Arm theater in een gouden tijd
Arm theater CC nieuwe frontmatter.indd 1
31/03/14 12:26
Arm theater CC nieuwe frontmatter.indd 2
31/03/14 12:26
Arm theater in een gouden tijd Ritueel en avant-garde na de Tweede Wereldoorlog
Thomas Crombez
Arm theater CC nieuwe frontmatter.indd 3
31/03/14 12:26
De coulissen van het geheugen Publicatiereeks voor archief en erfgoed van de podiumkunsten Documenten, beeldmateriaal en getuigenissen uit de Vlaamse podiumarchieven ter beschikking stellen van een breed publiek. Dat is de voor naamste doelstelling van De coulissen van het geheugen, een nieuwe boekenreeks bij LannooCampus. Deze boeken willen reflecteren over podiumerfgoed. Zo brengen ze dat erfgoed dichter bij het heden. Ze ‘actualiseren’ de rijke, maar vaak moeilijk toegankelijke podiumarchieven. Dat kan op vele manieren gebeuren: met getuigenissen, via reproducties van archiefdocumenten en beeldmateriaal, via reconstructies, of door te rapporteren over niet-materiële praktijken en hoe ze in de context van repetities of workshops worden doorgegeven. De coulissen van het geheugen wordt mede ondersteund door Het Firma ment (expertisecentrum voor het cultureel erfgoed van de podiumkunsten), Vlaams Theater Instituut, Universiteit Antwerpen en de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen). Hoofdredactie Thomas Crombez Redactieraad Staf Vos, Bart Magnus, Luk Van den Dries
Arm theater in een gouden tijd draagt het GPRC-label wat staat voor ‘Guaranteed Peer Reviewed Content’. Met dit kwaliteitslabel geeft de Vlaamse Uitgevers Vereniging (VUV) aan dat de publicatie die dit label draagt een peerreviewprocedure heeft doorlopen die beantwoordt aan de internationale wetenschappelijke standaarden. D/2014/45/149 – ISBN 978-94-0141-711-2 – NUR 670/676 Vormgeving cover: Thomas Crombez en Kurt Cornelis (www.sfumato.be) Vormgeving binnenwerk: Thomas Crombez Illustratie cover: Ajax ’68 door studenten van de Studio Herman Teirlinck, in een regie van Alfons Goris en Bert Verminnen (1968). Bron: Archief Studio Herman Teirlinck © Thomas Crombez & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014 www.zombrec.be Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
Arm theater CC nieuwe frontmatter.indd 4
31/03/14 12:26
Inhoud Inleiding Onze verborgen avant-gardes
7
1 Antonin Artaud 17 De vervloekte vader 22 Poëzie is nooit een kwestie van drukinkt 34 Een toneel dat zich aan de tekst wil onderwerpen is een kruidenierswinkel 48 Ik zou de minister vragen een toneellaboratorium op te richten 58 2 Het Living Theatre 69 Het blaffen van Artaud 75 Op een keer in Brussel hadden we ongeveer vijftig lijken meer te begraven 84 Het publiek staat op de rand van de duikplank 93 Ondertussen in de werkplaats 106 3 Jerzy Grotowski 111 Eindelijk, het echte avant-gardetheater 118 Via negativa 148 De clichés van het paratheater 157 Het essentiële theatermedium 161 Grotowski kauwen en snel doorslikken 169 Een gruwelijk primitief en beestachtig tafereel 204 4 Performance art 213 Decline and fall of the American avant-garde 223 Marginaal theater is het niet 234 Ik wil mijn hoofd uit de strop van de geschiedenis trekken I don’t belong here 251 Een stem die uit het ijle op de scène valt 261 Jan Fabre, waar zit je, ik kom op je gezicht slaan 278 Besluit 285 Verantwoording 291 Geraadpleegde werken Dankwoord 303 Register 307
Arm theater CC.indd 5
247
293
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 6
12/03/14 15:59
INLEIDING
Onze verborgen avant-gardes Verborgen? Van welke avant-garde kan vandaag nog gezegd worden dat ze onvindbaar is of was? Worden we niet met avant-garde – het synoniem voor experiment en vernieuwing in de kunsten – om de oren geslagen? Is niet elke vernieuwer, van Alfred Jarry tot Jan Fabre, ondertussen netjes opgeblonken en in de vitrinekast van de geschiedenis bijgezet? Verborgen moet je hier begrijpen in de bijzondere betekenis die Edgar Allan Poe er in zijn kortverhaal The Purloined Letter (1845) aan gaf. De compromitterende brief, die de minister voor de speurders wil verbergen, hangt in ieders zicht, en ontsnapt juist daardoor telkens aan hun blik. Net zo is het gesteld met de schrijvers, theatermakers en critici die ik in dit boek presenteer. Ze behoren tot, of schrijven over de naoorlogse avant-garde. Ze liggen in het zicht van iedereen. Hun invloed is zonder meer enorm. Zonder hen was er geen taal om over de ontregelende producties van de jonge Jan Fabre, Ivo Van Hove of Jan Lauwers te spreken. Zonder hen was het publiek niet op de heftige fysieke impact van de dansproducties van Wim Vandekeybus, Sidi Larbi Cherkaoui of Alain Platel voorbereid. De naoorlogse theateravant-garde heeft de woordenschat ontwikkeld om over een experimentele podiumkunst te kunnen denken en spreken. Die invloed reikt tot op het politieke niveau. De decreten die in Vlaanderen de financiële ondersteuning van de podiumkunsten beheren, zijn door hun avant-gardisme gekleurd. In 1975, vlak na de eerste vernieuwingspogingen die ik in dit boek bespreek, wordt binnen het Theaterdecreet een aparte categorie gecreëerd voor ‘gezelschappen voor experimenteel of vormingstoneel’, die zich expliciet moeten bezighouden met activiteiten die ‘kunnen bijdragen tot de ontwikkeling en de spreiding van de toneelkunst’.1
