De schaduwtroon
de kronieken van de kroon
Jennifer A. Nielsen
Vertaald door Maria Postema
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagbeeld samengesteld uit verschillende beelden: © Trevillion Images; © www.shutterstock.com Omslagontwerp Studio Lannoo Oorspronkelijke titel The Shadow Throne Oorspronkelijke uitgever Scholastic Press, een imprint van Scholastic Inc. © Jennifer A. Nielsen & Scholastic Press, 2014 © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015 © Vertaling Maria Postema, 2015 ISBN 978 94 014 1519 4 D/2015/45/228 NUR 283/284 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor Pat en Barry, die met hun warmte een geweldig gezin omvatten en me onthaalden op koekjes, knuffels en een landing op een klif.
Proloog
Drie weken voor de oorlog Ik had al heel wat gevochten in mijn leven, soms met mijn vuisten, soms met messen en ook weleens met een zwaard. Ik had het opgenomen tegen mensen die twee keer zo groot waren als ik, twee keer zo gemeen, en stuk voor stuk lelijker dan ik ooit hoopte te worden. Maar het was er nog nooit zo fel aan toegegaan als bij de ruzie die op dat moment midden in mijn grote zaal werd uitgevochten. ‘Het is de stomste fout van mijn leven geweest om jou naar dit kasteel te halen!’ riep ik. Ik had mijn handen zo stevig tot vuisten gebald dat ik bang was dat mijn nagels mijn huid zouden door boren. ‘Eigenlijk zou ik je nu meteen willen laten ophangen, maar jouw nek is het touw niet waard!’ Mijn dreigement was gericht tot niemand minder dan Roden. In de paar korte maanden dat we elkaar kenden, hadden we samen veel meegemaakt, waarbij hij me onder andere twee keer had proberen te vermoorden – drie keer zelfs als ik het gebroken been meetelde – en ik mijn leven had gewaagd om hem over te halen om als de kapitein van mijn wacht terug naar Carthya te komen. We waren elkaar dus wel vaker in de haren gevlogen, maar nog nooit zo luid ruchtig als nu. ‘Ik zou met plezier sterven’, riep Roden terug, ‘als het niet in opdracht van zo’n oliedomme koning was!’
9
Overal in de zaal hapten mensen naar adem bij het horen van die belediging. Na zo’n uitspraak had ik het volste recht om Roden op te laten sluiten, maar dat deed ik niet. Er moest nog te veel gezegd worden – of geschreeuwd, indien nodig. ‘Dacht je dat we gelijken waren omdat je nu kapitein bent?’ vroeg ik. ‘Dat je de baas bent over mijn leger wil niet zeggen dat je ook de baas bent over míj! En ik voer mijn leger aan zoals ik dat wil!’ Roden wees naar mijn rechterbeen, dat van de arts nog weken strak in het verband moest blijven zitten. ‘Je kunt niets aanvoeren op een gebroken been.’ ‘Dan had je het misschien niet moeten breken!’ zei ik. ‘Nee, ik had je kaak moeten breken’, kaatste Roden terug. ‘Dan had ik die belachelijke bevelen van jou tenminste niet hoeven aan horen!’ Opnieuw werd er ontsteld gereageerd door de regenten in de zaal en de langslopende bedienden, en Roden besloot nog een stapje verder te gaan. ‘Onze soldaten zijn over het hele land verspreid. Als Avenia ons vanuit het zuiden aanvalt, worden we vermorzeld.’ Mijn hoogste kamerheer, Lord Kerwyn, kwam naar ons toe gesneld en zei op gedempte toon: ‘Sire, zullen we dit gesprek in de beslotenheid van de troonzaal voortzetten? Iedereen luistert mee.’ Dat was waar. Niet alleen de mensen die al in de zaal aanwezig waren geweest toen we begonnen, maar ook veel anderen die door het geschreeuw naar binnen waren gelokt. Kerwyn wilde me een gênante situatie besparen, maar ik was helemaal niet van plan om dit op een besloten plek af te handelen. Ik deed een stap bij Kerwyn vandaan en zei: ‘Er valt niets voort te zetten, Lord Kerwyn. De kapitein van mijn wacht vindt dat ik niet mag bepalen hoe mijn leger wordt geleid.’ Kerwyn keek naar Roden, zichtbaar ontsteld door zijn gebrek aan respect, maar Roden klemde boos zijn kaken op elkaar.
10
‘Wij buigen allen voor de wil van de koning, kapitein. Dus u ook.’ De terechtwijzing van Kerwyn klonk zo streng dat Roden daad werkelijk even in elkaar kromp. Maar voordat Roden antwoord kon geven, zei ik: ‘Nee, Kerwyn. Ik wil niet dat hij voor me buigt terwijl hij stiekem vindt dat hij gelijk heeft.’ Toen zei ik tegen Roden: ‘Als jij vindt dat jij onze mannen beter kunt aanvoeren, dan mag je dat laten zien. Neem zo veel soldaten mee als je wilt en leid hen op zoals het volgens jou moet. Na afloop vergelijken we onze twee groepen en dan zul je merken dat ik gelijk heb.’ ‘Echt niet!’ schreeuwde Roden. ‘Ik begin meteen, op de binnen plaats.’ ‘Niet op mijn binnenplaats en ook niet in mijn stad!’ brulde ik. ‘Als je mijn uitdaging aanneemt, dan doe je dat buiten Drylliad. Ga maar gauw, met je arrogantie en je grote mond, en je mag pas terugkomen als je eindelijk je plaats weet.’ Kerwyn legde zijn hand op mijn arm. ‘Jaron, denk alsjeblieft goed na over wat je zegt. Jullie moeten het bijleggen. Je bent nog steeds gewond en als het echt tot een oorlog komt, hebben we je legeraanvoerder hier nodig.’ Ik veegde zijn hand weg, boog me naar Roden toe en siste: ‘Weg wezen.’ Roden staarde me zo woedend aan dat ik me bijna zorgen begon te maken. Toen kondigde hij aan dat hij binnen een uur zou ver trekken, samen met veertig soldaten uit het leger dat hij onder zijn hoede had. Ondanks het feit dat we elkaar net voor rotte vis hadden uitgemaakt, wenste ik hem alle geluk van de wereld. Ik keek hem na en staarde toen naar de mensen die op onze woordenwisseling af waren gekomen. Het waren gerespecteerde raadsleden, bedienden en burgers van mijn land. En de kans was groot dat minstens een van hen hier voor onze vijanden spioneerde
11
en zou melden dat het leger van Carthya nu verdeeld was en verspreid over het land. Na mijn terugkomst van de piraten was Carthya onmiddellijk begonnen aan oorlogsvoorbereidingen die hun weerga niet kenden. We legden voedselvoorraden aan, smeedden wapens en bouwden een verdedigingslinie, maar voor al die dingen had ik vooral iets nodig wat ik juist niet kon krijgen: tijd. En nu bleek dat we zelfs nog minder tijd hadden dan ik had gedacht. Slechts drie weken later zou de oorlog al beginnen‌
12
Eén
Drie weken later Ik kreeg het nieuws over de aanval op Libeth bij zons ondergang op een groot gazon in de buurt van de kasteelmuur. Tegenover me stonden Kerwyn, Amarinda en Mott, maar ik zag hen nauwelijks. Libeth was een rustige stad, waar ze lange tijd geen last hadden gehad van de problemen die andere plaatsen bij de Aveniaanse grens hadden geteisterd. Er woonden boeren en handelaren en de inval was waarschijnlijk zo onverwacht geweest dat zelfs de sterk ste inwoners de stad niet fatsoenlijk hadden kunnen verdedigen. Ik kon me niet voorstellen wat een afschuwelijke nacht ze beleefd moesten hebben en in welke puinhopen ze zich nu bevonden. Ik kreeg geen lucht meer als ik eraan dacht. Maar dat was nog niet alles. Imogen was meegenomen tijdens de aanval. Iedereen praatte door elkaar en ze hadden geen van drieën in de gaten dat mijn hoofd gonsde van de vragen die niemand hier kon beantwoorden. Wisten we of ze nog leefde? En zo ja, was ze dan gewond? Wat zouden ze met haar doen als ze dachten dat ze mij daarmee konden raken? Want dat was zonder enige twijfel de reden dat koning Vargan zijn leger op haar af had gestuurd. Als Imogen nog leefde, zou Avenia onze volledige overgave eisen in ruil voor haar vrijlating. Ze wisten dat ik die eis niet kon inwilligen
15
en dat ik dus zou moeten proberen haar te bevrijden. Ze gebruikten haar gewoon als lokaas om mij te kunnen vangen. Daarnaast was de oorlog die ik al maanden had zien aankomen eindelijk begonnen. Maar alle plannen die ik zo zorgvuldig had gesmeed, leken nu opeens zinloos. Dit ging helemaal niet zoals ik had gedacht. En Kerwyn maakte het alleen maar erger. ‘We hebben net het bericht ontvangen dat Gelyn en Mendenwal vanuit het noorden en oosten optrekken. Deze aanval is duidelijk afgesproken en we zijn omsingeld. Jaron, het is oorlog.’ Ze begonnen allemaal weer te praten, maar ik verstond er niets van, want ik kon het ene woord niet van het andere onderscheiden. Ik begreep oprecht niet wat ze van me wilden. Amarinda legde haar hand op mijn arm. ‘Jaron, je bent lijkbleek. Zeg iets.’ Ik staarde haar nietsziend aan en liep langzaam achteruit. ‘Pardon’, mompelde ik. Toen draaide ik me om en begon te rennen, blindelings voortgestuwd door een innerlijke drang die zei dat ik ervandoor moest gaan. Ik moest ergens heen waar ik kon naden ken, waar ik alles kon begrijpen. Waar ik kon ademen. Ik holde naar het kasteel en was me slechts vaag bewust van de felle pijn die nog steeds door mijn rechterbeen schoot als ik het te veel belastte. Het bot dat Roden had gebroken, was nog zacht, maar ik dwong mezelf harder te rennen. Ergens wílde ik de pijn voelen, om mijn paniek een uitweg te kunnen bieden. De bedienden en soldaten die ik voorbijrende, waren wazige vlekken. Ik wist niet goed waar ik heen ging, of wat ik daar hoopte aan te treffen. Ik kon maar aan één ding denken: Imogen was ont voerd. En ze zouden alles eisen in ruil voor haar terugkeer. Het duurde niet lang voor ik in de Koningstuinen was, de enige plek waar ik alleen kon zijn. Ik probeerde via de klimop langs de kasteelmuur omhoog te klimmen, in de hoop me ergens op een
16
richel te kunnen verstoppen. Daarboven zou ik kunnen nadenken. Als ik genoeg tijd had, zou ik deze ellende kunnen terugbrengen tot een situatie die ik begreep. Maar ik was nog niet eens halverwege de muur toen de spieren van mijn zwakkere rechterbeen het begaven en ik op de grond viel. Ik rolde door tot ik met mijn rug tegen de muur zat, maar verder kwam ik niet. Misschien was het een stom idee geweest om naar de tuin te komen. Hier zou ik net zomin antwoorden vinden als elders. De muren om me heen torenden dreigend boven me uit. Ik werd er duizelig van en ik kreeg mijn gedachten niet meer op een rijtje. In plaats daarvan wervelden alle zorgen, plannen en opties als rook slierten om me heen, terwijl ze me tegelijkertijd verstikten. ‘Majesteit, het spijt me dat ik u stoor.’ Ik stond op toen ik zag dat Harlowe naar me toe was gekomen. Na een korte buiging liep hij op me af. ‘Ik dacht dat alleen Avenia zou aanvallen’, zei ik. ‘En Gelyn mis schien, maar Mendenwal niet. En zeker niet op deze manier.’ ‘Niemand had dit zien aankomen.’ ‘Vargan heeft helemaal geen baat bij een aanval op Libeth. De verwoesting van de stad heeft hem niets opgeleverd.’ Opnieuw zag ik beelden voor me van de verschrikkingen die die nacht plaats gevonden moesten hebben. ‘Behalve Imogen.’ ‘Dat weet ik.’ Harlowe ging even met zijn tong langs zijn lippen en zei toen: ‘We wachten op uw orders, meneer.’ ‘Welke orders?’ gilde ik. Het was stom om boos te worden, al hele maal op hem, maar ik kon er niets aan doen. ‘Ik kan hier niet tegen op! Dit is te groot voor mij. Ik kon háár niet eens beschermen. Ik dacht dat ze veilig was, ver weg van mij.’ Mijn ogen werden groot toen ik een hap lucht binnenkreeg die ik niet meer kon uitblazen. ‘Ik kan niet… ik kan niet…’
17
Harlowe legde zijn arm om mijn schouders en trok me tegen hem aan. Hij had me al een keer eerder zo omhelsd, toen hij mijn angst voelde voordat ik naar de piraten vertrok. Het was de omhel zing van een vader bij een kind, en ik had opnieuw behoefte aan die troost. Ondanks al mijn voorbereidingen werd ik doodsbang bij het idee dat het nu echt oorlog was. Mijn vader had een paar veldslagen mee gemaakt in zijn jeugd, voordat hij de troon besteeg. Ergens begon ik een beetje begrip te krijgen voor zijn angst voor conflicten. Misschien was het geen lafheid die hem ervan weerhouden had om tegen de eisen van onze vijanden in opstand te komen, zoals ik altijd had gedacht. Misschien had hij gewoon al te veel onder oor logen geleden. Carthya zou ook lijden als we nu terug zouden vechten, dat kon niet anders. Ik had een vaag vermoeden van de prijs die we zouden moeten betalen, maar onze mogelijkheden waren beperkt. Zolang ik nog sterk genoeg was om een zwaard te hanteren, zou ik niet toe staan dat Carthya verslagen werd. Harlowe hield me vast tot ik een stap achteruit deed, met een hel derdere geest en het vaste voornemen om in elk geval spectaculair ten onder te gaan nu Carthya omringd was door vijanden en een overwinning onmogelijk leek. ‘Goed dan’, zei ik tegen Harlowe. ‘Over een uur zal ik jullie mijn plannen voorleggen. Roep iedereen die erbij moet zijn.’
18