DE ZWAARTEKRACHT VAN VOGELS
T RAC Y GU ZE M A N
DE
ZWAARTE KRACHT VAN
VOGELS
Voor mijn ouders, Jane en Dean En mijn zussen, Jill en Marnie – fervente lezers, allemaal
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Copyright © 2013 by Tracy Guzeman Vertaling: Lilian Schreuder Opmaak: Asterisk*, Amsterdam Oorspronkelijke titel: The Gravity of Birds © Oorspronkelijke uitgever: Tracy Guzeman, 2013 Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014 D/2014/45/574 – NUR 311 ISBN: 978-94-014-2045 7 Dit boek is fictie. Namen, personen, plaatsen en voorvallen komen voort uit de verbeelding van de auteur of worden fictief gebruikt. Elke overeenkomst met echte gebeurtenissen, plaatsen of personen, levend of dood, is volkomen toevallig. ‘No Voyage’ van Mary Oliver, copyright © 1965, 1976 van Mary Oliver. Herdrukt met toestemming van de Charlotte Sheedy Literary Agency Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Ik word vroeger wakker, nu de vogels zijn gekomen en in de standvastige bomen zingen. Op een veldbed bij een open raam lig ik als uitgeputte grond, terwijl de lente zich ontvouwt. Van alle reizigers die ik me herinner, wie van hen ging er niet aan boord van het schip met verdriet tussen hun kaarten? Tot het leek dat mannen nooit ergens heen gaan, ze vertrekken alleen waar ze ook mogen zijn, als het sterven begint. Voor mijzelf bemerk ik dat mijn gebrekkige leven niet om verbetering vraagt of verhulling van afstand; Waar, in welk land, kan ik deze gedachten neerleggen, immer nog inwoner van deze gevallen stad? Op een veldbed bij een open raam lig ik terug te denken terwijl de vogels in de bomen zingen over de cirkel van de tijd. Laat het sterven doorgaan, en laat mij, als dat kan, mijn deel van rampspoed krijgen voordat ik in beweging kom. O, ik ga naar de haven om de grote schepen te zien vertrekken, en mijn wonden kloppen ongeduldig; toch keer ik terug om de treurige ruĂŻne van mijn huis aan te pakken; hier of nergens anders zal ik mij verzoenen met de werkelijkheid. Mary Oliver, ‘No Voyage’, 1963
5
Een Augustus 1963
Alice zwierf langs de bemoste rand van het bos en bleef telkens hangen op schaduwrijke plekken. Ze wachtte op het geluid van zijn Austin-Healey, als die vaart moest minderen op het weggetje dat het staatspark scheidde van de houten huisjes die het meer omzoomden. Ze hoorde alleen de fluitende conversatie van gorzen, die weerklonk in de takken boven haar. De felblauw gekleurde mannetjes schoten dieper weg in de bomen toen ze haar eigen zwiet-zwiet tju-tju zwiet-zwiet in hun richting floot. Dennenzaailingen streken langs haar broek, terwijl ze zich een weg baande door de lage begroeiing, hun groene hoofdjes helder van kleur onder het bladerdak. Ze had vale kleren aangedaan waarmee ze niet opviel in het bos, haar haren weggestopt onder een pet met een lange klep. Toen ze dan eindelijk zijn auto hoorde, dook ze weg achter een groepje berken en maakte zich zo klein mogelijk, hurkend in een ondiepe kuil met varens en gevallen bladeren. Terwijl ze haar vogeldagboek en een gedichtenbundel op haar schoot hield, trok ze perkamentachtige vellen los van de stammen en keek toe hoe hij de begrinte parkeerplek aan de voorkant van zijn huis opreed. Hij zette de motor uit maar bleef in de cabrio zitten, waar hij een sigaret opstak, die hij langzaam oprookte. Zijn ogen bleven zo lang gesloten dat ze zich afvroeg of hij in slaap was gevallen of misschien weer een van zijn zwaarmoedige buien had. Toen hij zich eindelijk losmaakte van zijn krappe stoel, was hij net zo recht en smal als de boomstammen achter hem. Hun donkere, effen massa verzwolg zijn schaduw. Alice bewoog zich krampachtig, doordat haar linkervoet sliep. Het geritsel van de planten onder haar veroorzaakte niet meer verstoring dan een klein dier, maar hij draaide zich onmiddellijk om naar de plek waar ze zich had verstopt en
7
