Skip to main content

9789038226613

Page 1

TiNT-dag 2015


NL-Term Publicaties

TiNT-dag 2015

Redactie:

Els Ruijsendaal, Cornelia Wermuth

Reeks: Terminologie in het Nederlandse Taalgebied - 7


Reeks Terminologie in het Nederlandse Taalgebied, deel 7: TiNT-dag 2015 Een uitgave van de Vereniging NL-Term en het Steunpunt Nederlandstalige Terminologie (SNT)

Uitgeverij Academia Press Prudens Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.

ISBN 978 90 382 2661 3 D/2016/4804/191 NUR 620 Els Ruijsendaal, Cornelia Wermuth (red.) TiNT-dag 2015. Reeks: Terminologie in het Nederlandse Taalgebied - 7 Gent, Academia Press, 2016, 75 p. Eerste druk, 2016

Vormgeving binnen- en buitenwerk: bvba Le Pur et l’Impur

© Cornelia Wermuth & Els Ruijsendaal © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Woord vooraf Uit de inleidende toespraak op de TiNT-dag van 2015 Zoals u bekend, begint straks de Week van het Nederlands. Het motto waaronder de Week van het Nederlands opereert, is Iedereen aan het woord en binnen die week staat een Taalcongres onder de titel Taal schept kansen centraal. Mutatis mutandis zouden wij kunnen beweren dat de vlag waaronder TiNT 2015 vaart, Nederlands in de Europese Unie: terminologische uitdagingen, in feite ook een verhaal van kansen is, kansen en uitdagingen ten bate van iedereen, iedere Nederlandstalige burger, iedere EU-burger. Inderdaad, het feit dat alle officiële EU-documenten in de verschillende talen van de lidstaten dienen te worden vertaald, het feit ook dat deze EU-overheidsteksten over alle mogelijke onderwerpen kunnen handelen, dit alles maakt dat hier niet alleen een enorme uitdaging, maar ook een enorme kans ligt voor de EU-talen, waaronder de onze, het Nederlands, om bij de tijd te blijven. Nederlandstaligen doen er dan ook goed aan deze kans, die uitdaging ten volle te grijpen, willen zij dat het Nederlands op alle domeinen en in alle vakgebieden aanwezig is en blijft. Vandaag zullen kansen en uitdagingen voor de verschillende Nederlandse natiolecten en Eurolecten vooral op het gebied van overheidstaal uitvoerig aan bod komen. Ik verwijs hiervoor o.a. naar de lezingen van Dominique Stevens, Wouter Pas en Jeroen van Nieuwenhove, Jeroen Aspeslagh en Ingrid van Gent, en Sara Vandewaetere en Klaar van Opstal. Het is echter ook een traditie geworden dat naast een aantal thematische ook een aantal meer algemeen-terminologische lezingen op TiNT aan bod komt. Ik ben dan ook zeer blij dat wij hier vandaag twee eminente experts in ons midden hebben. De ene, de heer Christian Galinski, voorzitter van Infoterm, The International Information Centre for Terminoloy, Wenen, zal ons onderhouden over de problematiek van intellectuele eigendomsrechten bij het gebruik van terminologische teksten; de andere, de heer Jef Malliet, werkzaam bij Erfgoedplus.be, provincie Limburg, heeft het over het belang en gebruik van kwalitatief goede terminologie voor Linked Data, zeg maar semantische netwerken. TiNT zou TiNT niet zijn zonder dat er ook een experimenteel kantje aan het programma zat: in 2013 introduceerden wij de Pecha Kucha’s (kortpresentaties aan de hand van twintig dia’s, die ieder niet langer dan twintig seconden mogen duren), vorig jaar kregen interactieve postersessies veel ruimte toebeV


