I DE ZUIDELIJKE NEDERÂ LANDEN IN LATIJNSAMERIKA
De Flamencos in Latijns-Amerika prof. em. John Everaert koloniale & maritieme geschiedenis Universiteit Gent
Deel 1 Het koloniale Amerika: van ontdekking tot ontvoogding (ca. 1500–ca. 1800)
10 11
1 Titelblad van de ‘Geschiedenis van Peru’, een plagiaatwerk (1567) door de pseudo-humanist Levinus Apollonius, alias Lieven Van Ghentbrugghe. (Universiteitsbibliotheek Gent)
De Nieuwe Wereld: ontsluiting en beeldvorming
De inbezitneming van Amerika was zowel voor tijdgenoten als voor wie er nu op terugkijkt een veelbetekenende gebeurtenis en wel in dubbel opzicht. Ten eerste verliepen de ontdekkingsexpedities, en dan vooral de veroveringscampagnes van de uitgestrekte indiaanse rijken (Azteken, Maya’s en Inca’s) niet alleen bijzonder snel – tussen 1519 en 1532 – maar ook met een opvallend bescheiden mankracht. De Spaanse conquistadores beschikten wel over een superieure uitrusting (vuurwapens, paarden en bloedhonden) die als verrassingsfactor werkte. Meer nog dan de brutale militaire confrontatie, zullen de biologische weerloosheid (onbekende epidemische ziekten), de economische uitbuiting en de socioculturele ontwrichting in één eeuw tijd de inheemse bevolking letterlijk decimeren: van ca. 50 miljoen inlanders tot enkele miljoenen. In de tweede plaats, vergeleken bij de supersnelle en wereldwijde informatiestroom van nu, kregen de ontdekkingen en veroveringen vroeg bekendheid. Via allerlei kanalen sijpelde de kennisverspreiding door, uiteraard nog onvolledig en soms verkeerd, maar toch in voldoende mate om de beeldvorming over de Nieuwe Wereld te voeden. De internationaal vermaarde Antwerpse persen brachten, zelfs in vertaling, veroveringskronieken en reisverhalen uit, al dan niet geïllustreerd met fantasierijke houtsneden. Al in 1523 publiceerde H. van Hoochstraten de krijgsrapporten van Hernán Cortés, veroveraar van Mexico. De sensatiedrukker Jan van Doesborch specialiseerde zich in apocriefe compilaties waarbij hij de namen van beroemde ontdekkers als lokmiddel misbruikte. Een Brugse pseudohumanist, Lieven Van Ghentbrugghe, plagieerde zelfs in 1567 onder de schuilnaam Levinus Apollonius (fig. 1) een geschiedenis van Peru. In klooster- en humanistische middens circuleerden missioneringsbrieven die de eerste Vlaamse zendelingen als rekruteringspubliciteit naar het thuisfront stuurden. Amandus van Zierikzee nam er op in zijn Wereldkroniek (1534) en Abraham Ortelius gebruikte later uittreksels voor commentaar op zijn Amerika-kaarten. De beeldvorming werd visueel gevoed. In de nazomer van 1520 bewonderde Albrecht
Dürer in Brussel de kunstschatten ‘uit het nieuwe gouden land’. Die relatiegeschenken vanwege de laatste Azteken-vorst Moctezuma had Cortés doorgezonden naar de keizer. Op zijn beurt schonk die aan zijn tante-weduwe, de landvoogdes Margareta van Oostenrijk, kleurrijke plumagien (vederstukken) (fig. 2), een typische Mexicaanse kunstvorm. Exotica in particuliere rariteitenkabinetten en botanische curiosa (tomaat, tabak) scherpten de verbeelding. Maar ook het gewone volk kon in 1565 in Antwerpen als een soort kermisattractie een ‘naakte menseneetster’ met haar kind bekijken. Pamfletten over losse episodes en particuliere briefwisseling wakkerden de mythe over El Dorado (de vergulde) aan. Geen wonder dus dat al in 1535 een Antwerpse lakenbereider, samen met zijn Vlaamse vennoot in Sevilla, een jonge Duitser naar het pas veroverde ‘nieuwen lande’ van Peru stuurden om er ‘gout, silver ende andere costelicheyt’ te verkrijgen. Tot zelfs in de psychologische oorlogvoering drong Amerika door tot onze streken. Protestantse opstandelingen in het noorden vereenzelvigden zich met de uitgebuite indianen in Amerika. Door aanklachten van bisschop Las Casas tegen de Spaanse tirannie in de koloniën hadden de protestanten het beeld dat de schrijver van de Spanjaarden had gecreëerd (de zogenoemde ‘zwarte legende’) overgenomen en vertaald naar hun eigen situatie.
