Skip to main content

9789401418911

Page 1

Vlaanderen kiest


Vlaanderen kiest Trends in stemgedrag en opvattingen over politiek, staatshervorming en Kerk

Koen Abts, Marc Swyngedouw, Jaak Billiet en Bart Meuleman


Vlaanderen kiest

D/2014/45/319 – ISBN 978 94 014 1891 1 – NUR 756 Vormgeving cover: Paul Verrept Vormgeving binnenwerk: Fulya Toper © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

uitgeverij lannoocampus erasme ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.Lannoocampus.be

4


INHOUDSTAFEL Voorwoord Trends in stemgedrag en politieke opinies

7

HOOFDSTUK 1 Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

15

HOOFDSTUK 2 De wantrouwige Vlaming: de toestand van het institutionele vertrouwen (1995-2010)

47

HOOFDSTUK 3 Het recente verlies van vertrouwen in de katholieke Kerk

75

HOOFDSTUK 4 Verschuivingen in het stemgedrag (2007-2010)

131

HOOFDSTUK 5 De structurele en culturele determinanten van het stemgedrag in 2010

147

HOOFDSTUK 6 Het profiel van het N-VA-electoraat in 2010

193

HOOFDSTUK 7 Vlamingen en de communautaire kwestie

219

EINDNOTEN

246

5


Trends in stemgedrag en politieke opinies Koen Abts, Marc Swyngedouw, Jaak Billiet en Bart Meuleman

Dit boek plaatst de verkiezingen van 25 mei 2014 in een breder perspectief vanuit een wetenschappelijke invalshoek gebaseerd op empirisch onderzoek. Door te kijken naar de houdingen en gedragingen van de Vlaamse kiezers pogen we de waan van de dag te overstijgen. Uit onze analyses blijkt dat bepaalde houdingen en gedragingen in sommige opzichten zeer stabiel blijven doorheen de tijd, maar in andere opzichten uiterst volatiel zijn. Sinds we in 1985 op vraag van wijlen Frans Verleyen – de toenmalige hoofdredacteur van Knack – de opiniepeiling die in het blad verscheen statistisch analyseerden, was er de hoop om ooit te beschikken over op wetenschappelijk verantwoorde wijze verzamelde verkiezingsgegevens. Droom werd realiteit. In 1991 werd het eerste grootschalige Belgische Verkiezingsonderzoek uitgevoerd. Sindsdien heeft het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) van de KU Leuven bij elke federale verkiezing een postelectoraal verkiezingsonderzoek georganiseerd. In 2014 zal dat weer gebeuren. Het ISPO trekt dan bijna 25 jaar aan de kar van het wetenschappelijke verkiezingsonderzoek in België. Al voor de tweede keer in de recente geschiedenis worden de verkiezingen uitgeroepen tot de ‘moeder aller verkiezingen’. Niemand weet wat dat daadwerkelijk betekent, op het feit na dat verschillende verkiezingen samenvallen. In 1999 vielen de verkiezingen voor het federale parlement en het Europese parlement samen, in 2014 gaat het om het samenvallen van drie verkiezingen. Gegeven de institutionele hervormingen vervat in de zesde staatshervorming ziet het er dan ook naar uit dat we nog vaak ‘moeders aller verkiezingen’ zullen krijgen in de 7


Vlaanderen kiest

toekomst. Hoe dan ook zijn verkiezingen altijd belangrijk. Om het even welke federale verkiezing sinds 1985 werd in de media als cruciaal bestempeld. Volledig terecht, want het gaat altijd over de richting en de toekomst van een samenleving. Het peilen van stemintenties is geen sinecure. Vaak zitten voorspellingen er goed naast. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen wist geen enkele peiling de doorbraak van PVDA+ in Antwerpen te voorspellen. De partij was nochtans goed voor 8% van de Antwerpse stemmen. Daarnaast voorspelden sommige peilers tot op het eind een nek-aannekrace tussen Patrick Janssens en Bart De Wever in Antwerpen. De realiteit was een overrompelende overwinning van het N-VA-kopstuk – met een voorsprong van maar liefst 9 procentpunten op zijn uitdager. Een andere peiling zat er wat dichter bij. Maar wat ben je ermee als kiezer? Je weet immers niet op welke peiling je wel en niet kunt vertrouwen. De onzekerheid blijft groot. Dit is niet onlogisch in tijden waar kiezers almaar beweeglijker zijn. Zo verandert één op drie kiezers van partij per stembusgang. Daarnaast aarzelen kiezers ook langer. In 2010 wist minder dan de helft van de kiezers bij het begin van de verkiezingscampagne op welke partij ze zouden stemmen, terwijl bijna vier op tien kiezers pas de laatste dagen een keuze maakten. Deze volatiele realiteit maakt het bijzonder moeilijk om op voorhand betrouwbare voorspellingen te doen. Daarnaast leidt de inflatie van voorspellingen al te gemakkelijk tot ‘game framing’ – politiek wordt herleid tot winnaars en verliezers. Het postelectorale onderzoek van 2010-2011 mag dan al een tijdje achter de rug liggen, het biedt toch een interessante inkijk welke opvattingen en motieven van kiezers belangrijk waren bij het uitbrengen van hun stem. Onze ervaring van 25 jaar kiezersonderzoek leert dat attitudes, waarden en gedragingen van kiezers meestal maar langzaam veranderen – tenzij er schokkende en uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals de zaak-Dutroux, plaatsgrijpen. Tal van analyses illustreren dat langetermijntrends die het electorale gedrag van kiezers sturen zich slechts langzaam voltrekken en in het algemeen relatief duurzaam zijn. Dieperliggende waardeoriëntaties zijn meestal ingebed in de typische 8