TiNT-dag 2015

deeld en op deze TiNT-dag hebben we weer voor iets nieuws gezorgd. De resultaten van twee stukken terminologisch gereedschap, zgn. termextractoren, worden met elkaar en met de resultaten van een menselijke ‘extractor’ vergeleken. In een panel worden die resultaten toegelicht en, in samenspraak met het publiek, beoordeeld en besproken. TiNT-dag 2015 heeft alles in zich om weer een succesvol evenement te worden, het zevende in de reeks. Dat dat zo is, heeft het mede te danken aan de lokale organisatoren, de mensen van de Nederlandse Taalafdeling van de EC, met name Dirk Stockmans en Jeroen Aspeslagh en hun medewerkers. Dankzij hen kunnen en mogen wij gebruikmaken van deze en andere zalen van het Karel de Grote-gebouw, ik wil hen dan ook bij dezen hartelijk danken én voor de gastvrijheid én voor de materiële en immateriële steun die NL-Term bij het uitwerken van het programma mocht ondervinden. Dit programma zou evenmin tot stand gekomen zijn zonder de logistieke en andere ondersteuning die het SNT, het Steunpunt voor Nederlandstalige Terminologie, heeft geboden; veel dank aan Hennie van der Vliet, Anneleen Schoen en Nathalie de Sutter daarvoor. Ook de NTU, die onze vereniging financieel steunt, wil ik graag in mijn dankwoord betrekken. Willy Martin Voorzitter NL-Term Brussel, 08-10-2015

VI


Inhoud

Nederlands in de Europese Unie: terminologische uitdagingen Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving

1 3

Jef Malliet Het belang en gebruik van terminologie voor Linked Data

17

Ingrid van Gent Interlinguale variatie in EU-context

35

De praktijk

Hennie van der Vliet en Els Lefever Hoe goed werkt termextractie voor het Nederlands?

45 47

Medewerkers aan deze bundel 75

VII


Nederlands in de Europese Unie: terminologische uitdagingen


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving 1. Inleiding In deze bijdrage komen verschillende aspecten aan bod van het Nederlands als rechtstaal in België. Het Nederlands is een rechtstaal van België, Nederland en de Europese Unie, maar in België bestaat er (net als in de Europese Unie) de specifieke uitdaging van meertalige rechtsregels. We gaan in op de knelpunten bij het opstellen van de rechtsregels in België en pogen een paar goede praktijken voor te stellen. Rechtsregels hebben bepaalde intrinsiek-juridische kenmerken die niet altijd goed verzoenbaar zijn met de eisen van duidelijkheid en transparantie voor alle burgers. Ten slotte wordt ingegaan op een aantal vaak en algemeen voorkomende terminologische problemen in regelgeving.

2. Nederlands, rechtstaal van verscheidene overheden Het Nederlands is de rechtstaal van verscheidene overheden. Naast de Europese Unie hebben zowel België als Nederland het Nederlands als officiële taal voor hun rechtsregels. Binnen België is dat het geval voor de federale overheid, de Vlaamse en de Brusselse instellingen.1 Op het federale en op het Brusselse niveau worden rechtsregels zowel in het Nederlands als in het Frans opgesteld en uitgevaardigd. Die tweetaligheid heeft specifieke uitdagingen, die verder in deze bijdrage aan bod komen. Het streefdoel voor al die overheden zou moeten zijn om de Nederlandse rechtstaal zoveel mogelijk onderling af te stemmen. Het is jammer dat van belangrijke teksten zoals het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) twee verschillende Nederlandse versies gelden in België en in Nederland. Gelukkig wordt er bij multi1 Meer precies (naast de federale overheid) de Vlaamse Gemeenschap (die ook de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest uitoefent), het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (die in Brussel bepaalde gemeenschapsbevoegdheden uitoefent).

3


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

laterale verdragen waarbij beide landen partij zijn en die niet in een authentieke Nederlandse versie bestaan, nu wel gestreefd naar een identieke vertaling. De Taalunie speelt daarbij een belangrijke rol. Een eenvormige Nederlandse rechtstaal is natuurlijk maar tot op zekere hoogte mogelijk, omdat beide overheden een verschillende juridische en administratieve context hebben.

