Skip to main content

9789401423526

Page 1

Aan de lezers van dit boek

Een reis rond de wereld is iets heel belangrijks, iets dat veel tijd en veel geld vergt, en bijgevolg ook zorgvuldig moet worden gepland. Bij het overwegen van zulke reis en de daarbij behorende kosten moet over een aantal punten ernstig worden nagedacht: het comfort en de aangeboden luxe, de planning van de reis, de verschillende landen die worden aangedaan en het juiste seizoen om elk land bezoeken, en ten slotte ook de duur van de reis – niet te kort, niet te lang, maar precies lang genoeg. Mijn Grand Tour rond de Wereld zal niet zomaar eersteklas zijn, maar zal alles zijn wat deze term, in de ruimste zin van het woord, ook maar kan bevatten. Ik ben heel lang bezig geweest met de voorbereidingen voor deze reis, waarbij ik wenste dat al mijn plannen ten volle gerealiseerd zouden worden en ik de allerheerlijkste wereldreis ooit zou kunnen aanbieden. De afspraken, de reisfaciliteiten, de hotels, de rijtuigen en de uitstapjes zullen meer dan uitmuntend zijn. De hele planning is erop gericht de reis uiterst comfortabel te laten verlopen, zowel voor dames als voor heren. Kortom, het wordt een voyage de luxe. Voor de begeleiding van het reisgezelschap en de aard van de arrangementen zullen de allerbeste tradities van De Potter Tours ten volle worden ingezet.

A. de Potter


DEEL EEN

7


8


CONSTANTINOPEL Het is 10 juni en hij vertrekt vroeg in de ochtend. Hij loopt de luxueus beklede trappen van het Pera Palace Hotel af en komt in de lobby. Hij drukt op de bel aan de balie. Net toen hij nogmaals wilde drukken, verscheen een receptionist vanuit de donkere achterruimte, pas gewassen, fris geboend en ruikend naar zeep. De rekening wordt vlot vereffend en de baliebediende is uiterst hoffelijk, ondanks zijn beperkte kennis van het Frans. Armand overhandigt hem zijn twee laatste brieven geadresseerd aan Madame de Potter, per adres Hotel Royal in Toblach. De brieven dienen nog even bewaard en op de twaalfde te worden verzonden, zo zegt hij. Zou de bediende deze instructies begrijpen? ‘Oui, Monsieur’, zegt de receptionist terwijl hij de brieven weglegt en een kruier wenkt. Hij hoopt dat het verblijf van Monsieur de Potter uiterst aangenaam is geweest. Zijn rijtuig, zo vervolgt hij, staat reeds op de oprijlaan. Buiten ziet Armand dat de gaslamp boven de ingang tot de publieke tuin nog brandt, hoewel de dageraad de ochtendhemel reeds doet gloeien. Hij zet zijn bril af en poetst de lenzen met zijn zakdoek. Nadat de kruier is teruggekomen met zijn hutkoffer en die boven op het bagagerek heeft gehesen, bedankt Armand hem met een handvol piasters en klimt hij naar zijn zitplaats. De koetsier klapt met de teugels en de koets schiet met een ruk voorwaarts. Vanaf de top van Pera rijden ze naar beneden, de wielen ratelen over de oneffen straatplavuizen en het koetswerk gaat driftig op en neer. De paarden gaan zo snel dat een overstekend hondje niet eens de kans krijgt om zich tijdig uit de voeten te maken. Het gejank van het dier klink beangstigend menselijk en Armand denkt dat het onder de achterwielen is terechtgekomen. Maar hij is opgelucht wanneer hij het dier ziet weglopen en om de hoek ziet verdwijnen. Kordaat en onverstoord draven de paarden verder. Hij wil de koetsier vragen om te vertragen, maar doet het niet. Hij zet zijn hoed wat steviger op zijn hoofd, leunt achterover en overschouwt het landschap. In gedachten verzonken ziet hij de vertrouwde

