‘Om de tafel. Het zijn de mensen van mij, de enkelen wier adem licht in mij ontsteekt.’ ‘Om de tafel.‘Om Het de zijntafel. de mensen Het zijn de mensen van mij, de enkelen van mij, de enkelen maurits mok wier adem licht mij ontsteekt.’ wierinadem licht in mij ontsteekt.’ maurits mokmaurits mok
6 0 0
Nieuw Groot Verzenboek Nieuw Groot Jozef Deleu Verzenboek Negentiende herziene druk. 2021 Jozef Deleu
600 600 GEDICHTEN GEDICHTEN OVER OVER LEVEN, LEVEN, LIEFDE LIEFDE EN EN DOOD DOOD JOZEF DELEU
Negentiende herziene druk. 2021
JOZEF DELEU GEDICHTEN OVER GEDICHTEN LEVEN, OVER LIEFDE EN DOOD LEVEN, NIEUW GROOTEN VERZENBOEK LIEFDE DOOD NIEUW GROOT VERZENBOEK
Negentiende herziene druk. 2021
Negentiende herziene druk. 2021
titelpagina_600_gedich.indd 1
18/11/20 11:43
‘Als plotseling met een vreemd gevoel zich iets in haar bewoog en een nieuwe en wondere zekerheid haar door de gedachten vloog…’ jan hendrik leopold
Verwachting en geboorte. Vader en moeder
GUIDO GEZELLE
Moederke Er is van u hiernederwaart, geschilderd of geschreven, mij, moederke, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven. Geen tekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van stene, tenzij dat beeld in mij, dat gij gelaten hebt, allene. O moge ik, u onweerdig, nooit die beeltenis bederven, maar eerzaam laat ze leven in mij, eerzaam in mij sterven.
26
JAN HENDRIK LEOPOLD
Dien morgen was zij moe en zwaar… Dien morgen was zij moe en zwaar en talmende opgestaan en had met achteloos besef haar dagelijks doen gedaan. Zij ging verloren door het vertrek met ongevoelde schreden, behaspelde dit en dat, verschikkende zonder reden. Als plotseling met een vreemd gevoel zich iets in haar bewoog en een nieuwe en wondere zekerheid haar door de gedachten vloog, en met een diepere ademtocht was zij even neergezegen en toefde een ogenblik totdat zij zich zelve had herkregen. _ en in trots en in deemoedig zijn boog zij het hoofd ter neer en fluisterde met toegevenden mond ‘zie uwe dienstmaagd, Heer.’
27
KAREL VAN DE WOESTIJNE
Wijding aan mijn vader O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart, en mij liet leven, en me teder léerde leven met uw zacht spreken, en uw strelend hande-beven, en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard; — ik, die thans ben als een die in den avond vaart, en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven door zoele zomer-winden in de lage reven, en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt, en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden wijd-suizend over ’t matte water, en de weiden zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied… Zó vaart mijn leve’in vrede en waan van dóod begeren, tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren, neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.
28
WILLEM ELSSCHOT
Aan mijn moeder Ik heb gedroomd, o moeder, dat gij op sterven laagt, en voor het al te sluiten, mij lang in d’ogen zaagt. Gij spraakt van eerlijk blijven, van recht door ’t leven gaan; hebt toen nog eens geglimlacht, en alles was gedaan. ’k Wou om vergeving smeken, waarvoor, ik wist het niet, en bij u nederknielen; mijn knieën bogen niet. Toen wist ik dat’k u nimmer nog iets vergelden kon. Uw stem deed mij ontwaken in ’t klare licht der zon. Daar blonken grote tranen van heil en droefenis. En ’k voelde diep in ’t harte wat ene moeder is.