3. De Belgische Raad van State en het opstellen van tweetalige rechtsregels 3.1 De Belgische Raad van State De Belgische Raad van State omvat, net als de Nederlandse, twee afdelingen. De afdeling bestuursrechtspraak vormt het hoogste interne administratieve rechtscollege. De afdeling wetgeving geeft juridisch advies over ontwerprechtsregels, net als de afdeling advisering van de Nederlandse Raad van State. De afdeling wetgeving laat zich – anders dan haar Nederlandse tegenhanger – niet in met beleidsanalyse, maar beperkt zich tot de strikt juridische problemen in ontwerprechtsregels. Bovendien moet het advies worden gegeven binnen korte tot zeer korte termijn en wordt de afdeling wetgeving chronisch overbevraagd, wat onder meer tot gevolg heeft dat slechts weinig aandacht kan uitgaan naar de taalkundige en vormelijke (wetgevingstechnische2) aspecten van de teksten die voor advies worden voorgelegd. De kern van het onderzoek door de afdeling wetgeving betreft de vraag naar de inpasbaarheid van de tekst in de bestaande rechtsregels en meer specifiek de overeenstemming met hogere rechtsregels. Daar heeft de afdeling wetgeving doorgaans haar handen al meer dan vol aan. Die beperkte aandacht van de Belgische Raad van State voor de taalkundige en vormelijke aspecten van rechtsregels hoeft niet zo’n probleem te vormen, als er in een vroegere fase van het productieproces van rechtsregels voldoende kwaliteitscontrole is. Dat is jammer genoeg vrij zelden het geval. Bij de Vlaamse overheid is er nog een vrij systematische vormelijke doorlichting van de ontwerpregelgeving (het zogenaamd taalkundig en wetgevingstechnisch advies), maar bij de opstellers van tweetalige regelgeving, namelijk bij de federale overheid, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is er geen centrale en systematische vormelijke doorlichting. De huidige inrichting van de Raad van State leent zich ook niet zo goed tot 2 Wetgevingstechniek betreft de vormelijke voorschriften van overheidswege voor het opstellen van rechtsregels. In Nederland zijn ze vervat in de Aanwijzingen voor de regelgeving, in België (onder meer) in de handleiding Beginselen van de wetgevingstechniek van de Raad van State.

4


Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving

een controle op tweetalige teksten. De afdeling wetgeving omvat immers twee Nederlandstalige en twee Franstalige kamers, die in beginsel elk afzonderlijk advies geven over de teksten die aansluiten op de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn. Dat is anders dan in de Nederlandse Raad van State, waar alle adviezen worden gegeven door de voltallige afdeling advisering, maar de grotere werklast3 in de Belgische Raad van State maakt een verdeling van het werk over verscheidene kamers noodzakelijk. In dergelijke eentalig samengestelde kamers is de aandacht voor de overeenstemming tussen de twee taalversies onvermijdelijk minder groot dan in tweetalige kamers. Er worden vaak opmerkingen gemaakt over die overeenstemming, maar een fijnmazig vangnet is er niet.

3.2 Goede praktijken voor het opstellen van tweetalige rechtsregels De omstandigheid dat de Raad van State te weinig aandacht kan besteden aan de taalkundige kwaliteit en de onderlinge overeenstemming van de twee taalversies, neemt niet weg dat het het meest efficiënt is om toe te zien op de kwaliteit van die tweetalige rechtsregels van bij de oorsprong, met andere woorden bij de redactie van die teksten. We proberen enkele ‘goede praktijken’ te formuleren voor die kwaliteitscontrole bij het opstellen zelf van tweetalige rechtsregels. De ideale – maar zelden haalbare – werkwijze is die van coredactie, waarbij een Nederlandstalige en een Franstalige wetgevingsdeskundige samen de tekst vanaf het prille begin opstellen. Die werkwijze is de beste om de inhoudelijke overeenstemming tussen de twee taalversies te waarborgen. Het is dan wel goed dat een vertaler de taalkundige overeenstemming achteraf nog eens controleert. In de praktijk worden teksten in het begin in slechts één taalversie opgesteld en wordt er pas vertaald zodra de tekst inhoudelijk voldoende vaststaat. Dat is overigens niet anders in de Europese Unie. Vroeger betekende dat vaak dat een tekst eerst in het Frans werd opgesteld en naderhand naar het Nederlands werd vertaald. Omdat de kwaliteit van de vertaling in vele gevallen ondermaats was, resulteerde dit doorgaans in minderwaardige Nederlandse versies. Indien de tekst door de slechte vertaling onduidelijk was, werd er instinctief naar de 3 Die grotere werklast in vergelijking met de Nederlandse Raad van State wordt veroorzaakt doordat over meer teksten advies moet worden gegeven (namelijk ook over ministeriële besluiten) en doordat de federale staatsstructuur tot een vermenigvuldiging van het aantal adviesaanvragers leidt.

