Skip to main content

9789038226323

Page 1

Economie als menswetenschap

ECONOMIE als menswetenschap


Economie als menswetenschap

Inhoud

INHOUD Inleiding 1 Deel  De economische bril(len)  5 Hoofdstuk 1  Definitie en begrips­afbakening  7 1. DEFINITIE: WAT IS ECONOMIE?  8 2. BEHOEFTEN 10 3. HET ALLOCATIEVRAAGSTUK  11 4. DE PRODUCTIEFACTOREN  11 5. DE ECONOMISCHE HUISHOUDINGEN  12 6. SOORTEN ECONOMIEËN  13 6.1. De vrijemarkteconomie  13 6.2. De centraal geleide economie  14 6.3. De gecorrigeerde markteconomie  14

Hoofdstuk 2  Een kapitalistische vrijemarkt­economie  15 1. DE VRIJEMARKTECONOMIE  16 1.1. Wat?  16 1.2. Waarom een vrijemarkteconomie een illusie is  17

2. HET KAPITALISME  18 2.1. Wat?  18 2.2. De zegen en de vloek van het kapitalisme  19

3. HET CONCEPT VAN GROEI  22 4. GRENZEN AAN DE GROEI?  24

Hoofdstuk 3  Economische theorieën  27 1. DE GRONDLEGGERS  28 1.1. De klassieke school  28 1.1.1. Adam Smith (1723-1790)  28 1.1.2. David Ricardo (1772-1823)  31 1.1.3. De neoklassiekers  33 1.1.4. Intermezzo: wat is liberalisme?  34

V


Economie als menswetenschap

Inhoud

1.2. Het marxisme  35 1.2.1. Karl Marx (1818-1883)  36 1.2.2. Het falen van het communisme in de praktijk  37 1.2.3. Intermezzo: wat is het verschil tussen socialisme en communisme?  38 1.3. Het keynesianisme  39

2. DE OPVOLGERS  42 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.

De schumpeteriaanse school  42 Het monetarisme  43 De behavioristische school  44 Joseph Stiglitz (°1943)  45

3. DE NIEUWSTE LICHTING  46 3.1. Tim Jackson (°1957)  47 3.2. Ha-Joon Chang (°1963)  48 3.3. Thomas Piketty (°1971)  49 3.3.1. Piketty’s wetten van het kapitalisme  50 3.3.2. Hoe Piketty ongelijkheid wil bestrijden  51

Deel II  De grote bewegingen, groepen en keuzes  53 Hoofdstuk 4  De bewegingen van de economie  55 1. DE ECONOMISCHE KRINGLOOP  56 1.1. De eenvoudige kringloop  56 1.2. De volledige kringloop  57

2. NATIONALE REKENINGEN  59 2.1. Het bruto binnenlands product (BBP)  60 2.1.1. De toegevoegde waarde  60 2.1.2. Netto binnenlands product (NBP)   61 2.1.3. Het BBP via de bestedingsbenadering  61 2.2. Het bruto nationaal product (BNP)  62 2.3. Het bruto nationaal inkomen (BNI)  64 2.4. De koopkrachtpariteit (KKP)  64 2.5. Problemen bij het berekenen van de nationale rekeningen  65 2.5.1. Onstabiele meeteenheid en onbetrouwbaarheid van de cijfers  65 2.5.2. Gebrek aan relevantie  66 2.5.3. Nationale rekeningen zijn geen maat voor welvaart en welzijn  66 2.5.4. Nationale rekeningen houden geen rekening met het milieu  67 2.6. Ontwikkeling meten  67 2.6.1. De Bruto Vaste Kapitaalvorming (BVKV)  67 2.6.2. De Human Development Index  68

3. DE VERSCHILLENDE ECONOMISCHE GOLFBEWEGINGEN  70 Casus  HET PROBLEEM VAN DE PENSIOENEN  74

VI


Economie als menswetenschap

Inhoud

Hoofdstuk 5  De rol van de overheid  79 1. WAAROM DE OVERHEID DE ECONOMIE MET RUST MOET LATEN  80 2. WAAROM ZE DAT VOORAL NIET MAG DOEN  81 3. DE ECONOMISCHE ROL VAN DE VERZORGINGSSTAAT  82 4. ECONOMISCHE POLITIEK  83 4.1. De onbehaaglijke driehoek  83 4.2. De magische vierhoek  84 4.3. De magische vijfhoek  84 4.4. Conjunctuurpolitiek  84

5. DE OVERHEIDSFINANCIËN  85 5.1. Inkomsten van de overheid  85 5.2. Uitgaven van de overheid  86 5.3. De staatsschuld  86

Hoofdstuk 6  Het inkomen  89 1. INKOMEN EN VERMOGEN  90 2. SOORTEN INKOMENS EN BELASTINGEN  90 2.1. Directe belastingen  92 2.1.1. Inkomen uit arbeid  92 2.1.2. Inkomen uit spaargeld  94 2.1.3. Inkomsten uit onroerend goed  94 2.1.4. Inkomensbelasting praktisch  95 2.2. De indirecte belastingen  96 2.2.1. Btw  96 2.2.2. Accijnzen  97 2.3. Belastingontduiking en -ontwijking  97