staarde naar een plek recht boven haar hoofd, terwijl zij haar adem inhield. ‘Alice’, fluisterde hij in de warme lucht. Ze kon nog net het sisgeluid ervan horen, waarbij zijn lippen nauwelijks bewogen. Maar ze wist zeker dat hij haar naam had gezegd. Dat hadden zij tweeën met elkaar gemeen; ze waren allebei observeerders, zij het op een verschillende manier. Hij tilde een papieren zak van de passagiersstoel en hield die bijna liefkozend dicht tegen zijn borst gedrukt. Flessen, concludeerde ze, denkend aan haar vader en de vele malen waarbij hij heen en weer was gelopen tussen de auto en hun eigen huisje. Hij bracht voorzichtig de flessen drank over, voldoende voor een maand lang toosten en slaapmutsjes, en ’s morgens een glaasje tegen de kater. ‘Die verdraaide middenstanders hier verhogen meteen hun prijzen zodra de eerste zomergasten verschijnen’, had haar vader gezegd. ‘Waarom zou ik twee keer zoveel betalen voor iets wat ik maar één keer opdrink?’ Niemand zou hem te slim af zijn. Dus waren er flessen rode en witte wijn, champagne, Galliano en sinaasappelsap voor haar moeders cocktails, wodka en gin, een assortiment frisdranken voor het mixen, een dure fles whiskey en diversen kratten bier. Die werden allemaal voorzichtig getransporteerd op dezelfde manier waarop Thomas Bayber nu bezig was. Ze wachtte totdat hij de paar leistenen treden had beklommen en de hordeur achter hem was dichtgeslagen, voordat zij zelf in beweging kwam. Ze koos haar weg over een zachte berg grond, bedekt met dennennaalden. Intussen krabde ze aan een muggenbult en opende de poëziebundel om die nog eens te lezen. Mevrouw Phelan, de bibliothecaresse, had het boek voor haar apart gehouden toen het binnenkwam. ‘Mary Oliver. No Voyage and Other Poems. Mijn zus heeft het me vanuit Londen toegestuurd, Alice. Ik dacht dat jij het wel als eerste zou willen lezen.’ Mevrouw Phelan waaierde onbekommerd door de bladzijden en knipoogde naar Alice, alsof ze samenzweerders waren. ‘Het heeft nog die nieuweboekenlucht.’ Alice had het boek voor het meer bewaard, omdat ze geen van de gedichten wilde lezen voordat ze in precies de juiste omgeving was.
8
Vanmorgen op de aanlegsteiger had ze een handdoek gepakt, nog een beetje vochtig en ruikend naar algen, en ging ze languit op haar buik liggen, steunend op haar ellebogen, terwijl ze door het boek bladerde. Het verblindende zonlicht op de knisperende bladzijden bezorgde haar hoofdpijn, maar ze bleef waar ze was en liet toe dat de hitte haar huid zachtroze kleurde. Ze bleef lezen, waarbij ze haar adem inhield na iedere strofe, zich concentrerend op de taal, op de precieze betekenis van de woorden. Ze betreurde het dat ze alleen kon fantaseren wat er was bedoeld, in plaats van het met enige zekerheid te weten. De bladzijde met het gedicht No Voyage was gekreukeld, gepokt door korreltjes zand, de hoek gemarkeerd door de vochtige afdruk van Alice’ duim. ‘Op een veldbed bij een open raam lig ik als uitgeputte grond.’ Er zaten geheimen in de regels die ze niet kon ontraadselen. Als ze het Thomas zou vragen, zou die het gedicht wel voor haar willen uitleggen, zonder zijn toevlucht te nemen tot de overdreven taal die volwassenen zo vaak gebruikten, waarbij ze vage woorden kozen en verwarring voorwendden. Zij tweeën hadden de gewoonte aangenomen om kennis uit te wisselen als zij langskwam. Hij leerde haar dingen over jazz, bebop en de exotische bossanova, waarbij hij haar zijn favorieten liet horen terwijl hij schilderde – Slim Gaillard, Rita Reys, King Pleasure en Jimmy Giuffre. Hij stak zijn penseel in de lucht op momenten dat hij wilde dat ze goed zou letten op een bepaald loopje. Op haar beurt liet ze hem de laatste notities in haar vogeldagboek zien – haar schetsen van de velduil en Amerikaanse smient, de cederpestvogel en late zangers. Ze legde uit hoe de onschuldig ogende Amerikaanse klapekster zijn prooi doodde door die in de nek te steken om het ruggenmerg te doorsnijden, voordat hij zijn slachtoffer op doorns of prikkeldraad spietste om die later uit elkaar te trekken. ‘Goeie genade’, zei hij rillend. ‘Ik zit in de klauwen van een ornithologische horroractrice.’ Ze vermoedde dat hun gesprekken hem een reden gaven om dingen voor zich uit te schuiven, maar ze maakte hem aan het lachen met haar beschrijvingen van de mensen in de stad: Tamara Philson, die haar lange parelketting overal droeg, zelfs op het strand, nadat ze
9
