Klinische hematologie
Marc Boogaerts Gregor Verhoef
Klinische hematologie
Derde volledig herziene druk: januari 2015 Tweede druk: augustus 2011 Eerste druk: augustus 2010 D/2015/45/108 – ISBN 978 94 014 2161 4 – NUR 871 Vormgeving cover: Studio Lannoo / Keppie & Keppie Vormgeving binnenwerk: Jurgen Leemans © Marc Boogaerts & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
inhoudstafel Hoofdstuk 1 Hematologische diagnostiek 1.1
1.2
1.3
1.4
1.5
1.6
Automatische celtelling van bloed 13 1.1.1 Algemeen 13 1.1.2 Principes 14 1.1.3 Voorbeeld 16 Cytologisch onderzoek van bloed en beenmerg 17 1.2.1 Cytologisch onderzoek van bloed 17 1.2.2 Cytologisch onderzoek van beenmerg 21 1.2.3 Algemeen besluit cytologie 27 Immunofenotypering van bloed- en beenmergcellen 28 1.3.1 Achtergrond en principe 28 1.3.2 Indicaties voor hematologische immunofenotypering 30 1.3.3 Voorbeeld: acute myeloïde leukemie (AML) met translocatie (8;21) 30 Hematologische biochemie 31 1.4.1 Algemeen 31 1.4.2 Diagnostiek van hemoglobinopathieën 31 1.4.3 Diagnostiek van afwijkingen van de rodebloedcelmembraan 35 1.4.4 Diagnostiek van afwijkingen van de rodebloedcelenzymen 36 Cytogenetische en moleculaire onderzoeken bij kwaadaardige hematopoëtische aandoeningen 36 1.5.1 Cytogenetisch onderzoek 37 1.5.2 FISH 39 1.5.3 PCR 40 1.5.4 Nieuwe technologieën 42 Diagnostische hematopathologie 43 1.6.1 Biopsiename van de lymfeklier 43 1.6.2 De interpretatie van een lymfeklierbiopsie 44 1.6.3 De interpretatie van een botboorbiopsie 46 1.6.4 Aanvullende moleculaire technieken 47 Addendum: lijst van de lymfoomentiteiten opgenomen in de WHOclassificatie 49
Hoofdstuk 2 Anemie 2.1 2.2
11
Overzicht van de anemieën Erfelijke anemieën
51 53 56
6
klinische hematologie
2.3
2.2.1 De thalassemieën 2.2.2 Sikkelcelanemie 2.2.3 Andere hemoglobinopathieën 2.2.4 Aangeboren membraanafwijkingen van de rode bloedcel 2.2.5 Aangeboren enzymafwijkingen van de rode bloedcel 2.2.6 Congenitale dyserytropoëtische anemie (CDA) 2.2.7 Diamond-Blackfan-anemie 2.2.8 De erytropoëtische porfyrieën Verworven anemieën 2.3.1 Ferriprieve of ijzergebrekanemie 2.3.2 Megaloblastische anemie 2.3.3 Andere nutritionele anemieën 2.3.4 Anemie bij chronische aandoeningen of secundaire anemie 2.3.5 Verworven hemolytische anemieën
Hoofdstuk 3 Leukopenie, leukocytaire disfuncties en leukocytose 3.1 Overzicht 3.2 Neutropenie, granulopenie en agranulocytose 3.2.1 Niet-medicatiegeïnduceerde neutropenieën 3.2.2 Medicatiegeïnduceerde neutropenieën 3.3 Lymfopenie 3.4 Monocytopenie 3.5 Leukocytaire disfunctie 3.6 Leukocytose 3.6.1 Neutrofiele leukocytose 3.6.2 Eosinofiele leukocytose 3.6.3 Basofiele leukocytose 3.7 Monocytose 3.8 Lymfocytose
Hoofdstuk 4 Trombocytopenie en -pathie 4.1 Trombocytopenie 4.1.1 Deficiënte plaatjesproductie 4.1.2 Overmatige bloedplaatjesafbraak 4.1.3 Sekwestratie en dilutie van bloedplaatjes
56 59 62 62 65 65 66 66 66 66 69 74 74 75
87 89 93 94 96 97 98 98 100 100 100 101 101 101
