de irrationale getallen. Nu hebben we het echter over de imaginaire getallen. Die worden voorgesteld op een getallenas die loodrecht staat op...’ Shelly bedacht dat haar buikpijn wel eens het begin van haar menstruatie zou kunnen aankondigen. Ze telde de weken. Ze herinnerde zich duidelijk de doos tampons die ze gekocht had bij de kruidenier in 5


Lockhart, toen ze op bezoek ging bij haar ouders. Diezelfde dag had ze ruzie gemaakt met haar vader over het Vredeskorps. En ja, dat was een maand en twee wiskundetentamens geleden. Ze nam zich voor om na de les het plein over te steken naar de drogisterij, om er een nieuwe doos tampons en pijnstillers te kopen, en een Coke bij het drankstandje. Ze had ingestemd met een blind date in de International Club met een interessante man die van plan was om naar El Salvador te vertrekken met het Vredeskorps, en ze was absoluut niet van plan om de kans om meer te horen over José Napoléon Duarte te verknallen door die maandelijkse ellende. ‘Begrijpt iedereen waar ik het over heb?’ Hij wendde zijn cherubijnse gelaat opzij. Hij was jong voor een professor. ‘Begrijpt iemand waar ik het over heb? Marvin?’ ‘Nee, mijnheer.’ ‘Hand omhoog als je het begrijpt.’ De helft van de studenten stak zijn hand op. Shelly hield de hare op haar tafeltje en gleed met een potlood over de lelijke constructie van lijnen en getallen die ze van het bord in haar notities had gekopieerd. Ze vroeg zich af hoe El Salvador eruitzag, de bomen, de steden. In Lockhart leerden ze je niks over El Salvador, wat niet zo veel uitmaakte aangezien ze net zo goed in Honduras of Venezuela kon terechtkomen, of in Ecuador. Of Bolivia misschien. Ze had gehoord dat er kuddes lama’s waren in Bolivia, en misschien kon ze die dan zien. Niet dat ze binnenkort al een bestemming zou moeten kiezen, aangezien ze pas haar eerste jaar aan de Universiteit van Texas, door iedereen de UT genoemd, had afgerond. Zelfs als ze elke zomer, net als nu, extra zomercursussen zou volgen, had ze nog minstens twee of drie jaar te gaan voor ze zich kon aanbieden bij het Vredeskorps. En ze moest ook nog Spaans onder de knie zien te krijgen. De professor keek door het raam naar de torenklok. ‘Imaginaire getallen zullen een onderdeel van de test zijn’, zei hij. ‘We zetten er een streep onder voor vandaag, voor degenen die het begrijpen. De anderen nemen vijftien minuten pauze. Daarna leg ik het opnieuw uit. En vanavond ben ik van zeven tot acht op mijn bureau te vinden.’ De meeste studenten deden hun boeken al dicht en stonden op om te vertrekken. Hij strooide zijn dagelijkse zegen van wiskundige citaten over hen uit terwijl ze het klaslokaal uitstroomden, zijn stem verheffend 6


boven het geroezemoes van hun vertrek. ‘Ga in grote aantallen en los de wereldproblemen op’, galmde hij. ‘Onthoud dat je perfectie bereikt, niet wanneer er niets toe te voegen is, maar wanneer er niets meer weg te laten valt.’ Shelly sloot haar schrift en stond op. Ze aarzelde, een van die kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke handelingen die ze zich de rest van haar leven zou herinneren. Eigenlijk zou ze beter blijven, maar vijftien minuten zouden niet voldoende zijn om haar verwarring over imaginaire getallen weg te nemen. De klas was drukkend heet, en haar buikpijn storend. En vandaag was het pas maandag; ze had nog een hele week om te studeren. Maar ze wilde de professor niet laten denken dat wiskunde haar onverschillig liet. Ze was erin geslaagd om haar eerste jaar af te ronden met schitterende cijfers en ze wilde daar niets aan af doen met deze zomercursus wiskunde. ‘Ga je weg?’ vroeg het meisje achter haar. ‘Ik weet het niet goed, misschien blijf ik toch beter.’ Terwijl ze zich aarzelend weer op haar stoel liet zakken, voelde ze vochtigheid tussen haar benen, het plakkerige gevoel van bloed. Ze ging weer staan, draaide zich quasi nonchalant naar het raam en veegde met haar hand tegen de achterkant van haar rok. Er was nog geen bloed te zien, maar ze moest er nu wel iets aan doen. ‘Nee, ik denk dat ik toch maar ga’, zei ze tegen het meisje terwijl ze haar spullen in haar tas propte. ‘Ik kom vanavond langs’, zei ze tegen de professor. Ze was de laatste die vertrok en ze probeerde rustig door te lopen naar de damestoiletten. De lessen waren nog volop bezig. Hier en daar stonden deuren open in een poging om onwaarschijnlijke luchtstromen te vangen. Maar de zolen van haar sandalen waren van hout en onmogelijk tot zwijgen te brengen. Door de gangen kletterend zag ze de jaloerse blikken van de studenten die nog in de klaslokalen gevangen zaten. De torenklokken klingelden toen ze om kwart voor twaalf de gang doorliep en de trappen afdaalde, hun muziek overstemde het getik van haar sandalen. Ze herinnerde zich dat het Spaanse woord voor toren torre was en ze stelde zich de kaart van Centraal-Amerika voor, met het nietige El Salvador tegen Honduras en Guatemala aan gedrukt. Buiten werd ze door het gekras van twistzieke troepialen begroet. De augustuswarmte woog zwaar. Ze liep langs het lommerrijke pad dat naar het hoofdgebouw en de toren leidde, en knipperde tegen de zon 7


toen ze uit de schaduw van de bomen trad. Ze stak een smal straatje over, liep onder het standbeeld van Woodrow Wilson door en nam de trap naar het hoger gelegen deel van het plein toen een jongen met een transistorradio die ‘Monday, Monday’ schalde, haar op zijn weg naar beneden voorliep. Monday, Monday – Shelly neuriede mee met The Mamas and the Papas terwijl ze verder de trap op liep – can’t trust that day / Monday, Monday, sometimes it just turns out that way. Het enerverende zonlicht kalkte de massieve stenen bogen en de gebeeldhouwde zuilen van het hoofdgebouw dat voor haar lag wit, waardoor de toren er tegen de lucht zo plat uitzag alsof hij op een blauw aanplakbord was gekleefd. Het liedje klonk blikkerig nu, herleid tot slechts een deuntje in de verte: Every other day, every other day / Every other day of the week is fine, yeah / But whenever Monday comes, but whenever Monday comes / You can find me crying all of the time... Misschien was het toch maar beter om een Sego dieetdrankje te halen bij de drogisterij, en de Coke en sandwich te laten voor wat ze waren, dacht ze tijdens het oversteken van het plein. Ze was vijf pond aangekomen tijdens haar eerste jaar aan de universiteit, en haar kokerrok zat te strak om haar middel. Ze wandelde naar het met gras begroeide stuk van het plein bij de vlaggenmast toen ze een jongen uit haar biologiegroep zag die van de trap van het hoofdgebouw kwam. Hij bladerde door een boek terwijl hij verder liep en ze probeerde zich zijn naam te herinneren voor het geval hij haar zou opmerken. Chad was het, dacht ze. Of Chet. Toen hij het plein op kwam keek hij op en zag haar. Hij sloot zijn boek, stopte het onder zijn arm en hief zijn hand op om te zwaaien. Maar iets verbijsterde haar: er kwam geen glimlach, wel een plotse grimas. De opgestoken hand klapte terug naar de pols, een been stond vreemd naar voor gebogen. Het was een clownesk gebaar en ze vroeg zich af hoe ze erop moest reageren. Op precies datzelfde moment hoorde ze een scherp geluid, als de terugslag van een auto, of misschien kwam het lawaai van de bouwvakkers die het Theater op de Drag aan het renoveren waren. Hij viel naar voren, het boek lag open naast hem en een rode vlek verspreidde zich over de rug van zijn geruite overhemd. Een log slingerende beweging kreeg vat op zijn benen, toen lag hij stil. Ze stond naar hem te kijken in een poging te begrijpen wat er gebeurd was, en wilde een stap in zijn richting zetten toen iets haar raakte, iets dat een van haar armen naar buiten slingerde en haar rond deed 8


tollen in de richting van de kleine heg die het grasveld begrensde. Ze probeerde haar val te breken, maar de zijkant van haar hoofd raakte de grond. Even lag ze verdwaasd en wat gegeneerd omdat ze in het openbaar was gevallen. Ze probeerde op haar knieën te gaan zitten en haar evenwicht te hervinden, zodat ze niet weer zou omvallen. Maar haar arm leek uit elkaar te vallen. Het leek wel alsof hij niet meer vastzat. Het bot boven haar elleboog stak gekarteld uit het vlees en het onderste deel zat vreemd gedraaid. Er gutste bloed uit haar borst. Ze probeerde met haar handen het bloeden te stelpen, maar haar arm wilde niet gehoorzamen. Hij hing daar maar. De pijn was schokkend. Ze drukte haar andere hand tegen haar borst, maar het bloed liep gewoon tussen haar vingers door en spatte naast haar op de grond. De gescheurde stukken van haar beha en het patroon van gele bloemen op haar bloes raakten doorweekt van het bloed. Ze tastte naar haar boekentas in een poging om haar op de grond verspreide spullen te verzamelen – haar boeken, haar wiskundenotities. Maar haar arm hing erbij als een marionet. De helderheid kwam maar langzaam terug. De jongen lag dood voor haar. Opnieuw hoorde ze dat geluid uit de hemel komen. Het drong zichzelf op aan de hitte van de dag. Iemand begon ijselijk te gillen, en een man schreeuwde iets over de toren. Een vrouw viel op de grond, niet ver van waar Shelly lag. Vogels vlogen op uit de bomen en stukken cement spatten omhoog. Shelly probeerde opnieuw om te gaan staan, maar haar benen wilden niet meewerken. Ze liet zich weer op haar knieën zakken. Ze had nachtmerries als deze gehad, dromen waarin haar ledematen niet langer wilden bewegen, in een lucht zo dik als water, die haar tegen de grond gedrukt hield. Kruip, sprak ze zichzelf toe. Naar de heg. Ze probeerde naar de toren te kijken, maar de zon was te intens. Ze schuurde over de grond, snel ademend, misselijk, hoestend, haar gewonde arm hing daar maar. Ze hoorde zichzelf jammeren. De kniehoge heg zou haar niet beschermen, zelfs als ze hem kon bereiken, maar het was de enige verticale vorm die de wereld haar op dat moment te bieden had. Al het andere was vlak. Er vlogen dingen over haar heen. Ze hoorde het geluid van de inslag op vlees en botten. Niet de hare, dacht ze. Niet ik, deze keer. Een zucht en een snik. Het zinderende beton schroeide haar handpalm terwijl ze zichzelf probeerde voort te trekken. Haar verminkte arm sleepte ze met zich mee. Bloed sijpelde in de poreuze stenen onder haar. De gerafelde beha hield haar borst tegen haar lichaam 9


