ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN PREVENTIE EN HULPVERLENING BIJ SUÏCIDAAL GEDRAG
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 1
23/09/14 00:16
D/2014/45/493 | ISBN 978 94 014 2147 8 | NUR 766, 752 Vormgeving cover: Koen Bruyñeel Vormgeving binnenwerk: LetterLust | Stefaan Verboven © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven | België www.lannoocampus.be
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 2
23/09/14 00:16
Zelfdoding bij kinderen en jongeren PREVENTIE EN HULPVERLENING BIJ SUĂ?CIDAAL GEDRAG Karl Andriessen, Karolina Krysinska, Caroline Andries
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 3
23/09/14 00:16
INHOUD
Inleiding
Op weg met de paradox van suïcidaal gedrag bij kinderen en adolescenten Karl Andriessen, Karolina Krysinska, Caroline Andries
10
Deel 1: Suïcidaal gedrag bij kinderen en jongeren Hoofdstuk 1
Een ontwikkelingspsychologisch perspectief op dood en suïcide Caroline Andries
18
Hoofdstuk 2
Suïcidaal gedrag: definities en cijfergegevens Karl Andriessen, Karolina Krysinska
36
Hoofdstuk 3
Beïnvloedende factoren voor suïcidaal gedrag bij jongeren: risicoverhogende en beschermende factoren Karolina Krysinska, Karl Andriessen
54
Hoofdstuk 4
Genotmiddelengebruik en suïcidaal gedrag: kwetsbare jongeren bij ambigue cocktails? Patrick Lambrecht
68
Hoofdstuk 5
Het suïcidale proces bij jongeren en signalen van suïcidaliteit Erik Jan de Wilde
4
94
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 4
23/09/14 00:16
Deel 2: Hulpverlening Hoofdstuk 6
Het hulpverlenende gesprek met suïcidale kinderen en jongeren Jolien Mertens, Joke Vandenhoute
110
Hoofdstuk 7
Kortdurende laagdrempelige begeleiding en crisisinterventie van suïcidale kinderen en jongeren: krachtgericht werken Ingrid De Jonghe
122
Hoofdstuk 8
Online en telefonische hulpverlening aan suïcidale jongeren Michaël Bloemen, Kirsten Pauwels, Patrick Vanderreydt
138
Hoofdstuk 9
Suïcidepreventie via sociale media Jo Van Hecke
156
Hoofdstuk 10
Poging tot zelfdoding tijdens de adolescentie: het gezin in rouw en het gezin als hulpmiddel Sophie Muselle, Stéphanie De Maere
172
Hoofdstuk 11
Het Centrum Patrick Dewaere, een uniek experiment voor residentiële behandeling van suïcidale adolescenten Xavier Gernay
INHOUD
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 5
184
5
23/09/14 00:16
Deel 3: Preventie Hoofdstuk 12
Universele preventie en geestelijke gezondheidsbevordering bij kinderen en jongeren: een effectieve strategie voor preventie van suïcidaliteit Inge Glazemakers, Dirk Deboutte
200
Hoofdstuk 13
Veerkracht versterken: geestelijke gezondheidsbevordering bij jongeren in Vlaanderen Winnie De Roover
214
Hoofdstuk 14
Selectieve preventie: deskundigheidsbevordering van professionele sleutelfiguren in en rond de school Mercedes Wolters, Karl Andriessen
234
Hoofdstuk 15
Voor jou stopte het … Hoe moet ik nu verder? Kinderen en jongeren begeleiden na de zelfdoding van een dierbare Leen Hoebrechts, Begga Van de Velde, Liselot Willems
248
Hoofdstuk 16
Geïndiceerde preventie: goede praktijken in de zorg voor jonge suïcidepogers en hun naasten Rita Vanhove
6
268
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 6
23/09/14 00:16
Deel 4: Capita selecta Hoofdstuk 17
Suïcidaliteit bij holebi- en transgenderjongeren Eva Dumon, Ilse Conserriere
286
Hoofdstuk 18
Wat als zelfzorg zoek is? Het verband tussen niet-suïcidale en suïcidale zelfverwonding Laurence Claes
304
Hoofdstuk 19
De media: een partner in suïcidepreventie Livia Anquinet, Karl Andriessen, Karolina Krysinska
316
Hoofdstuk 20
Gluren bij de buren: suïcidepreventie in Wallonië Xavier Malisoux, Sylvia Pinna Puissant, Myriam Boreux
Personalia
336
354
Over de auteurs
INHOUD
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 7
7
23/09/14 00:16
