Skip to main content

9789401407908_0

Page 1

DAGVLINDERS in

VLAANDEREN

nieuwe kennis voor betere actie


referentie  Maes, D., Vanreusel, W. & Van Dyck, H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv. D/2013/45/89 - ISBN 978 94 014 0790 8 – NUR 432, 942 vormgeving cover en binnenwerk  Keppie & Keppie © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt., 2013. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be


DAGVLINDERS in

VLAANDEREN

nieuwe kennis voor betere actie Dirk Maes   Wouter Vanreusel   Hans Van Dyck

inbo

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


voorwoord

VOORWOORD Over heel de wereld zijn dagvlinders geliefd bij jong en oud vanwege hun fragiele schoonheid. Ze worden geassocieerd met bloemenpracht, mooie landschappen en zonnige weersomstandigheden. Voeg daar nog hun uitstekende indicatorwaarde voor natuur- en milieukwaliteit aan toe en je hebt de ideale groep om aan natuurbeleving, -behoud, -beheer en -studie te doen. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat ook heel wat andere, minder gekende en minder geliefde soorten voordeel kunnen halen uit maatregelen voor dagvlinders. In een vorig vlinderboek van dezelfde auteurs, nu 14 jaar geleden, werd Vlaanderen Europa’s worst case scenario genoemd vanwege het grote aantal uitgestorven en achteruitgaande soorten. Vandaag gaat het met sommige soorten beter en zijn er door de klimaatverandering zelfs nieuwe soorten opgedoken. Maar ondanks gerichte lokale beheeracties blijven andere soorten verder achteruitboeren. Het vorige vlinderboek heeft dagvlinders in Vlaanderen letterlijk en figuurlijk op de kaart gezet. Na de publicatie ervan werden in heel wat beheerplannen gerichte maatregelen voor dagvlinders opgenomen en zagen verschillende projecten met dagvlinders als vlaggenschip het licht. In dit boek brengen de auteurs, zoals de ondertitel Nieuwe kennis voor betere actie terecht doet vermoeden, een overvloed aan recente kennis en nieuwe inzichten over dagvlinders samen. Daarbovenop laat de grote hoeveelheid gegevens die via het dataportaal www.waarnemingen.be door duizenden vrijwilligers ver-

zameld werd, toe om wetenschappelijk onderbouwde en gedetailleerde analyses over trends, verspreidingspatronen en kansen voor het behoud van dagvlinders in Vlaanderen uit te voeren. Op de meest recente Rode Lijst staan niet langer alleen zeldzame specialisten van typische biotopen, maar vinden we nu ook sterk achteruitgaande soorten die voorheen algemeen waren. De goede samenwerking met veel Europese collega’s maakte het eveneens mogelijk om voor de huidige én nog te verwachte soorten de geschiktheid van het toekomstige klimaat in België in te schatten. De nieuwe kennis en de vernieuwende analyses in dit boek bevestigen de noodzaak voor gerichte maatregelen voor dagvlinders, zowel binnen, maar vooral ook buiten natuurgebieden. Bovendien laten de vele gedetailleerde gegevens toe om aan te duiden waar in Vlaanderen deze maatregelen het meest kansrijk zijn. De inbreng van de ervaringen van vele vrijwilligers en professionelen via tekstboxen maken dit boek tot een voorbeeld voor anderen in het behoud van dagvlinders en biodiversiteit in het algemeen. Beleidsmakers, beheerders en vele andere actoren worden aan de hand van 36 concrete punten aangezet tot actie voor dagvlinders. Een heuglijk feit is alvast dat onlangs in het Vlaams Parlement een resolutie omtrent het in stand houden van dagvlinders in Vlaanderen goedgekeurd werd. Dit boek is een schitterend voorbeeld van een positieve samenwerking tussen vrijwilligers, organisaties, wetenschappers en overheden. Het toont hoe vele partij-

5


6

dagvlinders in vlaanderen

en een cruciale rol spelen in het behoud van dagvlinders en reikt ideeĂŤn en acties aan waarmee iedereen kan bijdragen tot het behoud van deze prachtige insecten in Vlaanderen, BelgiĂŤ en Europa. Doen!

Prof. Dr. Miguel L. Munguira Voorzitter Butterfly Conservation Europe Dr. Martin Warren Vicevoorzitter Butterfly Conservation Europe

Spaans bloemenblauwtje


inhoud

INHOUD Voorwoord 5 Dank in veelvoud! 7 1 Inleiding 11 1.1 Dagvlinders en de samenleving 1.2 Dagvlinderonderzoek 1999-2013 1.3 Nieuwe kennis voor nieuwe uitdagingen

13 25 33

2 Recente inzichten in de ecologie van dagvlinders 35 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Het leefgebied van een dagvlinder: een kwestie van ecologische hulpbronnen Het milieu van de natuur Groene netwerken Dagvlinders in een veranderend klimaat Dagvlinders als indicatoren Conclusie

37 59 71 95 100 109

3 Cijfers en trends – meten met kennis van zaken 111 3.1 3.2 3.3

Dagvlinders onderzoeken: naamgeving, standaardlijst en gegevens Rekenen met vlinders: het modelleren van de potentiële verspreiding van een soort Kennis uit de vakliteratuur

113 125 126

4 De toestand van dagvlinders in Vlaanderen 127 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Een nieuwe balans Een nieuwe IUCN Rode Lijst dagvlinders Oorzaken van de veranderingen Van bedreiging naar behoudsprioriteiten Van soorten naar gebieden Van soorten naar biotopen

129 138 144 154 158 164

5 Soortbesprekingen 177 5.1 Toelichting bij de soortbesprekingen 5.2 Standvlinders, te verwachten soorten en regelmatige trekvlinders 5.3 Zwervers, dwaalgasten en adventieven

179 184 374

6 Dagvlinders zonder grenzen 383 6.1 6.2 6.3 6.4

De situatie in Wallonië De toestand in onze buurlanden Dagvlinders in Europa Dagvlinders globaal

385 391 393 396

9


10

dagvlinders in vlaanderen

7 Actie voor dagvlinders: van bloem tot landschap 399 7.1 7.2 7.3 7.4

Algemene principes voor een vlindervriendelijk beheer van natuur en bos Doe de vlindertoets! Naar een landschap vol vlinders Soortgerichte maatregelen

402 420 435 459

8 Dagvlinders in 2020: Vlaanderen in actie? 471 8.1 8.2 8.3 8.4

Balans na twee dagvlinderboeken Dagvlindercrisis: business as usual of een nieuw plan van aanpak? Prioriteiten voor een betere aanpak en kennishiaten Pleidooi voor een actieprogramma: dagvlinders en biodiversiteit in 2020

472 472 479 504

9 Literatuurlijst 507 Lijst met afkortingen 528 Summary 529 ResumĂŠ 530 Lijst van de waarnemers 532 Fotoverantwoording 535 Index 537 Partners 539 Wie zijn de auteurs? 541


3

Cijfers en trends

meten met kennis van zaken


3

Sinds de publicatie van het vorige Vlaamse dagvlinderboek (Maes & Van Dyck 1999) is er veel veranderd in de vlinderwereld. De taxonomie van de Europese dagvlinders is grondig onder de loep genomen, het digitaal dataportaal www.waarnemingen.be zag het licht en ook methodologisch zijn er veel nieuwe mogelijkheden bijgekomen om met verspreidingsgegevens aan de slag te gaan. Dit hoofdstuk biedt een kort overzicht van deze veranderingen en we bespreken hier de herkomst en de volledigheid van de gegevens die we gebruiken in dit vlinderboek.

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

3.1. Dagvlinders onderzoeken: naamgeving, standaardlijst en gegevens 3.1.1 Recente naamswijzigingen bij de Vlaamse dagvlinders In de vlinderatlas van Maes & Van Dyck (1999) volgden we nog de taxonomie van Karsholt & Razowski (1996). Recent werd de taxonomie van alle Europese dagvlinders echter grondig herzien (www. faunaeuropaea.org), onder meer voor de opmaak van de Europese Rode Lijst dagvlinders (van Swaay e.a. 2010a) en de nieuwe Europese verspreidingsatlas (Kudrna e.a. 2011). Hierdoor veranderde in Vlaanderen de wetenschappelijke naam van negen soorten (Tabel 3.1).

