Vos en Haas en de bosbaas
Vos en
Haas en de bosbaas Sylvia Vanden Heede met tekeningen van ThĂŠ Tjong-Khing
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Illustraties: ThÊ Tjong-Khing Grafische vormgeving: Studio Lannoo Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2013 ISBN 978 94 014 1220 9 D/2013/45/386 NUR 282
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud Een meer in het bos Nog een poos en het bos staat blank Rob redt Waar is Uil? Op drift Jak is echt een boef Samen in bad Onraad! Gevaar! Welkom Ping Ping en Pak Pak Boef of baas Einde
7 18 35 49 60 72 81 93 111 120 134 149
Een meer in het bos Het is erg heet. En ook erg droog. Haas geeft de planten water. Dat moet. Want ze gaan dood van de dorst. ‘Ik ga ook dood!’ klaagt Vos.
Maar dat is niet zo. Vos stelt zich maar aan. ‘Ik geef je wel water’, zegt Haas. En dat doet ze. Met de gieter!
7
‘Wat een hitte!’ puft Uil. Hij kijkt naar de lucht. Er is geen wolk te zien. Kwam er maar regen! Dan was het zo heet niet meer.
Daar komt Ever aan. Wat ziet hij eruit! Hij is vies van kop tot teen. ‘Haai!’ lacht Ever. ‘Heet, hé? Maar ik heb er geen last van. Zie je hoe vies ik ben?’ Trots draait hij een rondje. Dan geeft hij een knipoog. ‘Ik nam een bad in de modder. Lekker fris.’ Bah, modder! Vos en Uil halen hun neus op. Maar Haas zegt: ‘Een bad in de modder? Hoe kan dat? Er is nergens modder. Het bos is veel te droog. Er viel al heel lang geen regen.’
8
‘Ha!’ lacht Ever en hij geeft weer een knipoog. ‘Van modder weet ik alles. Modder is aarde met water. Waar of niet?’ Haas knikt. Dat weet ze ook wel. Ze houdt de gieter wat schuin. Er vallen druppels uit. ‘Nu maak je zelf modder!’ roept Vos. ‘Ja’, zegt Haas. ‘Maar het is geen bad vol. Voor een bad heb je heel veel water nodig. Meer dan een druppel. En waar haalt Ever dat water vandaan?’ Ever pulkt aan zijn kin. Hij krabt aan zijn buik. De modder droogt al op. Hij wordt hard en grijs. En het jeukt een beetje. ‘Kom mee’, zegt Ever. ‘Dan laat ik het zien.’
9
Ever woont diep in het bos. Daar is geen huis en geen hut. En geen kraan en geen bad en geen pomp en geen bron. ‘We zijn er bijna’, zegt Ever. Hij wijst tussen de bomen door. Daar blinkt iets. Dat is vreemd. Het lijkt wel… het lijkt… ‘Maar dat is de zee!’ juicht Vos. ‘O Haas, we kunnen pootjebaden!’ ‘De zee?’ schrikt Uil. ‘Ik ga niet pootjebaden, hoor! Zonder zwemband durf ik niet.’ ‘Pootjebaden is voor mietjes!’ beweert Ever. ‘Modderbaden, dat is pas stoer!’ En hij rent naar het water.
10
Wat vreemd! Er is geen strand. Er zijn wel bomen. Die groeien zomaar in zee! En er is ook geen zand. Er is alleen modder. Heel veel modder! ‘Kijk mij!’ roept Ever. En dan ploft hij midden in de modder! Het spat alle kanten uit. ‘Bah!’ roept Vos. ‘Bah!’ roept Haas. Want ze zitten allebei onder de spetters. Nu zijn ze ook vies. ‘Lekker fris, hé?’ lacht Ever.
Haas pulkt de modder uit haar oren. Vos veegt zijn vacht schoon. ‘Ik ga schelpen rapen. Dat vind ik leuker dan pootjebaden. En veel leuker dan een modderbad’, moppert hij. Uil helpt Vos met zoeken. Ze vinden twijgjes. Nootjes. Kiezeltjes. Een dennenappel. Een tak. En een slakkenhuis met de slak er nog in. Maar dat telt niet. Want het is geen schelp van de zee.
‘Dat komt omdat hier geen zee is’, beweert Haas. Vos lacht haar uit. ‘Geen zee? En dat dan? Vroeger was hier geen zee. Maar nu wel. Dat zie je toch zelf!’ zegt hij. En hij wijst naar het water. Haas schudt haar kop. ‘Dat is geen zee. De zee is zout. Dit water is zoet.’ Daar kijkt Vos van op. ‘Zoet? Zo zoet als suiker? Zo zoet als snoep en koek? Dat moet ik proeven!’ smakt hij. Weer schudt Haas van nee. ‘Het is water, Vos. Geen limonade. Water dat niet zout is, noemen we zoet. En een zee met zoet water is geen zee, maar een meer.’ ‘Meer wat?’ vraagt Uil. ‘Meer water’, legt Vos uit. ‘Want eerst was er niets. En nu heel veel. En er komt nog meer bij ook. Meer en meer en meer.’
13
Haas zegt niets. Ze kijkt naar het water. Vos heeft gelijk. Eerst was er niets. Of toch wel. Er was een beek. Daar, ver weg. Die is nu niet meer te zien. Wat staat er te gebeuren? Haas rilt. Ze zucht. Ze blijft maar naar het water staren. ‘Het lijkt wel of het stijgt…’ mompelt ze bezorgd. Vos kijkt naar de lucht. ‘Ik zie niets!’ zegt hij vrolijk. Wat een flauwe grap. Stijgen is niet hetzelfde als opstijgen. Dat weet Vos best.
14
‘Ben je niet bang, Vos? Bang voor het meer?’ ‘Welnee!’ lacht Vos. ‘Waarom zou ik? Een meer is juist leuk! Ever haalt zijn boot. Dan kunnen we varen.’ ‘Het is een boot met een gat erin’, zegt Haas. ‘Die blijft nooit drijven. Ever kan zwemmen. En Uil heeft een band. Maar jij, Vos? Wat ga jij doen als het water komt?’
15
Vos lacht. Hij zet een borst op. ‘Ik? Ik timmer dat gat dicht’, bluft hij. ‘Daarna maak ik een anker en een zeil. Vaar je niet mee, Haas? Ever is matroos en ik ben kapitein.’ ‘Ik ben het scheepsmaatje’, zegt Uil trots. Hij heeft zijn band vast om. Je weet maar nooit. Daar komt Ever al. Hij sjouwt met de boot. Hij heeft ook een hamer en spijkers en een plank. ‘Wat is dat ding zwaar!’ puft hij. ‘Zet hier maar neer’, beveelt Vos. Wat doet hij dik! Net of hij echt kapitein is.
16
‘Haal een laken, Haas! Een schoon wit laken voor het zeil!’ Maar dat doet Haas niet. Dat wil ze niet. Vos is niet de baas! ‘Lakens horen op een bed en niet op een boot’, zegt ze. En ze steekt haar tong naar Vos uit!
‘O! Wat brutaal!’ roept Ever. ‘Nu mag je niet mee, Haas! Blijf jij maar lekker thuis. In je eentje. Wij kiezen het ruime sop!’ En hij steekt ook zijn tong uit! Tegen Haas! ‘Ach’, zucht Haas. ‘Was het maar waar! Viel er maar iets te kiezen! Maar dat is niet zo, helaas. We gaan er een voor een aan. Allemaal.’ En dan begint ze zacht te huilen. 17