9


bakens aan zich voorbijglijden – de banken en de restaurants die hij zo goed kent, en het klooster waar, twee dagen geleden, de leden van zijn reisgezelschap tot hun grote blijdschap de derwisjen aantroffen die net begonnen te dansen. Wanneer ze voorbij een groot herenhuis rijden waarin een ambassade is gevestigd, denkt hij terug aan zijn vader die gedurende bijna tien jaar in het buitenland was gestationeerd – eerst in Parijs, dan in Dakar en ten slotte in Constantinopel. Iedereen dacht dat hij directeur van een Belgische handelsmaatschappij was, maar Armand die met zijn broer en zijn stiefmoeder in Oost-Vlaanderen was achtergebleven, geloofde dat zijn vader een spion was, aangesteld door koning Leopold, die zich moest toespitsen op de geheime zaakjes van buitenlandse regeringen. Hij maakte zichzelf wijs dat hij vroeg of laat ook een spion zou zijn en in die hoedanigheid de hele wereld zou afreizen. Je zou kunnen stellen dat hij inderdaad een soort spion is, maar dan één met een aan zichzelf opgelegde missie, namelijk het verzamelen van antiek in plaats van geheimen, waarbij zijn reisbureau hem de gelegenheid biedt om plaatsen te bezoeken die voor andere verzamelaars onbereikbaar zijn. Het agentschap De Potter Tours is er voor vooraanstaande, rijke toeristen uit de hele wereld en de Collectie De Potter wordt tentoongesteld in het University Museum van Philadel­ phia. Volgens hem, een honorabel samengaan. Gedurende meer dan een kwarteeuw heeft deze formule gewerkt en ze had blijven werken indien hij niet zo nonchalant was geworden. Hij slaagde erin om de Amerikanen tijdens hun reis uitstekend te animeren. Niemand kon ook maar denken dat er iets anders in zijn achterhoofd zou kunnen spelen dan hun welbevinden terwijl hij hen door de stad loodste. Zelfs toen hij hen op de trein zette en zonder begeleiding naar Broussa stuurde, waren ze ervan overtuigd dat ze op die manier van een nog groter ongemak gevrijwaard bleven. Volgens hun verhalen was Professor de Potter de vriendelijkheid zelve en uiterst betrouwbaar als gids, precies zoals dat in zijn advertenties werd gegarandeerd. Mevrouw P.A. Saunders uit Cincinnati: ‘Het was een reis die ik mijn hele leven als bijzonder aangenaam zal blijven herinneren. Indien ik elk jaar naar het buitenland kon reizen, dan zou ik zeker kie-

10


zen voor een reis die begeleid wordt door Professor de Potter en zijn entourage.’ Wijlen Dr. Henry W. Bellows uit Albany: ‘Ik ben trots u te kunnen zeggen dat ik heb kennisgemaakt met Professor A. de Potter. Ik twijfel niet aan zijn betrouwbaarheid en zijn competentie om buitenlandse toeristen te begeleiden met het oog op educatie en informatie, en ik kan hem van harte aanbevelen.’ HHW uit Rome, New York: ‘Er zijn verschillende manieren om te reizen, velen, zoals wij, reizen op eigen initiatief en worden dan overgeleverd aan de willekeur van de haaien, ofwel reist men in reisgezelschappen met een gids, of met een reisagent. Het enige reisgezelschap waar we echt jaloers op waren, was de groep van Professor Armand de Potter uit New York, een pretentieloze gentleman die negen talen spreekt. Hem zullen wij in de toekomst bij al onze vrienden die een reis naar de Oude Wereld willen maken, van harte aanbevelen. De vrienden van HHW zullen een andere gids moeten zoeken, want Professor de Potter zal geen reisgroepen meer begeleiden. Hij zal zich geen zorgen meer hoeven te maken over de bagage van achteloze toeristen, geen tickets meer moeten opvolgen of uitleg moeten geven over landschappen en bezienswaardigheden. Want deze reis maakt hij helemaal alleen. Het rijtuig duikt almaar verder naar beneden, ratelt voorbij gebouwen die ontsierd zijn door verkommerde terrassen en verwelkte tuinen, en bereikt ten slotte de boulevard die langsheen de toegang tot de Gouden Hoorn loopt. De laagstaande zon vangt de top van een minaret op een heuvel aan de overkant en doet het wit in roze veranderen. In het wateroppervlak naast de weg worden de platanen weerspiegeld alsof ze in winters ijs zijn vastgevroren. Ze bereiken het plein naast het douanekantoor. Armand betaalt de koetsier en hij huurt een bagagekruier voor zijn koffer. De douaneambtenaar begroet hem met een geeuw, wuift naar hem als teken dat hij kan doorgaan zonder zijn tas te openen. Op de kade neemt hij het vergulde zakhorloge dat hij van zijn vrouw heeft gekregen voor zijn negenendertigste verjaardag, en kijkt hoe laat het is. Het duurt nog een uur of zelfs langer voor de passagiers mogen inschepen. Er rest niets anders dan te wachten.