29
WILLEM ELSSCHOT
Moeder Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten, zoals een pop waarin een hart zou kloppen, door ’t volk bij ’t heengaan in een huis vergeten. Ik zie uw knoken door uw kaken steken en diep uw ogen in het hoofd gedrongen. En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken, wanneer gij zegt ‘kom zit aan tafel jongen’. Ik hoor u ’s avonds aan de muren vragen of gij de vensters wel hebt toegesloten. Gij kunt den mist niet uit uw hersens jagen. Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten. Daar in de verte wordt een put gegraven; ik hoor zo goed het ploffen van de kluiten. En achter ’t huis zie ik een schimme draven: hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten. — Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder. — Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte benen: hij is een vriend, een goede vriend, een broeder: hij is niet ruw, hij wandelt op de tenen. Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen. Gij kunt gerust een onze-vader lezen, en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen dat gij geen kou vat en tevreê zult wezen.
30
GEERTEN GOSSAERT
De moeder Hij sprak en zeide In ’t zaâl zich wendend: Vaarwel, o moeder, Nooit keer ik wèèr… En door de lanen Zag zij hem gaan en Sprak geen vervloeking maar weende zeer. Sprak geen vervloeking… Doch, bijna blijde, Beval den maagden: Laat immer meer De zetels staan en De lampen aan en De poort geopend, de slotbrug neêr. Maar toen, na jaren, Melaats een zwerver Ter poorte klaagde: Uw zoon keert weer… Zag zij hem aan en Vond gene tranen, Voor zoveel vreugde geen tranen meer.
31
MARTINUS NIJHOFF
Moeder We liepen samen dikwijls langs de stranden Als ’t avond werd. Dan zong ze naast de zee — Ik, kleine jongen, die haar stem zo kende, Ik hield haar hand en zong de liedjes mee. Een klein wit vrouwtje, met nerveuze handen En steeds bewegend, steeds bewegend hart — Wij wisten dat in haar geleden werd, Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden. Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven. Donkere moeder, wieg haar lichaam warm, Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot — Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood, Die mensen eenzaam maakt en stil en arm — Maar die het witte zonlicht niet kan doven.
32
MARTINUS NIJHOFF
Herinnering Moeder, weet je nog hoe vroeger Toen ik klein was, wij tezaam Iedren nacht een liedje, moeder, Zongen voor het raam? Moe gespeeld en moe gesprongen, Zat ik op uw schoot, en dacht, In mijn nacht-goed kleine jongen, Aan ’t geheim der nacht. Want als wij dan zingen gingen ’t Oude, altijd-eendre lied, Hoe God alle, alle dingen Die wij doen, beziet, Hoe zijn eeuw’ge, grote wond’ren Steeds beschermend om ons zijn, — Nimmer zong je, moeder zonder ’n Beven dat refrein — Dan zag ik de sterren flonk’ren En de maan door wolken gaan, d’Ouden nacht met wijze, donk’ re Ogen voor me staan.
33
MARNIX GIJSEN
Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen… Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen. Zij was geen heilge vrouw, zij was een vrouw, met al haar deugden, zwakten en aarzelingen, vaak onberekenbaar doch steeds zich zelf getrouw. Een werkslaaf en een slavendrijver heel haar leven, die nooit kon vragen — altijd bereid te geven — hard voor zich zelf en die van anderen verwachtte dat z’even taai en dapper zouden zijn in daden en gedachten. Een vrouw vol donker vuur en kracht, vol vlugge, vinnige spot, misprijzend voor de vrouwen, opkijkend naar den man, noch duldzaam noch gelaten, steeds meester van haar lot, die dronk, van haar beperkt bestaan, het onderst uit de kan. Trots op haar zonen maar te trots om toe te geven dat zij haar naam glorie en luister hadden bijgezet. Dat hoorde zó, zij zou het nooit vergeven hebben, ware het niet zo geweest, want d’ijzeren wet van haar geweten was arbeid en ambitie. Bij dagen was zij stug en bot, dan weer een ruisende fontein van dartle woorden, scherp’herinneringen, bij vlagen licht ontroerbaar, lijk een kind dat niet redelijk kan zijn. Bijna een eeuw heeft het geduurd vooreer zij weigerig ontdekte dat haar broos lichaam niet meer luisterde naar haar stalen wil, tot zij doodmoe de wereld losliet en haar povere leden strekte. Zó werd het grote vuur dat ze geweest was, op een gure winteravond, eindlijk kil.