103 105 105 106 109
inhoudstafel 7
4.2 Trombocytopathie 4.2.1 Hereditaire trombocytopathieën 4.2.2 Verworven trombocytopathieën
Hoofdstuk 5 Bloedstolling 5.1 5.2 5.3
5.4
5.5
Fysiologie van de bloedstolling Laboratoriumanalyse bij hemostaseaandoeningen Aangeboren bloedingsziekten 5.3.1 De ziekte van von Willebrand 5.3.2 Hemofilie 5.3.3 Overige stollingsfactordeficiënties Verworven stollingsstoornissen 5.4.1 Vitamine K-tekort 5.4.2 Leverlijden 5.4.3 Antistofgemedieerde bloedingsneiging 5.4.4 Diffuse intravasale stolling Onderzoek bij verhoogde bloedingsneiging
Hoofdstuk 6 Aandoeningen van de hematopoëtische stamcel 6.1 Beenmergaplasie 6.1.1 Aplastische anemie 6.1.2 Aplastische crisis 6.1.3 Pure red cell aplasia (PRCA) 6.2 Myelodysplasie 6.2.1 Primaire myelodysplasie 6.2.2 Secundaire myelodysplasie 6.3 Myeloproliferatieve neoplasieën 6.3.1 Polycytemia vera (PV) 6.3.2 Essentiële trombocytose (ET) – primaire trombocytemie 6.3.3 Primaire myelofibrose 6.3.4 Chronische myeloïde leukemie 6.3.5 Systemische mastocytose
110 110 110
111 113 114 118 118 119 122 122 122 123 123 124 125
127 130 130 134 134 135 135 139 140 141 143 145 146 150
8
klinische hematologie
Hoofdstuk 7 Acute Leukemie 7.1 Leukemogenese 7.2 Indeling der leukemieën 7.3 Prognostische factoren 7.3.1 Acute lymfatische leukemie (ALL) 7.3.2 Acute myeloïde leukemie (AML) 7.4 Behandeling 7.4.1 Conventionele chemotherapie 7.4.2 Supportieve therapie 7.5 Behandeling van acute leukemie op oudere leeftijd 7.6 Acute leukemie bij kinderen en adolescenten
Hoofdstuk 8 Lymfadenopathie en lymfomen 8.1
Adenopathieën: differentiële diagnose 8.1.1 Anamnese 8.1.2 Lichamelijk onderzoek 8.1.3 Laboratorium 8.1.4 Beeldvormende technieken (echografie, CT-, PET-scan, NMR) 8.1.5 Biopsie 8.2 Hodgkinlymfoom 8.2.1 Etiologie en pathogenese 8.2.2 Histopathologie 8.2.3 Symptomen 8.2.4 Diagnose en stagering 8.2.5 Prognostische factoren 8.2.6 Behandeling 8.3 Non-hodgkinlymfomen 8.3.1 Histopathologie 8.3.2 Immunologische en cytogenetische klassering 8.3.3 Symptomen 8.3.4 Diagnose en stagering 8.3.5 Behandeling 8.3.6 Mantelcellymfoom (MCL) 8.3.7 Marginalezonelymfoom (MZL) 8.4 Chronische lymfatische leukemie (CLL) 8.4.1 Hairy cell-leukemie (HCL)
151 154 154 155 155 156 158 158 160 162 163
165 167 168 169 169 170 171 171 171 172 173 173 175 175 177 177 178 179 180 181 185 185 186 190
inhoudstafel 9
Hoofdstuk 9 Monoklonale gammopathieën 9.1
9.2 9.3 9.4
Multipel myeloom – ziekte van Kahler 9.1.1 Eerstelijnstherapie 9.1.2 Stamceltransplantatie 9.1.3 Radiotherapie 9.1.4 Behandeling van recidieven 9.1.5 Supportieve therapie Primaire amyloïdose – immunoglobulinegereleerd amyloïde Ziekte van Waldenström – Macroglobulinemie Monoklonale gammopathie van onbekende betekenis (monoclonal gammopathy of undetermined significance, MGUS) – benigne monoklonale gammopathie
