Bart Libbrecht Anouk Pieters
Gedeelde zorg Veerkrachtige netwerken, snel zonder hulpverlening
Dan maakt de opvatting van de evolutie als langdurige, bloederige concurrentiestrijd tussen individuen en soorten, een populaire verdraaiing van Darwins begrip ‘overleving van de meest aangepasten’, plaats voor een nieuwe opvatting van voortdurende samenwerking, intensieve wisselwerking en wederzijdse afhankelijkheid onder levensvormen. Het leven heeft de aarde niet door strijd overgenomen, maar door netwerken. Levensvormen hebben zich vermenigvuldigd en zijn complexer geworden door andere te coöpteren, niet alleen door ze af te maken.
Vertaald uit Microcosmos: Four Billion Years of Microbial Evolution (Margulis & Sagan, 1987)
5
D/2014/45/322 - ISBN 978 94 014 1894 2 - NUR 752 Vormgeving cover: Koen Bruyñeel Vormgeving binnenwerk: Fulya Toper © Bart Libbrecht, Anouk Pieters & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en /of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
Inhoud Inleiding 15
Deel 1 Het theoretische fundament
23
1 Van sociale context naar netwerk ‌ twee goede redenen Het wetenschappelijke argument
23 24
Het debacle rond de werkzame factoren
24
Het beeld is gedateerd
26
Wat is het probleem in de redenering van Lambert?
27
De algemeen werkzame factoren, het probleem van de therapeutische relatie
29
De onvermijdelijke hulpverleningsval?
31
De uitdaging
32
Het evolutionaire argument
35
Wat is evolutie?
35
Evenwichten die evolutie blokkeren
36
Doorbreken van het evenwicht
39
2 Wie, wat & hoe? 45 Welzijnswerkers 46 Integraal helpen 47 Iedereen expert 48 Leken en professionals 50 3 Veerkrachtig worden Waarom moeten we evolueren? Een leven zonder pijn Het individu Het individu in zijn omgeving Adaptatie van gedrag als motor van evolutie Veerkracht om te kunnen evolueren: het trampolinemodel
53 54 55 60 62 64 65
Band 1
68
Band 2
69
Inhoud
7
Band 3
69
Band 4
73
De veerkrachtige trampoline
74
Evolueren als mens
74
Evolutie dwars doorheen de ontwikkelingsfasen van de mens
66
Evolueren, hier en nu Theoretische consequenties
77 79
Niet meer kunnen evolueren
79
De cliënt heeft zijn context nodig om te kunnen evolueren
80
4 Van sociale context naar netwerk … en veel verder Netwerken als volgende stap Wat is een netwerk? Wie maakt deel uit van een netwerk?
8
83 84 84 85
De systeemexperten
86
De transformatie-expert
88
De experten
89
Hoe werkt een netwerk samen? De taak van de transformatie-expert
90 92
Vier fasen
92
Fase 0: aanmelden en kennismaken
92
Fase 1: de analyse van het probleem en de oplossing
94
Fase 2: voorbereiding van het netwerk
96
Fase 3: de netwerkfase
99
De rol van de expert
99
Fase 1: de probleem- en oplossingsfase
99
Fase 2: de voorbereidingsfase
100
Fase 3: de netwerkfase
101
De rol van de sociale context en het latere netwerk
102
Weerbarstige cliënt en weerbarstige sociale context
102
Twee theoretische scenario’s
103
Fase 0: de kennismaking
104
Fase 1: de probleem- en oplossingsanalyse
105
Fase 2: de voorbereidingsfase
107
Fase 3: de netwerkfase
109
Gedeelde zorg
5 Heuristieken in de hulpverlening EUREKA! Hoe ontstaan goede oplossingen? Geen causaliteit, maar een veronderstelde correlatie Wat is de oplossingsstrategie? Heuristieken Heuristieken in de praktijk van de transformatie-expert Cliënten en netwerken aanleren om problemen en oplossingen te managen
111 112 112 114 115
6 Verantwoording van de methodiek Weerbarstige cliënten én hulpverleners Evolutie anders bekeken
123 124 124
117
Weerstand ten aanzien van de sociale context
127
‘Ik ken de context maar ik houd er geen rekening mee’ the fundamental attribution error 128 ‘Zijn voorstel is rommel!’ - the devaluation bias 129 ‘Ik ben beter dan de rest!’ - the illusion of control bias 129 ‘Verbeteren is goed, behouden is beter’ - the aversion of loss bias 130 Waarom maken we denkfouten?
