1
2
3
4
Vos en Haas vieren feest
Vos en vieren
Haas feest Sylvia Vanden Heede met tekeningen van ThĂŠ Tjong-Khing
Het is koud in het bos. Koud en donker. Buiten raast de wind. Alle bomen zijn kaal. Maar in het hol van Vos en Haas is het knus. De haard brandt. Er staan kaarsen op tafel. En er is gedekt voor drie. Op elk bord ligt een kaartje. Op het ene kaartje staat ‘Uil’. Op het andere kaartje staat ‘Haas’. En op het derde kaartje staat ‘Vos’.
9
Vos is in pak. Haas heeft haar mooiste jurk aan. Maar waar blijft Uil?
Bons! Bons!
10
Daar is Uil al! Gauw doet Vos de deur open. Wat ziet Uil er deftig uit! Met een hoed en een pandjesjas. Hij heeft een fles wijn bij zich. Die geeft hij aan Vos. Voor Haas heeft hij een bos bloemen. Want Haas is de gastvrouw. En Vos de gastheer. En Uil zelf is de gast.
‘Welkom op ons feest’, zegt Haas. Ze zoent Uil drie keer. Vos zoent niet. Zoenen vindt hij maar stom. ‘Gaan we aan tafel?’ zeurt Vos. ‘Ik rammel!’
11
Feest is niet zomaar eten. Eerst komen er hapjes. Daar krijg je een drankje bij. Er is sap met een rietje. Er zijn chips en blokjes kaas.
‘Eet niet te veel, Vos’, waarschuwt Haas. ‘Want er komt nog een voorgerecht. En dan soep. En dan de hoofdschotel. En dan het toetje. En dan koffie tot slot.’
‘Ha! Dat krijg ik wel op, hoor!’ lacht Vos. Hij grijpt nog eens in de chips. ‘We vieren feest!’ lacht hij met volle mond.
12
Uil fronst eens. ‘Dat zeg je niet goed, Vos’, vindt hij. ‘Vieren doe je met z’n vieren. Daarom heet het ook zo.’ ‘Welnee!’ lacht Haas. ‘Feestvieren kan altijd. Met twee of met drie. Of met vier of vijf of
honderd.
Dat maakt niet uit.’ Haas heeft gelijk. Vieren hoeft niet met z’n vieren. Je kunt zelfs feesten in je eentje. Echt waar! Maar misschien is dat wat saai. Uil pruilt. Hij zucht. Hij zet een zielig gezicht. ‘Kom op’, zegt Haas. ‘We vieren dat we buren zijn. En vrienden. Dat het buiten donker is en binnen lekker warm.’
‘Ja’, zegt Vos. ‘En we vieren al het eten. De hapjes en de drankjes en nog meer en het toetje. Als jij dat niet lust, dan neem ik het wel.’
13
Uil schudt zijn kop. ‘Daar gaat het niet om’, zegt hij. ‘Wat scheelt er dan?’ vraagt Haas. ‘Is het niet leuk en gezellig?’ ‘Toch wel’, zegt Uil. ‘Maar het kan nog leuker. En nog gezelliger. Er kan nog iemand bij!’ ‘O nee! Dat nooit!’ roept Vos uit. ‘Geen sprake van! Er zijn maar drie borden. En drie toetjes. Dat is niet genoeg voor vier!’ Maar Haas kijkt Uil eens goed aan. ‘Wie wil je er dan bij?’ vraagt ze.
14
Uil bloost een beetje. Hij slaat zijn ogen neer. ‘Pluim...’ zegt hij zacht.
Pluim! Haas verslikt zich in haar sapje. Pluim! Die nuf uit de stad!
15
‘Pluim? Wat een goed idee!’ lacht Vos. ‘Nodig haar meteen uit, Haas. Ik zet nog een bord op tafel. En ik schuif een stoel bij. Uil heeft gelijk. Vieren doe je met z’n vieren. Dan is het pas echt feest.’
‘Er zijn maar drie toetjes!’ sputtert Haas tegen. Maar Vos zegt: ‘Pluim krijgt het toetje van Uil. Dat vindt hij heus niet erg.’
16
Arme Haas. Ze heeft echt geen zin in Pluim. Ze heeft al geen zin meer in het feest! En net op dat moment klopt iemand zacht op de deur... De weerwolf? Het nachtspook? De vrieskou? De mallemoer? De bietebauw? ‘Dat is Pluim!’ roept Vos uit. ‘Zij klopt altijd zo zacht!’ ‘Het is Pluim!’ juicht Uil ook. ‘Mijn wens wordt verhoord! Ik krijg een tafeldame!’ En hij vliegt naar de deur.
17