Casus  HET BASISINKOMEN  98

Hoofdstuk 7  (Inkomens)­ongelijkheid  101 1. WAAROM (TE VEEL) ONGELIJKHEID EEN PROBLEEM IS  102 2. DE DISCUSSIE VAN DE TOPLONEN  103 3. METEN VAN INKOMENSONGELIJKHEID  104 3.1. Problemen bij het meten van inkomensongelijkheid  105 3.2. De Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt  105 3.3. De Palmaratio  107

VII


Economie als menswetenschap

Inhoud

4. STRUCTURELE FACTOREN DIE EEN ROL SPELEN BIJ INKOMENS­ ONGELIJKHEID 107 4.1. Technologische evolutie en automatisatie  107 4.2. Veranderende werkgelegenheid  109 4.3. De impact van het kapitaal  109 4.3.1. Het huis: kopen versus huren  110 4.3.2. Spaargeld: rendement op kleine vermogens versus rendement op grote vermogens 110 4.3.3. De erfenis: herverdeling of accumulatie?  111

5. ONGELIJKHEID TERUGDRINGEN IN BELGIË  112 5.1. De progressieve inkomensbelastingen  112 5.2. De sociale zekerheid  112 5.3. Loonvorming  113 5.4. Collectieve voorzieningen en sociale goederen  114

6. AANBEVELINGEN VOOR HET VERDER TERUGDRINGEN VAN DE ONGELIJKHEID 114 7. INTERNATIONALE LOONONGELIJKHEID  116 Casus  ARMOEDE 118

Deel III  De markt en zijn spelers  121 Hoofdstuk 8  De consument  123 1. DE RATIONELE CONSUMENT  125 2. DE NIET ZO RATIONELE CONSUMENT  126 2.1. Het menselijk denken (bij aankoopbeslissingen)  127 2.1.1. Systeem 1-denken  127 2.1.2. Bezitsdrang  128 2.1.3. De ultieme droom: gratis  129 2.1.4. Sociale factoren  129 2.2. De rol van reclame  130

3. HET RATIONELE KEUZEPROCES  131 3.1. Het nutsconcept  131 3.2. De afweging tussen wat je wilt en wat je kunt kopen  132 3.3. De vraagcurve  134 3.4. Verandering van en op de vraagcurve  136 3.5. Consumentensurplus  137

4. ELASTICITEIT 138 4.1. De prijselasticiteit van de vraag  138 4.1.1. Determinanten van prijselasticiteit van de vraag  140 4.1.2. Relatie tussen prijselasticiteit en omzet en besteding  140

VIII


Economie als menswetenschap

Inhoud

4.2. Kruisprijselasticiteit van de vraag  141 4.3. Inkomenselasticiteit  142 4.3.1. Engel  142

Hoofdstuk 9  De producent  143 1. DE ECONOMISCHE SECTOREN  144 1.1. Verdeling  144 1.2. Het belang van de sectoren  144

2. DE ONDERNEMING  146 2.1. Eigendomsstructuur  147 2.2. Inspraak binnen ondernemingen  148 2.3. (Juridische) vormen van ondernemingen  148 2.3.1. De beperkte vennootschap  149 2.3.2. De ruimere vennootschap  149 2.3.3. De coöperatie  149 2.4. Concentratie van ondernemingen  150 2.4.1. Fusie  150 2.4.2. Kartel  151 2.4.3. Joint Venture  151 2.4.4. Holding  151 2.5. Transnationale ondernemingen  152 2.5.1. Kenmerken  152 2.5.2. Factoren die het ontstaan van TNO’s bevorderen  153 2.5.3. Gevolgen van de aanwezigheid van TNO’s  153 2.5.4. ‘Countervailing powers’ t.a.v. TNO’s?  153 2.6. Directe buitenlandse investeringen door TNO’s  153

3. PRODUCTIE EN INVESTERINGEN  155 4. PRODUCTIVITEIT 156 5. KOSTEN 160 6. WINSTVORMING 164 6.1. De perfect competitieve markt  164 6.2. Gemiddelde opbrengst, marginale opbrengst en prijs  165 6.3. Winstmaximalisatie  165

7. HET AANBOD  167 7.1. 7.2. 7.3. 7.4.

Het individuele aanbod  167 Het totale aanbod  168 Verschuiving op en van de aanbodcurve  169 Producentensurplus   170

IX


Economie als menswetenschap

Inhoud

Hoofdstuk 10  De markt  171 1. COMPETITIEVE VERSUS NIET-COMPETITIEVE MARKTEN  173 2. DE MARKTPRIJS  173 3. DE WETTEN VAN VRAAG EN AANBOD  173 4. DE WET VAN KING  175 5. OVERHEIDSINTERVENTIES OP DE MARKT EN HUN EFFECTEN  176 5.1. Maximumprijzen of het blokkeren van prijzen  177 5.2. Minimumprijzen  177 5.3. Belastingen en subsidies  178