1
‘Decreet houdende de subsidieregeling voor de Nederlandstalige toneelkunst’ (13 juni 1975), Belgisch Staatsblad/Moniteur Belge, 4 sept. 1975. 7
Arm theater CC.indd 7
12/03/14 15:59
Nog geen twintig jaar later zal het Podiumkunstendecreet in het lijstje van beoordelingscriteria voor het toekennen van subsidies expliciet ‘de oorspronkelijkheid van artistieke keuzes’ en ‘het vernieuwende karakter’ van producties opnemen, naast meer traditionele criteria zoals publieksbereik en culturele uitstraling. Ook voor ‘multidisciplinaire kunstuitingen’, een andere erfenis van de avant-garde, wordt in het decreet nadrukkelijk plaats geruimd.2 Experiment en vernieuwing zijn dus decretaal verankerd. Ze zijn doorgesijpeld tot in het merg van de podiumkunsten. Toch ontsnappen onze avant-gardisten vaak aan de blik van historische overzichten of handboeken. Denk aan Hugo Claus die Antonin Artaud in zijn poëzie en theater verwerkt. Of Franz Marijnen en Tone Brulin, die de Poolse theatervernieuwer Jerzy Grotowski introduceren. Voor die blinde vlekken zie ik twee redenen. De eerste is onze fixatie op de vroegste, zogenaamd ‘historische’ avant-garde, dat wil zeggen alle bewegingen die vóór de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan, zoals surrealisme, dada, futurisme, constructivisme, Bauhaus en De Stijl. Dat heeft alles te maken met de onderzoekers van de eerste generatie die zich ernstig met avant-gardisme gingen bezighouden, zoals de Duitse literatuurwetenschapper Peter Bürger. Voor Bürger was het breukkarakter van de avant-garde van essentieel belang. Eenmaal de provocatie is gesteld, en de kleinburger gekrenkt is in zijn gevoel voor wat artistiek betamelijk is, laat het grote gebaar zich niet meer herhalen. Wie na Fountain van Marcel Duchamp (1917) nog met een industrieel massaproduct (daarenboven aan ontlasting gerelateerd) een kunstexpositie wil infiltreren, bekritiseert niet langer het systeem van de kunst, maar voldoet juist helemaal aan de bijgestelde verwachtingen.
2
‘Decreet houdende regeling van subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten’ (27 jan. 1993), Belgisch Staatsblad/Moniteur Belge, 15 apr. 1993. 8
Arm theater CC.indd 8
12/03/14 15:59
Neo-avant-garde – wel ja, ‘neo’ – is dus een flauw doorslagje van ‘echte’ avant-garde, en daardoor inauthentiek.3 Allicht is er in de nasleep van mei ’68, wanneer Bürger zijn werk schrijft, geen sterker verwijt denkbaar. Het gevolg van die banvloek is dat onze huidige handboeken kunst- en theatergeschiedenis bol staan van historische avant-garde, maar dat er voor de vernieuwers van na de Tweede Wereldoorlog veel minder canoniserende aandacht is. Denk onder meer aan de happeners, de experimentele muziek, het fysieke en ritualistische theater en de performance art. Als dat wel al eens gebeurt, betreft het vaak internationale hoogvliegers. Happenings in New York of Parijs. Grotowski in Wrocław. Het Theatre of Cruelty-seizoen van Peter Brook in Londen. Het Living Theatre in Avignon. Dat is de tweede reden waarom ik de hier behandelde kunstenaars als een verborgen avant-garde wil portretteren. Het gaat mij niet om de ‘grote’ internationale canon, maar om de weerspiegelingen, echo’s en herwerkingen ervan die, soms al eerder, soms tegelijk, soms veel later, in ons taalgebied opduiken. De focus ligt op Vlaanderen, zij het dat die regio nadrukkelijk begrepen wordt binnen twee grotere verbanden: de taalgemeenschap met Nederland, en de politieke gemeenschap binnen België. Verborgen dus, die eigen avant-gardes, maar niet afwezig. Laat staan irrelevant. Dat onze lokale compagnons de route van Artaud, Grotowski en het Living Theatre doorgaans minder in de schijnwerpers staan, betekent niet dat ze het podiumkunstenlandschap niet mee hebben gevormd. Integendeel. Het discours dat critici gebruiken om over de kunsten te praten en te schrijven – in recensies, publieke debatten of beschouwingen – is net als de decreten ten gronde door avant-gardisme gekleurd. Met dit boek wil ik aantonen dat het juist de eigen, naoorlogse avant-gardisten zijn, die het taalgebruik van vandaag het sterkst hebben bepaald. De concepten die de neo-avant-garde vanaf de jaren vijftig tot diep in de jaren zeventig in het kunstendiscours heeft geïnjecteerd, hebben diepe voren in het landschap getrokken. Wat is begonnen als een nadrukke3
‘Da inzwischen der Protest der historischen Avantgarde gegen die Institution Kunst als Kunst rezipierbar geworden ist, verfällt die Protestgeste der Neoavantgarde der Inauthentizität.’ (Peter Bürger, Theorie der Avantgarde, Frankfurt: Suhrkamp, 1974, p. 71.) 9
Arm theater CC.indd 9
12/03/14 15:59