Trends in stemgedrag en politieke opinies

breuklijnenstructuur van de nationale politieke ruimte en evolueren met de levenscyclus – dus de opvallendheid en urgentie – ervan. Dit neemt niet weg dat nieuwe thema’s een belangrijke invloed kunnen hebben op het stemgedrag. Het issue van migratie en integratie was bijvoorbeeld doorslaggevend bij de kiezers in 1991, maar kwam vrijwel niet aan bod in de campagne. In 1999 doorkruiste de dioxinecrisis alle partijstrategieën. Zeker kortetermijneffecten – vaak veroorzaakt door bijzondere gebeurtenissen die in de massamedia breed uitgesmeerd worden – zijn vrijwel niet te voorspellen, maar kunnen de verkiezingsuitslag ingrijpend beïnvloeden. Het maakt partijen meer onzeker, want wat gisteren werkte, levert niet noodzakelijk één jaar later hetzelfde resultaat op. Partijen worden de speelbal van een verkorte levenscyclus van sommige stembepalende thema’s. De electorale onzekerheid wordt nog versterkt doordat het electoraat zich almaar minder als een volgzame kudde gedraagt. We evolueren meer en meer naar toeschouwersdemocratie waarin nogal wat burgers als wispelturige consumenten achter de ene of andere politieke kwestie of leider aanhollen. Politieke zekerheden worden ingeruild voor wisselende loyaliteiten. Kiezers zouden meer naar het optreden van politici kijken. Het imago, de stijl, de uitstraling en de reputatie van partij en partijleiding worden steeds belangrijker in de electorale competitie. In 2003 en 2007 konden de traditionele partijen op die manier boven hun trouw partijelectoraat uitstijgen, omdat de kopstukken Stevaert (2003) en Leterme (2007) met hun mediagenieke optreden erin slaagden om heel wat wisselende en twijfelende kiezers over de streep te trekken. Dat de wetten van de mediademocratie echter onverbiddelijk zijn, bleek uit de relatief korte duur van hun succes. De staat van genade is kort, het aureool van de mediatieke leider kwetsbaar. Zogezegd charismatische leiders komen en gaan – almaar sneller lijkt het. Het stemgedrag wordt dan wel minder voorspelbaar, maar dit betekent niet dat er sprake is van een losgeslagen electoraat waarvan het stemgedrag volledig losgekoppeld is van sociale structuur en waardeoriëntaties. De eerste kritiek is dat het belang van de traditionele scheidslijnen wel verminderd is, maar dat heel wat structurele kenmerken nog 9


Vlaanderen kiest

steeds een grote verklarende kracht hebben. De bindingen zijn dan wel minder exclusief en diepgaand, ze zijn zeker niet volledig verdwenen. De tweede kritiek is dat de zwevende kiezer geen op hol geslagen kiezer is die louter meedeint op de golfslag van de dramademocratie. Wat opvalt is dat de kiezer niet willekeurig beweegt, maar vaak twijfelt binnen bepaalde ideologische marges en tussen partijen die inhoudelijk relatief dicht bij elkaar liggen. De verminderde partij-identificatie in combinatie met een grotere ideologische overlap tussen heel wat partijen maakt juist dat kiezers zich in verschillende partijen tegelijkertijd herkennen, wat de overstap naar verwante partijen vergemakkelijkt. Een derde punt van kritiek is dat de impact van de beleidsthema’s, de campagne of het imago van partijleiders op kiesgedrag niet overschat moet worden. De meeste kiezers bepalen hun keuze nog steeds in hoge mate op basis van ideologische of programmatische verwantschap, wat evenwel niet betekent dat issues, eigenschappen van kandidaten, stijl of mediaoptreden geen afzwakkend of versterkend effect op de uiteindelijke stemkeuze kunnen hebben. Wel blijkt de nationale politieke ruimte minder door de traditionele tegenstellingen op basis van religie en oude sociale stratificatieschema’s bepaald te worden, maar meer door andere culturele en sociaaleconomische breuklijnen die stoelen op andere waarden. Aan de ene kant zorgt het proces van modernisering voor een verhevigd conflict tussen winnaars en verliezers. In essentie plaatst het integratie-demarcatie conflict de posities van open universalisme en gesloten particularisme tegenover elkaar. De nieuwe tegenstelling heeft zowel een economische als culturele dimensie, waarbij open of integrerende posities onderscheiden kunnen worden van defensieve of protectionistische posities. In het economische domein wordt de neoliberale vrije markt tegenover actieve overheidsinterventie geplaatst, terwijl in het culturele domein een universalistische en multiculturele visie staat tegenover een particularistische positie die de nationale ruimte wil afschermen tegen de bedreigende andere. Aan de andere kant wordt de spectaculair gegroeide nieuwe middenklasse ook verdeeld in verschil-