Overzicht van figuren en tabellen Figuren Figuur 1.1: Transactioneel model voor de ontwikkeling van verwachtingen en veerkracht in relatie tot sociale ondersteuning Figuur 2.1: Overlijden door suïcide per leeftijdsgroep, Vlaams Gewest, 2011 Figuren 2.2, 2.3, 2.4: Suïciderates bij jongeren in Vlaanderen Figuren 2.5, 2.6, 2.7: Relatieve suïcidesterfte bij jongeren in Vlaanderen Figuur 2.8: Procentuele verdeling van het aantal suïcidepogers per leeftijdsgroep in 2012 Figuur 2.9: Person based rates suïcidepogingen, Groot-Gent, 2012 Figuur 12.1: Piramidaal model van populatiegerichte interventies Figuur 13.1: Beschermende factoren voor geestelijke gezondheid Figuur 16.1: Beslissingsboom KIPEO Figuur 16.2: Betrokken sectoren bij de KIPEO-opvang
18 38 39 41 44 44 197 216 268 269
Tabellen Tabel 1.1: Tabel 1.2: Tabel 2.1: Tabel 3.1: Tabel 4.1: Tabel 4.2: Tabel 4.3: Tabel 4.4:
8
Ontwikkeling van het doodsconcept bij kinderen Ontwikkelingstaken van adolescenten Het voorkomen van opzettelijk zelfbeschadigend gedrag bij 14- tot 17-jarige jongeren Risicoverhogende en beschermende factoren Prevalentie suïcidegedachten en suïcidepogingen tijdens het voorbije jaar (%) Risico op suïcidaal gedrag volgens de SBQ-R opgesplitst naar graad en onderwijsvorm (%) Tabakgebruik bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%) Problematisch alcoholgebruik bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%)
26 28 46 53 70 71 73 76
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 8
23/09/14 00:16
Tabel 4.5: Tabel 4.6: Tabel 4.7: Tabel 4.8: Tabel 4.9: Tabel 5.1: Tabel 6.1: Tabel 6.2: Tabel 6.3: Tabel 7.1: Tabel 9.1: Tabel 13.1: Tabel 14.1: Tabel 16.1: Tabel 16.2: Tabel 17.1: Tabel 19.1:
INHOUD
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 9
Verwachte effecten van alcoholgebruik bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%) Problemen ten gevolge van alcohol- en cannabisgebruik bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%) Cannabisgebruik bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%) Bereikbaarheid en prevalentie van andere illegale genotmiddelen dan cannabis bij verhoogd risico op suïcidaal gedrag (%) Levensprevalentie van andere illegale genotmiddelengebruik dan cannabis naar risico op suïcidaal gedrag (%) Het ezelsbruggetje: IS DAM HIER? Voorbeeldvragen om suïcide bespreekbaar te maken Voorbeeldvragen bij het doen van een risico-inschatting De recente en ruimere voorgeschiedenis bespreekbaar maken en bevragen Voorbeelden van krachtgerichte vragen voor jongeren Enkele vuistregels bij het werken met sociale media Vier ‘knaltips’ van NokNok Enkele richtlijnen voor het gesprek met een suïcidale jongere Thema’s in het semigestructureerde interview Materialen beschikbaar op www.zelfmoord1813.be Transgender begrippenkader Enkele goede praktijken inzake mediaberichtgeving samengevat
76 77 79
82 83 102 109 110 111 122 160 221 234 271 275 279 315
9
23/09/14 00:16
INLEIDING
Op weg met de paradox van su誰cidaal gedrag bij kinderen en adolescenten Karl Andriessen, Karolina Krysinska, Caroline Andries
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 10
23/09/14 00:16
Kinderen en jongeren bevinden zich in onze samenleving op verschillende vlakken (biologisch, psychologisch, sociaal en cultureel) in een fase in hun ontwikkeling die volop is gericht op de toekomst. De samenleving investeert heel veel in deze jonge bevolkingsgroep, bijvoorbeeld door te voorzien in onderwijs en vrijetijdsbesteding. Kinderen en jongeren worden als het ware opgevoed en klaargestoomd om het leven en de wereld te ‘veroveren’. Desondanks zijn er een aantal kinderen en jongeren die zodanig ongelukkig worden dat ze geen andere uitweg zien dan de dood. Hoe komt dat? Hoe is het mogelijk dat kinderen en jongeren die opgroeien in een wereld die hen ‘alles’ kan bieden, vastlopen en voor zichzelf geen toekomst meer zien? Suïcidaal gedrag bij kinderen en jongeren heeft een tweede paradox. Die kan tot uiting komen in bijvoorbeeld het directe, persoonlijke contact met een suïcidale jongere, en wordt ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Wanneer men praat met suïcidale kinderen en jongeren over hun suïcideneigingen, wat ze zich daarbij voorstellen, wat het voor hen betekent, komen zowel de jongere als de hulpverlener vaak (niet altijd) tot de vaststelling dat de jongere (niet alle jongeren) eigenlijk niet dood