had gelezen over een inbraak in de naburige stad; de Sidbey-tweeling, die door hun ouders altijd identiek werd gekleed, tot en met de baretten op hun haar en de veters in hun sneakers. Het enige zichtbare verschil tussen het stel was een paars stipje dat meneer Sidbey op het oorlelletje van een van hen had aangebracht. ‘Jij, Alice,’ zei Thomas, ‘bent mijn betrouwbaarste remedie tegen de verveling.’ Ze tuurde door de berkenstammen in de richting van de achterkant van het huis. Als ze te lang zou wachten voordat ze aanklopte, was hij misschien al aan het werk gegaan, en dan liep ze het risico dat ze hem stoorde. Hij zou zich dan energiek gedragen en zijn zinnen zouden kort zijn. Hij was dan net een wild dier, net als de katten thuis die ze tevoorschijn probeerde te lokken vanachter de houtstapel om ze te kunnen pakken. Ze zou nooit zomaar naar hem toe zijn gegaan, maar hij had hen – zij het in algemene bewoordingen – zelf uitgenodigd. Toch vond ze het maar beter om hem behoedzaam te benaderen. ‘Kom gerust langs’, had hij tegen haar familie gezegd op die eerste dag, toen hij zich voorstelde op de steiger die de twee huizen met elkaar deelden. Hij kwam aangelopen uit het bos om de opgewonden hond te pakken die om hem heen rende. Maar voorstellen was niet echt nodig geweest – tenminste niet van zijn kant. Zij wisten precies wie hij was. *** ‘Die artiest’, zo noemde haar vader hem, net zoals hij ‘die vuilnisman’ of ‘die seriemoordenaar’ zou zeggen. Ze had haar eigen plekje aan de bovenkant van de trap, lang voordat ze naar het meer gingen, waar ze de gesprekken van haar ouders afluisterde. ‘Myrna zegt dat hij talentvol is’, had haar moeder gezegd. ‘Nou, ik neem aan dat zij het kan weten, met haar kennis op het gebied van… wat doet hij ook alweer?’ Haar vaders stem had die geïrriteerde toon die hij vaak gebruikte als hij werd geconfronteerd met de kennis van Myrna Reston over alle mogelijke onderwerpen. ‘Je weet heel goed wat hij doet. Hij is kunstschilder. Ze zegt dat hij een beurs heeft gekregen voor de Royal Academy.’
10
Haar vader snoof, niet onder de indruk. ‘Een kunstschilder. Dus mensen betalen hem om hun drank op te drinken, te lonken naar hun dochters en, zuigend aan de punt van een penseel, in een stoel te zitten. Leuk werk als je dat kunt krijgen.’ Alice zag voor zich hoe haar vader met zijn ogen rolde. ‘Je hoeft niet zo sarcastisch te doen, hoor, Niels.’ ‘Ik ben niet sarcastisch. Ik wil alleen niet dat iemand uit mijn familie loopt te stroopsmeren bij de een of andere artiest. We hebben onze handen al vol aan…’ Er was even een pauze en het gefluister werd onhoorbaar, maar Alice wist over wie ze het hadden: Natalie. Haar vaders stem dreunde even later weer en maakte haar aan het schrikken op de traptrede waar ze was gaan zitten. ‘Waarom nu, na al die zomers waarin het huis verlaten is geweest? Dat had beter zo kunnen blijven…’ Haar moeder onderbrak hem. ‘Of ze dat huis nu wel of niet gebruiken, is niet onze zaak. Het irriteert jou alleen omdat je niet meer een van onze boten kunt vastleggen aan hun kant van de steiger als hij daar is. Daar kun je toch moeilijk die jonge man de schuld van geven.’ Haar vader zuchtte diep – zijn teken dat hij zich gewonnen gaf. ‘Ik kan het in elk geval proberen.’ Met zijn vieren waren ze drie weken geleden op een zaterdagavond aangekomen: Alice, haar ouders en haar oudere zus Natalie; allemaal zweterig en moe van de lange reis. Toen ze de volgende morgen wakker werd, was het eerste wat ze zag hun koffers die wijd open op de vloer van de slaapkamer lagen. Er waren allerlei dingen naast gevallen en de koffers moesten nog worden uitgepakt. Het zwempak dat ze van de waslijn greep en na het ontbijt met moeite aankreeg, voelde als rubber tegen haar huid, nog vochtig van hun rituele zwempartij in de schemering van de avond ervoor. Ondanks haar vaders wilde gelach toen hij Alice en haar moeder nat spatte, en haar moeders overdreven gegil als reactie daarop, had Natalie geweigerd mee te doen, en bleef ze op de oever staan in het verdwijnende licht. Het enige wat ze deed was hen gadeslaan, met haar armen over elkaar geslagen en haar gezicht strak met een uitdrukking
11