Tabel 3.1  Recente naamswijzigingen in de wetenschappelijke namen van de Vlaamse dagvlinders. De veranderingen ten opzichte van het vorige dagvlinderboek (Maes & Van Dyck 1999) zijn onderlijnd. Nederlandse naam

Oude wetenschappelijke naam

Huidige wetenschappelijke naam

Dagpauwoog

Inachis io (linnaeus, 1758)

Aglais io (linnaeus, 1758)

Eikenpage

Neozephyrus quercus

Favonius quercus (linnaeus, 1758)

(linnaeus, 1758) Gentiaanblauwtje

Maculinea alcon

Phengaris alcon

(denis & schiffermüller, 1775) (denis & schiffermüller, 1775) Groot dikkopje

Ochlodes venata

Ochlodes sylvanus (esper, 1777)

(bremer & grey, 1853) Heideblauwtje

Plebeius argus (linnaeus, 1758)

Plebejus argus (linnaeus, 1758)

Klaverblauwtje

Polyommatus semiargus

Cyaniris semiargus

(rottemburg, 1775) (rottemburg, 1775) Oranje luzernevlinder

Colias croceus (geoffroy, 1785)

Colias crocea (geoffroy, 1785)

Pimpernelblauwtje

Maculinea teleius

Phengaris teleius

(bergsträsser, 1779) (bergsträsser, 1779) Vals heideblauwtje

Plebeius idas (linnaeus, 1761)

Plebejus idas (linnaeus, 1761)

113


114

dagvlinders in vlaanderen

Ook bij de Nederlandse namen zijn twee soorten van naam veranderd: de Adippevlinder heet tegenwoordig Bosrandparelmoervlinder en de Akkerparelmoervlinder wordt nu Paarse parelmoervlinder genoemd (Wynhoff e.a. 2009). Deze nieuwe namen werden in Nederland overeengekomen tijdens een bijeenkomst van Nederlandse entomologen (van Swaay & Vliegenthart 2010).

bestaat, ofwel gecontroleerde collectieexemplaren voorhanden zijn, voornamelijk afkomstig van het KBIN in Brussel en de Landbouwfaculteit in Gembloux. Standvlinders zijn gedurende minstens tien opeenvolgende jaren het gehele jaar in Vlaanderen aanwezig of aanwezig geweest. In Vlaanderen beschouwen we 67 soorten als standvlinder. Sommige daarvan worden in bepaalde regio’s van Vlaanderen enkel als zwerver waargenomen (Tabel 3.2).

3.1.2 Standaardlijst van de Vlaamse dagvlinders De standaardlijst van de Vlaamse dagvlinders bestaat uit alle soorten die ooit in Vlaanderen gemeld werden en waarvan ofwel betrouwbare literatuur

Tabel 3.2  Standaardlijst van de Vlaamse standvlinders. (Z) = in sommige delen van Vlaanderen is deze soort enkel waargenomen als zwerver; (T) = de soort is een standvlinder, maar wordt aangevuld door migranten in de zomer. Bij uitgestorven standvlinders staat het vermoedelijke jaar van uitsterven vermeld. Bij enkele soorten vermelden we ook vaak gebruikte synoniemen. Dikkopjes  Hesperiidae (11) Aardbeivlinder  Pyrgus malvae (linnaeus, 1758) Bont dikkopje  Carterocephalus palaemon (pallas, 1771) Bretons spikkeldikkopje  Pyrgus armoricanus (oberthür, 1910) † 1952 Bruin dikkopje  Erynnis tages (linnaeus, 1758) Geelsprietdikkopje  Thymelicus sylvestris (poda, 1761) Groot dikkopje  Ochlodes sylvanus (esper, 1777)[= O. venata (bremer & grey, 1853); = O. faunus (turati, 1905)] Kaasjeskruiddikkopje  Carcharodus alceae (esper, 1780) Kalkgraslanddikkopje  Spialia sertorius (hoffmannsegg, 1804) † 1937 Kommavlinder  Hesperia comma (linnaeus, 1758) Spiegeldikkopje  Heteropterus morpheus (pallas, 1771) † 1995 Zwartsprietdikkopje  Thymelicus lineola (ochsenheimer, 1808) Grote pages  Papilionidae (1) Koninginnenpage  Papilio machaon linnaeus, 1758 Witjes  Pieridae (7) Boswitje  Leptidea sinapis (linnaeus, 1758) Z Citroenvlinder  Gonepteryx rhamni (linnaeus, 1758)


3

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

Groot geaderd witje  Aporia crataegi (linnaeus, 1758) † 1960, Z Groot koolwitje  Pieris brassicae (linnaeus, 1758) Klein geaderd witje  Pieris napi (linnaeus, 1758) Klein koolwitje  Pieris rapae (linnaeus, 1758) Oranjetipje  Anthocharis cardamines (linnaeus, 1758) Blauwtjes  Lycaenidae (16) Boomblauwtje  Celastrina argiolus (linnaeus, 1758) Bruin blauwtje  Aricia agestis (denis & schiffermüller, 1775) Bruine eikenpage  Satyrium ilicis (esper, 1779) [= Nordmannia ilicis (esper, 1779)] Bruine vuurvlinder  Lycaena tityrus (poda, 1761) Dwergblauwtje  Cupido minimus (fuessly, 1775) Eikenpage  Favonius quercus (linnaeus, 1758) [= Neozephyrus quercus (linnaeus, 1758); = Quercusia quercus (linnaeus, 1758)] Gentiaanblauwtje  Phengaris alcon (denis & schiffermüller, 1775) [= Maculinea alcon (denis & schiffermüller, 1775)] Groentje  Callophrys rubi (linnaeus, 1758) Heideblauwtje  Plebejus argus (linnaeus, 1758) [= Plebeius argus (Linnaeus, 1758)] Icarusblauwtje  Polyommatus icarus (rottemburg, 1775) Iepenpage  Satyrium w-album (knoch, 1782) [= Strymonidia w-album (knoch, 1782)] Klaverblauwtje  Cyaniris semiargus (rottemburg, 1775) [= Polyommatus semiargus (rottemburg, 1775)] Kleine vuurvlinder  Lycaena phlaeas (linnaeus, 1761) Pimpernelblauwtje  Phengaris teleius (bergsträsser, 1779) † 1980 [= Maculinea teleius (bergsträsser, 1779)] Sleedoornpage  Thecla betulae (linnaeus, 1758) Vals heideblauwtje  Plebejus idas (linnaeus, 1761) † 1984 [= Plebeius idas (linnaeus, 1761)] Aurelias  Nymphalidae (21) Atalanta  Vanessa atalanta (linnaeus, 1758) (T) Bosparelmoervlinder  Melitaea athalia (rottemburg, 1775) † 1968 Bosrandparelmoervlinder [= Adippevlinder]  Argynnis adippe (denis & schiffermüller, 1775) † 1947 Dagpauwoog  Aglais io (linnaeus, 1758) [= Inachis io (linnaeus, 1758)] Duinparelmoervlinder  Argynnis niobe (linnaeus, 1758) † 1977 Gehakkelde aurelia  Polygonia c-album (linnaeus, 1758) Grote ijsvogelvlinder  Limenitis populi (linnaeus, 1758) † 1957 Grote parelmoervlinder  Argynnis aglaja (linnaeus, 1758) † 1971 Grote vos  Nymphalis polychloros (linnaeus, 1758) Z Grote weerschijnvlinder  Apatura iris (linnaeus, 1758) Keizersmantel  Argynnis paphia (linnaeus, 1758) Z Kleine ijsvogelvlinder  Limenitis camilla (linnaeus, 1764) Kleine parelmoervlinder  Issoria lathonia (linnaeus, 1758) Z Kleine vos  Aglais urticae (linnaeus, 1758) Landkaartje  Araschnia levana (linnaeus, 1758) Moerasparelmoervlinder  Euphydryas aurinia (rottemburg, 1775) † 1959 Rouwmantel  Nymphalis antiopa (linnaeus, 1758) Z Veldparelmoervlinder  Melitaea cinxia (linnaeus, 1758)

115


116

dagvlinders in vlaanderen

Woudparelmoervlinder  Melitaea diamina (lang, 1789) † 1954 Zilveren maan  Boloria selene (Denis & Schiffermüller, 1775) † 1994 Zilvervlek  Boloria euphrosyne (linnaeus, 1758) † 1949 Zandoogjes  Satyrinae (11) Argusvlinder  Lasiommata megera (linnaeus, 1767) Bont zandoogje  Pararge aegeria (linnaeus, 1758) Bruin zandoogje  Maniola jurtina (linnaeus, 1758) Dambordje  Melanargia galathea (linnaeus, 1758) † 2003, Z Heivlinder  Hipparchia semele (linnaeus, 1758) Hooibeestje  Coenonympha pamphilus (linnaeus, 1758) Kleine heivlinder  Hipparchia statilinus (hufnagel, 1766) † 1930 Koevinkje  Aphantopus hyperantus (linnaeus, 1758) Oranje zandoogje  Pyronia tithonus (linnaeus, 1771) Veenhooibeestje  Coenonympha tullia (müller, 1764) † 1994 Zilverstreephooibeestje  Coenonympha hero (linnaeus, 1761) † 1912

Onregelmatige standvlinders zijn minder dan tien opeenvolgende jaren in Vlaanderen aanwezig geweest. In Vlaanderen

beschouwen we enkel het Resedawitje als onregelmatige standvlinder, die zich tot 1950 tijdelijk hier heeft

(Figuur 3.1)

Figuur 3.1  Het Resedawitje is een onregelmatige standvlinder in Vlaanderen en wordt af en toe nog als zwerver waargenomen.


3

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

Figuur 3.2  De Gele luzernevlinder wordt in

Figuur 3.3  Het Tijgerblauwtje is een zwerver

Vlaanderen enkel als trekvlinder waargenomen.

in Vlaanderen.

voortgeplant. Deze soort wordt nu af en toe nog als zwerver waargenomen in Vlaanderen. Trekvlinders zijn enkel tijdens de zomermaanden in staat om hun volledige levenscyclus in Vlaanderen te voltooien, maar kunnen hier in principe niet overwinteren. In Vlaanderen beschouwen we drie soorten als strikte trekvlinders: Gele luzernevlinder (Figuur 3.2), Oranje luzernevlinder en Distelvlinder. Aangezien de Atalanta de laatste decennia steeds vaker overwintert in Vlaanderen, beschouwen we hem tegenwoordig als een standvlinder. In de zomermaanden bestaat de populatie van de Atalanta in Vlaanderen wel nog voor het overgrote deel uit individuen uit het Zuid-Europa (Mikkola 2003).

Zwervers planten zich niet voort op de plaats van de waarneming, maar zijn wel minstens tienmaal in Vlaanderen waargenomen. Een zwerver kan in een bepaald deel van Vlaanderen een standvlinder zijn, maar in een ander deel een zwerver (bv. Boswitje en Rouwmantel …). In Vlaanderen beschouwen we twee soorten enkel als zwerver, namelijk Bleek blauwtje en Tijgerblauwtje (Figuur 3.3). Enkele recente exemplaren van het Tijgerblauwtje blijken meegekomen te zijn met plantenmateriaal waardoor deze soort recent eerder als adventief beschouwd moet worden. Dwaalgasten planten zich niet in Vlaanderen voort en werden hier minder dan tienmaal gezien. In Vlaanderen beschouwen we de volgende vijftien soorten als dwaalgasten: Koningspage, Zuidelijke luzernevlinder, Morgenrood, Rode vuur-

117


118

dagvlinders in vlaanderen

Figuur 3.4  Het Tweekleurig hooibeestje is een dwaalgast in Vlaanderen.

vlinder, Staartblauwtje, Blauwe ijsvogelvlinder, Kleine weerschijnvlinder, Monarchvlinder, Purperstreepparelmoervlinder, Paarse parelmoervlinder, Steppeparelmoervlinder, Boserebia, Rotsvlinder, Tweekleurig hooibeestje (Figuur 3.4), Voorjaarserebia en Zomererebia. Adventieve soorten zijn hier door menselijk toedoen terechtgekomen en kunnen zich hier eventueel (tijdelijk) voortplanten. Twee soorten worden in Vlaanderen als adventieven beschouwd: Witstreepblauwtje (Figuur 3.5) en Geraniumblauwtje, die beide met plantenmateriaal in Vlaanderen zijn terechtgekomen. Zwervers, dwaalgasten en adventieve soorten worden in Hoofdstuk 5.3 besproken. Daarnaast zijn er enkele soorten uit de literatuur gemeld uit Vlaanderen waarvan geen bewijs beschikbaar is of waarvan de herkomst bijzonder twijfelachtig is. We bespreken ze hier kort.

Het Dwergdikkopje Thymelicus acteon (rottemburg 1775) zou in 1974 in SintGenesius-Rode gevangen zijn (collectiegegevens Gembloux). Daarnaast zijn er in Vlaanderen tussen 1989 en 1995 nog zeven meldingen gedaan van deze soort. De dichtstbijzijnde populaties van het honkvaste Dwergdikkopje bevinden zich in de Viroinvallei in het zuiden van de provincie Namen. Meer dan waarschijnlijk betroffen de Vlaamse waarnemingen verkeerde determinaties van het Zwartsprietdikkopje of het Geelsprietdikkopje. Het Groot spikkeldikkopje Pyrgus alveus (hubner 1803) werd tweemaal gemeld in Vlaanderen: twee exemplaren in 1896 uit Oostende die door Taymans e.a. (1993) opnieuw gedetermineerd werden als Bretons spikkeldikkopje en twee exemplaren in 1934 uit Rijmenam waarvan dezelfde auteurs vermoeden dat het gaat om gekweekte en vervolgens vrijgelaten


3

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

Figuur 3.5  Het Witstreepblauwtje is een adventieve soort in Vlaanderen.

dieren of om foutief gedetermineerde Aardbeivlinders. De Kleine apollovlinder Parnassius phoebus (fabricius 1793) werd door De Bisschop (1986) uit Ninove gemeld in 1979. Aangezien deze soort inheems is in de Alpen en in de Oeral is het bijzonder onwaarschijnlijk dat ze op eigen kracht Vlaanderen heeft kunnen bereiken. Vermoedelijk gaat het om een gekweekt, vrijgelaten of ontsnapt exemplaar. Het Veengeeltje (vroeger Veenluzernevlinder) Colias palaeno (linnaeus 1761) zou eenmaal waargenomen zijn in 1869 in Oostende. De dichtstbijzijnde populatie bevond zich destijds in de Hoge Venen en het is dan ook onwaarschijnlijk dat deze vrij honkvaste soort op eigen kracht de kust heeft bereikt. Meer dan waarschijnlijk gaat het om een verkeerde determinatie van een Gele luzernevlinder of een (lichte vorm van de) Oranje luzernevlinder.