11


VAN SUMMIT NAAR CANNES Drie jaar voor haar echtgenoot voor de Griekse kust op zee verdween, zat Aimée de Potter aan de toilettafel in haar luxehut op de Noordland. Ze nam haar potlood uit de pennendoos en opende haar dagboek. ‘17 mei 1902’, schreef ze. Ze stopte even om na te denken. Dan ging ze verder, ‘Summit verlaten met de trein van 7.35 uur.’ Ze stopte weer even. Losse gedachten kwamen in haar op. Ze overliep haar dag, denkend aan de rusteloze en slapeloze uren in de duisternis van haar slaapkamer in hun huurhuis in New England Avenue 78, aan het moment waarop ze roerend een suikerklontje oploste in haar thee in het station van Summit. Ze dacht aan Victor en Armand met wie ze de loopplank van de Noordland opliep, waar ze zich omdraaide op het moment dat een kruier achter haar struikelde en bijna de grote vogelkooi die hij in zijn handen had, in het water kieperde. Ze had een glimp opgevangen van een witte vogel met frivool pluimage en ze had bijna het luide gekrijs aangehoord als iemand die haar naam riep. In werkelijkheid had ze ook inderdaad haar naam gehoord – ‘Amy!’ – geroepen door een oude familievriendin, Mevrouw Murray, die op de pier stond te wuiven met een lavendelzakdoekje dat boven de menigte uit wapperde. Ze sprak haar naam uit op de manier waarop haar vrienden en haar familieleden die altijd al hadden uitgesproken, hoewel ze ontzettend vaak had geprobeerd om hen te verbeteren. ‘Amy – hier ben ik, hier!’ Hallo Mevrouw Murray, dag Mevrouw Murray! De familie de Potter vertrok naar het buitenland. Dat was niets abnormaals – ze gingen elk jaar naar het buitenland. Voor zover Mevrouw Murray wist, zou het gezin de Potter weer een van die bekende, peperdure reizen maken, deze keer een reis van vier maanden door Noord-Europa. En omdat ze niet erg ver van de Hoboken Pier af woonde, was ze met de trein gekomen om hen uit te wuiven. ‘Bon voyage iedereen! Ik zie jullie hier terug in september!’ Neen, Mevrouw Murray gaat hen in september helemaal niet te-

12


rugzien, want deze reis wordt niet als alle andere. Na de afronding van deze reis zouden ze nog wat langer willen blijven en op zoek gaan naar een vaste stek in het zuiden van Frankrijk, in de kosmopolitische stad Cannes, waar er heel wat anglicaanse kerken waren en veel clubs waar men lid van kon worden. Rozen bloeiden er het hele jaar door en de frisse, zoutige wind zou een helende werking hebben op iemand zoals Armand, die leed aan aanvallen van ernstige zenuwhoofdpijn. Aimée dacht aan haar zus Leila die onlangs weduwe was geworden en nu met haar jongste dochter in Poughkeepsie leefde. Ze had zelfs Leila niet verteld dat ze niet zo snel zouden terugkomen. En omdat ze dit plan zelfs voor haar lievelingszus had geheimgehouden, kon ze ook niets vertellen aan de rest van de familie en de vrienden. Zelfs Victor wist niet wat hem te wachten stond. Ze hoopte dat hij aangenaam verrast zou zijn bij het nieuws dat ze in Frankrijk zouden blijven, terwijl de rest van het reisgezelschap zou terugkeren naar Ameri­ka. Hij associeerde Frankrijk met bonbons, carrousels en vakanties aan de kust. Hij zou het misschien niet zo prettig vinden om in de herfst naar een Franse school te gaan, maar hij was een flexibele jongen en zou zich wel snel kunnen aanpassen. Ze deed geen moeite om ook maar iets hierover in haar dagboek op te nemen. Ze voorzag evenmin ruimte om te noteren dat de cornedbeef die werd geserveerd bij het eerste diner aan boord, smaakte als vlees dat in zeewater was gekookt. Ze schreef niets over Victors vreugde­gilletjes, nadat een bonte meeuw een stuk brood had opgevangen dat hij in de lucht had gegooid, toen de Noordland Sandy Hook voorbijvoer. Ze vermeldde niet dat Armand en Victor, terwijl ze aan haar schrijftafel zat en nadacht over wat ze nog zou kunnen noteren, in hun luxehut bezig waren met het doorbladeren van een boek met zeevaartkundige kaarten, dat ze hadden gevonden in de bibliotheek van het schip. Ze schreef gewoonweg, ‘Mevrouw Murray kwam ons uitwuiven. Afvaart van de Noordland om 10 uur naar Boulogne.’ Dan legde ze het dagboek weg, nam haar zilveren kam en maakte ze haar haarvlecht los uit het knotje op haar hoofd. ‘Reizen is leven’, schreef Armand in de advertenties van zijn toeristisch magazine, en Aimée hield ervan om dit motto voor zichzelf te