van koele vijandigheid, iets wat ze zichzelf had aangeleerd sinds ze terug was, nadat ze een tijdje ergens heen was geweest. Alice begreep niets van Natalies plotselinge en intense hekel aan hun drieën. ‘Waarom ben je toch zo’n klier?’ had ze op de achterbank van de auto gefluisterd op de rit erheen, waarbij ze bewust een woord koos dat Natalie vaak voor haar gebruikte, en stootte haar zus aan toen die weigerde te antwoorden. ‘Je maakt ze op die manier nog ongelukkig. Je verpest straks alles.’ Toen Alice jonger was, had haar vader eens een ruw masker gemaakt van dennennaalden en grassprieten, die hij vastlijmde op een verrot stuk dennenschors dat als een huid was afgeworpen. Hij maakte dat met stevig geel touw vast aan hun kano, en zei tegen Alice dat hun Nederlandse voorouders geloofden dat er watergeesten in de boegbeelden van schepen leefden, die de boten en hun zeelieden beschermden tegen alle mogelijke ellende – stormen, nauwe en verraderlijke doorgangen, koorts en ongeluk. Kabouter mannekes, zo noemde hij ze. Als het schip strandde of, nog erger, als het zonk, leidden de kaboutermannekes de zielen van de zeelieden naar het hiernamaals. Zonder een watergeest om hen te begeleiden zou de ziel van een zeeman voorgoed verloren zijn op zee. Natalie, onbeweeglijk op de rotsige oever, zag er niet naar uit dat ze een van hen tegen wat dan ook zou willen beschermen. Alice lag die eerste morgen lui op de steiger, waar ze luisterde naar haar ouders die het hadden over alle dingen die ze die dag misschien zouden gaan doen. Ze kwamen nooit overeind uit hun stoel, verschoven alleen van de ene heup naar de andere, hun huid met witte strepen van de zonnebrandlotion, hun ogen onzichtbaar achter een donkere zonnebril, hun vingers verstrengeld, behalve als ze stukken van de krant met elkaar wisselden of zich uitstrekten naar hun bloody mary. Toen de hond ineens op de steiger verscheen, een lage diepe grom in zijn keel, trok de moeder van Alice haar voeten geschrokken op tot op de stoel. Ze hoorden een scherpe stem die diep vanuit het bos kwam en riep: ‘Neela. Neela, kom hier. Nu! Ze doet niets, hoor, heeft alleen wat last van het “kleinehondencomplex”’, was het enige wat hij zei. Ze kwam in de verleiding om op haar beurt te zeggen: ‘Je bent niet zoals ik had verwacht’, maar hield haar mond. 12
Ze stopte bij de achterdeur van Thomas’ vakantiehuis, de boeken in haar hand geklemd, en haalde diep adem, terwijl ze het bos van haar voeten veegde: een vlek dennenhars, het poederachtige stof van droge bladeren, een citroengeel spoor van mos. Het was niet zo dat ze nooit eerder bij hem langs was geweest, maar haar ouders hadden toen altijd geweten waar ze uithing, hadden gezwaaid en geroepen: ‘Zorg dat je niet tot last bent, en blijf niet te lang.’ Op dat moment realiseerde ze zich hoe het was om Natalie te zijn, te weten wat je niet hoorde te doen, maar het toch doen. De verf op de deur had een vaalbruine kleur die begon te verschieten naar grijs, gebarsten en bobbelig als een krokodillenhuid. Er vielen schilfers op de grond terwijl ze over de deur wreef. Ze sloeg de rechtermouw van haar blouse om, om de vochtige manchet te verbergen die ze in het meer had laten bungelen terwijl ze aan het lezen was. Het vocht ervan trok door en maakte een stukje van haar huid koud, maar de rest van haar lijf voelde aan alsof het in brand stond, zenuwachtig en trillerig. Ze wiebelde op haar hakken, hield haar boeken tegen haar borst gedrukt. Toen ze de deurknop aanraakte, voelde die elektrisch aan in haar hand, warm van een zonnestraal die tussen de dennen door viel. Ze bleef hem vasthouden, liet hem tegen haar handpalm branden. Een bries kwam aanwaaien over het meer, met daarin de echo van meeuwen en de scherpe lucht van zoetwaterharing die lag te rotten op de oever na het onweer van gisteravond. Alice keek omhoog door de wirwar van takken die boven haar hoofd in elkaar grepen, naar de heldere schoongewassen hemel. Haar hoofd duizelde, en ze hield de deurknop steviger in haar hand. ‘Jullie mogen altijd langskomen als je daar zin in hebt’, had hij gezegd. Op het moment van die uitnodiging had haar moeder aarzelend geknikt, waarbij ze Baybers hond in de gaten hield, die snuffelend en krabbend van plank naar plank liep. Haar vader kwam overeind uit de verweerde Adirondack-stoel, waardoor de steiger licht onder hem schommelde. Met die onverwachte beweging veranderde er iets, en Alice had plotseling het gevoel dat ze andere
13
mensen waren geworden dan de familie die ze nog maar een paar momenten daarvoor waren geweest. ‘Felicity Kessler’, zei haar moeder, terwijl ze haar hand uitstak. ‘Dit is mijn man, Niels. We huren in augustus altijd het huis van de Restons. Je kent Myrna vast wel. Mevrouw Reston?’ ‘Mijn familie laat me niet zo vaak naar buiten gaan.’ Hij knipoogde naar haar moeder, en Alice was ontzet toen ze zag dat haar moeder een kleur kreeg. ‘Myrna’s – mevrouw Restons – naam is vast weleens naar voren gekomen in een gesprek, maar ik heb tot nog toe nog niet het genoegen gehad.’ ‘Daar boft u dan maar mee’, zei haar vader. ‘Niels!’ ‘Ik maak natuurlijk maar een grapje. Zoals mijn vrouw u zal vertellen, meneer Bayber, kan het nuttig zijn om in je kennissenkring iemand te hebben die zo… goed geïnformeerd is.’ ‘Noem me alstublieft Thomas.’ Hij droeg een donkere sweater die rafelde bij de manchetten, met daaronder een wit button-down hemd en een met verf bespatte kaki broek. Een rieten mand vol druiven zwaaide in een van zijn handen. ‘Hier’, zei hij, terwijl hij de mand aan haar vader overhandigde. ‘Onze tuin staat er vol mee. Het zou zonde zijn om ze gewoon te laten hangen als ze rijp zijn.’ Toen niemand reageerde, ging hij gewoon door, zonder zich iets aan te trekken van de behoedzame blik op haar vaders gezicht. ‘Beschouw ze als een zoenoffer. Een verontschuldiging voor Neela hier. Zij en ik hebben veel gemeen, waarvan het voornaamste is, volgens mijn moeder, dat we allebei totaal onopvoedbaar zijn.’ Dat was het moment waarop Alice hem aardig begon te vinden. Tot dan toe had ze hem voornamelijk vreemd gevonden, met zijn met verf bevlekte kleren, wilde haar en ogen die dezelfde grijze kleur hadden als het meer in de ochtend. Te zeker van zichzelf en te lang. En hij staarde naar hen – iets waarvan haar moeder telkens weer tegen haar zei dat ze dat niet mocht doen, maar toch stond hij daar heel doelbewust naar hen te staren. Hij probeerde dat niet eens te verdoezelen, alsof hij voorbij hun vlezige contouren kon kijken, diep naar binnen, op plaatsen waar ze hun zwakheden en gênante dingen verstopten.
14
Ze was niet gewend aan mensen die zo zonder omwegen spraken, zeker niet bij het meer, waar de gesprekken van volwassenen vol enthousiasme en onoprechtheid waren. ‘We moeten beslist afspreken nu jullie hier zijn!’ ‘Je moet echt een borrel komen halen bij ons.’ ‘Wat een leuke, mooie kinderen hebben jullie!’ ‘Ik bel je snel!’ Met de hele maand augustus voor zich was ze ervan overtuigd dat haar enige opwinding te vinden zou zijn in de boeken die ze had meegenomen. Om naast iemand te wonen die totaal onopvoedbaar was, klonk als een bevrijding. ‘Ik ben Alice’, zei ze, terwijl ze zich bukte om Neela’s kop te aaien. ‘Wat voor hond is dit?’ Hij torende boven haar uit. Zijn wimpers waren zwart en net zo lang als van een meisje en ook zijn haar was zwart, opkrullend rond de lange punten van zijn kraag. ‘Alice. Leuk je te ontmoeten. Nou, niemand lijkt precies te weten wie haar ouders zijn. Ik heb zo mijn vermoedens, maar omdat ik een heer ben, aarzel ik om beschuldigingen te uiten. Bij de toegang tot de markt in de stad zien we vaak een bordercollie en een Yorkie zitten. Altijd als we erlangs rijden, begint Neela oorverdovend te blaffen. Ik ben er tamelijk zeker van dat het familie van haar moet zijn.’ Alice beschermde haar ogen tegen de zon in een poging hem beter te kunnen zien. ‘Dus jij en Neela komen hier vaak?’ Hij lachte, maar het was een droog, raar geluid zonder een spoor van vrolijkheid. ‘Goeie hemel, nee. Mijn ouders hebben dit huis al tientallen jaren, maar hebben te veel vrije tijd om echt vakantie te houden. Relaxen is heel moeilijk voor de rijken. Er is altijd wel iets wat in de gaten moet worden gehouden, een gebeurtenis waar ze beslist bij moeten zijn.’ Hij keek even naar haar moeder voordat hij eraan toevoegde: ‘Mevrouw Reston heeft misschien wel verteld dat ze tamelijk rijk zijn.’ Alice keek toe hoe haar moeders keel bewoog terwijl ze langzaam slikte en omlaag keek om de planken van de steiger te inspecteren. Haar vader verslikte zich in zijn bloody mary voordat hij begon te lachen en Thomas Bayber op zijn rug sloeg. ‘En jij zei dat je die vrouw nog nooit hebt ontmoet. Ha ha!’