Het Adonisblauwtje Polyommatus bellargus (rottemburg 1775) zou verscheidene malen gemeld zijn in Vlaanderen: één exemplaar in de collectiegegevens van Gembloux en twee exemplaren in een privécollectie dragen echter een datum die volledig buiten de normale vliegtijd van het Adonisblauwtje valt en kunnen afgedaan worden als verkeerde determinaties. De gepubliceerde waarnemingen, waaronder één van Proost (1912), die ook melding maakte van het Klein tijmblauwtje) zijn moeilijker controleerbaar omdat er geen exemplaren in collecties gedeponeerd werden. Aangezien deze soort in België enkel sporadisch voorkomt in het uiterste zuiden, ging het hier waarschijnlijk om verkeerde determinaties van Icarusblauwtje dat in het veld verward kan worden met Adonisblauwtje. Het Esparcetteblauwtje Polyommatus thersites (cantener 1835) zou volgens de collectiegegevens van Gembloux ge-

119


120

dagvlinders in vlaanderen

meld zijn uit Veltem-Beisem in 1922. In 1996 werd eveneens een exemplaar gedetermineerd en verzameld als Esparcetteblauwtje in Rijkevorsel. Na controle bleek het echter te gaan om een vorm van het Icarusblauwtje waarvan de wortelvlekken aan de basis van de voorvleugel ontbreken (Polyommatus icarus f. icarinus). Gezien de vrij grote afstand tot de dichtstbijzijnde populaties in NoordFrankrijk, lijkt het waarschijnlijker dat ook het exemplaar in de gegevens van Gembloux behoort tot de icarinus-vorm van het Icarusblauwtje. De Grote vuurvlinder Lycaena dispar (haworth 1802) werd in 1996 waargenomen in het natuurreservaat De Demerbroeken in Zichem. Uit de beschrijving van de waarnemer kon worden opgemaakt dat het om een correcte determinatie ging. Vermoedelijk ging het hier om een gekweekt en vervolgens vrijgelaten of ontsnapt mannetje. Het Klein tijmblauwtje Pseudophilotes baton (bergstrasser 1779) zou door Proost (1912) in Rillaar in 1912 waargenomen zijn. De dichtstbijzijnde populaties bevonden zich toen in de Viroinvallei en in de Gaume, maar daar is de soort sinds 1968 uitgestorven. Het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat deze honkvaste soort zo ver noordelijk gezien zou zijn en het is waarschijnlijker dat het om een verkeerde determinatie van een Heideblauwtje gaat. Het Kroonkruidblauwtje Plebejus argyrognomon (bergstrasser 1779) is tweemaal gemeld in Vlaanderen: een eerste maal door Haverkampf (1906) in 1905 in De Panne en een tweede maal door Seydel (1921) in 1921 in Molenbeersel. Geen van beide auteurs heeft een exemplaar verzameld en in een collectie ondergebracht en andere meldingen die deze waarnemingen kunnen bevestigen, zijn ons niet bekend. We kunnen dus geen

absolute zekerheid krijgen over de juistheid van deze waarnemingen, maar meer dan waarschijnlijk werd de soort verward met het sterk gelijkende Heideblauwtje, dat toen op beide plekken voorkwam. De Pruimenpage Satyrium pruni (linnaeus 1758) werd door De Selys-Longchamps (1857) gemeld in de omgeving van Leuven. Voor Vlaanderen kon deze waarneming niet worden gestaafd door een exemplaar in een collectie en ze werd evenmin bevestigd door latere waarnemingen. Mogelijk gaat het hier om een verkeerde determinatie van de Iepenpage, die destijds ten zuiden van Leuven voorkwam, of slaat de melding op een Waalse populatie op ongeveer 20 kilometer ten zuiden van Leuven. In de Waalse dagvlinderatlas (Fichefet e.a. 2008) staat een waarneming vermeld ten zuidwesten van Leuven uit 2004, maar het ging vermoedelijk om een zwerver. Het Tijmblauwtje Phengaris arion (linnaeus 1758) zou in 1970 gevangen zijn in de Liereman in Oud-Turnhout (collectiegegeven Gembloux). Meer dan waarschijnlijk gaat het om een verkeerde determinatie van het Gentiaanblauwtje dat wel in de Liereman voorkwam. Het Bleek hooibeestje Coenonympha dorus (esper 1782) werd op 16 september 1972 gevangen op de Scheldedijk in Bornem (Janssen 1983). Aangezien het areaal van het Bleek hooibeestje beperkt is tot Zuid-Frankrijk, Spanje, Portugal en ItaliĂŤ, moet dit eenmalige exemplaar door menselijke tussenkomst in Bornem terechtgekomen zijn. Het Goudooghooibeestje Coenonympha oedippus (fabricius 1787) zou in 1930 in de buurt van Genk gevangen zijn, maar aangezien er geen gegevens van deze soort in museumcollecties terug te vinden zijn, lijkt het aannemelijker dat het om een verkeerde determinatie van een


3

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

Figuur 3.6  Vlaanderen wordt voor verspreidingsonderzoek naar dagvlinders en tal van andere soortengroepen ingedeeld in 10 x 10 km2-hokken, atlashokken van 5 x5 km² en kilometerhokken volgens de UTM-projectie.

Veenhooibeestje of een Koevinkje gaat. De Witbandzandoog Brintesia circe (fabricius 1775) werd in 1994 dood gevonden tussen Zussen en Herderen in de provincie Limburg (Steeno 1995). Het is onduidelijk of de vlinder ons land op eigen kracht bereikt heeft. De kans is groot dat hij met een vakantieganger uit Frankrijk is meegekomen en vervolgens van de auto is gevallen. De dichtstbijzijnde populaties bevinden zich in de Vogezen. De Sleutelbloemvlinder Hamearis lucina (linnaeus 1758) werd door De SelysLongchamps (1857) gemeld aan het Rood Klooster in het Zoniënwoud in Oudergem, maar de soort is niet terug te vinden in collecties. Het is dan ook niet duidelijk of deze soort hier ooit een populatie gehad heeft.

3.1.3 Het inventarisatieraster Om de verspreiding van de dagvlinders in Vlaanderen op kaart weer te geven, maken we gebruik van de UTM-projectie (Universal Transverse Mercator). De UTM-projectie verdeelt de wereld in verschillende zones waarvan de grootste eenheden 6 graden breed en 8 graden hoog zijn. Vlaanderen ligt volledig in zone 31U en daarom wordt deze zonecode in Vlaanderen niet gebruikt. Deze zones worden vervolgens ingedeeld in blokken van 100 x 100 km² die aangeduid worden met twee letters. Vlaanderen ligt verspreid over zes UTM-blokken van 100 x 100 km²: DS, ES, ET, FS, FT en GS (Figuur 3.6). Elk 100 x 100 km² blok wordt op zijn beurt onderverdeeld in vierkanten van 10 x 10 km² die van links naar rechts

121


122

dagvlinders in vlaanderen

en van onder naar boven worden genummerd. 181 van deze 10 x 10 km² hokken vallen geheel of gedeeltelijk in Vlaanderen. Deze hokken kunnen nog eens onderverdeeld worden in vier atlashokken van 5 x 5 km², waarvan er 644 geheel of gedeeltelijk in Vlaanderen liggen. De kleinste hokken die gebruikt worden in Vlaanderen zijn de kilometerhokken, waarvan Vlaanderen er 14.325 telt.

3.1.4 De gegevens Voor de vorige atlas (Maes & Van Dyck 1999) werden 186.520 verspreidingsgegevens gebruikt. Onder impuls van enkele recente projecten, zoals de WestVlaamse vlinderatlas (81.277 gegevens – Cuvelier e.a. 2007) en de Brusselse vlinderatlas (6630 gegevens – Beckers e.a. 2009), het dagvlinderatlasproject van de Vlinderwerkgroep met onder andere de steekproefhoktellingen en de vlindermonitoring, het dataportaal www.waarne-

mingen.be en de tuinvlindertellingen van Natuurpunt (www.telmee.be) werden er sindsdien ongeveer 590.000 extra gegevens verzameld wat het totaal op bijna 780.000 brengt (Tabel 3.3). Recente losse waarnemingen zijn voornamelijk afkomstig van vrijwilligers die sinds april 2008 waarnemingen online ingeven op www. waarnemingen.be. Ondanks het feit dat deze website nog maar enkele jaren bestaat, is hij wel goed voor bijna een derde van alle waarnemingen in Vlaanderen. De gegevens uit www.waarnemingen.be zijn hoofdzakelijk puntlocaties (XY-coördinaten) die we vervolgens toewijzen aan kilometer- of atlashokken. Alle waarnemingen van zeldzame soorten op de website werden gevalideerd door administrators (Wouter Vanreusel en Pieter Van Tieghem). Collectiegegevens werden ons bezorgd door het KBIN en door de Landbouwfaculteit van Gembloux, maar konden niet door onszelf gecontroleerd worden. Daarnaast werden ook enkele kleinere, vaak privécollecties opgeno-