Hoofdstuk 10 Klinische transfusie 10.1 Het gebruik van bloed en bloedderivaten 10.1.1 Rodebloedceltransfusies 10.1.2 Bloedplaatjestransfusies 10.1.3 Granulocytentransfusies 10.1.4 Plasma en plasmaderivaten 10.1.5 Kunstbloed 10.2 Transfusiereacties 10.2.1 Immunologische reacties 10.2.2 Niet-immunologische reacties 10.3 Aferese 10.3.1 Definitie en techniek 10.3.2 Indicaties 10.4 Hemovigilantie en (verpleegkundige) aandachtspunten bij bloedtransfusie 10.4.1 Definitie 10.4.2 Traceerbaarheid van bloedcomponenten 10.4.3 Ziekenhuisbloedbank 10.4.4 Transfusiecomité in het ziekenhuis 10.4.5 Belangrijke (verpleegkundige) aandachtspunten bij bloedtransfusie 10.4.6 Bewaring van bloedcomponenten 10.4.7 Transport van bloedcomponenten 10.4.8 Toediening van bloedcomponenten
193 195 199 199 199 200 200 202 202
203
205 207 207 213 214 215 218 219 219 224 225 225 226 228 228 228 229 229 229 229 230 231
10
klinische hematologie
Hoofdstuk 11 Stamceltransplantatie 11.1 Indicaties 11.2 Procedure 11.3 Verwikkelingen 11.4 Graft-versus-hostziekte (GVHD) 11.4.1 aGVHD 11.4.2 cGVHD 11.4.3 Overlap-GVHD 11.5 Herval van ziekte 11.6 Posttransplantlymfoproliferatieve ziekte
Hoofdstuk 12 Integrale verpleegkundige zorg voor de hematologische patiënt 12.1 12.2 12.3 12.4 12.5
Verpleegkundige aspecten in de zorg voor de hematologische patiënt Multidisciplinaire samenwerking Diagnose, behandeling en symptoomzorg Zorg voor de kritieke infectievatbare patiënt Zorg voor de veneuze toegangsweg 12.5.1 Indicaties voor het chirurgisch plaatsen van een katheter 12.5.2 Plaatsing 12.5.3 Katheterproblemen 12.6 Ethiek 12.7 Palliatieve zorg
Auteurslijst
233 236 238 241 242 242 243 245 245 245
247 249 249 250 252 254 254 255 256 260 261
263
Hoofdstuk 1
Hematologische diagnostiek
Hoofdstuk 1
Hematologische diagnostiek Hoofdstuk 2
Anemie Hoofdstuk 3
Leukopenie, leukocytaire disfuncties en leukocytose
1.1 Automatische celtelling van bloed 1.2 Cytologisch onderzoek van bloed en beenmerg 1.3 Immunofenotypering van bloeden beenmergcellen 1.4 Hematologische biochemie
Hoofdstuk 4
Trombocytopenie en -pathie Hoofdstuk 5
Bloedstolling Hoofdstuk 6
Aandoeningen van de HEMATOPOËTISCHE stamcel Hoofdstuk 7
Acute Leukemie Hoofdstuk 8
Lymfadenopathie en lymfomen Hoofdstuk 9
Monoklonale gammopathieën Hoofdstuk 10
Klinische transfusie Hoofdstuk 11
Stamceltransplantatie Hoofdstuk 12
Integrale verpleegkundige zorg voor de hematologische patiënt
1.5 Cytogenetische en moleculaire onderzoeken bij kwaadaardige hematopoëtische aandoeningen 1.6 Diagnostische hematopathologie
hematologische diagnostiek 13
1.1 Automatische celtelling van bloed 1.1.1 Algemeen Initieel werd voor de telling van bloedcellen in bloedstalen gebruikgemaakt van een microscoop en een telkamer. Die methode was echter tijdrovend, bevatte talrijke foutenbronnen en was bovendien onhygiënisch door de vele manipulaties. Met de komst van de automatische celtellers werd die manuele methode verlaten. Ook de van oudsher gebruikte manuele methemoglobinecyanidemethode voor de meting van hemoglobine werd in die toestellen geoptimaliseerd.