15
Thomas glimlachte. ‘Tot dit moment heb ik door omstandigheden nog nooit tijd doorgebracht in deze vredige gemeenschap.’ Hij tuurde over het meer. ‘Maar nu ik hier eerder dit jaar ben aangekomen, praat ik er net zo enthousiast over als mijn vader, op een toon die verbazingwekkend veel op die van hem lijkt. Ik zit hier nu dus sinds juni en ik gebruik hun zomerhuis als atelier. Ik schilder, zoals jullie waarschijnlijk wel kunnen zien.’ Hij gebaarde naar zijn kleren en haalde zijn schouders op. ‘Niet iets wat mijn vader beschouwt als een passend beroep.’ Hij deed een stap naar achteren en sloot zijn ogen half, terwijl hij hen bestudeerde met zijn kin omlaag en zijn armen gevouwen. Alice vroeg zich af hoe ze eruitzagen in de ogen van een vreemde. Tamelijk gewoon, dacht ze, als een willekeurige groep mensen die je uit de trein zag stappen of zou passeren op straat. Door alleen wat vage aanwijzingen zag je dat ze op de een of andere manier bij elkaar hoorden; de manier waarop ze hun haar gladstreken met hun handpalmen; de vastberaden stand van hun schouders; de bleke huid die snel sproeten vertoonde; een uiterlijk kenmerk dat hier en daar terugkwam – haar moeders fraai gevormde neus bij Natalie, haar vaders bleekblauwe ogen die zich herhaalden in haar eigen gezicht. De ene zus die mooi was; de andere die pienter was; een vader met een uitdrukking die met de jaren steeds somberder was geworden; een moeder die wist hoe ze een zekere mate van evenwicht tussen hen moest bereiken. Ze konden een willekeurige familie zijn. Thomas knikte, terwijl hij kennelijk aan het nadenken was. ‘Jullie komst biedt mij een kans. Ik vroeg me af of ik jullie zou mogen tekenen. Jullie allemaal samen, bedoel ik.’ ‘Nou, ik weet niet of…’ Thomas onderbrak haar vader. ‘U zou me er een plezier mee doen, meneer, dat kan ik u verzekeren. Ik kan deze idyllische omgeving niet oneindig blijven schilderen. Berken, Canadese dennen, de meeuwen en houtsnippen, boten die heen en weer varen over het meer. Eerlijk gezegd word ik er een beetje gek van.’ Haar moeder lachte en onderbrak Alice’ vader voordat die bezwaren kon opperen. ‘Dat zouden we geweldig vinden. Het is heel aardig van je om het te vragen. Wat opwindend!’
16
‘Jullie mogen de tekening houden. Wie weet wordt die op een dag geld waard. Natuurlijk is het net zo goed mogelijk dat de schets absoluut niets waard gaat worden.’ Alice kon zien hoe haar vader zijn opties overwoog. Een ervan was dat hij vier weken lang te maken zou krijgen met haar moeders verbolgenheid als hij Baybers aanbod zou afslaan. Ze vroeg zich af waarom hij nog aarzelde. ‘Ik neem aan dat als we er allemaal samen op komen, het wel goed zal zijn’, bood hij uiteindelijk aan. ‘Je hebt Alice, onze vogelaar, al ontmoet. Ze is veertien, en begint in de herfst in de derde klas. En dit is Natalie, onze oudste. Ze begint volgende maand op de Walker Academy.’ Alice realiseerde zich toen dat haar zus nog niet één keer had opgekeken van de steiger, kennelijk in de ban van het boek dat ze aan het lezen was. Vreemd, omdat Natalie er sinds lang aan gewend was dat zij altijd het middelpunt van alle aandacht was. Ze had het glanzende, stralende voorkomen van een nieuw stuk speelgoed. Haar verschijning trok hordes slungelige jonge mannen naar hun voordeur, en allemaal hoopten ze dat ze iets voor haar mochten doen: limonade kopen als Natalie het warm had, een trui halen als ze het koud kreeg, meppen naar insecten als die te dicht in de buurt van haar bedwelmende aantrekkingskracht kwamen. Alice stond meer onder invloed van Natalie dan wie van die jongens ook, en ze oefende de maniertjes van haar zus in de spiegel als ze alleen was. Ze aanvaardde haar afdankertjes met heimelijke verrukking en wenste dat ze een klein beetje van Natalies schaamteloze impulsiviteit had. Er zat kracht in de schoonheid van haar zus. Zelfs nu, lusteloos en nog beroerd van een virus dat ze had opgelopen nadat ze weken weg was geweest om universiteiten te bekijken, was Natalie nog steeds die stralende zon, de ster waaromheen de rest van hen draaide. Dat ze niet probeerde haar charme in te zetten of zelfs maar te laten blijken dat ze de aanwezigheid van Thomas Bayber had opgemerkt, was verrassend. Nog verrassender was het feit dat geen van haar ouders Natalie vermaande vanwege haar onbeleefde gedrag of aandrong dat ze hem netjes begroette. En Thomas Bayber van zijn kant leek zich net zo min bewust van Natalie.