en verhinderde het stuk vlees om als gelei in elkaar te zakken. Ze fluisterde om hulp en hief smekend een hand, zette die vervolgens weer neer en schoof op haar knieën verder terwijl ze haar eigen bloed borrelend in de grond zag verdwijnen. ¶ Wyatt Calvert wist onmiddellijk dat er iets niet klopte aan het geluid dat over het plein kaatste en dat de stentorstem van zijn professor overstemde. ‘Verwoesting van Kiev,’ schreef hij in zijn notities, ‘ Mongolen, 1240.’ Toen het geluid opnieuw weerklonk, keek hij op. Het deed hem denken aan de hertenjacht en aan de geweerschoten die door een kloof galmen. Een student met kort geschoren haar stond op en keer door het raam, over de kruin van een eik heen. De professor zweeg. ‘Er is iets aan de hand bij het winkelcentrum’, zei de student. Een meisje kwam bij hem staan en keek naar buiten. ‘Ik denk dat het iets te maken heeft met de faculteit Drama.’ Wyatt stommelde langs de rijen tafeltjes naar de ramen. De ruitjes waren vuil. De takken belemmerden een deel van het zicht. Hij morrelde aan het slot, duwde een raam open en trok hard aan het raamkozijn, tot het met een ruk naar boven schoot. Een open rechthoek vol hitte liet plots het gezoem van insecten en het gefladder van vleugels door. En dan opnieuw de explosie, luider deze keer, en de echo. Stenen waterspuwers een eindje boven de ramen hielden de zon buiten. Beneden op het plein, in het heldere licht, bewogen de mensen zich op een eigenaardige manier voort, aarzelend leek het wel. Sommigen stonden helemaal stil en keken om zich heen. Een jongen met een waszak rende diagonaal over het plein terwijl hij iets over zijn schouder schreeuwde. Bij de trappen naar het lager gelegen gedeelte lag een mollig meisje in een driekwartbroek op haar rug. Met haar handen hield ze haar buik vast. Haar benen gingen in een lome beweging op en neer, alsof ze zo probeerde te ontsnappen aan het broeierig beton. Midden op het plein lag een man in een gestreept overhemd en een zwarte broek onbeweeglijk, op zijn zij, met een arm naar buiten gedraaid. Naast hem lag een boek. Vlakbij hem probeerde een meisje met een rok zichzelf met de hulp van slechts een arm naar de dichtstbijzijnde heg te slepen. Ze liet een spoor van bloed na en bewoog als een gewonde kever. ‘Mijn god’, zei Wyatt. ‘Er is iemand mensen aan het neerschieten.’ 10


Een paar seconden lang bleef hij stokstijf staan terwijl hij naar het plein staarde. Een man die de trap opliep naar het hoger gedeelte van het plein, viel achterover, dan het geluid van een explosie. Hij lag op zijn rug op de trap als een rodelaar, alsof hij, met zijn hoofd eerst, naar beneden wilde. Zijn schoenzolen staken omhoog, dichtbij het meisje in de driekwartbroek. Wyatt verplaatste zijn blik naar de toren. Hij onderzocht de ramen, rij na rij, tot hij de top bereikte. De gouden wijzers van de torenklok toonden elf uur eenenvijftig. Op het hoge, ommuurde terras eronder verscheen een figuur die als een geest weer verdween. Een seconde later kwam hij weer tevoorschijn. Hij richtte een glinsterend geweer op de East Mall. Er kwam rook uit de loop toen een nieuwe knal galmde. Van beneden klonk gedempt lawaai en een onderdrukte schreeuw. De schutter verdween even en kwam een seconde later weer terug. Wyatt zag de rook maar hoorde geen knal deze keer. Het raam naast hem explodeerde. ‘Op de grond!’ riep de professor. ‘Weg bij die ramen! Bukken!’ Eerst gehoorzaamden slechts een paar studenten; toen kwamen ze allemaal in beweging. Ze hurkten naast hun tafels en kropen zo dicht mogelijk tegen de muur. ‘Ze schieten op jou, Calvert!’ schreeuwde iemand naar Wyatt. ‘Maak dat je daar wegkomt!’ Even zat hij op zijn hurken in het verbrijzelde glas dat over de vloer verspreid lag. Toen begon hij te kruipen. ‘Blijf laag, Calvert!’ beval de professor hem, maar Wyatt kroop gewoon verder. Toen hij bij de deur kwam, stond hij op en rende vervolgens door de gang, zodat hij de andere studenten kon waarschuwen om in het gebouw en ver weg van de ramen te blijven. ‘Iemand is aan het schieten vanaf de toren’, riep hij hen toe. Ze staarden hem ongelovig aan. Hij botste tegen een eerstejaars aan. ‘Hé, kijk uit jij!’ snauwde die. In een klas aan het eind van de gang vond hij een groepje studenten dat een kaart bestudeerde die voor het schoolbord hing. ‘Is Jack Stone al vertrokken?’ hijgde hij. ‘Ik denk dat hij in Woods kantoor zit’, antwoordde een rijzig meisje in een bruine sweater. ‘Er zit iemand in de toren die mensen op het plein neerschiet’, riep Wyatt nog over zijn schouder, terwijl hij naar het kantoor van de professor rende. 11


