Herman Balthazar & Nico Van Campenhout
Twee jonge vlamingen in den grooten oorlog
Inhoud Inleiding Herman Balthazar & Nico Van Campenhout 7 August Balthazar (1893–1952). Vlucht en val van ‘de Gentse nachtegaal’ Herman Balthazar Hoofdstuk 1. Een jongen van ’t Rabot — 17 Hoofdstuk 2. De oorlogsdagboeken (1914–1917) — 56 Hoofdstuk 3. De steile klim van de ‘Gentse nachtegaal’ (1919–1940) — 72 Hoofdstuk 4. De tweede ballingschap — 89 Hoofdstuk 5. De beloken jaren — 102 Dagboek August Balthazar (5 april 1915–10 oktober 1917) — 109 Leo Picard (1888–1981). Dissident commentator van de Vlaamse Beweging Nico Van Campenhout Hoofdstuk 1. De jaren voor zijn ‘oorlogsdagboek’ (1888–1914) — 187 Hoofdstuk 2. Ten tijde van zijn ‘oorlogsdagboek’ (1914–1915) — 198 Hoofdstuk 3. Na zijn ‘oorlogsdagboek’ (1915–1981) — 207 Dagboek Leo Picard (7 mei 1914–3 november 1915) — 223 Namenindex dagboek Balthazar — 271 Namenindex dagboek Picard — 279 Afbeeldingen — 297 Eindnoten — 331 Algemene namenindex — 373 Naschrift en dankwoord — 382 Biografie auteurs — 383
Inleiding Dit boek presenteert twee dagboeken van wat toen nog twee jonge mannen waren, ten tijde van een oorlog die toen nog ‘Den Grooten Oorlog’ werd genoemd. Dat er een tweede, nog meer verzengende wereldbrand zou volgen, konden beide jonge mannen toen nog niet vermoeden. In hun dagboeken beschrijven ze elk vanuit een uniek maar toch met elkaar vervlochten standpunt de periode van april 1914–oktober 1917, van de aanloop dus tot aan een zeer beslissende fase van de Eerste Wereldoorlog. Het ene dagboek, dat van Leo Picard, werd in Gent geschreven en geeft ons, onder meer, een goed inzicht in het ontstaan van het activisme. Het andere dagboek, dat van Gust Balthazar, werd in de Duitse krijgsgevangenenkampen Soltau en Göttingen geschreven en schetst, onder meer, een goed beeld over de confrontatie aldaar met het activisme. We gebruiken bewust twee keer de omschrijving ‘onder meer’: het activisme vormt een belangrijke verbindingslijn tussen beide dagboeken, maar het is niet de enige. Maar toch, en eerst, dat activisme. Het gaat om een bekend maar niet helemaal helder uitgeklaard begrip uit de politieke geschiedenis van België. In de meest algemene termen gaat het om een minderheidsbeweging in het radicaal flamingantisme die tijdens de Eerste Wereldoorlog streefde naar zelfbestuur voor Vlaanderen en voor dat doel de rechtstreekse en actieve hulp van de Duitse bezetter aanvaardde. Wie na de Wapenstilstand van 11 november 1918 verdacht werd van betrokkenheid bij het activisme werd door het burgerlijk en militair gerecht zwaar aangepakt. Vele beschuldigden vluchtten het land uit, meestal naar Nederland, maar ook naar het verslagen Duitsland. Samen met de Frontbeweging, die andere beweging van radicaal flamingantisme die ontstond in de frontlinies aan de IJzer, kleurde en beïnvloedde het activisme en zijn naweeën het politieke en maatschappelijke leven van de tussenoorlogse tijd. De vraag naar amnestie, die politiek reeds gesteld werd in de vroege jaren 1920 heeft meermaals hevige debatten en passies uitgelokt. Nog op 2 maart 1939 viel een regering vanwege de de benoeming van de oud-activist dr. Adriaan Martens tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde.
