

![]()





grootse verhalen over kleine beestjes

Ik blijf verwonderd. Elke dag. Beloofd.

Goed zo. Dat je dit boek vastnam en de eerste bladzijde opensloeg of de achterflap las, tovert een glimlach op ons gezicht. Het betekent namelijk dat je geïnteresseerd bent in insecten, spinnen, duizendpoten, slakken en andere kleine kriebelbeestjes. Al dat kleine grut kan je aandacht goed gebruiken, want het gaat er eigenlijk niet zo goed mee. Misschien herinner je je nog hoe de voorruit van je auto vroeger bedekt was met honderden insectenlijkjes. Een hoop gele kleverige smurrie bleef achter, die je vervolgens vloekend en goed boenend moest zien te verwijderen…
We zouden willen dat die smurrie er nog was. Onze voorruit is nu akelig net. Hier en daar kleeft een dode vlieg of mug tegen de bumper, maar dat is niks meer vergeleken met de aantallen die in onze kindertijd de autoruiten ‘versierden’. Onderzoeken bevestigen ook formeel de achteruitgang van insecten, in onze contreien en wereldwijd. Niet alleen de aantallen gaan achteruit, maar ook de soortenrijkdom. Als je wilt weten hoe dat komt, kun je Vuurvlieg, mier en vlinder lezen, het vorige boek.
Dit boek heeft echter een andere taak: we willen je meenemen op reis en je elke dag van het jaar, van 1 januari tot en met 31 december, verwonderen over de bijzondere leefwereld van kleine diertjes. In de bermen, op netels, rond bomen en onder de grond speelt zich een wereld af die je niet voor mogelijk houdt. Er wordt gemoord, er zijn kannibalen, er wordt valsgespeeld en er zijn slimmeriken onder de ongewervelden die alles en iedereen weten te omzeilen.
Heel wat mensen hoor je weleens zeggen: ‘Maar in de winter zijn er toch geen insecten of spinnen te vinden?’ Fout, ze zijn er wel! Je moet alleen weten waar je kunt gaan zoeken. Als tekenaar en schrijver van dit boek hebben we een jaar lang alle kleine diertjes die ons pad kruisten genoteerd, getekend en gefotografeerd. Zelfs tijdens de koude en donkere wintermaanden hielden we een dagboek met waarnemingen bij. We legden onze lijstjes bij elkaar en vergeleken onze resultaten met de databank van Waarnemingen, om te controleren of onze eigen vaststellingen niet eerder toevallig waren.
Het resultaat van een jaar lang kijken en zoeken is een boek met 365 verhalen over boeiende kriebelbeestjes. In ons huis, in onze tuin, in bermen en even in het buitenland, aan zee, bij onze schoonouders, op het kerkhof: overal duiken fascinerende diertjes op. We noteerden leuke weetjes over elke soort en maakten er een prachtige tekening bij. Met dit dagboek in de hand kun je zelf op onderzoek uitgaan. Ook jij kunt de 365 hoofdrolspelers van dit boek ontmoeten, zolang je je ogen maar goed de kost geeft.
Als je de inhoudsopgave bekijkt en je bent al wat thuis in de wereld van kleine diertjes, dan frons je misschien de wenkbrauwen bij een aantal keuzes
die we maakten. Dat mag, maar we wilden dit boek zo laagdrempelig mogelijk houden zodat iedereen – ook de beginner – het kan gebruiken. Daarom verwijzen we niet altijd naar een specifieke soort, maar soms naar het genus of de familie van het diertje in kwestie. Soms bespreken we het volwassen dier, soms de larve of nimf die op een totaal ander moment in het jaar voorkomt. Op die manier valt er altijd iets te ontdekken, op elk moment van het jaar en voor elk type lezer.
Natuurlijk is het ene jaar het andere niet. De ene keer is het voorjaar bijzonder warm en droog, het jaar daarna regent het weken onafgebroken en dalen de temperaturen tot op herfstniveau. Dat betekent dat kleine diertjes zich moeten aanpassen: ze kruipen wat later uit het ei, duiken dieper weg onder de grond of zorgen – wanneer het nog kan – voor een extra rondje nageslacht. Onze inhoudsopgave met 365 soorten kun je daarom niet beschouwen als ‘harde’ wetenschap. Een soort kan zeker ook iets vroeger of iets later voorkomen dan wij aangeven.
Oké, genoeg getreuzeld nu. Neem het boek vast en ga op zoek. En vooral: blijf verwonderd. Er zijn zoveel mooie verhalen te sprokkelen over kleine diertjes die – helaas – door heel wat mensen over het hoofd worden gezien.
Petra Vijncke (tekst)
Christophe Istace (tekeningen)
Sabine was een van mijn beste vrienden en overtuigd natuurliefhebber. In de zomer van 2024 overleed ze aan kanker, na een moedige strijd van bijna vijf jaar. Op de voorzijde van haar rouwkaartje stond een prachtige foto van klaprozen en twee woorden: ‘Blijf verwonderd’. Ik heb haar beloofd dat ik verwonderd zou blijven. En belofte maakt schuld.
Bientje, ik mis je. Elke dag. Dit boek is er eentje voor jou.
Petra