‘Is dit een psychologisch experiment’, riep het meisje hem na. ‘Dat experiment waarin onderzocht wordt of we willen helpen?’ ‘Ga niet naar buiten!’ schreeuwde hij terug. Hij liep weer voorbij de eerstejaars waar hij net nog tegenaan gelopen was, de jongen zette een stap achteruit en grapte: ‘Schutter in de toren! Natuurlijk! Rennen, jongens!’ Er volgde een lachsalvo. Maar toen Wyatt de bocht om was, ging het nieuws als een lopend vuurtje en groeide de onrust. Het kantoor waar hij naartoe wilde, lag aan de andere kant van het gebouw. Hij stormde er binnen, buiten adem, en vond zijn neef Jack in gesprek met de professor. ‘Waar is Delia?’ onderbrak Wyatt hen. ‘Waar hebben jullie afgesproken?’ ‘Op het plein. Waarom?’ ‘Iemand is vanaf de toren mensen aan het neerschieten op het plein. Vanwaar moest ze komen?’ Jack was al opgesprongen. ‘Ze parkeert meestal op de Drag.’ De professor greep de telefoon. ‘Wat zeg ik tegen de politie?’ ‘Minstens vier mensen neergeschoten op het plein, minstens één kerel met een geweer boven in de toren.’ Jack wurmde zich door de hal die nu volgelopen was met studenten. Wyatt volgde hem op de voet. ‘Ga langs de andere uitgang naar buiten of je loopt er recht op af!’ probeerde Wyatt over het lawaai heen te roepen. ‘Ik neem de route die zij zou nemen’, zei Jack. Maar precies op dat moment zag hij Delia. Ze liep de trap op, met haar ogen wijd opengesperd. Haar zwarte haren kleefden aan haar bezwete voorhoofd. Jack trok haar in zijn armen. ‘God zij dank’, zei hij. ‘Ga naar het kantoor van Wood. Hij belt de politie. Blijf daar, ook als hij weggaat.’ ‘Waar ga jij heen? Jack?’ Jack rende de trap al af. ‘Ga naar Woods kantoor en wacht daar op mij.’ ‘En bel Elaine op haar werk bij Sears’, zei Wyatt terwijl hij haar passeerde. ‘Zeg haar dat ze niet naar de campus mag komen.’ Twee jongens drongen langs hem heen. Ze riepen iets over een vuurgevecht. Wyatt probeerde hen te overtuigen om terug te gaan, maar ze duwden hem opzij. Ze liepen vlak achter Jack, bijna bovenop hem. 12


Wyatt dacht aan de lichamen op het plein – hoe gemakkelijk de man achterover was getuimeld op de stenen trappen, zonder nog maar te proberen om zijn val te breken. Een groep nieuwe studenten die net een rondleiding kreeg op de campus, stroomde de gang in, een vrouw probeerde hen een klaslokaal binnen te drijven. Wyatt en Jack wurmden zich langs hen heen en bereikten een overdekt gedeelte naast het plein. Een half dozijn jongere studenten was aan het raden hoeveel schutters er in de toren waren. Een van de meisjes meende dat dit het begin was van een studentenrevolte. Een zwaarlijvige jongen zei dat de Cubanen aanvielen. Een magere student met sluik blond haar staarde naar de toren van onder de zuilengalerij. ‘Ik denk dat het er maar een is, en hij is naar de andere kant van de toren gegaan.’ ‘Ga daar weg’, zei Jack. ‘Wie daar ook boven is, hij kan je zien. Heb je meer dan één schot tegelijk gehoord?’ ‘Nee’, zei de sluikharige jongen. ‘Dat is moeilijk te zeggen, door al de echo’s’, meende een van de andere studenten. Wyatt zag dat de hemel helderblauw was. Een lage muur van stenen spijlen liep over het plein en werd enkel onderbroken door de trap die naar het lager gelegen gedeelte leidde. Op de trap staken de zwarte schoe­ nen van de dode man omhoog. Een meisje met een krans van blonde krullen boog zich over het meisje met de rode driekwartbroek, dat op haar rug lag, heen. Het blonde meisje riep om hulp met een vlakke stem die getuigde van steeds lager wordende verwachtingen. ‘Kan iemand ons helpen? Ze is neergeschoten. Kan iemand ons helpen?’ De receptioniste van de decaan zat verscholen achter een eik vlakbij de muur. Ze drukte haar gezicht tegen de boomstam. ‘Ik zweer je dat mijn vader die kerel van hier zou kunnen raken’, zei de sluikharige jongen. ‘Hij heeft al wilde kalkoenen van zo ver neergeschoten.’ Wyatt was al vaak in de toren geweest; hij kende het uitzicht. Je zag er alles helder, tot de horizon. Austin lag als een plas aan de voet van de toren. Voetgangers hadden de grootte van insecten. De koepel van het parlementsgebouw in het zuiden leek klein; in het westen lagen de winkels op de Drag. Ten oosten en noorden van de toren lagen de studentenhuizen en leslokalen. ‘Wat is zijn bereik?’ vroeg hij. ‘Vijfhonderd meter met een krachtig geweer van daarboven’, zei Jack 13