INLEIDING 7
Wie in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging zorgvuldig alle notities van alle opgenomen personen leest, zal verbaasd zijn over de vele, vele keren dat het activisme als motief vermeld staat.1 Men mag stellen dat tot op heden de historische erfenis van het activisme een aanwezige, zij het vervaagde, onderstroom blijft in het politieke debat over Vlaanderen en België. Dat verklaart ook waarom er in de literatuur zo uiteenlopende verklaringen en duidingen bestaan van het activisme. Dat is begrijpelijk voor de bijna onvatbaar grote hoeveelheid partijdige literatuur, maar het is minder begrijpelijk dat ook het wetenschappelijk historisch onderzoek zeer laat en moeizaam tot een algemeen aanvaarde consensus kwam/komt. Was het activisme een autonoom ontwikkelingsproces binnen de Vlaamse Beweging, bestond het streven naar zelfbestuur al voor 1914, was het activisme enkel mogelijk en werd het uitgelokt door de Flamenpolitik van de Duitsers, was er een bewuste doelstelling en eenheid in deze Flamenpolitik of werd het een onvoorbereide improvisatie van verschillende belangengroepen, wat was het aandeel van Nederland (waar een niet onaanzienlijk deel van de politieke elite pro-Duits was) en van de Nederlandse Groot-Nederlanders, hoe kreeg de Flamenpolitik vorm en wie waren de vormgevers ervan, welke Duitsers, welke Nederlanders, welke Vlamingen?2 Dit is maar een greep uit de te stellen vragen en al deze vragen kleven op het grote decor van het oorlogsverloop, militair in de eerste plaats, maar ook politiek en diplomatiek. Wat wisten onze jonge dagboekschrijvers van en over deze vragen, en welke rol speelden die vragen in hun handelen? Voor 1914 kenden de geleerde burgerzoon Leo Picard en de autodidactische arbeiderszoon Gust Balthazar elkaar niet. Toch is het waarschijnlijk dat ze elkaar hebben ontmoet: misschien tijdens de debatten van de maatschappijkritische studentengroep Ter Waarheid in de socialistische volkstempel Ons Huis op de Gentse Vrijdagmarkt omstreeks 1905, misschien in de volkse wijk van het Rabot, waar Gust en het lief van Leo, Martha Van Vlaenderen, vlak bij elkaar woonden en er sociaal zeer actief waren, misschien op een van die meerdere, zij het smalle contactlijnen tussen de flamingantische en de socialistische werelden, in het bijzonder in Gent. Tussen augustus 1914 en december 1918 konden ze elkaar niet ontmoeten, maar het is zeer aannemelijk dat Gust Balthazar in Soltau of Göttingen artikels van Leo Picard te lezen kreeg of dat hij af en toe iets vernam over diens politiek
8
Twee jonge vlamingen in den grooten oorlog
gedrag, want ondanks de Duitse censuur werd heel wat politiek nieuws uitgewisseld tussen Gent en Göttingen. Voor zover we weten hebben Leo Picard en Gust Balthazar elkaar ook na 1918 niet rechtstreeks ontmoet. Maar naarmate Gust een politiek steeds belangrijker journalist en politicus werd, zal Leo in zijn kennissenkring zeker over hem gepraat hebben, want Gust Balthazar behield het imago van een Vlaamsgezind socialist. Laat ons dus de twee hoofdrolspelers kort voorstellen. Later keren wij uitvoeriger terug naar hun levensverhaal.