34
MARNIX GIJSEN
Mijn vadertje Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid. Hij had den zwaren last op zich geladen, een eerlijk man te zijn in woord en daad. Dat is het schone, dwaze kwaad waar, na ons Here Jezus Christus, de sterkste man aan ondergaat. Zijn oog was rustigblauw; een verre zee. Zijn woord van blijheid soms plotse fusee in stalen nacht. Hij lachte rood en zoende onverwacht mijn dwaze haren en mijn jong gedacht. De hoge schepen die de Schelde droeg, hij wist hun laden vast en schoon te sturen. Hij had hun namen lief, om mee te spelen — als een kind naïef; Karatchi, Pantos, Calcutta, lijk schoon koralen. Hij wist de haven; heimwee en verdriet, bij vroegen morgenmist en in den avond onder luid en rauw sirenenlied. Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind. Hij kende bomen lijk wij mensen kennen. Hij wist de winden en den oogst, en wou mijn hand aan ’t ruw bedrijf des jagers wennen. Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid. Hij had de goede liefde tot de still’en ware dingen. Onder de schaduw van een dorpse kerk ligt zijn sobere zerk. Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt. Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.
35
ROEL HOUWINK
Herinnering Vader, wij hebben nooit gesproken over het leven met elkaar, gij had het uwe, ik het mijne en beiden wisten wij, ’t is zwaar te leven met een weerloos hart… Zo hadden bêi we ons toegesloten en gingen zwijgend naast elkaar: ik heb den weg niet kunnen vinden, al lag uw hand steeds voor de mijne klaar. En nu gij heen gegaan zijt naar dat vreemde en voor geen levende bereikbaar land, nu breekt mijn vuist eerst hunkrend open en zoekt vergeefs uw trouwe hand.
36
GERRIT ACHTERBERG
Foetus Dit is het leven, veilig en voldaan. Binnen een vrouw ontstaan ze bij elkander: twee ogen en twee oren om den ander en tegelijkertijd, een neus komt staan tussen de wangen en een mond vangt aan. Het bloed, die donkre ingebouwde brander, houdt overal zijn uitlopers voorhanden om nieuw gebied te voegen aan lichaam. Misvormde voetjes voelen nergens grond. Stomphandjes steken hulpeloos naar buiten. Het rompje is een klompje kindervlees. Maar vocht en vliezen van de moeder sluiten het onvoltooide toe, in deze geest, dat er een mens langzaam wordt afgerond.
37
GERRIT ACHTERBERG
Moeder I Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen: zij moet de kamer doen; stof beeft; dan dweilen, voor het eten zorgen, zien wat van gisteren overbleef. Ik ben in haar liefde geborgen, die elk verraad der wereld overleeft: wie ik ook werd, wij eten overmorgen de koek die zij gebakken heeft. Wanneer de zondagmorgen is ontloken staat heel haar wezen in de blijde bloei, waarin mijn wezen moet zijn aangebroken, omdat ik dan niet meer gevoel hoe door de dood is aangestoken, wat bij een andere vrouw begon.
38
IDA GERHARDT
Aanvang Die het kindje het aanzijn geeft geeft het aanzijn aan alles nooit door woorden noembaar, dat slaapt onder schedeldons als een perzik. Vlinders slapen er, bloemen met tippen toegevouwen, bladerenfronsels, een handje openend. Tuiltjes van water slapen. En ook de verten slapen, verten met donkerblauwe rivieren, met grote bomen, even bewegend, daarachter stil in het aanvangslicht slapen de hemelweiden.
39
IDA GERHARDT
Sonnet voor mijn moeder Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen. Gelijk ik het zwaar draag.Wij zijn verwant. Wij horen in dit stormbevochten land van kavels, tussen dijk en stroom geslagen. Ik heb uw gang: die driftige en toch trage voetstap, die onverzettelijke trant. Uw harde hand herken ik in mijn hand, onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen. Machtig zijn wij, in liefde en in haat. Gij hebt u dóódgehaat, hatend het meest uzelve, om de liefde die gij schond. Ik ben genezen van het bitter kwaad. En eer in stugheid, wie gij zijt geweest: van mijn talent de donkere moedergrond.
40