In de jaren 1980 moest je na een rit met de auto de insecten nog van je voorruit schrobben. Nu al lang niet meer. Op basis van internationale studies en lokaal onderzoek schat Natuurpunt dat we in Vlaanderen op 50 jaar tijd de helft van de insecten zijn kwijtgespeeld. Per jaar verliezen we nog eens een procent. Pesticiden, lichtvervuiling, overmatige stikstofneerslag en klimaatverandering zijn de boosdoeners.
Waarom die achteruitgang een slechte zaak is? Insecten zijn de smeerolie die de motor van onze natuur doet draaien. Ze spelen een hoofdrol in de kringloop van het leven. Ze bestuiven planten, ruimen afval op, zorgen voor een gezonde bodem en zijn voedsel voor veel andere dieren zoals vogels, vleermuizen en amfibieën. Zonder insecten zakt de boel in elkaar.
Wat doet Natuurpunt voor insecten?
Natuurpunt werkt elke dag aan meer en betere natuur. We verbinden natuurgebieden zodat insecten zich vlot kunnen verplaatsen. Onze gebieden beheren we gericht: we maaien op het juiste moment, laten dood hout liggen, maken open plekken en zorgen tot slot voor nestplaatsen, voedsel en schuilplekken. Waar het kan, herstellen we waardevolle biotopen zoals bloemrijke graslanden, heide en veengebieden.
Ook voor insecten geldt: meten is weten. Via www.waarnemingen.be brengen we waarnemingen van natuurliefhebbers samen in één grote databank. Vrijwilligers in werkgroepen en meetnetten doen veldwerk en volgen belangrijke soorten nauwgezet op. En met burgerwetenschap, van kleine tellingen tot campagnes zoals de Insectenzomer, laten we iedereen mee de natuur beter in kaart brengen.
Daarnaast zetten we sterk in op advies en educatie. We inspireren burgers om tuinen en balkons groener en insectvriendelijker te maken, met tips over ontharding, wateropvang en de juiste planten. Ook gemeentes en bedrijven adviseren we over natuurlijke bermen, groendaken, bloemenweides en bijenhotels. Met cursussen en excursies in heel Vlaanderen groeit de kennis én de zorg voor natuur.
Tot slot pleiten we voor meer natuur via beleidswerk. We ijveren voor minder stikstof en een verbod op schadelijke pesticiden, want insecten hebben gezonde bodems, zuiver water en propere lucht nodig. We ijveren voor een betonstop, verdedigen kwetsbare gebieden en dringen aan op een sterk natuurherstelplan, met sterke wetten en voldoende middelen in Vlaanderen en Europa.
Wat kan jij doen voor insecten?
Breng de insecten in Vlaanderen mee in kaart met ObsIdentify. Deze app vertelt je in één klik welke kever, bij of vlinder je hebt gespot. Jouw waarnemingen helpen de natuurwetenschap.
Maak je tuin insectvriendelijk. Kies voor inheemse planten en zaden, hang een insectenhotel op en laat je gras wat langer staan. Vermijd pesticiden.
Word lid van Natuurpunt. Zo draag je bij aan meer natuur en een betere leefomgeving voor onze insecten.
www.natuurpunt.be
Natuurpunt is een vrijwilligersorganisatie die zich inzet voor de natuur in je buurt. Met de steun van 125.000 gezinnen die lid zijn, zorgen 36.000 vrijwilligers voor 700 natuurgebieden in Vlaanderen en Brussel, onderhouden ze 3500 km wandelpaden en organiseren ze jaarlijks 5.000 activiteiten.