Het koloniale monopolieregime en de uitwegen
Tot ver in de achttiende eeuw hanteerde men in de Spaans- of Portugeestalige wereld de termen Flamencos en Flamengos als ‘nationale’ verzamelnaam voor ingezetenen en bijgevolg ook voor uitwijkelingen afkomstig uit de Lage Landen. Dus niet alleen Vlamingen in de eng historisch-geografische betekenis, maar alle inwoners van de toenmalige Nederlanden. Met inbegrip dus van het huidige Wallonië, de achteraf verloren grensgebieden Frans-Vlaanderen (Rijsel, Duinkerke) en Frans-Henegouwen (Kamerrijk, Valenciennes), en zelfs van de opstandige noordelijke gewesten. Vanwege de hedendaagse territoriale en culturele scheidingslijnen leidt dit soms tot verwarring, ook omdat ‘Vlamingen’ in de
2 De ‘Pantocrator’ (Almachtige) in een mozaiek van gekleurde pluimen, een indiaanse techniek aangeleerd in de kunstschool van Pieter Van Gent. (Museo del Virreinato, Tepotzotlán-Mexico)
12 13
3 Lissabon en de Taag-haven (ca 1520). De bloeiende zeehandel vertolkt zich in een overbevolkte stad en een drukke rede. Miniatuur toegeschreven aan Antonio de Holanda. (Museu-Biblioteca Castro Guimarrães, Cascais)
bronnen niet altijd als dusdanig identificeerbaar zijn. Nog vóór de ontdekking van Amerika waren onze gewesten al bij de Iberische overzeese expansie betrokken. Zodra Portugal (fig. 3) rond 1450 de Atlantische archipels ging uitbaten, namen Bruggelingen actief deel aan de kolonisatie van de Azoren, trouwens nog lange tijd vermeld als de ‘Vlaemsche Eylanden’. Ferdinand van Olmen was zelfs een mislukte voorloper van Columbus door onder Portugese vlag
diens plan te wagen. In 1487 vertrok hij vanaf het eiland Terceira westwaarts, maar koos een te noordelijke route en verdween in de oceaan. Tussen 1480 en 1530 waren kooplui en vervolgens planters, afkomstig uit Brugge en Antwerpen, actief op de suikereilanden – eerst op Madeira en daarna op het Canarische eiland La Palma. Deze drie archipels vormden een proeflaboratorium – inzake grondregime, rietsuikerteelt en plantageslavernij – voor de nakende grootschalige Iberische kolonisatie
in Amerika. Ook Vlamingen deden op de plantages van de archipels ervaring op die later in Brazilië van pas zou komen. Al bij de eerste Spaanse ontdekkingstochten kwamen Flamencos voor. Op de verkenningsexpedities van Columbus (vierde reis, 1502), van het duo Bastidas-De la Cosa (1501) en van de gebroeders Guerra (1504) – telkens naar de Venezolaanse Parelkust – zelfs op de wereldomvaart door Magelhães (1519–22) waren een paar ‘Vlaamse’ matrozen of scheepskanonniers in dienst genomen. Maar deze vroege en schaarse zeelui volstonden uiteraard niet om Amerika in onze gewesten aantrekkelijk te maken. Toch rijpte in de loop van de zestiende eeuw in de Lage Landen de lokroep naar de Nieuwe Wereld. Verschillende gunstige factoren speelden hierbij een simultane rol. In de eerste plaats was er de politieke lotsverbondenheid tussen de Nederlanden en Spanje. In een personele unie beheerde keizer Karel v zijn Europese en overzeese bezittingen in ‘een rijk waar de zon nooit onderging’. Wellicht nog belangrijker is de parallelle wisselwerking waarbij Spanje met zijn koloniale verlengstuk tot onze voornaamste handelspartner uitgroeide. Antwerpen werd de transithaven én verdeelmarkt voor Spaanse en koloniale waren, terwijl Vlaamse, Duitse en andere producten via de haven werden uitgevoerd. De dynastieke banden tussen enerzijds de laatste Bourgondiërs en de eerste Habsburgers, en anderzijds de Spaanse en Portugese monarchieën, plus de economisch-maritieme complementariteit, schiepen het gunstige kader voor uitwijking naar het Iberisch schiereiland. Heel wat Vlamingen vestigden zich in de handelshavens van Portugal en Laag-Andalusië. Langzamerhand ontstonden, eerst in Lissabon, dan in Sevilla, georganiseerde gemeenschappen bekend als naciones flamencas. Die Vlaamse kolonies groeiden in het midden van de zestiende eeuw aan door massale overkomst van zowel tijdelijke residenten als definitieve inwijkelingen uit Vlaanderen. Zij werden aangelokt door de winstvooruitzichten van de koloniale handel, die in Portugal toegankelijker was dan in het buurland. De Spaanse kroon bouwde van in het begin een monopolistisch exploitatiemodel uit, gesuperviseerd door de Casa de la Contrata-
ción – opgericht in 1503. In Laag-Andalusië monopoliseerde de metropool Sevilla (fig. 4, p. 125), samen met haar voorhavens, alle scheeps-, handels- en passagiersverkeer naar de koloniën. De motor was de enorme hoeveelheid edele metalen die uit Spaans-Amerika werd gehaald: tussen ruwweg 1530 en 1600 ongeveer 180 ton goud en 17.000 ton zilver, en dan nog zonder de smokkeltrafiek erbij te rekenen. Die injectie krikte de deficitaire Spaanse handelsbalans op en financierde de oorlogsinspanning, maar wakkerde tezelfdertijd een ongekende prijzeninflatie aan. Ook het kwetsbare trans-Atlantische transportsysteem evolueerde van een ongeregelde vrije vaart naar een geëscorteerde konvooivaart – de Carrera de Indias – die gericht was tegen kapers, vrijbuiters en smokkelaars. Uiteindelijk vertrokken jaarlijks twee afzonderlijke vloten met verschillende bestemmingen: de flotas naar Nueva-España (Mexico) en de galeones naar Tierra Firme, het vasteland van Midden-Amerika. Langs deze navelstreng zouden bijna alle Vlaamse uitwijkelingen de Nieuwe Wereld bereiken. De Spaans-koloniale macht reguleerde zowel de handel als de uitwijking naar Amerika. Eerst werden de regels vrij willekeurig toegepast, nadien volgde meer bureaucratie met wettelijke achterpoortjes. De ‘katholieke koning’ Ferdinand van Aragon liet ook ingezeten vreemdelingen met onroerend bezit toe. De liberale politiek van Karel v stond aanvankelijk (1525) zelfs aan alle Habsburgse onderdanen handelsvrijheid toe om die vervolgens (1538) toch te beperken tot de Castilianen. Niettemin kregen Flamencos en Duitsers tot 1549 nog gemakkelijk toegang tot de koloniën. Maar daarna (1552) kwam er een strengere controle op de limpieza de sangre, de bloed- maar ook geloofszuiverheid. Het koloniale monopoliesysteem was allesbehalve waterdicht. Vele vreemdelingen dreven toch onrechtstreeks handel op Amerika via tussenpersonen. Deze zogenoemde cargadores (bevrachters) waren Spaanse ambulante kooplieden die door inventieve kredietverkopen de koopwaar van de Vlaamse firma’s in Amerika verhandelden. Zelfs Vlaamse handelsreizigers waagden zonder vergunning de overtocht, ondanks de talrijke risico’s. Als enige reguliere kanalen bleven uitzonderlijke reislicenties of moeilijk te verkrijgen