wil of niet enkel dood wil. De suïcidegedachten hebben voor de jongere een bepaalde betekenis. Die betekenis kan voor iedereen anders zijn, maar heeft vaak te maken met het niet meer willen meemaken van de ondraaglijke situatie waarin de jongere zit, of het niet meer hoeven voelen van de pijn die hij of zij ervaart. Het vinden en/of benoemen van de betekenissen en ze eventueel onderscheiden van de wens, de neiging, of de drang om dood te zijn, is vaak (niet altijd) een belangrijk moment in het contact met een suïcidale jongere. Hiermee is het probleem van de jongere uiteraard (meestal) niet ‘opgelost’. Maar op zijn minst is het voor de jongere zelf duidelijk geworden dat hij zijn doodsgedachten of zelfmoordplannen (meestal) niet hoeft uit te voeren om datgene te realiseren wat hij echt wil, namelijk een einde maken aan de pijn en leven op een andere manier. Deze paradoxen van suïcidaal gedrag vormden de inspiratie voor dit boek. Het is bestemd voor iedereen die beroepshalve met jongeren werkt, in hulpverlening,
INLEIDING
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 11
11
23/09/14 00:16
begeleiding, opvoeding en onderwijs. Verschillende deskundigen hebben bijgedragen tot dit boek. Elk hoofdstuk werd geschreven vanuit de achtergrond en de eigen professionele context van de respectievelijke auteurs. De meesten komen uit Vlaanderen, maar ook enkele collega’s uit Franstalig België en Nederland hebben meegewerkt. Hierdoor geeft het boek een ruime inleiding op de thematiek van suïcidaal gedrag en suïcidepreventie bij kinderen en jongeren, en biedt het op een toegankelijke manier handvatten om suïcidaal gedrag te begrijpen, bespreekbaar te maken en te voorkomen. Het boek bundelt wetenschap en praktijk gericht op adequate hulpverlening en preventie. De thematiek wordt op verschillende niveaus benaderd (individueel, familiaal, maatschappelijk) en thema’s van geestelijke gezondheidsbevordering en ambulante en residentiële hulpverlening worden grondig uitgewerkt. Meerdere auteurs pleiten daarbij voor laagdrempelige en bereikbare hulpverlening, vroegdetectie en een omvattende preventiebenadering. Het boek bestaat uit twintig hoofdstukken, geordend in vier delen. Het eerste deel schetst in vijf hoofdstukken de problematiek. Het thema dood en zelfmoord wordt besproken in het kader van de ontwikkelingspsychologie van kinderen en jongeren. Vervolgens worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd en worden de cijfergegevens met betrekking tot suïcide en suïcidepogingen bij jongeren voorgesteld. De risico- en beschermende factoren worden omvattend weergegeven. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de in onze samenleving tot vandaag weinig belichte relatie tussen genotsmiddelengebruik en suïcidaal gedrag bij jongeren. Het boekdeel sluit af met een hoofdstuk over het suïcidale proces, waarin belangrijke thema’s uit het eerste boekdeel worden voorafgespiegeld naar het volgende boekdeel. Het tweede boekdeel focust in zes hoofdstukken op hulpverlening aan suïcidale kinderen en jongeren. Het eerste hoofdstuk presenteert de belangrijkste aanbevelingen voor het voeren van een hulpverlenend gesprek met suïcidale kinderen en jongeren. Het tweede hoofdstuk bespreekt vanuit de praktijk hoe laagdrempelige ambulante crisisinterventie en kortdurende begeleiding suïcidale jongeren kan helpen. Vervolgens worden de mogelijkheden en ervaringen van anonieme telefonische en online hulpverlening toegelicht, gevolgd door een bespreking van de mogelijkheden en uitdagingen van suïcidepreventie via sociale media, een niet onbelangrijk thema gezien de alomtegenwoordigheid van het internet en sociale media in het leven van jongeren. Het vijfde hoofdstuk
12
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 12
23/09/14 00:16