Tabel 3.3  Aantal waarnemingen per type en het aantal geïnventariseerde atlas- en kilometerhokken vóór 1991 en in de perioden 1991-2000 en 2001-2010. Type gegeven

vóór 1991

1991-2000

2001-2010

Totaal

Losse waarnemingen

21.471

178.372

416.711

616.554 (79%)

Monitoringgegevens

-

65.743

29.877

95.620 (12%)

10.215

67

-

10.282 (1%)

Literatuurgegevens

4471

295

-

4766 (1%)

Tuinvlindertellingen

-

-

38.193

38.193 (5%)

Steekproefhokken

-

-

12.811

12.811 (2%)

36.157 (5%)

244.477 (31%)

497.592 (64%)

778.226

525 (82%)

616 (96%)

636 (99%)

638 (99%)

751 (5%)

4575 (32%)

9708 (68%)

10.667 (74%)

Collectiegegevens

Totaal aantal gegevens Aantal geïnventariseerde atlashokken (5 x 5 km²) Aantal geïnventariseerde kilometerhokken (1 x 1 km²)


3

men in het databestand. Literatuurgegevens zijn afkomstig uit de entomologische vakbladen. Monitoringgegevens zijn verzameld op monitoringroutes (van Swaay e.a. 2008b) waarvan er in Vlaanderen ongeveer honderd een of meerdere jaren gelopen werden (van Swaay e.a. 1997). In 2007 startte Natuurpunt vzw met een telling van tuinvlinders waarbij aan vrijwilligers gevraagd wordt om twintig algemene soorten te tellen in hun tuin (Natuurpunt 2011). Hier gebruiken we enkel de tuinvlindertellingen van de medewerkers die maandelijks de dagvlinders in hun tuin telden. De tellingen van het jaarlijkse vlindertelweekend in augustus worden, na kritische controle, uiteraard wel gebruikt voor andere rapporten en publicaties die specifiek gaan over dagvlinders in de tuin (Verheyen & Vanreusel 2009). Tussen 2007 en 2009 telden veel vrijwilligers dagvlinders in steekproefhokken. Hierbij werd het aantal individuen van alle soorten dagvlinders geteld in vooraf vastgelegde kilometerhokken die zowel in de lente als in de zomer telkens gedurende een uur

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

bezocht werden (in totaal 585 kilometerhokken). De steekproefhoktellingen zijn vooral gebruikt bij het modelleren van de potentiële verspreiding van soorten in Vlaanderen (Hoofdstuk 3.2) Het aantal waarnemingen per atlashok tijdens de periode 2001-2010 (gemiddeld 732) is meer dan verdubbeld ten opzichte van de periode 1991-2000 (gemiddeld 352). In de periode 1991-2000 telde 59% van de atlashokken minder dan 100 waarnemingen, terwijl dat nu nog, maar 19% van de atlashokken is. 37% van de hokken heeft nu meer dan 500 waarnemingen, een sterke toename ten opzichte van de 14% in de periode 1991-2000 (Figuur 3.7). Het aantal onderzochte atlashokken in de periode 2001-2010 is vergelijkbaar met dat uit de vorige atlas (Maes & Van Dyck 1999): 616 (96% van alle atlashokken) tijdens de periode 1991-2000 tegenover 636 (99%) nu. Het aantal onderzochte kilometerhokken ligt in de periode 20012010 echter meer dan twee keer zo hoog als bij de vorige atlas: 4575 (32% van alle kilometerhokken) tegenover 9708 (68%) nu (Figuur 3.8).

AANTAL ATLASHOKKEN

250 200 150 100

1991-2000

50

2001-2010

AANTAL WAARNEMINGEN Figuur 3.7  Aantal atlashokken per klasse van aantal waarnemingen.

0 50 >

025

10

0-

24

49 9

9

9 -9 50

49 25 -

4 -2 10

<

10

0

123


124

dagvlinders in vlaanderen

120000

7000

100000

6000 5000

80000

4000

60000

3000 40000

2000

20000

1000 0

0 1

3

5

7

9

11

13

15

17

19

Aantal kilometerhokken Aantal waarnemingen

Figuur 3.8  Aantal waarnemingen (linker y-as, rode lijn) en aantal onderzochte kilometerhokken (rechter y-as, groene vlak) gedurende de periode 1991-2010.

Het aantal waarnemingen per atlashok wordt weergegeven in Figuur 3.9. De hokken waarin tijdens de periode 2001-2010 minder dan vijftig waarnemingen gedaan werden, liggen vooral aan de rand van Vlaanderen en hebben vaak maar een kleine oppervlakte in Vlaanderen. In vergelijking met de periode 1991-2000 zien we dat regio’s waarin destijds minder dan vijftig waarnemingen gedaan

1 1

<10 waarnemingen

1 51-100 waarnemingen

werden (centraal West-Vlaanderen, het westen van Vlaams-Brabant en ZuidoostLimburg) in de periode 2001-2010 een veel hoger aantal waarnemingen telt, maar dat het nog altijd de regio’s zijn waar relatief het minst aantal waarnemingen worden verricht.

1 11-25 waarnemingen

1 26-50 waarnemingen

1 101-250 waarnemingen

1 251-500 waarnemingen

>500 waarnemingen

Figuur 3.9  Aantal waarnemingen per atlashok in de periode 1991-2000 (links) en in de periode 2001-2010 (rechts).


3

Tabel 3.4  Zeldzaamheidsklassen in Vlaanderen op basis van het aantal atlashokken waarin een soort voorkomt. Zeldzaamheid

Aantal atlashokken

Zeer algemeen

446-636 (70-100%)

Algemeen

287-445 (45-70%)

Vrij algemeen

160-286 (25-45%)

Vrij zeldzaam

65-159 (10-25%)

Zeldzaam

20-64 (3-10%)

Zeer zeldzaam

1-19 (1-3%)

Uitgestorven 0

3.1.5 Zeldzaamheid De zeldzaamheidsbepaling voor de verschillende soorten vond plaats op basis van het aantal atlashokken waarin een soort voorkomt. Deze methode is gebaseerd op een semilogaritmische schaal die ook bij de flora gebruikt werd (Cosyns e.a. 1994; Van Landuyt e.a. 2006 – Tabel 3.4)

3.2 Rekenen met vlinders: het modelleren van de potentiële verspreiding van een soort Met behulp van de gegevens uit de steekproefhokken en de goedgeïnventariseerde kilometerhokken kunnen we de waarschijnlijkheid berekenen dat een soort in niet-geïnventariseerde kilometerhokken voorkomt. Door de aan- en afwezigheid of het aantal individuen van een soort te relateren aan de oppervlakte van de verschillende biotooptypen, het bodemtype en het klimaat in de kilometerhokken, kunnen we voor elke soort berekenen

cijfers en trends - meten met kennis van zaken

hoe groot de kans is dat ze in dat kilometerhok voorkomt. We onderscheiden elf biotooptypen (akker, duin, hagen, heide, loofbos, naaldbos, ruigte, soortenarm grasland, soortenrijk grasland, struweel en urbaan gebied), vijf bodemtypen (klei, leem, veen, zand en zandleem) en drie klimaatvariabelen (aantal groeidagen, gemiddelde temperatuur van de koudste maand en waterbalans). Het aantal groeidagen is het aantal dagen met een temperatuur boven 5°C, die bepalend zijn voor de ontwikkeling van de rupsen. De gemiddelde temperatuur van de koudste maand (januari) is bepalend voor de overleving tijdens de overwintering. De waterbalans (het verschil tussen neerslag en evapotranspiratie) is belangrijk voor de waterbehoefte van rupsen en vlinders. Voor deze modellering gebruikten we in totaal 2337 kilometerhokken, die we opdeelden in een kalibratieset (1651 kilometerhokken) waarmee we het model maakten en een evaluatieset (686 kilometerhokken), waarmee we het model testten. We gebruiken hiervoor drie verschillende modelleertechnieken: Generalized Linear Models (McCullagh & Nelder 1989), Generalized Additive Models (Hastie & Tibshirani 1987) en Random Forests (Breiman 2001). We beschouwen de kans op aanwezigheid als plausibel wanneer alle drie de modellen de soort als aanwezig voorspellen. Deze oefening gebruiken we vooral om kanskaarten te maken voor de RodeLijstsoorten. Belangrijk om te vermelden is dat het slechts om het inschatten van het potentiële verspreidingsgebied gaat en dat we dus niet in staat zijn om de verspreiding van de functionele habitat van een soort te voorspellen. Dit soort modellen heeft dan ook niet de ambitie om de verspreiding van een soort tot op het kilometerhok correct te voorspellen.

