De diplomatie der dingen
Voor Els
Timon Bo Salomonson
DE DIPLOMATIE DER DINGEN Zeven dagen, zeven minuten
Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. – Jeroen Brouwers
Inhoud 1. Zaterdag
7
2. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u32 3. Zondag
39 47
4. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u33 5. Maandag
69 77
6. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u34 7. Dinsdag
117 125
8. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u35 9. Woensdag
141 147
10. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u36 11. Donderdag
159 163
12. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u37 13. Vrijdag
189 193
14. Pas-de-Calais, 22 juli 1944, 21u38 15. Malika, Lise en Micha
201 205
5
1 Zaterdag
Er was geen wolkje aan de hemel, en hoewel Michaël perfect de weg wist, voelde hij zich toch verdwaald. Het Vlaamse landschap flitste ongemerkt aan hem voorbij. Het was vervelend om zonder haar naar het familiefeest te rijden. Zo kon het niet blijven doorgaan. Zijn smartphone trilde tegen zijn borstkas. Een bekende stem doorbrak zijn gedachten. ‘Hoe ga je dat aan Malika uitleggen?’ ‘Dag André. Ik ben aan het rijden. Wat moet ik haar uitleggen? Moet ik toch mee naar Bosnië?’ ‘Ja, dat ook. De premier gaat niet. Je wordt dinsdag om zeven uur op Melsbroek verwacht. Om negen uur stijg je op met de Embraer, samen met onze minister en een paar mensen van het kabinet. Er gaan ook wat journalisten mee.’ ‘Oké. Ik zal er zijn.’ ‘Maar ik bel over iets heel anders; hoe ga je aan Malika uitleggen dat je deze zomer je geloofsbrieven aan de president van Israël moet aanbieden?’ Michaël week uit naar de kant, zette zijn knipperlichten aan en haalde diep adem. Hij stond op een bushalte langs de Herentalsebaan in Wommelgem. Een oud dametje stak langzaam de weg over, komende van de GB (nu eigenlijk Carrefour) aan de overkant van de straat. Ze kon maar net haar evenwicht bewaren tussen haar volle boodschappentas en de cockerspaniël die haar naar voren trok. Ze keek hem nee-knikkend aan.
7
‘Je bedoelt...’ ‘... dat je ambassadeur wordt in Tel Aviv. Gefeliciteerd!’ ‘...’ ‘Hallo? Michaël?’ ‘En Jean dan?!’ ‘Jean Verlaet heeft de plannen van zijn eigen minister om militaire trainers naar Noord-Congo te sturen gedwarsboomd. Ik vond het zelf eigenlijk ook een slecht idee, maar soit, de minister beslist. Hij had zo zijn redenen. Zodoende ga jij naar Tel Aviv en mag Jean over zijn loyaliteiten nadenken op de tennisclub in Canberra. Koude winters, bloedhete zomers, weinig te beleven, maar valt op zich nog mee als laatste post, vind je niet? ‘Tja. Hangt ervan af. Ik zou geen nee zeggen. Ik ben gek op Australië. Grote jurisdictie, veel te doen en te zien. Maar Jean?’ ‘Verder konden we hem niet stoppen. Ik had voorgesteld om hem ons nieuwe consulaat-generaal in Lagos te laten openen, maar de minister wilde niet overdrijven. De begrotingsonderhandelingen starten over een maand. Als vicepremier moet je dan de kerk wat in het midden houden, ook in je eigen administratie. Trouwens, het feit dat jij bijna twintig jaar jonger bent dan Jean, zal zijn ego geen deugd doen.’ ‘Leuk. Had je niet eerst mijn mening kunnen vragen?’ ‘Ondankbare. Nee, want die ken ik al. Onze prinzipienreiter: je wil Jean niet voor het hoofd stoten, je houdt niet van die spelletjes, blablabla. Luister; niks spelletjes. Hij heeft keuzes gemaakt, hij moet de consequenties maar dragen. Jij springt gewoon in het gat.’ ‘Hij heeft anders wel zijn sporen verdiend, over al die jaren heen.’ ‘Verpest het niet voor jezelf, alsjeblieft. Ik bied je een kans. Je bent te aardig, man!’ ‘Gewoon collegiaal.’ ‘Jaja, collegiaal. Maar ik ken je. De ambitie brandt: Israël als