5


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

Franse tekst gekeken om uit te maken wat er echt werd bedoeld. Die laatste werkwijze staat wel op gespannen voet met de wet, die voorschrijft dat “[e] ventuele verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst worden opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatie en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andereâ€?.4 Het doel moet dan ook zijn dat inhoudelijke verschillen tussen de twee taalversies zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien het om praktische redenen aangewezen is om een tekst in een enkele taal voor te bereiden, moet des te meer aandacht worden besteed aan een correcte vertaling die zowel taalkundig als juridisch-inhoudelijk voldoet. Het vertalen van rechtsregels is geen sinecure. Vertalers van rechtsregels hoeven weliswaar geen juristen te zijn, net zomin als opstellers van rechtsregels per se juristen moeten zijn, maar het vertalen van rechtsregels vergt specifieke kennis en ervaring. Er zijn heel wat valkuilen voor niet-ingewijden. Zo mogen verwijzingen naar andere rechtsregels niet zomaar worden vertaald, maar moet het officiĂŤle opschrift (titel) van die rechtsregels eerst worden opgezocht in een wettendatabank en zo worden overgenomen in de doeltekst. Een andere vaak voorkomende fout is het vrij vertalen van rechtsregels waarbij richtlijnen van de Europese Unie worden omgezet zonder de richtlijn in de doeltaal te raadplegen. Het vertalen van rechtsregels zonder juridisch woordenboek (naast algemene verklarende en vertalende woordenboeken) is uiteraard ook volstrekt uit den boze.

4. De eigenheid van de rechtsterminologie 4.1 Algemeen Het juridische discours is een vakspecifiek discours, dat gekenmerkt wordt door specifieke termen en uitdrukkingen. Dat is ook het geval voor regelgeving. De eigenheid van de juridische terminologie neemt echter niet weg dat regelgeving toegankelijk en begrijpelijk moet zijn voor alle burgers. De overheid kan pas verwachten dat haar burgers de rechtsregels in acht nemen wanneer ze haar rechtsregels voldoende duidelijk verwoordt. Maar regelgeving vertoont bepaalde wezenskenmerken die de duidelijkheid en de transparantie ervan onvermijdelijk bemoeilijken. Deze kenmerken worden hierna kort besproken. 4 Artikel 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en in werking treden van wetten en verordeningen.