14 15
naturalisatiebrieven over. Philips ii ontwierp een omslachtige juridische procedure voor de naturalisatie van vreemdelingen, zodat onder zijn bewind slechts een vijftal Vlamingen dit voorrecht konden genieten. In 1608 kwamen duidelijke voorwaarden: je moest twintig jaar in Spanje wonen, tien jaar gehuwd zijn met een Spaanse en voldoende onroerend bezit hebben. Dit hield een drievoudige waarborg voor definitieve inburgering in. Gezien de numerieke toename binnen de naciones flamencas verwierven in de loop van de zeventiende eeuw een honderdtal Vlamingen de naturalisatie, plus nog een tiental na 1700. Nochtans gebruikten de meeste begunstigden alleen de handelstoelating en niet de uitwijkingsvergunning. Al waren Flamencos juridisch niet gelijkberechtigd, toch genoten ze soms een voorkeursbehandeling en bleven ze evenmin volledig uitgesloten van het koloniale monopolie. Wel bleef naturalisatie de aangewezen rechtmatige uitweg. Hoe kan worden achterhaald wie naar de Nieuwe Wereld vertrok en waarom ze dat deden? Een eerste hinderpaal zijn de doorgaans verspaanste, vaak verbasterde of soms bijna onherkenbaar gewijzigde eigennamen die opduiken in de overigens weinige beschikbare bronnen. Herkenning is meestal alleen mogelijk op grond van aanvullende identificatiegegevens. De schaarse legale inwijkelingen zijn opgenomen in de overigens fragmentarisch bewaarde registratielijsten van passagiers op Spaans-Amerika. Tot rond 1560 verschijnen slechts ongeveer 170 Flamencos – toch bijna een kwart van alle vreemdelingen – maar dit zijn uiteraard onvolledige cijfers. Ondanks de veelvuldig herhaalde verbodsbepalingen doken in de loop van de zestiende-zeventiende eeuw toch meerdere duizenden clandestiene landgenoten op in de koloniën. Nu en dan verschenen ze in notariële akten of in boedelbeschrijvingen, maar familiebrieven ontbreken tot dusver op een paar uitzonderingen na. Soms kwam hun onwettige verblijf toevallig aan het licht wanneer ze zonder testament overleden zodat hun schaarse bezittingen werden geïnventariseerd. Omtrent 1595 gingen de koloniale autoriteiten systematisch speuren naar illegale vreemdelingen, zonder daarom tot gedwongen repatriëring over te gaan. Clandestiene in-
wijkelingen kregen de kans om in een zogenoemde composición te stappen: bij spontane aangifte kregen ze een verblijfsvergunning na het betalen van pardongeld, vastgesteld naar gelang het vermogen – een praktijk die neigde naar afpersing. In 1615 lieten zich een dertigtal Flamencos op die wijze in Mexico regulariseren. Ten slotte leveren inquisitiedossiers het meeste op: herkomst, levenswandel en geloofsopvattingen werden minutieus uitgeplozen. Naast crypto-Joden en moraalovertreders (bigamisten en vrouwenverleiders) waren verdachte protestanten de meest gezochte slachtoffers.
De uitwijkelingen en hun activiteiten.
Bij de Flamencos in Amerika bevonden zich enerzijds spontane inwijkelingen die op individuele basis waren vertrokken. Deze groep kan sociaal en professioneel worden getypeerd in grofweg drie categorieën. Toch blijft de afbakening dikwijls vaag omdat de types elkaar in de tijd overlappen of onderling overvloeien. Een buitenbeentje vormden de paar plantageuitbaters. Anderzijds waren er de meer elitaire categorieën: missionarissen, die doorgaans samen vertrokken, en solitaire kunstenaars.
De springplank: de naciones flamencas in Laag-Andalusië.
Al tijdens de late middeleeuwen (veertiendevijftiende eeuw) treffen we concentraties Vlamingen aan in Atlantisch Andalusië, meestal aan of nabij de rivier Guadalquivir, de levensader van een rijke landbouwstreek (wijn, olijfolie, graan, zeezout). In Sanlúcar de Barrameda, een havenstadje aan de stroommonding en verplichte passage voor de Amerika-schepen, werd de vlottende Vlaamse gemeenschap vanaf 1530–50 honkvaster. Hetzelfde verschijnsel deed zich voor in Jerez de la Frontera, een traditionele wijnmarkt. Maar vooral in de haven Sevilla groeide de reeds belangrijke Vlaamse bevolkingskern verder aan. Ambachtslui, gelukzoekers en een paar honderd handelsfirma’s kwamen er zich vestigen. Eerst uit Brugge en dan – door de godsdienstperikelen – meer en meer uit Antwerpen. Wegens allerlei factoren (afnemende bevaarbaarheid, verscherpte smokkelcontrole, pestepidemieën) verschoof in de loop van het
4 Sevilla (midden 16de eeuw). De rivierhaven op de Guadalquivir is het kopstation voor de Amerika-konvooien maar ontvangt ook handelsgaleien uit de Middellandse Zee. (Museo de América, Madrid)
tweede kwart van de zeventiende eeuw het commerciële zwaartepunt van de rivierhaven Sevilla naar de baaihaven Cádiz. Samen met enkele kleinere aangrenzende havenstadjes, werd de ruime en diepe baai nu hét platform voor de handel op Amerika. Al dan niet verhuisd uit Sevilla of nieuw overgekomen (uit Antwerpen, Rijsel, Gent, Duinkerke) bekleedde een rijke en machtige Vlaamse handelsburgerij er de vierde rang onder de vreemdelingen. Precies zoals in Sevilla bezat de Vlaamse ‘natie’ er haar eigen instellingen:
een hospitaal en een natie-kapel – telkens onder het patronaat van Sint-Andries – en ook een consulaat. In beide kopstations voor de Amerikahandel werden Vlaamse (textiel, kant) en vreemde verbruiksgoederen naar de koloniën uitgevoerd, grotendeels onder de dekmantel van Spaanse en soms Vlaamse cargadores. De retourwaren, vooral zilver en in mindere mate koloniale producten (kleurstoffen) werden vaak buitengesmokkeld. Voor bijna alle Vlaamse uitwijkelingen is dit Atlantisch Andalusië
16 17
5 De hooggelegen zilverstad Potosí (1758) met de ‘Cerro Rico’ (Rijke Berg). In de heuvels boven de dichtbevolkte mijnstad liggen stuwmeren die waterkracht leveren voor de ertsmolens. (Museo de Los Charcas, Sucre-Bolivië)
de wachtkamer voor de sprong naar las Indias (‘de Indiën’) zoals de Spanjaarden de Nieuwe Wereld onterecht noemden na de verkeerde inschatting door Columbus.