8
eerste post op jouw leeftijd is scoren. Je hebt een zwak voor het onderwerp en de naïviteit te hopen dat je daar een verschil kan maken. Dat gezegd zijnde, houd je pro-Palestijnse ideeën voor jezelf als je wil. Je vertegenwoordigt de Belgische vlag, niet je eigen kruistocht.’ ‘Daar gaan we weer. Wie is hier eenzijdig? Je zal de Palestijnen nodig hebben om het Israëlisch probleem op te lossen, André. De ondersteuning van het vredesproces, dát is de officiële lijn.’ ‘Juist ja. Maar niet op jouw manier. Op hun manier. En we hebben belangen daarzo, Israëliërs van Belgische afkomst en een grote Joodse gemeenschap in Antwerpen. ‘Én Palestijnen, André. Niet zo veel, maar ze zijn er wel.’ ‘En we willen onze credibiliteit niet verliezen ten aanzien van de Amerikanen. Ik vertrouw erop dat je het onderscheid hebt leren maken tussen je persoonlijke overtuiging en de officiële lijn, anders had ik je niet voorgedragen, ondanks je kennis ter zake.’ ‘Je kent me, André. Gehoorzaam tot op het bot.’ ‘Juist ja. Alleen...’ André zuchtte theatraal. ‘Wat?!’ zei Michaël geïrriteerd, terwijl hij gadesloeg hoe de cockerspaniël snuffelend naar zijn rechtervoorwiel toe wandelde. ‘Dan is er nog die andere kwestie natuurlijk. Hoe ga je je vurige vrouw onder controle houden? ‘Onbegonnen werk.’ ‘Ze krijgt een hartaanval als ze hoort dat jij mooi weer gaat spelen met de Israëliërs. En al helemaal als ze beseft dat zij als ambassadrice geacht wordt om vier jaar lang glimlachend aan je zijde te zitten. Niet? Zij doet de tafelschikking, jij voert het woord? Dat wil ik zien.’ Michaël, enigszins opgehitst door de woorden van zijn oude mentor, zette zijn wagen weer in beweging, weg van de dubbelzinnige glimlach van het oude dametje. ‘André, je hoort jezelf te graag praten.’
9
‘Beroepsmisvorming.’ ‘Zo ongenuanceerd is Malika niet, dat weet je zelf ook na al die discussies van jullie over de islam. De vraag is of ze Israël überhaupt binnenkomt. Te veel tijd gespendeerd in de regio. Haar paspoort staat vol met Arabische stempels.’ ‘Dan vraagt ze een nieuw. Je onderschat de goede contacten tussen Israël en het Marokkaanse koningshuis, waar haar vader goede banden mee heeft, meen ik mij te herinneren. Had haar overgrootvader niet voor koning Mohammed V gewerkt vlak na zijn ballingschap op Madagaskar? ‘Jajaja.’ ‘Enne, was zij zelf niet van Joods-Marokkaanse afkomst? Iets waar de familie in Rabat niet mee te koop loopt, begrijp ik.’ ‘Bravo. Je hebt je huiswerk gemaakt, zoals steeds. Nooit onvoorbereid aan onderhandelingen beginnen, toch?! Ik krijg Malika niet mee. Je kent haar. Ze zal haar cliënten nooit in de steek laten.’ ‘Komaan zeg! Toch wel depressies genoeg in Israël, zeker?!’ ‘Daar gaat het niet om.’ ‘En niemand is onvervangbaar. Je zal haar wel overtuigen. Dan had ze maar niet met een diplomaat moeten trouwen.’ ‘Dat liedje werkt al lang niet meer. Zulke dingen beslissen we samen. Bon, André, ik ben aan het rijden en Lise zit op de achterbank. Ik bel je terug. Je zit weer op kantoor, zie ik. Ga naar huis. Het is zaterdag. De zon schijnt.’ ‘Geef haar een dikke zoen van peter André. Ik wil maandag je antwoord. Je vertrekt over twee maanden.’ ‘Ik moet nu parkeren, André.’ ‘Maandag!’ *
10
Rode, gele, bruine bakstenen huizen met bemoste dakpannen, een hondenkapsalon, een weiland, frituur Smulpaap, moestuintjes met zonnebloemen en houten tuinhuisjes; de Vlaamse lintbebouwing deed haar naam alle eer aan. ‘Wat zei peter André, papa?’ Lise klikte haar veiligheidsgordel los, wrong zich met haar smalle schouders tussen de voorzetels in en keek hem nieuwsgierig aan in de achteruitkijkspiegel. Ze had aandachtig naar zijn gesprek geluisterd. Zijn frons gebood haar weer te gaan zitten en werd, zoals gewoonlijk, genegeerd. ‘Het ging over werk, schatteke. Ik moest je een dikke zoen ge...’ ‘Én over mama.’ ‘Ja, ook een beetje over mama.’ Ze zweeg een seconde, nadenkend, kin in de hand, en zei: ‘Gaat ze kwaad worden?’ ‘Weet ik niet, liefje. Ik moet met haar praten. Ga zitten en maak je riem vast.’ Ze frunnikte aan zijn kraag en zei met een klein stemmetje: ‘Dan wordt ze meestal kwaad, als jij met haar moet praten, toch?!’ Hij draaide zich half naar haar om en reed bijna de spiegel van een geparkeerde Mercedes aan. ‘Waarom zeg je dat?’ ‘Dan gaat zij roepen en dan begin jij te fluisteren en dan gaat zij nog harder roepen. Dan zijn jullie een beetje eng, papa, als jullie dat doen. Jullie gaan toch niet scheiden, hè, zoals de ouders van Sarah?’ ‘Welnee, liefje. Dat gaat wel weer over. Soms vindt mama haar woorden niet. Dan gaat ze harder praten. Ze denkt dat ik haar dan beter begrijp.’ En dat voor een psychotherapeute, dacht hij, ze zou toch beter moeten weten. En dat was natuurlijk ook zo. Ze wist het maar al te goed. ‘En waarom ga jij dan zachter praten? En zo langzaam? Denk
11
je dan ook dat zij jou beter begrijpt? Dan trek je een raar gezicht, papa.’ ‘Omdat ik niet wil roepen. Dan wordt het alleen maar erger. Je kan beter met elkaar praten als je rustig blijft.’ Dat was gelogen. In werkelijkheid raakte hij onderkoeld bij hun discussies, sloot hij zich af, wat Malika razend maakte. En terecht. Maar haar woede duwde hem verder een hoek in van waaruit hij niet meer kon communiceren. Alsof er een zekering sprong waardoor zijn gedachten stilvielen. Samen uit die vicieuze cirkel geraken werd steeds moeilijker en elke poging ging gepaard met een groeiende moedeloosheid, alsof ze het op voorhand al hadden opgegeven. Hoe leg je zoiets uit aan je negenjarige dochter, zonder haar ongerust te maken? ‘Vind jij dan wél je woorden?’ vroeg Lise. ‘Nee hoor. Ook niet altijd. Woorden, daar moet je soms heel lang naar zoeken. Maar ik kan het beter verstoppen dan mama.’ Hij draaide zich weer naar haar om en zei met een glimlach: ‘Zeg meisje, zo vaak maken wij toch geen ruzie?’ ‘Wel waar! En daarna is het vaak heel lang stil. Dat vind ik niet leuk. Ik maak ook weleens ruzie, op school, zelfs met Sarah, maar het duurt nooit zo lang als bij jullie.’ Ze had gelijk. Het werd steeds stiller tussen hen. Gesprekken aan tafel gingen over praktische zaken, of er werd naar Lise geluisterd die uitvoerig vertelde over haar schooldag. Maar vaak hoorde je enkel het gekletter van bestek op borden, benadrukt door de galm van hun nieuwe leefkeuken. Die galm hadden ze niet verwacht toen ze de withouten keuken met het natuurstenen blad en het enorme kookeiland bestelden. Dit was de keuken waar ze zo lang naar hadden uitgekeken, de keuken die de centrale plek van het gezin moest worden. Misschien hadden ze zelfs gehoopt dat de nieuwe keuken hen weer dichter bij elkaar zou brengen, hen zou omhullen met haar samentrekkende krachten.