die hurkte om zijn veters goed vast te maken. Zijn haar was kort geknipt; in Vietnam was hij een stukje van zijn ene oor kwijtgeraakt, wat er wel nog zat werd geflankeerd door dikke littekens. ‘Ik ga dat meisje bij de trap weghalen.’ Hij stond op. ‘Ik ga met je mee’, zei Wyatt. ‘Blijf zigzaggend bewegen’, benadrukte Jack. ‘Gebruik de beschutting van de muur. Sta nooit stil om na te denken; ga gewoon door. We dragen haar van de trap. Wees voorzichtig; die schoenen hebben geen grip.’ ‘Er is nog een ander meisje’, zei Wyatt. ‘In het midden van het plein. Je kunt haar van hier niet zien; ik zag haar vanuit het raam. Ze probeerde naar de heg te kruipen.’ De torenklokken begonnen te luiden, de sluikharige jongen onder de zuilengalerij leunde naar buiten en keek omhoog. Wyatt zag hem vallen en dacht dat hij uitgegleden was. Maar het was geen gewone manier van vallen – op zijn rug, met zijn benen onder hem gedraaid. Er zat een gat in zijn voorhoofd, net boven een van zijn ogen. ‘God!’ schreeuwde de jongen in de bermuda. Hij duwde zijn handen op zijn oren en staarde ontdaan naar het lichaam. ‘Oh God! Gary is neer­geschoten!’ Jack en Wyatt pakten het levenloze lichaam onder de oksels en sleepten het naar de deur. Op de vloer bleef een bloederig stuk schedel met sluik haar achter. Het meisje probeerde te helpen; de jongen in de short vouwde dubbel en braakte, toen tilde hij zijn hoofd op en gilde: ‘Hij heeft Gary neergeschoten! Hij heeft Gary neergeschoten!’ Wyatt keek naar het plein en zag dat het blonde meisje verdwenen was. Het meisje in de driekwartbroek lag nog steeds bovenaan de trap, naast de achterstevoren rodelende dode man. Een lange man in pak en stropdas wandelde het plein op, en Wyatt zwaaide wild met zijn armen en schreeuwde naar hem terwijl hij naar de toren wees. Maar de klokken overstemden zijn geroep. Het gezicht van de man versplinterde. Een deel ervan vloog weg. Zijn arm wees naar de lucht. ¶ Shelly hoorde het fluiten van de kogel door het klokkengelui heen, gevolgd door een knal die zo luid was als een kanonslag. Uit haar ooghoeken merkte ze de man in het zwarte pak op, en ze zag dat zijn gezicht explodeerde. Er was enkel nog lucht waar net nog zijn kaak gezeten had. 14


Hij stond nog kaarsrecht, wankelde toen. Een kerel klom over de muur en trok de man naar een veiliger plek. Hij duwde hem over de spijlen in iemands uitgestoken handen. Ze lag stil en ademde oppervlakkig. Het spektakel van haar arm die lag te bakken op het hete cement was potsierlijk, daarom probeerde ze haar ogen gesloten te houden. Af en toe kneep ze ze tot spleetjes waarbij ze enkel een chaotisch beeld toeliet van een smalle, heldere, rechthoekige wereld die gedeeltelijk door haar verhakkelde arm verduisterd werd. Ze lag in een plas bloed. Met de hand die wel nog functioneerde, probeerde ze haar borst op zijn plaats te houden en toch levenloos te lijken. Ze lag vlakbij de heg en zou die laatste meter nog wel kunnen overbruggen, maar de schutter in de toren was misschien op zoek naar een teken van beweging, van adem. Misschien kon hij zelfs haar ogen zien knipperen. Ze was vergeten wat het betekende om zo stil te liggen, maar een flard van een herinnering uit haar kindertijd drong ongevraagd de horror van het moment binnen. Ze had moeten doen alsof ze dood was, een truc om de buizerds aan te trekken, die keer dat ze met een buurjongen in de wei achter zijn huis lag. Hij lag plat op zijn rug naast haar terwijl hij de loop van zijn airsoft geweer naar boven richtte. ‘Niet bewegen’, had hij gezegd. ‘Ze hebben ontzettend goeie ogen. Knipper niet. Sluit je ogen.’ De schoten kwamen nu van een heel andere kant van de toren. Ze klonken licht en ongevaarlijk. Shelly’s kaak was gaan klapperen, haar tanden sloegen tegen elkaar. Ze herinnerde zich dat een van haar docenten het had gehad over de symptomen van shock, maar ze kon ze zich niet meer voor de geest halen. Snel ademen of traag ademen – ze wist het niet meer. Snelle pols of juist een trage pols. Overduidelijk was wel dat haar polsslag het bloed uit haar arm pompte. Ze was gestopt met driftig hijgen. Ze was bang om bewusteloos te geraken en dood te bloeden. Daarom nam ze zich voor om, als ze de duisternis voelde komen, toch nog een poging te wagen om zich naar de heg te slepen. Ze zou zich er niet onder kunnen wurmen; ze moest doorheen de opening zien te komen en vervolgens over het gras naar de stenen fundering van de vlaggenmast kruipen om daar beschutting te vinden. Als het nodig was, zou ze proberen opstaan en rennen. Het cement verschroeide haar zij en haar kapotte arm. Ze wilde haar hand onder haar wang leggen, om die te beschermen tegen de hitte. Diezelfde hand hield echter haar borst vast in een poging het bloeden te stoppen. Vanuit haar penibele positie zag ze twee mannen naar het 15