Huursoldaten, gelegenheidszeelui en avonturiers Vlaamse huurlingen sloten zich al aan bij de eerste golf conquistadores. Onder de legerbende waarmee de rebel Cortés in 1519–21 vanuit Cuba het Azteken-rijk veroverde, bevond zich een Juan Flamenco die in 1537 in de hoofdstad stierf. Dezelfde of een naamgenoot hielp in 1530–31 de provincie Nieuw-Galicië inlijven en werd er medestichter van de nederzetting Compostela. Een van de krijgslieden in de strafexpeditie die was uitgezonden (1520) om Cortés tot de orde te roepen was Juan de Flandes. Maar de meest opvallende
strijder van het eerste uur was Pierre Gómez, afkomstig uit het graafschap Henegouwen. Achtereenvolgens dook hij op in Santo Domingo (1505), Tierra Firme (1516), Cuba (1519) en ten slotte in Mexico waar hij deelnam aan de inname van de Azteken-hoofdstad Tenochtitlán. Naderhand huwde hij er een Spaanse en werd vecino (poorter met burgerrecht) van Mexico-stad. Na de verovering (1532–34) van het Incarijk door F. Pizarro en zijn rivaal D. Almagro kende Peru jarenlang onrust door de militaire weerstand van de Inca-prinsen, maar vooral door de bloedige twisten onder de veroveraars. Onder de loyale troepen (1542–46) bevond zich een Antwerpse kruisboogschutter, en de rangen van de opstandeling Gonzalo Pizarro telden ettelijke Flamencos, onder wie een
Brugse kleermaker en zelfs een muzikant. Bij de pacificatie (1548) bestrafte Pedro de la Gasca hen met geseling, verbanning, verbeurdverklaring en dwangarbeid op de galeien. Vele vreemdelingen monsterden aan op de losse schepen of de geregelde vloten die naar de nieuwe havensteden Cartagena (Colombia) en Veracruz (Mexico) voeren, of naar de periodieke markt-foren Nombre de Dios en Porto Belo – beide gelegen op de landengte van Panama. Dienst nemen als matroos of scheepskanonnier bood vaak een one way ticket: ze bleven gewoon achter aan land na omkoping of door desertie. Vlaamse artilleristen genoten trouwens een flinke reputatie, ook al omdat ze stevig dronken. Scheepsvolk werd uiteraard gerekruteerd in de vertrekhavens, meestal in Sevilla, waar in het schipperskwartier van Triana heel wat buitenlanders rondhingen op zoek naar een job of geluk. In Amerika voegden ze zich bij weggelopen zeelui en obscure soldaten, beiden vaak gelegenheidssjacheraars. Want wie vooruitziend was, had vóór de inscheping zijn gage omgezet in wat koopwaar en ontpopte zich bij aankomst tot kleine handelaar. Andere illegalen probeerden aan de kost te komen door een ambacht uit te oefenen, in zeldzame gevallen hadden ze dat thuis aangeleerd. Voor de periode 1598–1610 hebben we bij benadering een idee over het aantal Flamencos dat inscheepte en dit op basis van een kwart van de bewaarde monsterrollen. De paar duizend vreemdelingen leverden samen 20 procent van de bemanning (matrozen, kanonniers, scheepsjongens). Hieronder troffen we 46 Flamencos aan, meer artilleristen dan zeelui, hoofdzakelijk twintigers en vooral afkomstig uit Duinkerke, Antwerpen en Brugge. Vooraleer ze dienst namen op de konvooien hadden de meesten al ervaring opgedaan bij verschillende campagnes in Europese wateren. Vanaf 1551 werden vreemde beroepszeelui toegelaten op de Carrera. Aanmonsteren beloofde niet alleen avontuur, maar verschafte ook een inkomen. Flamencos waren gewilde scheepskanonniers die zo nodig nadien ook aan land in de fortgarnizoenen of bij veroveringscampagnes vochten. Al jong snoof Juan Fino uit Middelburg de kruitdamp op. Als zoon van een artillerist diende hij achtereenvolgens op de Duitse slagvelden, op de
Zeeuwse hulken naar Spanje, op de konvooien naar Tierra Firme en Nieuw-Spanje, en in een expeditie naar Florida. Eens gedemobiliseerd, dook hij in 1562 plots op in de Mexicaanse landstreek Michoacán als poorter van Valladolid (nu Morelia). Wanneer de inquisitie hem in 1572–74 op de rooster legde, was hij al eigenaar van een veehoeve. Hij was nog altijd vrijgezel maar had wel een zoon bij zijn zwarte concubine.