De wind giert door de schoorsteen en ’s morgens moet ik het ijs van mijn voorruit krabben voor ik naar het werk vertrek. Mijn handschoenen zijn onmisbaar, net als mijn heerlijk warme winterschoenen. Insecten en andere kleine kriebelbeestjes zitten in deze tijd van het jaar goed ingeduffeld tot de winter voorbij is. Sommige zoeken beschutting onder schors of tussen bladeren, andere verkiezen de warmte in of rond ons huis. Voor de meeste soorten is het nu gewoon wachten tot kou en donker plaatsmaken voor licht en zon.
Bladpootrandwants ongevaarlijke inbreker
Ik heb misschien toch iets te stevig gefeest gisteravond, tijdens de nacht van oud naar nieuw. Met kleine oogjes loop ik de woonkamer binnen en nog voor ik goed en wel de puinhoop van het feestje van gisteren kan bekijken, schiet iets voor me uit. Een bladpootrandwants!
In de zomer leven bladpootrandwantsen van zaden van dennen, sparren en andere naaldbomen, maar in het najaar zoeken de diertjes een warm plekje op om te overwinteren, zoals onze woonkamer. Ze beschikken over een lokstof die soortgenoten aantrekt en waarmee ze elkaar laten weten dat ze een gunstige overwinteringsplek hebben gevonden.
Bladpootrandwantsen komen eigenlijk uit Noord- en Midden-Amerika, maar werden in 1999 voor het eerst gesignaleerd in Italië. Hoe ze meegereisd zijn, weet niemand echt zeker. Maar vanuit het zuiden van Europa hebben de diertjes zich op hele korte tijd verspreid over een groot deel van Europa. Ook in Vlaanderen en Nederland komen ze ondertussen heel veel voor. Het is misschien wel de meest waargenomen wantsensoort, al kan dat ook met het bijzondere uiterlijk te maken hebben. Een bladpootrandwants is tot 2 centimeter groot en fraai gekleurd. Vind je deze soort in huis? Kijk dan vooral goed naar de mooie tekening op de rug en de mooi gevormde achterpoten. Je kunt het diertje makkelijk opnemen om te bekijken. Bladpootrandwantsen bijten niet, want ze hebben een onschuldige zuigsnuit waarmee ze sappen opzuigen.
In het voorjaar vertrekken de diertjes vanzelf uit je huis en zoeken ze weer de vrije natuur op.
De bladpootrandwants lijkt een beetje op de kissing bug, de wants die de ziekte van Chagas kan overbrengen. De ziekte kan op lange termijn tot hartproblemen leiden, maar komt voorlopig vooral in Zuid-Amerika voor. Elk jaar komen er meldingen binnen van mensen die denken dat ze een kissing bug hebben aangetroffen in Vlaanderen of Nederland. Gelukkig blijkt het dan altijd te gaan om deze ongevaarlijke inbreker: de bladpootrandwants.
Dagpauwoog gecamoufleerd vechtersbaasje
Ik ruim wat spullen van ons oudejaarsavondfeest op in de garage wanneer ik plots, verstopt in een donker hoekje, een dagpauwoog zie hangen. Deze vlinders slapen met hun vleugels dichtgeklapt, waardoor je alleen de onderkant ziet. Zo vallen ze op de donkere, koele plekken waar ze overwinteren nauwelijks op.
Dagpauwogen behoren tot de familie van de schoenlappers. Die danken hun naam aan het feit dat de dichtgeklapte vleugels wat lijken op schoenen die hersteld zijn met diverse stukjes leer. Alle insecten hebben zes poten, maar wanneer je een vlinder van de schoenlappersfamilie bekijkt, lijkt het alsof er maar vier poten zijn. De vlinder heeft wel degelijk zes poten, maar gebruikt enkel de vier achterste om te lopen of te kruipen. De voorste twee poten zijn poetspoten waarmee vrouwtjes planten aftasten, bijvoorbeeld om te bepalen of ze goed genoeg zijn om eitjes erop af te zetten.