meisje bovenaan de trappen rennen. Ze bukten zich, tilden haar op en droegen haar naar beneden, uit het zicht. Haar benen, gehuld in een helderrode broek, bungelden over hun armen. Ze lieten haar boeken en een sandaal achter. Op de trap wezen de zolen van een paar schoenen naar boven, als oren van een nieuwsgierig konijn. Shelly hoorde opnieuw de stem van haar vroegere buurjongen die haar vroeg om de ogen te sluiten. Ze stelde zich de priemende, gewichtloze blik van boven haar cirkelende buizerds voor, en ze hoorde geweren knallen. Plots besefte ze dat er nu ook vanaf de begane grond werd geschoten. Ze bewoog haar hoofd een beetje en tuurde door haar bijna gesloten ogen. Ze zag dat iemand een geweerloop uit een raam van de geschiedenisafdeling stak en naar de toren schoot. Ze werd kotsmisselijk van de geur van bloed op het hete cement. Ze was zich voortdurend bewust van de dode jongen die achter haar lag. Overal klonk gekerm en gehuil. De torenklok sloeg kwart over twaalf. Ze vroeg zich af of ze half een zou halen. Toen het schieten vanuit de toren weer begon, voelde ze de grond trillen. Brokstukken spatten op. Losse gedachten flitsten door haar hoofd; haar moeder die jam over een beboterde toast smeerde, een blaffende hond, haar vader die een band wisselde – de beweging van zijn schouders toen hij de auto omhoog krikte. Tel de seconden, dacht ze. Tel de seconden dat ik dit kan uithouden. Ze wachtte op het einde. ¶ Wyatt besefte dat het meisje met de driekwartbroek dood was op het ogenblik dat ze haar van de grond tilden, maar er was geen tijd om na te denken over hun poging om haar te redden. Ze droegen haar de trap af, rakelings langs de dode man. Wyatt wankelde even en verloor de grip op haar benen, maar trok ze weer omhoog. Ze legden haar dicht bij de muur. Ze was doordrenkt met bloed, van haar borst tot haar dijen. Ze rook naar ontlasting. Een blauwe speld hield haar haren tegen haar slaap. Ze was gedrongen en gespierd – stevig in de taille en met korte benen. Haar mooie gezicht staarde leeg naar boven, langs het standbeeld van Woodrow Wilson, doorheen de takken van een eik. Er werd naar de toren gevuurd. Geweerschoten vanuit de faculteit 16


Engels en geschiedenis kruidden de lucht boven het rugbystadium. Een ambulance reed snel achteruit door de smalle straat tussen de trappen en de met bomen geflankeerde delen van de winkelpromenade, in de richting van Wyatt en Jack. Toen verbrijzelde een kogel de achterruit. De chauffeur reed snel weer vooruit. Wyatt pakte de pols van het meisje beet en zocht naar een hartslag. Maar hij wist dat ze dood was. ‘Het meisje bij de heg’, zei Jack. ‘Heb jij gezien of ze nog leeft?’ ‘Ik zag haar maar in een glimp. Ze bewoog in elk geval niet. Ik zag wel iemand bewegen op de grond, dichter bij het hoofdgebouw, maar het wordt lastig om bij hem te komen.’ Hij twijfelde of hij zichzelf nog een keer zover zou krijgen om het plein weer op te gaan, maar trok toch zijn schoenen uit. Een gewapende politieman rende naar hen toe. Hij kwam uit de richting van de fontein en liep tussen de bomen door de straat over, waar Wyatt en Jack over het meisje gebogen zaten. Hij ging naast hen staan en keek, tussen de spijlen op de muur door, over het plein, toen plots een reeks snelle schoten stukken steen van de spijlen bikte. Hij trok zijn hoofd in en dook tussen Jack en Wyatt. Hij stapte bijna op een van de handen van het meisje. ‘Moeder Maria, dat was een karabijn. Een M1’, zei hij. ‘Die hoor ik nu voor het eerst; hiervoor waren het grendelgeweren’, vertelde Jack hem. ‘Denk je dat daarboven meer dan één klootzak zit?’ Het zweet stroom­ de van onder zijn pet. ‘Ik denk dat hij meer dan één geweer heeft. Hij ligt nu zelf onder vuur. Heb je een plan?’ ‘Mijn plan is om naar boven te gaan en die smeerlap te doden.’ Hij ging voorzichtig staan en keek aandachtig naar het plein. Toen liet hij zich weer zakken met zijn rug tegen de muur en zijn laarzen in de vogelstront, net naast het hoofd van het dode meisje. Hij zette zijn pet af en veegde het zweet van zijn gezicht. Een geweersalvo weerklonk vanuit de faculteit Economie, en de klokken sloegen het halve uur. Het snelle, monotone geknal van de karabijn verplaatste zich nu naar de westkant van de toren. De politieman schoof zijn pet weer op het hoofd en rukte aan zijn plakkerige uniform. Wankelend kwam hij uit zijn gehurkte positie. Hij keek boven de trap uit, daarbij slechts heel even halt houdend bij het beeld van de dode man. ‘Jullie blijven hier, jongens’, zei hij, terwijl hij de trap oprende. 17


