De val van een engel
kat ie ve lghe
De val van een engel
Lessugesties bij dit boek kunt u terugvinden op www.lannoo.be/de-val-van-een-engel www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverbeeld www.shutterstock.com Coverontwerp Studio Lannoo Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2013 ISBN 978 94 014 0965 0 D/2013/45/487 NUR 283/284
448
Voor Jesse en Jozefien
Leg dat boek nu maar neer, en kom met me mee. Niet bang zijn, je weet toch dat ik van je hou? We lopen gewoon tot op het plein. Ga hier even zitten. Ja, zo. Leun achterover en kijk. En vertel me wat je ziet. Ja, natuurlijk zie je lichtjes en kraampjes en vrolijke mensen – je moet beter kijken. Ik wéét dat die meisjes pret hebben om niets, en dat die man denkt dat iemand hem volgt. Ik weet zelfs al of hij wordt gevolgd, en door wie. Je moet béter kijken. Zie je hen niet? Ze lopen achter alle mensen aan – als trouwe, witte schaduwen – zie je hen echt niet? Ze zijn met zovelen. Engelen. Kon je hen maar zien. Kon je mij maar zien. Je zou volmaakt gelukkig zijn – en ik ook. Maar je zoekt geen volmaaktheid, is het niet? Stop er maar mee, doe geen moeite meer. Vergeet me, drink je drankje, geniet van de muziek. Misschien is het beter zo. Misschien zou alles hopeloos in de war geraken als een mens zomaar engelen zag. Net zoals het misliep toen die ene engel zo graag mensen zag. Doodgraag. Je weet het niet meer. Maar ik weet het nog. Ik zal zijn naam nooit vergeten, Pepijn.
Deel 1
Als kat en muis
Hoofdstuk 1
Een Cirkel van Vuur
De kat was klaar voor de sprong. Ze hing laag tegen de grond, haar schonkige lijf opgespannen tot één enkele lijn, met daarin de hoek van haar schouderbladen. Ze zag niets meer, behalve die ene muis – maar daarvan zag ze alles. Vier trippelende pootjes, heen en weer in het hooi. Een uitdagend zwiepende staart en trillende snorharen. En dan dat warme, malse lijfje, glanzend in het donker van de nacht. Langzaam veerde de kat naar achteren. In de verte begon een klok te slaan. Het muisje verstijfde, en stak zijn bleke neus in de lucht. Maar de wind bracht geen nieuwe geur: er was alleen maar weiland en mest en vochtige aarde. Het diertje ging verder met zijn gescharrel en alles, zelfs het gras en de wind, hield eventjes zijn adem in. Plots klonk vlakbij een meisjesstem. ‘Lucas, kom eens hier met die zaklamp! Zeg, Lucas, ik vraag je wat!’ De kat schrok, blikte schuw achter zich. Toen ze opnieuw naar het hooi keek, was de muis verdwenen. Een lichtbundel flitste over de grashalmen. Met haar oren plat in haar nek droop de kat af. Soms – heel soms – wint de muis. ‘Oh nee!’ riep het meisje weer. Haar stem klonk hoog en helder en vooral vreselijk verontwaardigd. ‘Het is al te laat! Ik ben er al in getrapt! Shit!’ ‘Over shit gesproken…’ grinnikte een jongen, terwijl hij zijn zaklamp op de voeten van het meisje richtte.