Casus  VRAAG EN AANBOD OP DE HUIZENMARKT  179

Hoofdstuk 11  Marktfalen 183 1. HET PROBLEEM VAN DE COLLECTIEVE GOEDEREN  184 2. HET MONOPOLIE  185 3. MONOPOLISTISCHE MEDEDINGING  188 4. OLIGOPOLIE 188 5. MONOPSONIE 190 Casus  DE KREDIETCRISIS  191

Deel IV  Over het slijk der aarde  197 Hoofdstuk 12  Het geldwezen  199 1. SOORTEN GELD  200 2. DE BANKEN  202 2.1. De handelsbanken  202 2.2. De Investeringsbanken  204 2.3. De Centrale/Nationale Bank  204

3. GELDSCHEPPING DOOR KREDIETVERLENING  205

X


Economie als menswetenschap

Inhoud

Hoofdstuk 13  Inflatie 207 1. GEVOLGEN VAN INFLATIE  208 2. OORZAKEN VAN INFLATIE  208 3. DE GELDHOEVEELHEID EN INFLATIE  210 4. DE INDEX  211 4.1. Wat?  211 4.2. Punten en procenten  212 4.3. Automatische indexering van de lonen  212

Casus  EUROTROUBLES 214

Deel V  Intussen bij de buren  219 Hoofdstuk 14  Inter­nationale economie  221 1. INTERNATIONALE HANDEL  222 2. DE BETALINGSBALANS  222 3. ECONOMISCHE INTEGRATIE  223 3.1. Vrijhandelszone  223 3.2. Douane-unie  224 3.3. Gemeenschappelijke markt  224 3.4. Economische unie  224 3.5. Totale economische integratie  224

Hoofdstuk 15  Inter­nationale economische organisaties  225 1. DE EUROPESE UNIE (EU)  226 1.1. Ontstaan  226 1.1.1. De Gemeenschappen  226 1.1.2. De Europese unie  226 1.2. Lidstaten van de EU  227

2. GATT EN WHO  227 3. DE UNCTAD (UNITED NATIONS CONFERENCE ON TRADE AND DEVELOPMENT) 229 4. DE OESO (ORGANISATIE VOOR ECONOMISCHE SAMENWERKING EN ONTWIKKELING) 229 5. DE GROEP VAN ACHT / TWINTIG  229

XI


Economie als menswetenschap

Inhoud

Hoofdstuk 16  Inter­nationale financiële organisaties  231 1. HET IMF  233 1.1. Gewone trekkingsrechten  234 1.2. Speciale trekkingsrekening (SDR)  235 1.3. Kredietverstrekking via het IMF  235

2. DE WERELDBANK  236 3. DE EUROPESE CENTRALE BANK (ECB) EN DE EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)  236

Hoofdstuk 17  Ont­wikkelings­landen

239

1. K ORT OVERZICHT VAN DE ECONOMISCHE EVOLUTIE VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN 240 1.1. De koloniale erfenis  240 1.2. De eerste stappen van de onafhankelijke economieën  240 1.3. De klap van de oliecrisis en het neoliberalisme  241

2. STRUCTURELE NADELEN ZIJN RELATIEF  242 Casus  MICROKREDIETEN 243

GLOSSARIUM 245 REFERENTIES 249 VERDER LEZEN  251

XII


1

Definitie en begripsafbakening

Economie als menswetenschap

1.  DEFINITIE: WAT IS ECONOMIE? Het mens- en wereldbeeld van de economie past volledig in het Europese gedachtegoed van de verlichting. De rationeel denkende en handelende mens, die voortdurend vooren nadelen, kosten en baten afweegt en op basis daarvan beslissingen neemt en keuzes maakt, is binnen de economie een gegeven. Dit wordt de ‘homo economicus hypothese’ genoemd. In die zin is de economie een abstractie van de werkelijkheid zoals de psychologie, de filosofie of de sociologie die beschrijft. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat die manier van denken in de huidige wereld zeer dominant geworden is. De economie beheerst immers in veel landen het politieke en maatschappelijke leven en bovendien heeft de globalisering die manier van denken wereldwijd verspreid. De wereld is een ‘global village’ of, in economische termen, een ‘global market’ geworden, waarbinnen dit eendimensionale denken een steeds belangrijkere plaats inneemt. De klassieke economie gebruikt als basisdefinitie vaak die van Robbins (1932): ‘Economie is de wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen worden aangewend.’ Eigen aan de klassieke school was het uitgangspunt dat die keuzes rationele keuzes waren. Gelukkig zette Robbins dit niet letterlijk in zijn definitie, waardoor ze vandaag bruikbaar blijft. Zoals je verder in dit boek zult kunnen lezen, zijn heel wat economen intussen tot het besef gekomen dat het met die rationaliteit bij dat menselijke gedrag nogal eens kan tegenvallen. Die definitie lijnt ook min of meer af over welk soort keuzes het gaat, maar tegelijk ook weer niet. Ze lijnt af omdat het gaat over keuzes die te maken hebben met economische aspecten, met name de verdeling van de schaarse middelen. Anderzijds kun je evengoed stellen dat vrijwel alle doelen in het leven met die schaarse middelen te maken hebben. Als je met iemand in het huwelijksbootje wilt stappen, dan hoop ik voor jou dat de keuze van je partner geen louter economische berekening was. De beslissing om te trouwen zal op een of andere manier wel heel wat deelaspecten hebben waarover je economische keuzes gaat maken. Waar ga je met je partner wonen? Waar gaan jullie van leven? Maar evengoed: hoe zal het trouwfeest eruitzien? Of: hoeveel mensen ga je uitnodigen? Dit zijn vragen waarbij het antwoord ook van je (schaarse) middelen zal afhangen. We kunnen dus stellen dat economie met bijna alles te maken heeft, maar omgekeerd zijn er weinig zaken die alleen maar met economie te maken hebben (Fine & Milonakis, 2009). Het budget voor je huwelijksfeest is hopelijk niet de enige factor die bepaalt wie er op de gastenlijst komt. Wees dus voorzichtig met het te ver doortrekken van de ‘alles is economie’-stelling. Voor je het weet, probeer je alles te berekenen en af te wegen, en daar zijn wij als mens niet echt voor gemaakt. Uiteindelijk zal je daardoor vooral gefrustreerd achterblijven. Als je dat echt wilt, kun je voor heel veel zaken economische keuzes zien, maar het is niet altijd zinvol om dat te doen. Bij het maken van die keuzes wordt dikwijls alleen gedacht aan spectaculaire ‘keuzes’ die een weerslag hebben op grote groepen of zelfs op de hele wereldbevolking, maar

8


2

Een kapitalistische vrijemarkteconomie

Economie als menswetenschap

3. HET CONCEPT VAN GROEI Economische groei is onlosmakelijk met het kapitalisme verbonden. Aangezien elke individuele producent streeft naar groei om de concurrentieslag met de anderen te winnen, heeft ook het systeem als geheel die groei nodig. We zoeken immers constant naar manieren om efficiënter en goedkoper te werken. Dat wil zeggen dat we dezelfde producten gaan maken met minder middelen en mensen. Daardoor verliezen enerzijds werknemers hun baan en zal anderzijds de winstmarge per verkocht stuk voor de producent afnemen. Om dus nog meer winst te genereren en voldoende werkgelegenheid te behouden, moeten er steeds nieuwe producten worden uitgevonden en geproduceerd. Groei is in de moderne economie bijgevolg essentieel. Dat is echter niet altijd zo geweest. In de periode voor 1800 kenden we eeuwenlange periodes met weinig of geen groei. In die tijd veranderden de productiemethoden nauwelijks, waardoor de winstmarge en de werkgelegenheid ongeveer gelijk konden blijven.

Een beetje rekenkunde De groeicijfers lijken vaak niet zo spectaculair te zijn. Is het verschil tussen 3 of 6 % groei zo belangrijk? Eigenlijk wel, omdat groei een cumulatief gegeven is. Groeicijfers zijn samengestelde cijfers. Als ik bijvoorbeeld een inkomen van 1000 euro heb en dat stijgt met 10 % per jaar, dan heb ik na één jaar 1100 euro. Het tweede jaar verhoogt dit opnieuw met 10 %, maar mijn basisbedrag is intussen niet meer 1000, maar wel 1100 euro. Mijn inkomen stijgt dus naar 1210 euro. Voor groeicijfers betekent dit dat landen die op relatief korte tijd snel groeien, veel afstand kunnen nemen van landen die traag groeien. In het voorbeeld uit mijn eerste zin is het land met een groei van 3 % na veertig jaar ruim drie keer zo rijk geworden, maar het land met de groei van 6 % is meer dan tien keer zo rijk.

Eeuwenlang hadden we geen of nauwelijks groei. Mensen waren er zich toen ook totaal niet van bewust of er nu wel of niet groei was. Metingen van het bbp startten pas aan het einde van de achttiende eeuw. De mensheid had zeer lang een cyclisch tijdsbeeld. Het geloof bestond dat alles terugkomt, zoals de seizoenen. Sommige culturen die geen cyclisch tijdsbeeld hadden, hadden vaak zelfs een negatief tijdsbeeld. In de late middeleeuwen gingen velen uit van de veronderstelling dat het beste tijdperk van de mensheid die van het oude Griekenland of het Romeinse rijk was geweest. Vandaar dat ze krampachtig probeerden om de gebruiken van die tijd in de renaissance te doen herleven. Door de opkomst van het kapitalisme ontstond volop optimisme voor de toekomst en groeide vooral het geloof dat we die toekomst zelf kunnen waarmaken, dat economische groei de oplossing was voor het welvaartsprobleem. Uiteraard zal er altijd schaarste zijn, maar vooruitgang en technologische evolutie moesten het mogelijk maken om de volledige wereldbevolking op een niveau te brengen waarop iedereen in zijn basisbehoeften kan voldoen en een relatief comfortabel leven leiden. Dit zou ook positief zijn