Leo Picard: Martha, Vlaanderen en de wereldpolitiek
In Gent, op donderdag 7 mei 1914, schreef Leo Picard zijn eerste woorden in een dagboek dat, met enkele hiaten, loopt tot 3 november 1915. Hij stond in 1914 aan het eind van zijn studie geschiedenis aan de Gentse universiteit en moest na geslaagde examens in de zomer van dat jaar alleen nog zijn eindverhandeling schrijven. Door het uitbreken van de oorlog kon hij zijn studie niet afronden met een diploma. Tot het einde van zijn dagen bleef hij echter een historicus in hart en nieren. De internationaal gereputeerde hoogleraar geschiedenis Henri Pirenne was zijn leermeester, tegelijk zijn idool en zijn politieke tegenstander. Picard was toen vijfentwintig jaar oud. Leo Picard was een Antwerpenaar uit een bemiddeld middenklassegezin. Net als zijn oudere broers Hendrik en Antoon geraakte hij op het Antwerpse atheneum geëngageerd in vrijzinnige Vlaamsgezinde kringen. Dit engagement werd groter en radicaler tijdens zijn hobbelig studentenparcours aan de universiteiten van Brussel en Gent. De eerste regels in het dagboek zijn eerder voer voor een seksuoloog dan voor een historicus. Leo schrijft dat voor hem het portret van Martha staat met ernaast bloemen en haar brieven. Zij heeft de hele namiddag doorgebracht op zijn studentenkamer en zij hebben gepraat over wat de zondag voordien tussen beiden is gebeurd: ‘iets groots en iets hoogs’. Na drie maanden vrijage voelt Leo Picard zich definitief verbonden met de liberale koopmansdochter en regentes Martha Van Vlaenderen, een felle flamingante. Het werd levenslang een sterk koppel. De tweede dag van het dagboek dook de politiek volop op, want Leo en Martha waren beiden zeer betrokken bij alles wat in de Vlaamse Zaak
INLEIDING 9
broeide in die lente en zomer 1914. Het verklaart veel van wat tijdens de oorlog zou gebeuren. Kort na de bezetting trad Picard toe tot de radicaal-activistische groep Jong-Vlaanderen, die werd gesticht onder impuls van de Nederlandse en Vlaamsgezinde dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis. Leo Picard was toen een uitgesproken pangermanist, die de aansluiting van Vlaanderen bij Duitsland hartstochtelijk bepleitte. Vanaf eind februari 1915 was hij hoofdredacteur van de Gentse krant De Vlaamsche Post, uitgegeven met Duitse steun. In de loop van het jaar groeide evenwel de onenigheid binnen Jong-Vlaanderen. Begin september 1915 volgde de breuk. Picard, die inmiddels veel gematigder was geworden inzake de toekomst van Vlaanderen en België, vertrok naar Nederland. Martha reisde hem achterna. Zij huwden en vestigden zich in Den Haag. Na de oorlog was het voor hen raadzaam om in Den Haag te blijven wonen. Picard werd voor zijn betrokkenheid bij het activisme in 1921 door het Gentse Hof van Assisen bij verstek veroordeeld tot levenslang. Hij was inmiddels vast redacteur geworden van het Haagse liberale dagblad Het Vaderland. De buitenlandse politiek werd zijn specialiteit maar in tal van Nederlandse en Vlaamse bladen bleef hij vaak en veel schrijven over de Vlaamse Beweging als een betrokken maar eigenzinnig criticus. Wat de buitenlandse politiek betreft bleef Picard tijdens de late jaren 1930 en zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog pleiten voor een diplomatieke vrede door compromis met Nazi-Duitsland. In de jaren 1940-1945 bleef hij schrijven voor het door de Duitsers gelijkgeschakelde Het Vaderland, iets wat nogal wat collega-journalisten en anderen hem kwalijk hebben genomen. Zijn pen bleef echter scherp en onafhankelijk en hij belandde in 1942 en 1943 evenveel keren in de gevangenis. Op last van de Duitsers werd hij door Het Vaderland uiteindelijk ontslagen, weliswaar met financiële compensaties. Dat hij tijdens de bezetting was blijven werken als journalist, leidde er in 1946 toe dat de Nederlandse justitie hem een publicatieverbod van twee jaar oplegde. Inmiddels echter keerde Leo Picard begin 1945 terug naar België. Met een imago van flamingantische-vrijzinnige-sociaal democratische Einzelgänger werd hij lid en later hoofd van de buitenlandredactie van de Vlaamsgezinde katholieke krant De Standaard. Ook in deze krant dacht en schreef Picard zoals de decennia voordien: allerminst conventioneel
10
Twee jonge vlamingen in den grooten oorlog
en vooral niet conformistisch. Zo koos hij vanaf de jaren 1950 ook ten opzichte van de USSR voor een appeasement-politiek. Tot lang na zijn pensionering in 1956 bleef hij in de Vlaamse Beweging een controversiële opiniemaker, altijd kritisch en af en toe dwars of tegendraads. Hij overleed in Gent op 21 november 1981.