Gespecialiseerde beroepen: ambachtslui, mijnexperten en plantagebeheerders
De blanke inwijkelingen en de creoolse samenleving die zich overzee ontwikkelde hadden behoefte aan Europese verbruiksgoederen. Ook al bleef veel proviand (wijn, olijfolie, graan) uit het moederland aangevoerd, toch verschenen in de kolonie vrij vlug blanke ambachtslui. Gezien de Spaanse afkeer voor handenarbeid waren dit vaak vreemdelingen onder wie opnieuw Flamencos. De kledingsector, een traditionele branche in Vlaanderen, was al vroeg vertegenwoordigd. De kleermaker Juan Peri, tussen 1530–44 gesignaleerd als begunstigde van grondkavels in Mexico-stad, werd in 1533 aangesteld tot ‘kleermakersnotaris’ wat van een zekere standing getuigde. Diego del Valle, een calvinist uit Middelburg, bedreef in 1599 hetzelfde vak in de hoofdstad. Zijn landgenoot, Enrique de Holanda uit Amsterdam, streek na enige omzwervingen neer als schoenmaker in Campeche (Yucatán). De kousenmaker Gabriel de Amberes, bedrijvig in Oaxaca, wist in 1561 zijn straf wegens godslastering te beperken tot penitentie. Pedro Alnalte (Arnoud) investeerde rond 1590 in Tlaxcala zijn hele vermogen in een textielatelier, waar bezoldigde indios wol sponnen om er saaien (stoffen) en paardendekens mee te weven. Ook in Peru doken Vlaamse ambachtslui op, zoals een viertal kleer- en kousenmakers in Lima. De kleermaker Pedro de Amberes bestelde in 1547 bij een landgenoot in Cuzco laarzen, lederjassen en dekens om ze in de nieuw gestichte hoofdstad te verkopen. Timmerlui waren Enrique Senepes (Sneps), in 1575 opzichter van zijn beroepsgilde in Lima, en Miguel de Briarte die Giraldo Flamenco uit Antwerpen als schoonzoon kreeg. In 1556
18 19
werkte er de zadelmaker Bartolomé de la Banda. Bierbrouwen was een al even noordelijke specialiteit. Vandaar dat in 1542 drie Vlaamse meester-brouwers samen met een olieslager in Sevilla werden aangeworven voor Mexico. Maar de westerse drank sloeg niet aan zodat de brouwers terugkeerden of fortuin gingen zoeken in de nieuwe mijnstadjes. Een veelgebruikte verpakking waren tonnen, niet alleen voor levensmiddelen, maar ook voor buskruit, zwavelzuur en kwikzilver – onontbeerlijk voor het amalgameren van zilvererts. Vaten maken eiste heel wat vakkennis. Jorge de Bruxas (Brugge), van opleiding kuiper, reisde vijfmaal naar Amerika vooraleer zich voorgoed te vestigen in de rijke mijnstreek van Zacatecas, waar hij ook huwde. Naderhand verhuisde hij naar Mexico-stad, waar nog een paar Vlaamse kuipers werkten. Hier ontpopte hij zich tot kopstuk van de Vlamingen in de hoofdstad, zijn woning was een trefplaats voor kettersgezinden. Een echte zwerver was Alberto de Meye, een ongeletterde notariszoon uit Eeklo. Als veertienjarige leerde hij eerst de kuipersstiel in Orleans, fabriceerde dan vitriool in Jerez, scheepte daarna in op de vloot (1590), vestigde zich vervolgens als tonnenmaker in Mexicostad om te eindigen als leurder op Cuba. De kuipersloopbaan van de brouwerszoon Martín Días uit Diest liep over Antwerpen, Sevilla en Sanlúcar naar Veracruz. Ziek achtergebleven vestigde hij zich in de hoofdstad en trok herhaaldelijk naar Acapulco om er tonnen te vervaardigen voor de Spaanse galjoenen naar de Filippijnen. Veroveringsexpedities, militaire garnizoenen en pacificatiecampagnes onderhielden de vraag naar buskruit waarvoor salpeter en zwavel onmisbaar waren. Al in 1526 verdiende Pas de Buenaventura, afkomstig uit Kamerijk, in Mexico-stad zijn brood als polvorista (buskruitfabrikant). Daarnaast was hij monteur van horloges, haakbussen en geweren, een eigenaardige combinatie van ambachten. En in een buitenwijk van de hoofdstad produceerde Guillermo Enríquez uit Zwolle salpeter voor de aanmaak van buskruit. De mijnbouw groeide in Nieuw-Spanje – zoals de Spanjaarden Mexico noemden – al vlug uit tot de motor van de koloniale economie en moest de moederlandse schatkist met
zilver spijzen. Bij de ontginning werd noodgedwongen een beroep gedaan op ervaren vreemdelingen, Italianen en vooral Zuid-Duitsers, die ook Vlamingen in dienst namen. Zo werkte de Antwerpenaar Jan van Beringen tussen 1526–40 nabij de huidige zilverstad Taxco voor rekening van de Welser-firma uit Augsburg. In 1536–37 huurde de Vlaamse koopman Giles de Lagay vijftig indiaanse slaven voor de zilvermijn die hij ten zuiden van Toluca uitbaatte. Vlamingen manifesteerden zich zelfs als echte mijnbouwspecialisten die technologische vernieuwingen invoerden. Leuvenaar Gaspar Looman is de bekendste. In 1540 baatte hij nabij Santiago de Cuba zonder veel succes een kopermijn uit. Later dook hij op in het Mexicaanse mijndistrict Zultepec, waar de Duitser Lazarus Nürenberger een zilvermijn ontgon met behulp van noorderlingen, onder wie Diego Jacques uit Brugge. De vicekoning Mendoza verleende Looman in 1550 een zesjarig privilege voor zijn nieuwe procedé op basis van salpeterzuur om zilvererts te scheiden van het ganggesteente. Maar in 1555 lanceerde de Duitse metallurg Bartolomé de Medina een revolutionaire amalgamatiemethode met kwikzilver. Op zijn