Afbeelding van een automatische celteller (Sysmex XE 5000).
Tegenwoordig is er een breed gamma aan geautomatiseerde celtelapparatuur op de markt waarbij, afhankelijk van het type, acht tot meer dan honderd parameters kunnen gegenereerd worden die gerelateerd zijn aan rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes. De belangrijkste zijn: • het aantal rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes, • de witte bloedceldifferentiatie, • de concentratie hemoglobine, • het volume aan rode bloedcellen in volbloed (hematocriet), • het gemiddelde volume van de rode bloedcellen (MCV), • de gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per rode bloedcel (MCH), • de gemiddelde concentratie hemoglobine per rode bloedcel (MCHC). Die geautomatiseerde celtellingen leiden niet alleen tot een sneller resultaat (< 1 minuut/staal), het aantal getelde cellen is ook vele malen hoger dan bij een manuele methode, wat de precisie van die metingen ten goede komt. Daarenboven zijn de meeste apparaten uitgerust om het bloedstaal te identificeren aan de hand van een barcodelezer, vervolgens te mengen, automatisch te doorprikken en het juiste staalvolume op te zuigen (100 à 200 μL). Staalverwisselingen en staalmanipulaties worden op die manier tot een minimum herleid.
14
klinische hematologie
1.1.2 Principes Afhankelijk van de complexiteit van het toestel wordt het opgezogen staal verdeeld over twee of meer afzonderlijke meetkanalen voor analyse. Alle parameters die door die toestellen gegenereerd worden, worden gemeten of berekend op basis van de meting van hemoglobine enerzijds en de telling van de bloedcellen en hun indeling volgens grootte anderzijds. Voor dat laatste paste een Amerikaanse wetenschapper, Wallace Coulter, als eerste het impedantieprincipe toe. In de moderne toestellen wordt dat principe meestal aangevuld met lichtverstrooiingstechnieken en eventuele fabrikantspecifieke technologieën. Elk van die principes vereist wel het gebruik van hydrodynamische focussering, waarbij twee concentrische vloeistofstromen met verschillende snelheid bewegen om ervoor te zorgen dat de bloedcellen één voor één de desbetreffende detector passeren. i. Hemoglobinemeting Het meetkanaal voor hemoglobine maakt gebruik van colorimetrie als meetprincipe. Na lysis van de rode bloedcellen met vrijzetting van de hemoglobine, wordt in de meeste moderne toestellen zeer snel een stabiel methemoglobinederivaat gevormd. Dat derivaat kan fotometrisch gemeten worden bij een specifieke golflengte (540 nm). Ook mogelijke interferenties worden in de moderne analyzers tot een minimum beperkt. ii. Impedantie Bloedcellen, gesuspendeerd in een elektrolytoplossing, veroorzaken een verschil in elektrische weerstand of impedantie wanneer ze passeren door een meetopening waarover een potentiaalverschil bestaat. Elke passage van een bloedcel door die opening wordt vertaald in een kortstondige stroompuls. Op die manier komt een telling tot stand. De grootte van de stroompuls staat daarenboven rechtstreeks in verhouding tot de grootte van de getelde bloedcel. Die meting wordt weergegeven aan de hand van frequentiehistogrammen.