17
‘Hallo, Thomas, ben je thuis? Ik ben het, Alice.’ Ze klopte harder; de gladde deurknop draaide in haar hand en de deur ging piepend open. ‘Thomas?’ Haar vader zat in de roeiboot, halverwege het meer; Natalie had geen zin gehad om samen met haar van de rotsen te gaan springen en had in plaats daarvan haar zwempak gepakt, een lunch klaargemaakt en gezegd dat ze naar het strand bij de stad ging en geen gezelschap wilde. Haar moeder was naar zomervrienden om bridge te spelen. ‘Thomas?’ Er klonk gerommel, en daar stond hij in zijn volle omvang het licht te blokkeren. Hij zag eruit alsof hij geslapen had – met samengeknepen ogen, één kant van zijn wang gekreukeld, zijn donkere haar in de war – hoewel ze zelf had gezien hoe hij nog geen halfuur geleden met papieren zakken in zijn armen naar binnen was gelopen. ‘Je ziet er vreselijk uit’, zei ze. Hij glimlachte naar haar en haalde een hand door zijn haar. ‘Alice. Wat een onverwacht genoegen.’ ‘Komt het uit?’ ‘Natuurlijk. Waarom niet?’ ‘Waar is Neela?’ Ze was gehecht geraakt aan het hondje, en ze had tegenwoordig wat eten bij zich, voor het geval ze het dier toevallig tegen het lijf zou lopen. Natalie daarentegen had het over Neela als ‘dat valse kreng’. ‘Ze bijt je als je niet uitkijkt’, had ze tegen Alice gezegd. ‘Helemaal niet. Je bent jaloers omdat ze mij aardig vindt.’ ‘Dat heeft haar er niet van weerhouden om een hap uit Thomas te nemen, en die is haar baasje.’ ‘Daar geloof ik niks van.’ ‘Dat zou ik maar wel doen’, had Natalie gniffelend gezegd. ‘Ik heb het litteken zelf gezien.’ Thomas draaide zich om en liep de hoofdruimte van het huis in. ‘Ik denk dat Neela op bezoek is bij vriendjes.’ Zijn blote voeten lieten voetstappen na op het fijne stof op de grond, en Alice volgde zijn spoor. 18
‘Dat verdraaide krijtpoeder’, zei hij. ‘Het komt overal terecht.’ ‘Waar werk je aan? Mag ik het zien?’ ‘Ik weet niet of het al klaar is voor publieke consumptie, maar als je het per se wil zien, dan wil ik je wel een voorvertoning geven. Blijf hier staan.’ Hij liep door doeken die waren opgestapeld op een ezel tegenover de serie ramen die uitzicht gaven op het meer. Hij koos een van de werken, pakte dat op bij de hoeken en kwam terug door de kamer. Hij ging zitten op een oude fluwelen bank en klopte op het kussen naast hem. De bank had de kleur van donkere chocola, de stof vlekkerig en versleten op sommige plaatsen, met grote gobelinkussens in de hoeken. Ondanks de staat van de bank had die toch een schaduw van elegantie. Diezelfde schaduw omhulde alles in de kamer. Prachtige boeken met gehavende omslagen en bladzijden die bol stonden door schimmel, een staande klok met een gebarsten deur en een sonore slag die elk kwartier klonk, duur uitziende oosterse tapijten met ongelijke franje – allemaal vergane glorie, maar toch perfect door de manier waarop alles precies zo was als het naar jouw idee zou moeten zijn. Het zomerhuis van de Restons was hiermee vergeleken maar klein, met een derde van de grootte, en moest de indruk wekken alsof de eigenaren sportmensen waren, hoewel niets meer bezijden de waarheid was. Dit huis was zoals Thomas, besloot Alice: met gebreken en droefgeestig, maar wel volkomen eerlijk. Ze ging op de bank naast hem zitten en vouwde haar benen onder zich. Hij draaide het doek om zodat ze het kon zien. Het was een krijttekening van het strand dicht bij de stad, helaas zonder vogels. Ze herkende het silhouet van de Canadese dennen tegen de lucht en de rand van de oeverlijn die terugboog na de landtong. Maar ook al kende ze de locatie, de manier waarop Thomas het had afgebeeld maakte dat die onbekend leek. De aanlegsteiger was getekend in donkere, heftige strepen; de bomen waren bladerloze, geblakerde spitsen, en het water leek furieus, schuimend tegen de rotsen en beukend tegen het strand. ‘Waarom heb je het zo getekend? Ik word er bang van als ik ernaar kijk.’