13


herhalen. Ze had het nodig als geheugensteuntje, dat alle moeilijkheden die bij het reizen hoorden in grote mate werden gecompenseerd door de bijbehorende beloningen. Reizen is leven, inderdaad. En weg waren ze alweer, nadat ze op 27 mei waren aangekomen – de Ameri­ kanen gehaast om Armand bij te benen terwijl Aimée met de tragere groepsleden de rangen sloot, snakkend naar een vrij moment om een korte notitie in haar dagboek te maken, opdat ze altijd zou weten waar in de wereld ze zich op elk moment van haar leven had bevonden. Van Boulogne ging het naar Amsterdam. Op 10 juni leidde Armand zijn reisgezelschap door de straten van Kopenhagen om ‘de luisterrijke beeldengroep van de twaalf apostelen’ in de Vor Frue Kirke te bezichtigen, zo schreef Aimée aan het begin van haar dagverslag, daarbij de woorden uit de korte uiteenzetting die haar man op de trappen van de kerk had gegeven, citerend. De volgende dag maakten ze de woelige oversteek van Helsingør naar Helsingborg. In Christiania organiseerde Armand een privétour met een vikingschip, wat iedereen bijzonder op prijs stelde, gaande van Victor tot de Weledele Samuel Worthington uit Delaware, een prikkelbare reiziger wiens humeur echter geleidelijk aan verbeterde naarmate ze verder koers zetten naar het noorden. Nadat hij tijdens een storm uit zijn bed aan boord van de Noordland was gerold en hij daarbij zijn pols had verstuikt, deed Aimée extra moeite om hem tot bedaren te brengen. En toen het hele gezelschap in rijtuigen langs de lange rijen treurbeuken door Valders­ dal reed, klaagde Mijnheer Worthington helemaal niet over de harde houten zitjes. Op de stoomboot richting Noordkaap stond hij naast Aimée aan de reling en gooide hij een kushandje naar de glinsterende Svartisen Gletsjer. En hij was het, die in naam van het reisgezelschap een toespraak hield tijdens het diner, waarbij Mijnheer en Mevrouw de Potter werden bedankt voor alle goede zorgen tijdens hun onvergetelijke ervaring bij het zien van de middernachtzon. Al bij al werd het een succesrijke reis, in grote mate dankzij Mijn­ heer Worthington, die een zo onverzettelijke optimist bleek te zijn dat niemand anders uit het gezelschap ook maar durfde te klagen – zelfs niet toen hun trein van Krakau naar Kiev panne had en de reizigers gedurende vijf uren vastzaten in de zwoele hitte; of toen ze ontdekten dat hun reservatie in Hôtel des Bergues in Genève was verloren ge-

