Handboek voor beheerders Europese natuurdoelstellingen op het terrein
Handboek voor beheerders Europese natuurdoelstellingen op het terrein Deel II: Soorten Jan Van Uytvanck & ValĂŠrie Goethals
Auteurs Jan Van Uytvanck & Valérie Goethals (redactie), Dries Adriaens, Peter Adriaens, Anny Anselin, Bart Christiaens, Geert De Blust, Daniël De Charleroy, Geert De Knijf, Kris Decleer, Luc Denys, Koen Devos, Remar Erens, Ralf Gyselings, Ilf Jacobs, Guy Laurijssens, Gerald Louette, Dirk Maes, Jo Packet, Geert Spanoghe, Arno Thomaes, Koen Van Den Berge, Tom Van den Neucker, Ben Van der Wijden, Kris Vandekerkhove, Edward Vercruysse, Glenn Vermeersch, Inne Vught. Alle auteurs, behalve Ben Van der Wijden en Ilf Jacobs, zijn verbonden met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25 1070 Brussel info@inbo.be Opdrachtgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Agentschap voor Natuur en Bos Verantwoordelijke uitgever Jurgen Tack Administrateur-Generaal van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
d/2014/45/118 – isbn 978 94 014 1677 1 – Nur 944 vormgeving binnenwerk en omslagontwerp: Jurgen Leemans © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 B-3001 Leuven www.lannoocampus.com
Inhoud
Inhoud I. Inleiding
9
Beleidskader: Natura 2000 10 Soortenbeleid en -beheer 11 Waarover dit boek gaat 15 Doelgroepen 15
II. Soorten en ecoprofielen
17
Welke soorten komen aan bod? Ecoprofielen voor beheer De habitat als uitgangspunt in dit boek Aan de slag?
18 22 28 30
III. Beheermaatregelen voor diersoorten
33
Dieren van akkers en graslanden in open tot halfopen landschappen
35
Ecoprofiel 1 | Ecoprofiel 2 | Ecoprofiel 3 | Ecoprofiel 4 | Ecoprofiel 5 |
Dieren van grote akkercomplexen 36 Overwinterende watervogels op graslanden en akkers 52 Broedvogels van natte graslanden 64 Dieren van structuurrijke graslanden in een kleinschalig landschap 81 Dieren van natte, structuurrijke graslanden, ruigten en grote zeggen 96
Dieren in de gradiënt van grasland-heide-bos Ecoprofiel 6 | Dieren van grote heide-duin-graslandcomplexen Ecoprofiel 7 | Vlinders en sprinkhanen van schraal grasland Ecoprofiel 8 | Vlinders en sprinkhanen van structuurrijke heiden Ecoprofiel 9 | Vogels van voedselarme bos- en heidecomplexen Ecoprofiel 10 | Dieren van lichtrijke bossen en mozaïeklandschappen Ecoprofiel 11 | Dieren van structuurrijke, gesloten bossen 5
107 108 123 129 140 151 175
Inhoud
Dieren van open water en moeras in open tot halfopen landschappen Ecoprofiel 12 | Ecoprofiel 13 | Ecoprofiel 14 | Ecoprofiel 15 | Ecoprofiel 16 |
Overwinterende vogels van open water Dieren van vegetatierijke plassen Moerasvogels Dieren van poelen Dieren van voedsel足arme vennen, vijvers en poelen
Dieren van stromend water in open tot gesloten valleilandschappen Ecoprofiel 17 | Dieren van grote riviervalleien Ecoprofiel 18 | Dieren van zuivere beken
195 196 204 218 236 247
263 264 283
Vleermuizen 297
Begrippenlijst en bijlagen
321
6
Fotoverantwoording p. 29, Ilf Jacobs p. 31 (links), Wouter Van Landuyt p. 31 (midden), Jo Packet p. 31 (rechts), Wouter Van Landuyt p. 34-35, Jan Van Uytvanck p. 36, Glenn Vermeersch p. 38, Remar Erens p. 39, Jan Van Uytvanck p. 40, Remar Erens p. 42, Jan Van Uytvanck p. 43, Jan Van Uytvanck p. 44 (links), Olivier Dochy p. 44 (rechts), Olivier Dochy p. 45 (bovenaan, groot), Oike Vlaanderen/ Werkgroep Grauwe Kiekendief p. 45 (bovenaan, klein), Werkgroep Grauwe Kiekendief p. 45 (onderaan), Geert Spanoghe p. 46 (links), Olivier Dochy p. 46 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 49, Glenn Vermeersch p. 50, Glenn Vermeersch p. 51, Rollin Verlinden/VILDA p. 52, Glenn Vermeersch p. 53, Geert Spanoghe p. 54, Patrick Keirsebilck p. 56, Jan Van Uytvanck p. 57, Glenn Vermeersch p. 58, Geert Spanoghe p. 62, Glenn Vermeersch p. 63, Patrick Keirsebilck p. 64 (boven), Glenn Vermeersch p. 64 (onder), Jan Van Uytvanck p. 65, Yves Adams/VILDA p. 68, Geert Spanoghe p. 70, Glenn Vermeersch p. 73 (links), Patrick Keirsebilck p. 73 (rechts), Glenn Vermeersch p. 74, Geert Spanoghe p. 77, Geert Spanoghe p. 78, Glenn Vermeersch p. 79, Glenn Vermeersch p. 80, Koen Devos p. 81, Jan Van Uytvanck p. 83, Jan Van Uytvanck p. 84, Geert Spanoghe p. 85, Jan Van Uytvanck
p. 86 (links), Glenn Vermeersch p. 86 (rechts), Glenn Vermeersch p. 87, Glenn Vermeersch p. 89, Alexander Van Braeckel p. 90, Ilf Jacobs p. 91 (links), Jan Van Uytvanck p. 91 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 94, Geert Spanoghe p. 95, Patrick Keirsebilck p. 96, Glenn Vermeersch p. 97 (boven), Kris Decleer p. 97 (onder), Kris Decleer p. 98 (links), Kris Decleer p. 98 (rechts), Rudmer Zwerver/ SAXIFRAGA p. 101 (boven), Kris Decleer p. 101 (onder), Kris Decleer p. 105, Jeroen Mentens/VILDA p. 106-107, Yves Adams/VILDA p. 108, Rollin Verlinden/VILDA p. 109 (links), Glenn Vermeersch p. 109 (rechts), Glenn Vermeersch p. 110, Jeroen Mentens/VILDA p. 112, Ilf Jacobs p. 116, Jan Van Uytvanck p. 117 (boven), Glenn Vermeersch p. 117 (linksonder), Ilf Jacobs p. 117 (rechtsonder), Patrick Keirsebilck p. 119 (links), Kris Decleer p. 119 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 122, Yves Adams/VILDA p. 123, Jan Van Uytvanck p. 124, Jan Van Uytvanck p. 125 (links), Ilf Jacobs p. 125 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 126 (links), Ilf Jacobs p. 126 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 127, Ilf Jacobs p. 128, Willem Jan Hoeffnagel/ SAXIFRAGA p. 129, Mark Zekhuis/SAXIFRAGA p. 130 (links), Ilf Jacobs p. 130 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 131 (links), Ilf Jacobs p. 131 (rechts), Valérie Goethals p. 132 (links), Glenn Vermeersch p. 132 (rechts), Valérie Goethals