focust op de therapeutische begeleiding van het gezin als meest nabije betrokken omgeving bij de jongere en de rol van het gezin als mogelijke hulpbron. Het zesde en laatste hoofdstuk presenteert een uniek model van kortdurende residentiële behandeling, gericht op motivering en oriëntering van adolescenten die een suïcidepoging hebben gedaan. Het derde boekdeel behandelt in vijf hoofdstukken de preventiemogelijkheden. Daarbij wordt het model gehanteerd van de universele, selectieve en geïndiceerde preventie. Strategieën van universele preventie en geestelijke gezondheidsbevordering zijn gericht op de gehele bevolking, onafhankelijk van de probleemstatus. Selectieve preventie is gericht op risicogroepen in de samenleving en geïndiceerde preventie is gericht op personen met een hoog risico en/of die al suïcidaal gedrag hebben gesteld. De eerste twee hoofdstukken focussen op de universele preventie wat betreft de effectiviteit en de toepassingen ervan in Vlaanderen, en pleiten voor een omvattende krachtgerichte benadering van kinderen, jongeren en gezinnen. Vervolgens wordt het bevorderen van de deskundigheid van professionele hulpverleners rondom jongeren voorgesteld als een vorm van evidence based selectieve preventie. Kinderen en jongeren die een naaste door zelfdoding hebben verloren, vormen een kwetsbare groep waaraan aangepaste opvang en begeleiding kan worden geboden. De geïndiceerde preventie, voorgesteld in het vijfde hoofdstuk, wordt in Vlaanderen uitgebouwd door het voorzien in een inschatting van de noden en mogelijkheden van jongeren die een suïcidepoging hebben gedaan, waarbij ketenzorg of zorgtrajecten worden ontwikkeld over voorzieningen en hulpverleners heen. Het vierde boekdeel bevat vier capita selecta over thema’s die bijzonder actueel en relevant zijn in verband met suïcidaal gedrag bij kinderen en jongeren, en die uitdagingen stellen aan hulpverlening, preventie, en onderzoek. Holebi- en transgenderjongeren vormen een kwetsbare groep in onze samenleving: het eerste hoofdstuk in dit boekdeel bespreekt omvattend het suïciderisico bij die jongeren. Een andere kwetsbare en evenzeer weinig begrepen groep in de samenleving zijn jongeren met niet-suïcidaal zelfverwondend gedrag: een tweede hoofdstuk verheldert de mogelijke verbanden tussen het niet-suïcidale en suïcidale zelfbeschadigend gedrag. Ook de media spelen een rol bij suïcidaal gedrag. Het derde hoofdstuk verduidelijkt hoe de media effectief een partner kunnen zijn in de suïcidepreventie. Het laatste hoofdstuk, ten slotte, gaat ‘gluren bij de buren’. De voorbije jaren zijn er immers in Wallonië belangrijke initiatieven
INLEIDING
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 13
13
23/09/14 00:16
inzake su誰cidepreventie bij jongeren op gang gekomen, en dit hoofdstuk geeft een overzicht van de interessante evoluties bij onze buren. Het boek is een unieke en zeer rijke verzameling geworden van kennis, ervaringen, inzichten en expertise. We willen dan ook graag de auteurs bedanken voor hun enthousiasme voor dit boek en hun bereidwillige inzet voor het delen van hun ervaringen en deskundigheid inzake de thematiek van su誰cidaal gedrag bij kinderen en jongeren. Tevens danken we het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, en de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek van de Universiteit Gent, voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van cijfergegevens en grafieken. We hopen dat deze teksten van nut zullen zijn voor iedereen die kinderen en jongeren een warm hart toedraagt, en met hen en hun gezinnen of omgeving werkt, om samen met de jongeren of het gezin de paradoxen van su誰cidaal gedrag te verkennen en te verhelderen. Karl Andriessen Karolina Krysinska Caroline Andries
14
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 14
23/09/14 00:16
10 september is de Werelddag van de Suïcidepreventie, een initiatief van de Internationale Vereniging voor Suïcidepreventie (www.iasp.info) met de steun van de Wereldgezondheidsorganisatie. Naar aanleiding van deze dag worden er in verschillende landen over heel de wereld activiteiten georganiseerd om aandacht te vragen voor de suïcideproblematiek en om suïcidepreventie te promoten. In Vlaanderen werken er verschillende organisaties samen voor het uitwerken van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie en voor de Werelddag Suïcidepreventie.