Afbeelding van een frequentiehistogram van de rode bloedcellen (“RBC”) en de bloedplaatjes (“PLT”). Daarbij wordt de grootte uitgezet ten opzichte van het relatieve aantal.
hematologische diagnostiek 15
In theorie kunnen zowel de rode bloedcellen, de witte bloedcellen als de bloedplaatjes geteld worden via het impedantieprincipe. Ook een meting van de grootte van de cellen is mogelijk. Bij de meeste toestellen zullen de afgeleide parameters zoals MCV, MCH, MCHC en hematocriet eveneens voortkomen uit dat meetprincipe. iii. Lichtverstrooiing Bloedcellen zullen bij passage door een laserstraal licht verstrooien. Ook op die basis kan een telling bekomen worden. Daarnaast levert die lichtverstrooiing bijkomende informatie op door te meten onder verschillende hoeken. Voorwaartse lichtverstrooiing is gerelateerd aan de grootte van de bloedcel, zijwaartse verstrooiing aan de granulariteit en interne structuur (kern) van de cel. Het principe van de lichtverstrooiing van bloedcellen ligt aan de basis van de differentiële telling van witte bloedcellen, maar vereist additionele analyseprincipes om tot een volledige differentiatie in vijf fracties (neutrofielen, eosinofielen, basofielen, monocyten, lymfocyten) te komen. iv. additionele meetprincipes Bijkomende meetprincipes zijn noodzakelijk om tot een volledige differentiatie te komen. Welk principe wordt toegepast, is afhankelijk van de fabrikant. Enkele voorbeelden zijn de combinatie van lichtverstrooiing en conductiviteit (met toepassing van hoogfrequente elektromagnetische stroom), de combinatie van lichtverstrooiing met fluorescentie flowcytometrie (met polymethine als fluorochroom), de combinatie van lichtverstrooiing en peroxidaseactiviteit en de combinatie van lichtverstrooiing en ge(de)polariseerde lichtverstrooiing. Daarnaast beschikken de huidige modellen meestal over aparte kanalen en meetprincipes om immature witte bloedcellen, gekernde rode bloedcellen en reticulocyten op te sporen en te kwantificeren. Al die metingen worden meestal weergegeven in scattergrammen.
Afbeelding van scattergrammen voor de detectie en kwantificatie van immature witte bloedcellen (“IMI”, rode wolk) en gekernde rode bloedcellen (“NRBC”, fuchsia wolk). Respectievelijk wordt impedantie (DC) daarbij tegenover radiofrequente elektromagnetische stroom (RF) en zijwaarts verstrooide fluorescentie (SFL) tegenover voorwaartse lichtverstrooiing (FSC) uitgezet.
16
klinische hematologie
Tenslotte kunnen automatische celtellers niet alle significante abnormaliteiten herkennen die wel waarneembaar zijn bij een microscopisch onderzoek. Die toestellen zijn enerzijds ontworpen om accurate en precieze bloedceltellingen te genereren daar waar de normale bloedcelpopulaties aanwezig zijn. Anderzijds kunnen die instrumenten de gebruiker waarschuwen bij aanwezigheid van aberrante bloedcelpopulaties (voorbeelden: blasten, immature witte bloedcellen, atypische lymfocyten …) of bij belangrijke kwantitatieve afwijkingen (voorbeelden: forse leukocytose, diepe leukopenie, basofilie, eosinofilie …). In de beide gevallen is een microscopisch nazicht aangewezen. Het aangeven van dergelijke, afwijkende bloedstalen noemt men ‘vlaggen’.
1.1.3 Voorbeeld
Afbeelding van een volledig rapport van een automatische celteller van een bloedstaal met leukemische cellen (acute myeloïde leukemie met translocatie (8,21)).
hematologische diagnostiek 17
Een rapport van een automatische celteller van een staal van een patiënt met een acute myeloïde leukemie (AML) met translocatie (8,21) is hierboven terug te vinden. Naast de kwantitatieve meetgegevens worden ook de scattergrammen en frequentiehistogrammen weergegeven die leiden tot dit rapport. Linksboven krijgt dit staal een positieve ‘vlag’, als waarschuwing voor de gebruiker. Onderaan worden de mogelijke afwijkingen, gerangschikt per bloedcelsoort, weergegeven. Nazicht van het scattergram van de witte bloedceldifferentiatie (‘DIFF’) en het scattergram voor de detectie en kwantificatie van immature witte bloedcellen (“IMI”) op dit rapport, leert dat er meerdere cellen aanwezig zijn van vermoedelijk immature en/of aberrante oorsprong. Dit staal dient men derhalve uit te strijken om het vervolgens microscopisch te beoordelen.