10


Trends in stemgedrag en politieke opinies

lende fracties met zeer uiteenlopende visies op het goede leven en samenleven naargelang de klemtoon meer op vrijheid, gelijkheid dan wel solidariteit ligt. De bijdragen in dit boek bouwen voort op de ISPO-onderzoeks­ traditie die nagaat hoe structurele posities gepaard gaan met sociale, culturele en economische waardeoriëntaties en hoe deze scheidslijnen politieke vertaling krijgen in het stemgedrag. Op deze manier pogen we boven de waan van de dag uit te stijgen. We willen langetermijntrends ontrafelen, waarbij de methodologische beperkingen van onze beschikbare data gerespecteerd worden. In dit boek ligt de klemtoon vooral op het verkiezingsonderzoek van 2010, maar worden de recente gegevens vrijwel altijd geplaatst in het licht van twintig jaar onderzoek naar sociale en politieke opinies. Vaak vergelijken we de resultaten van 2010 met de vorige verkiezingsonderzoeken (1991, 1995, 1999, 2003, 2007). Hoe is de situatie nu en in welke mate is dat anders dan in het verleden? Over de meeste thema’s werd voordien al gerapporteerd door de krant De Standaard en de VRT nieuwsdienst. Daarnaast maakt één bijdrage deel uit van een onderzoek in opdracht van de Vlaamse overheid. De hoofdstukken in dit boek kunnen afzonderlijk gelezen worden. In welke volgorde er gelezen wordt, is niet zo belangrijk. Onze aanpak heeft wel tot gevolg dat er overlap kan zijn tussen de verschillende hoofdstukken. Dit geldt voor de bijdragen ‘De structurele en culturele determinanten van het stemgedrag in 2010’ en ‘Het profiel van het N-VA electoraat in 2010’. Toch hebben we dit laatste hoofdstuk opgenomen omdat de redenen om op N-VA te stemmen anders wellicht onvoldoende belicht zouden worden, terwijl de vraag naar deze informatie zeer groot blijkt te zijn. De beschrijving van de data en methodologie is opgenomen in de hoofdstuk 5. Dit wordt nadien niet meer herhaald. Het boek opent met de studie over jongeren en democratisch burgerschap. Hoofdstuk 1 onderzoekt de sociale houdingen en politieke gedragingen van jongvolwassenen behorend tot de cohorten van 18-24-jarigen en 25-34-jarigen. Vaak wordt het beeld opgehangen dat 11


Vlaanderen kiest

jongeren minder geïnteresseerd zijn in politiek en dat hun participatie lager zou zijn. Deze diagnose moet genuanceerd worden. Wanneer jongeren met ouderen worden vergeleken, blijkt dat ze inderdaad op het vlak van politieke kennis over en interesse in de politiek minder goed scoren, maar dat ze op het vlak van democratisch burgerschap (vaak) niet zo veel afwijken. Onze these is dan ook dat heel wat onderzoek bij Vlaamse scholieren vermoedelijk meer vertelt hoe het in het algemeen met het democratisch burgerschap in Vlaanderen gesteld is dan dat het iets specifiek over de Vlaamse jongeren zegt. Hoofdstuk 2 bestudeert hoe het met het institutionele vertrouwen van de Vlaamse kiezers gesteld is. Ook hier is de vraag of het daadwerkelijk van kwaad naar erger gaat doorheen de tijd. Dit blijkt niet het geval. De veranderingen in de periode tussen 1995 en 2010 zijn relatief beperkt – zij het dat vertrouwen op een bedroevend laag niveau blijft. Daarnaast blijken er wel tussen de diverse partijelectoraten beduidende verschillen op het vlak van institutioneel vertrouwen te zijn. Dit geldt echter niet voor het wantrouwen in de pers en de bankinstellingen. De Kerk beleefde in 2010 een rampjaar. Naast het al dalende vertrouwen in de katholieke Kerk gedurende de jongste drie decennia werd de Kerk in 2010 geconfronteerd met de affaires van kindermisbruik door een aantal geestelijken en priesters in het verleden. In hoofdstuk 3 gaan we na in welke mate de recente crisis de geloofwaardigheid van de Belgische Kerk verder heeft aangetast. Omdat dezelfde respondenten zowel vóór als na de pedofiliecrisis konden bevraagd worden, is het mogelijk het effect van deze affaires op het vertrouwen in de Kerk te onderzoeken. Uit de analyses blijkt de sterke impact ervan, waarbij vooral de kerkse katholieken – zij die geregeld praktiseren – geschokt zijn in hun vertrouwen. Voorts wordt er ook bekeken hoe mensen de aanpak van de pedofiliecrisis door de Kerk evalueren en wat hun mening is over het celibaat, vrouwelijke priesters en traditionele liturgie. In hoofdstuk 4 worden de stemverschuivingen in het Vlaamse electoraat tussen de verkiezingen van 2007 en 2010 in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat vrijwel alle partijen kiezers verloren aan N-VA. De