22


3

Economische theorieën

Economie als menswetenschap

De zaak-Essers zouden we een modern voorbeeld van het compensatieprincipe kunnen noemen. In 2015 deed transportbedrijf Essers uit Limburg een aanvraag om een bos te mogen kappen voor de uitbreiding van het bedrijf. De zaak kwam in de media toen komiek Wouter Deprez zich erop stortte en via allerlei kanalen zijn kritiek op bevoegd minister Joke Schauvliege publiek maakte. Het bedrijf kreeg uiteindelijk in februari 2016 zijn vergunning. De Vlaamse regering oordeelde dat de compensatie (Essers moet betalen voor het boscompensatiefonds om ergens anders nieuwe bossen te planten) en de extra werkgelegenheid van vierhonderd banen meer maatschappelijke baten opleverden dan de kostprijs van het verlies van het bestaande bos.

1.1.4. Intermezzo: wat is liberalisme? Als ik zeg dat Smith aan de basis lag van het klassieke liberale denken, dan zou je kunnen veronderstellen dat liberalisme volledig overeenkomt met de visie van Smith. Dit klopt niet helemaal. Smith was niet de ‘uitvinder’ van het liberalisme. Om de zaken uit elkaar te houden, dus even een kort intermezzo over de terminologie. De term liberalisme dook eigenlijk pas volop op in de negentiende eeuw, maar gaat terug op de geschriften van Thomas Hobbes en John Locke uit de zeventiende eeuw. Het liberalisme verwijst naar een visie waarin de vrijheid van het individu het belangrijkste goed is. Op het economische vlak ligt die vrijheid vooral in het domein van het eigendomsrecht. Als iets van jou is, heb je het volste recht om daarmee te doen wat je wilt. De overheid heeft in het economische domein enkel tot taak de voorwaarden te scheppen om je eigendomsrecht naar goeddunken te gebruiken met het doel te produceren. Dit is het ‘laisser-faire’-principe. Die individuele vrijheid was er in de zeventiende en achttiende eeuw nog niet voor iedereen. Liberalen waren toen bijvoorbeeld geen voorstander van stemrecht voor de armen omdat ze ervan uitgingen dat die zouden stemmen op partijen die het privébezit aan banden zouden leggen. Vandaag kennen we het neoliberalisme, de opvolger van het liberalisme. Neoliberalen blijven vasthouden aan de minimale staat, met die beperking dat ze wel aanvaarden dat de staat een centrale bank heeft met monopolie op de gelduitgave en met als taak de waarde van dat geld te beschermen. Die strekking wordt soms ook nog de Washington Consensus genoemd omdat ze wordt uitgedragen door de drie grote economische organisaties: de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en het Amerikaanse ministerie van Financiën. Die zijn alle drie in Washington DC gevestigd.

In de marge van het neoliberalisme wil ik kort de Oostenrijkse school vermelden. Sommigen beschouwen die als een volledig aparte stroming, maar ik geef er de voorkeur aan om ze toch te zien als een wat eigenaardige variant van het neoliberale denken. De Oostenrijkse school is namelijk de grootste verdediger van het vrijemarktprincipe. Toch kunnen we ze niet tot de neoklassiekers rekenen omdat ze een van de belangrijkste stellingen van de klassieke economie – de mens is een rationeel wezen – niet aanvaard.

34


3

Economische theorieën

Economie als menswetenschap

zetten om een nieuwe bankencrisis te vermijden, maar de volgende keer zal het wellicht een andere sector zijn waar de crisis eerst inzet. Ons gezond verstand moet ons eigenlijk al vertellen dat we niet altijd maar meer en meer kunnen kopen. Wat de concrete oorzaak ook is, het is eigenlijk logisch dat we af en toe minder gaan kopen. Feit is wel dat, ALS we minder kopen, de volgende vicieuze cirkel in gang gezet wordt:

We kopen minder

Er moet minder geproduceerd worden

We hebben minder inkomsten

Bedrijven ontslaan werkkrachten

In een tweede ‘ronde’ zijn er dus al meer werklozen, in een derde nog meer enzovoort. Bovendien verslechtert dit mechanisme nog door het menselijke instinct. In tegenstelling tot wat de klassieke economie stelt, is de mens volgens Keynes slechts zelden een rationeel handelend individu. Hij gaat veel vaker instinctief en emotioneel handelen en zijn gedrag aanpassen aan de groep. In die context moet je dat als volgt zien: toen een tijdje geleden het nieuws werd bekendgemaakt dat Ford Genk zou sluiten, daalde de vraag al vrij snel. Nochtans was de sluiting zelf pas voor maanden na dit bericht gepland en ging het over in totaal ongeveer 10.000 mensen die hun job zouden verliezen. Dat is geen klein aantal, maar op het totale aantal consumenten in België is dat een minimale groep. Zo wiskundig werkt het dus niet. Het veranderende consumentengedrag gaat over een veel grotere groep. Iedereen leest dit nieuws immers in de krant en veel meer dan 10.000 mensen geraken in paniek en houden de knip op de beurs. Belangrijk daarbij is dat het investeringsdenken en het conjunctuurgegeven bij Keynes één geheel vormen. De hamvraag is dan natuurlijk: wat doe je eraan? Moeten we manieren zoeken om de beleggers ervan te overtuigen dat het risico haalbaar is om genoeg investeringen te genereren? Moeten we iedereen ervan overtuigen om toch maar te kopen, zodat er genoeg vraag is en de investeringen vanzelf volgen? Het zou wellicht mooi zijn, maar het is niet gemakkelijk te realiseren. Het antwoord van Keynes is daarom eenvoudiger: de overheid moet voor voldoende investeringen zorgen en zo tegelijk de vraag stimuleren en werkgelegenheid creëren. Dit kost natuurlijk veel. Daarom introduceerde Keynes het begrip ‘deficit spending’. Een overheid mag in tijden van negatieve conjunctuur gerust schulden maken, veel schulden zelfs, om de economie aan te zwengelen. Door dit te doen, zorgt ze immers voor nieuwe groei en dus in een volgend stadium meer belastingopbrengsten. De overheid moet dan wel de discipline hebben om in economisch goede tijden de knip op de beurs te houden, zodat ze de schuldenlast weer afbouwt.5

5 Met dat laatste wil het in de voorbije decennia bij onze overheden nogal eens mislopen.

41


4

De bewegingen van de economie

Economie als menswetenschap

1.  DE ECONOMISCHE KRINGLOOP De mens heeft eigenlijk al erg lang een zekere opdeling van arbeidsprocessen gemaakt. Overigens zijn ook elders in de natuur voorbeelden van arbeidsverdeling te vinden (bv. ‘sociale’ insecten). Zelfs zonder arbeidsverdeling is het menselijk leven echter een dagelijks terugkerende kringloop van produceren en consumeren.

1.1.  De eenvoudige kringloop

BEDRIJF • vraag naar productiefactoren • aanbod van goederen en diensten

arbeid kapitaal natuur

goederen diensten

markt

markt

GEZIN • vraag naar consumptiegoederen • aanbod van productiefactoren

Om te kunnen produceren hebben de ondernemingen (bedrijven, instellingen, organisaties) productiefactoren nodig: land, arbeid en kapitaal. De gezinnen leveren die factoren en krijgen hiervoor een vergoeding in de vorm van rente en pacht, loon, interest of winst. Die vormen het inkomen van de gezinnen. Dit inkomen besteden de gezinnen aan de aankoop van goederen en diensten, geleverd door de ondernemingen. De ontvangsten van de ondernemingen dienen dan weer voor de aankoop van productiefactoren. Zo is de cirkel rond. Er zijn twee kringlopen: een goederen- en een geldkringloop. De goederenkringloop loopt als volgt: de gezinnen leveren productiefactoren aan de ondernemingen en die laatste produceren voor de gezinnen goederen en diensten. In de goederenkringloop kunnen we de stroom van productiefactoren en de stroom van goederen en diensten onderscheiden.

56


De bewegingen van de economie

Economie als menswetenschap

ten we tussen 1880 en 1910 en tussen 1940 en 1970. De neergaande tussen 1910 en 1940 en tussen 1970 en 2000.

conjuctuur ECONOMISCHE GROEI IN %

4

lange golf

trend sezoenbeweging

JAARTAL

Naast die algemene zijn er nog toevallige bewegingen. Die vertonen geen regelmaat, maar doen zich plots en onverwachts voor onder invloed van bepaalde feiten, zoals natuurrampen, revolutie, epidemie, staking. Vooral de conjunctuur interesseert economen omdat ze denken dat de overheid die kan beĂŻnvloeden. De conjunctuurtheorie dateert van de jaren dertig van de vorige eeuw en werd vooral geformuleerd door J.M. Keynes. De oorzaak voor het ontstaan van conjunctuurbewegingen ligt volgens Keynes in de starheid van prijzen. Volgens het liberalisme zijn prijzen uiterst dynamisch: als de vraag daalt, zullen de prijzen meteen dalen. Zo past de economie zichzelf aan de nieuwe situatie aan, waardoor er geen crisis kan ontstaan. Keynes ging ervan uit dat prijzen in de praktijk niet dynamisch zijn, waardoor veranderingen in de vraag niet opgevangen worden. We leggen dit nader uit.

Keynes schreef misschien als eerste een uitgebreide theorie over de oorzaak van de conjunctuur, maar het verschijnsel zelf is natuurlijk veel ouder. In de Bijbel vinden we in het boek Genesis al in het oude testament het verhaal van de droom van de Farao over de zeven vette en de zeven magere koeien terug. De Farao vertelt zijn droom aan Jozef, zoon van Jakob, die inziet dat het over de economie gaat. Jozef ziet meteen in hoe de magere jaren minder zwaar kunnen worden gemaakt: de Farao moet in de jaren van overvloed een vijfde van de oogst als heffing wegnemen. Dit graan moet worden opgeslagen in de steden, waar het dan tijdens de magere jaren kan worden gegeten. We kunnen bij dit verhaal twee zaken opmerken. Allereerst geeft het verhaal geen verklaring voor het waarom van de magere en de vette jaren. Daarvoor moesten we dus nog een paar duizend jaar wachten. Verder stelt het verhaal duidelijk dat conjunctuur onafwendbaar is, maar in zekere zin wel beheersbaar. De maatregel die Jozef voorstelt, zal op geen enkele wijze de magere jaren tegenhouden. Wel zorgt hij ervoor dat de bevolking voorbereid is op de verwachte hongersnood.

71


5

De rol van de overheid

Economie als menswetenschap

komen. Wenst de overheid de prijzen te stabiliseren – via bijvoorbeeld het verminderen van de geldhoeveelheid of het verminderen van de vraag door het heffen van belastingen – dan daalt de economische groei en stijgt de werkloosheid. Prioriteiten dienen dus gelegd te worden ten nadele van andere doelen. Vandaar de term onbehaaglijke driehoek.

4.2.  De magische vierhoek Tijdens en na de crisisjaren eind jaren zeventig en begin jaren tachtig dook er een nieuw fenomeen op: economische groei ging niet langer gepaard met meer werkgelegenheid. Waarschijnlijk was dit te wijten aan diepte-investeringen die verhoogde productiviteit waarborgden zonder dat er meer werknemers bij te pas kwamen. De OESO stelde toen voor om een vierde doelstelling mee op te nemen, werkgelegenheid. Die wordt voorgesteld door de werkloosheidsgraad. Grafisch: ECONOMISCHE GROEI

WERKLOOSHEIDSGRAAD

BETALINGSBALANS (saldo lopende rekening)

PRIJSSTABILITEIT

4.3.  De magische vijfhoek De laatste jaren krijgt de factor natuur, ook binnen de economische wetenschap, meer en meer aandacht vanwege de problemen die zich op dat vlak voordoen. Zo zit het economisch-politieke beleid in een spanningsveld met vijf variabelen: werkloosheid, economische groei, betalingsbalansevenwicht, prijsstabiliteit en natuur. Die vijf doelstellingen kunnen in onderlinge concurrentie staan. De vijfhoek is nog niet officieel opgenomen in de economische theorie, vooral omdat er nog geen goede meetinstrumenten zijn om de kwaliteit van de natuur weer te geven.

4.4.  Conjunctuurpolitiek De overheid kan de conjunctuur niet volledig beheersen, maar zal toch proberen de golven soms te matigen of bij te sturen. Dit betekent dat ze in perioden van laagconjunctuur vooral de economische groei gaat stimuleren, en in perioden van hoogconjunctuur vooral de inflatie zal tegengaan. Een beleid gericht op groei bestaat erin om de vraag te stimuleren. Dit kan rechtstreeks door bijvoorbeeld belastingen te verlagen of premies te geven, of onrechtstreeks door

84


7

(Inkomens)ongelijkheid

Economie als menswetenschap

5. ONGELIJKHEID TERUGDRINGEN IN BELGIË Moderne staten kennen verschillende mechanismen om ongelijkheid terug te dringen. Daarnaast zijn er nog andere factoren die een rol kunnen spelen, maar die op dit moment (nog) niet actief worden ingeschakeld om ongelijkheid te lijf te gaan.

5.1. De progressieve inkomensbelastingen In het vorige hoofdstuk legden we het systeem van de progressieve belastingen al uit. Het moet daardoor al duidelijk zijn dat de verschillen in netto-inkomens een stuk kleiner zijn dan die in bruto-inkomens. Internationaal gezien is de inkomensongelijkheid in België op het vlak van bruto-inkomens vrij groot en op het vlak van netto-inkomens vrij klein. Het herverdelende effect van onze inkomensbelasting is dus in principe nogal groot. We moeten hier wel een kanttekening bij maken. Werkgevers en werknemers kennen ook het belastingsysteem. Dat wil zeggen dat ze bij het bepalen van de brutolonen vaak rekening houden met wat er nog af gaat. Een deel van de verklaring voor sommige hoge brutolonen is dus ook het gegeven dat de werkgever wel zoveel moet betalen, zodat de werknemer er netto nog genoeg aan overhoudt.