6


Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving

4.2 Normenhiërarchie en delegatie Een eerste specifiek kenmerk van regelgeving is de normenhiërarchie. Rechtsregels zijn niet onderling gelijk zoals burgers dat zijn. Sommige rechtsregels gaan wegens hun aard voor op andere rechtsregels. Zo gaan Europese verordeningen voor op elke rechtsregel van elke lidstaat. Grondwetsbepalingen gaan voor op wetsbepalingen. Wetten gaan voor op besluiten enzovoort. Die normenhiërarchie houdt in dat de lagere rechtsregels niet mogen ingaan tegen de hogere. Sterker zelfs, lagere rechtsregels mogen hogere rechtsregels niet hernemen of parafraseren. Wanneer een bepaalde regeling bijvoorbeeld zowel in een wet als in een koninklijk besluit is opgenomen, kan het gebeuren dat men naderhand de regeling in het koninklijk besluit wijzigt zonder dat men er erg in heeft dat die wijziging afwijkt van hetgeen in de wet wordt bepaald. Dat leidt tot een conflict tussen die twee regelingen, waarbij nietingewijden die enkel afgaan op de regeling in het koninklijk besluit, op het verkeerde juridische been worden gezet. Uiteindelijk gaat de regeling in de wet immers voor, ook al is ze van een vroegere datum dan die in het koninklijk besluit of is ze in de praktijk voorbijgestreefd. Maar de lezer die niet bedacht is op het bestaan van die wettelijke regeling, zal (ten onrechte) afgaan op de regeling in het koninklijk besluit. Kortom: een onverkwikkelijke situatie, die het best zo snel mogelijk wordt uitgeklaard. Uit dit alles blijkt dat de normenhiërarchie noopt tot een strikte opdeling van wat bij de wet en wat bij koninklijk besluit wordt geregeld. Er mogen geen overlappingen zijn, want wanneer later slechts een van beide regelingen wordt gewijzigd in een zin die ingaat tegen de andere regeling, ontstaat onduidelijkheid en zelfs rechtsonzekerheid. Een tweede specifiek kenmerk van regelgeving is de mogelijkheid, ja zelfs de wenselijkheid van delegatie aan lagere regelgevers. De wetgever kan nu eenmaal niet alles regelen, ook al moet hij minstens de eerste steen van de regelgeving leggen. Bovendien kost het meer tijd om wettelijke regelingen te wijzigen, aangezien de parlementaire procedure ook meer tijd in beslag neemt dan de procedure voor lagere rechtsregels. Daarom alleen al is het een goede zaak om de minder belangrijke aspecten van een regeling, en zeker degene die frequent moeten worden aangepast, in lagere rechtsregels (besluiten) op te nemen, veeleer dan in wettelijke regelingen. Het gevolg van die twee kenmerken is dat regelgeving zeer vaak opgedeeld moet worden over verscheidene soorten rechtsregels: de algemene beginselen in een wet, de verdere uitwerking in een (koninklijk) besluit en eventueel een 7


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

aantal technische details in een ministerieel besluit. Een dergelijke fragmentatie kan het overzicht over het geheel van de regeling bemoeilijken, maar ze is onvermijdelijk om de zo-even geschetste redenen. Die fragmentatie kan lezers op het verkeerde been plaatsen als ze afgaan op een enkele tekst en zich niet bewust zijn van het bestaan van ‘bovenliggende’ of ‘onderliggende’ relevante teksten. Meer ervaren lezers van rechtsregels (en juristen in het bijzonder) weten dat een besluit moet worden gelezen in samenhang met de wettelijke regels die erboven staan en waarnaar wordt verwezen in de aanhef van het besluit. Omgekeerd moet men bij het lezen van een wettelijke regeling nagaan of er uitvoeringsbesluiten bestaan (wat al iets moeilijker is). Goede juridische databanken (helaas vaak commerciële projecten die niet gratis toegankelijk zijn) bevatten linken tussen die teksten onderling, zodat het gemakkelijker is om de samenhangende rechtsregels te raadplegen. De fragmentatie van rechtsregels over verschillende soorten brengt ook terminologische complicaties mee. Zo kan een definitie van een bepaalde term in de wet niet worden herhaald in een uitvoeringsbesluit, vanwege de normenhiërarchie. Een in de wet gedefinieerde term geldt ook voor de uitvoeringsbesluiten. Dat betekent dat wie een bepaalde term aantreft in een uitvoeringsbesluit, erop bedacht moet zijn dat de definitie van die term kan voorkomen in de wet en dat die definitie een andere betekenis dan de spraakgebruikelijke betekenis van die term kan inhouden. Als een ei in de wet wordt gedefinieerd als een “voor menselijke consumptie geschikt kippenei”, wordt de lezer van het uitvoeringsbesluit verondersteld die specifieke betekenis ook voor de toepassing van het uitvoeringsbesluit te kennen, wat niet zo voor de hand ligt wanneer in dat uitvoeringsbesluit de term ‘ei’ voorkomt zonder een dergelijke beperkende definitie erbij.