7
Inhoud
p. 133 (links), Ilf Jacobs p. 133 (rechts), Kris Decleer p. 134, Ilf Jacobs p. 135, Jan Van Uytvanck p. 136, Ilf Jacobs p. 140, Glenn Vermeersch p. 141, Glenn Vermeersch p. 142 (boven), Jan Van Uytvanck p. 142 (onder), Jan Van Uytvanck p. 143, Jan van der Straaten/ SAXIFRAGA p. 146, Jan Van Uytvanck p. 147, Jan Van Uytvanck p. 149, Glenn Vermeersch p. 150, Glenn Vermeersch p. 151, Glenn Vermeersch p. 152, Kris Vandekerkhove p. 154, Kris Vandekerkhove p. 155, Kris Vandekerkhove p. 158 (links), Valérie Goethals p. 158 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 160, Kris Vandekerkhove p. 161, Kris Vandekerkhove p. 162 (boven), Kris Vandekerkhove p. 162 (onder), Jan Van Uytvanck p. 163 (boven), Luc De Keersmaeker p. 163 (onder), Jan Van Uytvanck p. 164 (links), Jan Van Uytvanck p. 164 (rechts), Valérie Goethals p. 165 (links), Jan Van Uytvanck p. 165 (rechts), Valérie Goethals p. 166, Jan Van Uytvanck p. 167 (boven), Jan Van Uytvanck p. 167 (onder), Jan Van Uytvanck p. 168, Kris Vandekerkhove p. 171, Yves Adams/VILDA p. 172, Bernard Van Elegem p. 173, Koen De Rijck p. 174, Valérie Goethals p. 175, Glenn Vermeersch p. 177, Jan Van Uytvanck p. 178 (alle foto’s), Glenn Vermeersch p. 180 (links), Jan Van Uytvanck p. 180 (rechts), Jan Van Uytvanck p. 181, Luc De Keersmaeker p. 182 (links), Kris Vandekerkhove p. 182 (rechts), Kris Vandekerkhove
Fotoverantwoording
p. 184 (alle foto’s), Kris Vandekerkhove p. 186 (boven), Jan Van Uytvanck p. 186 (onder), Kris Vandekerkhove p. 187, Kris Vandekerkhove p. 188, Jan Van Uytvanck p. 189, Kris Vandekerkhove p. 191, Glenn Vermeersch p. 192, Glenn Vermeersch p. 193, Glenn Vermeersch p. 194-195, Jo Packet p. 196 (boven), Glenn Vermeersch p. 196 (onder), Koen Devos p. 197, Olivier Dochy p. 200 (alle foto’s), Glenn Vermeersch p. 201, Olivier Dochy p. 203 (linksboven), Glenn Vermeersch p. 203 (2 foto’s rechtsonder), Geert Spanoghe p. 204 (boven), Glenn Vermeersch p. 204 (onder), Jo Packet p. 206, Yves Adams/VILDA p. 207 (links), Valérie Goethals p. 207 (rechts), Valérie Goethals p. 209, Ilf Jacobs p. 212, Jo Packet p. 213, Jo Packet p. 215, Valérie Goethals p. 216, Yves Adams/VILDA p. 217, Rollin Verlinden/VILDA p. 218 (boven), Glenn Vermeersch p. 218 (onder), Jan Van Uytvanck p. 222 (links), Kris Decleer p. 222 (rechts), Patrick Keirsebilck p. 224, Glenn Vermeersch p. 225, Olivier Dochy p. 227, Kris Decleer
p. 229, Glenn Vermeersch p. 230, Glenn Vermeersch p. 231, Geert Spanoghe p. 232, Jan Van Uytvanck p. 233, Glenn Vermeersch p. 234, Geert Spanoghe p. 235, Nico De Regge p. 236, Valérie Goethals p. 237, Yves Adams/VILDA p. 238, Regionaal Landschap Haspengouw & Voeren p. 242 (boven), Regionaal Landschap Haspengouw & Voeren p. 242 (onder), Jo Packet p. 244, Valérie Goethals p. 245, Kees Marijnissen/SAXIFRAGA p. 246, Edo van Uchelen/SAXIFRAGA p. 247 (boven), Rob Felix/SAXIFRAGA p. 247 (linksonder), Jo Packet p. 247 (rechtsonder), Valérie Goethals p. 248, Geert Spanoghe p. 249, Jo Packet p. 251, Jo Packet p. 254 (links), Valérie Goethals p. 254 (rechts), Valérie Goethals p. 255 (links), Tim Adriaens p. 255 (rechts), Jo Packet p. 259, Mark Zekhuis/SAXIFRAGA p. 260, Rob Felix/SAXIFRAGA p. 261, Geert Spanoghe p. 262-263, Olivier Dochy p. 264 (boven), Yves Adams/VILDA p. 264 (onder), Olivier Dochy p. 265, Olivier Dochy p. 266, Hans Boll/SAXIFRAGA p. 268, Jan Van Uytvanck
8
p. 272, Jo Packet p. 274, Jan Van Uytvanck p. 275, Jan Van Uytvanck p. 276, Jan Van Uytvanck p. 278, Mark Zekhuis/SAXIFRAGA p. 279, Nico De Regge p. 280, Rollin Verlinden/VILDA p. 281, Tim Termaat/SAXIFRAGA p. 282, Glenn Vermeersch p. 283, Yves Adams/VILDA p. 288 (boven), Daniel De Charleroy p. 288 (linksonder), Tom Van den Neucker p. 288 (rechtsonder), Daniel De Charleroy p. 290 (links), Rollin Verlinden p. 290 (rechts), Janus Verkerk/ SAXIFRAGA p. 291 (links), Valérie Goethals p. 291 (rechts), Rudmer Zwerver/ SAXIFRAGA p. 293, Frits Bink/SAXIFRAGA p. 294, Mark Zekhuis/SAXIFRAGA p. 295, Jan Van Uytvanck p. 296, Glenn Vermeersch p. 297, Luc De Bruyn p. 298, Rollin Verlinden/VILDA p. 304, Rollin Verlinden/VILDA p. 309, Rollin Verlinden/VILDA p. 315 (links), Luc De Bruyn p. 315 (rechts), Arno Thomaes p. 316 (linksboven), Luc De Bruyn p. 316 (rechtsboven), Luc De Bruyn p. 316 (linksonder), Luc De Bruyn p. 316 (rechtssonder), Ralf Gyselings
I.
