Echt
Guillaume Van der Stighelen
Echt
logo full colour
logo zwart/wit
logo negatief
Prove yourself brave, truthful, and unselfish, and someday you will be a real boy. A real boy! That won’t be easy. Uit: Walt Disney’s Pinocchio
Âś
Zeventien februari ergens in de jaren zestig was een uitzonderlijk warme voorjaarsdag. Er zat een blauwe ijsvogel niet ver van mij. We keken elkaar aan zoals echte vissers dat doen. Onopvallend. Elkaar met rust latend. Ogenschijnlijk enkel aandacht voor wat er onder dat wateroppervlak bewoog, maar in werkelijkheid mekaar bespiedend, en de zenuwen beheersend. Ik nerveus, omdat ik nog nooit zo’n mooie vogel van zo dichtbij had gezien. Hij, waarschijnlijk omdat hij nog nooit een mens zo stil had zien zitten. Van de jongens in de buurt had ik leren vissen. Een eindje garen, een tak en het merg van een vliertwijg als dobber. Onder elke steen lagen regenwormen. Die liet je door een knoopje kruipen en dan trok je dat dicht. Niet te hard of je had twee pieren. Een stekelbaars of een salamander zou die hele pier opslokken, en het stukje vlierpit zou met kleine
7
schokjes rimpels maken op het water. Plots schoot de vogel als een blauwe pijl naar beneden en doorboorde bijna zonder plons de spiegel om even later boven te komen met dwars in de bek een stekelbaars. De ijsvogel vloog in één keer uit het water terug zijn tak op. In één keer schoot het diertje omhoog en vloog. De Stingray kon dat niet. Die was toen op televisie en kon ook vanuit de lucht het water in duiken om dan een duikboot te worden. Maar die kon niet vanuit het water weer de lucht in. Die moest eerst drijven en naar de kant. De ijsvogel schudde met zijn bek tot het baarsje er met zijn kop vooruit in zat. Andersom kon niet, dat wist ik. Zulke stekels kon je enkel gladstrijken naar achter toe. Intussen was mijn dobber verdwenen en het eindje garen hing strak. Ik gaf een ruk aan mijn tak en de ijsvogel vloog met volle maag weg. Ik heb hem nooit meer teruggezien. De alpenwatersalamander, met in zijn maag mijn regenworm, ook niet.
8
¶
Als kind wilde ik begrijpen. Verklaringen vinden voor van alles en nog wat. Ik wist niet veel, maar wat ik wist wilde ik kunnen verklaren. Tot vervelens toe voor mijn omgeving. ‘Voor alles heeft hij een uitleg.’ Waarschijnlijk ligt daar ook de reden waarom ik een last was op school. Onderwijs ging over weten, meer dan over inzien. Het kon allemaal wel zijn dat Napoleon zus en dat de alluviale vlakte zo, maar feiten waren maar feiten. De grote vraag was:waarom? Hoe werkte het allemaal? Wat was het Grote Mechanisme? Verbanden wilde ik zien. Zoals Leonardo Da Vinci, die aan de oever van een meertje zat en een steentje in het water gooide. Hij zag de kringen groter worden en dacht: misschien beweegt het geluid zich zo voort in de lucht. Dat had ik niet op school geleerd. Ik had een abonnement op Sjors van de Rebellenclub, en daar stond dat in. Ik zie hem nog zitten, Leonardo.