14


gaan en ze al hun bagage bij elkaar moesten zoeken om te verhuizen naar Hôtel Métropole. Zelfs niet toen Armand tijdens hun banket in Lyon opstond en aankondigde dat er een programmawijziging op ­stapel stond: ‘Mesdames et messieurs, dames en heren, Mevrouw de Potter en ik danken u hartelijk dat wij de geneugten van NoordEuro­pa met u mochten delen. Ik verheug mij u te mogen meedelen dat de geachte heer Gastineau, vicedirecteur van de Parijse vestiging van het American Bureau of Foreign Travel u verder zal begeleiden naar de Verenigde Staten terwijl mijn vrouw en ik en France blijven!’ Aimée was opgelucht dat niemand in het gezelschap enig bezwaar had tegen deze wijziging. Iedereen begreep waarom Mijnheer en Mevrouw de Potter in Frankrijk wilden blijven. Ze beweerden dat ze hetzelfde zouden doen, indien ze de vrijheid hadden om hun leven een nieuwe wending te geven. Maar het gezin de Potter ging niet opnieuw beginnen, toch niet echt. Ze kwamen eerder wat dichter bij het hoogtepunt van hun twintig jaar oude project en ze wilden gaan genieten van de rijkdom die het resultaat was van hun harde werken. Ze wilden datgene wat al hun klanten reeds bezaten – een permanent verblijf voor hun kind, een plek vanwaar ze konden vertrekken en waar ze terug konden aankomen aan het einde van elke reis. En als het dan heel specifiek over hun voorkeur ging – als een goed uitgeruste residentie in Albany of New York, Los Angeles, Pasadena of zelfs Summit, New Jersey niet zou volstaan – dan was dat omdat de ervaring hen had geleerd dat ze het beste zouden gedijen in een omgeving die overeenkomt met de gevoeligheden die ze aan de dag hadden gelegd door, zoals Armand beweert, ‘de voortdurende blootstelling aan verschillende beschavingen.’ Of gewoonweg, zoals Aimée schreef aan Mevrouw Murray toen ze haar probeerde uit te leggen waarom ze niet met de rest van het reisgezelschap zouden ontschepen op de pier in Hoboken, ‘Ook mensen uit de toeristenbranche verdienen een huis dat ze het hunne kunnen noemen.’ Ze verhuisden naar Cannes op 5 oktober 1902. Ze betrokken een huur­villa op de chemin Prince de Galles. De volgende ochtend werd Aimée vroeg gewekt door enkele duiven die in de palmbomen hadden

15


overnacht. Ze wierp een blik in de belendende kamer en zag dat Armand nog sliep, dan ging ze naar Victors kamer waar de jongen opgerold als een kat boven op zijn bedsprei lag te slapen. Ze nam haar kleren uit de kast en genoot van het idee dat ze nu alle tijd had om zich klaar te maken voor de dag. Ze deed het rustig aan, alsof ze haar krachten wilde sparen in de nasleep van een zware koortsaanval. Toen ze in de spiegel keek, zag ze een vrouw op wie ze jaloers zou zijn, indien ze haar niet kende. Akkoord, haar haar had een grijzige tint en haar voorhoofd was getekend met fijne rimpeltjes. De huid onder haar kin was wat uitgezakt. Maar haar wangen waren nog rond en jong, haar lippen waren zacht en het blauw van haar ogen was nog altijd even schitterend. Toen ze een parelsnoer om haar hals hing, was ze zelfs enigszins onder de indruk van de duidelijke vanzelfsprekendheid van haar houding. Ze was trots op haar privileges, hoewel ze ook aandacht bleef schenken aan de noden van anderen. Ze bewonderde de reflecties van een vrouw die een bepaalde positie had bereikt, waarnaar ze niet had verlangd in haar jonge leven, omdat ze er niet mee bekend was. Het was alsof ze aan het einde kwam van een jarenlange reis, en ze nu eindelijk kon genieten en zich kon ontspannen. Toen ze een week later Victor naar het internaat in Mandelieu brachten, drukte Aimée hem op het hart dat hij te allen tijde mocht terugkomen en naar de buurtschool gaan, als hij dat liever wilde. Maar hij maakte zo snel vrienden dat hij helemaal niet ongelukkig was. In zijn eerste brief schreef hij dat hij een nieuwe vriend had, Simon, die in het bed naast hem sliep. En dat hij een nieuw huisdier had, de hagedis Pegasus, die in een bokaal leefde. In zijn tweede brief schreef hij dat hij de enige jongen van de klas was die ooit een piramide vanbinnen had gezien. Ook dat hij een tweede hagedis had gevangen, zodat Pegasus nu een maatje had. Aimée stuurde hem een ansichtkaart met een afbeelding van de boulevard de la Croisette: ‘Liefste Victor, je maakt papa en mij heel erg blij met je brieven. Laat het ons weten als je extra dekens nodig hebt. Onze dagen zijn heel rustig nu papa niet meer zo vaak op reis is. Wij maken lange wandelingen en bezoeken bloemenmarkten. Papa komt je vrijdag om 5 uur stipt ophalen. Zo ben je tegen het avondeten terug thuis. Heel veel liefs van maman.’