Inleiding Jan Van Uytvanck, ValĂŠrie Goethals & Geert De Blust
Inleiding
Het Handboek voor beheerders - Europese natuurdoelstellingen op het terrein wil als publicatie bijdragen aan de realisatie van de Europese natuurbehoudsdoelstellingen, de zogenaamde natuurdoelen. Het idee voor dit handboek kreeg vorm in de vergaderingen van de Vlaamse Overleggroep die de uitwerking en de realisatie van de natuurdoelen op Vlaams niveau begeleidt. De organisaties die zetelen in de overleggroep zijn ook de vertegenwoordigers van de betrokken doelgroepen van het handboek: Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UNIZO (Unie van Zelfstandige Ondernemers), Natuurpunt vzw, Boerenbond, Algemeen Boerensyndicaat, Hubertus Vereniging Vlaanderen vzw en Landelijk Vlaanderen. Bij de uitwerking van dit tweede deel van het handboek werd, net als bij Deel I: Habitats, rekening gehouden met suggesties en opmerkingen van de leden van de Vlaamse Overleggroep.
Beleidskader: Natura 2000 Twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG van 2 april 1979) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG van 21 mei 1992) vormen de juridische pijlers van het Europese natuurbehoud en -beleid. De Vogelrichtlijn is gericht op de instandhouding van alle vogelsoorten die op natuurlijke wijze en in het wild voorkomen op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Zij heeft betrekking op de bescherming, het beheer, de regulering en de exploitatie van die soorten. Europa legt haar lidstaten op om speciale beschermingszones aan te duiden voor bepaalde vogelsoorten, die worden opgesomd in Bijlage I van de richtlijn. Die zones noemt men Vogelrichtlijngebieden of, met een afkorting, SBZ-V (‘Speciale Beschermingszones in het kader van de Vogelrichtlijn’). De Habitatrichtlijn is gericht op het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Aan de lidstaten wordt opgelegd om speciale beschermingszones aan te duiden voor bepaalde habitats en soorten van communautair belang. Die worden opgesomd in de Bijlagen I en II van de richtlijn. Ze worden Habitatrichtlijngebieden genoemd of, met een afkorting, SBZ-H (‘Speciale Beschermingszones in het kader van de Habitatrichtlijn’). Samen vormen de speciale beschermingszones van beide richtlijnen het Natura 2000-netwerk, het grootste netwerk van natuurgebieden ter wereld. Het strekt zich uit over 27 landen en telt ongeveer 25.000 gebieden, goed voor zowat één vijfde van de oppervlakte van Europa. In het Natura 2000-netwerk krijgt de toekomst van Europa’s meest kwetsbare dier- en plantensoorten en hun leefgebieden extra aandacht. Alle lidstaten van de Europese Unie nemen in de Natura 2000-gebieden maatregelen om die soorten en habitats 10
ook in de toekomst kansen te geven. Voor alle speciale beschermingszones maakt men natuurdoelen op, die als basis voor de te nemen maatregelen dienen. De realisatie van die doelstellingen willen de lidstaten samen met de gebruikers van de gebieden verwezenlijken. Deel II van het Handboek voor beheerders biedt ecologische achtergronden én de bijbehorende technische informatie voor beheerders die acties willen ondernemen voor soorten van Europees belang binnen en buiten de Natura 2000-gebieden in Vlaanderen. In dit boek worden ze begeleid en geïnformeerd om op hun manier een bijdrage te kunnen leveren aan de Europese natuurbehoudsdoelstellingen in hun specifieke gebied.
Soortenbeleid en -beheer Het soortenbeleid en -beheer van de Vlaamse overheid gaat over maatregelen en acties voor planten en dieren in positieve of in negatieve zin: beschermen en begunstigen versus bestrijden en verdelgen. De focus van het Vlaamse soortenbeleid is hierbij gericht op het herstel van populaties, soorten of ecosystemen, het duurzame gebruik van een soort en het vermijden dat een aanwezige soort schade of overlast veroorzaakt. Zoals hierboven reeds geschetst in het beleidskader van Natura 2000, situeert het soortenbeleid in Vlaanderen zich in een internationale context. De Europese doelen en verplichtingen zijn duidelijk geformuleerd, waarbij de lidstaten in ruime mate zelf bepalen hoe ze de doelen willen bereiken. Het Natura 2000-beleid in Vlaanderen is weliswaar een topprioriteit, maar niet alle noden voor habitats en soorten in Vlaanderen worden hierdoor gedekt. Bijkomende inspanningen en initiatieven blijven ook nodig voor overige Vlaamse natuurgebieden en soorten, aanvullend op en met respect voor het verhaal van de speciale beschermingszones. Vertrekkende van soorten en hun leefgebieden moet men maatregelen nemen om te komen tot een meer robuuste en hoogwaardige natuur, bestaande uit voldoende grote gebieden met een hoge natuurkwaliteit (de zogenaamde kerngebieden) en een tussenliggend landschap met een basis aan natuur- en milieukwaliteit. Essentieel is dat natuurgebieden worden verbonden. Een basis aan natuur- en milieukwaliteit buiten de kerngebieden is dan ook een vereiste om tegemoet te komen aan de internationale biodiversiteitsengagementen zoals Nagoya en de Europese biodiversiteitsstrategie. Een succesvol soortenbeleid is dus onlosmakelijk verbonden met het gebiedsgerichte beleid en vice versa. Het Vlaamse soortenbeleid maakt het meeste kans om succesvol te zijn wanneer het ingebed is in en in wisselwerking staat met het gebiedsgerichte beleid en met de engagementen en overeenkomsten tussen de Vlaamse overheid en andere overheden en actoren. Het soortenbeleid dient dus niet op zichzelf beschouwd te worden, maar wordt bij voorkeur gehanteerd als richtingaanwijzer en toetsingsbord bij andere thema’s, zoals o.a. het multifunctioneel natuurbeheer, de landinrichtingsplannen, 11
Inleiding
het integraal waterbeleid, de acties door regionale landschappen en bosgroepen, het agrarisch groenbeheer en het gemeentelijk en provinciaal natuurbeleid. In het realiseren van een kwaliteitsvolle Vlaamse biodiversiteit is de Vlaamse overheid (en in het bijzonder het Agentschap voor Natuur en Bos) slechts ĂŠĂŠn speler. Het is een verantwoordelijkheid van elke burger, elke organisatie en elk overheidsniveau. In Vlaanderen komen ongeveer veertigduizend diersoorten voor (gewervelden en ongewervelden). Het is evident dat men niet voor elke Vlaamse soort specifieke maatregelen kan nemen. Voor een beperkte set van soorten zijn specifieke maatregelen wel haalbaar. Voor een efficiĂŤnt overheidsbeleid gericht op het behoud van soorten is een aanpak met geografische afbakeningen belangrijk. Daarvoor zal een zogenaamde leefgebiedenbenadering voor soorten noodzakelijk zijn, die het principe van ecoprofielen combineert met de kennis over de biogeogafie van soorten. Door de focus te verleggen van de soorten naar hun leefgebieden, wordt het mogelijk om in te zetten op een robuust en kwaliteitsvol natuurnetwerk. Een leefgebiedenaanpak richt zich op groepen van soorten in hun leefgebieden (habitat), in plaats van op individuele soorten. Een leefgebied is een clustering van verschillende habitats, regionaal belangrijke biotopen en kleine landschapselementen (verbindingen) en vormt de habitat voor meerdere soorten. Het uitgangspunt van de leefgebiedenbenadering is dat de te nemen maatregelen voor soorten zoveel mogelijk aansluiten bij andere maatregelen, beleidskeuzes en plannen voor de natuur in