9
Wij hadden ook een vijver in de buurt. Een grote vijver in een verlaten landgoed waar op het eind van de vorige eeuw rotspartijen en bruggen waren geboetseerd in cement. Het gebeurde meer dan eens dat ik niet op school raakte omdat ik door dat domein langs het water liep en dacht dat ik Da Vinci was. Bescheidenheid is nooit mijn grootste troef geweest. Studeren was niets voor mij. Bestuderen daarentegen, dat vond ik heerlijk. Toen. Het was de tijd dat kinderen nog zeiden ‘kijk ma, een libel!’ als er een helikopter overvloog. Nu zeggen kinderen ‘kijk ma, een helikopter’ als ze een libel zien. De natuur was toen nog een natuurlijk iets. Niet de mensvreemde wetenschappelijke afbakening van vandaag. Er stond nog geen hek omheen met de agressieve waarschuwingen waarmee de mens zichzelf erbuiten houdt. We voelden ons toen nog niet ‘verbonden met de natuur’, we waren natuur. Het bos, dat intussen allang verkaveld werd, heeft mij zaken geleerd waarover nooit werd gesproken in klaslokalen. Onder andere dat het onder rododendrons kurkdroog is en dat meisjes borsten hebben die ze graag laten zien als ze nog nieuw zijn. Vrouwen hadden toen schaamhaar. Zo lang is het geleden. De wereld zoals we hem vandaag kennen was in aantocht. Je voelde het. Zoals je een trein in de metro voelt komen. Een luchtverplaatsing, een frisse tocht, dan het geluid, eerst vaag, dan hard tot je de lichten ziet en het gevaarte kreunend voor je halt houdt. Met dat verschil dat de
10
nieuwe tijd nooit halt houdt. Je bent aan boord of niet. Opstappen en afstappen heeft geen zin. Maar dat wist ik toen nog niet. Al wat ik wist was dat er nog veel te weten was. Te veel voor een school. Het bos was de echte wereld. Met een echte vijver, een echte gemetselde grot, en echte raadsels. Ik was ervan overtuigd dat ik er op een dag de toegang zou vinden tot het Grote Mechanisme. De reden van alles. Als het windstil was, hoorde je de stad dichterbij komen. De mensen met hun dromen en hun plannen voor een landelijk huisje waren onderweg. Het stoorde mij niet. Deze geheime plek zouden ze toch nooit vinden. Het enige dat echt aantrekkelijk was op de school was wiskunde. Omdat de verbanden daar zo helder waren. De verhouding tussen een cirkel en zijn straal was altijd hetzelfde. Dat fascineerde mij. Ik mat van kleine buisjes de omtrek en de doorsnee en deelde die met een zo groot mogelijke nauwkeurigheid. Dan deed ik hetzelfde met een grote ton en liep gierend door de tuin omdat de uitkomsten zoveel op elkaar leken. Op school gaf de wiskundeleraar toe dat niemand ooit de uitkomst had kunnen berekenen. Wel bij benadering, maar nooit helemaal precies. De meest briljante koppen van de wereld zaten er nog altijd een miljoenste van een miljoenste naast. Een echt we-weten-het-zelfook-niet getal en daarom noemen we het maar pi en we rekenen voort. Wiskundigen lieten zich nooit tegen-
11