16


Onderaan de kaart schreef ze nog een kleine notitie: ‘PS Wij houden zo veel van onze villa dat we de huur met drie maanden hebben verlengd.’ Ze vierden Kerstmis met gebraden gans en plumpudding. In de vroege lente wilden ze een huis in de buurt kopen en begonnen ze aan een intensieve zoektocht. Met Pasen 1903 kondigde Aimée, in piekfijne paasoutfit, gecreëerd door een kleermaker uit Nice – een roze, kantachtige aangelegenheid met een rok uit tule en een zijden jasje en een hoed met bovenop een prachtige witte veer, die afkomstig zou kunnen zijn van de vogel die de kruier op de Noordland bijna in het water had gekieperd – tijdens een diner met vrienden aan, dat de familie de Potter uiteindelijk een definitieve stek had gevonden. Nadat ze overal in Cannes hadden rondgekeken en gezocht, hadden ze uiteindelijk een villa met 17 kamers gekocht op de avenue de Vallauris. De Villa du Grand Bois had een centrale marmeren trap die naar de hoofdingang leidde, een witte façade in stucwerk, bekroond met een aansluitende deklijst en twee torens langs de flanken, waarvan een omgeven met drie rijen balkons in smeedwerk. De villa was weliswaar al twee jaar onbewoond en diende wat opgefrist. De tuin was overwoekerd met komkommerkruid en brandnetels. Het bassin van de fontein was middendoor gebroken en een stenen nimf was van haar piëdestal getuimeld. Maar de bovenverdieping bood een uitzicht op zee, de geur van blauweregen hing in de lucht en toen Armand en Aimée de Potter voor het eerst door de toegangspoort stapten, verleende de overvloed aan namiddaglicht de villa een gloed van fijn marmer. Ze wisten meteen dat dit prachtige landgoed het hunne moest zijn. Ze prijsden zichzelf bijzonder gelukkig toen de eigenaar instemde met een lagere prijs. Ze verhuisden in september, en tegen hun huwelijksverjaardag in oktober konden ze een beroep doen op de voltijdse hulp van een kok, een meid en een tuinman. Op 20 november kwamen de meubelen en de dozen aan die ze in New Jersey hadden gestockeerd en Aimée en Armand legden zich toe op het uitpakken. Ze gaven het kristalwerk een plaats, sorteerden hun kleren en staken hun dikke wollen weefsels terug in de scheepskoffers. Terwijl Armand zijn curiositeiten op de schappen van de fijne vergulde kast plaatste – de kast die met hem was

17


meegereisd van Frankrijk naar Amerika en dan terug naar Frankrijk – zette Aimée hun boeken en fotoalbums netjes in de bibliotheekkast. Op 26 november had Armand de hele ochtend lang een bespreking met de bankdirecteur. Zoals voorzien, ontmoette hij Aimée ’s middags in restaurant La Réserve in het centrum van Cannes. Hij kwam ongewoon laat en vrij gehavend aan, zijn jas hing open en hij hield zijn hoed in zijn hand, alsof hij de hele weg gelopen had. Maar hij zei heel gewichtig: ‘Ma chérie, op een dag zal ik mezelf waardig tonen voor jouw affectie’, en hij kuste haar gehandschoende handen op uiterst hoffelijke wijze. Later, toen ze in Galleotti’s meubelzaak waren, sprong hij van achter een reeks uitgestalde bureaus tevoorschijn en wiegde haar in zijn armen. Ze kwamen er naar de rotan ligstoelen van Stevens kijken die ze wilden aankopen. Ze giechelden tijdens het uitproberen, gooiden hun voeten omhoog en testten de beweegbare armleuningen. Het was al bij al een bijzonder aangename dag en pas ’s avonds bij het schrijven in haar dagboek, dacht Aimée eraan dat het vandaag een feestdag was. In Amerika zaten alle vrienden wellicht samen rond de tafel voor het grote feest van Thanksgiving. Hier in Cannes hadden ze het veel te druk om te feesten. Aimée was een boerendochter en stond dus altijd vroeg op. Ze vond het helemaal niet abnormaal om samen met het personeel aan de slag te gaan. Ze wilde zelf maar al te graag als assistente van de loodgieter een nieuwe afvoerpijp gaan kopen zodat Felicie ondertussen het eten kon klaarmaken. Of ze liep achter Ernestine aan met een tweede stoffer, terwijl ze van kamer naar kamer liepen, babbelend over koetjes en kalfjes om toch maar wat Frans te kunnen oefenen. Nadat ze het originele plan in de kelder had gevonden, richtte ze haar aandacht volledig op de tuin. Ze engageerde een plaatselijke metselaar die de fontein herstelde en kocht enorme terracotta bloempotten waarmee ze haar grasperk afzoomde. Rond de fontein legde ze perken met lavendelstruiken aan en de bloempotten werden gevuld met tuinanjers. Ze liet François gravel uitstrooien en de treden van het tuinpad herstellen zodat ze weer vanaf het terras de tuin in konden. En ze hielp François bij het kunstig snoeien van de kleine boomgaard