lijk marginale generatie van experimentelen, is gaandeweg veranderd in een algemeen experimenteel klimaat. Het discours van de kunstkritiek, bijvoorbeeld, is ervan doordrongen. Om dat taalgebruik tegen het licht te houden neem ik de recensies van het groots opgezette theaterspektakel Ten Oorlog (1997) als voorbeeld. Onder ruime persbelangstelling bereidt de Blauwe Maandag Compagnie zich bijna een heel jaar voor op Shakespeares koningsdrama’s, bewerkt door schrijver Tom Lanoye en regisseur Luk Perceval. Bij de première in de Gentse Vooruit blijkt de theatermarathon, hoewel op vrijwel elk vlak een krachttoer, toch niet helemaal aan de verwachtingen van de critici te voldoen. Steven Heene in De Morgen: Maar eerlijk gezegd had ik van deze productie toch een onthutsender theaterexperiment verwacht, verontrustend veeleer dan herkenbaar, meer een nieuw ijkpunt voor komende generaties dan de compilatie van een heleboel bestaande elementen.4 In het tijdschrift Etcetera zit Luk Van den Dries op dezelfde golflengte: De eigenheid van de productie situeert zich niet in de ontwikkeling van een nieuwe vormentaal, of de ontplooiing van een beeldvermogen. [...] Ten Oorlog vertegenwoordigt wat dat betreft geen breuk in de Vlaamse theatergeschiedenis.5 Eerder dan de validiteit van die oordelen te toetsen, wil ik de aandacht vestigen op de taal die Heene en Van den Dries hanteren: het historiserende discours van de avant-garde. De criticus probeert niet langer om op hetzelfde niveau als het publiek te staan, maar er bovenuit te stijgen, om van historische hoogte het gekrioel op de grond te beoordelen. Heene en Van den Dries leggen de meetlat van de geschiedenis naast de productie. Ze schrijven over experiment, ijkpunt, verontrustend, nieuwe vormentaal, breuk. Het zijn de positief geconnoteerde bakens van een breukvriendelijk discours, in contrast met de negatieve wolk die rond de woorden van de 4 5
Steven Heene, ‘Acht uur koningdrama’s van Shakespeare door BMCie en Tom Lanoye in première’, De Morgen, 24 nov. 1997. Luk Van den Dries, ‘Ten Oorlog: Een trechter van gruwel en geweld’, Etcetera, jg. 16, nr. 63 (maart 1998), p. 14-20. 10
Arm theater CC.indd 10
12/03/14 15:59
stilstand hangt (herkenbaar, compilatie). Het is het typisch avant-gardistische vertoog, dat een ruimtelijke metafoor uit de militaire geschiedenis (de voorhoede bevindt zich fysiek dichter bij de vijand dan het hoofddeel van het leger) toepast op het domein van de tijd. De artistieke of politieke voorhoede loopt op haar tijd vooruit. Ze begrijpt blijkbaar vandaag al wat het maatschappelijke centrum pas veel later zal verstaan.6 Naast de militaire retoriek, zal de theatrale herbronningsbeweging ook aanspraak maken op een wetenschappelijk discours van laboratorium, experiment en vooruitgang. Dat blijkt uit de populariteit van experimentele werkvormen, onder de naam atelier, studio of workshop. In het Podiumkunstendecreet van 1993 wordt dat verankerd onder de vorm van een nieuw subsidiekanaal, dat voor de ‘werkplaatsen’. De nadrukkelijk gearticuleerde verwachting van experiment en breuk is verre van het enige spoor van avant-gardisme dat de eigentijdse kunstkritiek laat zien. In de loop van dit boek zal blijken hoe heel wat concepten om podiumwerk te begrijpen vandaag als erg natuurlijk aanvoelen, maar eigenlijk teruggrijpen op ideeën die in de nasleep van de naoorlogse hervormers gangbaar zijn geworden. Hier wil ik alvast acht sleutelconcepten aanbrengen. Vernieuwing brengt onvermijdelijk een heel nest aan romantische associaties met zich mee. Het vraagt om het nieuwe en het originele. Het veronderstelt dat er, steeds opnieuw, van oorspronkelijkheid sprake kan zijn. Dat is nergens duidelijker dan in het regisseurstheater, of liever, in de idee van een regisseurstheater. Nog anders: het verlangen genaamd regisseurstheater. Regisseurstheater is de stilzwijgende hoop van pers en publiek dat theater inderdaad ‘regisseurstheater’ is, dat je achter elke theaterproductie (toch een creatieproces waar makkelijk twintig tot tweehonderd mensen bij betrokken zijn) naar de artistieke auteur op zoek kan gaan, het ene brein, de ene visie waaraan het allemaal ontsproten is. Tevergeefs blijken de verwoede inspanningen van links geëngageerde theatermakers uit de vroege jaren zeventig, die voortdurend hoog hielden dat het om collectieve creatie ging, en dat de traditionele hiërarchie (van auteur over regisseur 6
Hans Magnus Enzensberger, ‘Die Aporien der Avantgarde’ (1962), in: Einzelheiten II: Poesie und Politik, Frankfurt: Suhrkamp, 1980, p. 50-80. 11
Arm theater CC.indd 11
12/03/14 15:59
Jean-Baptiste Du Bos, Oordeelkundige aanmerkingen over de poëzy en schilderkunst, vert. Philip Zweerts, Amsterdam: Hermanus de Wit, 1760, vol. 3, p. 405. 12
Arm theater CC.indd 12
12/03/14 15:59
naar acteur en, lager nog, technieker) aan flarden hing. De dood gewaande auteur, het nog veel doder gewaande ‘eigenzinnige genie’, uniek en onvervalsbaar, wordt weer langs de grote poort binnengehaald. Authenticiteit impliceert de idee van de onherhaalbaarheid van wat op een podium gebeurt. Die onherhaalbaarheid, het gevolg van de inherente liveness van een opvoering, wordt als discriminerende eigenschap van de podiumkunsten geïdentificeerd en als unique selling proposition geafficheerd.7 Gaande van de meest ondubbelzinnige en bloedstollende directheid – de levende vogelspinnen of kikkers op het podium bij Jan Fabre; het hoesten van AIDS-patiënt Ron Vawter (hoort het bij de rol, of niet?) – tot het ontwapenende ‘alles op scène is improvisatie’-principe van groepen als Forced Entertainment of STAN.8 Theater gaat alleen over de performer; het