130
Het conflict tussen systeem 1 en systeem 2 Waarom de methode uit het boek gebruiken? Traag denken
132 135 136
Slagzin 1. Contextualiseren, contextualiseren en blijven contextualiseren
137
Slagzin 2. Behouden is verliezen, veranderen is winnen
139
Slagzin 3. Heul met je vijand
141
Slagzin 4. Je bent maar zo veerkrachtig als je eigen netwerk
141
Deel II De praktijk - Het tienstappenplan
143
Inleiding op het stappenplan 143 De limieten van de methodiekbeschrijving 144 De fasering 145 De structuur van een stap 147 Ontwikkelingstaken 147 Situering van de methode 148 Gelijkaardige methoden 149
Inhoud
9
Support groups
149
Intensieve pedagogische thuishulp
150
Eigen Kracht-conferenties
150
Waar moet het met de hulpverlening naartoe? 151 De inzet van de methode 152 Hoe kwam de methode tot stand? 154 De huidige status van de methode 155 Toekomstige doorontwikkeling 156 Randvoorwaarden 156 Methodische specificaties 157 Stap 1. Wat is het probleem? Wat zijn de klachten van de cliënt: de symptomen? Wie wordt geconfronteerd met welke symptomen?
158 159 160
Wanneer en hoe vaak komen de symptomen voor?
161
Wie zijn de doelcliënten?
162
Voorbeeld 162
Vastleggen van de te boeken resultaten Informeren over de manier van werken Bewust kiezen voor het werken met de sociale context en sociale competenties
163 164 165
Stap 2. Meten Wat is de beginsituatie? Wat is het verloop van de hulpverlening?
166 167 168
Stap 3. Openbreken In welke subsystemen is de cliënt actief? Wat zijn de opdrachten/verwachtingen van de cliënt in het systeem? Slaagt de cliënt in deze opdrachten?
170 171 174 175
Stap 4. Wie, wat & hoe? 177 Wie maakt deel uit van de verschillende systemen? 178 Wat is de affectieve relatie met de verschillende leden van het netwerk? 179 Wat is de invloed van de leden van het netwerk op het aanmeldingsprobleem? 180 Wat is de invloed van mensen op andere subsystemen? 183 Doorspreken 184 10 Gedeelde zorg
Stap 5. Belemmeren en/of bevorderen Onderzoek van schriftelijke bronnen (samen met de cliënt) Gesprekken met de cliënt Informatie van belangrijke derden Wat zijn de (psycho)pathologieën van de cliënt?
185 187 187 188 188
Wat is een pathologie?
189
Wat zijn de stressoren van de cliënt?
189
Wat is een stressor?
190
Wat zijn de beschermende factoren van de cliënt?
191
Stap 6. De sociale vaardigheden Wat zijn de sociale vaardigheden van de cliënt?
193 194
Stap 7. De systeemtaken De puzzelstukken in elkaar passen Welke taken zijn van toepassing op welk systeem? Welke pathologieën beïnvloeden welke systeemtaken? Welke stressoren beïnvloeden welke systeemtaken? Introduceren van experten? Welke beschermende factoren bevorderen de systeemtaken? Welke protectieve factoren ontbreken?
197 198 198 201 202 203 204 205
Stap 8. Doelen Het laten afnemen van de aangemelde symptomen Het opstellen van doelen die de sociale vaardigheden vergroten Het opstellen van subsysteemdoelen Het opstellen van tussendoelen om de systeemdoelen te bereiken Acties om de doelen te bereiken
207 210 210 214 215 216
Stap 9. Van sociale context naar steunend netwerk Het mobiliseren van het netwerk
218 219
Contact leggen met de leden van de subsystemen
219
Het opbouwen van de contacten met de sociale context
221
De rol van de transformatie-expert gedurende het huisbezoek
222
De inhoud van het gesprek
223
Nabespreking van een bezoek
224
De versterking van de sociale ondersteuning in functie van de doelen
225
Inhoud
11
Het netwerkoverleg als specifieke methode
227
Afgerond proces en goede voorbereiding
227
Duidelijk doel
228
Begrijpelijk verhaal
228
Beperkte omvang
228
Sterke gespreksleiding
229
Feedback
229
Het trainen van sociale vaardigheden
230
Stap 10. Evolueren als netwerk Het meten van de symptomen Het bereiken van de systeemdoelen De evaluatiepunten
Deel III De case van Viktor
234 237 237 238
241
Ter inleiding Situatieschets Situatie bij start van de hulpverlening
241 242 243
Stap 1: wat is het probleem? In kaart brengen van de klachten en de symptomen
244 245
Stap 2: meten
247
Stap 3: openbreken Het systeemdiagram
249 250
Stap 4 : wie? Wat en hoe? De affectieve relatie De invloed van de relaties
254 255 258
Stap 5: belemmeren en/of bevorderen
268
12 Gedeelde zorg
Wat zijn de belemmerende en bevorderende factoren uit het trampolinemodel? Welke pathologieën leggen druk op Viktor?