125


5

SOORTbeSPREKINGEN


Argusvlinder


5

5.1 Toelichting bij de soortbesprekingen In dit hoofdstuk bespreken we de standen trekvlinders die regelmatig in Vlaanderen voorkomen of vroeger voorkwamen. We beginnen met een bespreking van de stand- en de regelmatige trekvlinders en de twee soorten die in de nabije toekomst in Vlaanderen te verwachten zijn, namelijk de Braamparelmoervlinder en het Staartblauwtje. Bij de soorten die al langer uit Vlaanderen verdwenen zijn, kunnen we om hun historische verspreiding in kaart te brengen enkel gebruik maken van collectiegegevens uit musea, zoals het KBIN en de Landbouwfaculteit van Gembloux en van meldingen in de vakliteratuur. Meestal vermeldden verzamelaars of auteurs in dergelijke gevallen alleen een plaatsnaam of een regio. Het komt dan voor dat verschillende plaatsbenamingen die door verschillende mensen gebruikt werden eigenlijk op eenzelfde populatie slaan. Het is daarom niet altijd gemakkelijk om de oude verspreiding correct weer te geven en daardoor kan de historische verspreiding van soorten groter weergegeven worden dan in werkelijkheid het geval was. Bovendien is het onderscheid tussen een populatie of een individuele zwerver niet altijd eenduidig af te leiden uit de databank van de Vlinderwerkgroep. Wanneer er meerdere al dan niet opeenvolgende of niet te ver uit elkaar liggende jaren op eenzelfde locatie (gemeente of toponiem) waarnemingen gedaan werden, gaan we ervan uit dat er een populatie aanwezig was. Wanneer het echter gaat om een eenmalige melding van een enkel individu op een specifieke locatie in een bepaald jaar, beschouwen we de waarneming als

soortbesprekingen

een zwerver. Wanneer de waarneming enkel gekend is uit de literatuur, is controle van de juistheid moeilijk. Het kan dan net zo goed gaan om een gelijkende, toenmalige standvlinder. Voorbeelden van zulke mogelijke verwarringen zijn Kleine en Grote ijsvogelvlinder, Bos- en Woudparelmoervlinder, Kleine en Grote weerschijnvlinder en de dikkopjes. Daarna komen de zwervers, dwaalgasten en adventieve soorten aan bod. De volgorde waarin de soorten besproken worden is telkens eerst taxonomisch per familie (Dikkopjes, Grote pages, Witjes, Blauwtjes, Aurelia’s en Zandoogjes) en binnen elke familie vervolgens alfabetisch op hun Nederlandse naam. Boven elke soortbespreking staan zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke soortnaam met vermelding van de auteur en het jaartal waarin de soort beschreven werd. Daarnaast geven we ook de Franse (F: www.lepido.ch), de Engelse (E: Settele e.a. 2008) en de Duitse naam (D: Settele e.a. 2005). Vervolgens komen aan bod: ecologie, verspreiding en trend in de verspreiding, Rode-Lijstcategorie, behoudsprioriteit, kansen voor behoud, verwachtingen bij een veranderend klimaat en beheeracties. ecologie We beginnen met het biotooptype waarin de soort voorkomt: grasland, loofbos, heide …. Waar mogelijk geven we ook informatie over de specifieke hulpbronnen die de soort nodig heeft voor de eiafzet, het foerageren, territoriumverdediging, microklimaat … De vliegtijd van elke soort werd berekend op basis van de Vlaamse gegevens. De piek van de vliegtijd in de periode 2001-2010 wordt aangegeven met een dikkere blauwe balk op de x-as en omvat de periode waarin ongeveer 70% van de waarnemingen ge-

179


180

dagvlinders in vlaanderen

daan werden. Om na te gaan of er door de recente klimaatwijziging verschuivingen opgetreden zijn in de vliegtijden tonen we zowel de vliegtijd in de periode 19812000 (in het rood) als die in de periode 2001-2010 (in het blauw). We berekenen voor beide perioden ook de gemiddelde vliegtijd en het eventuele verschil tussen beide (Hoofdstuk 4.1.4). We tonen dit alleen voor soorten waarvan in een periode minstens vijftig waarnemingen gedaan werden. We sommen ook de meest gebruikte waardplanten op waarmee de rups zich voedt (Asher e.a. 2001; Bos e.a. 2006; Fichefet e.a. 2008). Vervolgens vermelden we in welk levensstadium de soort overwintert: ei, rups, pop of vlinder. Bij de rups maken we het onderscheid tussen nuchtere (rupsen die nog niet gegeten hebben), half volgroeide en volgroeide rupsen (Bos e.a. 2006). Indien bekend, geven we ook de voornaamste nectarplanten van de volwassen vlinders (Bos e.a. 2006; Ebert & Rennwald 1993a; Ebert

& Rennwald 1993b). Voor het aangeven van de mobiliteit van de soort gebruiken we vier verschillende klassen: honkvast (<100 m), weinig mobiel (<500 m), mobiel (<5 km) en zeer mobiel (> 5 km – Bos e.a. 2006). Ten slotte geven we een lijst van andere vlindersoorten die vaak in dezelfde kilometerhokken aangetroffen worden (Maes e.a. 2007). verspreiding en trend Hier vermelden we de zeldzaamheid van de soort in de perioden 1991-2000 en 2001-2010 (met vermelding van het aantal atlas- en kilometerhokken waarin de soort momenteel voorkomt). Op een veranderingskaart is het verdwijnen en verschijnen van de soort per atlashok weergegeven door gebruik te maken van verschillende symbolen (Tabel 5.1). Hier geven we ook aan of een soort typisch is voor een of meerdere van de twaalf ecoregio’s in Vlaanderen (Hoofdstuk 4.5.3).

Tabel 5.1  Legende bij de veranderingskaart die de vroegere en huidige verspreiding van een soort weergeeft. Symbool Verklaring

R R

1 1 1 1

enkel waargenomen vóór 1991 laatst waargenomen tussen 1991 en 2000 waargenomen vóór 1991, in 1991-2000 en na 2001 waargenomen vóór 1991, niet in 1991-2000 en opnieuw na 2001 waargenomen in 1991-2000 en na 2001 enkel waargenomen na 2001

Daarnaast geven we ook een trend in de verspreiding van de soort in Vlaanderen sinds 1950. Voor deze berekening gebruikten we het aantal atlashokken waarin de soort in de periode 1951-1975 en vanaf dan om de vijf jaar gezien werd. Per periode berekenden we vervolgens

een relatieve verspreiding door dit aantal atlashokken te delen door het gemiddelde van het aantal atlashokken waarin drie referentiesoorten per periode voorkwamen (Bruin zandoogje, Icarusblauwtje en Kleine vuurvlinder – Maes & van Swaay 1997). Die drie referentiesoorten


5

komen bijna overal in Vlaanderen voor, waren vroeger ook al algemeen en vertonen geen grote schommelingen in hun verspreiding gedurende de gehele periode. Hokken waarin deze drie soorten niet gezien werden, werden in die periode dus waarschijnlijk minder goed onderzocht op dagvlinders.

soortbesprekingen

herstel- in plaats van behoudsprioriteit en baseren we ons op de afstand tot de dichtstbijzijnde populaties, de mobiliteit van de soort, de trend in de ons omringende landen en de beschikbaarheid of maakbaarheid van de habitat om een herstelprioriteit toe te kennen.

rode lijst Hier vermelden we de huidige Rode-Lijststatus (Maes e.a. 2012) op basis van de nieuwe IUCN-criteria (Maes e.a. 2011a). We geven ook de Rode-Lijstcategorie van de soort op de vorige Rode Lijst (Maes & Van Dyck 1999). Vanwege het gebruik van verschillende criteria bij het opmaken van beide Rode Lijsten kunnen deze categorieën niet echt met elkaar vergeleken worden. Voor een bespreking van de veranderingen in Rode-Lijstcategorieën verwijzen we naar Hoofdstuk 4.2. Daarnaast geven we een overzicht van de Rode-Lijststatus in drie buurregio’s of -landen waar recent Rode Lijsten werden gemaakt met de nieuwe IUCN-criteria: Wallonië (Fichefet e.a. 2008), Nederland (Bos e.a. 2006) en Groot-Brittannië (Fox e.a. 2011b). In Noordrijn-Westfalen (Duitsland) bestaat er ook een regionale Rode Lijst (Schumacher 2011), maar die maakt geen gebruik van de IUCN-criteria en is dus niet zomaar vergelijkbaar met de andere Rode Lijsten. Ook voor Europa en de Europese Unie geven we de eventuele bedreigingsstatus (van Swaay e.a. 2011).

kansen Voor de weinig mobiele soorten en voor Rode-Lijstsoorten tonen we een kanskaart met daarop de gemodelleerde verspreiding in Vlaanderen in combinatie met de behoudseenheden. Dat zijn buffers gebaseerd op het kolonisatievermogen van de soort rond de kilometerhokken waarin de soort recent werd waargenomen. De kilometerhokken waarvoor de drie gebruikte modellen aangeven dat de soort er kan voorkomen en die binnen de kolonisatieafstand van de soort liggen, worden met groen aangeduid (Hoofdstuk 2). De kilometerhokken die volgens de drie modellen geschikt zijn, maar buiten de kolonisatieafstand van de soort liggen, worden in oranje weergegeven. We doen dit alleen voor soorten waarvoor de modellen in staat zijn om de huidige verspreiding voor minstens 70% correct te kunnen voorspellen. We benadrukken hier dat deze voorspellingsmodellen enkel in staat zijn om een inschatting te maken van de potentiële verspreiding van een soort en niet de pretentie hebben om een exacte verspreiding van een soort weer te geven (Tabel 5.2).

behouds- of herstelprioriteit Op basis van de Rode-Lijststatus in Vlaanderen en in Europa kennen we op Vlaamse schaal behoudsprioriteiten toe aan de inheemse dagvlinders. Daarnaast geven we ook aan voor welke provincie de soort prioritair is (Hoofdstuk 4.4.2). Bij de uitgestorven soorten spreken we van

klimaat Op basis van de Europese modellering met enkel de klimaatvariabelen (Settele e.a. 2008 – zie Hoofdstuk 2) geven we aan of het klimaat in België ook in 2050 nog geschikt zal zijn of juist minder of meer geschikt zal zijn voor de soort. Vanwege de kleine oppervlakte van Vlaanderen

181


182

dagvlinders in vlaanderen

en de grote atlashokken die voor de klimaatmodellering gebruikt werden (50 x 50 km) is het niet opportuun om ook een mogelijke verspreiding bij gewijzigd klimaat weer te geven.

acties We geven hier voor elke soort enkele concrete beheermaatregelen. In Hoofdstuk 7 bespreken we meer algemene maatregelen op basis van ecologische hulpbronnen. Ten slotte geven we een bondige Engelstalige samenvatting van elke soortbespreking.

Tabel 5.2â&#x20AC;&#x201A; Legende bij de gemodelleerde kanskaart. Symbool Verklaring

1 1

1

Kilometerhokken waarin de soort waargenomen werd Kilometerhokken die volgens de 3 verspreidingsmodellen geschikt zijn voor de soort en die binnen het dispersiebereik van de soort liggen Kilometerhokken die volgens de 3 verspreidingsmodellen geschikt zijn voor de soort, maar die buiten het dispersiebereik van de soort liggen


5.2 Standvlinders in de nabije toekomst te verwachten soorten en regelmatige trekvlinders

Dikkopjes  p. 184 Grote pages  p. 216 Witjes  p. 220 Blauwtjes  p. 244 Aurelia’s  p. 292 Zandoogjes  p. 346


DIKKOPJES Hesperiidae

Aardbeivlinder Bont dikkopje Bretons spikkeldikkopje Bruin dikkopje Geelsprietdikkopje Groot dikkopje Kaasjeskruiddikkopje Kalkgraslanddikkopje Kommavlinder Spiegeldikkopje Zwartsprietdikkopje


5

soortbesprekingen

185 DIKKOPJES

aardbeivlinder

Aardbeivlinder  Pyrgus malvae (linnaeus, 1758) F: Hespérie de la mauve – E: Grizzled Skipper – D: Kleiner Würfel-Dickkopffalter

ecologie De Aardbeivlinder komt voor in heiden en droge en vochtige, voedselarme graslanden met een afwisseling van korte (<10 cm) en hogere vegetatie (10-50 cm) en kale bodem, bij voorkeur aan struweel- of open bosranden. De soort heeft 1 generatie van midden april tot midden juni met een piek tussen 4 en 31 mei. De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op de onderkant van bladeren van Tormentil of Vijfvingerkruid, nabij open grond of in een heel korte vegetatie op een beschutte plek. De waardplanten moeten bij voorkeur in een hoge dichtheid aanwezig zijn (5-20/m²). De rupsen maken een zelfgesponnen tentje van waaruit ze voedsel zoeken. Naarmate ze groter worden, verhuizen ze naar steeds grotere planten in een hogere vegetatie. De overwintering gebeurt als pop in een zelfgesponnen cocon van bladeren laag in de vegetatie

(± 30 cm). Mannetjes verdedigen vaak een territorium vanop een grashalm of struikje. De meest gebruikte nectarplanten zijn Tormentil, Muizenoor, Hondsdraf, Kruipend zenegroen en braam. De vlinders zijn honkvast. De Aardbeivlinder komt vaak in dezelfde gebieden voor als Argusvlinder, Bruin blauwtje, Eikenpage, Groentje, Groot dikkopje, Kleine ijsvogelvlinder en Zwartsprietdikkopje. verspreiding en trend De Aardbeivlinder was in de jaren negentig zeer zeldzaam en is dat nog steeds (6 atlashokken – 16 kilometerhokken). De vier bekende populaties zijn het militair domein van Houthulst, de Gulke Putten (Wingene), het Drongengoedbos (Knesselare) en het Klein Schietveld (Brasschaat). Een eerste grote achteruitgang deed zich voor in de periode 1950-1975 en een tweede, kleinere achteruitgang was


dagvlinders in vlaanderen

aarbeidvlinder

dikkopjes

186

Verspreidingskaart: legende blz. 180

Gemodelleerde kanskaart: legende blz. 182

er tussen 1980 en 1990. Sindsdien is het aantal populaties klein, maar stabiel gebleven. Vroeger kwam de soort verspreid voor, voornamelijk ten oosten van de lijn Brussel-Antwerpen, maar daar zijn zo goed als alle populaties al langer verdwenen. De populatie op het Klein Schietveld in Brasschaat werd pas in 2007 ontdekt en de kans bestaat dat er nog kleine onbekende populaties in Vlaanderen voorkomen. Het is een typische soort van de Cuesta’s.

rode lijst Ernstig bedreigd. Op de Rode Lijst van 1999 was de Aardbeivlinder Bedreigd. In Wallonië en Groot-Brittannië is ze Kwetsbaar, in Nederland is de soort Bedreigd en in de Europese Unie is het een Species of Conservation Concern. behoudsprioriteit Zeer hoog vanwege de Rode-Lijststatus in Vlaanderen en Europa. De Aardbeivlinder is een prioritaire soort voor West- en Oost-Vlaanderen en voor Antwerpen.