12
Wanneer Lise was gaan slapen, werd het nog erger. Dan bewoog hij zich naar de grijsleren zetel in de woonkamer en keek naar BBC World op hun grote led-tv, terwijl zij zich met een theetje in de bruinleren fauteuil bij de open haard nestelde en verder las in een van haar psychologieboeken. Keken ze toevallig tegelijkertijd op van hun bezigheden en kruisten hun blikken elkaar, dan was het alsof er een matglazen wand tussen hen in stond die enkel nog een schim van de ander liet zien. Dat was hun doordeweekse avond geworden. Een grote wolk schoof voor de zon en dompelde het voorbijglijdende landschap nu in grijsheid. Hij voelde somberte opkomen. Hij moest niet overdrijven. Het was niet altijd zo. Hij keek in de achteruitkijkspiegel naar zijn dochter. Het had geen zin om hier nu op door te gaan. ‘Grote mensen zijn soms een héél klein beetje koppiger dan kinderen’, zei hij, terwijl zijn linkerhand kietelend naar haar ribben greep. Ze slaakte een gilletje en plofte de achterbank op. * Het thema was ‘lila’ dit jaar. ‘Daar doe ik niet aan mee,’ had Malika gezegd, ‘ik houd niet van lila. En het helpt toch niet: zo’n kleurloze boel kan je niet opfleuren. Zand spuwende monden op een kluitje, die familiefeesten van jullie, meer is het niet. Allemaal ruis.’ Hij had het haar vergeven, natuurlijk. Ze miste Marokko, de vanzelfsprekende warmte van haar eigen familie. Dat was bij de familie Mertens ondenkbaar. En ze was na drie glazen merlot al aangeschoten geweest, die lenteavond achter in de tuin, onder de uitbloeiende, witte kerselaar. De mildheid van haar gestolen lijfspreuk (the things we talk about when we talk about love),
13
bedwelmd door de alcohol, haar frustraties aangewakkerd door de cassante opmerkingen van André – niks leuker dan een avondje borrelen met een cynische diplomaat op leeftijd. Na twaalf jaar familie Mertens realiseerde ze zich dat ze altijd ‘die Marokkaanse’ zou blijven en had ze besloten alle leden van die familie over dezelfde kam van de grijze, Vlaamse klei te scheren. Michaël had er toen nauwelijks oor naar gehad, misschien te weinig. Want nu hij hier stond, voor de drempel van het feest, had hij een droge mond en waren het haar woorden die door zijn hoofd dreunden. Zand spuwende monden op een kluitje. Allemaal ruis. Hij draaide zich om en keek naar zijn nieuwe A6. De zwarte koets die hem van dit ongewenste bal kon wegvoeren, ogenblikkelijk, met de snelheid van tweehonderdveertig paarden, glom als een onbereikbare reddingsboei aan de overkant van de straat, in de opnieuw schijnende lentezon. Met een zucht keek hij weer voor zich uit en stond plots oog in oog met de rode, rechthoekige bril en het korte stekelhaar van de dienstdoende ober. Die had geruisloos de deur opengedaan. Zijn omhooggetrokken wenkbrauwen maanden Michaël aan tot actie. Hij kon het niet meer uitstellen zonder geplogenheden te doorbreken. Iets wat hij exact had leren inschatten. Hij dwong zichzelf de drempel over, weifelend, met voor zijn geestesoog een opdrogende poel spartelende meervallen. En daar was ze. Niet weg te denken op gelegenheden waar hij plichtmatig en tegen zijn zin zijn tanden ontblootte. De grijns zette zich op zijn gelaat vast terwijl hij de gang betrad. Zijn poging om spontaan te glimlachen, warmte en vriendelijkheid uit te stralen, werd door zijn kaakspieren afgewezen. Voor hen viel er niets te lachen. Zou ze zijn gezicht vertekenen, met de jaren, zijn kaken vastzetten tot een eeuwige grimas die hij meenam in zijn kist? Doe niet zo dramatisch. ‘Papa?!’ Zijn dochter, gedurende al die kolkende gedachten