269 269
Stap 6: de sociale competentie
273
Stap 7: de systeemtaken
278
Stap 8: doelen Doelenplan Viktor
281 282
Stap 9: sturen van het netwerk Voorbeeld van een gesprek tussen Viktor en de transformatie-expert Voorbereiding van de telefoongesprekken Voorbereiding van de huisbezoeken Subsysteem ‘vrienden’ Subsysteem ‘fitness’ Subsysteem ‘werk’ Subsysteem ‘hulpverlening’ Het netwerkoverleg
286 287 288 288 290 291 291 291 291
Stap 10: evolueren Leren evolueren De zelfmanagementmethode Voorspelbaarheid en duidelijkheid Voorbeeld evaluatiegesprek
294 295 295 296 297
Logboek
297
Doelenplan
297
Doelen, vaardigheden en relaties
298
Tot slot Evolueren in plaats van problemen oplossen Doelen, vaardigheden en relaties Thinking, feeling and acting slow Afhankelijkheid en verantwoordelijkheid
301 302 303 304 305
Literatuurlijst 306
Inhoud
13
Bijlage 313 Ontwikkelingstaken verschillende leeftijdsgroepen Ontwikkelingstaken voor jongvolwassenen (twintig tot veertig jaar) Ontwikkelingstaken voor volwassenen van middelbare leeftijd (veertig tot vijfenzestig jaar) Ontwikkelingstaken voor ouders
313 314 314 316
Toelichting
317
Ontwikkelingstaken voor kinderen van nul tot zes jaar
319
Ontwikkelingstaken in de babyfase (nul tot anderhalf jaar)
319
Ontwikkelingstaken in de dreumesfase (anderhalf tot tweeënhalf jaar)
321
Ontwikkelingstaken in de peuterfase (tweeënhalf tot vier jaar)
322
Ontwikkelingstaken in de kleuterfase (vier tot zes jaar)
324
Ontwikkelingstaken voor kinderen in de basisschool (zes tot twaalf jaar) Acht ontwikkelingstaken voor adolescenten
326 327
1. Het geven van vorm aan veranderende relaties in het gezin
327
2. Participeren in onderwijs of werk
328
3. Zinvol invullen van vrije tijd
329
4. Creëren en onderhouden van een eigen woon- en leefsituatie
330
5. Omgaan met autoriteiten en instanties
330
6. Zorg dragen voor gezondheid en uiterlijk
331
7. Opbouwen en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen
331
8. Vormgeven aan intimiteit en seksualiteit
332
Inleiding We moeten vooral nederig zijn en beseffen dat we hun problemen niet kunnen oplossen. Pijnenburg, Studiedag ‘Begeleiding in haar context’, 2014
Op dinsdag 16 september 2014 organiseerde het agentschap Jongerenwelzijn de studiedag ‘Begeleiding in haar context’. De studiedag werd afgerond met een debat tussen professor Huub Pijnenburg (Praktikon), professor Johan Vanderfaeillie (Vrije Universiteit Brussel), David Debrouwere (agentschap Jongerenwelzijn), Willy Vandamme en Kris Clijsters (vzw Cachet). Het onderwerp van de studiedag lag in het verlengde van de brede maatschappelijke tendens om de zorg te vermaatschappelijken: Het vermaatschappelijken van de zorg is het streven om mensen met beperkingen, chronisch zieken, kwetsbare ouderen, jongeren met gedrags- en emotionele problemen, mensen die in armoede leven, ... een eigen zinvolle plek in de samenleving te laten innemen, hen daarbij waar nodig te ondersteunen en de zorg zoveel mogelijk geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen (Vlaamse Overheid, 2013). Het geanimeerde debat werd in goede banen geleid door Joël De Ceulaer van Knack. Twee uitspraken van Huub Pijnenburg en David Debrouwere bleven hangen:
• Huub Pijnenburg: ‘We moeten vooral nederig zijn en beseffen dat we •
hun (de cliënten) problemen niet kunnen oplossen.’ David Debrouwere: ‘Wanneer sluiten we de hulpverlening af? Na het eerste probleem? Na het tweede probleem? Na het derde probleem? Na het vierde probleem? …’