5

soortbesprekingen

187 dikkopjes

aarbeidvlinder

verpopping in hogere vegetatie

nectar

kale plekken als opwarmzones

waardplanten in korte vegetaties

Het Klein Schietveld in Brasschaat herbergt vermoedelijk de grootste populatie van de Aardbeivlinder in Vlaanderen.

kansen Volgens de verspreidingsmodellen zijn 23 kilometerhokken geschikt voor de Aardbeivlinder. In 12 van deze kilometerhokken werd de soort ook feitelijk waargenomen in de periode 2001-2010 (52%). Van de 11 geschikte kilometerhokken waarin de Aardbeivlinder niet werd waargenomen, zijn er 5 in principe bereikbaar (45%). De meest kansrijke plaatsen voor herstel of behoud van de Aardbeivlinder liggen in de onmiddellijke nabijheid van de bestaande populaties. klimaat Volgens de voorspellingsmodellen zou het klimaat in België tegen 2050 veel minder geschikt worden voor de Aardbeivlinder.

acties Het behoud en/of herstellen van schrale graslanden met een gevarieerde vegetatiestructuur is de belangrijkste maatregel voor de Aardbeivlinder. Dit kan gebeuren door verstruweling van bestaande leefgebieden tegen te gaan, kleinschalig te plaggen, stootbegrazing of door gefaseerd te maaien in de periode eind augustus tot begin september. Hierdoor komen de waardplanten in een korte vegetatie te staan waardoor de wijfjes meer geschikte eiafzetplaatsen kunnen vinden. Daar waar de Aardbeivlinder in relatief vochtige gebieden voorkomt moet ervoor gezorgd worden dat de grondwaterstand op een voldoende hoog zomerpeil wordt gehouden (Box 7.4 en Box 7.8).

The Grizzled Skipper is very rare in Flanders. It occurs on heathlands and dry or wet nutrient-poor grasslands. The species has 1 generation between mid-April and mid-June. Most commonly used host plants are Potentilla erecta and P. reptans. The Grizzled Skipper is Critically Endangered in Flanders. The climate in Belgium is predicted to become far less suitable by 2050.


dagvlinders in vlaanderen

bont dikkopje

DIKKOPJES

188

Bont dikkopje  Carterocephalus palaemon (pallas, 1771) F: Hespérie échiquier – E: Chequered Skipper – D: Gelbwürfeliger Dickkopffalter

ecologie Het Bont dikkopje komt voor in heiden en in bosranden of brede bospaden van vochtige bossen. Belangrijk is dat de biotoop gedurende het hele jaar voldoende nat is zodat de waardplant van voldoende hoge kwaliteit blijft voor de rupsen. De soort heeft 1 generatie van begin mei tot midden juni met een piek tussen 16 mei en 3 juni. De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op de bovenkant van jonge bladeren van Pijpenstrootje of Hennegras. De rupsen leven in zelfgesponnen bladkokertjes en voeden zich vooral ’s nachts. De rupsen eten tot in november en daarom moeten geschikte waardplanten lang groen blijven (dus op een plek staan die lang vochtig blijft). De overwintering gebeurt als volwassen rups in een zelfgesponnen koker van verschillende grasbladeren, waarbij de rupsen met het gras mee verkleuren in

de winter. Mannetjes kiezen beschutte, zonnige en bloemrijke plekken voor het verdedigen van een territorium. Veelgebruikte nectarplanten zijn braam, Echte koekoeksbloem en Kruipend zenegroen. Het Bont dikkopje is weinig mobiel. De soort komt vaak in dezelfde gebieden voor als Boomblauwtje, Citroenvlinder, Eikenpage, Groot dikkopje, Groentje, Heideblauwtje, Heivlinder en Kleine vuurvlinder. verspreiding en trend Het Bont dikkopje was in de jaren negentig vrij zeldzaam en is dat nog steeds (82 atlashokken – 239 kilometerhokken). Op enkele oudere waarnemingen in Vlaams-Brabant na is de soort altijd al beperkt geweest tot de Kempen. Daar zijn vooral in het noordoosten enkele populaties verdwenen terwijl er elders in de regio dan weer populaties bijgeko-


5

soortbesprekingen

189 DIKKOPJES

bont dikkopje

Verspreidingskaart: legende blz. 180

Gemodelleerde kanskaart: legende blz. 182

men zijn. De soort vertoont een stabiele verspreiding tot 1975 waarna een sterke achteruitgang plaatsgevonden heeft. Tussen 1985 en 1995 gaat de soort opnieuw vooruit en ze vertoont sindsdien een vrij stabiele verspreiding. Het is een typische soort van de Kempen.

Groot-Brittannië is ze Bedreigd, maar in Europa is ze Momenteel niet in gevaar.

rode lijst Bijna in gevaar. Op de Rode Lijst van 1999 was het Bont dikkopje Kwetsbaar. In Wallonië is de soort Momenteel niet in gevaar, in Nederland is ze Kwetsbaar, in

kansen Volgens de verspreidingsmodellen zijn 942 kilometerhokken geschikt voor het Bont dikkopje. In 202 van deze kilometerhokken werd de soort ook feitelijk waarge-

behoudsprioriteit Vrij hoog vanwege de Rode-Lijststatus in Vlaanderen. Het Bont dikkopje is een prioritaire soort voor Antwerpen en Limburg.


dagvlinders in vlaanderen

bont dikkopje

DIKKOPJES

190

Mannetjes van het Bont dikkopje verdedigen vaak een territorium vanop een hoge plek in een nectarrijke en beschutte vegetatie.

nomen in de periode 2001-2010 (21%). Van de 740 geschikte kilometerhokken waarin het Bont dikkopje niet werd waargenomen, zijn er 298 in principe bereikbaar (40%). De meest kansrijke plaatsen voor herstel of behoud van het Bont dikkopje liggen in de onmiddellijke nabijheid van de bestaande populaties in de Kempen. klimaat Volgens de voorspellingsmodellen zou het klimaat in België tegen 2050 veel minder geschikt worden voor het Bont dikkopje.

acties Een van de belangrijkste aspecten voor het behoud van het Bont dikkopje is het handhaven of herstellen van een voldoende hoog waterpeil. Op plekken waar rupsen aanwezig zijn, kan best gefaseerd of zelfs niet jaarlijks gemaaid worden. Voor de vlinders zijn het verbreden van bestaande bospaden en/of het creëren van open, bloemrijke plekken in vochtige bossen gunstige maatregelen. Een aangepast beheer van bosranden en aanpalende wei- en hooilanden waarbij vroeg bloeiende nectarplanten, zoals Kruipend zenegroen en/of Echte koekoeksbloem aanwezig zijn, is noodzakelijk voor de nectarbehoefte van deze voorjaarssoort.

The Chequered Skipper is fairly rare in Flanders. It occurs on heathlands and in wide woodland rides or edges of humid woodlands. The species has 1 generation from mid-May to mid-June. Most commonly used host plants are Molinia caerulea and Calamagrostis canescens. The Chequered Skipper is Near Threatened in Flanders. The climate in Belgium is predicted to become far less suitable by 2050.


5

soortbesprekingen

191 DIKKOPJES

bretons spikkeldikkopje

Bretons spikkeldikkopje  Pyrgus armoricanus (oberthür, 1910) F: Hespérie des potentilles – E: Oberthür’s Grizzled Skipper – D: Zweibrütiger Würfel-Dickkopffalter

Het Bretons spikkeldikkopje was vroeger bekend uit De Panne, Oostduinkerke, Koksijde, Oostende en Heist. De laatste waarneming dateert uit 1952 (Oostduinkerke). Het is een soort van voedselarme graslanden en duingraslanden. Het Bretons spikkeldikkopje heeft 2 generaties waarvan de eerste vliegt van midden mei tot eind juni en de tweede van begin

Verspreidingskaart: legende blz. 180

augustus tot begin september. De voornaamste waardplant is Vijfvingerkruid. In Wallonië is het Bretons spikkeldikkopje Regionaal uitgestorven sinds 1956, in Nederland is de soort een zwerver, maar in Europa is ze Momenteel niet in gevaar. De dichtstbijzijnde populaties liggen momenteel in de duinen van Noord-Frankrijk (Duinkerke). Volgens de voorspel-


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401407908_0 by Uitgeverij Lannoo - Issuu