gaat over de performer alleen. Hij of zij is een uniek stemhebbend lichaam, met een bepaalde leeftijd en een bepaald geslacht. Dus een uniek en niet te imiteren uitdrukkingsvermogen, een stemkleur en een timbre. Misschien is dat zelfs een performatief punctum. Het stemgeluid als ultiem punt van lijfelijke singulariteit, zo zal men Roland Barthes napraten.9 De theatrale zegging moet definitief bevrijd worden van de aloude kunst der ‘uitgalming’, die nog zo dikwijls op de scènes van het théâtre à papa tijdens de jaren vijftig en zestig beoefend werd. Het woord ‘uitgalming’ komt overigens niet zomaar in deze tekst binnenwaaien. In de conservatoria die in Vlaanderen, net als overal in Europa, tijdens de negentiende eeuw werden opgericht, stond l’art de la déclamation helemaal bovenaan het curriculum. Het vond wel degelijk onder de naam ‘uitgalming’ zijn weg naar het Nederlands. Vierde sleutelconcept. Wanneer de idee van toneel als het declameren van literatuur bezworen is, kunnen nieuwe invullingen hun weg naar de scène vinden. Met name de opvatting van de theatervoorstelling als een collectief 7 8
9
Philip Auslander, Liveness: Performance in a Mediatized Culture, Londen en New York: Routledge, 1999. Fabre gebruikte levende vogelspinnen voor Zij is en zij was, zelfs (1995) en kikkers voor De macht der theaterlijke dwaasheden (1984). De Amerikaanse acteur Ron Vawter was in België in meerdere producties te zien, waarvan de laatste voor zijn dood Philoktetes-Variaties was (tekst: Heiner Müller, John Jesurun en André Gide, regie: Jan Ritsema, 1994). Bijvoorbeeld Helga Finter, ‘Antonin Artaud and the Impossible Theatre: The Legacy of the Theatre of Cruelty’, TDR, jg. 41, nr. 4 (1997), p. 15-40. 13
Arm theater CC.indd 13
12/03/14 15:59
beleefd ritueel. Aan deze droom worden heel wat ideeën en idealen opgehangen. Het theater als de plaats waar het mythisch bewustzijn herboren kan worden. Het theater als locus voor een authentieke gemeenschap en verbondenheid. Het theater als een sociaal laboratorium. Een plek om nieuwe vormen van interactie en met-elkaar-zijn te verkennen. Het zuivere theater, de oerstaat van het theater. Vanaf het Living Theatre en het Theater Laboratorium van Jerzy Grotowski, doet een nadrukkelijk ritualistisch project zijn intrede in de naoorlogse podiumkunsten. De woorden van Hugo Claus, Alex van Royen en Carlos Tindemans uit 1969 behouden de daaropvolgende decennia hun waarde: ‘Het is natuurlijk uitgesloten naar deze verloren wereld terug te keren maar wij proberen hiervan althans een stuk te heroveren.’10 Even vaak loopt het uit op een karikatuur van de rite, maar doorslaggevend is de inzet van het ideaal: theater heeft meer om het lijf dan verstrooiing, en moet een reële impact op het leven van alle participanten hebben. Dat leidt naadloos tot de eis voor relevantie en actualiteit. Kunst mag niet langer een van het leven afgegrendelde, fictieve kosmos vormen, een glanzende luchtbel van escapisme waarop de alledaagsheid van politieke en maatschappelijke conflicten geen vat hebben. Integendeel: het moet ons op dezelfde manier aangrijpen als wat ons elke dag bezighoudt en aanbelangt. Zo een theater vraagt om onmiddellijkheid en fysieke impact. De theatrale communicatie mag niet op complexe betekenislagen berusten. Integendeel, het moet voor het publiek direct voelbaar zijn wat er op het spel staat. Dat vraagt ook om een nieuwe theatertaal, niet langer afhankelijk van psychologie en dialoog, maar waarin de hele lichamelijke conditie van de performer betrokken is. Achtste en laatste concept: dit theater, deze podiumkunst – experimenteel, lijfelijk, stemhebbend, onherhaalbaar, authentiek, ritualistisch, feestelijk, bijtend actueel, onmiddellijk en fysiek aanwezig – heeft zich 10 Hugo Claus, Carlos Tindemans, Alex van Royen, T68 of de toekomst van het theater in ZuidNederland, Oudenaarde: Meester, 1968, z.p. 14
Arm theater CC.indd 14
12/03/14 15:59
definitief van de literatuur geëmancipeerd, en is een autonome kunstvorm geworden. Dat is de cluster van acht samenhangende kernideeën die ik als ‘avant-gardistisch erfgoed’ wil presenteren. Al die ideeën blijven tot op de dag van vandaag aanwezig in de verwachtingen en criteria die we ten aanzien van de podiumkunsten hanteren. In dit boek wil ik hun oorsprong traceren. Elk van de vier hoofdstukken zoomt in op een bepaalde figuur, of een groep figuren, die als een aanhechtingspunt voor de projecten van Vlaamse kunstenaars en critici gefunctioneerd hebben. Het zijn vier casestudies in receptiegeschiedenis. Hoe worden Antonin Artaud, het Living Theatre, Jerzy Grotowski en de performance art besproken, hernomen en als startpunt voor eigen projecten gebruikt? Welke van hun sleutelconcepten zijn in het courante discours over de kunsten blijven hangen? Het gaat dus niet alleen over invloed, maar ook over retoriek. Mijn methode is documentair. Door oorspronkelijke teksten op te diepen, wil ik de taal van de cultuurmakers zelf weer onder de aandacht brengen, alsook een figuur als Artaud tonen zoals gezien door de blik van de jonge Hugo Claus of Tone Brulin. Die documenten ga ik in de lopende tekst kaderen en van commentaar voorzien.