4.3 Verbindend karakter Een derde specifiek kenmerk van regelgeving is dat het dwingende karakter ervan voortvloeit uit de aard ervan en niet in de rechtsregel wordt geëxpliciteerd. Een rechtsregel vermeldt bijvoorbeeld niet dat een verplichte bijdrage betaald moet worden tegen 1 juli van elk jaar. Er wordt bepaald dat de bijdrage betaald wordt uiterlijk op 30 juni van elk jaar. Niet de gebiedende maar de aantonende wijs. In het Frans wordt wel eens de toekomende tijd gebruikt om een verplichting weer te geven in rechtsregels, maar ook dat is uit den boze, zowel in het Nederlands als in het Frans. In rechtsregels wordt in beginsel de onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt, tenzij uiteraard wanneer men in de rechtsregel zelf een tijdsrelatie wil uitdrukken. Zo kan men bijvoorbeeld wel schrijven 8


Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving

dat uiterlijk op 30 juni van elk jaar een bijdrage wordt betaald, die betrekking heeft op de controles die zijn uitgevoerd (voltooid tegenwoordige tijd) in de loop van het vorige kalenderjaar. De verplichting tot het volgen van de rechtsregel volgt met andere woorden uit de aard van de rechtsregel zelf en mag niet in de rechtsregel zelf tot uiting worden gebracht door het gebruik van de gebiedende wijs. Anders zouden onze rechtsregels uitpuilen van de moeten- en dienen te-constructies, wat niet echt fraai zou zijn. Het formuleren van een mogelijkheid moet natuurlijk wel expliciet gebeuren, precies omdat het een uitzondering is op het beginsel van het verplichtende karakter van een rechtsregel. Als de overheid bijvoorbeeld een vrijstelling kan (maar niet moet) toestaan in bepaalde gevallen (met andere woorden als ze daarvoor een beoordelingsmarge krijgt), wordt uitdrukkelijk bepaald dat een vrijstelling kan worden toegestaan. Als er daarentegen staat dat een vrijstelling wordt toegestaan in bepaalde gevallen, is er geen beoordelingsmarge en is de overheid verplicht de vrijstelling toe te staan wanneer men zich in een van die gevallen bevindt. De eerlijkheid gebiedt ons te vermelden dat in rechtsregels wel eens slordig wordt omgesprongen met dit onderscheid.

4.4 Uniformiteit Een vierde kenmerk van rechtsregels is de noodzaak van uniformiteit. In gewone en zeker in literaire teksten zijn lexicale variaties wenselijk, maar in rechtsregels zijn ze volstrekt uit den boze. Men kan bijvoorbeeld niet op één plaats spreken van toezichthouders, op een andere plaats van een controlerende instantie en op nog een andere plaats van inspecteurs, als men telkens hetzelfde bedoelt. Dergelijke terminologische variaties zouden immers tot onduidelijkheid en zelfs tot rechtsonzekerheid kunnen leiden. Rechtsonzekerheid vinden juristen erg – en terecht. Het betekent immers dat de burger niet goed weet wat de precieze draagwijdte is van de rechtsregels, wat van hem verwacht wordt en hoe hij zich moet gedragen om een bepaald voordeel te mogen verwachten of om een bepaald nadeel (zoals een sanctie) niet op te lopen. Een belangrijke rol bij die uniformiteit wordt gespeeld door definities. Veel rechtsregels bevatten in het begin een artikel met definities van belangrijke termen die in die rechtsregel voorkomen. Definities worden enkel gebruikt om af te wijken van de gebruikelijke betekenis van een term (door die in een engere of ruimere zin te definiëren), om een zeer specifieke of technische term, 9