De twee uitspraken leggen een achillespees bloot: de vaststelling dat we de problemen van onze cliënten niet kunnen oplossen en dat ze bovendien van het ene probleem naar het andere drijven zonder dat het continuüm aan problemen kan doorbroken worden. Het stemt tot nadenken over de slagkracht en de finaliteit van hulpverlening. Sinds ruim een decennium is er een duidelijke tendens om de problemen van de cliënt zeer gericht aan te pakken. De introductie van evidencebased practice heeft deze evolutie extra in de verf gezet. Hulpverlening wordt beschreven en met zo valide mogelijke kennis onderbouwd in programma’s en protocollen om een specifiek probleem van een cliënt op te
16 Gedeelde zorg
lossen. In het licht van de vraag van David Debrouwere zou dit geruststellend moeten zijn omdat we beter in staat zouden moeten zijn om een probleem van een cliënt duurzaam op te lossen. En toch is dit niet het geval omdat er nieuwe problemen ontstaan. De vraag is: Waarom? Het antwoord op deze vraag is de onderstroom van dit boek. Het antwoord en de oplossing zijn de twee zijden van eenzelfde munt: de veerkrachtige cliënt. Er bestaat een verband tussen veerkracht en probleemoplossend vermogen. Als de veerkracht beperkt is, dan daalt het probleemoplossend vermogen en wordt de impact van een probleem groter. Veerkracht is het gemak waarmee problemen worden opgelost. Alle mensen worden geconfronteerd met problemen, ook cliënten, maar blijkbaar zijn sommige mensen beter dan andere mensen in staat om problemen op te lossen. Dat werpt een ander licht op de vraag van David Debrouwere. Problemen zijn normaal, het onvermogen om de problemen aan te pakken is niet normaal. Beperkte veerkracht is het probleem, de grote impact van het probleem is het symptoom. In deze redenering is een probleem aanpakken een symptoom aanpakken en niet het probleem. Met deze methode willen we een stevig handvat geven om het probleem en niet het symptoom aan te pakken. Dit boek zet in op veerkracht door enerzijds theoretisch te onderbouwen wat veerkracht is en anderzijds een methode handen en voeten te geven die de veerkracht van cliënten versterkt. Het theoretische luik tracht uit te leggen wat veerkracht betekent: het is een combinatie van gunstige kenmerken van een cliënt en gunstige kenmerken van de materiële en sociale context van de cliënt. Beide soorten kenmerken moeten voldoende ‘passen’. Ongunstige kenmerken van de cliënt en ongunstige kenmerken van de materiële en sociale context kunnen de veerkracht ondermijnen. De belangrijkste theoretische wortel is de sociobiologie, die uitlegt hoe samenwerking met anderen het succes van de mens als soort sterk heeft bepaald. Met andere woorden, een gebrek aan veerkracht is een gebrek aan samenwerking. In dit boek gebruiken we het woord sociale steun. Sociale steun betekent veerkracht. Als auteurs beseffen we dat de sociobiologie als basistheorie voor een hulpverleningsmodel voor controverse kan zorgen. Dat is niet de bedoeling. We willen een theoretisch fundament leggen dat inspirerend kan
Inleiding
17
werken door middel van analogieën tussen de sociobiologie en de hulpverlening. We claimen inspirerende analogieën, geen sluitende theorie, omdat de sociobiologie nu pas aanvaard wordt en de link met hulpverlening proto-paradigmatisch is. Dit betekent dat er nog geen vaste en solide body of evidence is. Dat valt buiten de ambitie en de mogelijkheden van dit boek. Desondanks werpt het theoretische luik een leerrijk licht op het belang van de sociale context in het concept veerkracht. De voorgestelde methode geeft handvatten om de kenmerken van de cliënt en de materiële en sociale context te optimaliseren waardoor de cliënt en zijn materiële en sociale context een veerkrachtigere combinatie vormen. Kortweg doet de methode vier belangrijke dingen:
1. De kenmerken van de cliënt en zijn materiële en sociale context gedetailleerd in kaart brengen en analyseren hoe de kenmerken de veerkracht bevorderen of belemmeren. 2. Vaststellen op welke manier de bevorderende kenmerken kunnen worden gebruikt en de belemmerende kenmerken kunnen worden bijgestuurd om de veerkracht te vergroten. 3. Het opstellen van een doelenplan met acties die de veerkracht vergroten. Aan het doelenplan wordt de sociale context vastgekoppeld. 4. En ten slotte de doelen en acties evalueren en bijsturen met de sociale context om aan precisie te winnen in functie van de te vergroten veerkracht. Dat is het traject dat werd uitgewerkt in de methode. Dit boek bestaat uit drie grote luiken: een theoretisch luik, een praktisch luik en een illustrerende case die de hele methode omspant. Hoofdstuk 1 In het eerste hoofdstuk wordt verantwoord waarom de sociale context van de cliënt moet worden betrokken bij de hulpverlening. Er worden drie argumenten uitgewerkt. Het wetenschappelijke argument mengt zich in het actuele debat over wat werkt in de hulpverlening. Er wordt ingehaakt op de discussie die woedt over het belang van methodisch werken. De motieven om doorgedreven aan de slag te gaan met de sociale context zijn terug te vinden in het aandeel van de extratherapeutische factoren
18 Gedeelde zorg
(veertig procent) en de algemeen werkzame factoren (dertig procent, met in het bijzonder de therapeutische relatie) in het totale effect dat wordt gegenereerd bij doorsnee hulpverlening. De extratherapeutische factoren willen we ombuigen naar therapeutische factoren door ze expliciet mee op te nemen in de methode. Per slot van rekening gaat het over de omgevings- en cliëntkenmerken. Het evolutionaire argument volgt een zijspoor dat mogelijkerwijs verklaart waarom verandering in de hulpverlening nauwelijks via een methodiek kan worden bereikt, maar wel via een toevallige wijziging in de extratherapeutische factoren. De mosterd werd gehaald bij Gould en Eldredge (Gould S.J., 1977), die de theorie van het punctuated equilibrium ontwikkelden als zijspoor van de klassieke evolutieleer. De theorie heeft sinds het begin van 21ste eeuw doorvertalingen gekregen in de sociologie en psychologie. Er is een evolutionaire sprong mogelijk als het evenwicht tussen een mens en zijn omgeving wordt doorprikt. Ze moeten samen evolueren waardoor de mens zich kan aanpassen. Dat vermogen is het fundament van de veerkracht. Hoofdstuk 2 In het tweede hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de impact op de professional. De professional wordt gesitueerd in het welzijnswerk dat bezig is met het welzijn van de cliënt in de meest brede betekenis. Dat staat in contrast tot de expert die aan de slag gaat met een specifiek probleem in een van de leefgebieden van de cliënt. Daar is de verantwoording terug te vinden. Welzijn wordt sterk bepaald door de steun van belangrijke mensen in de sociale context van de cliënt. Daarom zet de professional in op het mobiliseren van steun voor de cliënt. Samenwerking en expertise zijn de twee fundamenten van hulpverlening. Hoofdstuk 3 Het derde hoofdstuk is de theoretische hoeksteen. De betekenis van het woord evolutie wordt in al zijn aspecten stapsgewijs uitgewerkt. Het einddoel is een duidelijk beeld van hoe een individu en zijn materiële en sociale context op elkaar ingrijpen, met een situatie als resultaat die al dan niet voldoende materieel en sociaal comfort biedt. De ervaring van meer of minder comfort is een feedbackmechanisme dat het individu en zijn omgeving laat leren en hun gedrag wederzijds laat aanpassen. Dit is de motor achter de veerkracht.