1.2 Cytologisch onderzoek van bloed en beenmerg 1.2.1 Cytologisch onderzoek van bloed i. Doelstelling van het cytologisch onderzoek Cytologische (morfologische) analyse van perifeer bloed onder de lichtmicroscoop is een belangrijk diagnostisch hulpmiddel voor de clinicus. De huidige generatie bloedceltellers biedt een vrij complete analyse van het perifere bloed en veelal een vijf- tot zes-part-leukocytendifferentiatie. Gezien echter de technische tekortkomingen in het herkennen van aberrante cellen of afwijkende bloedcelmorfologie, is een bijkomend cytologisch onderzoek van het perifere bloed in sommige situaties noodzakelijk. ii. Aanmaak en kleuring van bloeduitsrijkjes Bij bloedafname wordt bij voorkeur EDTA gebruikt als anticoagulans. Binnen de twee à vier uur na de staalafname dient het bloeduitstrijkje gemaakt te worden om artefacten in vitro te vermijden. Vervolgens wordt het uitstrijkje gefixeerd met methanol en gekleurd (May-Grünwald Giemsa-kleuring).
Afbeelding van een ongekleurd en gekleurd uitstrijkje.
18
klinische hematologie
iii. Cellulaire elementen van het perifere bloed Bloedcellen bestaan uit drie grote groepen: • De rode bloedcellen (ook erytrocyten genoemd) zijn kleine, kernloze bloedcellen. Het belangrijkste eiwit in een erytrocyt is hemoglobine, verantwoordelijk voor het zuurstoftransport. • De witte bloedcellen (leucocyten) worden in drie grote groepen ingedeeld: de granulocyten, lymfocyten en monocyten. De granulocyten zijn weer onder te verdelen in neutrofiele, eosinofiele en basofiele granulocyten. Al die cellen spelen een rol in het immuunsysteem. • De bloedplaatjes (trombocyten) zijn eigenlijk geen cellen maar celfragmenten. Het zijn de kleinste ‘celdeeltjes’ in het bloed. Zoals de erytrocyten hebben ze geen celkern. Bloedplaatjes spelen een centrale rol in de bloedstolling. Tabel 1.1: Illustraties normale bloedcellen Rode bloedcellen en bloedplaatjes Rode bloedcellen: biconcaaf, rond tot licht ovaal, rozig met centrale opheldering van ongeveer een derde van de totale diameter van de cel Bloedplaatjes: zeer kleine cytoplasmafragmentjes met rode/paarse korreling Witte bloedcellen Staafkernige neutrofielen
Segmentkernige neutrofielen
Eosinofielen
staafvormige kern, grof geklonterd chromatinepatroon, ruime hoeveelheid cytoplasma, roze kleur, veel fijne neutrofiele en enkele azurofiele (paarsrode) korrels
twee- tot vijflobbige kern, grof geklonterd chromatinepatroon, ruime hoeveelheid cytoplasma, roze kleur, veel fijne neutrofiele en enkele azurofiele (paarsrode) korrels
twee- tot drielobbige kern,
Basofielen
Lymfocyten
Monocyten
twee- tot drielobbige kern, vaak moeilijk zichtbaar door de talrijke grote korrels, metachromatische (donkerpaarse) korrels in het cytoplasma
rond-ovaal tot niervormige kern, grof chromatinepatroon, donkere compacte kernstructuur, weinig tot matig ruim, bleekblauw cytoplasma, soms enkele azurofiele (rode) korrels aanwezig
rond tot onregelmatige kern met lobben, licht geclumpt chromatinepatroon, meestal ruime hoeveelheid, grijsblauw cytoplasma met vaak fijne azurofiele (rode) korrels/vacuolen
grijsblauw cytoplasma met talrijke grote eosinofiele (oranje) korrels