August Balthazar: socialisme en flamingantisme
In Soltau (Niedersachsen), op 5 april 1915, herbegon August (Gust) Balthazar met het bijhouden van een dagboek. Het was zijn 190ste dag als Belgisch krijgsgevangene. Hij was 21 jaar oud. Gust Balthazar was een Gentse arbeiderszoon van de eerste generatie. Zijn grootouders waren met hun acht kinderen in 1873 straatarm in Gent aangekomen. Vanaf de jaren 1890 was het grootste deel van de familie Balthazar toegetreden tot de wereld van de socialistische Vooruit. Gust werd er een felle militant maar de naderende oorlog zette een domper op de ideologische dromen. Als milicien van de klasse 1913 trok hij bij het uitbreken van de oorlog naar de frontlinies. Op 14 augustus zat hij midden in het angstige oorlogsgeweld in de slag van Halen. Daags nadien werd hij afgevoerd naar een militair hospitaal in Brussel. Op 3 september 1914 werd hij aldaar krijgsgevangen genomen. Net als in het dagboek van Picard speelt ook in het dagboek van Balthazar een vrouw een hoofdrol. Enkele maanden voor de aanvang van zijn soldatenleven was de vrijage begonnen met Clémentine Bailliu, zijn Tineke. Door de oorlog zou hij haar nagenoeg vijf jaar lang niet ontmoeten, al bleef zij voor Gust in zijn mijmeringen en smachten naar brieven altijd aanwezig. Anderzijds beseft de lezer vanaf de eerste lijnen dat Balthazar aan zijn dagboek vooral een politieke dimensie wilde verlenen. ‘Want’, schrijft hij, ‘inderdaad, de Vlaamse Beweging waarvan ik hier in het kamp de spil ben, heeft door de schuld van kleinzielige doch machtige personen, nevens haar opvoedend ook een strijdend karakter aangenomen. Ik kan me erop roemen alles gedaan te hebben wat mogelijk was om zulks te beletten… Ik zal me waarschijnlijk bij mijn terugkomst in België, voor mijn daden in het kamp, niet alleenlijk te verdedigen hebben tegen mijn vijanden, maar wellicht ook tegen eigen partijgenoten en vrienden…’
INLEIDING 11
Het vervolg van het dagboek, dat loopt tot 10 oktober 1917, toont overduidelijk aan hoe diepgaand Balthazars confrontatie met en betrokkenheid in het Vlaamse radicalisme en activisme was, eerst in Soltau en veel sterker nog in het kamp van Göttingen vanaf het voorjaar 1916. Het blijkt ook uit een reeks brieven die hij schreef in Zwitserland, waar hij van begin juli tot eind november 1918 verbleef. Het was daar dat de Belgische Militaire Veiligheid een dossier over hem aanlegde voor mogelijke betrokkenheid bij activistische propaganda. Pas in mei 1922 besliste het Krijgs gerecht het dossier zonder vervolging te seponeren. Bij zijn terugkeer in Gent, december 1918, bleek Balthazar het vertrouwen van de nog machtiger geworden leider Edward Anseele sr. niet verloren te hebben, integendeel. Met snel stijgend succes hernam hij zijn leven als militant dat in 1908 was gestart bij de Socialistische Jonge Wacht. Het traditionele Eén Meifeest van 1925 was het eerste waarop vader Anseele niet zelf de grote meirede uitsprak. Anseele zei: ‘En nu geef ik het woord aan Gust Balthazar, den nachtegaal der partij.’ Balthazar werd in 1925 schepen van de stad Gent en volksvertegenwoordiger. In 1927 werd hij hoofdredacteur-directeur van het dagblad Vooruit dat toen zijn grootste oplage en uitstraling ooit kende. Bij de vele nieuwe initiatieven trok hij ook een hele reeks oude bekenden aan die hij al kende van voor 1914 en die van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) vervreemd waren geraakt, soms vanwege hun activistische sympathieën. Als journalist en politicus bleef Balthazar amnestie bepleiten voor veroordeelde activisten, maar hij keerde zich scherp tegen de rechts-radicale richting die het Vlaams-nationalisme uitging. In het algemeen trouwens stonden hij en zijn dagblad vooraan in de antifascistische strijd in binnen- en buitenland. Als meest vertrouwde luitenant van de legendarische vader Anseele kreeg Balthazar het een eerste keer zeer moeilijk bij het bankroet van de Bank van de Arbeid in maart 1934, maar uiteindelijk kwam hij versterkt uit die crisis. Op 15 mei 1938 werd hij minister. Die functie bekleedde hij ook bij de Duitse inval op 10 mei 1940. In september 1942, na een grillig en onzeker verblijf in Frankrijk, kwam Gust Balthazar aan in Londen en kon hij zijn plaats als minister heropnemen. Samen met de andere leden van de regering-Pierlot kwam hij op 7 september 1944 terug in Brussel. Op de ministerraad van 14 sep-
12
Twee jonge vlamingen in den grooten oorlog
tember 1944 legde Balthazar een lang verslag voor over de toestand van de havens, de spoorwegen en de post-, telefoon- en telegrafiediensten in het pas bevrijde land. Het was zijn laatste politieke optreden op dit niveau. Hij moest ervaren dat de leiding van de socialistische partij in heropbouw het plan van Edward Anseele jr. volgde: Gust Balthazar zou geen enkel politiek mandaat meer kunnen opnemen, hij zou geen enkele plaats meer krijgen in de partijrangen, zelfs niet als gewoon lid. Het was een goed voorbereide en goed geslaagde operatie. Gust Balthazar belandde in de stille marge. Hij overleed in Lovendegem op 22 juli 1952. Hij was 58 jaar oud. De twee dagboeken, dat van Picard iets korter dan dat van Balthazar, worden hier voor het eerst integraal gepubliceerd. Dagboeken zijn egodocumenten die uiteraard subjectief zijn. Daarom worden ze zorgvuldig geduid en voorzien van historische annotaties, waarin de genoemde personen, organisaties en verenigingen, omstandigheden en toestanden worden geïdentificeerd, geduid en gecontextualiseerd. Het betreft in dit geval twee tijdsdocumenten die rechtstreeks betrekking hebben op oorlogsgebeurtenissen, hoewel ze in heel verschillende omstandigheden tot stand kwamen. Enerzijds in het door de Duitsers bezette, maar voor het overige relatief vrije Gent en anderzijds in de Duitse krijgsgevangenenkampen Soltau en Göttingen. Toch hebben beide dagboeken heel wat met elkaar gemeen. Precies daarom wilden wij ook het gehele levensverloop van Leo Picard en August Balthazar neerschrijven, vaak op basis van nieuw archief- en literatuuronderzoek. In hun dagboeknotities laten de aankomende journalist-publicist Leo Picard en de journalist-politicus in spe Gust Balthazar behoorlijk in hun kaarten kijken, zowel menselijk-emotioneel als politiek-maatschappelijk. En daarin vinden we merkwaardige gelijkenissen. Omdat hun achtergrond, opgroeiproces en, vooral, hun naoorlogse loopbaan zo anders verliep, vervaagden in het Vlaamse collectieve geheugen de gelijkenissen tussen de twee jonge kerels, en haalden de verschillen tussen mannen de bovenhand. Herman Balthazar en Nico Van Campenhout
INLEIDING 13
Herman Balthazar
August Balthazar ( 1 893 –1 952)
Vlucht en val van ‘de Gentse nachtegaal’
H OOF DSTU K 1
Een jongen van ’t rabot 1 Opgroeien in het novecento van Anseele (1893–1906)
Het begon aan de Dampoort
Augustin Joseph (Gust) Balthazar werd geboren op 10 oktober 1893 te Gent in de ouderlijke woonst, Rabotlaan, 83, als tweede kind in het gezin van Jean-Baptiste Théophile Balthazar, paardenknecht-koetsier en Clémence Cnudde, vlasspinster en ongeletterd. Ongeletterd was ook de getuige bij de aangifte, de ijzerdraaier August Schelstraete, een jeugdvriend uit de Dampoortwijk, die ook als peter optrad bij de doop in de Sint-Jozefsparochie op 12 oktober.1 Gusts vader, Jean-Baptiste, was tien jaar oud toen hij in het voorjaar 1874 in Gent kwam wonen. Hij was het vierde kind van de wever Jozef Balthazar en Nathalia Mortier, beiden ongeletterd. Waarom het gezin Balthazar-Mortier, straatarm, met acht kinderen – het oudste vijftien jaar, het jongste drie maanden; zes jongens en twee meisjes – in 1874 van Wetteren naar Gent verhuisde, weten we vooralsnog niet. Zeer waarschijnlijk heeft het te maken met de crisis in landbouw en industrie die zich vanaf 1873 begon af te tekenen en duurde tot 1895. Ook de Gentse textielnijverheid kende een tragere groei, maar er bleef toch groei en dus werkaanbod dat er in Wetteren niet meer was.2 Van Wetteren met
Een jongen van ’t rabot 17
10.000 inwoners kwam de kroostrijke familie Balthazar terecht in een grote arbeidersstad van 120.000 inwoners. Het was een wereld van verschil en de nieuwkomers zouden het ervaren van bij de aankomst. Op de kleine Gaspard na, die op 21 januari 1875 bezweek aan roodvonk (‘scarlatine’), amper twee jaar oud, groeiden alle kinderen goed op. Het was een sterke stam, de Balthazars. Het eerste onderkomen vond het gezin in een beluik in de Oost akkerstraat (nu Engelbert van Arenbergstraat en Banierstraat), een uitloper van de Dampoortwijk, net op de grens van de randgemeente Sint-Amandsberg.3 Daar woonden toen een driehonderd gezinnen in ellendige omstandigheden, in een straat zonder kasseien, zonder riolering, zonder straatverlichting. Beluiken – doodlopende straatjes of koertjes op achterliggende gronden, de ‘puurtjes’ of ‘citeetjes’ – waren een typisch fenomeen van de proletarische urbanisatie in Gent. Sinds 1856 moest de politie jaarlijks alle beluiken tellen en erover rapporteren omdat daar de grootste wantoestanden voorkwamen en omdat daar de meeste doden geteld werden bij de cholera-epidemies die de stad troffen tussen 1832 en 1866. In 1874 stonden in het Bestuurlijk Memoriaal van de stad 654 beluiken opgetekend. Daarin telde men 6.453 huizen waarin 6.922 gezinnen en 27.503 personen woonden. In de sociale rangorde stond het ‘puurtjesvolk’ helemaal onderaan. Zo begon het bij de familie Balthazar. Bij dat Gentse arbeidersvolk van de Dampoortwijk vond Jean-Baptiste zijn lief Clémence Cnudde, met wie hij op 29 mei 1889 huwde. Drie maanden later al, op 6 september 1889, werd hun eerste zoon geboren, mijn grootvader (Basile) Albert Balthazar. Van dit beluik in de Oostakkerstraat verhuisde het gezin in 1892 naar de Rabotlaan, waar Gust Balthazar in 1893 geboren werd, en later naar de Kwakkelstraat, waar