houden door de grenzen van de werkelijkheid. De wortel uit min één bestaat niet, dus noemen ze de uitkomst ‘een niet-bestaand getal’ en ze geven het de naam i. Probleem opgelost. Daarmee konden ze verder vliegen naar de maan. Prachtig was dat. Je gaf het onbestaande een naam en het bestond. Hoe langer hoe meer raakte ik ervan overtuigd dat het Grote Mechanisme werkte volgens de wetten van die wiskunde. Dat alles berekenbaar was. Dat er voor alles een formule was. Dat het heelal een soort rekensom was. Een wiskundige vergelijking. Dat alles terug te brengen was tot eenvoudig te bewijzen stellingen. Het was in die tijd ook dat ik een proef zag in de les natuurkunde. De beweging van de slinger werd wiskundig bepaald. Dan hing de leraar twee slingers van gelijk gewicht aan een touwtje dat als een klein wasdraadje opgespannen hing tussen twee statieven. Hij bracht één slingertje in beweging en beval ons aandachtig te kijken. Wat er gebeurde, was een mirakel. De tweede slinger begon stilaan mee te bewegen door het slingeren van de eerste. Nadat de twee slingers gelijk hadden bewogen, ging de eerste slinger stilhangen terwijl de tweede nu voluit heen en weer ging. Tot er opnieuw beweging kwam in de eerste waardoor de andere weer vertraagde. Zo ging het de hele tijd door, zonder dat de leraar eraan kwam. Thuis probeerde ik hetzelfde met garen en stukken van 25 centiem die ik had bewaard omdat er in het
12
midden een gaatje zat, en ook daar werkte het. De gelijkenis met het menselijk gedrag was groot. Mijn pa kwam slechtgezind thuis, mijn ma was opgewekt. Mijn ma werd hoe langer hoe slechter gehumeurd, terwijl mijn pa even later heel vrolijk was. Dit was de motor van het Grote Mechanisme. Alles was in beweging en beïnvloedde alles. We waren allemaal slingers en we hingen allemaal aan zo’n touw. We werden uit ons lood geslagen door het slingeren van anderen en dan wilden we zo snel mogelijk terug naar ons rustpunt. Zo snel dat we er als gek aan voorbijraasden, even snel als we de andere kant uit gingen. Want hoe dichter we het door ons zo begeerde rustpunt naderden, hoe groter onze snelheid. Zo was het leven dus. Uit evenwicht gebracht worden, zoeken naar het rustpunt en daarbij gestoord worden door een massa andere elementen die wanhopig op zoek zijn naar hun eigen absolute evenwicht. Dat absolute evenwicht, daar zou de sleutel zitten. Het punt waarbij niets nog wilde bewegen. Waarbij alles stil was. Als elke rimpel van het water was verdwenen, als geen blad meer ritselde. Als geen mens meer rende en geen motor draaide. Geen hamer sloeg, geen klok luidde. Als alle slingers tot rust waren gekomen. Het kon, want toen ik de volgende dag vóór alle andere leerlingen in de natuurkundeklas kwam, hingen de twee slingers stil. Roerloos stil. In een andere hoek van de klas hing Oscar, het skelet. Ook bewegingloos. Ooit mens geweest. Broer, zoon, vader misschien. Droeve
13
blik en minzame grijns, opgehangen aan een moer door de schedel. Afgekookt en gebleekt. Stukje voor stukje terug in elkaar gepuzzeld om te tonen wat ons recht hield. Was dit het ultieme rustpunt van de mens? Waren er ook rustpunten tijdens het leven?
14
¶
Begrijpen hoe slingers werken en elkaar beïnvloeden, zou alles verklaren. De waanzin van de mensheid, de onrust van de enkeling en de eindeloze humor van het bestaan. Later, samen met de vrouw die de liefde van mijn leven zou worden, heb ik staan kijken naar een spin in een hoek van het stortbad. Door een zuchtje wind was het rag gaan trillen als een snaar, zo hard dat het beest nog nauwelijks zichtbaar was. Wij hebben daar heel hard om staan lachen. Wisten wij veel dat het zo hoorde. We hadden nog nooit gehoord van ‘de trilspin’. Wij gingen ervan uit dat de spin pech had. Wat hadden wij een pret. Ik durf te vermoeden dat het toen was dat wij doorhadden dat we voor elkaar geschapen waren. Dat soort humor dus.
