Skip to main content

9789401418621

Page 1

De

zeepridder en de heks van heinde en ver

Kristien In-’t-Ven met illustraties van

Mattias De Leeuw


Sok ‘De mand! Dat is de plek. Daar hoort ze thuis. Kijk, ik laat het je zien. Van de hand in de mand.’ De zeepridder kijkt streng. De vijand ervan langs geven, hij doet het elke dag. Met een brede lach. Een schurk, een draak: hij versloeg ze zo vaak. Maar een sok op de grond? Daar wordt hij gek van. Het drijft hem tot wanhoop. Zijn maag raakt ervan in de knoop. Prinses Lucy zucht. Ze rolt met haar ogen. ‘Het is maar een stuk wol! Dit is geen geval van nood. Geen zaak van leven of dood. Gewoon: een sok.’

7


‘Juist! Een sok. En die hoort niet op de vloer.’ De zeepridder raapt het ding op. En mikt het in de mand. Prinses Lucy houdt een deken vast. ‘En die? In welke mand moet die? Witte was? Bonte was? Je zegt het maar.’ De zeepridder lacht. Van oor tot oor. Zo breed lachte hij nog nooit. ‘Dat moet niet in de was’, zegt hij. Tring! Daar gaat de bel. ‘Het is tijd’, zegt Lucy. ‘Ga maar. Het lukt wel’, sust de zeepridder. ‘Echt?’ ‘Reken maar.’ Ze geeft de deken aan hem. Er zit iets in. Het is een zoon. Hij heet Max.

8


Koets ‘Ik kijk er zo naar uit’, zegt de zeepridder. ‘Tijd voor mijn zoon. Na al dat vechten. Te paard en te zwaard.’

De deken zegt niets. Hij slaapt. De zeepridder pakt hem stevig vast. Hij steekt zijn neus erin.

9


‘Je bent al een jaar’, zegt hij. ‘Maar je zag me bijna niet. Ik moest vechten. Nu is het aan ons. Dat werd tijd!’ Prinses Lucy knikt. Ze trekt haar jas aan. Ze zet haar kroon op. En een muts. Het is een raar gezicht. Maar het is koud.

‘Straks word je groot, Max’, zegt de zeepridder. ‘Dan word je vast ook ridder. Een hele stoere. Maar nu nog niet.’ Hij kust prinses Lucy. Die vraagt: ‘Zorg je goed voor hem?’ ‘Dat doe ik. Ga nu maar. De koets wacht.’ ‘Uw vader stuurt u een groet’, zegt de koetsier tegen Lucy.

10


‘Zeg de koning maar dat ik geen koets hoef. En doe hem de groeten terug!’ zegt Lucy.

‘Maar prinses! Ik kreeg de taak u te brengen. Mét de koets.’ ‘Weet ik. Maar ik houd daar niet van. Ik ga liefst met mijn paard. En ik ken de weg.’

11


‘Maar, dat is…’ stamelt de koetsier. ‘Een bal met twaalf prinsessen, dat is niet leuk, hoor! Dat wordt heel saai. Ik ga alleen voor de taart. En de rit op mijn paard.’ De koetsier kijkt naar de zeepridder. Die werpt een blik terug. Zo van: ach, je kent haar. En ook: ik meng me er niet in. Prinses Lucy haalt haar paard van stal. Ze gooit haar man en zoon een kus toe. ‘Eet niet te veel taart!’ roept de zeepridder haar na. Ze steekt haar tong uit. Dan stuift ze weg. De koetsier druipt af. Met een lege koets.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook