Skip to main content

9789038226538

Page 1

HMGOG2015_LXIX.book Page 1 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

HANDELINGEN DER MAATSCHAPPIJ VOOR GESCHIEDENIS EN OUDHEIDKUNDE TE GENT

HMGOG 2015 – LXIX


HMGOG2015_LXIX.book Page 1 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

I NHOUDSTAFEL Het verraad van de ambachtsman . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een nieuwe ‘klassenstrijd’ binnen het Gentse weversambacht in de veertiende eeuw?

3

Wout Saelens

Prezent alze manne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De oordeelvinders van het leenhof van de Sint-Pietersabdij aan het einde van de 14e eeuw

41

Olivier Eloot

Patronage onder de aartshertogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De broederschap van Sint-Jozef te Gent (1604-1621)

69

Stéphanie Verbrugghe

Particuliere kunst- en antiekverzamelaars in negentiende-eeuws Gent, door de lens van internationale reisliteratuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 Ulrike Müller

De tekeningen en etsen van Cesar De Cock (1823-1904) . . . . . . . . . . . . . 129 Oefening baart kunst Laura Van Wingen

Medewerkers aan dit nummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169

1


HMGOG2015_LXIX.book Page 3 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

V E R R A A D V A N D E AMBACHTSMAN

Een nieuwe ‘klassenstrijd’ binnen het Gentse weversambacht in de veertiende eeuw? 1 Wout Saelens

Toen de Gentse wever Jan van Heine in het jaar 1373 overleed, liet hij een vermogen van slechts 25 schellingen groot na, wat ongeveer overeenkwam met 38 daglonen van een gemiddeld ambachtsmeester.2 Zijn gildebroeder Godeverd van Riemeland daarentegen hield bij zijn dood in 1375 nog zo’n 77 pond groot of ca. 2.310 daglonen over.3 Die laatste bezat ook drie weefgetouwen en leverde als drapier of ondernemer in de lakennijverheid geregeld laken aan de stad.4 Godeverd had dus productiemiddelen in handen en slaagde erin een meerwaarde in de vorm van afgewerkt laken toe te eigenen. Jan van Heine beschikte enkel over zijn arbeidskracht. Hoewel hij een ‘vrij’ meester was, had hij geen eigen atelier en moest hij dus van loonarbeid leven. Hij woonde aan de rand van de Overschelde, een wijk met een sterk proletarische reputatie.5 Jan en Godeverd waren allebei lid van het Gentse weversambacht. Toch was het sociaal-economische contrast tussen deze lieden groot. Niet alle wevers verhielden zich op eenzelfde 1

2

3 4 5

Dit artikel is een gedeeltelijke herwerking van mijn masterscriptie: W. Saelens, “tQuadie van Ghent”. Een sociaal-politieke studie van de Gentse wevers in een eeuw tussen oud en nieuw (1302-1385), Gent (onuitgegeven masterscriptie Universiteit Gent), 2015 (promotor: J. Dumolyn). Ik dank prof. dr. Jan Dumolyn, dra. Tineke Van Gassen, prof. dr. Marc Boone, drs. Milan Pajic, prof. dr. Jelle Haemers, Dieter Bruneel en de jury van de MGOG voor hun talrijke en uiterst nuttige commentaren en suggesties. Stadsarchief Gent (verder SAG), reeks 330, nr. 5, 229. 1 pond kwam overeen met 20 schellingen en 1 schelling had een waarde van 12 penningen. Een ambachtsmeester verdiende een dagloon van ongeveer 8 penningen groot, een gezel 5 penningen groot en een ongeschoolde 4 penningen groot: W. Prevenier, ‘Prijzen en lonen in de domeinen der Gentse abdijen (St. Pieters en St. Baafs) (13e-14e eeuw)’, in: J. Craeybeckx en C. Verlinden (eds.), Dokumenten voor de geschiedenis van prijzen en lonen in Vlaanderen en Brabant, Brugge, 1959-1973, IV, pp. 239-241 en pp. 310-325; E. Scholliers, ‘Lonen te Gent (XVe-XIXe eeuw)’, in J. Craeybeckx en C. Verlinden (eds.), Dokumenten voor de geschiedenis van prijzen en lonen in Vlaanderen en Brabant, Brugge, 1959-1973, II, A, pp. 411-418. SAG, reeks 330, nr. 5, 374v. A. Van Werveke en H. Van Werveke, Gentse stads- en baljuwsrekeningen: 1351-1364, Brussel, 1970, p. 514; D. Nicholas en W. Prevenier, Gentse stads- en baljuwsrekeningen (1365-1376), Brussel, 1999, passim. D. Nicholas, The metamorphosis of a medieval city: Ghent in the age of the Arteveldes, 1302-1390, Leiden, 1987, pp. 82-84.

3


HMGOG2015_LXIX.book Page 4 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

manier tot de productiemiddelen, waardoor er onderlinge klassenverschillen waren. Die verschillen determineerden bovendien hun respectieve toegang tot de politiek. Terwijl Godeverd viermaal als schepen en eenmaal als ontvanger van de stad kon optreden,6 was de directe politieke macht van Jan veel beperkter. Het weversambacht was met andere woorden reeds in de veertiende eeuw geen homogene vereniging meer. Deze groep kende zelf sociale en politieke tegenstellingen die soms sterk op de voorgrond konden treden. Het voorbeeld van de veertiende-eeuwse Gentse wevers illustreert hoe de ambachten in Vlaanderen na hun ‘democratische’ strijd van 1302 een differentiatieproces ondergingen.7 De emancipatie van de ambachten had enkel tot de integratie van de happy few in het stedelijke bestuur geleid.8 ‘Geëvolueerde’ wevers zoals Godeverd van Riemeland leunden eigenlijk veel dichter aan bij de hoge burgerij van de stad.9 Dit ‘verraad’ tegenover de achterban zouden we naar analogie met Henri Pirenne ‘la trahison de l’artisan’ of ‘het verraad van de ambachtsman’ kunnen noemen.10 De Guldensporenslag had dus de aanleiding gegeven tot een nieuwe ‘klassenstrijd’ tussen rijkere en armere ambachtslieden. Aanvankelijk domineerden vooral de mercantiele groepen het stedelijke leven. Die hadden in de loop van de hoge middeleeuwen samen met een grondbezittende elite de stedelijke macht naar zich toegetrokken. Dat had zich vertaald in een politiek en juridisch voorkeursregime: het regime van het patriciaat, waarvan de ambachten waren uitgesloten.11 Ook op economisch vlak hadden de mercantiele groepen de touwtjes in handen. Als koopman-ondernemers, zoals Hans Van 6

7

8 9

10

11

P.C. Vander Meersch (ed.), Memorieboek der stad Ghent, van ’t j. 1301 tot 1793, Gent, 1852-1861, I, p. 84, p. 91, p. 93 en p. 97; D. Nicholas en W. Prevenier, Gentse stads- en baljuwsrekeningen (1365-1376), p. 321. Over de Guldensporenslag is veel literatuur ter beschikking. Voor een algemene beschrijving, zie onder meer: R.C. Van Caenegem (ed.), 1302: feiten en mythen van de Guldensporenslag, Antwerpen, 2002; J.F. Verbruggen, 1302 in Vlaanderen: de Guldensporenslag, Brussel, 1977; Idem, 1302: opstand in Vlaanderen, Tielt, 2001; P. Trio (ed.), Omtrent 1302, Leuven, 2002. Voor de rol van Gent, zie J. Dumolyn en P. Stabel, ‘Aan de zijlijnen van een conflict? Gent en het Gentse in 1302’, in P. Trio (ed.), Omtrent 1302, Leuven, 2002, pp. 38-63. Over het emancipatieproces van de Vlaamse ambachten (1280-1302), zie: J. Dumolyn en J. Haemers, ‘Patterns of urban rebellion in medieval Flanders’, Journal of Medieval History, 31 (2005), pp. 374-376. Vermaut onderscheidde de ‘geëvolueerde’ wever van de gewone wever als een ondernemende en mercantiele wever-drapier die zich niet langer met de arbeid van het weven bezighield: J. Vermaut, De textielnijverheid in Brugge en op het platteland in westelijk Vlaanderen voor 1800: konjunktuurverloop, organisatie en sociale verhoudingen, Gent (onuitgegeven doctoraatsverhandeling RUG), 1974, I, p. 489 (promotor: C. Verlinden). Pirenne noemde de investeringen van de commerciële stadselite op het platteland ‘la trahison de la bourgeoisie’. Volgens Pirenne verraadde ze daarmee haar burgerlijke roots en gaf ze toe aan het feodaal-adellijke motief van grondbezit als blijk van status: H. Pirenne, ‘The stages in the social history of capitalism’, The American Historical Review, 19 (1914), pp. 494-515. Voor het ‘oude’ regime in Gent, zie: F. Blockmans, Het Gentsche stadspatriciaat tot omstreeks 1302, Antwerpen, 1938.

4


HMGOG2015_LXIX.book Page 5 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

Werveke ze noemde, stonden de handelaars centraal in het productieproces – vooral dan in de exportgerichte textielsector.12 De lakennijverheid, die de Vlaamse welvaart en verstedelijking had mogelijk gemaakt, was immers georganiseerd volgens het zogenaamde putting-out of Verlagsystem dat een belangrijke invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het (handels)kapitalisme.13 Het putting-out-systeem veronderstelde een taakdifferentiatie tussen werklieden en drapiers. In de ‘pre-corporatieve fase’ beperkte dit verschil zich grotendeels tot de tegenstelling tussen ambachtsman en handelaar.14 Wanneer de ambachten na de Guldensporenslag in de grote steden emancipeerden en bijgevolg inspraak kregen in de politiek en economie, werd die tegenstelling echter diffuser en groeide de interne polarisatie binnen het ambacht. De toegang tot de productiemiddelen verruimde namelijk slechts tot een beperkt aantal ambachtslieden. Zo gingen sommige wevers voortaan zelf de rol van drapier opnemen, terwijl voor het grootste deel van hun gildegenoten weinig veranderde. Ook tussen corporatieve groepen onderling, zoals tussen de textielambachten en de kleine neringen, ontstonden geregeld conflicten. De corporatieve fase luidde met andere woorden nieuwe sociale tegenstellingen in, dit keer binnen de ambachtelijke wereld zelf. Toch wordt nog vaak uitgegaan van een grote corporatieve homogeniteit. Recent betoogde Gervase Rosser over het Engelse gildewezen nog dat ambachten louter solidaire bondgenootschappen waren.15 Deze auteur wijst terecht op het grote sociale belang van de ambachtsgilden als voornaamste bindmiddel van de middeleeuwse (geschoolde) werkman. De corporatieve verenigingen waren inderdaad ontstaan vanuit een religieus geïnspireerde solidariteit onder vakgenoten, met motieven zoals broederlijkheid (fraternitas) en naastenliefde (caritas).16 Maar dat hoefde nog niet te betekenen dat deze groepen zonder meer monolithische fenomenen waren. Datzelfde corporatisme verkondigde, naast een egalitaristische solidariteit, evenzeer een ideologie van het aanvaarden van een sociale hiërarchie, gesymboliseerd door de metafoor van het Corpus Christi, het Heilig Sacrament dat een centraal element van de hele laatmiddeleeuwse cultuur was.17

12 13

14 15 16 17

H. Van Werveke, De koopman-ondernemer en de ondernemer in de Vlaamsche lakennijverheid van de middeleeuwen, Antwerpen, 1946. R. Holbach, ‘Some remarks on the role of “putting-out” in Flemish and Northwest European cloth production’, in M. Boone en W. Prevenier (eds.), La draperie ancienne des Pays-Bas: débouchés et stratégies de survie (14e-16e siècles), Leuven, 1993, pp. 207-208. C. Wyffels, De oorsprong der ambachten in Vlaanderen en Brabant, Brussel, 1951. G. Rosser, The art of solidarity in the middle ages: guilds in England 1250-1550, New York, 2015. C. Wyffels, De oorsprong, pp. 52-55. J. Dumolyn, ‘Het corporatieve element in de Middelnederlandse letterkunde en de zogenaamde laatmiddeleeuwse burgermoraal’, Spiegel der Letteren, 56 (2014), 2, p. 124 en p. 126; M. Rubin, Corpus Christi. The eucharist in late medieval culture, Cambridge, 1997.

5


HMGOG2015_LXIX.book Page 6 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

Sinds Pirenne’s concept van de ‘anciennes démocraties’ bestaat er voor Vlaanderen een rijke historiografische traditie over de politieke strijd van de ambachten in de middeleeuwen.18 Hoewel Pirenne helemaal geen marxist was, interpreteerde hij de Vlaamse conflicten van de veertiende en vijftiende eeuw als een soort klassenstrijd van de ambachten tegen het patriciaat of de poorterij.19 Dat conflictbeeld van de ‘klasse’ van de ambachten versus de ‘klasse’ van de stedelijke elite leefde hardnekkig verder, zeker in (dogmatisch) marxistische milieus die in de middeleeuwse opstanden graag een revolutie zagen. Op Pirenne’s these is niettemin veel kritiek gekomen. Zo sprak Raymond Van Uytven treffend van een ‘plutokratie in de “oude demokratieën der Nederlanden”.’20 Die kritieken dreven sommige historici er echter toe om het klassenconcept volledig af te wijzen. Vaak vanuit een antimarxistische reflex betoogden deze historici dat in de ‘primitieve’ (lees: prekapitalistische) maatschappij van de middeleeuwen simpelweg geen klassen konden bestaan. Het klassenbegrip was dan ook een contradictio in terminis voor een feodale standenmaatschappij. Volgens de individualistische logica van auteurs zoals Guy Fourquin, Jacques Heers en David Nicholas waren de middeleeuwse conflicten vooral te herleiden tot een individuele factieen vetestrijd van de elite.21 Het gewone volk participeerde dan louter vanuit verticale top down-solidariteiten, waarin elites het als speelbal via directe en indirecte banden manipuleerden. Dergelijke ‘verticale’ modellen miskennen echter de structurele ‘horizontale’ contradicties die binnen elke maatschappijvorm aanwezig zijn. Dat ambachten en andere sociale groepen geen homogene, maar ‘verticale’ constructies waren, hoeft nog niet te betekenen dat er van een ‘horizontale’ solidariteit – een collectief en wederkerig bewustzijn van gemeenschappelijke belangen – geen sprake was.22 Karl Czok, een historicus uit de voormalige DDR, zag middeleeuwse opstanden als Bürgerkämpfe tussen het Patriziat en de Bürgeropposition.23 Dat laatste was volgens hem een bonte mengeling van sociale klas18

19 20 21

22 23

H. Pirenne, Les anciennes démocraties des Pays-Bas, Parijs, 1910. Voor een recente synthese van deze historiografie: J. Dumolyn, ‘Guild politics and political guilds in fourteenth-century Flanders’, in Idem et al. (eds.) The voices of the people in late medieval Europe: communication and popular politics, Turnhout, 2014, pp. 15-48. Zie ook: P. Lantschner, The logic of political conflict in medieval cities: Italy and the Southern Low Countries, 1370-1440, Oxford, 2015. H. Pirenne, Economic and social history of medieval Europe, Londen, 1953. R. Van Uytven, ‘Plutokratie in de “oude demokratieën der Nederlanden”‘, Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 16 (1962), pp. 461-491. G. Fourquin, Les soulèvements populaires au moyen âge, Parijs, 1972; J. Heers, Parties and political life in the medieval West, Amsterdam, 1980; D. Nicholas, The van Arteveldes of Ghent: the varieties of vendetta and the hero in history, Leiden, 1988. C. Tilly, ‘History, sociology and Dutch collective action’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 15 (1989), pp. 142-157. K. Czok, ‘Zunftkämpfe, Zunftrevolutionen oder Bürgerkämpfe’, Wissenschaftliche Zeitschrift der Karl Marx-Universität Leipzig, Gesellschafts- und Sprachwissenschaftliche Reihe, 8 (1958-1959), pp. 129-143.

6


HMGOG2015_LXIX.book Page 7 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

sen en groepen die streden voor politieke inspraak. Czok interpreteerde de middeleeuwse ‘klassenstrijd’ als een dialectisch fenomeen, waarin sommige ‘groten’ meestreden met de ‘kleinen’ en omgekeerd – waarbinnen dus nog andere conflicten heel reëel waren. Ook Michel Mollat en Philippe Wolff hadden het over een complexe strijd tussen les grands, les moyens en les petits.24 Zulke theorieën werden voor Vlaanderen bevestigd door studies van onder meer Jan Dumolyn en Jelle Haemers.25 Dumolyn zag de Brugse Opstand van 1436-1438 bijvoorbeeld als een soort klassenstrijd à la Czok. Enerzijds was er volgens hem een strijd tussen de stedelijke elite en een voornamelijk ambachtelijk volksfront aan de gang, maar anderzijds groeide in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw ook het conflict ‘tussen rijkere en armere ambachten en tussen meesters en knapen.’26 Ook Samuel Cohn en Patrick Lantschner legden de nadruk op de ‘polycentrische’ complexiteit van de gesegmenteerde middeleeuwse samenleving. Dat polycentrisme kenmerkte zich door verschillende, elkaar overlappende sociale antagonismen die veel conflicten veroorzaakten.27 In dit artikel staat het dialectische fenomeen van de ‘middeleeuwse klassenstrijd’ centraal. In de eerste plaats wil ik aantonen dat de sociale stratificatie binnen ambachten soms hoog kon oplopen – hoe dus in de jaren na de Guldensporenslag een nieuwe ‘klassenstrijd’ ontstond binnen de corporatieve wereld zelf. Vervolgens wil ik nagaan hoe die nieuwe strijd zich verhield tot het oude conflict tussen de traditionele stedelijke belangengroepen van de mercantiele en corporatieve categorieën. In de hedendaagse historiografie wordt de Pirenniaanse idee van een ‘democratische’ revolutie in 1302 nauwelijks nog aanvaard. Desondanks zijn de tegenstellingen binnen de ambachtswereld tot nu toe weinig empirisch onderzocht.28 Dat is zeker het geval voor de veertiende eeuw – toch de eeuw waarin die tegenstellingen ontstaan zijn. Bovendien werd in de recente (Gentse) historiografie over deze eeuw in het algemeen nog maar weinig aandacht

24 25 26 27 28

M. Mollat en P. Wolff, Ongles bleus, Jacques et Ciompi: les révolutions populaires en Europe aux XIVe et XVe siècles, Parijs, 1970. J. Dumolyn, De Brugse Opstand van 1436-1438, Heule, 1997; J. Haemers, De Gentse Opstand (14491453): de strijd tussen rivaliserende netwerken om het stedelijke kapitaal, Kortrijk, 2004. J. Dumolyn, De Brugse Opstand, p. 345. S. Cohn, Lust for liberty: the politics of social revolt in medieval Europe, 1200-1425, Cambridge, 2006; P. Lantschner, The logic of political conflict. Zie bijvoorbeeld: H. Van Werveke, De Gentse vleeshouwers onder het oud regime, Gent, 1948; J. Dambruyne, Corporatieve middengroepen: aspiraties, relaties en transformaties in de 16de-eeuwse Gentse ambachtswereld, Gent, 2002; J. Dumolyn, De Brugse Opstand; J. Haemers, De Gentse Opstand; T. Van Gassen, ‘Sociale mobiliteit binnen de ambachten van de metselaars en timmerlieden in het 15de-eeuwse Gent’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 66 (2012), pp. 3-60.

7


HMGOG2015_LXIX.book Page 8 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

besteed.29 Daarin wil ik verandering brengen. Mijn hypothese is dat er in de grote steden van het laatmiddeleeuwse Vlaanderen nieuwe sociale verhoudingen binnen de ambachtsgilden (een intern conflict) ontstonden die de traditionele tegenstellingen tussen de stedelijke belangengroepen (een extern conflict) doorkruisten. Beide conflicten stonden in een dialectische relatie met elkaar: ze konden elkaar overlappen maar ook overstijgen. Die hypothese illustreer ik aan de hand van het voorbeeld van de Gentse (wol)wevers die ik prosopografisch analyseerde.30

Afbeelding 1. Wapenschild van het Gentse wolweversambacht. Afbeelding afkomstig uit: F. De Potter, Gent, van den oudsten tijd tot heden: geschiedkundige beschrijving der stad, Gent, 1901, VIII, p. 161.

29

30

Voor oudere literatuur over veertiende-eeuws Gent, zie onder meer: V. Fris, Histoire de Gand: depuis les origines jusqu’en en 1913, Gent, 1930; Idem, Les origines de la réforme constitutionelle de Gand de 13601369, Gent, 1907; P. Rogghé, ‘Gemeente ende vrient: nationale omwentelingen in de XIVe eeuw’, Annales de la Société d’Émulation de Bruges, 89 (1952), pp. 101-135; Idem, ‘Gent in de XIVe en XVe eeuw: de Gentse politiek en politici, stad en vorst, Gentse koppigheid en fierheid’, Appeltjes van het Meetjesland, 19 (1968), pp. 227-304; Idem, ‘De Gentse schepenhuizen voor het midden van de XIVe eeuw’, Appeltjes van het Meetjesland, 14 (1963), pp. 122-134; Idem, ‘De samenstelling der Gentsche schepenbanken in de 2de helft der 14de eeuw. En een en ander over de Gentse poorterie’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 4 (1950), pp. 22-31; Idem, Vlaanderen en het zevenjarig beleid van Jacob van Artevelde 1338-1345: een critisch-historische studie, Brussel, 1942; H. Van Werveke, ‘Het ambachtswezen te Gent’, in Idem, Miscellanea Mediaevalia: verspreide opstellen over economische en sociale geschiedenis van de middeleeuwen, Gent, 1968, pp. 392-396; Idem, Gent: schets van een sociale geschiedenis, Gent, 1947. Voor de duidelijkheid: specifieker gaat het inderdaad om de wolwevers. Deze lieden hielden zich bezig met het weven van laken, dus van wol gefabriceerd textiel. Daarnaast waren er nog andere, aanzienlijk kleinere groepjes van wevers in de textielnijverheid actief, zoals de tijk-, linnen- of tapijtwevers. Ook de scheerders, vouders, uitslagers, strijkers en gereeders behoorden tot het overkoepelende ‘lid der weverij’ (zie: M. Boone, Gent en de Bourgondische hertogen, ca. 1384 – ca. 1453: een sociaal-politieke studie van een staatsvormingsproces, Brussel, 1990, p. 60). Omdat de wolwevers ongetwijfeld het omvangrijkst en van het grootste belang voor de stedelijke textieleconomie waren, wordt deze sociale groep in de literatuur dikwijls simpelweg met ‘wevers’ aangeduid, zo ook in dit artikel.

8


HMGOG2015_LXIX.book Page 9 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

1. De economische onderbouw: een corporatistische versus kapitalistische productiewijze? Over de middeleeuwse productiewijze(n) is reeds heel wat inkt gevloeid, vooral dan met betrekking tot de vraag of de premoderne economie een corporatistische dan wel kapitalistische economie was. Vaak worden beide productiewijzen als twee tegengestelden van elkaar gezien. Dat gaat terug op Adams Smith’s The Wealth of Nations van 1776, waarin hij stelde dat ambachtsgilden een ‘conspiracy against the public’ waren.31 De grondlegger van de moderne (liberale) politieke economie en economische filosofie zag de gilde als een gevaar voor de vrije markt, als een structurele dwarsligger van Europa’s volledige economische potentieel. De negatieve appreciatie van ambachtsgilden overleefde de twee volgende eeuwen, niet alleen bij liberale maar ook bij marxistische historici. Voor de enen vormden ze een belemmering voor vrij ondernemerschap en de burgerlijke democratie, voor de anderen waren ze een obstakel voor het historisch proces van de klassenstrijd en dus van de ultieme emancipatie van de arbeider.32 In de loop van de jaren 1980 begon het beeld van de starre gilden te veranderen. ‘Flexibiliteit’ werd het nieuwe toverwoord.33 Aanvankelijk lag de nadruk op de sociaal-politieke aspecten van de ambachtsgilden, maar onder invloed van de zogenaamde New Institutional Economics ging men ook meer en meer hun essentiële rol in economische processen bestuderen.34 Economisch-historici, zoals Stephan R. Epstein, zagen de ambachtsverenigingen als primaire drijfveren van de premoderne economie.35 Gilden waren geen rigide, maar net heel flexibele organisaties die inspeelden op veranderende conjuncturen. Ook voor de textielnijverheid in de Lage Landen werd de discussie grosso modo tussen een ‘corporatistisch’ en ‘kapitalistisch’ kamp gevoerd. Aan de hand van twee case studies (Rijsel en Leiden) hebben Robert DuPlessis en Martha Howell een small commodity production gesuggereerd, een productiewijze die de ambach31

32 33 34

35

Geciteerd in S.R. Epstein en M.R. Prak, ‘Introduction: guilds, innovation, and the European economy, 1400-1800’, in S.R. Epstein en M.R. Prak (eds.), Guilds, innovation, and the European economy, 14001800, Cambridge, 2008, p. 1. P. Stabel, ‘Guilds in late medieval Flanders: myths and realities of guild life in an export-oriented environment’, Journal of Medieval History, 30 (2004), pp. 187-188. J.R. Farr, Artisans in Europe 1300-1914, Cambridge, 2000; G. Rosser, ‘Crafts, guilds, and the negotiation of work’, Past and Present, 154 (1997), pp. 3-31. De New Institutional Economics bekijkt een economie vanuit haar instituties, namelijk de sociale en juridische normen en regels die ten grondslag liggen van economische activiteit: D.C. North, Institutions, institutional change, and economic performance, Cambridge, 1990. S.R. Epstein, ‘Craft guilds in the pre-modern economy: a discussion’, Economic History Review, 61 (2008), 1, pp. 155-174.

9


HMGOG2015_LXIX.book Page 10 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

telijke middenklassen domineerden.36 Het productieproces verliep dan vooral volgens een zogenaamd Kaufsystem, waarbij de productie van kleine zelfstandige meesters werd opgekocht door grotere ondernemers. Binnen de op de lokale en regionale markt gerichte economische sectoren werd dat systeem zeker toegepast. Voor de exportgerichte lakennijverheid was dit echter niet het geval. Deze sector vereiste immers een sterke kwaliteitscontrole en standaardisatie van het geproduceerde laken, wat het Kaufsystem niet garandeerde. Catharina Lis en Hugo Soly beargumenteerden dan ook dat de productie in de grootschalige exportnijverheden gebeurde via een gespecialiseerd proces van loonarbeid en onderaanneming, wat het putting-out of Verlagsystem wordt genoemd.37 Dat hield een kapitalistische of althans proto-kapitalistische arbeidsorganisatie in, wat zich vertaalde in verschillende productie- of klassenverhoudingen. Er was een hogere klasse van ondernemers of drapiers die de productiemiddelen domineerden en zich het maatschappelijk meerproduct (laken) toe-eigenden, hetzij via (stuk)loonarbeid, hetzij via onderaanneming. Er was een middenklasse van kleine, relatief onafhankelijke warenproducenten die de eigen productiemiddelen bezaten, maar als onderaannemers wel afhankelijk waren van de drapiers. En er was een lagere klasse van arbeiders die ofwel enkel over arbeidskracht beschikten en als loonarbeiders werkten, ofwel productiemiddelen in handen hadden, maar van anderen afhankelijk waren voor de levering van grondstoffen en ‘geproletariseerd’ werden door een stukloon per afgeleverd product. In een middeleeuwse metropool en traditionele draperiestad als Gent was zo’n tendens naar kapitalistische productieverhoudingen zeker aanwezig.38 Natuurlijk was het kapitalisme nog niet de dominante productiewijze. Het corporatisme bleef dat tot het einde van het Ancien Régime. De ambachtsgilde verenigde nog altijd alle personen met hetzelfde beroep, ongeacht hun plaats of ‘klasse’ in de hiërarchie. Maar het corporatisme sloot zeker en vast geen kapitalistische ontwikkelingen uit.

36 37

38

R. DuPlessis en M.C. Howell, ‘Reconsidering the early modern urban economy: the cases of Leiden and Lille’, Past and Present, 94 (1982), pp. 49-84. C. Lis en H. Soly, ‘Corporatisme, onderaanneming en loonarbeid: flexibilisering en deregulering van de arbeidsmarkt in Westeuropese steden (veertiende-achttiende eeuw)’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 20 (1994), pp. 365-390; C. Lis en H. Soly, ‘Subcontracting in guild-based export trades, thirteentheighteenth centuries’, in S.R. Epstein en M.R Prak (eds.), Guilds, innovation, and the European economy, 1400-1800, Cambridge, 2008, pp. 81-113; C. Lis en H. Soly, ‘Export industries, craft guilds and capitalist trajectories, 13th to 18th centuries’, in M.R. Prak (ed.), Craft guilds in the early modern Low Countries; work, power, and representation, Aldershot, 2006, pp. 107-132. M. Boone, ‘Een middeleeuwse metropool’, in Idem en G. Deneckere (eds.), Gent: stad van alle tijden, Antwerpen, 2010, pp. 53-92.

10


HMGOG2015_LXIX.book Page 11 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

2. De prosopografie Een ideale methode om een sociale groep mee te beschrijven, is die van de prosopografie. Een prosopografie kan omschreven worden als een ‘collectieve biografie’.39 Ze onderscheidt zich echter van de klassieke biografie door niet het individuele of het specifieke te benadrukken, maar door vooral oog te hebben voor het algemene, het structurele. Het betreft een ‘biografie’ waarin niet het leven van één persoon, maar een hele groep centraal staat.40 Bij een prosopografisch onderzoek vertrekt men vanuit een basispopulatie, die in tijd en ruimte en op basis van een gemeenschappelijk kenmerk mooi afgebakend wordt. De wevers van Gent in de veertiende eeuw vormen hier de centrale populatie. Het gemeenschappelijke kenmerk is dus het beroep. Geografisch beperkt de prosopografie zich tot de stad Gent. Chronologisch is ze ongeveer te situeren in het midden van de veertiende eeuw. De concrete basistermini van de populatie zijn de schepenjaren 1348 en 1362 – de data van de gebruikte bronnenlijsten (cf. infra).41 De terminus post quem en de terminus ante quem van de prosopografie zijn respectievelijk de schepenjaren 1320 en 1385. Ten opzichte van de basisdata kijk ik dus ongeveer 25 jaar terug en vooruit. Met deze prosopografie wil ik te weten komen hoe de Gentse wevers als sociale groep ‘in elkaar zaten’; wie van hen machtig en rijk was en wie onmachtig en arm.42 Dat doe ik door de invloed van de factoren ‘macht’ en ‘kapitaal’ binnen de groep van de wevers te belichten (cf. infra). De prosopografische lijst is samengesteld aan de hand van drie bronnen: een gijzelaarslijst van januari 1349 (of schepenjaar 1348), het weversleerknapengeld van 1351-1354 en 1357-1358 en een lijst van 1362, waarin een groep wevers aan de Vlaamse graaf zwoor nooit meer de wapens tegen hem op te nemen. De gijzelaarslijst van 1349 stamt uit een context van opnieuw toenemende spanningen tussen de wevers, de graaf en de andere bevolkingsgroepen van Gent. De Gentse wevers hadden zich na een coup in 1345 namelijk het regime van de stad volledig toegeëigend: de zogenaamde weversdictatuur van 39

40 41

42

Zie voor enkele definities: H. De Ridder-Symoens, ‘Prosopografie en middeleeuwse geschiedenis: een onmogelijke mogelijkheid?’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 45 (1991), pp. 95-117; K. Verboven, M. Carlier en J. Dumolyn, ‘A short manual to the art of prosopography’, in K.S.B. Keats-Rohan (ed.), Prosopography approaches and applications: a handbook, Oxford, 2007, pp. 35-70. J. Dumolyn, ‘De Brugse Opstand van 1436-1438 en het prosopografisch onderzoek naar stedelijke groepen’, Archiefleven. Nieuwsbrief van het Stadsarchief van Brugge, 4 (1996), 1, p. 4. De Gentse schepenjaren liepen telkens van 15 augustus in het ene jaar tot 14 augustus in het daaropvolgende jaar. Jaarlijks werden midden augustus namelijk de schepenbanken te Gent vernieuwd (M. Boone, Gent en de Bourgondische hertogen). De prosopografie is te vinden in W. Saelens, “tQuadie van Ghent”, pp. 153-203.

11


HMGOG2015_LXIX.book Page 12 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

1345-1349.43 Door hun doorgedreven monopoliseren van overheidsambten jaagden ze alle andere bevolkingsgroepen of leden van Gent in het harnas.44 Ook de graaf was niet opgezet met hun beleid, dat in de context van de Honderdjarige Oorlog een expliciete anglofiele richting uitging en zich als dusdanig van de graaf afzette.45 In 1349 culmineerden de spanningen in een oproer tegen het weversbewind. Dat vertaalde zich vooral in een strijd tussen wevers en volders.46 Die laatsten boekten op 13 januari 1349 (de Goede Disendach) een overwinning, waardoor de wevers voortaan iedere inclusie in het regime werden ontzegd.47 De graaf koos de kant van de volders en liet op 8, 11, 13 en 15 januari een groep van (voornamelijk) weversmeesters oppakken. De lijst van gijzelaars werd uitgegeven in het Cartulaire Historique et Généalogique des Artevelde (1920) van Napoleon De Pauw.48 Niet alle gegijzelde personen waren wevers. Op basis van ander bronnenmateriaal heb ik de lijst daarom zoveel mogelijk ‘uitgezuiverd’. Zo verschaft de gijzelaarslijst van 1349 ons 177 namen van wevers(meesters). De volgende lijst is gebaseerd op het weversleerknapengeld van 1351-1354 en 1357-1358. Deze periode volgt op de Goede Disendach van 1349. Vanaf dat jaar werden de Gentse wevers als gevolg van hun dictatoriale motieven van voordien zwaar onderdrukt. Een maatregel die de stedelijke overheid, nu door volders, poorters en kleine neringen gedomineerd, daartoe ondernam, was een speciale hoofdelijke belasting op de wevers. Ten eerste was er het weversgeld, een wekelijkse belasting die elke weversmeester diende te betalen.49 Ze werd geheven in 1349-1353 en 1355-1357. Jammer genoeg werden bij de inning ervan geen 43

44 45

46

47 48 49

Van een echte dictatuur was evenwel geen sprake. De andere Gentse leden (poorters, volders en kleine neringen) bleven namelijk vertegenwoordigd in het bestuur, zij het wel in mindere mate: P. Rogghé, ‘Gemeente ende vriendt’, pp. 107-110. W. Prevenier en M. Boone, ‘Veertiende en vijftiende eeuw. De “stadstaat”-droom’, in J. Decavele (ed.), Gent. Apologie van een rebelse stad, Antwerpen, 1989, p. 86. Engeland was de weg ‘die voerde naar de ruwe wol, het dagelijks brood’ (P. Rogghé, Vlaanderen en het zevenjarig beleid van Jacob van Artevelde, p. 22). Omdat de Vlaamse graaf, gebonden aan zijn feodale eed aan de Franse koning, de kant koos van Frankrijk, besliste de Engelse koning in 1336 een embargo in te stellen tegen Vlaanderen. Dat had nefaste gevolgen voor de Gentse economie. Daarom koos het regime eerst onder Jacob van Artevelde en vervolgens onder het weversbewind voor een anglofiel (pro-Engels) beleid, waarmee dus de trouw aan de graaf werd verloochend. (W. Prevenier en M. Boone, ‘De “stadstaat”-droom’, pp. 83-86.) Talrijke keren stonden de wevers en volders in de veertiende eeuw tegenover elkaar. Dat kwam doordat de volders in het productieproces in een afhankelijkheidspositie van de wevers stonden. De volders werkten namelijk het geweven laken af. Bovendien waren ze vaak ook loonafhankelijk van de wevers die de volders een stukloon betaalden: M. Boone en H. Brand, ‘Vollersoproeren en collectieve actie in Gent en Leiden in de 14e en 15e eeuw’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 19 (1993), pp. 172-182. J. Vuylsteke, ‘Goede disendach, 13 januari 1349’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 1 (1894), pp. 9-47. N. De Pauw (ed.), Cartulaire historique et généalogique des Artevelde, Brussel, 1920, pp. 133-137. H. Van Werveke, De Gentsche stadsfinanciën in de middeleeuwen, Brussel, 1934, pp. 222-227.

12


HMGOG2015_LXIX.book Page 13 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

namen genoteerd; de stadsrekeningen vermelden enkel het totaal per maand en per parochie geïnde geld. Daarnaast werd ook een weversleerknapengeld van drie pond parisis ingevoerd, dat iedere leerling bij de aanvang van zijn leercontract eenmalig diende te betalen. Die belasting gold in 1351-1354 en 1357-1358 (uitgedrukt in schepenjaren). Hierbij werden wel de namen van de knapen opgeschreven, samen met hun respectieve leermeesters. De lijsten van 1351-1354 zijn uitgegeven in het Recueil de Documents relatifs à l’Histoire de l’Industrie Drapière en Flandre (1906-1966) van Georges Espinas en Henri Pirenne.50 De lijsten van 1357-1358 zijn in de stadsrekeningen opgenomen, die voor deze periode uitgegeven zijn door Alfons en Hans Van Werveke.51 Op die manier bekwam ik 375 namen van leerlingen en 329 namen van meesters.52 Om leerlingen en meesters, en dus twee verschillende sociale en corporatieve categorieën, niet door elkaar te gooien, heb ik ervoor geopteerd om enkel de meesters in beschouwing te brengen, teneinde een meer ‘gelijke’ of ‘gelijkwaardige’ groep te analyseren. De 375 leerknapen vallen hier dus weg.

Afbeelding 2. Fragment uit het ontvangstboek van het weversgeld en het leerknapengeld van 1349-1354. Bovenschift: ‘Dit sijn de leercnapen up gheset, ende gaf elc III lb. par. der stede.’ Per parochie worden de leerknapen in de linkerkolom opgesomd, samen met hun meesters in de rechterkolom. (SAG, reeks 195, nr. 2).

50 51 52

G. Espinas en H. Pirenne (eds.), Recueil de documents relatifs à l’histoire de l’industrie drapière en Flandre, Brussel, 1906-1966, I, 2, pp. 454-470. A. Van Werveke en H. Van Werveke (eds.), Gentsche stads- en baljuwsrekeningen 1351-1365, pp. 316-317 en p. 379. De groep van meesters is kleiner dan de groep van leerlingen. Dat komt omdat sommige meesters meerdere leerlingen hadden en omdat bij sommige leerlingen geen meester vermeld wordt.

13


HMGOG2015_LXIX.book Page 14 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

De derde lijst ten slotte van 1362 kwam er na de weversopstand van 13591360. In die jaren kwamen de wevers in oproer tegen hun repressie. Ze eisten opnieuw inspraak en kregen die vanaf 1360. Vanaf dan ontstond het zogenaamde Gentse regime der drie leden van wevers, poorters en kleine neringen – de volders werden dit keer voorgoed uitgesloten. De Vlaamse graaf erkende de overwinning van de wevers, maar liet hen in 1362 een eed zweren ‘up haer lijf ende up haer goet, hem nemmermer te wapine noch te stelne jeghen minen here van Vlaendren noch jeghen dbeleet van der stede’.53 Dit document is in het Recueil van Espinas en Pirenne terug te vinden en bevat 313 originele namen.54 De drie lijsten heb ik uiteindelijk samengevoegd. Zo bekwam ik een definitieve basispopulatie van 730 originele namen van Gentse weversmeesters.55 Op een totale weverspopulatie van ongeveer 5.000 vertegenwoordigt de prosopografie dus ongeveer 16 procent van de Gentse wevers.56 Bij een gewenste foutmarge en betrouwbaarheid van respectievelijk 5 en 99 procent komt de noodzakelijke steekproefomvang op minimaal 586 wevers of ca. 12 procent te liggen, wat de prosopografie voldoende representatief maakt voor het hele weversambacht van Gent.57

3. De factor macht Zoals gezegd, wil ik de invloed van de factoren macht en kapitaal binnen de groep van de Gentse wevers natrekken. Wat wordt eerst en vooral bedoeld met de factor macht? In mijn prosopografie heb ik nagegaan welke individuen van de populatie ooit en hoeveel politieke mandaten hebben opgenomen in de periode 1320-1385. Het gaat hier met name over de mandaten van schepen van de Keure, schepen van Gedele, herenkiezer, stedekiezer, deken van het lid der weverij en ontvanger. Deze mandaten duurden in principe allemaal één schepenjaar, dus van 15 augustus tot 14 augustus het daaropvolgende jaar.58 53 54 55

56

57 58

G. Espinas en H. Pirenne (eds.), Recueil, I, 2, p. 504. Ibidem, pp. 503-510. Wanneer alle namen uit de lijsten (177 + 329 + 313) worden opgeteld, bekomt men een totaal van 819. 89 van deze individuen komen echter in twee of drie lijsten voor, waardoor hun namen dubbel of driedubbel voorkomen. Zij werden uiteraard slechts eenmalig meegerekend. Op een totaal van 64.000 inwoners, waarvan de textielsector ongeveer 60 procent bestreek, waren de wevers goed voor zo’n 32 procent van de Gentse bevolking, wat overeenkwam met ongeveer 5000 huishoudens. Hiermee maakten de wevers de grootste bevolkingsgroep van Gent uit. Zie: W. Prevenier, ‘Bevolkingscijfers en professionele strukturen der bevolking van Gent en Brugge in de 14de eeuw’, in Album Charles Verlinden, Gent, 1975, pp. 269-303. Over de berekening van de gewenste steekproefgrootte, zie: B. Blondé et al., Trend en toeval: inleiding tot de kwantitatieve methoden voor historici, Leuven, 2012, pp. 203-204. In twee gevallen echter, namelijk in de schepenjaren 1348 en 1379, werd de wet voortijdig vernieuwd door politieke ‘revoluties’ – respectievelijk de Goede Disendach van 13 januari 1349 en het aanbreken van de Gentse Opstand van 1379-1385 – vandaar dat in de prosopografische lijst de schepenjaren 1348a, 1348b, 1379a en 1379b opduiken. We beschouwden deze uitzonderlijke jaren dus als dubbele schepenjaren.

14


HMGOG2015_LXIX.book Page 15 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

Het schependom was de kern van het stedelijke politieke bedrijf. In Gent waren er sedert het charter van Senlis van 1301 twee schepenbanken: de bank van de Keure en die van Gedele.59 De bevoegdheden van de schepenbanken uitten zich op bestuurlijke, rechterlijke en wetgevende aard.60 De bank van de Keure was de belangrijkste en usurpeerde de feitelijke politieke macht. Haar bevoegdheid was vooral gericht op de vrijwillige rechtspraak of de private rechtshandelingen.61 De belangrijkste bevoegdheid van de bank van Gedele was het zich inlaten met erfenis- en voogdijkwesties.62 Voor de schepenfuncties, waarvan er ieder jaar 26 – 13 per schepenbank – te verdelen waren, heb ik het Gentse memorieboek gebruikt en met name de omstreden uitgave ervan van Vander Meersch uit 1852-1861.63 Deze uitgever compileerde op een eigenlijk vrij klungelige wijze een negental handschriften die nogal uiteenlopen qua aard en ouderdom. Bovendien duidde hij nooit aan uit welke periode de aantekeningen stammen.64 Hoewel de uitgave ongetwijfeld voor verbetering vatbaar is, vormt het Gentse memorieboek, waarin per jaar de schepenlijsten worden meegegeven, toch het essentiële vertrekpunt voor iedere diepgaande, prosopografische analyse van de Gentse schepenen.65 De functies van herenkiezer en stedekiezer zijn eveneens in de memorieboeken te vinden, waar ze dan de schepennamen voorafgaan, zij het wel sporadisch; deze ambten worden niet altijd vermeld. Ieder jaar werden vier herenkiezers en vier stedekiezers aangeduid, respectievelijk door de graaf en door het uittredende stadsbestuur. Deze kiezers moesten dan het nieuwe schepencollege aanstellen. Omdat ze een rechtstreekse invloed hadden op de wetvernieuwing waren de Gentse kiesheren heel machtige figuren. 59

60

61

62 63 64 65

M. Boone, ‘Het “charter van Senlis” (november 1301) voor de stad Gent: een stedelijke constitutie in het spanningsveld tussen vorst en stad (met uitgave en tekst)’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 57 (2003), pp. 1-45. Voor meer informatie, zie: J. Decavele, ‘Bestuursinstellingen van de stad Gent’, in W. Prevenier en B. Augustyn (eds.), De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795, Brussel, 1997, pp. 288-294. A. Nevejans, ‘Aldus staet in scepenen bouc… De registers van de Gentse schepenen van de Keure in de 14de eeuw’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 56 (2002), pp. 5364. J. Decavele, ‘Bestuursinstellingen’, pp. 293-294. P.-C. Vander Meersch (ed.), Memorieboek der stad Ghent. A.-L. Van Bruaene, De Gentse memorieboeken als spiegel van stedelijk historisch bewustzijn (14de tot 16de eeuw), Gent, 1998, pp. 53-54. M. Boone, Gent en de Bourgondische hertogen, pp. 40-41; V. Fris, ‘Ware eene wederuitgave van het ‘memorieboek der stad Gent’ nuttig?’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 4 (1901), pp. 149-160. De betrouwbaarheid omtrent deze schepenlijsten, die centraal staan in de bron, ligt eigenlijk veel hoger ten opzichte van de historiografische nota’s die de lijsten begeleiden en vaak gebaseerd zijn op orale en dus minder ‘objectieve’ overleveringen. De schepenlijsten werden namelijk gebaseerd op officiële registers die op de griffie van de Keure bewaard werden: A.-L. Van Bruaene, De Gentse memorieboeken, p. 49.

15


HMGOG2015_LXIX.book Page 16 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

De deken had het centrale bestuur van het weversambacht in handen en vertegenwoordigde de wevers in de publieke ruimte. Hij was dus de eerste leider van de corporatie. Bovendien speelde hij ook een actieve rol bij de verkiezing van de nieuwe, voor de weverij zetelende schepenen en bij het stedelijke beleid inzake de lakennijverheid. Een lijst van alle voor de weverij en in de veertiende eeuw aangenomen dekenfuncties is terug te vinden in het Recueil van Espinas en Pirenne.66 Hier en daar komen kleine hiaten voor. De meest opvallende lacune valt tussen de schepenjaren 1348-1358. In deze tienjarige periode werden geen weversdekens toegelaten. Dat heeft te maken met de gevolgen van de Goede Disendach, wanneer de wevers tot 1359 van elke deelname aan het politieke bedrijf waren uitgesloten. Het ambt van ontvanger ten slotte haalde ik uit de Gentse stadsrekeningen. Stadsrekeningen zijn heel rijke bronnen die heel wat informatie geven over de middeleeuwse samenleving, veel meer dan alleen info van financiële aard. Bovendien zijn ze enorm betrouwbaar dankzij hun ‘quasi volstrekte onpartijdigheid en objectiviteit’, aldus Walter Prevenier.67 De vijf ontvangers van de stad werden doorgaans in de aanhef opgesomd. Het ging om drie ‘ontfanghers van den zoeneghelde’ die de inkomsten uit de indirecte belastingen inden en twee ‘ontfanghers van der renten’ die de inkomsten uit het stedelijke domein ophaalden.68 Hoewel de ontvangers in hoofdzaak administratieve functionarissen waren – ze hielden zich bezig met de inning van de stedelijke belastingen – maakten ze als uitvoerders van het financiële beleid onmiskenbaar deel uit van de stedelijke macht.69 Behalve het dekenambt, houden alle mandaten verband met het stedelijke bestuur en dus niet met het corporatieve bestuur binnen het ambacht. Helaas laat het bronnenmateriaal dit laatste niet toe; voor de veertiende-eeuwse wevers is geen ambachtsboek overgeleverd, waarin de jaarlijkse eed wordt opgesomd. Wat ik hieronder als machtige wevers zal beschouwen, moet dan ook geïnterpreteerd worden als een minimum. Niet iedereen kon immers een politieke carrière 66 67

68 69

G. Espinas en H. Pirenne (eds.), Recueil, I, 2, pp. 628-630. Het gaat om een lijst die voormalig stadsarchivaris van Gent, Victor van der Haeghen, opstelde aan de hand van de stadsrekeningen. W. Prevenier, ‘Stads- en kasselrijrekeningen als bronnen voor lokale geschiedenis’, Appeltjes van het Meetjesland, 10 (1959), p. 55. De Gentse stadsrekeningen zijn voor de veertiende eeuw integraal uitgegeven: J. Vuylsteke (ed.), Gentsche stads- en baljuwsrekeningen 1280-1336, Gent, 1900-1908; N. De Pauw en J. Vuylsteke (eds.), De rekeningen der stad Gent: tijdvak van Jacob van Artevelde 1336-1349, Gent, 1874-1885; A. Van Werveke en H. Van Werveke (eds.), Gentsche stads- en baljuwsrekeningen 1351-1365; D. Nicholas en W. Prevenier (eds.), Gentse stads- en baljuwsrekeningen (1365-1376); en J. Vuylsteke (ed.), De rekeningen der stad Gent: tijdvak van Philips van Artevelde 1376-1389, Gent, 1891-1893, XVI + 540 p. N. De Pauw en J. Vuylsteke, De rekeningen der stad Gent 1336-1349, passim; H. Van Werveke, De Gentsche stadsfinanciën. J. Decavele, ‘Bestuursinstellingen’, pp. 297-298.

16


HMGOG2015_LXIX.book Page 17 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

H ET

VERR AAD V AN DE AMBACHTSMAN

in de stad najagen, maar dat hoefde nog niet te betekenen dat men gelijkaardige ambities evenmin kon waarmaken binnen het ambacht zelf. Zoals iedere historicus/a het zal betamen, geven onze bronnen nooit een volledige inkijk in het verleden weer. In realiteit zal het cijfer van ‘machtige wevers’ dus ongetwijfeld hoger hebben gelegen. In onderstaande tabel (Tabel 1, p. 18) staan de resultaten aangaande de factor macht uiteengezet. Het gaat om een frequentietabel, waarin ik het absolute, relatieve en cumulatieve aantal (N) meesters heb afgezet tegen het aantal malen en dus het aantal jaren dat men een politiek mandaat heeft opgenomen. Dat de politieke macht zich beperkte tot een zeer selecte groep is duidelijk afleesbaar. Ten opzichte van een grote groep (82,74%) slaagde slechts 17,27% erin één of meer politieke mandaten tussen 1320 en 1385 op te nemen. Het gemiddelde aantal mandaten lag op een schamele 0,48. Dat in 1302 van een ‘democratische’ omwenteling geen sprake was, mag duidelijk zijn: deze lage cijfers laten er geen twijfel over bestaan dat een sterke oligarchische tendens en een geringe politieke doorstroming zich in het weversambacht voordeden. Slechts een kleine groep van deze wevers wist effectief tot in het stadsbestuur door te stoten, terwijl voor het overgrote deel van hen de macht nog altijd onbereikbaar bleef. Dat is toch enigszins opmerkelijk, aangezien een hoger cijfer zeker voor een stad als Gent wel te verwachten was. In Gent had het stadsbestuur immers recht op een remuneratie, zowel in de vorm van baar geld, als in de vorm van ambtsgewaden.70 Zulke maatregelen moesten het een ambachtsman mogelijk maken een belangrijk deel van zijn werktijd aan de politiek op te offeren.71 Voor de meeste wevers had 1302 echter geen verandering teweeg gebracht. Bekijken we enkel de groep die een succesvolle politieke carrière wist uit te bouwen (de 17,27%), dan blijkt de oligarchische tendens overigens progressief (zie Tabel 2, p. 19). Het aantal mandaten was namelijk over het algemeen omgekeerd evenredig met het aantal personen: naarmate het aantal jaren steeg, werd de gelukkige groep van machthebbers steeds kleiner. 36,51% van de mandatarissen nam 13,18% van de in totaal 349 politieke functies waar en meer dan de helft van alle mandatarissen (53,18%) genoot niet langer dan twee jaar een politiek ambt. Ongeveer drie vierden (75,40%) oefende min of meer de helft (49,28%) van alle mandaten uit. Onder die grens van 50% – op het middenniveau – lijkt er dus nog een relatief snelle doorstroming te zijn geweest. Boven die grens – vanaf vier mandaten of meer – ziet het er echter naar uit dat een absolute 70 71

Ibidem, p. 60. Ibidem, pp. 60-61.

17


HMGOG2015_LXIX.book Page 18 Friday, June 3, 2016 1:31 PM

W OU T S AELENS

Aantal jaar

Frequentie (in N personen)

Relatieve frequentie (in %)

Cumulatieve frequentie  (in %)

Cumulatieve frequentie  (in %)

0

604

1

46

82,74

82,74

100,00

6,30

89,04

2

17,27

21

2,88

91,92

10,97

3

28

3,84

95,76

8,09

4

8

1,10

96,86

4,25

5

8

1,10

97,96

3,15

6

6

0,82

98,78

2,05

7

6

0,82

99,60

1,23

8

0

0,00

99,60

0,41

9

3

0,41

100,00

0,41

10

0

0,00

100,00

0,00

11

0

0,00

100,00

0,00

12

0

0,00

100,00

0,00

13

0

0,00

100,00

0,00

14

0

0,00

100,00

0,00

15

0

0,00

100,00

0,00

730

100

100

100

Totaal

Tabel 1. Frequentietabel van de factor macht onder de 730 weversmeesters uit de prosopografie (1320-1385). De absolute frequentie (N), de relatieve frequentie en de cumulatieve frequentie (progressief en regressief) worden gegeven.

toplaag (het overige vierde deel; 24,60%) de helft (50,72%) van alle functies wist te monopoliseren. De doorstroming verminderde op dit hogere niveau snel verder: 18,25% stond in voor 41,55% van de mandaten. En op het allerhoogste niveau viel die doorstroming al helemaal stil: wat meer dan 10% had nog zo’n 30% van de ambten opgenomen en ongeveer 7% zelfs nog ca. 20%. Op Grafiek 1 (p. 20) worden de gegevens grafisch voorgesteld. De dalende trend van het relatieve aandeel personen tegenover het cumulatieve aantal opgenomen politieke ambten is duidelijk te zien. Tussen de drie en vier mandaten is een grens zichtbaar: vanaf vier of meer mandaten daalt het relatieve aandeel mandatarissen onder de tien procent. Die toenemende oligarchisering wordt ook bevestigd door het gemiddelde van het aantal waargenomen mandaten per persoon en de participatie-index binnen de groep van weversmandatarissen, die allebei vrij laag bleven: het gemiddelde lag op 2,77 en de participatie-index op 0,36. De participatie-index wordt berekend door het aantal mandatarissen (126) te delen door het totale aantal te verdelen mandaten (349). Vervolgens bekomt men een getal tussen 0 en 1. Hoe meer de index 1 benadert, hoe ‘democratischer’ het regime, want index 1 betekent theoretisch gezien dat alle mandaten over een gelijk aantal mandatarissen werden verdeeld. Leunt de index echter meer aan 18


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789038226538 by Uitgeverij Lannoo - Issuu