Inleiding
19
Hoofdstuk 4 In het vierde hoofdstuk slaan we de brug van de sociale context van een cliënt naar een samenwerkend netwerk waarvan de leden elkaar ondersteunen. Onvermijdelijk passeren definities en begrippen de revue om een gemeenschappelijke taal te creëren. Ten slotte komt de grove fasering van de methodiek aan bod, die uitlegt op welke manier de sociale context stap voor stap wordt getransformeerd naar een netwerk. In de vier fasen van de transformatie wordt de rol van iedere deelnemer en de manier waarop ze onderling samenwerken uitgediept. Hoofdstuk 5 Dit is een belangrijk methodologisch hoofdstuk omdat evolutie in de hulpverlening en in het leven van de cliënt en zijn netwerk worden gefundeerd. De analyse van het probleem en de oplossing voor het probleem van de cliënt leveren geen duidelijk oorzaak-gevolgbeeld op. Het is geen causaal verband, maar eerder een correlaat. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop hulpverleningsdoelen worden geëvalueerd en bijgestuurd. Een doelenplan is geen autosnelweg die leidt naar een oplossing, maar het begin van een evolutie naar de beste aanpak. Men evolueert naar de beste aanpak door het initiële doelenplan te evalueren en verder te verfijnen. Hoofdstuk 6 Met hoofdstuk 6 sluiten we het hek van het theoretische luik. We trachten de gebruikte methodiek en de verschillende aspecten ervan te verantwoorden door uit te leggen waarom cliënten en hulpverleners weerstand vertonen ten aanzien van het betrekken van een sociale context, en we proberen uit te leggen hoe de methode het probleem tracht op te lossen. Het praktijkgedeelte is opgevat als een handleiding voor de hulpverlener die de sociale context van de cliënt ombouwt tot een samenwerkend netwerk. Het beslaat tien stappen. Iedere stap werd uitgewerkt als een logisch proces dat de hulpverlener volgt. De structuur van iedere stap is dezelfde. Aan het begin van iedere stap wordt het doel beschreven. Als de stap consequent wordt gezet, heeft de hulpverlener samen met zijn cliënt en de leden van de sociale context de doelen bereikt. Ze worden gebruikt als het beoogde eindpunt en als een checklist. Het vervolg is zeer transparant. Iedere stap leest als een proces met daarin concrete
20 Gedeelde zorg
voorbeelden en afbeeldingen van de instrumenten die worden gebruikt om samen met de cliĂŤnt en zijn sociale context de stap te zetten. Ten slotte vindt de lezer een case die volledig en tot in detail werd uitgewerkt aan de hand van het stappenplan. De tien stappen werden gezet en uitgewerkt, de instrumenten werden gebruikt en omkaderd met een verhaal dat verantwoordt waarom cruciale beslissingen in een case werden genomen.
Inleiding
21
Deel 1 Het theoretische fundament
1 Van sociale context naar netwerk … twee goede redenen ‘We gaan er niet geraken zonder dat de mensen elkaar helpen.’ Jo Vandeurzen
Van sociale context naar netwerk … twee goede redenen
23
‘We gaan er niet geraken zonder dat de mensen elkaar helpen’, zegt Jo Vandeurzen, de Vlaamse minister van Welzijn (Doncker, 2011). Als auteurs geven we hem gelijk. We gaan er zonder dat we elkaar helpen niet geraken. Dit boek legt uit waarom mensen elkaar zouden moeten helpen en hoe ze dat dan wel kunnen doen onder begeleiding van een gespecialiseerd hulpverlener. De vraag is wat de motieven zijn achter deze boude stelling? Het spanningsveld tussen de steeds langere wachtlijsten en krappere maatschappelijke budgetten was de aanleiding van het artikel in de rubriek ‘Nieuws/Weekend Extra’ van Het Belang van Limburg. Er stijgen alsmaar meer zorgvragen op uit de samenleving. En dat spanningsveld tussen steeds krappere budgetten en meer zorgvragen is een terechte reden om het geweer van schouder te veranderen. Al zijn de redenen waarom we er niet geraken fundamenteler dan de krappe budgetten, want budgetten zijn middelen en zeker geen oorzaken. We vertrekken van twee redenen die verklaren en motiveren waarom mensen elkaar moeten helpen. Maar de twee redenen tonen aan dat er iets fundamenteel fout is in de manier waarop we als samenleving, hier en nu, welzijn organiseren. We brengen twee argumenten in: het wetenschappelijke argument en het evolutionaire argument. en het maatschappelijke argument.. Twee argumenten die, volgens ons, aantonen dat de manier waarop de samenleving welzijn organiseert een sneltrein op een doodlopend spoor is.
Het wetenschappelijke argument Het debacle rond de werkzame factoren In de hulpverlening woedt al ruim een decennium een controverse over de zinvolheid of de zinloosheid van methodisch werken. Zoals steeds zijn er voor- en tegenstanders. De discussie over het onderwerp is niet onbelangrijk omdat de controverse ons twee dingen kan leren. Namelijk dat het betrekken van de sociale context van de cliënt noodzakelijk is en dat de effectiviteit van de hulpverlening aanzienlijk kan worden verhoogd als de context methodisch wordt betrokken. Ingebed in een methodiek
24 Gedeelde zorg