10
‘Oh, dus jij vindt dit gráppig?’ Pepijn keek over zijn schouder. Hij zuchtte. Hanne en Lucas snapten het niet. Ze snapten het echt niet. Ze gedroegen zich alsof ze op schoolreis vertrokken of zo. ‘Kunnen jullie echt niet wat stiller zijn?’ vroeg hij. ‘Ze horen ons vast tot in Engeldonk.’ ‘Maar Lucas licht me niet goed bij!’ sputterde Hanne. ‘Jij hebt toch ook een zaklamp!’ verdedigde Lucas zich. ‘Ja, zeg, die zit helemaal onderaan in mijn rugzak!’ ‘Stil nu, we zijn er bijna’, zei Pepijn en hij liep verder de helling op. Plots bleef hij staan en wees naar een schuurtje. Zijn hart bonsde in zijn keel – en dat had niet alleen met de steile klim te maken. ‘Dáár hebben we afgesproken’, knikte hij. ‘Dáár?’ echode Hanne. ‘Ik denk dat wij de eersten zijn’, zei Lucas. ‘Het ziet er nogal... donker uit.’ Er was inderdaad geen teken van leven rond het schuurtje. Alleen de deur stond half open en bewoog een beetje in de wind. Het piepende geluid was tot bij hen te horen. Hanne maakte een grimas. ‘Dat belooft,’ snoof ze, ‘als de reis in zo’n krot begint!’ ‘Je hoeft niet mee te gaan, Hanne’, reageerde Pepijn snel. ‘Jullie kunnen nog terug, allebei...’ ‘Dat liedje ken ik al, Pep.’ ‘Maar…’ ‘Kom, laten we binnen verder praten’, zei Lucas, terwijl hij naar het bos achter het schuurtje staarde. ‘Iedereen kan ons hier zien.’ ‘Oh ja, er staan wel drie koeien naar ons te kijken! Boe!’ spotte Hanne, maar ze volgde de jongens toch op de voet toen die het laatste stukje weide overstaken.
11
Pepijn duwde de deur van de schuur verder open en bleef toen staan. Het was er stikdonker. ‘Martinus? Stefanaël?’ vroeg hij gespannen. ‘Kom toch binnen!’ kwam een zware mannenstem vanuit een hoek. ‘En sluit die deur achter je!’ voegde een andere stem eraan toe. Pepijn haalde opgelucht adem. Martinus en Stefanaël waren op post. ‘Waar is het Vuur?’ vroeg hij, terwijl hij een paar stappen naar voren zette. Als antwoord was er het geluid van een ritssluiting die openging. In het schuurtje gloeide een rossig licht op. Er zaten twee mannen op een baal stro. Tenminste, op het eerste gezicht leken het mannen. Ze leken ook op elkaar, als twee druppels water. Ze waren allebei kalend, droegen allebei een bril met een ouderwets hoornen montuur en hadden allebei een stevige onderkin. Maar daar stopte alles wat hen op gewone mannen liet lijken. Onder die kin begon een glanzend kleed, dat tot hun blote voeten reikte. En dan hadden ze ook nog eens een paar grote, witte engelenvleugels. Pepijn leek dat allemaal niet vreemd te vinden. Hij had enkel oog voor de tas die een van hen vasthield en waarin iets zat dat een flakkerend licht verspreidde. ‘Ik dacht al dat er iets gebeurd was’, zei de engel met de tas. ‘We hadden toch afgesproken om middernacht? Een fatsoenlijke engel is altijd op tijd, Pepijn! Je begint steeds meer op een mens te lij…’ ‘We zijn er nu, Martinus’, onderbrak Pepijn hem. ‘Trek alsjeblieft die Vuurcirkel.’ Plots klonk buiten een langgerekte schreeuw. In drie tellen was Pepijn terug bij de deur en gooide ze open.
12
‘Pep? Wat zie je?’ siste Hanne. ‘Niks aan de hand,’ deed Pepijn luchtig, ‘het was vast een kat of zo.’ Hij bleef toch nog even in de deuropening staan en liet zijn ogen over de omgeving gaan: weilanden en heuvels en stikdonkere nacht. In het dal voor hem lag het stadje Engeldonk, Hannes en Lucas’ thuis, en al bijna vier jaar ook het zijne. Hier en daar straalde nog een streepje licht, maar de meeste huizen rustten in het donker, ergens tussen sluimer en slaap. ‘Ik kom terug’, beloofde Pepijn in stilte. ‘Ik zal het Gezang vinden en dan kom ik terug…’ Hij haalde diep adem. Alleen al door te dénken aan het Gezang voelde hij zich heel wat beter. Alle engelen wisten hoe kostbaar deze steen was, waarin de allermooiste muziek van de allermooiste engelen gestold was. Wie het Gezang droeg, kreeg zomaar een overvloed aan adem en kracht en leven. En de hemel wist hoe hij dat nodig had nu. Plots baadde de vallei in een koud, bleek licht. De maan had een opening gevonden tussen de wolken en er tekende zich een halo af. Het was het enige wat kleur had in de nacht, een ring van heel donker rood – de kleur van oud bloed. Pepijn huiverde. Waarom dacht hij nu aan bloed? Hij trok de deur dicht. Dit was een goede nacht om te vertrekken. Toch om daarheen te vertrekken. Naar het Land Dat Niet Is. ‘We zijn klaar’, zei hij. Martinus tilde een buidel uit de tas. Bovenaan zat een uitstulping die was afgesloten met een metalen hoedje, als bij de tuit van een fluitketel. Alhoewel de buidel volledig gesloten was, straalde het vurige licht er toch doorheen. ‘Hoe komt het dat dit Vuur niet uitgaat?’ vroeg Lucas. ‘Het krijgt helemaal geen zuurstof !’ Hanne grinnikte.