Wyatt tilde zijn hoofd net hoog genoeg op om tussen de spijlen door de top van de toren te zien. Kogels, afgevuurd vanaf de begane grond, hadden de klok geraakt en van sproeten voorzien. Maar de schutter daarboven was onzichtbaar. De politieman bewoog snel over het heldere plein, met grote passen, terwijl de kogels de grond raakten en het stof aan zijn voeten deden opstuiven. ‘Nu is er tenminste politie’, zei Wyatt. Maar hoeveel politie was er? Hij had maar een agent gezien, en die had niet bepaald een goed doordacht plan om de toren te bestormen. Bovendien zou diens wapen nutteloos zijn vanaf de begane grond en niet veel kunnen uitrichten tegen het krachtige geweer en de automatische karabijn op de toren. ‘Als de andere agenten even slecht bewapend zijn, kunnen ze net zo goed stenen naar die klootzak gooien’, zei Jack. Een kogel raakte de spijlen. Terwijl Wyatt omlaag dook, zag hij beweging op het plein. Het meisje dat naast de heg lag, opende haar mond en tilde haar hoofd van de grond. ¶ Shelly riep naar de politieman die haar voorbijsnelde terwijl een kogelregen hem achtervolgde. Toen hij weg was, trok ze haar benen dichter tegen haar lichaam in een poging kleiner te lijken. Roerloos lag ze naar de vlieg te kijken die zich te goed deed aan het bloed op haar arm. Haar arm werd gevoelloos. Ze had een verschrikkelijke dorst. Ze hoorde geschreeuw, sirenes in de verte en onophoudelijke geweervuur. Ze dacht dat ze nog steeds hetzelfde liedje hoorde spelen – Every other day, every other day / Every other day of the week is fine, yeah – maar toen besefte ze dat het liedje enkel in haar eigen hoofd zat. De aarde begon te dreunen. Een groot voertuig verscheen in haar gezichtsveld – een gepantserde wagen van het type waarmee geldtransporten werden gedaan. Het reed log over het plein heen. Ze dacht dat het haar kwam redden. Maar toen werd ze er bang voor, het zag er blind en gigantisch uit. Het versperde haar zicht. Het geluid van de motor verdronk haar gedachten, en de uitlaatgassen deden haar hoesten. Haar beschadigde lichaam schokte ervan. Ze voelde de grond griezelig omhoog komen. Ze deed haar ogen opnieuw open en zag het monsterlijke schepsel traag verdwijnen. De klokken luidden weer, zwaar en dreigend in deze omgekeerde wereld. 18


Een tweede politieman volgde de route van de eerste, langs haar heen. Ze was gestopt met hopen op redding. Haar benen begonnen te trillen, haar knieën schokten. Ze dacht aan het gat in de heg. Achter dat gat zou ze gras vinden, en ook al zou dat gras haar geen bescherming kunnen bieden, misschien vond ze er wel wat koelte in deze broeierige hitte. Ze overwoog om toch verder te kruipen. Op dat moment renden twee mannen de trap op, in haar richting. Het waren dezelfde twee mannen die het meisje met de driekwartbroek hadden weggebracht. De kleinste was snel en atletisch. Zijn wit shirt zat onder het bloed. De andere was groot en liep op blote voeten. Zijn geruite zomerhemd hing uit zijn broek. Hij droeg een bril met een zwart montuur. Ze naderden haar snel en ze zette zichzelf al schrap voor de pijn. De kleinste nam haar verwrongen arm beet en legde die over haar borst. ‘Niet doen!’ gilde ze terwijl ze probeerde hem weg te slaan. Maar ze deden datgene waarvoor ze gekomen waren. ‘Pak vast, neem die arm, pak die arm, godverdomme –’ ‘Haar borst bloedt –’ ‘Steun haar hoofd –’ ‘We halen je hier weg. Het is oké, het is oké.’ De pijn was onbeschrijflijk. ‘Het is niet oké!’ Ze draaide haar hoofd opzij en gaf over toen de grond achteruit week en ze werd opgetild. Ze zag niets, ze kreeg geen lucht meer, haar gekrijs en gepiep leek wel van iemand anders te komen. De blauwe hemel werd wit. De mannen stabiliseerden haar arm. Haar met bloed doordrenkte vingers klauwden in het zomerhemd. Naast haar spleet het beton, de oorverdovende knal van een geweer zoog alle zuurstof uit de lucht. ‘Oh, God, hij schiet op ons!’ zei een van de kerels. ‘Laat haar niet vallen –’ ‘We geraken niet tot bij de trap – Deze kant op, deze kant, fuck –’ ‘Ondersteun haar arm –’ ‘De vlaggenmast is dichterbij –’ ‘Dat is niet genoeg –’ ‘Ga naar de vlaggenmast –’ Ze drukten zo hard tegen haar arm dat ze de botten hoorde kraken. De bril van de lange jongen zat scheef. De wereld gleed van rood naar blauw; hun gezichten blokkeerden even alle licht. De hellende vlaggenmast sneed de hemel in twee. ¶ Het laatste wat Wyatt zag voor zijn bril op de grond viel, was een gezicht bij het middelste raam van de derde verdieping van de faculteit Engels, 19