15
Het idee dat het bestaan van alles niet meer was dan een constant door elkaar geschud worden van dingen die helemaal niet bij elkaar horen, was blijven hangen. Het bezorgde een aangenamer beeld van de kosmos dan het geloof dat erover nagedacht was. Ik las over de grote Albert Einstein, die zijn Belgische vriend en jezuïet George Lemaître kwam opzoeken omdat die op het punt stond het scheppingsverhaal te vervangen door een grote knal. Waanzinnig hoe het verhaal klopte. Alles had ooit stilgehangen en toen ontplofte de zaak en miljoenen jaren later hingen er nog altijd spinnen na te trillen. Om het waarom der dingen te begrijpen moest je enkel naar twee slingers kijken en zien hoe ze bewogen. Waar de oerknal zelf vandaan kwam was geen punt. Ook die was veroorzaakt door een ander iets dat zijn evenwicht zocht. De oneindigheid heb ik nooit een mysterie gevonden. Integendeel. Het was de eindigheid waar ik het wel eens moeilijk mee had. Het inzicht in de werking van het Grote Mechanisme had zijn schaduwzijde. Het zou niet ophouden bij een volledige stilstand van elke bekende beweging. Het zou pas ophouden als alle deeltjes terug op hun plaats zaten. De zwaarste atomen vanbinnen en de lichtste aan de buitenkant. Weg moleculen, weg stoffen, weg leven. Alles moest terug naar zijn plaats. Elk kleinste deeltje. De hele natuur, zo liederlijk bezongen door nobele zielen, was niet meer dan één grote afbraakbeweging. Water diende om de hoogste bergtoppen te splijten en
16
naar de diepste gaten in de oceaan te voeren. Planten waren maar middelen om de aarde en haar mineralen los te wroeten. Dieren waren er om de hele vernielzucht nog wat te versnellen. We waren op de wereld om elkaar op te vreten of opgevreten te worden. Leven was niet meer dan het tot zich nemen van een in stukken gereten ander organisme, en dat half ontbonden terug afscheiden. Het was geen echt vrolijke vaststelling. Het stond lijnrecht tegenover de gangbare gedachte die zaken als ontwikkeling en zelfontplooiing als hoogste goed prees. Hoogste goed waarvoor? Om uiteindelijk atoombommen uit te vinden? Ik noteerde mijn eerste waarheid over het leven. Alles wil groeien en dan is het ambras. ‘Ruzie’ was beter Nederlands, maar ook de taal moest eraan geloven. ‘Ruzie’ was een veel te rustig woord voor de onophoudelijke pogingen tot afbraak van elkanders wereld. Bij ‘ambras’ hoorde je in de verte het wapengekletter, de zelfvoldane strijdkreten van jonge mannen en het geniepig gefluister van oude vrouwen. Er was ambras in de keuken en ambras in bed. Er kwam ambras op televisie over ambras in Vietnam. Er was zelfs ambras tussen de netels en de braamstruiken over welke het meeste zon zou krijgen aan de rand van het bos. Om nog maar te zwijgen van alle ambras in het bos zelf. Ambras in de lucht tussen twee kraaien en een buizerd. En ambras thuis omdat ook mijn haar wilde groeien.
17
‘Dat groeien,’ zei ik tegen mijn vader, die ons toen al aanmoedigde heel eerlijk voor onze gedachten uit te komen, en met het groeien bedoelde ik het groeien van alle organismen in het universum, ‘dat groeien is bedoeld om de hele wereld te vernietigen met als einddoel het herstellen van de orde tussen alle atomen in de ruimte.’ Waarop hij me half blauw sloeg en dreigde met meer onheil als ik niet snel naar de kapper ging. Tot zover de vrije gedachte. Bij elke klap dacht ik: hij doet zichzelf pijn. We zijn maar slingers en we hangen aan hetzelfde touwtje. Hoe harder hij sloeg, hoe meer hij zichzelf vernielde. ‘Je pa heeft de hele nacht gehuild, weet je dat?’ zei mijn moeder de volgende dag. ‘Ik hoop het’ , antwoordde ik dan en ik kreeg er een flinke mep bovenop. Choco tot in mijn neusgaten en daar moesten we dan samen heel hard om lachen. Dat hoorde bij ambras, lachen. Bij ruzie bleven de mensen te ernstig. Mijn wereldbeeld verontrustte de omgeving. De oorlog was nog maar twintig jaar gedaan en mensen waren nog heel zenuwachtig. Weinigen waren er klaar voor om mijn inzicht te delen dat vernielzucht een maatschappelijke functie had. ‘Ge weet toch dat gij Kanonenfleish zijt? Om de twintig jaar is het oorlog en die duurt tot de soldaten op zijn. Tel maar na. Als er terug genoeg jonge mannen zijn gelijk gij, dan begint het opnieuw, jaja.’
18