INLEIDING
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 15
15
23/09/14 00:16
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 16
23/09/14 00:16
DEEL 1
Su誰cidaal gedrag bij kinderen en jongeren
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 17
23/09/14 00:16
HOOFDSTUK 1
Een ontwikkelingspsychologisch perspectief op dood en su誰cide Ieder leven is uniek, dat is ook ieder sterven Caroline Andries
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 18
23/09/14 00:16
De dood wordt nauwelijks geassocieerd met de kindertijd. Dat is nog minder het geval voor suïcide. Hoewel de dood in onze samenleving geen deel uitmaakt van het dagelijks leven van (jonge) mensen, worden relatief veel jongeren er toch mee geconfronteerd. Heel wat kinderen en adolescenten maken immers een verliessituatie mee waarbij ze afscheid moeten nemen van mensen aan wie ze zijn gehecht. Prevalentiestudies geven aan dat het overlijden van een grootouder meer dan de helft van de adolescenten treft. In Canada rapporteerde 55 % van de jongeren tussen 11 en 18 jaar de dood van (één van) hun grootouders (Ens & Bond, 2005); in een onderzoek in Engeland gaf 66 % van de adolescenten tussen 11 en 16 jaar aan daarmee geconfronteerd te zijn geweest (Harrison & Harrington, 2001). In de periode 1995-2011 verloren in Nederland gemiddeld 6400 minderjarigen per jaar één of beide ouders (Nederlands Jeugdinstituut, 2012). Het verlies van een hechtingsfiguur is één van de meest stressvolle levensgebeurtenissen waarmee iemand kan worden geconfronteerd en is bijgevolg een risicofactor voor de verdere ontwikkeling. Het is dan ook van belang een duidelijk beeld te hebben van hoe kinderen en jongeren de dood ervaren en hoe ze erover denken. Die kennis kan helpen om gevoelens van angst, boosheid en verdriet beter te begrijpen. Alvorens in te gaan op de ontwikkeling van het doodsconcept bij kinderen en jongeren, schetst dit hoofdstuk een algemeen beeld van de psychologische ontwikkeling.
1 Psychologische ontwikkeling De psychologische ontwikkeling is een transactioneel proces, waarbij er een voortdurende wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt van factoren in het kind enerzijds en in de omgeving anderzijds. De ontwikkeling verloopt daarbij niet lineair (zelden is oorzaak-gevolg eenduidig), is multicausaal (er zijn meerdere factoren tegelijkertijd in het spel) en fluctueert (soms snel, soms traag, soms ook een stap terug) (Bijstra & Doornenbal, 2008). Dat maakt dat het niet of nauwelijks mogelijk is precies te voorspellen hoe de ontwikkeling zich zal voltrekken. In de ontwikkelingspsychopathologie is wel al heel wat longitudinaal onderzoek gebeurd naar zogenaamde ontwikkelingstrajecten of -paden, waarbij aangegeven wordt hoe risico- en protectieve factoren het ontstaan en het al dan niet voortduren van problemen bepalen. Daarbij ging de aandacht voornamelijk naar het verloop van
EEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGISCH PERSPECTIEF
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 19
19
23/09/14 00:16
antisociale gedragsstoornissen (Loeber & Hay, 1994; Reid, e.a., 2002). Hoewel hierbij het mogelijk verloop van de ontwikkeling wordt beschreven, bevatten deze ontwikkelingstrajecten niet altijd een onderliggend theoretisch model (Meij & Boendermaker, 2008). In de ontwikkelingspsychologie zijn nochtans meerdere theoretische benaderingen te onderscheiden. Het ligt echter buiten de scope van dit hoofdstuk hierop uitvoerig in te gaan. Hieronder wordt een korte beschrijving gegeven van een model (figuur 1.1) dat het transactionele aspect van de ontwikkeling omvat en tegelijkertijd een integratief karakter heeft, in zoverre het meerdere ontwikkelingstheorieën incorporeert (Riksen-Walraven & Geerts, 1988; Riksen-Walraven, 1989). Figuur 1.1: Transactioneel model voor de ontwikkeling van verwachtingen en veerkracht in relatie tot sociale ondersteuning Sociale ondersteuning: sensitieve respons op signalen en behoeften door • ouders
• ouders/peers
• partner
Verwachtingen m.b.t. • beschikbaarheid van anderen: vertrouwen • eigen effectiviteit: zelfvertrouwen
VEERKRACHT: flexibiliteit en volharding in probleemsituaties
veilige hechting
autonomie
omgang peers
identiteit
relaties
effectief ouderschap
exploratie
socialisatie
schoolvaardigheden
separatie individuatie
rollen
werk
1 jaar
2 jaar
4 jaar
12 jaar
adolescentie
volwassenheid
Bron: Riksen-Walraven (1988)
In het ontwikkelingsmodel van Riksen-Walraven (1988) worden drie lagen onderscheiden. Centraal staan de begrippen vertrouwen (een kind bouwt in de loop van zijn ontwikkeling verwachtingen op ten aanzien van de beschikbaarheid van anderen) en zelfvertrouwen (verwachtingen ten aanzien van de eigen effectiviteit). Die verwachtingen resulteren in de opbouw van een zogenaamd ‘intern werkmodel’. Dat begrip uit de hechtingstheorie houdt in dat een kind op basis van zijn ervaringen in de interactie met personen uit zijn omgeving een beeld opbouwt over zichzelf en de anderen. De bovenlaag in het model omvat de sociale
20
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 20
23/09/14 00:16
steun die het kind krijgt, in eerste instantie van zijn ouders en later, tijdens de adolescentie en de volwassenheid, meer en meer van leeftijdsgenoten, eventueel een partner en mensen uit zijn sociaal netwerk. Kinderen die veel steun ervaren, bouwen positieve verwachtingen op over zichzelf en hun omgeving. Kinderen die deze steun ontberen, zullen minder (zelf)vertrouwen hebben. Dit proces resulteert op gedragsniveau in het ontwikkelen van de nodige veerkracht, die het mogelijk maakt de ontwikkelingsopgaven waarvoor het kind wordt gesteld tot een goed einde te brengen (zie ook hoofdstuk 13). Veerkracht wordt daarbij omschreven als het vermogen om flexibel en vasthoudend te reageren, ook in probleemsituaties. Riksen-Walraven (1988) gebruikt een metafoor waarbij ze de twee verwachtingen omschrijft als twee benen om op te staan in de aanhoudende stroom van levensgebeurtenissen. ‘Iemand die stevig op deze benen staat, die, met andere woorden, alléén problemen kan aanpakken maar ook aan anderen hulp kan vragen als het hem alleen niet lukt, zal meer kans hebben om het er in problematische situaties goed vanaf te brengen dan zij die slechts op één been steunen of zelfs helemaal geen been hebben om op te staan.’ (Riksen-Walraven, 1988, p. 48-49). Sommige ervaringen of gebeurtenissen kunnen een van beide benen onderuit halen, een stevig ander been zorgt ervoor dat iemand het een tijdje redt, maar op één been evenwicht houden is moeilijker en niet (lang) vol te houden. Het vervullen van ontwikkelingstaken en de daartoe belangrijke veerkracht bevindt zich in de onderlaag van het model en impliceert de ontwikkeling zelf. Van der Aalsvoort en Stevens (2000) vatten het model dan ook samen als bestaande uit drie elkaar beïnvloedende componenten: sociale ondersteuning door de ouder (en anderen in het sociaal netwerk), verwachtingen over de beschikbaarheid van anderen en over eigen effectiviteit, en het realiseren van ontwikkelingstaken. Het begrip ontwikkelingsopgave of -taak kan worden teruggevoerd op Havighurst (1971; Rispens, e.a., 1994), die een ontwikkelingstaak omschreef als een taak die zich voordoet in een bepaalde ontwikkelingsfase en waarvan het succesvol afmaken leidt tot welbevinden en een goede basis creëert voor het vervullen van volgende ontwikkelingstaken. Het niet afmaken leidt tot zich ongelukkig voelen en heeft een ongunstig effect op de latere ontwikkeling. In het model van RiksenWalraven (1988) worden de kernontwikkelingstaken voor de onderscheiden leeftijdsfasen in de onderste laag weergegeven. Ook met betrekking tot het ontwikkelen van het doodsbesef zijn er ontwikkelingsopgaven die het kind succesvol moet afronden eer er een volledig besef van de dood ontstaat, met name: beseffen dat het lichaam niet meer functioneert, beseffen dat de dood onomkeerbaar is, en beseffen dat het zelf ook sterfelijk is (Keirse, 2005). Het zijn vooral die drie aspecten die een realistisch beeld van de dood representeren.
EEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGISCH PERSPECTIEF
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 21
21
23/09/14 00:16
2 Ontwikkeling van het doodsconcept Een realistisch begrip van de dood impliceert dat men zich bewust is van de volgende drie aspecten: onomkeerbaarheid (zodra een levend wezen dood is, kan het niet terug tot leven worden gebracht), universaliteit (alle levende wezens gaan ooit dood) en non-functionaliteit (alle levensfuncties – waaronder denken, voelen, bewegen – en lichaamsfuncties houden op). Kinderen vormen begrippen uitgaande van concrete ervaringen. De conceptvorming over dingen waarmee ze niet dagelijks te maken krijgen, kan daardoor veeleer langzaam verlopen. Kinderen verwerven de drie componenten van de dood in de hogervermelde volgorde. Die ontwikkeling is voltooid tussen de leeftijd van 7 en 10 jaar (Berk, 2005). Er is een lange onderzoeksgeschiedenis aangaande de ontwikkeling van het doodsconcept bij kinderen. In haar reviewartikel gaat Slaughter (2005) enerzijds in op de psychoanalytische en piagetiaanse literatuur,1 anderzijds wordt recent ontwikkelingspsychologisch onderzoek gepresenteerd waarin het doodsconcept van kinderen in de context van een zich ontwikkelende ‘folk’-theorie 2 over biologie wordt gesitueerd. Het nu volgende overzicht begint met de eerste (psychodynamische) benaderingen van Anthony (1940) en Nagy (1948).
2.1 Psychodynamische benadering Zowel Anthony (1940) als Nagy (1948) (die Auntie Death werd genoemd) maakte gebruik van interviews bij kinderen, waarbij hen werd gevraagd een definitie van de dood te geven en welke verklaringen ze voor de dood hadden. Die interviews werden aangevuld met informatie van de ouders over vragen, opmerkingen en antwoorden van hun kinderen over het onderwerp ‘dood’ en een test waarbij de kinderen een verhaal moesten vervolledigen (Anthony) en met tekeningen en opstelletjes (Nagy). Anthony (1940) onderscheidde vijf stadia, gaande van volledige onwetendheid tot een duidelijke definiëring van wat ‘dood’ is. Kinderen jonger dan 5 jaar weten niets af van de dood. In de tweede fase, tussen 5 en 7, jaar tonen kinderen interesse voor het onderwerp en hebben ze een beperkt begrip van ‘dood’. Tussen 7 en 8 jaar weten kinderen dat dood van toepassing is op menselijke wezens, maar ze komen nog niet tot de essentiële logische en biologische kenmerken van dood zijn. In hun verhalen bleken kinderen vooral belangstelling te vertonen voor begrafenissen, doodskisten, moordenaars enzovoort. Ook waren er verwijzingen naar agressie, ziekte, ziekenhuizen, slapen en naar de hemel gaan. Tussen 8 en 9 jaar worden causaal-logische verklaringen gegeven, waarbij wordt verwezen naar specifieke
22
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 22
23/09/14 00:16
personen, evenals naar logische of biologische essentiële kenmerken. Tussen 9 en 13 jaar is er een volledig beeld van de dood en wordt er duidelijk verwezen naar biologische en logische aspecten (bijvoorbeeld: niet meer ademen). Anthony (1940) concludeerde dat de dood vaak (bij ongeveer de helft van de kinderen) aanwezig was in de verhalen die ze vervolledigden, ook al was er in de aanzet geen sprake van de dood. Nagy (1948) kwam tot een ontwikkelingsschema dat uit drie stadia bestaat. Zij interviewde 378 Hongaarse kinderen tussen 3 en 10 jaar. In het eerste stadium (tussen ± 3 en ± 5 jaar) wordt de dood niet als een finaliteit, maar als een tijdelijk omkeerbaar heengaan ervaren. De dood wordt gezien als een verderzetting van het leven, maar op een lager niveau van activiteit en ervaringen. Doden bevinden zich in een toestand zoals de slaap. Kinderen van deze leeftijd hebben vooral angst voor separatie, niet zozeer voor de dood. Kinderen in het tweede stadium (tussen ± 5 jaar en ± 9 jaar) komen tot een begrip van de dood als het einde van het leven, finaal en onomkeerbaar. In dit stadium wordt de dood concreet voorgesteld en gepersonaliseerd in de vorm van een skelet, Magere Hein, Pietje de Dood … Die personificatie maakt dat kinderen ook geloven dat men aan de dood kan ontsnappen, als men de dood maar slim genoeg af is. Het is pas in stadium drie, vanaf 9 jaar en ouder, dat een matuur doodsbegrip tot stand komt. Volgens Anthony (1940) en Nagy (1948) vindt er rond de leeftijd van ongeveer 8 jaar een keerpunt plaats in het denken over de dood. Hoewel hun onderzoek dateert van midden vorige eeuw zijn hun bevindingen nog steeds min of meer toepasbaar. Hoe kinderen denken over de dood hangt zeer sterk samen met hun cognitieve ontwikkeling; het hangt veeleer samen met hun mentale, dan wel chronologische leeftijd.