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

die niet algemeen gekend is, te omschrijven, om een verkorte benaming in te voeren voor een langere term of voor het overnemen van definities in een om te zetten Europese richtlijn. Als men een term definieert, moet men die term uiteraard consequent gebruiken en geen andere benamingen hanteren voor dezelfde term. Definities hebben als nadeel dat de lezer voortdurend moet heen- en weerspringen tussen het artikel met de definities en het vervolg van de rechtsregel. Zoals zo-even al werd uiteengezet moet men erop bedacht zijn dat een term met een bepaalde gebruikelijke betekenis in een artikel met definities een heel afwijkende betekenis kan krijgen. Definities mogen om die redenen zeker niet uitbundig worden gebruikt. Wanneer de betekenis van een bepaalde term voor de hand ligt, kan men hem beter ook niet definiëren. Zo is het zinloos om in een subsidieregeling de term “aanvrager” (van de subsidie) te definiëren als “de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt”. Die betekenis ligt immers voor de hand. Zelfs als men zou willen bepalen dat enkel natuurlijke personen een subsidie kunnen aanvragen, kan men beter geen (inperkende) definitie van de term “aanvrager” opstellen, maar kan men gewoon bij de subsidievoorwaarden bepalen dat rechtspersonen geen subsidie kunnen krijgen. Kortom: soberheid in definities is raadzaam.

5. Voorbeelden van terminologische problemen 5.1 Vermijden van dubbelzinnige termen Omwille van de zo waardevolle rechtszekerheid moeten rechtsregels voldoende duidelijk en precies zijn geformuleerd. Er is geen plaats voor bewuste of onbewuste dubbelzinnigheden. We geven een paar voorbeelden.

5.1.1 Voorrangregels tussen gelijksoortige rechtsregels Om de onderlinge verhouding van twee rechtsregels van dezelfde soort (die bijgevolg ook dezelfde juridische waarde hebben) te bepalen, zijn er twee interpretatieregels. De eerste houdt in dat de specifieke rechtsregel voorgaat op de algemene rechtsregel (lex specialis derogat legi generali). De tweede interpretatieregel schrijft voor dat de nieuwere rechtsregel voorgaat op de oudere (lex posterior derogat legi priori). Dit zijn echter algemene interpretatieregels, die in 10


Belgische Nederlandstalige overheidsterminologie in regelgeving

de concrete context van de regeling moeten worden toegepast. Het is ook mogelijk om de onderlinge verhouding van gelijksoortige rechtsregels uitdrukkelijk te bepalen, namelijk door gebruik te maken van de uitdrukkingen “in afwijking van”, “onverminderd” en “onder voorbehoud van”. Wanneer men schrijft dat een bepaalde regeling geldt “in afwijking van artikel x”, bedoelt men dat de betrokken regeling voorgaat op hetgeen in artikel x wordt bepaald. Het betekent niet dat artikel x geen enkele relevantie meer heeft: buiten het toepassingsgebied van de betrokken regeling kan artikel x wel blijven gelden, maar binnen dat toepassingsgebied wordt artikel x als het ware uitgeschakeld. Het is ook mogelijk om te bepalen dat de betrokken regeling en artikel x op voet van gelijkheid staan en cumulatief gelden. In dat geval schrijft men dat de betrokken regeling geldt “onverminderd (de toepassing van) artikel x” of nog “met behoud van de toepassing van artikel x”. Dat veronderstelt uiteraard wel dat de twee onderling niet tegenstrijdig zijn … Ten slotte kan ook worden bepaald dat de betrokken regeling geldt “onder voorbehoud van (de toepassing van) artikel x”. Dan bedoelt men dat artikel x altijd voorgaat. Enkel buiten het toepassingsgebied van artikel x kan de betrokken regeling gelden. Deze voorrangregels zijn duidelijk. Het probleem is dat er in de wetgevingspraktijk wel eens slordig mee wordt omgesprongen. Zo wordt wel eens “onder voorbehoud” gebruikt als men eigenlijk “onverminderd” bedoelt. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom de handleiding wetgevingstechniek van de Europese Unie (de zogenaamde gemeenschappelijke praktische handleiding) in punt 16.9 het gebruik van de term “onverminderd” afraadt en aanspoort om het toepassingsgebied van de betrokken regeling beter te omschrijven. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat uitdrukkelijke voorrangsregels gevoelig zijn voor a contrario-redeneringen. Als een bepaalde regeling geldt “in afwijking van artikel x”, ligt het voor de hand dat er niet wordt afgeweken van artikel y, dat dus onverkort van toepassing is. Maar is dat wel de bedoeling? Wanneer men uitdrukkelijk afwijkt van een onderdeel van een bepaalde rechtsregel, is het belangrijk om na te gaan of de andere onderdelen zonder meer van toepassing mogen zijn. Zo niet, dan moet men wellicht ook sommige andere onderdelen ‘uitschakelen’. Een kwestie van consequent zijn ...