hij tot zijn huwelijk in 1919 gedomicilieerd bleef. Met als achtergrond het boeiende verhaal van de fabrieksstad Gent groeiden Gust en zijn oudere broer (Basile) Albert er op als Gentenaars van de eerste generatie. Het was een tijd van snelle wenteling op alle vlakken. Het werd voor de arbeidersklasse ook de eerste periode van sociale emancipatie en grotere mogelijkheden van opwaartse sociale mobiliteit. Zij werden bepaald door verschillende in elkaar verweven processen van sociale transitie: op het algemeen politieke vlak de strijd voor algemeen stemrecht, op het levensbeschouwelijk vlak de strijd voor meer en
18
August Balthazar
beter stedelijk volksonderwijs en in Gent meer dan elders de opbouw van een socialistisch machtsbastion dat de leiding nam van een fellere sociale strijd. Naast, met of tegen die sociale strijd was er ook het toenemende gewicht van de taalstrijd. In die opsomming zitten alle ingrediënten van de politieke bewustzijnsvorming van Gust Balthazar.
Vechten voor stemrecht
In 1874 was Gent nog de sterke burcht van de liberale censitaire kiezers. Kiezers dus van wie het vermogen voldoende groot was om te mogen stemmen. Amper 5.657 kiezers schonken burgemeester Charles de Kerchove de Denterghem in 1874 een absolute meerderheid. Maar het liberale front vertoonde barsten. De franskiljonse en doctrinaire meerderheid in de ‘Association libérale’ moest aanzien dat er sterkere en mondiger wordende groepen van sociaal-progressistische liberalen en van Vlaamsgezinde liberalen een stem in het blauwe kapittel wilden en er desnoods een scheuring voor overhadden. ‘La question sociale’ en ‘De Vlaamsche Kwestie’ werden de twee politieke hoofdproblemen, van de acties op straat tot de parlementaire debatten. Uitbreiding van kiesrecht kwam daarom voorop in de politieke actualiteit als het bijzonderste twistpunt. Het werd ook het eerste ordewoord van de jonge Belgische Werkliedenpartij (BWP, opgericht in 1885). De eerste, in concrete gevolgen nog zeer beperkte opening naar ruimer kiesrecht, was de wet van 24 augustus 1883 op het capacitaire kiesrecht voor de gemeenten en provincies. Zonder cijnsvoorwaarden konden ook alle mannen die ten minste lager onderwijs hadden gevolgd, een kiesexamen afleggen en zo bewijzen dat ook zij stemrecht waard waren. In de familie Balthazar was er al minstens een oom van Gust die op deze wijze stemrecht kreeg (Pieter Franciscus, ‘werkman aan de statie van de staat’, die volgens de kiezerslijst van 1890 in Moeskroen zijn kiesexamen aflegde op 5 april 1888). Maar de grote doorbraak kwam in het geboortejaar van Gust. Het was de grondwetswijziging van 1893, die het algemeen meervoudig stemrecht invoerde: voor iedere volwassen man van ten minste 25 jaar één stem, maar belasting betalende familievaders kregen twee of zelfs drie stemmen. In heel België kregen 850.000 mannen één stem; 290.000 burgers kregen twee stemmen; 220.000 burgers
Een jongen van ’t rabot 19