18


met abrikozen- en kersenbomen aan de westkant van de tuin. Toen hij de haag had geknipt, vulde ze de bloembedden met rozenstruiken en geraniums en nog meer anjers. Ze kocht een stenen tuinbank die ze tussen de knoestige takken van de oude magnolia zette. Langs de binnenkant van de omheinende achtermuur stond al een aantal grote cipressen en ze voegde er nog een dozijn jonge boompjes aan toe. Voor de finale afwerking liet ze een loodgieter een nieuwe waterleiding naar de fontein aanleggen, en weldra spoot er weer water uit de kruik die werd gedragen door de nimf. Tijdens al dat mooie werk in Grand Bois was ze bijzonder dankbaar dat ze bevrijd was van de druk van een strikte reisplanning. Ze konden reizen wanneer ze wilden en thuisblijven zo lang ze zelf wilden. Armand maakte een korte reis naar Caïro in april en in mei namen ze deel aan de Old World Tour in Noord-Italië. In juni reisden ze met Victor voor een week naar Baden Baden en de rest van de zomer bleven ze in Cannes. De tijd ging veel te snel. In de lange brieven die Aimée naar haar vrienden in Amerika schreef, vermeldde ze graag dat het enige dat ze tekortkwam een middeltje was om de tijd te doen vertragen zodat ze nog meer zou kunnen genieten van de geneugten van het leven in Zuid-Frankrijk. Op 21 oktober 1904, de dag voor hun vijfentwintigste huwelijksverjaardag, huurden ze een auto. Ze haalden Victor in Mandelieu van school af en reden met een chauffeur naar het bergdorp Auribeausur-Siagne. Ze bleven de smalle weg zo lang mogelijk volgen, tot ze bijna de top bereikten. Ze lunchten in een café en ontstaken een kaars in de kapel. Op de terugweg reed de chauffeur zo snel dat Aimées sjaal van haar hoofd waaide. Donder en bliksem hielden hen die avond wakker. Armand kwam naar Aimées kamer, deed alsof hij bang was voor het onweer en dook meteen onder de lakens. Oh, de hele huishouding zou weten wat voor een clown hij was als ze haar gegiechel niet kon inhouden. ‘Stop, alstublieft!’ smeekte ze hem, maar hij wist maar al te goed dat ze ‘Stop toch niet’ bedoelde, en hij ging gewoon verder. Toen ze de volgende ochtend naar beneden kwamen, had Felicie al een lamsstoofpotje klaargemaakt. Na de maaltijd gingen ze met Victor de stad in, waar ze zichzelf te goed deden aan chocolade-ijs met