19
‘Ik zou je moeten bedanken omdat je me voorbereidt op de critici. Het is ook de bedoeling dat het dat effect heeft, Alice.’ ‘Dat stuk strand is prachtig. Het ziet er helemaal niet zo uit.’ ‘Maar toch herkende je het.’ ‘Ja.’ ‘Je herkende het, ook al maakt het je bang, ook al vind je het donker en lelijk. Dus misschien zijn die eigenschappen inherent, maar negeer jij ze liever. Je ziet de lelijkheid niet omdat je dat niet wil. Dat is nu de taak van een kunstenaar: om ervoor te zorgen dat mensen naar dingen kijken – niet alleen naar dingen, maar ook naar mensen en naar plaatsen – op een manier die anders is dan wat ze normaal zouden doen. Om bloot te leggen wat er onder het oppervlak verborgen zit.’ Alice volgde de lijn van een boomstam, waarbij haar vingertop net boven het papier bleef hangen. Toen ze zich realiseerde dat hij naar haar handen keek, verborg ze die onder haar benen. ‘Waarom verstop je ze?’ Zijn stem klonk geduldig maar resoluut. ‘Laat me eens kijken.’ Ze aarzelde voordat ze haar handen ter inspectie aanbood. Hij pakte ze allebei in die van hem, zijn handpalmen warm en glad als een steen. Hij bekeek ze aandachtig, draaide eerst de rechter en toen de linker om. Hij liet zijn eigen vingers langzaam omlaaggaan over die van haar, maakte cirkelbewegingen over haar knokkels en wreef over de huid erboven, alsof hij probeerde iets weg te vegen. Al die tijd bleef hij naar haar gezicht kijken. Alice beet op de binnenkant van haar wang en probeerde niet ineen te krimpen, maar de pijn was scherp en ze deinsde terug. ‘Zit eens stil. Waarom zit je zo te draaien?’ ‘Het doet pijn.’ ‘Dat kan ik zien.’ Hij liet haar handen los, stond op van de bank en liep naar het raam, waarbij hij zijn tekening weer op de ezel zette. ‘Heb je dit al eens tegen iemand verteld?’ ‘Nee.’ ‘Ook niet tegen je ouders?’ Ze schudde haar hoofd. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben geen dokter. Ik ben
20
nauwelijks een kunstenaar naar het idee van sommige mensen. Maar als iets pijn doet, dan moet je dat tegen iemand vertellen.’ ‘Ik heb het nu toch tegen jou verteld?’ Thomas lachte. ‘Ik tel nauwelijks mee als iemand die serieus wordt genomen.’ Ze wist dat er iets niet goed was; ze wist dat nu al een tijdje. Ze hinkte als ze ’s morgens uit bed stapte; niet elke morgen, maar vaak genoeg om te weten dat ze het niet langer kon gooien op een toevalligheid: een verstuikte enkel, een schaafwond door een steen, een blaar. ’s Nachts kon ze ineens een koortsaanval krijgen, als een plotseling opstekende storm, waarna ze rood aangelopen en duizelig was. Als ze opstond om naar het medicijnkastje te gaan voor een aspirine, was alles ineens weer normaal. Haar romp zat onder de uitslag die samen met de koorts ook zo weer kon verdwijnen. Haar gewrichten waren in oorlog met de rest van haar lichaam en gebruikten tactieken die simpel maar effectief waren: de huid rond haar knieën kreeg een afstotelijk rode kleur, terwijl er een constante, nare warmte ontstond die irriteerde als jeuk. Ze was nooit gezegend geweest met Natalies natuurlijke sierlijkheid, maar de laatste tijd was ze houterig en onhandig. Ballen, potloden, de hengsels van tassen – allemaal vielen ze uit haar handen alsof ze probeerden te ontsnappen. Ze struikelde over haar eigen voeten, zelfs als ze er alleen maar naar keek. ’s Nachts vertraagde de tijd tot die leek stil te staan; elke tik van de grote wijzer van de klok strekte zich langer uit, terwijl ze probeerde zichzelf af te leiden van de pijn in haar gewrichten. Ze had er wel iets over tegen haar moeder gezegd, maar alleen in heel vage termen, waarbij ze erg haar best deed om het nonchalant te laten klinken. Haar moeders reacties neigden vaak naar het extreme en Alice had er geen zin in om de hele zomer beperkingen opgelegd te krijgen. Maar haar moeder, die zich op dat moment gereedmaakte voor een etentje, had afwezig geantwoord: ‘Groeipijn. Dat gaat wel over, let maar op.’ ‘Soms trillen mijn handen’, zei ze tegen Thomas. ‘Soms trillen mijn handen ook. Dan komt een beetje whiskey goed van pas.’
21