Een dagpauwoog in diapauze (zo heet de winterrust bij insecten) laat je beter zitten. Haal de vlinder zeker niet in huis, want wanneer hij wakker wordt door de hogere temperaturen, kost dat energie en moet hij eten. Maar omdat er in de winter geen bloemen of planten zijn die nectar leveren, is de ontwaakte vlinder ten dode opgeschreven. Wordt een dagpauwoog licht verstoord tijdens het overwinteren, dan zal hij eerst klapperen met zijn vleugels. Daardoor is de felle bovenzijde te zien, met de twee grote ogen die doen denken, aan, de ogen op een pauwenstaart. Helaas werkt die truc niet in het donker en daarom heeft een dagpauwoog nog iets anders in petto: hij heeft een structuur op zijn vleugels waarmee hij sissende geluiden kan maken. Die geluiden zijn zo hard dat je ze zelfs met mensenoren kunt horen. Kortom, dagpauwogen halen alles uit de kast om rustig te kunnen overwinteren en vijanden op een afstand te houden. Op zonnige voorjaarsdagen in februari komen de eerste exemplaren weer naar buiten, uitgerust na hun lange diapauze en klaar voor de voortplanting.
Sneeuwvlo
winterse acrobaat

Ik heb nog een paar dagen vakantie voor ik terug aan het werk moet en trek eropuit naar het Grenspark Kalmthoutse Heide. Hier zag ik een tijd geleden jonge biologen op handen en knieën zoeken naar sneeuwvlooien.
Sneeuwvlooien – ook wel sneeuwspringers genoemd – zijn rare snuiters: terwijl de meeste insecten een broertje dood hebben aan kou, komen sneeuwspringers tot leven bij winterse temperaturen. Je vindt ze vooral in stuifduingebieden waar korstmossen en ruig haarmos tussen het kale zand groeien.
De diertjes zijn amper 4 millimeter groot, maar tijdens een winterwandeling in de stuifduinen zie je ze soms wegspringen voor je voeten. Ze kunnen sprongen maken tot 20 centimeter ver. Op die manier kunnen ze indien nodig stukjes sneeuw oversteken. Tijdens de zomermaanden zitten de larven knus onder de grond waar ze zich tegoed doen aan de wortels van mossen, maar in de wintermaanden planten de volwassen dieren zich voort. Ook dat gebeurt een beetje ‘anders’: bij de meeste insecten neemt het mannetje voor de paring plaats op de rug van het vrouwtje. Bij een sneeuwvlo is het net andersom: het vrouwtje zit boven op het mannetje en hij houdt haar vast met kleine, naar boven stekende vleugelstompjes. Met die stompjes kan het mannetje niet langer vliegen, maar om het vrouwtje op haar plaats te houden tijdens de paring werken ze prima.
Wil je ook dit bijzondere insect zien? Ga dan in de wintermaanden zoeken op plekken waar kaal zand afgewisseld wordt met mossen en korstmossen. Op de site van www.waarnemingen.be (een platform waar data over wilde dieren, planten en paddenstoelen wordt verzameld) kun je zien waar het diertje eerder gespot werd. Trek zeker een dikke jas aan, want zodra het warmer dan 7 graden Celsius wordt, laten sneeuwspringers zich niet meer zien.
Heel wat insecten proberen te ontsnappen aan de winterse kou door zich te verschuilen in kieren, spleten of in ruimtes binnenshuis. Dat geldt ook voor Aziatische lieveheersbeestjes; kevertjes met veel of weinig stippen en met heel diverse kleurpatronen.
De naam verraadt het al: een Aziatisch lieveheersbeestje is een uitheemse soort. Deze kevertjes werden vanuit Azië ingevoerd als plaagbestrijders tegen bladluizen. Bladluizen zuigen namelijk plantensappen op en kunnen daardoor aanzienlijke schade veroorzaken aan gewassen. Bovendien scheiden bladluizen honingdauw af, een soort kleverige stof die uit de bomen valt en geparkeerde auto’s verandert in plakkerige blikken dozen. Kortom, bladluizen zijn niet door iedereen zo geliefd. Daarom werden in de vroege jaren 1990 Aziatische lieveheersbeestjes in Europa geïmporteerd. Het idee leek prima: deze Aziatische rovertjes zouden de strijd aangaan met bladluizen en ons van talrijke problemen verlossen. Dat bleek later echter niet zo een goede zet. De kevertjes zijn namelijk bijzonder roofzuchtig en eten ook (eitjes van) onze inheemse lieveheersbeestjes en vlinders op.
Aziatische lieveheersbeestjes kun je herkennen aan de zwarte en M-vormige tekening op het halsschild. Er zijn nog wel wat andere soorten die dat kenmerk ook hebben, maar die hebben dan weer niet het ‘deukje’ dat Aziatische familieleden aan de achterkant van hun dekschild hebben. Zie je dus een M op het halsschild en een deukje op de dekschilden achteraan? Dan heb je zeker een Aziatisch lieveheersbeestje gevonden. Om deze overwinteraar te vinden, hoef je trouwens niet veel moeite te doen. Tijdens de koudere maanden tref je vaak grotere clusters aan en in de zomer zitten de diertjes op struiken en planten, waar ze loeren naar lekkers.