15
Arm theater CC.indd 15
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 16
12/03/14 15:59
HOOFDSTUK 1
Antonin Artaud In maart 1948 sterft een man te Parijs. Alleen, in een kamer van de psychiatrische kliniek van Ivry-sur-Seine, waar hij sinds twee jaar verblijft, overlijdt de 51-jarige Franse dichter en theatermaker Antonin Artaud aan kanker. In de maanden voor zijn dood was hij in het naoorlogse Frankrijk tot een levende legende geworden. Zijn reputatie als heiligschenner reikt terug tot in de jaren twintig, wanneer hij als auteur van de surrealistische oorlogsverklaring Déclaration du 27 janvier 1925 schreeuwde: ‘Nous sommes des spécialistes de la Révolte’. Zijn toenmalige medestanders riep hij op om middels brieven dezelfde boodschap te verspreiden aan alle grote dagbladen, de Franse minister Daladier, de nuntius van de paus, de Dalai Lama en de rectoren van de Europese universiteiten.1 Artauds naam stond op het moment van zijn overlijden ook in het publieke bewustzijn gegrift als auteur van het scabreuze luisterspel Pour en finir avec le jugement de dieu, dat opgenomen werd in opdracht van de Franse staatsomroep rdf, maar waarvan de uitzending uiteindelijk door de directeur zelf verboden werd. Dat zal niet alleen aan de kreten, het gekrijs, de ongewone klanken en Artauds obscene taalgebruik gelegen hebben, maar ongetwijfeld ook aan zijn heftige en hallucinante kritiek op het Amerikaanse techno-imperialisme. Geen vruchten meer, geen bomen meer, geen groenten meer, geen planten meer, geneeskrachtig of niet, en bijgevolg geen voedingsmiddelen meer, maar synthetische producten in overvloed, onder de vorm van stoom, onder de vorm van speciale atmosferische sappen, onttrokken met geweld en via synthese aan een weerbarstige natuur, op bijzondere middellijnen van de atmosferen.2
Antonin Artaud, Œuvres Complètes, Parijs: Gallimard, 1956-1994, vol. 1, p. 29. (Voortaan afgekort als OC.) Zie ook Elena Kapralik [= Bernd Mattheus], Antonin Artaud: Leben und Werk, München: Matthes & Seitz, 1977, p. 61. 2 Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu, OC 13, p. 73. Eigen vertaling. 1
17
Arm theater CC.indd 17
12/03/14 15:59
Ongetwijfeld was hij, als slachtoffer van jarenlange gedwongen internering, voor de linkerzijde een symboolfiguur geworden tegen machtsmisbruik en cultureel imperialisme. Maar dat alleen is onvoldoende om te verklaren hoe zijn naam, tijdens de volgende decennia, de plotse inflatie aan persbelangstelling van maart 1948 blijkt te overleven. Niet alleen in het Franse taalgebied, maar ook ver daarbuiten. In de Verenigde Staten laten beat poets zoals Michael McClure en Lawrence Ferlinghetti niet na om vooraan in hun bundels zijn invloed te benadrukken. Bij City Lights in San Francisco verschijnen twee bloemlezingen uit zijn werk. In de beeldende kunst geeft Carolee Schneemann een centrale plaats aan Artaud in de voorbereidingen van haar kapitale performance Meat Joy uit 1964. Aan Black Mountain College werkt de dichteres Mary Caroline Richards, mede onder impuls van componist John Cage, aan een vertaling van Artauds bekendste boek, Le Théâtre et son Double (1938). Ook in Nederland en België vindt de naam Artaud zijn weg. Net als in de VS is de impact heftig. Criticus en dichter Paul De Vree schrijft: ‘Ik kan zijn stem dan ook niet beter vergelijken dan met het schuren en krassen van verroest bloed.’3 Voor de jonge toneelschrijver en regisseur Tone Brulin is het werk van Artaud (en dat is als compliment bedoeld) een sluipend ‘vergift’ dat binnensijpelt in de westerse cultuur.4 Schrijver Hugo Claus, dan nog een tienerjongen, reist eind 1947 naar Parijs en aanschouwt daar, naar eigen zeggen, Artaud in levende lijve, tijdens zijn laatste levensmaanden. In een interview, 25 jaar later, zegt Claus dat die ontmoeting hem getekend heeft. Meer nog, hij zou op dat moment besloten hebben deze vervallen man tot zijn ‘vader’ te verheffen: In mijn tweede gedichtenbundel Registreren heb ik mijn eigen vader voor Artaud verloochend. Ik was al jong een erudiet; op mijn achttiende kende ik het werk van Artaud; ik was door hem gefascineerd; ik ging naar Parijs om hem te zien; ik staarde naar hem, zoals hij achter een cafétafeltje ineengedoken zat, in een coma. Ik koos hem als substituut
3 4
Paul De Vree, ‘De Stem van Artaud’, De Tafelronde, jg. 1, nr. 5-6 (mei-juni 1953), p. 316-317. Tone Brulin, ‘Nooit een borstbeeld voor Antonin Artaud’, Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 6 (dec. 1951), p. 423. 18
Arm theater CC.indd 18
12/03/14 15:59