Naschrift en dankwoord De dagboeken van Gust Balthazar en Leo Picard werden ons toevertrouwd door Hilda Balthazar, jongste dochter van Gust, en door Inge Picard, kleindochter van Leo. Zij bleven zeer betrokken bij ons onderzoek voor dit boek. Hun opmerkingen en hulp bij het opzoeken van ander bronnenmateriaal (vooral foto’s en brieven) waren van groot nut. Zij mobiliseerden ook andere familieleden, vooral Toon Waldeyer, zoon van wijlen Frida, oudste dochter van Gust, en Marjon en Eveline Deirkauf, de Nederlandse nichten van Inge en dochters van wijlen Lily, dochter van Leo. Wij zijn hen allen zeer dankbaar. Inge verdient onze grootste en erkentelijke dank voor de vele uren van nauwgezette en competente arbeid die zij besteedde aan het intikken, opmaken en corrigeren van teksten en eindnoten en aan het opstellen van alle indices. Zo was zij ook van groot nut voor onze uitgever Lannoo, die wij graag betrekken in onze dank en waardering. Wij zijn ook heel wat collegae-historici dankbaar voor hun hulp en kritisch commentaar. Voor Nico Van Campenhout geldt dit speciaal voor zijn leermeester em. prof. dr. Lode Wils en voor Mark Derez, archivaris van het Leuvense universiteitsarchief. Van Herman Balthazar gaat er een bijzonder woord van dank naar prof. Jos Monballyu. Zijn diepgravende onderzoek naar de relatie tussen activisme en Duitse krijgsgevangenenkampen was van essentieel belang om het dagboek van Gust Balthazar te duiden. Ten slotte gaat een dankbare groet naar onze echtgenotes Josiane en Betty voor hun betrokken luisterbereidheid. Het genre van de politieke biografie is helaas nog ondergewaardeerd in Vlaanderen. Oorsprong, groei en nawerking van het activisme blijft ook nog meer beladen door ideologische emotie dan door kritische eruditie. Het is onze hoop dat dit boek een opstap is om voor beide euvels nieuw onderzoek uit te lokken. Herman Balthazar en Nico Van Campenhout
382
ďťż
Biografie AUTEURS Em. Prof. Dr. Herman Balthazar (°Gent, 1938) is doctor in de geschiedenis, en is jarenlang als buitengewoon hoogleraar verbonden aan de universiteit van Gent. Net als zijn familie aan vaderszijde is Balthazar steeds actief geweest in de socialistische beweging. Tijdens zijn hele politieke carrière is hij lid van de SP en later van de SP.A. In 1978 neemt hij het voorzitterschap op van de Nationale Cultuurpact commissie, tot hij in 1981 een vierjarig voorzitterschap aangaat van de raad van bestuur van de Belgische Radio en Televisie. In 1985 wordt hij gouverneur van Oost-Vlaanderen, wat hij negentien jaar lang blijft, maar hij blijft toch ook nauw verbonden aan zijn vakgroep Nieuwste Geschiedenis. Nico Van Campenhout (°Sint-Gillis-Waas, 1957) studeerde geschiedenis aan de KULeuven, waar Em. Prof. Dr. Lode Wils (°1929) en wijlen Em. Prof. Dr. Reginald De Schryver (1932-2012) zijn voornaamste leermeesters waren. Hij werkte als archivaris bij het KADOC (Leuven) en was leraar in het middelbaar onderwijs. Sinds 1988 is hij stadsarchivaris van Lokeren. Behalve over het Lokerse verleden, publiceert hij vooral over de politieke en socio-culturele geschiedenis van België tijdens de 19de en de 20ste eeuw en in het bijzonder over de geschiedenis van de Vlaamse beweging.
Biografie AUTEURS 383
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Omslagontwerp: Cedric Verhelst Vormgeving: Steven Theunis, Armée de Verre Zetwerk: Olu Vandenbussche, Armée de Verre © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2014 en Herman Balthazar & Nico Van Campenhout D/2014/45/406 – NUR 689 ISBN 978 94 014 1148 6 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.