beurt verbeterde Looman nogmaals deze techniek zodat uiteindelijk de exclusieve rechten aan het duo Medina-Looman werden toegewezen. Deze laatste verwierf ook een kwikzilver-concessie, maar die leverde slechts een pover resultaat op. In 1576 kreeg Johan Capelein, een Vlaamse mijnwerker in Taxco, een twaalfjarig patent op zijn methode om het amalgamatieproces te versnellen en het dure kwikzilver te recupereren. Salpeter en vitriool waren onmisbaar om uit erts edele metalen te puren. In tegenstelling tot de indianen, die alleen laagovens met blaasbalgen gebruikten om zilvererts te smelten, bouwden de blanke mijnexperten verbrijzelinstallaties, aangedreven door waterkracht. Vooral dankzij chemische ingrediënten en nieuwe technieken verkregen ze een hogere en zuiverdere zilveropbrengst. Gregorio Miguel uit Nijmegen, een der eerste fabrikanten van agua fuerte (sterk water of salpeterzuur) leidde samen met zijn broer tussen 1587–99 een bedrijf voor salpeter-raffinage en goudextractie ten oosten van Texcoco. De gebroeders Juan en Guillermo Enríquez uit Zwolle runden rond 1600 een salpeterfabriek nabij het meer van
Zumpango. Ze hadden ten zuiden van Mexicostad ook een ertssmelterij waar ze salpeter en vitriool vervaardigden, samen met een drietal Vlaamse helpers. De Mexicaanse zilvergordels vertoonden in de loop van de tweede helft van de zestiende eeuw al uitputting en het vicekoninkrijk Peru werd vrij onverwachts de grootste producent. Vooral na de ontdekking (1545) van de Cerro Rico, (fig. 5, p. 16) de rijke zilverberg in Potosí (Bolivia) en kort daarna de vondst (1563) van een kwikzilvermijn in Huancavélica (Peru) nam de zilverwinning een hoge vlucht. Tussen 1549–85 werkte een tiental Vlaamse mijnuitbaters op de hoogvlakte (4070 m) van Potosí. Die Vlaamse pioniers lieten sporen na in de plaatsnamen, zoals de Veta de los Flamencos – een rijke zilverader – de Agua de los Flamencos – een prima waterbron – en de Vetilla de Diste, een kleine zilverader aangeboord door Guillermo de Diste, afkomstig uit Diest. Een wisselende carrière, maar wel steeds in de zilverbranche, doorliep Juan de Bruselas. Eerst was hij in Mexico actief (1535) maar rond 1540 verhuisde hij naar het veelbelovende Peru. Als zilversmid vervaardigde hij in Lima (1549) stadsstempels en miskelken. Als controleur van de zilversmeden ijkte hij er maten en gewichten. Na zijn ontslag trok hij naar de bergprovincie Charcas (nu Sucre), werkte in Potosí met een riant jaarloon als ensayador (ijker) van het zilvergehalte, maar raakte betrokken bij zilversmokkel via Buenos Aires en Braziliaanse havens. Dankzij medeplichtige rechters kon hij een dagvaarding vanuit Lima ongestraft naast zich neerleggen. Andere Vlaamse zilversmeden waren Pedro Rudolf uit Duinkerke die in Lima (ca. 1550) een winkel/atelier openhield; Miguel de Bruselas die in de vroegere Inca-hoofdstad Quito en in de nieuwe havenstad G uayaquil werkte (ca. 1580); en ten slotte Miguel de Obermolen uit Brussel die voor de onderkoning opdrachten uitvoerde (1639). Ofschoon Brazilië als Portugese invloedssfeer al vroeg (1494) officieel erkend was, kwam de kolonisatie laat en oppervlakkig op gang. Buiten brazielhout en exotische dieren (papegaaien, apen) had het land weinig te bieden. Maar Normandische smokkelvaarten en een mislukte Franse kolonie (1555–67) in de baai van Rio de Janeiro bedreigden de Por-
6 Op het eilandje Sâo Vicente liggen meerdere‘engenhos’ (suikermolens). De Antwerpse grootkoopman Erasmus Schetz verwierf er een suikerplantage die zijn naam (‘Erasmos’) behield. (Atlas de Teixeira Albornoz, 1640)
tugese aanspraken. Daarom organiseerde de kroon een grootscheepse expeditie (1530–33) die resulteerde in de kunstmatige opdeling van de kuststrook in een reeks capitanias. Dat waren een soort feodale lenen waarbij de begunstigden – die bijna nooit in Brazilië kwamen – grondconcessies (terras da sesmaria) voor verdere ontginning toekenden. Zo ontstonden op het kusteilandje São Vicente (vlak naast het huidige Santos) verschillende plantages (fig. 6). Zowel de suikerrietteelt als de productietechniek met engenhos (suikermolens) (fig. 7 p. 20) werden uit Madeira ingevoerd. Voor de bouw van de derde suikermolen (1534), een van de allereerste in Brazilië, werd een compagnie gevormd tussen vier Portugese vennoten en een Vlaamse handelaar uit Lissabon, Jan van Hilst, familiaal verwant met en commercieel agent van de Antwerpse grootkoopman Erasmus Schetz. In 1550 werden de erfgenamen Schetz de enige eigenaars, zodat de suikerplantage verder bekend bleef als de Engenho dos Erasmos. Door structurele tekortkomingen bleef het rendement ondermaats. Er waren de slecht presterende indiaanse slaven, het kapitaalgebrek, de bevoorradings- en transportproblemen, maar vooral het wanbeheer door een reeks bezoldigde
20 21
7 Een typische suikermolen in Holland-Brazilië (ca 1640) door Frans Post. Het aangevoerde suikerriet wordt geperst tussen draaiende cylinders, aangedreven door een waterrad. (Museum voor Schone Kunsten, Brussel)