voor mijn lijfelijke vader. Over ‘Oidipus’ gesproken; je kunt het niet erger doen: je vader verloochenen ten voordele van dat wrak.5 In de gedichten van Registreren wordt de uitdrukking ‘vader’ nergens letterlijk gebruikt, maar wel schildert hij Artaud af als ‘een bleke kapitein’. Dus ‘dat wrak’ is geen atypische zonderling, maar integendeel een aanvoerder voor de ontwrichte naoorlogse generatie waartoe Claus zichzelf rekent. De Nederlandse dichter en criticus Paul Rodenko presenteert Artaud als laatste incarnatie van de poète maudit in zijn bloemlezing Gedoemde dichters uit 1957. In een essay uit oktober 1948 (dus amper een half jaar na de dood van Artaud), had hij het al over zijn ‘geestelijke moed’ om ‘de “waanzin” der poëzie volledig met zijn leven te assimileren en zijn surrealistische queste [sic] tot in het krankzinnigengesticht van Rodez voort te zetten’.6 Wat spreekt aan in het werk en de figuur van Artaud, en waarom? Functioneert hij als een culturele alarmbel, een luidruchtig icoon van de beginnende tegencultuur, een martelaar voor de antipsychiatrie? In dit hoofdstuk onderzoek ik het belang van Artaud voor jonge intellectuelen en kunstenaars in de decennia vlak na de Tweede Wereldoorlog. Hoe kon de figuur van Artaud helpen om l’univers concentrationnaire, of de werkelijkheid bekeken door de lens van de massavernietiging en de concentratiekampen, beter te begrijpen? Hoe kon Artaud helpen om positie te kiezen ten opzichte van de vooroorlogse machtsverhoudingen, die zo snel mogelijk werden hersteld? Aan welke idealen of projecten werd Artaud dienstbaar gemaakt?
5
6
Ben Bos, ‘Hugo Claus: ik ben geen postzegel, ik ben een planeet in het universum’, De Nieuwe Linie, 29 nov. 1972. Vergelijk ook het interview met Erik Marijse uit 1966: ‘In het eerste gedicht van “Registreren” noemt U Artaud “vader”. Kan U dat zeggen van iemand waarmee U nooit in persoonlijk kontakt bent getreden? — Ik heb mijn eigen vader afgezworen voor hem. Ik noemde hem zo uit bewondering, mentaal dan. Ik vind Artaud trouwens de grootste toneelfiguur van deze eeuw.’ (De Nieuwe Dag, 12 mei 1966) Paul Rodenko, ‘Het radicale humanisme van Antonin Artaud’, Litterair Paspoort, jg. 3, nr. 20, okt. 1948, p. 114. 19
Arm theater CC.indd 19
12/03/14 15:59
Hugo Claus, Registreren. Oostende: Carillon, 1948.
Arm theater CC.indd 20
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 21
12/03/14 15:59
De vervloekte vader Laat me beginnen met het document dat op de meest creatieve manier, maar ook op de meest romantisch-naïeve, in het teken van Artaud staat. Dat is ‘Voor de dichter Antonin Artaud’, het openingsgedicht van Hugo Claus’ tweede bundel Registreren, gepubliceerd in eigen beheer in 1948. De zeventienjarige dichter trekt in december 1947 naar Parijs. Hij zal er meerdere maanden verblijven in een hotel gelegen in dezelfde straat als Artauds favoriete café, Le Bar vert. Op 11 maart, luttele dagen na het overlijden van Artaud (dat breed werd uitgemeten in de Parijse pers), schrijft hij een brief aan de schilder Roger Raveel. De brief gaat vergezeld van een eerste versie van het gedicht. Aanvankelijk lijkt Claus helemaal mee te gaan in het heersende beeld van Artaud als de poète maudit. Artaud was een van mijn bevoorkeurde dichters van nu. Hij is van het zogezegde verdoemde geslacht: Baudelaire, de Nerval, Hölderlin, enz. Misschien zal ik je wel eens een paar van zijn dingen vertalen. Ik heb het hier nu echter niet over zijn betekenis, zijn werk, maar eenvoudig over zijn wezen als contact met mij, met ons. In Ierland heeft bij een betoging een agent zijn ruggegraat tot op het merg geraakt met zijn gummi-stok (daar waar Artaud niet eens aan de betoging had meegedaan, maar op bezoek was bij een vriend, dit ernevens gezegd als inlichting). Hij is zijn hele leven een lichamelijk wrak geweest, de hallucinaties waren lichamelijk, nooit was zijn geest aangeraakt. Toch werd hij 12 jaar in Ivry opgesloten.7 Dat beeld van het ‘verdoemde geslacht’ heeft Artaud zelf mee geboetseerd in zijn essay over Vincent van Gogh (1947). Daarin trekt hij een lijn van de ‘vervloekte’ romantische dichters en kunstenaars uit de negentiende eeuw – zoals Nerval, Gauguin, Nietzsche, Baudelaire, Edgar Allan Poe, Lautréamont, Kierkegaard, Hölderlin en Coleridge – naar zijn eigen positie. Ook de andere levensfeiten die Claus hier weet op te dissen, schijnen afkomstig te zijn uit de kring van bevriende kunstenaars die zich rond Artaud verzamelen vanaf het moment dat hij de gesloten instelling van 7
Hugo Claus, Roger Raveel, Brieven 1947-1962, red. Katrien Jacobs, Antwerpen: Ludion, 2007. 22
Arm theater CC.indd 22
12/03/14 15:59
Rodez verlaat in 1946.8 In hoeverre ze met de waarheid overeenstemmen is vaak minder duidelijk. Artaud heeft alleen zijn laatste twee levensjaren in de psychiatrische inrichting van Ivry-sur-Seine doorgebracht, geen twaalf jaar. Bovendien is hij er niet (meer) van zijn vrijheid beroofd. Dat is wel het geval in de instellingen van Sotteville-lès-Rouen, Saint-Anne, VilleÉvrard, en Rodez, waar hij tussen 1937 en 1946 verblijft. Ook de anekdote over de betoging is waarschijnlijk apocrief. Zeker is dat zijn excentrieke gedrag tijdens zijn reis naar Ierland tot een hoogtepunt komt in Dublin, in september 1937. Hij wordt opgesloten wegens landloperij, en na bemiddeling door de Franse ambassade op een schip richting Le Havre gezet. Aan boord van de Washington zal het, naar aanleiding van de achtervolgingswanen van Artaud, opnieuw tot een incident komen. Wanneer het schip in Frankrijk aanmeert, wordt Artaud aan de politie overgeleverd. Het is het begin van een negen jaar durende gedwongen internering.9 Het beeld van de gekwelde kunstenaar, ‘le suicidé de la société’ zoals de ondertitel van Artauds boekje over van Gogh het uitdrukt, is dominant aanwezig in Claus’ gedicht, maar het is niet het enige. Dat tonen de verschillende versies van het gedicht. Een eerste versie stuurt Claus in maart 1948 naar Raveel. Wanneer het gedicht nog datzelfde jaar in Registreren verschijnt, is het al ingrijpend veranderd. Het is, zoals Geert Buelens terecht opmerkt, minder ‘anekdotisch’ geworden.10 Diezelfde trend zet zich door wanneer Claus het gedicht veel later herwerkt voor zijn verzamelbundel Gedichten 1948-1993 uit 1994.
8
Zie bijvoorbeeld de drie themanummers van literaire tijdschriften die na Artauds dood in Parijs verschijnen, en heel wat ongepubliceerde teksten en biografische anekdotes bevatten: ‘Antonin Artaud: Textes, témoignages, documents’, K: revue de la poésie, nr. 1-2 (juni 1948); ‘Hommage à Antonin Artaud’, France-Asie, nr. 20 (sept. 1948); ‘Spécial Antonin Artaud’, 84, nr. 5-6 (1948). 9 Kapralik, Antonin Artaud: Leben und Werk, p. 232-233. 10 Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden: Zijn invloed op de Vlaamse poëzie, Nijmegen: Vantilt, Gent: Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 2001, p. 580. 23
Arm theater CC.indd 23
12/03/14 15:59
VERSIE 1
VERSIE 2
IN MEMORIAM DE DICHTER VAN RODEZ
VOOR DE DICHTER ANTONIN ARTAUD
Bij ons, de vreemden, de verdoolden, De nooit gelanden de ontwrichten Is een bleke kapitein gestorven
Bij ons, de vreemden, de verdoolden, De nooit gelanden, de ontwrichten Is een bleke kapitein gestorven.
Ik zie de aders niet meer kloppen Zijn gezicht uitgekerfde straatsteen Is stil geworden
Ik zie de aders niet meer kloppen. Zijn gezicht, uitgekerfde straatsteen, is stil geworden.
Registreren (1948)
Brief aan Roger Raveel (1948)
Dat wij zijn aangetast voor het leven weten zij, de gelijken, de onverstoorden, in elk van hunne effen uren. Men brak zijn weke ruggegraat, men sloot hem op met stoel en brood en stro, men noemde hem ziek en gek, men had medelijden.
O noem hem gek Knap in Ierland zijn weke ruggegraat Sluit hem op met stoel en brood en stro Schend zijn schone gedachten Ik zal hem steeds toren noemen Verpuinde toren Maar steeds toren Antonin Artaud Ik zal hem weer ontmoeten Onder de bruggen Hij zal verschrikt Zijn arm om mijn schouders leggen
Ik zal hem nog ontmoeten, onder de bruggen, in de gangen van het lege station. Hij zal verschrikt zijn armen om mijn schouders leggen.
Hij zal tegen de opduikende morgen Aan mij komen boren En ik zal huilen Artaud Artaud
Hij zal tegen de opduikende morgen aan mij komen boren, aan mijn vezels schuren, zodat ik huilen zal: Artaud, Artaud.
Je bent Creon gebleven Net als bij Dullin Toen je langs het grind op de knieeĚˆn reed En geen van ons, verdoolden zal Antigone wedervinden
Ik zie de aders niet meer kloppen. Hij was Creon. Geen van ons zal Antigone horen. En ons gebed is leeg van zin, nu meer dan ooit te voren. Verbreek de gordel van onmacht. Kraak de schelp van onvruchtbaarheid.
Hoe zal ik u nog noemen Dode hazewind Bloedende doodgeborene Of uitgebrande man
Mijn dode hazewind, mijn verpuinde toren, bloedende doodgeborene, uitgebrande man,
Man Antonin Artaud.
ANTONIN ARTAUD.
24
Arm theater CC.indd 24
12/03/14 15:59
VERSIE 3
Gedichten 1948-1993 (1994) VOOR DE DICHTER ANTONIN ARTAUD Bij ons, de vreemden, de verdwaalden, de nooit gelanden, de ontwrichten is een bleke kapitein gestorven. Ik zie de aders in zijn slapen niet meer kloppen. Zijn gezicht, uitgekerfde straatsteen is eindelijk stil. Dat wij zijn aangetast voor het leven weten zij, de gelijke naturen, de onverstoorde zielen in elk van hun effen uren. Zij braken zijn weke ruggegraat. Zij sloten hem op met stoel en brood en stro. Zij noemden hem ziek en gek. Zij hadden medelijden.