2.2 Piagetiaanse benadering Deze benadering komt tot uiting in het onderzoek van Barbara Kane (1979), die drie stadia in de ontwikkeling van het doodsconcept onderscheidde die parallel lopen met de stadia in de denkontwikkeling van Piaget (Piaget & Inhelder, 1973). Volgens Kane omvat het doodsconcept, zoals elk concept, een aantal definiërende kenmerken. Ze onderscheidde bij het doodsconcept tien kenmerken, die ze als volgt omschreef: – ‘Realisatie’ is het besef van de dood, van een toestand van overleden zijn of iets dat gebeurt. De dood kan iemand overkomen of is iets dat de levenden doet sterven.
EEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGISCH PERSPECTIEF
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 23
23
23/09/14 00:16
– ‘Separatie’ betreft de plaats waar de doden zijn en het idee dat kinderen daarover hebben, bijvoorbeeld ‘onder de grond’, ‘in de bomen’ … – ‘Immobiliteit’ gaat over het begrip dat kinderen hebben over de bewegingsmogelijkheden van de doden. De doden kunnen worden gezien als totaal inactief, tot geheel of gedeeltelijk actief. – ‘Irreversibiliteit’ heeft te maken met de (on)omkeerbaarheid en tijdelijkheid of permanentheid van de dood. – ‘Causaliteit’ gaat over de interne (bijvoorbeeld door een hartaanval) of externe (bijvoorbeeld door een wapen) oorzaken van de dood. – ‘Disfunctionaliteit’ betreft de lichaamsfuncties (andere dan gevoelens). Kinderen kunnen denken dat de doden totaal disfunctioneel zijn, of geheel of gedeeltelijk functioneel. – ‘Universaliteit’ betreft het idee over sterfelijkheid. Een kind kan denken dat iedereen sterft, niemand sterft of dat er uitzonderingen zijn. – ‘Insensitiviteit’ gaat over mentale (denken, dromen) en sensorische (zien, horen, voelen …) functies. Doden zijn totaal ongevoelig, of geheel of gedeeltelijk gevoelig. – ‘Voorkomen’ betreft over hoe doden eruitzien. Doden kunnen er al dan niet uitzien als de levenden. – ‘Personificatie’ wil zeggen dat de dood als een persoon of een object wordt gezien. Deze kenmerken werden door Kane (1979) aan de hand van interviews nagegaan bij 122 kinderen tussen 3 en 12 jaar. Zij kwam zoals al vermeld tot drie stadia, die elk te situeren zijn in de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget (Piaget & Inhelder, 1973). In het stadium van de preoperationele denkhandelingen, dat wordt gekenmerkt door egocentrisch en animistisch-magisch denken (2-7 jaar), verwerven kinderen de kenmerken realisatie, separatie en immobiliteit. Dood is voornamelijk een beschrijving: onbeweeglijk liggen. Kinderen denken dat ze iemands dood kunnen bewerkstelligen door hun gedrag of door iemand dood te wensen. Het tweede stadium is dat van de concreet-operationele denkhandelingen (7-12 jaar). Kinderen zijn dan in staat tot conservatie,3 classificatie en seriatie. Er ontstaat inzicht in de resterende kenmerken (behalve personificatie, zie verder), maar er is nog geen sprake van onderlinge betrokkenheid. In het begin van dit stadium geven kinderen externe oorzaken weer, naar het einde toe worden ook interne factoren aangehaald. De dood wordt gezien als iets van de oude dag, iets dat veraf is.
24
ZELFDODING BIJ KINDEREN EN JONGEREN
Zelfdoding bij kinderen en jongeren v4.indd 24
23/09/14 00:16