net onder het rode pannendak. Het leek naar hem te kijken. Uit het raam ernaast vuurde iemand naar de toren, en trok zich dan terug. Maar het gezicht voor het middelste raam bewoog niet, als had het plotseling begrepen dat de hemel kon vallen, dat het leven zomaar kon stoppen, dat de wereld onmiddellijk in stukken zou exploderen. Het zag er vreemd uit, zonder lichaam, bleek en vertrokken – met een helderheid van vorm, abnormaal vanaf zo’n afstand, alsof het gezicht niet menselijk was, maar meer het effect van horror op het menselijk gelaat, gezien door de ogen van een kunstenaar. Als het oerbeeld van de angst. Een halve seconde lang drong een winterse scherpte door de hete augustuslucht. Toen viel Wyatts bril en loste het gezicht op in de rest van de wereld. Hij tastte rond maar kon de bril niet vinden. Hij bleef met een blote voet in het gras haken en struikelde. Het meisje zakte naar beneden. ‘Godverdomme!’ riep Jack. Ze wierpen zichzelf tegen de grond achter het ronde blok beton dat de fundering van de vlaggenmast vormde. In het gras ernaast kronkelde een jongen in short en surfshirt. Zijn nek bloedde. Wyatt hield het meisje op zijn schoot terwijl Jack zo dicht mogelijk tegen hen aankroop. Maar de beperkte ruimte kon hen niet alle drie beschermen. Er suisde een kogel door de lucht; wat gras spatte op. ‘Hij mikt op ons!’ schreeuwde Jack, ‘Die fucker richt op ons!’ Wyatt klemde zijn knieën stevig rond het meisje, haar rug rustte tegen zijn borst. Hij zette zijn voeten links en rechts naast haar lichaam, drukte haar verhakkelde arm tegen haar buik en probeerde wat op te schuiven voor Jack. ‘Trek je knieën op en druk jouw rug tegen haar buik’, zei Wyatt. ‘Ik steek er te ver uit’, zei Jack. Hij hapte even naar adem. Een kogel sloeg in naast zijn voet, een tweede naast zijn knie. ‘Fuck, ik ben hier weg, er is geen plek genoeg.’ Hij sprong op en begon te rennen. Wyatt hield het meisje nog steviger vast. Jack rende nog steeds toen de kogel hem raakte. Wyatt zag hem vallen. Hij zag het vaag, zonder zijn bril. Met opgetrokken knieën rolde Jack van de ene op de andere zij. ‘Blijf waar je bent! Ik geraak wel recht!’ schreeuwde hij naar Wyatt. Maar hij bleef liggen. Hij greep naar zijn dijen. ‘Wyatt?’ riep hij nu jammerend. ‘God, Jack –’ ‘Wyatt?’ 20


‘Kan je opstaan?’ ‘Het is niet goed –’ ‘Ik kom je halen –’ ‘Nee... blijf daar.’ ‘Waar ben je geraakt?’ ‘Shit. Oh, God –’ ‘Waar ben je geraakt?’ ‘Kom niet naar hier.’ ‘Kun je lopen?’ Zijn knieën waren opgetrokken tegen zijn borst. ‘Is hij daarboven?’ riep Wyatt. ‘Kun je hem daarboven zien?’ ‘Nee. Kom me niet halen. Hoor je mij? Fuck you als je me komt halen!’ ‘Ik kom je halen, Jack –’ Hij probeerde een manier te bedenken om het meisje los te laten en haar toch te beschermen. Een kogel raakte de vlaggenmast, net boven hun hoofd, het zinderende geluid ervan deed hem denken dat hij geraakt was. Hij keek naar het meisje en zag dat ze aan het schreeuwen was, maar hij hoorde haar niet. ‘Kun je zelf rechtop blijven zitten?’ riep hij. Maar hij kon zijn eigen woorden niet horen en twijfelde of hij ze wel gezegd had. Hij had er geen idee van wat hij moest doen. Geleidelijk brak het gejammer van het meisje weer door. ¶ Shelly’s mond was droog, haar stem werd verdrongen door haar klapperende tanden. Het bloed liep nog steeds uit haar arm. Ze nestelde zich tussen Wyatts knieën, haar rug tegen zijn borst. Zijn zweet had haar doorweekt. Hij hield haar arm te strak tegen haar lichaam, maar als hij losliet, zou de arm vallen. Ze merkte dat hij wat afstand nam, voelde dan zijn knokkels tegen haar ruggengraat terwijl hij zijn overhemd losknoopte. Ze voelde dat hij het hemd uittrok. Hij sloeg het om haar heen en knoopte de mouwen over haar borst. ‘Hoe heet je? Wat is je bloedgroep?’ vroeg hij haar. ‘Shelly Maddox.’ ‘Je bloedgroep?’ ‘A-positief denk ik, ik weet het niet zeker.’ 21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401424424 by Uitgeverij Lannoo - Issuu