Ik zal hem nog ontmoeten onder de bruggen, in het leeg station. Hij zal zijn arm om mijn schouder leggen.
Tegen de morgen zal hij aan mij komen boren, aan mijn vezels schuren zodat ik schreeuwen zal: Artaud, Artaud. Ik zie de aders in zijn slapen niet meer kloppen.
Verbreek de gordel van onmacht. Kraak de schelp van onvruchtbaarheid. Mijn dode hazewind, mijn toren in puin, mijn bloedende doodgeborene, uitgebrande man, Antonin Artaud.
25
Arm theater CC.indd 25
12/03/14 15:59
Wanneer we de drie versies naast elkaar plaatsen, en de toevoegingen vet markeren, valt die evolutie op. Claus vervangt de directe aanspreking van de dominerende sociale orde (‘O noem hem gek / Knap in Ierland zijn weke ruggegraat’), die nogal gezwollen overkomt, door een meer objectiverende beschrijving (‘Men brak zijn weke ruggegraat’). Tegelijk identificeert hij die sociale orde ook explicieter. Terwijl de klemtoon in de eerste versie op de ontwrichte generatie zelf ligt (‘Bij ons, de vreemden, de verdoolden’), krijgt het niet-vreemde deel van de samenleving pas een gezicht in de latere versies (‘de gelijke naturen, / de onverstoorde zielen’). Daarentegen geraakt een anekdote uit Artauds carrière als toneelspeler in de latere versies dan weer meer op de achtergrond. Aanvankelijk verwijst Claus nog expliciet naar de Parijse theatercontext: ‘Je bent Creon gebleven / Net als bij Dullin’. Begin jaren twintig was Artaud zijn carrière als acteur namelijk begonnen bij de theatervernieuwer Charles Dullin, die het Théâtre de l’Atelier op het principe van een sterk acteursensemble had gebouwd.11 Anders dan Claus meent, was het niet Artaud maar Dullin zelf die de rol van Creon vertolkte in Jean Cocteaus bewerking van Antigone uit 1922.12 In elk geval, de anekdote blijkt voldoende obscuur, dat Claus het nodig acht om Raveel een toelichting bij de passage te geven. De connectie met een soort toespeling op de verloren geliefde klinkt dan ook geforceerd (‘En geen van ons, verdoolden zal / Antigone wedervinden’). Claus herschrijft de passage over Creon en Antigone in de gepubliceerde versie grondig. Dullin en het grind zijn verdwenen, wat het beeld meer hermetisch maakt (‘Hij was Creon. / Geen van ons zal Antigone horen’), en daardoor om een nieuwe betekenislaag lijkt te vragen. Die voegt Claus toe onder de vorm van een existentialistische observatie: ‘En ons gebed is leeg van zin, / nu meer dan ooit te voren.’ Dat blijkt ook onbevredigend, en bij de tweede herwerking, voor de verzamelbundel Gedichten 1948-1993, schrapt hij de hele passage. Claus’ herwerkingen van 1948 en 1994 tonen hoe hij het gedicht uitpuurt, het anekdotische materiaal wegfiltert, en de tegenstelling stileert tussen een samenleving vol ‘onverstoorde zielen’ en het volkje van de ‘verdwaal11 František Deák, ‘Antonin Artaud and Charles Dullin: Artaud’s Apprenticeship in Theatre’, Educational Theatre Journal, jg. 29, nr. 3. (okt. 1977), p. 345-353. 12 OC 1**, p. 256. 26
Arm theater CC.indd 26
12/03/14 15:59
den’. Constant in de verschillende versies is het beeld van hun aanvoerder. De associatie met zwervers blijft aanwezig, en wordt zelfs aangevuld (‘uitgekerfde straatsteen’, ‘Ik zal hem nog ontmoeten / onder de bruggen, in het leeg station’). Ook de laatste strofe ondergaat alleen vormelijke wijzigingen. De beelden blijven dezelfde: ‘Mijn dode hazewind, mijn toren in puin, / mijn bloedende doodgeborene, / uitgebrande man, Antonin Artaud.’ De hele spanning van het gedicht bestaat erin dat net déze vervallen man een ‘kapitein’ wordt genoemd voor de generatie van nu. Meer nog, na de versie geadresseerd aan Raveel voegt Claus een voorlaatste strofe toe, die niet onmacht, maar juist het vrijmaken van nieuwe krachten suggereert (‘Verbreek de gordel van onmacht. / Kraak de schelp van onvruchtbaarheid’). Artaud kan ook ‘vruchtbaar gemaakt worden’ voor het heden. Dat zal Claus’ werk in het theater, als auteur en regisseur, vanaf de jaren vijftig illustreren. Eerst wil ik echter verder uitdiepen hoe het beeld er anno 1948 uitziet. Dat gebeurt via een tweede sleuteltekst: het essay ‘Het radicale humanisme van Antonin Artaud’, dat Paul Rodenko in het maandblad Litterair Paspoort laat verschijnen in oktober 1948.
27
Arm theater CC.indd 27
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 28
12/03/14 15:59
Paul Rodenko, ‘Het radicale humanisme van Antonin Artaud’, Litterair Paspoort, jg. 3, nr. 20, okt. 1948, p. 113-117.
Arm theater CC.indd 29
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 30
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 31
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 32
12/03/14 15:59
Arm theater CC.indd 33
12/03/14 15:59