14
aan zijn hand, keek hem met ogen vol ongeduld en bezorgdheid aan. Hij knielde voor haar neer, gaf haar een kus, ging weer staan en trok zijn das strakker aan. ‘Kom!’ zei hij vastberaden. ‘We gaan feesten.’ * Het restaurant was leeg en de terrasdeuren stonden open. Het was aangenaam warm die dag, dus werd het aperitief buiten geserveerd. Hij nam de ruimte in zich op. Oude, eikenhouten balken met sporen van houtworm aan het wit gestukte plafond, een grote dorsvlegel aan de witte muur, roodgebakken tegels op de vloer; er was alles aan gedaan om de lange geschiedenis van de hoeve te benadrukken. Ze waren met een zestigtal deze keer, schatte hij aan de hand van de stijlvol gedekte, ronde, witte tafels. Kristallen glazen, drie op een rij, met kunstig gevouwen lila servetten in de grootste. Witte borden, veel bestek, duidend op een lange zit. Bloemstukken van lila rozen in het midden. Het zag er licht en ruimtelijk uit. Misschien was het allemaal zo erg niet, best gezellig eigenlijk. In de hoek naast de terrasdeur stond een zwarte vleugel, met de klep open. Een Steinway! Dat zou Malika plezier doen, wist hij. Elk mooi instrument was voor haar een ontdekkingsreis. Blijkbaar stond er toch iemand in de ruimte, want net buiten zijn gezichtsveld ving hij boven het geroezemoes van het terras een bekende stem op. Hij draaide zich half om, in de richting van de stem, en zag haar staan. De vrouw in kwestie, die zijn binnenkomst al had opgemerkt, knikte hem met een vlak gezicht van opzij toe, zijn aankomst notulerend zonder haar broze silhouet van positie te veranderen of haar conversatie te onderbreken. Hij waande zich even op een van die recepties waar de
15
groet door sommigen zorgvuldig gekozen werd volgens rang: een knikje voor de nobody’s. Het knikje kwam deze keer van zijn moeder, en hij had het reflexmatig met een glimlach beantwoord voor hij zichzelf kon tegenhouden. Als kind al ketsten zijn vragende ogen af op haar ongenaakbare houding. Toen hij acht jaar oud was, kwam hij een keer met geschaafde knieën thuis omdat grotere jongens hem van zijn nieuwe BMX hadden geduwd op het pleintje voor hun deur. Hij wist al dat hij niet moest huilen, want daar ergerde ze zich aan. Toen er toch tranen van verontwaardiging en woede opwelden, zei ze dat hij zich niet zo moest aanstellen en duwde ze hem een flesje jodium in zijn handen. Schoonmaken die boel, geen gejengel aan mijn hoofd. Die dag besloot hij nooit meer in haar bijzijn te huilen. Voortaan huilde hij op voorhand, in zijn eentje, en veegde hij zijn vuilbetraande wangen af bij de oude, groene, gietijzeren waterpomp in de garage. Al snel besloot hij ook om haar zo weinig mogelijk te vertellen. Dat lag in de lijn der dingen. Wie je tranen niet wil zien, heeft geen recht op je verhaal. Waarom hij op zijn tiende Kristof Meelis midden in de wiskundeles een kopstoot had gegeven, interesseerde haar niet en kwam ze ook nooit te weten. Wel werd hij ervoor gestraft. Hij mocht twee maanden niet buiten spelen, en onderging in stilte. Het was de geboorte van zijn doorzettingsvermogen. Dat hij steeds minder thuis was, zelfs voor het avondeten, leek haar nauwelijks op te vallen. Ze zat urenlang gekluisterd aan de tv naar haar dagelijkse soaps te kijken, met haar blote voeten op de lage, glazen salontafel en een halflege fles porto op het bijzettafeltje. Zo vond hij haar snurkend voor de oplichtende beeldbuis wanneer hij laat thuiskwam, en zo liet hij haar liggen. Uren later, midden in de nacht, hoorde hij haar de trap opstrompelen, naar haar slaapkamer. ’s Ochtends was hij al weg, naar school, voor ze haar roes had uitgeslapen. Ze voorzag