geranten was problematisch. Twee vijandelijke plundertochten – een Engelse (Th. Cavendish, 1591–92) en een verwoestende Hollandse raid (J. van Spilbergen, 1615) – gaven de genadeslag. Toch bleef de suikermolen in de loop van de zeventiende eeuw nog verder brandewijn en minderwaardige bruine suiker voor plaatselijk verbruik leveren, uiteraard niet meer voor rekening van de familie Schetz. Vanaf ongeveer 1570 waren de Vlaamse suikerbelangen in Brazilië verschoven naar de nieuw opgekomen productiezones: de Recôncavo (Salvador de Bahia) en de Nordeste (Pernambuco) (fig.8). Sommige Flamengos werden er planter, zoals de Antwerpenaar Gaspar de Meer, wiens suikermolen eerst door de Portugezen en dan door de bezettende Hollanders in beslag werd genomen. Anderen waren boekhouders in dienst van Portugese Joden of werden zelf handelaars. Bij de inquisitievisitaties (1591–95 en 1618) werden allerlei Vlaamse kleine lui aangetroffen zoals soldaten, chirurgijns, smeden en zelfs bedelaars. In 1697 stond Spanje de westelijke helft – het huidige Haïti – van zijn eiland Hispañola af aan Frankrijk. Het door Spanje ontvolkte
gedeelte was al eerder door zeerovers ingepalmd en vervolgens door Franse gecontracteerden – de zogenoemde engagés – gekoloniseerd als Saint-Domingue. Om verdere Franse penetratie tegen te gaan wou Spanje het grensgebied – de facto een no man’s land – herbevolken en deed daarvoor een beroep op katholieke Vlaamse inwijkelingen. In 1699–1700 werden in verschillende Vlaamse steden (Gent, Brugge, Sint-Niklaas) kandidaat-immigranten geronseld. Het bureau Gent kende een massale belangstelling, want meer dan 1300 geïnteresseerden lieten er zich registreren. De overgrote meerderheid (90 procent) waren gezinnen met kinderen, de rest waren volwassen vrijgezellen. Maar het kolonisatieproject strandde op bureaucratisch getouwtrek. In de tweede helft van de achttiende eeuw kwamen in de Oostenrijkse Nederlanden koloniale investeringen opnieuw in trek. In 1768 stapte de Brusselse financier en brasseur d’affaires Julien Depestre samen met enkele Franse vennoten in een ontginningsproject in Frans-Guyana met de inzet van negerslaven. Ondanks dit fiasco kocht hij kort daarop een koffieplantage – Nouvelle Flandre geheten – op
8 Een suikerplantage in Pernambuco door Frans Post. In volgorde de slavenhutten, de ‘casa grande’ (plantershuis), het transport van suikerriet, ovens voor de kookketels en de suikerpers. (Joan Bleau, Atlas Mayor, 1665)
Saint-Domingue. Hij stuurde er achtereenvolgens twee geranten heen, de Duitser Senfft en zijn eigen neef Hector Depestre. Ook de graaf-diplomaat F.C. de Mercy-d’Argenteau was eigenaar (1776–94) van een suiker- en indigoplantage op hetzelfde eiland. Gebrekkige controle, hoge exploitatiekosten en de massale slavenopstanden vanaf 1791 gaven de doodsteek aan beide koloniale ondernemingen.
Handelaars: winkeliers, leurders en groothandelaars
Voor Vlaamse firma’s, gevestigd in Atlantisch Andalusië, betekende Spaans-Amerika een belangrijke afzetmarkt. Sommige grootexporteurs verwierven naturalisatiebrieven met inherent het recht op koloniale handel. Soms ging een partner op zakenreis, maar meestal vertrouwden ze hun koopwaar toe aan cargadores, handelaars meereizend op de vloten, in de regel Spanjaarden maar uitzonderlijk ook Vlamingen. In zulke hoedanigheid belandden Francisco van Bel, Lamberto Verhoeven en Simon de Coninck in Mexico. Jan Hapart die
schulden ging invorderen voor zijn vader, een houthandelaar in Sevilla, bleef eerst tijdelijk in Veracruz bij de winkelier Cornylles Flamenco hangen, maar bezweek (1566) aan koorts op weg naar Mexico-stad. De meeste Vlaamse handelaars in NieuwSpanje waren van klein kaliber. José de Cayser, aangekomen in 1536, baatte gedurende enkele jaren een winkel uit op het Zócalo, het hoofdplein van Mexico-stad (fig.9. p. 23). Later verhuisde hij naar het mijnstadje Zultepec en bracht het daar tot koninklijke schout. Op hetzelfde Zócalo kwam zelfs een Calle de los Flamencos uit, een straat waar duidelijk veel Vlamingen woonden. In 1606 installeerde Juan Ramos uit ’s Hertogenbos er zich onder de arcades-galerij. In Veracruz huurde Juan Geraldo een magazijn om er een soort bazaar open te houden. Naast de hoofdstad en de havens, boden vooral de opkomende mijncentra een koopkrachtig clientèle. Ook ambulante handelaars deden die ‘paddenstoelstadjes’ aan. Juan Dionisio, uit Vlaamse ouders geboren in Cádiz,
22 23