13
‘Weet je wat, Lucky?’ zei ze. ‘Zoek het eens op als we terug…’ Ze zweeg abrupt toen Martinus de metalen dop weghaalde, want meteen baadde de hele schuur in een oranje gloed, bijna zo fel als het zonlicht. Hanne en Lucas sloegen hun handen voor hun ogen en deinsden achteruit. Martinus hield de buidel een beetje scheef en het Vuur liep in een straal naar beneden, alsof het gesmolten goud was. Langzaam trok hij een cirkel op de grond. De vlammen laaiden op en verspreidden een verschroeiende hitte. ‘Pfff ’, blies Hanne, terwijl ze door haar vingers gluurde. Het Vuur reikte wel een halve meter hoog. ‘Is er echt geen andere manier om in dat land te geraken?’ ‘Volgens mij heeft ze een punt’, zei Lucas en hij ging nog wat dichter bij de deur staan. Zijn ogen flitsten naar de balen stro tegen de wanden van het schuurtje. ‘Straks staat alles in de fik. Dit is… onverantwoord.’ Pepijn knikte. ‘Je gaat maar beter naar huis, Lucas’, zei hij. ‘En Hanne ook. Dit is geen mensenspel.’ ‘Alsjeblieft, Pepijn!’ sakkerde Martinus. ‘Hier hebben we geen tijd voor! Gaan de stervelingen mee naar het Land Dat Niet Is, ja of nee?’ ‘Natuurlijk gaan we mee’, viel Hanne uit, voor Pepijn kon antwoorden. ‘Pep is onze beste vriend! Jullie weten maar al te goed wat er met hem gebeurt als hij dat Gezang niet vindt. Het is gewoon… ik had me die Vuurcirkel ánders voorgesteld. Wat minder hoog en warm en… eh, vurig.’ ‘Wij zullen jullie wel dragen’, glimlachte Stefanaël. ‘Jullie zullen je niet verbranden.’ ‘Jullie zijn maar met twee, wij met drie’, rekende Lucas snel. ‘Pepijn is nog engel genoeg om gewoon door het Vuur te gaan’, zei Martinus. ‘Ja toch, Pepijn?’ ‘Natuurlijk.’