12


Trends in stemgedrag en politieke opinies

Vlaams-nationalistische partij wist heel wat kiezers mee te nemen uit het kartel CD&V/N-VA, maar ook het Vlaams Belang deelde in de klappen. De partij verloor maar liefst een derde van haar electoraat aan N-VA. Daarnaast wist die laatste partij ook nogal wat kiezers bij Open VLD en in mindere mate bij sp.a te halen. Wie op welke partij stemt en om welke redenen is een vraag die beantwoord wordt in de studie over de structurele en culturele determinanten van het stemgedrag in 2010. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat structurele kenmerken – zoals geslacht, leeftijd, sociale klasse en kerkbetrokkenheid – opnieuw een wezenlijk effect hebben op het stemgedrag, maar dat de sterkste effecten toch blijven uitgaan van vakbond en mutualiteit. Op het vlak van waarden hebben Vlaams autonomiestreven, politiek cynisme en antimigranten-attitudes een sterke invloed op het stemgedrag. Daarnaast is het opvallend dat alleen N-VA-kiezers verwijzen naar het aantrekkelijke imago van hun partij en hun partijleider als voornaam stemmotief. Dit illustreert dat N-VA en vooral De Wever de voornaamste – zelfs de enige – winnaar is gebleken van de toeschouwersdemocratie. In de gemediatiseerde strijd der politieke titanen speelden de kandidaat-premiers van CD&V, Open VLD en sp.a in 2010 in het geheel niet mee. De federale verkiezingen van 2010 waren een electorale triomf voor N-VA. In hoofdstuk 6 wordt het N-VA-electoraat van naderbij bekeken. We maken een onderscheid tussen de ‘oude’ en ‘recente’ N-VAkiezers. Deze beide categorieën vergelijken we onderling, maar ook met het gehele electoraat. N-VA blijkt een schoolvoorbeeld van een volkspartij te zijn, in die zin dat het een getrouwe afspiegeling van het Vlaamse electoraat vormt. De partij weet een electorale coalitie aan te trekken van vroegere CD&V-, Open VLD- en Vlaams-Belangkiezers. Deze brede coalitie zorgt intern echter voor een flinke spagaat of spreidstand. De recente N-VA-kiezers die in 2010 voor de eerste keer op de partij stemmen, blijken minder radicaal te zijn. Zij hebben minder omwille van de Vlaamse agenda op N-VA gestemd, meer omwille van politieke verandering. Ten slotte heeft ook één vijfde van het nieuwe

13


Vlaanderen kiest

N-VA-electoraat in 2010 op de verkiezingsdag zelf beslist om N-VA te stemmen. De verkiezingen van 2014 staan voor N-VA dan ook in de eerste plaats in het teken van de ‘fidelisering’ van het al verworven electoraat. Dit is noodzakelijk om nog verder electoraal te groeien. Het laatste hoofdstuk gaat in op de mening van Vlamingen over de communautaire kwestie in 2010. De dataverzameling greep plaats tijdens de langdurige onderhandelingen over de zesde staatshervorming. Dagelijks werd de bevolking geconfronteerd met zeer uiteenlopende visies op de toekomst van België. N-VA poneerde zelfs dat de limiet van het Belgische model bereikt was en dat enkel onafhankelijkheid of toch confederalisme – een copernicaanse revolutie in het staatsbestel – een oplossing kon bieden. De centrale vraag is of de hoogoplopende spanningen de gevoeligheid voor het communautaire thema bij de Vlaming versterkt heeft en of meer kiezers een splitsing van het land willen. We stellen vast dat de houdingen op het vlak van de Belgische staatsstructuur in de periode 2007-2010 niet zo sterk veranderd zijn. Een meerderheid van de Vlamingen wil meer bevoegdheden voor de regio’s, terwijl één op acht Vlamingen een splitsing wil. Ten slotte blijkt dat iemands mening omtrent de gewenste staatsstructuur in sterke mate samenhangt met de visie op de financiële transfers tussen Vlaanderen en Wallonië.

14


hoofdstuk 1 Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap Koen Abts & Marc Swyngedouw

Inleiding: een apolitieke generatie? De huidige samenleving veronderstelt democratisch burgerschap. Een levendig publiek debat gaat ervan uit dat burgers alert, welbespraakt en actiebereid zijn op het vlak van maatschappelijke kwesties die hen aanbelangen. Van burgers wordt verwacht dat ze actief deelnemen aan het politieke besluitvormingsproces en tolerantie tegenover medeburgers aan de dag leggen. Burgers moeten zich betrokken voelen bij de politieke gemeenschap en verantwoordelijkheid opnemen. Politieke betrokkenheid wordt daarom om verschillende reden als belangrijk beschouwd: participatie zorgt ervoor dat burgers hun grieven en voorkeuren in het politieke proces in rekening worden gebracht, terwijl het burgers ook leert hoe om te gaan met afwijkende meningen en hoe compromissen te sluiten. Al doende leert men hoe politieke besluitvorming werkt. Toch heerst er heel wat bezorgdheid over het democratisch burgerschap in de laatmoderne samenleving, gekenmerkt door globalisering, migratie en individualisering. Vaak wordt verwezen naar een afkalvende politieke interesse, een dalende actiebereidheid, een toenemend politiek cynisme, een groeiend maatschappelijk onbehagen en een afnemende tolerantie bij de hedendaagse burger. De bezorgdheid richt zich hierbij vooral op de jongste generaties. Zo stelt Robert Putnam dat de vooroorlogse civic generation vervangen is door jongere generaties die 15


Vlaanderen kiest

veel minder maatschappelijk actief zijn en minder burgerzin aan de dag leggen, wat de sociale cohesie van de gehele samenleving dreigt te ondergraven (Galston, 2001, Putnam, 2000). Er wordt geklaagd over de hoge mate van politieke apathie en de beperkte burgerzin van jongeren. In de literatuur bestaat er alvast een zekere consensus over dat jongeren zich in toenemende mate distantiëren van de publieke sfeer en minder geïnteresseerd zijn in politiek (Herbots & Elchardus, 2010: 76). Uit de International Civic and Citizenship Education Study blijkt dat de meeste scholieren weinig besef hebben wat een democratie nu eigenlijk inhoudt. Vlaamse scholieren zouden daarenboven een veeleer passieve visie op burgerschap hebben, waarbij het volgen van politiek nieuws of het voeren van politieke discussies minder belangrijk wordt geacht dan in de meeste andere West-Europese landen (vgl. De Groof, Elchardus, Franck & Kavadias, 2010). Om die reden wordt er wel eens gesproken van een apolitieke generatie. Het risico is echter dat een nogal eenzijdig en misleidend beeld van jongeren wordt geschetst wanneer uitspraken worden gedaan die louter gebaseerd zijn op onderzoek bij scholieren. Dit om verschillende redenen. Ten eerste zijn heel wat pessimistische diagnoses gestoeld op selectieve waarneming waarbij trends die zich voordoen in de gehele bevolking al te gemakkelijk beschreven worden als een typisch verschijnsel van jongeren (Herbots & Elchardus, 2010: 77). De vraag is dan ook of en in welke mate jongvolwassenen op het vlak van democratisch burgerschap daadwerkelijk afwijken van de oudere generaties. Dit veronderstelt een vergelijkend onderzoek. Misschien weerspiegelen de lage scores van jongeren op burgerschapstesten wel een breder maatschappelijk fenomeen. Een vergelijkende studie kan selectieve perceptie vermijden. Ten tweede houdt deze pessimistische visie op scholieren weinig rekening met de geringe betekenis die politiek heeft in het alledaagse leven van minderjarigen. Jongeren onder de 18 jaar zijn immers nog niet stemgerechtigd. Een 14- tot 16-jarige adolescent vragen ‘of hij zou gaan stemmen mocht dit wettelijk gezien mogelijk zijn’ blijft dan ook vrij artificieel en hypothetisch. “De conclusie dat jongeren zich

16


Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

simpelweg niet interesseren in politiek is dan ook voorbarig (…) Non-participatie bij jongeren volgt vaker uit het feit dat ze niet de kans of de tijd hebben om te participeren, dan uit desinteresse” (Herbots & Elchardus, 2010: 77). Deze these wordt bevestigt door twee andere onderzoeken. Zo concludeert Verhofstadt-Deneve (1988) in haar onderzoek naar het reflectievermogen van adolescenten dat zij pas in de laatste fase van adolescentie (18-20 jaar) echt beginnen reflecteren over maatschappelijke tegenstellingen. Tot die tijd zijn jongeren over het algemeen geneigd om problemen in zwart-wittermen te bekijken veeleer dan genuanceerd en zelfkritisch na te denken. In dezelfde lijn wijzen Elchardus en Vanhoutte (2009) op de geleidelijke groei naar democratisch burgerschap. Zij stellen vast dat tieners per leeftijdstoename almaar meer betrokken worden op de politiek en steeds meer uitgroeien naar volwassen burgers met (meer) aandacht voor politiek. Jongeren zouden een politieke ontwikkeling doorlopen om uiteindelijk op een leeftijd vanaf 20 jaar eenzelfde niveau te hebben als de rest van de bevolking. Het gevolg is dat relatief jonge scholieren misschien wel te hard worden afgerekend voor hun meer beperkte politieke betrokkenheid en dat een vergelijking van de jongvolwassenen met de rest van de bevolking wel eens meer klaarheid kan brengen over de effectiviteit van de schoolse socialisatie van democratische waarden. Om die reden is het wellicht beter om stemgerechtigde jongvolwassenen (18-25 jaar) als brandpunt van de studie te nemen en hun posities en denkbeelden te vergelijken met diegene van andere leeftijdscategorieën. Ten derde schenken studies te weinig aandacht aan gewijzigde patronen van politieke participatie – meer informeel en minder geïnstitutionaliseerd – die nauwer aansluiten bij de hedendaagse geïndividualiseerde cultuur. Jongeren zijn dan wel minder vaak lid van een politieke partij of vakbond, maar debatteren wel vaker via het internet (Ragi, 2005; Bral, Carton, Noppe, Pauwels, Pickery & Verlet, 2011, 297). Ten vierde beperkt het onderzoek naar democratisch burgerschap zich al te vaak tot politieke betrokkenheid, terwijl het concept net zo goed ruimer ingevuld kan worden. Wanneer tevens naar democratische waarden gepeild wordt, zou het kunnen dat andere

17


Vlaanderen kiest

conclusies mogelijk zijn. In deze bijdrage wordt democratisch burgerschap breed ingevuld, aangezien het niet louter verwijst naar politieke betrokkenheid, maar tevens een reeks van waarden kan omvatten.

Democratisch burgerschap: enge en ruime benadering Democratisch burgerschap kan zowel eng als ruim ingevuld worden. De enge benadering benadrukt de plichten en verantwoordelijkheden van burgers ten aanzien van de gemeenschap, waarbij de nadruk op politieke betrokkenheid ligt. Volgens deze benadering moet een democratische burger politieke kennis hebben, politieke interesse tonen en politiek participeren. De ruime benadering voegt een normatieve dimensie toe: een democratische burger moet niet alleen actief op de politiek betrokken zijn, maar ook waarden aanhangen die dienstig zijn voor het algemeen belang en een vreedzame en tolerante samenleving (de Groot, 2010).

De enge benadering: nadruk op politieke betrokkenheid De enge benadering gaat na in welke mate burgers betrokken zijn op en actief deelnemen aan het politieke systeem. De nadruk ligt op politieke interesse en kennis, op stembereidheid en partijlidmaatschap. Vele auteurs stellen dat de politieke interesse en participatie van burgers afnemen (Putnam, 2000; Putnam & Goss, 2002). Burgers zouden zich in toenemende mate als passieve waarnemers in een toeschouwers- of dramademocratie begeven. Ze kijken toe vanop de zijlijn en reageren nu eens met applaus dan met gefluit (Elchardus, 2002; Manin, 1997: 18


Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

193-238). In zulke dramademocratie is de burger eerder een wispelturige consument dan een betrokken burger. Actieve betrokkenheid maakt plaats voor passieve apathie. Critici betwijfelen deze stelling en poneren dat burgers vandaag de dag niet minder maar net meer politiek actief en geïnteresseerd zijn, ofschoon de nadruk meer ligt op niet-traditionele en elite-uitdagende vormen van participatie. Burgers zijn immers steeds hoger opgeleid – of in toenemende mate cognitief gemobiliseerd – en bijgevolg ook kritischer en wantrouwiger tegenover de overheid en tegenover traditionele participatiemogelijkheden (Inglehart, 1990: 293-323; Dalton, 2002: 58-74). Tezelfdertijd zouden jongeren ook meer gebruik maken van niet-conventionele vormen van politieke participatie, vooral dan sociale media.

De ruime benadering: politieke, culturele en sociale attitudes De ruime interpretatie van democratisch burgerschap benadrukt het belang van attitudes en waarden. Van democratische burgers wordt een welbepaalde ingesteldheid verondersteld. De inclusieve visie op democratie verwacht dat burgers een solidaire en rechtvaardige wereld met respect voor onderlinge diversiteit nastreven en respect opbrengen voor de democratische kernwaarden van pluralisme, tolerantie, gelijkheid, vrijheid en solidariteit. Dit betekent dat burgers niet alleen het democratische systeem, maar ook culturele diversiteit, economische gelijkheid en sociale solidariteit positief waarderen. Deze invulling stelt bijgevolg scherp op allerhande politieke, culturele en economische attitudes, die als noodzakelijk worden gezien om het democratische karakter van de samenleving te ondersteunen en te bevorderen (de Groot, 2010). De vraag is dan ook hoe jongvolwassenen tegenover politiek, democratie, diversiteit en gelijkheid staan. Ten eerste is democratisch burgerschap moeilijk te combineren met een hoge mate van politiek cynisme en politieke aliënatie. Politiek cynisme is in feite een veralgemeende attitude van totale achterdocht, ob19


Vlaanderen kiest

sessieve minachting en verloren geloof in de goede bedoelingen, deugdzame motieven en positieve handelingen van politieke gezagsdragers. De cynische blik is onverbiddelijk voor de menselijk natuur, aangezien het niet langer gelooft in oprechte waarden, idealen en engagement. Cynici gaan ervan uit dat politieke elites alleen nog gedreven worden door eigenbelang, macht en hypocrisie. De politici zouden zakkenvullers zijn en het politieke systeem zou door en door rot zijn. Het gevaar is dat de gedesillusioneerde cynicus zich volledig afkeert van de politiek, waarbij het democratische debat als zinloos ervaren wordt (Krouwel & Abts, 2006). Nog erger voor de liberale democratie is dat dit cynisme uitmondt in politieke aliënatie, namelijk het verwerpen van de parlementaire democratie en het democratische besluitvormingsproces. In het geval van politieke aliënatie worden de onderliggende principes van het democratische stel en de legitimiteit van de representatieve democratie zelf ter discussie gesteld (Abts, 2006). De vraag is dan ook hoe jongeren de werking van politiek en democratie evalueren. En in welke mate hun opvattingen op dat vlak afwijken van de andere leeftijdscategorieën. Ten tweede wordt democratisch burgerschap in een pluralistische samenleving verbonden met tolerantie voor het andere. Een liberale democratie gaat uit van pluralisme en openheid ten aanzien van culturele en politieke verscheidenheid, wat haaks staat op een gesloten en uitsluitende samenleving gebaseerd op nativisme en autoritarisme (vgl. Abts, 2012). De vraag is dan ook hoe jongvolwassenen staan tegenover de multiculturele samenleving en hoe afkerig ze zijn van vreemdelingen, wat gemeten wordt aan de hand van twee attitudes, namelijk etnocentrisme en islamofobie. Etnocentrisme wijst op een sterke waardering van de eigen groep gekoppeld aan een uitgesproken negatieve houding ten aanzien van vreemden, terwijl islamofobie staat voor een afkeer van de islam die als een vijandige, onderdrukkende, gewelddadige en bedreigende religie wordt beschouwd. Daarnaast gaan we ook na hoe tolerant dan wel repressief ze zijn tegenover afwijkende denkbeelden en gedragingen op basis van twee andere attitudes. Autoritarisme slaat op een dogmatisch denken gekenmerkt door een afkeer van ambiguï20


Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

teit, een sterke behoefte aan orde, discipline en gehoorzaamheid alsook een onkritische onderwerping aan moreel gezag en sterk leiderschap. Repressie verwijst naar een bestraffende houding gericht op recht en orde, dus een roep om een repressieve aanpak van afwijkend gedrag en een sterke staat gericht op ordehandhaving. Omdat intolerante en rigide houdingen ten aanzien van afwijkende meningen de pluralistische democratie kwetsbaar maken, gaan we na of jongeren al dan niet negatiever denken over vreemdelingen en islam en meer autoritair en repressief ingesteld zijn. Ten derde gaat de inclusieve visie op democratisch burgerschap ervan uit dat sociale gelijkheid en solidariteit positief gewaardeerd worden. Zo wijzen Westheimer en Kahne (2004) er op dat het niet alleen om verantwoordelijk en participatief burgerschap gaat, maar ook om een op sociale rechtvaardigheid georiënteerd burgerschap die maatschappelijke onrechtvaardigheid en sociale ongelijkheid wil aanpakken. Veugelers (2007) heeft het over een sociaal betrokken democratische burger die niet alleen zijn/haar mening kritisch ontwikkelt, maar ook sociaal betrokken is op de ander. Daarom gaan we na in welke mate jongeren sociale gelijkheid nastreven dan wel utilitair individualistisch ingesteld zijn. Het gelijkheidsstreven gaat na in welke mate mensen te vinden zijn voor een herverdelingspolitiek en de ongelijkheden tussen inkomens en sociale klassen verkleind moeten worden. Utilitair individualisme staat op zijn beurt voor een mensbeeld waarin iedereen onbelemmerd succes en eigen belangen nastreeft zonder veel rekening te houden met anderen. Deze levensinstelling verwijst niet alleen naar een persoonlijke oriëntatie van ‘ieder voor zich’ louter gericht op prestatie, succes en carrière, maar tevens naar cynisch maatschappijbeeld dat ervan uitgaat dat alleen macht en geld ertoe doen in de huidige samenleving. Deze cynische houding verliest elke notie van solidaire verbondenheid en concludeert dat terugvallen op het eigen ik de enige overblijvende optie is en iedereen in de eerste plaats het best voor zichzelf zorgt. Deze visie is moeilijk te verenigen met sociale betrokkenheid en solidariteit. De vraag is of er werkelijk sprake is van een ‘Me, Myself and I-generatie’ of dat ze toch nog solidaire bindingen hebben met hun medemens. 21


Vlaanderen kiest

Ten slotte is democratisch burgerschap tevens gericht op gendergelijkheid en duurzaamheid. We gaan na hoe mensen denken over de rolverdeling tussen man en vrouw, over ethische kwesties en over het leefmilieu. Hoe denken jongeren over de traditionele rolverdeling waarbij de vrouw voor het huishouden en de man voor het gezinsinkomen zorgt? En wat is hun mening over abortus en euthanasie? De toenemende secularisering en individualisering leidt ertoe dat burgers in toenemende mate de traditionele scripts verlaten en het vrije individu de keuzevrijheid laten, waardoor jongeren wellicht in toenemende mate progressieve opvattingen erop nahouden die uitdrukking geven aan individuele zelfbeschikking en lichamelijke emancipatie. Daarnaast past binnen het postmaterialistische denken een groter bewustzijn voor ecologische duurzaamheid.

Onderzoeksvragen en gegevens Democratisch burgerschap gaat in deze bijdrage om meer dan politieke betrokkenheid. De verwachting is dat de pessimistische analyses omtrent democratisch burgerschap bij jongeren genuanceerd kunnen worden wanneer niet louter naar politieke interesse en participatie gekeken wordt, maar tevens waarden in de analyse betrokken worden. Belangrijk is dat niet scholieren de referentiecategorie vormen, maar wel stemgerechtigde jongvolwassenen (18 tot 24 jaar en 25 tot 35 jaar) wiens reflectievermogen volledig ontwikkeld is en waarvan verwacht wordt dat ze hun politieke burgerschapsrechten vervullen. Deze referentiegroepen worden daarenboven vergeleken met oudere leeftijdscategorieĂŤn om selectieve waarneming te vermijden. Ten slotte gaan we ook na in welke mate de gevonden verschillen daadwerkelijk effecten van leeftijd of generatie zijn door na te gaan of ze stand houden onder controle van geslacht, opleidingsniveau en sociale klasse. Kortom, we 22


Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

pogen een antwoord te krijgen op drie onderzoeksvragen: (1) hoe is het in ruime zin gesteld met het democratisch burgerschap van jongvolwassenen; (2) in welke mate verschillen jongvolwassen op het vlak van politieke betrokkenheid en waarden van andere leeftijdscategorieën; en (3) blijven de verschillen bestaan na controle van andere mogelijke relevante kenmerken. Deze onderzoeksvragen worden beantwoord op basis van de gegevens verzameld in het kader van het postelectorale ISPO-verkiezingsonderzoek 2010. Ten eerste werd er informatie over sociale achtergrondkenmerken verzameld, namelijk geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en sociale klasse. Leeftijd bestaat uit zes leeftijdscategorieën: 18-24, 25-34, 35-44, 45-54, 55-64, 65+ jaar. Het opleidingsniveau wordt gemeten aan de hand van het genoten onderwijs en bestaat uit vier categorieën: lager onderwijs, lager secundair onderwijs, hoger secundair onderwijs en hoger onderwijs. Sociale klasse bestaat uit vier categorieën: arbeidersklasse, lagere middenklasse, hogere middenklasse en hogere klasse. Ten tweede wordt politieke betrokkenheid geoperationaliseerd door verschillende indicatoren: politieke kennis, politieke interesse, stemneiging en politieke participatie. Politieke kennis wordt getest aan de hand van vijf relatief eenvoudige kennisvragen omtrent politiek. Op basis van vragen naar de mate dat men belangstelling heeft voor politiek, erover praat met vrienden en politiek in de media volgt, wordt politieke interesse gemeten. Stemneiging pogen we te achterhalen aan de hand van drie vragen: zou je gaan stemmen als er geen opkomstplicht zou zijn? Heb je een geldige stem uitgebracht? En wanneer hebt u beslist om voor een bepaalde partij te stemmen? Politieke participatie wordt gemeten aan de hand van eerder conventionele vormen van politieke actie: contacteren van politieke partij, deelname aan demonstratie, met gelijkgestemden een actie ondernomen, lidmaatschap van politieke partij, en lidmaatschap van een vrijwilligersvereniging. Voor alle onderzochte attitudes werden zogenaamde meetmodellen of schalen ontwikkeld. Hiertoe werden confirmatorische factoranalyses (CFA) uitgevoerd waarin alle schalen met hun respectievelijke indicatoren werden opgenomen. Op deze manier wordt getest of de verschil23


Vlaanderen kiest

lende uitspraken unieke indicatoren zijn voor één van de respectievelijke attitudes. De factoranalyses tonen aan dat de gegevens goed bij het opgestelde meetmodel passen, wat betekent dat de verschillende indicatoren geldige indicatoren zijn van de respectievelijke attitudes die we willen meten. Het gaat om politiek cynisme, politieke aliënatie, etnocentrisme, islamofobie, autoritarisme, repressie, gelijkheidsstreven, utilitair individualisme, ethisch conservatisme, traditionele rolopvattingen, en houding tegenover leefmilieu. Alle schalen werden zo geconstrueerd dat ze variëren van 0 (minimum) tot 10 (maximum). De hoogste scores gaan in de richting van de naamgeving. Bijvoorbeeld, hoe hoger de scores op de etnocentrismeschaal, hoe sterker de negatieve houding ten opzichte van migranten. De analyses worden in verschillende stappen uitgevoerd. Per variabele of schaal wordt een verdeling naar leeftijd gemaakt. Op basis van kruistabellen wordt soms nagegaan of de leeftijdscategorieën voor een bepaald item significant van elkaar verschillen. In het geval van de attitudes worden per attitude de gemiddelde scores per leeftijdscategorie met elkaar vergeleken, waarbij gebruik wordt gemaakt van subscripten. Indien de gemiddelde scores van twee leeftijdscategorieën significant van elkaar verschillen, krijgen ze verschillende subscripten. Daarenboven geven de subscripten een indicatie van de ordening van afwijking van de verschillende gemiddelden, aangezien de alfabetische volgorde van de subscripten analoog loopt met de rangorde van de gemiddelden per leeftijdscategorie. Daarnaast illustreren we in bepaalde gevallen de verdelingen van de schaalconstructen eveneens door middel van een figuur, waarbij de verdelingen van de jongvolwassenen (18-24 jaar en 25-34 jaar) worden afgezet tegenover de beroepsactieve categorie (3564 jaar) en de oudste categorie (65+ jaar). Ten slotte zullen de bivariate analyses aangevuld worden met de resultaten van meervoudige regressieanalyses. Op basis van de analyses is het mogelijk te achterhalen of er nog sprake is van leeftijdseffecten onder controle van geslacht, opleiding en sociale klasse. Er wordt met andere woorden gecontroleerd of er naast een bruto-effect ook een netto-effect uitgaat van leeftijd. Het is immers altijd mogelijk dat verschillen op het vlak van attitudes tus24


Van kwaad naar erger? Jongvolwassenen en democratisch burgerschap

sen de jongere en oudere leeftijdscategorieën louter veroorzaakt worden door de hogere scholing van de jongere leeftijdscategorieën en niet door leeftijd als dusdanig. Concreet wordt een multivariate regressieanalyse met metrisch afhankelijke variabelen uitgevoerd. Als onafhankelijke variabelen worden steeds de categorische variabelen leeftijd, opleidings­ niveau en sociale klasse opgenomen. De verschillende categorieën van de onafhankelijke variabele worden als n-1 dummy’s gecodeerd. Eén categorie fungeert steeds als referentiecategorie. Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten kunnen met elkaar vergeleken worden en geven de relatie tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabelen weer.1

Jongvolwassenen en politieke betrokkenheid De parate kennis over de politieke actualiteit blijkt bij de jongvolwassenen slecht te zijn en is opmerkelijk lager dan bij de oudere leeftijdscategorieën. Opvallend is dat twee op drie 18-24-jarigen niet slagen voor de kennistest tegenover zes op tien bij de 25-34-jarigen, terwijl bij de oudere leeftijdscategorieën ongeveer vier op tien falen. In ruwe termen weet slechts één vijfde tot één kwart van de jongvolwassenen veel van de politieke actualiteit, tegenover vier op tien bij de oudste leeftijdscategorieën (Figuur 1).

25


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401418911 by Uitgeverij Lannoo - Issuu