had als thuisbasis Pachuca, waar hij bij een indiaanse concubine verschillende kinderen kreeg. Regelmatig ging hij zich bevoorraden in de hoofdstad en leurde rond met een muilezelkaravaan, vergezeld van een inlandse helper. Hij sleet zijn koopwaar in de mijnstadjes, maar ook op de tianguis, de inlandse markten. Af en toe vormden er zich commerciële vennootschappen. Juan del Monte, alias Jan Vandenberghe, en Juan Augustin, beiden afkomstig uit dezelfde streek in Vlaanderen, belandden rond 1605 in Mexico. Ze begonnen elk een kleine zaak, respectievelijk in Yuriria en in de hoofdstad. In 1612 gingen ze een compagnie aan waarin Jan Augustijn duidelijk de mindere partner was. Hij bracht slechts een kwart van het bedrijfskapitaal in en bleef verder de winkel in de landstreek Michoacán openhouden. Zijn vennoot daarentegen, omdat die de Tarasken-taal sprak, reisde het binnenland af en dreef leurhandel in de mijnsteden. Een gelijkaardig associatieakkoord sloten Bernardo Álvarez, een kleermaker uit Amsterdam en Bernardo de la Cruz. Als ambulante handelaars bereisden ze de westkust (Acapulco) waar ze cacao opkochten. Sommigen schopten het nog verder. Juan de Torres, aangekomen in 1584, kocht bij de onderkoning een verblijfsvergunning af, werd niettemin gedeporteerd, maar kreeg toch een naturalisatieakte (1618). Uit zijn inventaris bleek dat hij een aanzienlijke hoeveelheid onroerend goed bezat: in Coyoacán, even buiten de hoofdstad, lagen huizen met tuinen, enkele boomgaarden en meerdere zaaipanden. Ook de oud-scheepschirurgijn Juan Rangel had waardevol vastgoed weten te verwerven (1619) bestaande uit woningen en magazijnen in Mexico-stad en Puebla. De meeste Vlaamse handelaars vestigden zich in Lima. Er was de nabijheid van de haven Callao en de blanke bevolkingsconcentratie in de nieuwe hoofdstad zorgde voor een belangrijk klantenpotentieel. Het was ook de residentie van de vicekoning en de zetel van bestuursinstellingen. Francisco de la Cruz (Frans Van de Cruyce) was duidelijk geïntegreerd en op de sociale ladder gestegen als majordomus van het Spaanse hospitaal en thesaurier van een weeshuis. De Antwerpenaar Roberto Corbet, geruggensteund door familiale zakenrelaties in Sevilla, maakte rond 1570 fortuin in Lima. Hij
nam er zijn stadsgenoot, de zilversmid Francisco de Estrada (Frans van der Herstraeten) in dienst. Deze laatste huwde (1572) een koopmansdochter met een aanzienlijke bruidsschat, kocht een huis en liet het nog duurder verbouwen. Hij onderhield niet alleen handelscontacten met landgenoten in Cuzco en Cochabamba, maar zelfs briefwisseling met het thuisfront. Daarin klaagde hij over de lastige levensomstandigheden in het verre Lima: het dure leven, een pokkenepidemie en knagende heimwee naar Vlaanderen. Van een verhoopt thuisbezoek kwam niets terecht. In omgekeerde richting reisden zelfs een paar Vlaamse peruleros als ambulante kooplui naar Spanje. Dat kwam neer op een jarenlange en levensgevaarlijke heen- en terugtocht: eerst met de Pacific-zilvervloot naar Panama, dan de helse oversteek van de landengte en ten slotte met het galjoenenkonvooi via Havana naar Sevilla of Cádiz. Omdat ze met weinig waren, bij gebrek aan eigen ‘nationale’ organisaties zoals in Laag-Andalusië en ongetwijfeld vanwege hun Vlaamse achtergrond, kregen Flamencos in Peru twee soorten problemen te verwerken. De infiltratie van Hollandse schepen in de Mar del Sur (‘Zuytzee’ of zuidelijke Pacific) en vooral de raid (1594) door de Engelse kaper Richard Hawkins op Callao – waarbij trouwens een paar Vlaamse zeelui gevangen raakten – deed verdenkingen rijzen over spionage voor of collaboratie met de vijand. Zonder inwijkingslicentie vielen de Flamencos onder het uitwijzingsdecreet, afgekondigd in 1591. Als alternatief voor het illegale vreemdelingenstatuut bood de composición – verblijfsvergunning in ruil voor pardongeld – een enige kans. Tussen 1594–97 werden minstens zeventien Flamencos geregulariseerd die zowel in Peru (Lima, Potosí) als in het huidige Ecuador (Quito, Guayaquil) onwettig verbleven. Ook de reeds vermelde Francisco de Estrada moest afdokken, samen met twee kleermakers, een herbergier, een kousenmaker, een lakei, een paleiswachter en een lansier. Deze beide laatste militaire beroepen zijn ietwat verwonderlijk. Want hoewel soldaten of kanonniers dikwijls hun gratis overtocht misbruikten voor desertie, waren meerdere Vlamingen in overheidsdienst – toch een ‘beschermd’ milieu – in Peru terechtgekomen. Een zekere Guillermo,
9 Panoramisch zicht (1695) op het ‘Zócalo’ in Mexico-Stad, het hoofdplein met zowel vaste en overdekte als losse marktkramen in openlucht. (Methuen Collection, Corsham Court)
Hans en Felipe, allen enkel als Flamenco geregistreerd, alsook de schilder Esteban de Heredia, waren rond 1550–60 respectievelijk als lijfwacht, dienaar, eresaluut-schutter en trompetter door toekomstige vicekoningen aangeworven. Ook op Vlamingen die van protestantisme werden verdacht werd jacht gemaakt. De bisschoppelijke inquisitie bracht de ketter Juan Millau in Lima (1548) op de brandstapel. Het koninklijke inquisitietribunaal, geïnstalleerd in 1569, sprak dezelfde doodstraf uit tegen
een Brusselse zilversmid – een overtuigde ketter – en tegen een kleermaker als hervallen lutheraan. Twee andere slachtoffers werden als ontoerekenbaar opgesloten in een asieloord of voor heropvoeding geïnterneerd in een klooster. In totaal ging het om een tiental veroordelingen, die samen een staalkaart van beroepen (handelaar, winkelier, chirurgijn, schoenmaker, salpeterfabrikant en zeeman), van herkomst (Antwerpen, Brussel, Amsterdam en Goes) en van woonplaats (Potosí, Cuzco, Sana en Cali) vertegenwoordigden.