5.2. De sociale zekerheid Het stelsel van de sociale zekerheid heeft een herverdelend effect in die zin dat gezinnen zonder inkomen of met een extra last (kroostrijke gezinnen, gehandicapten) van overheidswege recht hebben op een aanvullend en/of vervangingsinkomen. Uit de sociale zekerheid haal je in eerste instantie vervangingsinkomens. Zij komen in principe in de plaats van een inkomen uit arbeid, al zijn beperkte combinaties mogelijk. Het gaat hier om werkloosheidsvergoeding, pensioen, uitkering bij ziekte en leefloon. Daarnaast zijn er de aanvullende inkomens, zoals de kinderbijslag en de terugbetaling van medische zorgen.

De groei van de sociale voorzieningen en de politieke keuzes die daarin gemaakt zijn, bepalen grotendeels de evolutie van de ongelijkheid, zeker voor bepaalde groepen, in de westerse landen sinds WO II. Als we die periode tot op vandaag bekijken, dan zien we dat sociale uitkeringen de stijging van de lonen en de levensstandaard in de meeste landen goed konden bijhouden tot ongeveer de jaren tachtig. Daarna begon de motor van de sociale voorzieningen in veel landen te sputteren, in hoofdzaak omdat het aantal afhankelijke personen (ouderen, werklozen, …) toenam ten opzichte van het aantal werkenden dat bijdragen betaalt. Toch zijn er grote verschillen per land. Zo zie je dat het verschil in inkomens tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden in het Verenigd Koninkrijk al van in de jaren tachtig significant toenam, terwijl dat in (West-)Duitsland en Finland pas vanaf 1995 het geval was. Het verschil ligt op het vlak van het beleid. In het VK werd al in de jaren tachtig, onder premier Thatcher, een neoliberaal beleid gevoerd met sterke besparingen in de sociale zekerheid. In de andere twee

112


De consument

Economie als menswetenschap

Stel dat iemand bijvoorbeeld normaal gezien per maand vier flessen River Cola koopt. Als dit product in prijs zakt, kan hij misschien vijf flessen kopen, maar hij kan ook besluiten om nog maar drie flessen River Cola te kopen en ĂŠĂŠn fles Coca Cola. De prijsdaling van River leidt tot minder aankoop van dit product.

Substitutie-effect van een prijsverandering: een goedkoper product wordt nu geconsumeerd in de plaats van een ander.

PRODUCT Y

Het totale prijseffect is het resultaat van beide effecten en zal positief zijn als het inkomenseffect positief is, of als het positieve substitutie-effect het negatieve inkomenseffect compenseert, en negatief als het negatieve inkomenseffect het positieve substitutie-effect compenseert.

budgetlijn 1 budgetlijn 2 budgetli

PRODUCT X PRIJS VAN X

8

Px1

Px2 Vraag x X1

X2 HOEVEELHEID VAN X

De vraagcurve heeft een dalend verloop: hoe lager de prijs, hoe groter de gevraagde hoeveelheid. Door het inkomens- en substitutie-effect zal bij een prijsdaling van goed X meer van dat goed gekocht worden (individuele vraagcurve). Merk op dat het prijseffect dan positief moet zijn!

135


9

De producent

Economie als menswetenschap

gen dat daar een extra input van arbeid geen extra productie meer oplevert. De marginale productie is dan gelijk aan 0. Uit de curve van de totale productie (bovenste curve) kunnen we rechtstreeks de gemiddelde en de marginale productie afleiden (onderste curve).

Q

Totale productie

A Q

MPa = Q/ A

Technisch optimum

GPA= Q/A A

In het technisch optimum is de MP = GP. Op dat moment is de GP dus het hoogst. Bekijken we de volledige werking van die onderneming, dan merken we dat ze nu dus het meest productief werkt.

5.  KOSTEN Op lange termijn zijn alle kosten variabel. Toch kunnen we ook hier enig onderscheid maken tussen verschillende soorten kosten. Arbeid heeft beperkte opstartkosten (rekrutering, selectie, opleiding), maar heeft in hoofdzaak steeds terugkerende kosten. Kapitaal heeft grote eenmalige opstartkosten en beperkte terugkerende kosten (onderhoud). Dit gegeven speelt ook een rol in de beslissing om te kiezen tussen bepaalde verhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Een bedrijfsleider kan soms kiezen voor een combinatie van arbeid en kapitaal die niet optimaal is. Dat gebeurt vaak in het nadeel van arbeid. Bij kapitaal is de voorspelbaarheid van de kosten namelijk veel groter. De investeringskosten zijn gekend en als hij een vast onderhoudscontract neemt, kan hij nog maar voor weinige financiÍle verrassingen komen te staan. Bij werknemers kan hij die zekerheid nooit hebben. De toekomstige evolutie van het loon, het aantal afwezigheden wegens

160


Š Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent Tel. 09 233 80 88 www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Opmaak en cover: Twin Media bv Grafieken en illustraties: Twin Media bv Christophe Timbremont Economie als menswetenschap – Editie 2016 Gent, Academia Press, 2016, XIV + 251 pp. ISBN 978 90 382 2632 3 D/2016/4804/103 NUR 780 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgeverij.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789038226323 by Uitgeverij Lannoo - Issuu