14
Pepijn was vlak bij de vlammen blijven staan. Hij dwong zichzelf om, net als Martinus en Stefanaël, niet te knipperen tegen het felle licht, maar zijn ogen traanden. En in zijn hoofd tolden de gedachten door elkaar. Was hij nog wel engel genoeg? Hij had allang geen aureool meer. Zijn witte gewaad had hij moeten ruilen voor een T-shirt en spijkerbroek, nu hij net zo zichtbaar was als een gewone sterveling. Hij kon niet meer door een muur lopen zonder zijn huid open te halen. Vliegen ging steeds moeilijker. En stiekem was hij doodsbang voor dat Vuur aan zijn voeten. ‘Desnoods vlieg ik erover’, zei hij toen hij merkte dat Hanne hem ongerust aankeek. ‘Je hebt geen vleugels meer’, zei ze. ‘Ik heb ze wel nog’, reageerde Pepijn fel. ‘Jij kunt ze alleen niet meer zien!’ Onwillekeurig tastte hij op zijn rug. Ze waren er nog, gelukkig. Martinus schraapte zijn keel. ‘Dus iedereen is klaar om te vertrekken?’ vroeg hij. Pepijn knikte. Hij liet zijn rugzak wat lager zakken, zodat die zijn vleugels niet in de weg zou zitten. ‘Ik draag het meisje wel’, zei Martinus. ‘Dan draag ik jou’, zei Stefanaël en hij schonk Lucas een brede glimlach, die niet werd beantwoord. ‘Snel, voor het dak in brand vliegt!’ waarschuwde Martinus. Iedereen zette zich schrap. ‘Wacht!’ riep Stefanaël. ‘We moeten op precies hetzelfde moment springen! Regel 114A bij Reizen naar Andere Werelden: Neem je gezel mee in ’t avontuur, want na één sprong dooft het Vuur.’ ‘Ja, ja, dacht je dat ik dat niet wist?’ bromde Martinus. ‘Oké, ik tel tot zeven. Eén, twee…’ ‘Waarom tot zeven?’ vroeg Stefanaël. ‘Waarom niet?’
15
‘Mensen tellen meestal tot drie.’ ‘Ja, en? Zijn wij soms mensen? Eén, twee, drie, vier…’ Op dat moment vloog de deur achter hen open. Nog voor Pepijn zich helemaal had kunnen omdraaien, kreeg hij een mokerharde vuistslag in het gezicht. Het bloed spoot uit zijn neus en hij tuimelde achterover tegen Martinus. Hij hoorde Hanne gillen. ‘Hou hem tegen!’ Dat was Martinus’ stem. Pepijn krabbelde overeind en zag nog net een jongen in de kring van Vuur springen. Hij schreeuwde het uit toen de vlammen zijn voeten raakten, het volgende moment doofde het Vuur. ‘Néé!’ riep Pepijn en hij sprong naar voren. Er was alleen nog een cirkel roodgloeiende as. En in die cirkel was helemaal niemand. ‘Wat… wat is er gebeurd?’ kreunde Hanne. Ze lag languit op de grond en tilde haar hoofd moeizaam op. Stefanaël stond als aan de grond genageld, nog met Lucas in zijn armen, en staarde naar de cirkel. ‘Je kunt me wel neerzetten’, mompelde Lucas. ‘Maar wie… wat…’ stamelde Pepijn. Hij veegde zijn neus af aan zijn mouw, maar het bloed bleef stromen. ‘Dat was Seppe’, zei Lucas zacht. Hij haalde diep adem. De verbijstering op zijn gezicht maakte langzaam plaats voor onverholen afkeer. ‘Sjeppe?’ herhaalde Pepijn en hij spuwde het bloed uit dat tussen zijn lippen liep. ‘Ben je daar wel zeker van?’ vroeg Hanne. ‘Oh, Pep, je neus… hier, neem mijn zakdoek.’ ‘Ik herken mijn broer heus wel wanneer ik hem zie’, snauwde Lucas. Pepijn liep naar de plaats waar Seppe was verdwenen.
16
‘Ik had het nog zo gezegd’, mopperde Martinus, die zo waardig mogelijk van tussen de balen stro opdook. ‘Let goed op of niemand jullie volgt! En kijk nu! Al ons kostbare, hemelse Vuur is weg!’ ‘Ik heb het ook nog zo gezegd’, bromde Stefanaël. ‘Tel tot drie. En er zit stro in je haar.’ Eén voor één kwamen ze naast Pepijn staan en staarden naar de restanten van de cirkel op de grond, waarvan de gloed snel verminderde. ‘Wel, deze Vuurcirkel zal niemand nog naar een andere wereld sturen’, zei Stefanaël berustend. ‘Verdomme’, mompelde Pepijn, half gesmoord in de zakdoek. ‘Stil, Pepijn,’ schrok Martinus, ‘een engel vloekt niet!’ ‘Verdomme!’ herhaalde Pepijn luider en hij schopte tegen de cirkel waarin hij had willen vertrekken. Waarin hij had moeten vertrekken. De as stoof alle kanten op.
17