16
altijd iets te eten voor hem, wat hij in de koelkast, in de pan of in de oven terugvond, maar verder ging er soms bijna een hele schoolweek voorbij zonder dat ze elkaar gesproken hadden. Hij vond het prima zo. Die vrijheid was een welgekomen bijproduct van de leegte die ze niet kon opvullen. Het leek de enige afspraak die haalbaar was voor haar – ik mijn onbereikbaarheid, jij je vrijheid – en hij berustte in dat stilzwijgende pact omdat er buitenshuis zo veel horizonten voor hem opengingen. Het najagen van horizonten, daarin ging hij zijn vader achterna. Als kapitein ter lange omvaart was hij zo afwezig, dat het bij Michaël geen gedachten opriep. Hij was simpelweg opgegroeid zonder vader, en af en toe kwam er een man bij hen op bezoek met bloemen voor zijn moeder en een cadeautje voor Michaël uit een ver land. Dan bleef hij eten en maakte een wandeling met zijn zoon. Elk jaar kwam hij hem halen om met zijn tweeën naar de Sinksenfoor te gaan en één of twee keer per jaar bleef hij ook slapen in hetzelfde bed van zijn moeder. Verder had hij zijn eigen appartement op het Eilandje, met uitzicht op het Willemdok. In de lente kwam hij ook steevast een paar dagen aan zijn Harley Davidson sleutelen om ermee te kunnen rondrijden. De rest van het jaar stond de motor in een hoek van de garage, onzichtbaar gemaakt onder zware, grijze dekens. Meer sporen waren er eigenlijk niet van hem in huis, alsof het pand in zijn afwezigheid bewust ontsmet was van zijn bestaan, en de motor als laatste getuige op de rand van hun wereld stond weg te kwijnen. Dat was wellicht de meest bepalende factor geweest voor zijn moeder: een man die haar kon onderhouden zonder in de weg te lopen. Op de zwart-witfoto’s van hun huwelijk kon hij zien waarom een man in die val zou trappen: in haar ouderwetse bruidsjurk met kanten sluier had ze een Grace Kelly-achtige schoonheid gehad, met haar halflange, blonde haar en koele, wellicht toen al groenblauwe oogopslag. Het soort vrouw dat
17
met één blik de mannen in haar gezichtsveld stuurt, zonder met haar vingers te hoeven knippen. Het is een wonder dat hij überhaupt verwekt is, zo snel werd de huwelijkse coïtus tussen hen gestaakt. Dat dat tot dramatische taferelen had geleid, wist hij van zijn vader. Tot wanhoop gedreven had hij op een ochtend gedreigd uit het vensterraam te springen, een gewisse dood tegemoet. Ze woonden in die tijd nog in een appartementje op de vijfde verdieping van een statig herenhuis op de Frankrijklei. Zij was in alle kalmte naar het raam gestapt, had het opengezet en met gesloten ogen de ochtendlucht met de geur van koosjere warme broodjes opgesnoven. Vervolgens had ze zich omgedraaid en met een tango-achtige pas en een uitgestreken gezicht een stap opzij gezet, de weg voor hem vrijmakend naar het raam toe. Zijn verbijstering was zo groot geweest, dat ze daar een halve minuut roerloos hadden gestaan, in de slaapkamer, met het lawaai van het voorbijrazende verkeer en de ruisende bladeren van de oude eikenbomen voor het raam. Toen had hij zich aangekleed en was weggegaan zonder een woord te zeggen. De vraag is wat er op dat moment in haar omging, natuurlijk. Was het pure koelte, of haar manier om hem uit zijn hysterische bui te halen? Was het instinct? Weigerde ze aan zijn emotionele chantage toe te geven? Wist ze het zelf wel? Hij zou het haar nooit vragen, Michaël ook niet, en daarmee bleef het een feit waar ieder het zijne van kon maken. Hij was niet meteen bij haar weggelopen, maar het was wel een omslagmoment geweest. Hij staakte zijn pogingen om dichterbij te komen en ging op zoek naar een appartement om alleen te kunnen zijn in de weinige maanden dat hij in de stad was, weg van vrouw en kind. Ook voor hem werd het een verstandshuwelijk. Scheiden deden ze pas vele jaren later, na de mosselen. Zodra hij achttien geworden was, ging ook Michaël op
18
kamers wonen. Dat ze hem dat kwalijk nam – hij had zich afgevraagd of ze het überhaupt zou opmerken – verwonderde hem, en liet vermoeden dat ze misschien toch enigszins aan hem gehecht moest zijn, maar dan op een vreemde, onnaspeurbare wijze, die misschien alleen een vrouw zou opvallen. Zelf had ze nooit universitaire studies gedaan, dus ging ze ervan uit dat hij dat ook niet zou kunnen. Hij moest maar een degelijk vak leren om snel te gaan werken. Loodgieters en elektriciens verdienden goed de kost. Er ging altijd wel iets kapot. Het was een kromme redenering die als gevolg had dat hij zich achter haar rug inschreef aan de faculteit Psychologie en Pedagogi sche Wetenschappen van de KULeuven. Hij wilde psycholoog worden. Op een zonnige zondag in september, rond de tijd dat zijn moeder zoals gewoonlijk was gaan bridgen op de Konink lijke Tennisclub Den Brandt in Wilrijk, raapte hij samen met zijn boezemvriend Bert zijn kleren, zijn pick-up, zijn strips en zijn platenverzameling bijeen, gooide die in de achterbak van diens gammele, knalrode Golf, en trok de deur achter zich dicht om nooit meer terug te komen. Het zou de eerste van een lange rij beslissingen worden waarbij hij weigerde achterom te kijken. Als je voor je uit blijft kijken, zie je niet wat je achterlaat, ook niet het puin. En puin was er. In Leuven aangekomen deed hij, bij gebrek aan financiering, aan wat hij ‘kothopping’ noemde, al had het even goed ‘kuthopping’ kunnen heten, zoals hij om de paar weken van het ene lief naar het andere zwierf. Zijn melancholische onbereikbaarheid maakte hem razend populair bij het type vrouwen die hem wilden redden vanuit hun eigen ‘geparentificeerdheid’, een term die hij al snel had opgepikt tijdens zijn studies. Ze zouden hem wel leren wat liefde is, hoe hij moest knuffelen. Hij kwam steeds ongeschonden weg, net op tijd, voor het meisje in kwestie de echt lastige vragen begon te stellen, de vragen die te dicht op zijn huid zaten en waarmee aan zijn buitenste
19
schil werd geprutst. Daar kreeg hij letterlijk de kriebels van. Ze leden aan hoogmoedswaanzin, de vrouwen die dachten dat hij zijn vrijheid voor hen zou opgeven. Niemand nam hem nog zijn vrijheid af. Eenmaal zijn moeder van de shock was bekomen en ze weer on speaking terms waren met elkaar – wat beperkt werd tot een kort, maandelijks telefoongesprek en een bezoek op zijn verjaardag – wilde ze zijn studie bekostigen. Hij weigerde haar geld en verdiende op eigen kracht bij door nachtenlang pita’s te snijden in Papa’s Kitchen op de Grote Markt. Daar deed hij meer mensenkennis op dan in de Leuvense aula’s. Die ‘Turkenjob’ van hem vond zijn moeder beneden hun stand, dus hield hij het vijf jaar vol, tot hij afgestudeerd was. Hij had iets gevonden om haar te tergen. Tijdens de vele nachten pita’s snijden, werd hij ondergedompeld in de levensverhalen van de Marokkaanse eigenaar en de Marokkaanse en Turkse collega’s. Niet zozeer de verhalen over hoe ze in België verzeild waren geraakt, maar die over hun thuisland raakten een snaar in hem, deden een hunkering naar elders in hem ontstaan. Het is in de geur van pitavlees en knoflooksaus dat zijn interesse voor Turkije en Marokko werd geboren. Hij las alles wat los en vast zat over die landen. Sneeuw van Orhan Pamuk werd zijn lievelingsroman, Malika Oufkir – de naam is puur toeval – zijn heldin. Hij ontsnapte een paar keer ternauwernood aan de klauwen van een ziedende oudere broer die banden had met de Grijze Wolven. Hij bezocht Istanboel, het kustgebied rond Izmir, Fez, Casablanca, het Atlasgebergte, hij volgde Turkse en Marokkaanse les en hing regelmatig rond in Turkse en Marokkaanse cafés in Leuven, Antwerpen of Borgerhout, steeds meer vanuit een ongrijpbare passie voor beide, totaal verschillende culturen, steeds minder met als doel om een reactie bij zijn moeder uit te lokken. Dat Marokko zich zo met hem zou versmelten, wist hij toen nog niet.
20
Hij was een slechte student. Hij ging nauwelijks naar de lessen en begon veel te laat de examenstof te studeren. Liever filosofeerde hij over de zin van de psychologie met zijn kleine, trouwe vriendenkring in café Erasmus, recht tegenover de faculteit Wijsbegeerte. Het waren de gestolen uren die opgingen aan discussies over filosofen als Nietzsche, Schopenhauer, Heidegger en Husserl, en hun invloed op psychologen als Jung, Freud, Seligman en Yalom, die reliëf gaven aan zijn studententijd, die bleven hangen in zijn hoofd als vormende gedachtestructuren. Al de rest was canvas. Tijdens het eerste jaar werd duidelijk dat die hele psychologiestudie niet tot het verhoopte resultaat zou leiden. Ook meer gerichte lectuur in de stoffige psychologiebibliotheek met het blauwe tapijt en de lange rijen grijze boekenkasten bracht geen verheldering. Integendeel, naarmate hij ouder werd, begreep hij zijn moeder steeds minder en werd zijn eigen bestaansreden steeds onduidelijker. De vele theorieën over de menselijke ziel vergrootten enkel het mysterie en leidden slechts tot één conclusie: hij kende zijn moeder niet. Hij wist bijna niets over haar, en daarmee eigenlijk niets over zichzelf. Hij dwaalde rond in haar bodemloze wereld zonder te weten wie de bodem had weggeslagen. Dus studeerde hij er internationale politiek bij, niet om zijn zoektocht naar antwoorden te staken, maar misschien om hem wat minder persoonlijk te maken. Het had iets troostends wat meer van de wereld te begrijpen. Daar liep ook van alles mis en erover nadenken was minder pijnlijk, het doordenken van de consequenties minder angstaanjagend. Het was een intellectueel spel, iets waar je toch geen vat op had, en die machteloosheid kon je jezelf niet verwijten. Naarmate de gelaagdheden van de internationale relaties zich voor hem ontvouwden, raakte hij er steeds meer door gebeten. Bretton Woods, de Koude Oorlog, de Europese Economische Gemeenschap, het koloniale verleden
21