19


marsh­mallowparfait. Bij hun terugkomst in Grand Bois stond het dienstpersoneel hen in de hal op te wachten met een mand bloemen. Armand ontkurkte een fles champagne en iedereen dronk mee – zelfs Victor mocht eens nippen. Armand had voor Aimée een zilveren broodmand, een dienblad en een decoratief hoofd van een boerenmeisje van Limoges porselein gekocht. Aimée schonk aan Armand een zilveren koffiepot. ‘Kan iemand té gelukkig zijn?’ prevelde ze, toen ze later even alleen waren. Hij antwoordde met een korte lach, die ze interpreteerde als een liefhebbende blijk van verstandhouding. Speels trok ze zijn vlinderdasje recht en gaf hem een kus. Zo’n perfecte dag verdient toch minstens een notitie in het dagboek, en dezelfde avond nog, nadat Armand was vertrokken om Victor terug naar school te brengen, liep Aimée de tuin in om te schrijven. Ze stopte even in de werkkamer van haar echtgenoot om er een potlood te halen. Op de schrijftafel lag een envelop afkomstig van het University Museum in Philadelphia. Aan dit museum had haar echtgenoot zijn collectie Egyptische schatten uitgeleend. Ze was benieuwd. Omdat de brief toch al geopend was, zou Armand er zeker geen bezwaar tegen hebben dat ze hem nogmaals opendeed. De brief bleek gewoon een handgeschreven mededeling te zijn van Mevrouw Stevenson, de curator van het museum. Als antwoord op een vraag die Professor de Potter haar onlangs had gesteld, schreef ze dat er in de eerstkomende periode absoluut geen tijd was om een uitgebreide catalogus van de Collectie De Potter samen te stellen – een bericht dat Armand niet de moeite waard had gevonden om met zijn vrouw te delen. Ze verwachtte van hem ook niet dat hij over elk aspect van zijn collectie met haar overleg pleegde. Maar het meest verrassende was wel dat hij zijn teleurstelling goed had weten te verbergen. Ze kon zich niet meer herinneren wanneer hij voor het laatst over zijn collectie in het museum van Philadelphia had gesproken. Waarom had ze er ook nooit iets over gevraagd? Ze wist dat zijn antiekverzameling hem nauw aan het hart lag, alsof hij alles zelf had gemaakt. En hij zou alles inderdaad ook zelf gemaakt kunnen hebben. Het had hem bijna dertig jaar en tientallen reizen naar Noord-Afrika gekost om deze kostbaarheden te verwerven, een ware schat die niet alleen

20


bestond uit zeldzame juwelen en sepulcrale bronzen voorwerpen, maar ook uit een beschilderde sarcofaag die een gemummificeerde hogepriester uit Thebe bevatte. Alhoewel hij zijn antieken voorwerpen lang geleden had kunnen verkopen, had hij ervoor gekozen om ze op eigen kosten af te staan aan het University Museum, waar de voorwerpen werden tentoongesteld in de Egyptische Afdeling – de afdeling die werd beheerd door Mevrouw Stevenson. Jaren geleden had ze beloofd een catalogus samen te stellen die het belang van de Collectie De Potter zou bevestigen. Maar deze belofte kwam ze nu blijkbaar niet na. Aimée draaide de envelop om en bekeek de poststempel. De brief moest pas deze ochtend zijn aangekomen. Haar man had al de hele dag deze kwetsuur moeten verzorgen, terwijl zij zich nergens van bewust was geweest. Tenzij, zo dacht ze, hij helemaal niet gekrenkt was – misschien was dát wel meer voor de hand liggend. Hij had haar niets gezegd over de brief van Mevrouw Stevenson omdat hij die onbelangrijk vond. Wat deed een catalogus ertoe, wanneer ze in een auto vanaf Auribeau-surSiagne naar beneden konden suizen? Hier in het zuiden van Frankrijk was Armand zo goed als zorgeloos geworden. Ontgoocheling behoorde tot het verleden, samen met de hoofdpijnaanvallen die hem vroeger meestal tijdens een crisis kwelden. Hij had geen behoefte aan erkenning vanwege afgelegen universiteiten. Het was onmogelijk om ontevreden te zijn, nu ze konden genieten van hun aangename en comfortabele leven in Grand Bois. Ze nam haar dagboek mee naar de tuin en ging op de stenen bank onder de magnolia zitten. Kleine, crèmekleurige motten fladderden in het zwakke lichtschijnsel van de kerosinelamp. Er ratelde een rijtuig over de weg. Een nachtegaal begon te zingen. Terwijl ze zat te wachten tot de toegangspoort opendraaide en haar echtgenoot thuiskwam, schreef ze in haar dagboek. Ze vermeldde niets over de brief die ze in de werkkamer had gevonden. In plaats daarvan schreef ze over de wandeling naar de stad waar ze een ijsje hadden gegeten, over de geschenken die ze voor elkaar hadden gekocht en over de anjers die nog steeds in bloei stonden.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401423526 by Uitgeverij Lannoo - Issuu