Vlaanderen, zodat een optimale beleids- en gebiedsintegratie wordt nagestreefd. Afzonderlijke accenten voor specifieke soorten zijn mogelijk, maar doorgaans wordt er wel op een landschapsniveau gewerkt. Een belangrijk voordeel van een dergelijke aanpak is dat die leidt tot een verbreding van de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen en het zorgen voor de vooruitgang van de biodiversiteit. Daarbij wordt samengewerkt met een zo groot mogelijk aantal partners. Een tweede belangrijk voordeel is dat men op korte termijn kan starten met het ondernemen van inspanningen voor een ruime schare aan soorten. De beleidsmatige en juridische pijlers van soortenbescherming in Vlaanderen worden grotendeels vastgelegd in het Soortenbesluit (Besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer). In dat besluit komen de Europese verplichtingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn aan bod, wordt aangegeven welke soorten bescherming genieten en welke verbodsbepalingen gelden ten aanzien van die soorten. In het Soortenbesluit werd er ook een luik voorzien voor de actieve bescherming van soorten door behoudsmaatregelen. Voor sommige soorten kan men een soortbeschermingsprogramma of -plan opstellen. 12
Voorafgaand aan het Soortenbesluit werden er reeds dergelijke plannen gemaakt, onder andere voor de das, hamster en hazelmuis, het gentiaanblauwtje en de vleermuizen. Voor het realiseren van het Vlaamse natuurbeleid zijn verschillende instrumenten beschikbaar: programma’s, plannen, subsidies, vergunningen, advies, wetgeving, richtlijnen, overeenkomsten enzovoort. Specifiek voor het soortenbeleid kan de minister bevoegd voor het leefmilieu, soortenbehoudsmaatregelen nemen of soortenbeschermingsprogramma’s vaststellen. In het ideale geval kan dat voor soorten van de hoogste Vlaamse prioriteit en voor Rode Lijst-soorten. De volgende maatregelen kunnen genomen worden conform artikel 24-25 van het Soortenbesluit: -- 1° het uitvoeren van sensibiliseringsacties, daarbij inbegrepen het uitbrengen van codes van goede praktijk; -- 2° het verrichten van specifieke verwervings-, inrichtings- of beheeractiviteiten; -- 3° het toekennen van subsidies; -- 4° het sluiten van overeenkomsten met administratieve overheden of met rechtsonderhorigen, organisaties of verenigingen, om regionale of plaatselijke soortenbehoudsinitiatieven te ondersteunen. Een soortbeschermingsprogramma (SBP) is een vijf jaar durend, wetenschappelijk onderbouwd actieplan dat het behoud en beheer van één of meerdere planten- of diersoorten op de schaal van Vlaanderen beschrijft. Er worden ook doelstellingen geformuleerd voor het betrekken van verschillende actoren op het terrein, voor sensibilisatie, monitoring en nieuwe kennisverwerving in functie van behoud en beheer. In een volgende fase worden acties beschreven die leiden tot een duurzaam herstel op de verschillende niveaus: populaties, gebieden, functionele behoudseenheden (zie kadertekst bij ecoprofiel 8: dieren van kleinschalige structuurrijke heiden), waarbij zowel overzichts- als zeer gedetailleerde kaarten worden gemaakt. De acties (= beheersmaatregelen, overlegmomenten, bijsturingen, studie) worden gebundeld in verschillende strategieën (bijvoorbeeld vergroten van de functionele habitat, ruimtelijke verbinding van populaties, sensibilisatie van actoren ...). In het laatste deel worden voorstellen geformuleerd voor monitoring en evaluatie en worden aanbevelingen gedaan voor de toekomst (monitoring, opvolging en nieuwe gebieden, studies en acties). Door het clusteren van soorten met gelijkaardige vereisten kan men aan efficiëntie winnen en het aantal op te maken SBP’s reduceren. Een SBP wordt goedgekeurd door de minister of door de Vlaamse regering. De opmaak van een soortbeschermingsplan leidt tot het beschermen en versterken van kwetsbare soorten op een lokale maar niet noodzakelijk Vlaamse schaal. In het verleden werd er door de provincies een prioriteringsoefening ondernomen, 13
Inleiding
die leidde tot de provinciaal prioritaire soorten (een gehanteerd criterium daarbij was dat de provincie een belangrijk aandeel van de Vlaamse populatie binnen haar gebied heeft). Ook focussen terreinbeherende verenigingen op kwetsbare soorten waarvoor ze prioritair inspanningen ondernemen. Voor verschillende van die soorten lopen reeds soortbeschermingsplannen of zijn die gepland. Sensibilisering en in ruimere zin communicatie zijn belangrijke hefbomen om te komen tot een maatschappij die zich verantwoordelijk voelt voor het mee realiseren van een groene leefomgeving en die zich bewust is van de voordelen van het samenwerken aan een groene leefomgeving met een diversiteit aan dieren en planten. Communicatie dient daarbij enerzijds om specifieke doelen, zoals bepaald in het SBP, te realiseren, maar laat anderzijds ook toe om in te zetten op het realiseren van een betere basisnatuur en hierdoor de biodiversiteit te versterken. De drie andere soortenbehoudsmaatregelen zijn specifieker en gerichter in te zetten en dienen steeds deel uit te maken van uitgewerkte actieplannen voor soorten (SBP, soortbeschermingsplan, leefgebiedenaanpak) of gebieden (beheerplannen). In dergelijke plannen moet bepaald worden wie welke acties op zich neemt en in hoeverre dat in overeenkomsten moet gegoten worden, welk soorten-, habitat- of landschapsbeheer in welke gebieden nodig is, in hoeverre een aankoopbeleid noodzakelijk is voor het bereiken van de vooropgestelde soortendoelen en op welke wijze en in welke mate subsidies nodig zijn om soortendoelen te realiseren. In het kader van soortbeschermingsplannen kan men verder nog verschillende instrumenten inzetten of acties ondernemen: Beheerovereenkomsten zijn samenwerkingsvormen tussen de overheid en landgebruikers. Tegen een financiÍle vergoeding kan de landgebruiker acties ondernemen of handelingen laten die natuurdoelstellingen ondersteunen. Voor diersoorten zijn er specifieke pakketten voor weidevogels, akkervogels en hamster. Beheersovereenkomsten sluit men af op vrijwillige basis en zijn geconcentreerd in kansrijke gebieden voor de doelsoorten. Ze kunnen handelen over volledige percelen (graslanden, akkers), maar ook over perceelranden (voornamelijk van akkers). Voor enkele soorten in dit boek komt gericht beheer via beheersovereenkomsten zeker in aanmerking, bijvoorbeeld voor de tureluur, blauwe en grauwe kiekendief, kleine zwaan ‌ De herintroductie van soorten is een bijzondere maatregel voor de soortenbescherming. Wanneer een soort (lokaal) uitgestorven is vooraleer men beschermingsmaatregelen kon nemen en niet meer van nature kan terugkeren, is herintroductie de enige overblijvende mogelijkheid. Herintroductie moet steeds weloverwogen gebeuren en kan als actie indien ze gekaderd is in 14
een soortbeschermingsprogramma (zie hoger). Hoewel het nog weinig uitgevoerd wordt in Vlaanderen, is herintroductie vaak controversieel. Dat heeft deels te maken met het ontbreken van duidelijke beleidsstandpunten en actieplannen. De ecoprofielen die in dit handboek gebruikt worden, mag men in geen enkel geval interpreteren als na te streven soortensamenstellingen in een gebied en mogen in geen enkel geval aanleiding geven tot ongecontroleerde (of goedbedoelde) herintroductie.
Waarover dit boek gaat Dit handboek wil een hulpmiddel zijn voor grondgebruikers, -beheerders of -eigenaars die op eigen initiatief of in samenspraak met de overheid of natuurbeheerders willen bijdragen aan de realisatie van de Europese natuurdoelen voor specifieke habitats, planten- en diersoorten. Die bijdrage kunnen ze leveren door een gericht (natuur)beheer uit te voeren. In Deel I: Habitats van dit handboek werd het beheer van de Europese habitats besproken. In Deel II: Soorten gaan we in op de manier waarop beheer ook een bijdrage kan leveren aan het voortbestaan van specifieke soorten. Dikwijls zijn de bestaande natuur- of landbouwgebieden onvoldoende groot om in te staan voor de overleving van populaties. Een diersoort maakt vaak gebruik van verschillende habitats, die elk een verschillende functie hebben (bijvoorbeeld moerassen om te broeden, landbouwgebied om voedsel te zoeken, bosjes om te rusten). Die verschillende types moeten dus samen, in een groter ruimtelijk geheel (en dus vaak buiten de bestaande natuurgebieden) voorhanden zijn. Door gericht beheer kan een beheerder zijn terrein voor één of meerdere van die functies geschikt maken. Daarvoor is inzicht nodig in de ecologische eisen die soorten stellen en in de onderliggende samenhang van habitats. Dit boek vormt een basis om kennis te maken met die inzichten. Vaak zal er nood zijn aan nog meer gespecialiseerde boeken en opleidingen, waarnaar wordt verwezen. Ook gebieds- en soortspecifieke kennis en ervaring blijven van groot belang. Het strekt dan ook tot aanbeveling om zich bij het beheer van terreinen voor soorten grondig te informeren en zoveel mogelijk contact te zoeken met gespecialiseerde instanties, natuurkenners en overheden.
Doelgroepen In de eerste plaats richt het handboek zich tot particuliere beheerders. De zetelende organisaties van de Vlaamse Overleggroep (zie hoger) vertegenwoordigen, globaal gezien, die beheerders. Het zijn dus georganiseerde en/of individuele ondernemers, landbouwers, landeigenaars, jagers en vissers die actief zijn in terreinen gelegen in het 15
Inleiding
Natura 2000-netwerk of daarbuiten. Dieren en planten houden zich immers niet aan door mensen afgebakende grenzen. Sommige sterk bedreigde soorten komen voor in agrarisch of zelfs in stedelijk gebied. Doelstellingen van particuliere beheerders zullen vaak een multifunctioneel karakter hebben. Ze zullen naast de natuurbehoudsfunctie ook geregeld een economische functie hebben of omgekeerd. Het beschermen van soorten werkt vaak aanstekelijk en kan beheerders een enorme voldoening schenken. Denk maar aan het beschermen van nesten van kiekendieven (tegen vroegtijdig uitmaaien) in landbouwpercelen. Vaak hoeft dat ook de andere functies niet te hypothekeren en ontstaat er een mooie samenwerking van natuurliefhebbers en particuliere beheerders. We kiezen in dit handboek dan ook voor een aanpak die het beheer beschrijft van soorten die relevant zijn voor die groep van beheerders. In tweede instantie richt het handboek zich tot terreinbeherende overheidsinstanties (bijvoorbeeld ANB, VLM, nv Waterwegen en Zeekanaal) en erkende terreinbeherende natuurbehoudsverenigingen. Met name de beherende instanties die natuurbeheer niet als kern- of hoofdtaak hebben, zijn een belangrijke doelgroep omdat voor hun specifieke situatie (bijvoorbeeld het beheer van waterlopen, dijken, overstromingsgebieden) vaak geen goed toegankelijke en gebundelde informatie beschikbaar is of omdat technische begeleiding met betrekking tot het natuurbeheer niet aanwezig is. De georganiseerde terreinbeheerders die actief zijn in grotere natuurgebieden of natuurreservaten, worden daarentegen wel professioneel begeleid en beschikken meestal over een beheerplan en reeds veel ervaring. Een laatste doelgroep omvat de diverse beleidsmakers, die het handboek enerzijds kunnen gebruiken om voeling te houden met wat er moet gebeuren om soorten te beschermen en anderzijds om de techniciteit en de complexiteit van natuurbeheer en -herstel te kunnen inschatten. Het handboek kan hen helpen om gericht beleidsinstrumenten te ontwikkelen die het natuurbehoud in de Natura 2000-gebieden krachtdadig ondersteunen. Door de technische uitleg is het gebruik van jargon soms onvermijdelijk. Daarom is in Bijlage I een begrippenlijst opgenomen met verklaringen in eenvoudige taal.
16
II.
Soorten en ecoprofielen Jan Van Uytvanck & ValĂŠrie Goethals
Soorten en ecoprofielen
Welke soorten komen aan bod? Voor dit boek werd uiteraard uitgegaan van de soorten die zijn opgenomen in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Meer bepaald zijn dit: -- vogels die opgenomen zijn in Bijlage I van de Vogelrichtlijn, waarvoor de lidstaten speciale beschermingszones moeten afbakenen en maatregelen moeten nemen voor hun instandhouding; -- vogels die niet in Bijlage I van de Vogelrichtlijn voorkomen, maar die als broedvogel, doortrekker of overwinteraar in internationaal belangrijke aantallen in een bepaald gebied in Vlaanderen voorkomen. Die aantallen overschrijden geregeld één procent van de biogeografische populatie; -- dieren die opgenomen zijn in Bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn. Dat zijn de dieren waarvoor speciale beschermingszones en beschermingsmaatregelen vereist zijn (Bijlage II) en dieren die strikt beschermd moeten worden (Bijlage IV). Voor Vlaanderen werd recent een lijst gepubliceerd met dieren die typische vertegenwoordigers zijn van de Europese habitats (zie Deel I: Habitats), de zogenaamde habitattypische soorten. Verder werd er ook vanuit het Vlaamse natuurbeleid een lijst opgesteld met soorten waarvoor het behoud prioritair is, de zogenaamde soorten van hoogste Vlaamse prioriteit. Die soortenlijsten werden meegenomen omdat ze voor beheerders een zinvol aanknopingspunt vormen bij het stellen van doelen en omdat men het beheer ervan kan meenemen met het beheer van de soorten van de Europese richtlijnen. Die koppeling gebeurde aan de hand van de ‘ecoprofielen voor beheer’ (zie verder). Vertrekkende vanuit de vijf hoger vermelde soortenlijsten en aan de hand van een aantal criteria werd een selectie voor dit boek gemaakt. De weerhouden soorten (zie Tabel 1.1): -- zijn relevant voor particuliere beheerders en terreinbeherende instanties die natuurbeheer niet als hoofddoelstelling hebben. Particuliere beheerders hebben bijvoorbeeld geen impact op het behoud van de populaties van de bruinvis. Dat geldt voor de meeste zee- en kustdieren. -- zijn niet extreem zeldzaam zoals bijvoorbeeld de lynx (slechts enkele waarnemingen bekend), knoflookpad, lentevuurspin (heel beperkt aantal vindplaatsen) en kleinst waterhoen (onregelmatige broedvogel in Vlaanderen). -- hebben baat bij een gericht beheer. Voor overwinteraars en doortrekkers in kleine aantallen, zoals bijvoorbeeld de ijsduiker en het smelleken, kunnen moeilijk specifieke beheermaatregelen worden genomen.
18
-- zijn beperkt tot dieren. Van de vier plantensoorten van de Habitatrichtlijn zijn de huidige, zeer kleine populaties en hun geringe aantal vindplaatsen bekend en meestal beheerd. Voor drijvende waterweegbree zijn de maatregelen voor behoud en ontwikkeling beschreven bij de beheertrajecten voor habitattypes 3110 en 3120 (Deel I van het handboek). In box 1 gaan we kort in op de plantensoorten die zijn aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn. -- zijn soms zeldzaam, maar passen zeer goed in een ecoprofiel met soorten die eenzelfde beheer nodig hebben (bijvoorbeeld de grauwe kiekendief). Tabel 1.1: Selectie van soorten uit de Europese Vogelrichtlijn (Bijlage I), de lijst van doortrekkers en wintergasten (vogels) in internationaal belangrijke aantallen, de Habitatrichtlijn (Bijlage II en IV), de lijst soorten van hoogste Vlaamse prioriteit en de Habitattypische dieren die relevant zijn voor dit handboek.
Vogelrichtlijnsoorten Bijlage I boomleeuwerik
lepelaar
bruine kiekendief
middelste bonte specht
goudplevier
nachtzwaluw
grauwe kiekendief
ooievaar
grauwe klauwier
porseleinhoen
ijsvogel
roerdomp
kemphaan
steltkluut
kleine zilverreiger
visdief
kleine zwaan
wespendief
kluut
woudaap
kwak
zwarte specht
kwartelkoning
blauwborst
Doortrekkers & wintergasten in internationaal belangrijke aantallen (vogels) bergeend
kuifeend
blauwe kiekendief
lepelaar
goudplevier
pijlstaart
grauwe gans
rietgans
kemphaan
slobeend
kleine rietgans
smient
kleine zwaan
tafeleend
kluut
wintertaling
kolgans
wulp
krakeend
19
Soorten en ecoprofielen Habitatrichtlijnsoorten Bijlage II en IV Slakken
Libellen
platte schijfhoren
gevlekte witsnuitlibel
zeggekorfslak
rivierrombout
Nachtvlinders
Zoogdieren
Spaanse vlag
hazelmuis
Kevers
bever
vliegend hert
hamster
Vissen
otter
beekprik
laatvlieger
bittervoorn
ingekorven vleermuis
grote modderkruiper
gewone dwergvleermuis
kleine modderkruiper
kleine dwergvleermuis
rivierdonderpad
meervleermuis
Amfibieën en reptielen
watervleermuis
kamsalamander
gewone baardvleermuis
boomkikker
Brandts vleermuis
heikikker
vale vleermuis
poelkikker
gewone grootoorvleermuis
rugstreeppad
grijze grootoorvleermuis
vroedmeesterpad
Bechsteins vleermuis
gladde slang
Soorten van hoogste Vlaamse prioriteit Sprinkhanen
steenuil
heidesabelsprinkhaan
wielewaal
negertje
grutto
Dagvlinders
Libellen
aardbeivlinder
bosbeekjuffer
argusvlinder
hoogveenglanslibel
bruin dikkopje
Kempense heidelibel
bruine eikenpage
maanwaterjuffer
gentiaanblauwtje
speerwaterjuffer
grote weerschijnvlinder
variabele waterjuffer
heivlinder
vroege glazenmaker
20
Soorten van hoogste Vlaamse prioriteit klaverblauwtje
Kevers
kommavlinder
gouden tor
oranje zandoogje
Spinnen
veldparelmoervlinder
gerande oeverspin
Vogels (excl. richtlijnsoorten)
Amfibieën en Reptielen
boompieper
vuursalamander
geelgors
Zoogdieren
grauwe gors
das
geoorde fuut
Habitattypische dieren Sprinkhanen
Amfibieën en reptielen
moerassprinkhaan
vuursalamander
blauwvleugelsprinkhaan
levendbarende hagedis
veldkrekel
adder
knopsprietje
hazelworm
negertje
Vissen
snortikker
snoek
heidesabelsprinkhaan
zeelt
zadelsprinkhaan
bermpje
Dagvlinders
kopvoorn
aardbeivlinder
riviergrondel
veldparelmoervlinder
serpeling
klaverblauwtje
Vogels
bruin dikkopje
paapje
gentiaanblauwtje
bosrietzanger
groentje
tapuit
heideblauwtje
roodborsttapuit
heivlinder
tureluur
kommavlinder
boompieper
grote weerschijnvlinder
bonte vliegenvanger
bont dikkopje
gekraagde roodstaart
keizersmantel
havik
kleine ijsvogelvlinder
appelvink
21
Soorten en ecoprofielen Habitattypische dieren eikenpage
fluiter
Libellen
bosuil
vroege glazenmaker
glanskop
variabele waterjuffer
goudvink
glassnijder
boomklever
Kempense heidelibel
houtsnip
bruine korenbout
matkop
beekrombout
nachtegaal
weidebeekjuffer
wielewaal
maanwaterjuffer
dodaars
speerwaterjuffer
grasmus
noordse witsnuitlibel
graspieper
venglazenmaker
Zoogdieren
venwitsnuitlibel
waterspitsmuis
gewone bronlibel
haas dwergmuis eikelmuis
Ecoprofielen voor beheer Omdat dieren en planten niet zomaar toevallig op een plek aanwezig zijn, broeden of voedsel zoeken, maar voorkomen in levensgemeenschappen van verschillende soorten met gelijkaardige ecologische eisen, leek het ons zinvol om dieren te groeperen per ecoprofiel. Voor elk van de hier besproken dieren kan wellicht een afzonderlijk, dik boek geschreven worden over ecologie en beheer. Sommige van die boeken bestaan reeds. Het handboek heeft echter de intentie om informatie te bundelen en toegankelijk te maken. De voornaamste bedoeling van die groepering is dus om saaie herhalingen van beheermaatregelen die voor verschillende soorten van toepassing zijn, niet steeds opnieuw per soort te moeten herhalen. Verder heeft het groeperen het voordeel dat beheerders inzicht krijgen in de ecologische samenhang van soorten en de verschillende of gelijkaardige effecten van beheer erop. Het is echter niet zo dat eenzelfde beheer voor elk van de dieren optimaal zal zijn omdat ze in eenzelfde ecoprofiel zijn ondergebracht. Daarom is er geprobeerd om het beheer voldoende genuanceerd te beschrijven.
22
Belangrijk is ook dat de ecoprofielen geen rekening houden met de huidige biogeografie van de soorten in Vlaanderen. De reden daarvoor is dat dat voor dit boek zou leiden tot een versnippering van de ecoprofielen in te veel kleinere groepen. Soorten van een ecoprofiel komen dus niet noodzakelijk voor in dezelfde gebieden. De hier voorgestelde ecoprofielen voor beheer geven dus een overzicht van maatregelen die gunstig zijn voor een set van soorten met gelijkaardige ecologische eisen, onafhankelijk van de plaats waar ze voorkomen. Op basis van het (historische) voorkomen van één of meerdere soorten kan een beheerder keuzes maken voor de functie(s) waarvoor hij zijn gebied kan inschakelen (foerageergebied, rustgebied, broedgebied …) en aan de hand van de hier voorgestelde ecoprofielen ook nadenken over welke soorten zouden kunnen meeliften met een aangepast beheer. De soorten werden gegroepeerd op basis van de gelijkaardige eisen die ze stellen aan het landschapstype, de structuurrijkdom van dat landschap en de habitat, van hun afhankelijkheid van water, van de voedselrijkdom van de habitat en van hun ruimtebehoefte. Als verwerkingsmethode werd een ordinatietechniek (PCA) gebruikt. De zo verkregen soortengroepen werden vergeleken met bestaande ecologische indelingen van de soorten en uiteindelijk beoordeeld door de soortenkenners. De natuur laat zich niet gemakkelijk in vakjes opdelen. Een soort hoort vaak thuis in meerdere habitats of landschapstypen. De ecoprofielen (Figuur II.1) werden daarom schematisch gerangschikt volgens gradiënten die op een grote schaal de openheid van het landschap (groene balkjes) en op een kleinere schaal de vegetatiesuccessie (paarse balkjes) weergeven. Overlappingen tussen ecoprofielvakken onderling duiden op overlappingen in ecologische eisen (en beheer); overlappingen met de bovenstaande balken van de verschillende landschapstypen duiden op het gebruik van verschillende landschapstypen door (een deel van) de betrokken soorten. Hoe hoger een vak in het schema staat, hoe groter de ‘gemiddelde ruimtebehoefte’ van het ecoprofiel. De vleermuizen worden niet in ecoprofielen ondergebracht omdat ze voor het opzet van dit boek beter samen behandeld worden. De ecologische eisen van de vleermuissoorten zijn zeer verschillend, maar de thema’s waarop beheerders vat hebben, zijn zeer gelijklopend voor alle soorten, namelijk winterverblijven, zomerverblijven, landschaps- en bosbeheer. We onderscheiden vier gradiënten waarin de ecoprofielen werden ondergebracht: 1. dieren van akkers en graslanden in open tot halfopen landschappen; 2. dieren in de gradiënt van grasland-heide-bos; 3. dieren van open water en moeras in open tot halfopen landschappen; 4. dieren van stromend water in open tot gesloten valleilandschappen.
23
grauwe kiekendief blauwe kiekendief hamster grauwe gors
1. Dieren van grote akkercomplexen
Akker
kleine zwaan goudplevier kleine rietgans kolgans rietgans grauwe gans smient wulp
2. Overwinterende watervogels op graslanden en akkers
Open landschap Grasland
Halfopen landschap
24
zeggekorfslak moerassprinkhaan bosrietzanger dwergmuis
5. Dieren van natte, structuurrijke graslanden, ruigtes en grote zeggen
kwartelkoning grauwe klauwier grasmus graspieper paapje haas argusvlinder oranje zandoogje steenuil geelgors
kleine zilverreiger steltkluut kemphaan kluut 4. Dieren van structuurrijke tureluur graslanden in een kleinschalig landschap grutto
3. Broedvogels van natte graslanden
1. Dieren van akkers en graslanden in open tot halfopen landschappen Soorten en ecoprofielen
Heide
25
aardbeivlinder veldkrekel veldparelmoervlinder klaverblauwtje bruin dikkopje
7. Vlinders en sprinkhanen van schraal grasland
vliegend hert Spaanse vlag hazelmuis eikelmuis grote weerschijnvlinder bont dikkopje keizersmantel kleine ijsvogelvlinder eikenpage bruine eikenpage hazelworm gekraagde roodstaart bonte vliegenvanger gouden tor
10. Dieren van lichtrijke bossen en mozaïeklandschappen
nachtzwaluw boomleeuwerik boompieper
9. Vogels van voedselarme bos-heide-complexen
Mozaïek met bos en grasland of heide
Halfopen landschap
blauwvleugelsprinkhaan gentiaanblauwtje groentje heideblauwtje heivlinder knopsprietje kommavlinder negertje snortikker heidesabelsprinkhaan zadelsprinkhaan
8. Vlinders en sprinkhanen van structuurrijke heiden
gladde slang tapuit levendbarende hagedis roodborsttapuit adder
6. Dieren van grote heide-duin-graslandcomplexen
Grasland
Open landschap
2. Dieren in de gradiënt van grasland-heide-bos
middelste bonte specht wespendief zwarte specht havik appelvink fluiter bosuil glanskop goudvink boomklever houtsnip matkop nachtegaal wielewaal gewone bronlibel vuursalamander das
11. Dieren van structuurrijke, gesloten bossen
Bossen
Gesloten landschap
slobeend krakeend pijlstaart wintertaling kuifeend bergeend tafeleend visdief
porseleinhoen roerdomp lepelaar woudaap blauwborst kwak bruine kiekendief
14. Moerasvogels
26 vroedmeesterpad kamsalamander boomkikker
15. Dieren van poelen
platte schijfhoren gevlekte witsnuitlibel vroege glazenmaker variabele waterjuffer glassnijder Kempense heidelibel bittervoorn snoek zeelt dodaars geoorde fuut
13. Dieren van vegetatierijke plassen
12. Overwinterende vogels van open water
Open water
Open landschap
3. Dieren van open water en moeras in open tot halfopen landschappen
heikikker poelkikker rugstreeppad maanwaterjuffer speerwaterjuffer noordse witsnuitlibel venglazenmaker venwitsnuitlibel hoogveenglanslibel gerande oeverspin
16. Dieren van voedselarme vennen, vijvers en poelen
Moeras
Halfopen landschap
Soorten en ecoprofielen
27
beekprik rivierdonderpad kleine modderkruiper bermpje kopvoorn riviergrondel serpeling beekrombout weidebeekjuffer bosbeekjuffer ijsvogel waterspitsmuis
18. Dieren van zuivere beken
Stromend water
Halfopen landschap
Figuur II.1 schematische voorstelling van de ecoprofielen in ecologische gradiĂŤnten (openheid landschap en vegetatiesuccessie)
Habitatrichtlijnsoort Bijlage II en IV Vogelrichtlijnsoort Bijlage I Overwinteraar/doortrekker in belangrijk aantal Zowel vogelrichtlijnsoort Bijlage I als overwinteraar/doortrekker in belangrijk aantal Soort van hoogste Vlaamse prioriteit Habitattypische faunasoort Zowel soort van hoogste Vlaamse prioriteit als habitattypische faunasoort
Betekenis symbolen soortennamen
bever otter ooievaar grote modderkruiper rivierrombout bruine korenbout
17. Dieren van grote riviervalleien
Grasland
Open landschap
4. Dieren van stromend water in open tot gesloten valleilandschappen Gesloten landschap
ďťż
Soorten en ecoprofielen
De habitat als uitgangspunt in dit boek Uit de vorige paragrafen blijkt dat het beheer van soorten vaak een complexe zaak is, waarvoor veel gespecialiseerde kennis en ervaring nodig is. Het soortbeschermingsplan van de bruine eikenpage is bijvoorbeeld een lijvig document van bijna tweehonderd pagina’s, gestoffeerd met talrijke kaarten met verspreidingsdata, inschattingen van de kansrijkdom, beheer- en inrichtingsmaatregelen, potentiële migratieroutes en dergelijke. Individuele beheerders kunnen in het beste geval efficiënt ingeschakeld worden in een dergelijk geïntegreerd soortbeschermingsprogramma. Vaak zal dat echter (nog) niet het geval zijn. In dit boek wordt een sterke link gelegd tussen de kwaliteiten van de habitat van een soort en het beheer dat die kwaliteiten herstelt, behoudt of versterkt. De habitat van een soort is het uitgangspunt van dit handboek. Hier kan verwarring optreden met de terminologie die gebruikt werd in de Europese Habitatrichtlijn. Europese habitats zijn in die richtlijn welomlijnde vegetatietypen met een kenmerkende combinatie van plantensoorten. Dat was ook het uitgangspunt van Deel I: Habitats van dit handboek, waarin we de vele en gedetailleerde types wel groepeerden in voor het beheer geschiktere habitatgroepen. De Europese habitats hebben daarenboven ook nog een sterke beleids- en zelfs juridische connotatie. Het zijn vegetatietypes die de lidstaten van de EU verplicht moeten aanduiden op een kaart en moeten beschermen. Met de habitat van een soort wordt iets helemaal anders bedoeld. De habitat van een soort wordt gevormd door specifieke ruimtelijke combinaties van bepaalde ecologische hulpbronnen en milieuomstandigheden. Dat kan goed geïllustreerd worden voor bijvoorbeeld een vlinder. Zijn ecologische hulpbronnen zijn vooral waardplanten voor het leggen van eitjes en als voedsel van de rupsen; geschikte nectarplanten met nectar als voedsel voor volwassen vlinders; structuren in de vegetatie die van belang zijn bij de voorplanting (ontmoetingsplaats, verdediging van een territorium) en voor het microklimaat (opwarmen om actief te kunnen worden, beschutting tegen kou en regen, slaapplaats). De heivlinder komt in Vlaanderen onder andere in de droge heide voor. Als waardplanten worden daar verschillende grassen zoals fijn schapengras, rood zwenkgras, struisgrassoorten, bochtige smele en vroege haver gebruikt, die in korte of snel opwarmende locaties (ijle vegetaties met open zand) groeien. De rupsen overwinteren echter in een graspol en verpoppen net onder de grond. Voor zijn voeding gebruikt de vlinder nectarplanten zoals struikhei, bramen en akkerdistel. Boomstammen of open zandplekken worden gebruikt om te zonnen of om het territorium te verdedigen. Schaduwplekken bij bosranden of verspreide bomen worden gebruikt om beschutting te zoeken tegen de hitte. De habitat van de heivlinder is dus niet 28
dezelfde als de ecotoop ‘cg’ (droge heide van de Biologische Waarderingskaart) of ‘Habitattype 4030’ (Europese droge heide van de Europese Habitatrichtlijn), waar niet noodzakelijk bomen groeien, stronken liggen of open zandige plekken zijn met waardplanten. De habitat is ook niet gelijk aan de verzameling van waardplanten of aan het vegetatietype waarin de waardplanten voorkomen (schraal grasland), want daar vinden volwassen vlinders geen voedsel of beschutting. De habitat is ook niet de som van biotopen die de heivlinder gebruikt. Die som zou dan bijvoorbeeld zijn: droge heide met struikheide + zandige plek + bosrand + schraal grasland + bloemrijke ruigte. Heivlinders gebruiken er immers specifieke delen van en ruimtelijke overgangen tussen die biotopen. Die verschillende delen moeten in een geschikte ruimtelijke configuratie en niet te ver van elkaar voorkomen, zodat ze bereikbaar zijn voor de vlinder. Bovendien moeten ze van een voldoende kwaliteit en samenstelling zijn om in de nodige hulpbronnen voor de vlinder te voorzien (waardplanten, nectar …). Die benadering, die de nodige specifieke kennis vereist, laat toe om gericht beheer te kunnen voeren in functie van de noden van een soort. Als de habitat op basis van een dergelijk geheel aan specifieke ruimtelijke combinaties van bepaalde ecologische hulpbronnen en milieuomstandigheden wordt beschreven, wordt vaak de term ‘functioneel habitat’ gebruikt. Voor een dier zoals de heivlinder is dat concept
bomen of bosrand waar schaduw kan worden gezocht op hete dagen voldoende nectar
waardplanten op plaatsen met veel kale bodem
open zand/korstmosvegetaties vanaf waar een territorium kan worden verdedigd
De habitat van de heivlinder als de som van hulpbronnen (nectar, waardplanten) en milieu-omstandigheden (warmte, schaduw, beschutting, uitkijkpost).
29
Soorten en ecoprofielen
goed te vatten en te gebruiken bij het beheer. Voor een vogel zoals de kwartelkoning maken de kwaliteiten en hulpbronnen van zijn overwinteringsgebieden in Afrika en de route ernaartoe ook deel uit van zijn functionele habitat. Daar hebben beheerders veel minder vat op. In dit boek wordt de term ‘functioneel habitat’ verder niet veel gebruikt, maar wordt het principe ervan wel steeds gebruikt om de kwaliteiten en het beheer van habitats te linken aan hulpbronnen en milieuomstandigheden.
Aan de slag? Dit handboek biedt een overzicht aan maatregelen die men kan nemen om een soortgericht beheer toe te passen. Het is geen receptenboek dat nauwgezet uitgevoerd kan worden. Het boek probeert inzicht te geven in de relatie van soorten met hun omgeving, de eisen die soorten stellen aan die omgeving en de mogelijke impact van het beheer hierop. Beheerders moeten aan de hand van dit boek geïnteresseerd en gemotiveerd raken voor natuurbeheer in functie van diersoorten en ze moeten hun eigen rol en bijdrage daaraan kunnen inschatten. Daarna komt het erop aan om partners te zoeken die steunen met raad en daad. Die partners zijn te vinden bij de Vlaamse overheid (het Agentschap voor Natuur en Bos, de Vlaamse Landmaatschappij, het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek …) en particuliere natuurverenigingen. Zij kunnen advies geven dat op maat gesneden is van de situatie in het veld. Ze kunnen bijstaan met mankracht, materiële en financiële hulp. Alleen samenwerking kan tot succes leiden en hopelijk brengt dit boek mensen en ideeën samen om aan de slag te gaan in de natuur.
30