Wintermug onopvallende wintergast

Er zweeft een mug in onze woonkamer en ze danst van tijd tot tijd voor ons tv-scherm. ‘Muggen in de winter? Dat kan toch niet?’ vraagt mijn man, terwijl hij met zijn hand de ongewenste gast probeert weg te wuiven. Toch wel, er bestaan namelijk ook wintermuggen. Terwijl de meeste muggensoorten bij temperaturen onder 12 graden Celsius inactief worden, sterven of in een soort ‘winterrust’ (diapauze) gaan, kunnen wintermuggen wel nog vliegen. Het goede nieuws is echter dat ze niet kunnen steken. De term ‘wintermuggen’ is een verzamelnaam voor een heleboel soorten. Wat al deze mugjes gemeen hebben, is dat ze meestal vrij onopvallend gekleurd zijn: bruin, grijs en vaal. Ze lijken wat op langpootmugjes, maar hebben kortere poten.
Wintermuggen zijn taaie diertjes. Ze kunnen (over)leven op de poolcirkel en in het hooggebergte. Bij koude temperaturen verlagen ze het watervolume in hun lichaam en voegen ze een soort antivriesmiddel toe. Hierdoor vriezen de mugjes niet dood wanneer de temperatuur diep onder nul duikt. Maar zodra het iets warmer wordt, worden wintermuggen actief en vliegen ze rond. Dat kan zelfs al bij een heel flauw zonnetje of bij een lichte verhoging van de temperatuur. En heb je tuinverlichting? Dan is de kans groot dat je de diertjes ook daar aantreft, want ze komen graag af op kunstlicht.
Misschien zag je in de wintermaanden al eens een zwerm mugjes voor je uit dansen, op ooghoogte. Een dansende groep wintermuggen is erg opvallend omdat het lijkt alsof de diertjes bewegen in wolkjes. Ze schieten pijlsnel naar boven en vallen daarna terug. Ondertussen doet het zonlicht hun vleugels schitteren. Met al die dansmoves hopen de mannetjes de aandacht te trekken van paringsbereide vrouwtjes, die zich veilig verstopt hebben tussen de planten.
Zilvervisje nachtbraker in de badkamer
Terwijl ik ’s nachts slaperig het licht in de badkamer aanknip, zie ik iets rondrennen in de badkuip. Het blijkt een zilvervisje te zijn, opgeschrikt door het licht. Het beestje ziet er met zijn zilveren schubben, lange antennes en drie staartaanhangels wat ‘prehistorisch’ uit. Die vergelijking is nog niet eens zo vergezocht: zilvervisjes zijn inderdaad hele primitieve wezentjes. Ze zijn zo primitief dat ze zelfs nooit vleugels hadden, in tegenstelling tot andere insectensoorten die ooit wel vleugels hadden, maar die verloren na miljoenen jaren evolutie omdat ze die nergens voor nodig bleken te hebben. In veel gevallen bleven dan slechts stompjes over, zoals bij de sneeuwspringers. Maar zilvervisjes hebben nooit vleu gels gehad; zij moeten het stellen met poten die hen toelaten om snel te rennen.
Dat de diertjes in badkamers voorkomen, mag niet verba zen: ze houden van vochtige en koele omgevingen, zoals de kelder, het toilet, de keuken en de badkamer. Overdag zie je ze bijna nooit; de diertjes houden zich schuil achter plinten, in kieren en soms zelfs onder een mat. Maar zodra het donker wordt, komen de zilvervisjes tevoorschijn en gaan ze op zoek naar behangplaksel, boeken, huidschilfers, haar en huisstofmijt. Alles waar zetmeel of suiker in zit, vinden de diertjes lekker.

Online lees je weleens dat zilvervisjes bacillen en bacteriën kunnen overbrengen vanwege de onhygiënische plaatsen waar ze leven, maar eigenlijk hebben de diertjes vooral een fascinerend uiterlijk en een nog meer fascinerende voortplantingswijze: het mannetje van een zilvervisje ‘dropt’ namelijk een spermatofoor of een spermapakketje. Door middel van chemische signalen trekt dat pakketje de aandacht van een vrouwelijk zilvervisje. Zij loopt vervolgens over het pakketje en neemt het op. Bij zilvervisjes is er dus geen sprake van een echte paring, maar eerder van een drop and shop-voortplanting.