11


Wouter Pas en Jeroen Van Nieuwenhove

5.1.2 Het voegwoord ‘of’ Het voegwoord ‘of’ kan in een inclusieve en exclusieve betekenis worden gebruikt. Wanneer men de exclusieve betekenis bedoelt (x of y maar niet x en y), gebeurt dat meestal door te schrijven “x óf y”, of: “hetzij x, hetzij y”. De tweede variant is ongetwijfeld verkieslijk voor rechtsregels. In de praktijk wordt in rechtsregels vaak “x of y” geschreven, waarbij dan uit de context of uit andere aanwijzingen moet worden opgemaakt of de inclusieve of exclusieve betekenis wordt bedoeld. Omdat meestal de inclusieve betekenis wordt bedoeld, is het belangrijk om het in elk geval duidelijk tot uiting te laten komen indien men toch de exclusieve betekenis wenst (“hetzij x, hetzij y”). Soms lost men dit op door “en/of” te gebruiken voor de inclusieve betekenis. Dat is ongetwijfeld in veel gevallen een adequate werkwijze, maar de vermelding “en/of” is niet echt mooi en bovendien moet men dan in de betrokken rechtsregel wel consequent zijn en “en/of” vermelden voor alle gevallen waarin men de inclusieve betekenis bedoelt, want anders zou men betekenisverschillen kunnen zoeken achter de verschillende formuleringen. Hetzelfde probleem rijst met de vermelding “x tot y”. Normaal gesproken bedoelt men daarmee x, y en alle tussenliggende waarden. Om te vermijden dat de indruk zou kunnen ontstaan dat y niet is inbegrepen, wordt soms geschreven “x tot en met y”. De omzendbrief wetgevingstechniek van de Vlaamse Gemeenschap schrijft die vermelding zelfs uitdrukkelijk voor. De handleiding wetgevingstechniek van de Europese Unie vermeldt het als een mogelijkheid. De vraag is echter of dat erg zinvol is. In welke gevallen zou men met de vermelding “x tot y” bedoelen dat y er niet bij hoort? Het is natuurlijk denkbaar dat men schrijft “van 1 januari tot 1 februari”, terwijl men eigenlijk bedoelt “van 1 tot 31 januari”, maar dan is er niets mis met het gebruik van “tot” in plaats van “tot en met”, maar wel met een verkeerde vermelding van het eindpunt. Hoe het ook zij, als men toch veiligheidshalve “tot en met” schrijft, moet men wel consequent zijn en alle gevallen waarin men het eindpunt inbegrepen acht, op die manier vermelden.

5.2 Oubollige termen en formuleringen Rechtstaal wordt vaak gekenmerkt door conservatief en oubollig taalgebruik. Of dat gebeurt om de ‘gewichtigheid’ van het genre te benadrukken of uit taalkundige luiheid, kan hier in het midden worden gelaten. Rechtsregels zijn op zich al geen gemakkelijke lectuur, maar als er nog een scheut archaïsme wordt bijgedaan, wordt het voor de niet-ingewijde burger des te moeilijker. 12


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook