Bank- en beurswezen in België — Harald De Muynck Kevin De Muynck
EDITIE 2016
D/2016/4804/089 - ISBN 978 90 382 2620 0 – NUR 780
Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: bvba le Pur et l’Impur © De auteurs en Uitgeverij Lannoo nv Tielt, 2016 Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be
Inhoudsopgave
TEN GELEIDE
13
BOEKDEEL I: HET BANKWEZEN
15
DEEL I: DE KREDIETINSTELLINGEN
17
Hoofdstuk 1: Situering van het begrip kredietinstelling 19 1.1. Wat is een ‘bank’? 19 1.2. De activiteiten van een kredietinstelling 20 Hoofdstuk 2: Hoofdkenmerken van het actuele bankwezen (in België) 2.1. Het belang van de ‘Belgische’ kredietinstellingen op internationaal vlak 2.2. De structuur van het Belgische bankwezen 2.3. Van bank tot financiële dienstengroep 2.4. Het toenemende belang van de buitenbalansactiviteiten 2.5. Het stijgende belang van de informatisering Hoofdstuk 3: Indeling van de financiële instellingen volgens hun voornaamste bedrijvigheid 3.1. De depositoverwervende en kredietverstrekkende instellingen 3.1.1. De (deposito)banken 3.1.2. De spaarbanken 3.1.3. De openbare kredietinstellingen 3.1.4. De effectenbanken 3.2. Instellingen voor elektronisch geld 3.3. Instellingen die via risicodragend kapitaal participeren in ondernemingen 3.3.1. De zakenbanken
25 25 29 31 32 33
37 37 37 38 38 39 39 41 42
6
3.4.
bank- en beurswezen in België
3.3.2. Holdings De institutionele beleggers 3.4.1. Verzekeringsmaatschappijen 3.4.2. Pensioenfondsen 3.4.3. Instellingen voor Collectieve Beleggingen (I.C.B.’s)
Hoofdstuk 4: De wettelijke regeling van en het toezicht op het Belgische bankwezen 4.1. Overzicht van de voornaamste wettelijke bepalingen 4.2. De Autoriteit Financiële Diensten en Markten / Financial Services and Markets Authority (FSMA) 4.3. Controle op de bankactiviteiten 4.3.1. Het starten van de bedrijfsactiviteit 4.3.2. Toezicht bij de bedrijfsuitoefening 4.3.3. Intrekking van de vergunning 4.3.4. De vaststelling van coëfficiënten 4.3.5. De beschermingsregeling voor deposito’s en financiële instrumenten 4.3.6. De monetaire reserve DEEL II: DE ACTIVITEITEN VAN DE KREDIETINSTELLINGEN Hoofdstuk 1: De kredietbronnen 1.1. Het eigen vermogen 1.2. Het vreemd vermogen 1.2.1. In schuldbewijzen belichaamde schulden 1.2.2. De deposito’s 1.2.3. Bijzondere kredietbronnen Hoofdstuk 2: Giraal geld 2.1. Chartaal geld – giraal geld 2.2. Giraal geld: begrip en oorsprong 2.3. De gebruiksmogelijkheden van giraal geld 2.3.1. De overschrijving 2.3.2. Het bericht van domiciliëring 2.3.3. De doorlopende of permanente opdracht 2.3.4. De cheque 2.3.5. De reischeque of traveller’s cheque 2.3.6. De betaalkaarten
42 43 44 44 44
47 47 49 51 51 53 56 58 67 69 73 75 76 77 77 80 94 101 101 102 103 105 115 118 120 128 130
inhoudsopgave
7
Hoofdstuk 3: De kredietverlening 3.1. Kredieten aan particulieren 3.1.1. Het consumentenkrediet 3.1.2. De kasfaciliteit 3.1.3. Krediet verbonden aan kredietkaarten 3.1.4. Woonkredieten 3.2. Kredieten aan het bedrijfsleven 3.2.1. Kaskrediet 3.2.2. Discontokredieten 3.2.3. Borgstellingskredieten 3.2.4. Documentaire kredieten 3.2.5. Investeringskredieten 3.2.6. Acceptkredieten 3.2.7. Straight loan 3.2.8. Leasing 3.3. De kredietwaarborgen 3.3.1. De zakelijke waarborgen 3.3.2. De persoonlijke of morele waarborgen 3.4. De Centrale voor kredieten 3.4.1. De Centrale voor kredieten aan ondernemingen 3.4.2. De Centrale voor kredieten aan particulieren
145 146 147 155 157 157 172 172 174 176 177 180 181 183 183 187 188 190 191 191
BOEKDEEL II: HET BEURSWEZEN
199
DEEL I: DE BELEGGINGSVORMEN
201
Hoofdstuk 1: Aandelen 1.1. Omschrijving 1.2. Rechten van de aandeelhouders 1.3. Het rendement van een aandeel 1.3.1. Het dividend 1.3.2. De koersschommelingen 1.4. Het risico verbonden aan aandelen 1.4.1. De koersschommelingen 1.4.2. Het dividend 1.4.3. De aansprakelijkheid 1.5. De soorten aandelen 1.5.1. Aandelen naar de vorm 1.5.2. Aandelen naar de inhoud
203 203 206 207 207 208 211 212 212 212 212 212 214
8
1.6. 1.7.
bank- en beurswezen in België
De waardering van aandelen 1.6.1. De boekwaarde 1.6.2. De koers-winstverhouding 1.6.3. De nettowinst per aandeel 1.6.4. De koers/cashflow 1.6.5. Het dividendenrendement 1.6.6. De pay-outratio 1.6.7. Het rendement op het eigen vermogen Aan het aandeel verbonden voordelen 1.7.1. Inschrijvingsrechten, claims of scrips 1.7.2. Stockdividenden 1.7.3. Keuzedividenden
Hoofdstuk 2: Obligatieleningen 2.1. Omschrijving 2.2. Rechten van de obligatiehouders 2.3. Het rendement van een obligatie 2.3.1. De rentevoet 2.3.2. De looptijd 2.3.3. De uitgifteprijs 2.3.4. De terugbetalingsprijs 2.3.5. De koersschommelingen 2.4. Het risico 2.4.1. De schuldenaar 2.4.2. De munt 2.5. Soorten obligaties 2.5.1. Aflosbare obligaties 2.5.2. Obligaties van de perpetuele schuld 2.5.3. Premieobligaties 2.5.4. Lotenleningen 2.5.5. Gedwongen obligaties 2.5.6. Noodlijdende of ‘funding’ obligatieleningen 2.5.7. Geünificeerde obligaties 2.5.8. Obligaties met een gestaffelde rente 2.5.9. Hypothecaire obligaties 2.5.10. Bevoorrechte obligaties 2.5.11. Winstdelende obligaties 2.5.12. Geïndexeerde obligaties 2.5.13. Leningen in internationale rekeneenheden 2.5.14. Euro-obligaties
215 215 216 216 217 217 217 218 218 218 220 220 225 225 225 228 228 229 229 231 231 233 233 235 236 236 237 238 238 241 241 241 241 242 242 243 243 244 244
inhoudsopgave
2.6. 2.7.
2.5.15. Converteerbare obligaties 2.5.16. Omgekeerd converteerbare obligaties of ‘reverse convertibles’ 2.5.17. Obligaties met warrant 2.5.18. Achtergestelde obligaties 2.5.19. Nulcouponobligaties of ‘zerobonds’ 2.5.20. Lineaire obligaties (OLO’s) 2.5.21. Kapitalisatieleningen 2.5.22. Junkbonds of rommelobligaties 2.5.23. Bevoorrecht schuldpapier De vervroegde terugbetaling van obligaties 2.6.1. De uitloting 2.6.2. De terugkoop 2.6.3. De call 2.6.4. De put De waardering van een obligatie
Hoofdstuk 3: Schatkistcertificaten 3.1. Omschrijving 3.2. De primaire markt 3.2.1. Gedematerialiseerde certificaten 3.2.2. De marktparticipanten 3.2.3. De uitgiftemodaliteiten 3.3. De secundaire markt 3.3.1. De primary dealers 3.3.2. De buitenbeursmarkt Hoofdstuk 4: Kasbons/spaarbons 4.1. Omschrijving 4.2. De verhandelbaarheid van kasbons 4.2.1. Zelf een koper zoeken 4.2.2. Terugkoop door de kredietinstelling 4.2.3. Verkoop via de openbare veilingen 4.3. Varianten op de klassieke kasbon 4.3.1. Kapitalisatiebon 4.3.2. Kasbon met progressieve rente Hoofdstuk 5: Thematische volkslening 5.1. Omschrijving 5.2. Kenmerken 5.2.1. ‘Thematische’ volkslening
9
245 246 248 248 249 249 253 253 253 254 254 255 256 256 257 261 261 261 261 261 261 262 262 264 267 267 269 269 269 269 270 270 271 275 275 275 275
10
bank- en beurswezen in België
5.2.2. Looptijd 5.2.3. Rendement 5.2.4. Fiscaliteit 5.2.5. Risico
277 277 277 277
Hoofdstuk 6: Staatsbons 6.1. Omschrijving 6.2. Soorten 6.3. Liquiditeit 6.4. Veiligheid 6.5. Kosten
279 279 279 280 281 281
Hoofdstuk 7: Verzekeringsbons 7.1. Omschrijving 7.2. Het rendement van een verzekeringsbon 7.3. Gevolgen van de verplichte overlijdensdekking 7.4. Het belegde bedrag
285 285 285 586 587
Hoofdstuk 8: Instellingen voor collectieve belegging 8.1. Omschrijving 8.2. Voordelen van een instelling voor collectieve belegging 8.3. Soorten vanuit juridisch-fiscaal standpunt 8.3.1. Beleggingsfondsen 8.3.2. Beveks/Sicafs 8.3.3. Bevaks/Sicafs 8.3.4. VBS 8.3.5. Tak 23-fondsen 8.4. Soorten volgens de aard van de beleggingen 8.4.1. Thesauriefondsen op korte of halflange termijn 8.4.2. Obligatiefondsen 8.4.3. Aandelenfondsen 8.4.4. Gemengde fondsen 8.4.5. Immobiliënfondsen 8.4.6. Index-ICB’s met kapitaalbescherming 8.4.7. Paraplufondsen 8.4.8. Privaks 8.4.9. Trackers 8.5. Prijzen van deelnemingsbewijzen 8.6. Kosten verbonden aan instellingen voor collectieve belegging
291 291 291 292 293 293 296 296 296 297 297 297 297 298 298 299 299 299 300 300 301
inhoudsopgave
Hoofdstuk 9: Pensioensparen 9.1. Omschrijving 9.2. Methoden om aan pensioensparen te doen 9.2.1. De collectieve spaarrekening 9.2.2. De individuele spaarrekening 9.2.3. De spaarverzekering 9.3. Voorwaarden verbonden aan het pensioensparen 9.4. Uit te voeren beleggingen 9.5. Fiscale kenmerken van het pensioensparen 9.6. Rendement van het pensioensparen
11
305 305 305 305 306 306 307 307 308 308
Hoofdstuk 10: Vastgoedcertificaten 10.1. Omschrijving 10.2. Kenmerken 10.3. Soorten vastgoedcertificaten 10.3.1. Leasingcertificaten 10.3.2. Huurcertificaten
313 313 313 314 314 314
Hoofdstuk 11: Afgeleide of derivatieve producten 11.1. Futures 11.1.1. Omschrijving 11.1.2. Werking van futures 11.1.3. Voorbeeld: een rentefuture op korte termijn 11.2. Opties 11.2.1. Omschrijving 11.2.2. De vier basisstrategieĂŤn met opties 11.2.3. Opties op NYSE Liffe European Derivatives Markets 11.3. Swaps 11.3.1. Omschrijving 11.3.2. De deviezenswap 11.3.3. De renteswap
319 319 319 319 321 323 323 324 325 326 326 326 327
DEEL II: DE BEURS
331
Hoofdstuk 1: De MiFID-richtlijn 1.1. Algemene situering 1.2. De bescherming van de belegger 1.2.1. CliĂŤntenclassificatie 1.2.2. Bepaling beleggingsprofiel 1.2.3. Afstemming op het risicoprofiel
333 333 333 334 335 335
12
bank- en beurswezen in België
1.2.4. Optimale uitvoering van orders 1.2.5. Rapportering en informatie aan cliënten
335 336
Hoofdstuk 2: Structuur en organisatie van de Belgische secundaire markten voor financiële instrumenten 339 2.1. Secundaire markten 339 2.2. De organisatie van de secundaire markten in België 341 2.2.1. De marktonderneming 342 2.2.2. Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FMSA) 342 2.3. Tussenpersonen bij het afsluiten van beurstransacties 342 2.3.1. Beursvennootschappen 344 2.3.2. Vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies 344 Hoofdstuk 3: De markten van de effectenbeurs van Brussel (NYSE Euronext Brussels) 3.1. Indeling van NYSE Euronext Brussels 3.2. Eurolist 3.2.1. De continumarkt 3.2.2. De fixingmarkt 3.2.3. De toelatingsvoorwaarden tot Eurolist 3.3. De interprofessionele markt (M.I.M.) 3.4. De openbare veilingen 3.5. NYSE LIFFE Brussels 3.6. De vrije markt 3.7. Alternext
349 349 350 350 351 352 353 354 354 355 355
Hoofdstuk 4: Beursindexen op NYSE Euronext Brussels 359 4.1. Belgische indexen 359 4.1.1. Bel-20-index 359 4.1.2. Bel Mid-index 361 4.1.3. Bel Small-index 362 4.2. Euronext-indexen 363 4.2.1. Euronext 100 363 4.2.2. Next 150 364 Trefwoordenregister
369
Hoofdstuk 2
Hoofdkenmerken van het actuele bankwezen (in België)
In dit hoofdstuk zal er ingegaan worden op een aantal in het oog springende kenmerken van het hedendaagse bankwezen. Er zal voornamelijk gekeken worden naar de situatie in België, maar, gezien het internationale karakter van de financiële sector, zal zeker niet nagelaten worden om, indien dit relevant is in het kader van dit werk, ook over de landsgrenzen heen te kijken.
2.1. Het belang van de ‘Belgische’ kredietinstellingen op internationaal vlak We kunnen zonder omwegen stellen dat de Belgische kredietinstellingen op Europees vlak en zeker op wereldvlak eerder bij de kleine broertjes dienen geteld te worden. Enige verbetering kan vastgesteld worden door toedoen van overnames en fusies die het Belgisch banklandschap de laatste jaren heeft gekenmerkt. De vraag die men zich hier echter bij dient te stellen, is hoe Belgisch onze kredietinstellingen nog wel zijn. We kunnen namelijk stellen dat bij zowat alle belangrijke samenwerkingsoperaties buitenlandse instellingen betrokken zijn, die het, in de meeste gevallen, na de samenwerkingsoperatie dan ook voor het zeggen hebben. Voorbeelden: >> de gedeeltelijke privatisering en integratie van de ASLK in de Nederlandse Fortis Groep in 1993 >> de overname van de NMKN door de ASLK in 1995 >> de privatisering en samenwerking van het Gemeentekrediet met Crédit Local de France (door middel van de Dexia-holding) in 1996 >> de overname van de BBL door het Nederlandse concern ING in 1997
de wettelijke regeling van en het toezicht op het belgische bankwezen
51
4.3. Controle op de bankactiviteiten 4.3.1. Het starten van de bedrijfsactiviteit Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die haar werkzaamheden in België wenst uit te oefenen moet, vooraleer deze aan te vatten, een vergunning krijgen van de Nationale Bank van België (NBB). Bij de vergunningsaanvraag dient een programma van de geplande werkzaamheden gevoegd te worden. Hierin dient met name de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen, alsook de organisatiestructuur van de instelling vermeld te worden. De NBB zal de aanvraag uiteindelijk ter definitieve goedkeuring voorleggen aan de Europese Centrale Bank. De NBB verleent slechts een vergunning aan kredietinstellingen die voldoen aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot: •• de rechtsvorm •• het aanvangskapitaal •• de aandeelhouders •• de leiding •• de organisatie •• het hoofdkantoor •• de depositobescherming
4.3.1.1. De rechtsvorm Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht moet worden opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap naar keuze, met uitzondering van de bvba opgericht door één enkele persoon.
4.3.1.2. Het aanvangskapitaal Om een vergunning te verkrijgen is een volstort kapitaal vereist van ten minste 6.200.000 euro.
Hoofdstuk 1
De kredietbronnen
De bedoeling van dit hoofdstuk is na te gaan welke bronnen de kredietinstellingen kunnen aanspreken om de gelden bij elkaar te brengen die hen in staat moeten stellen om hun werking te financieren en om te voldoen aan de vraag naar geld vanwege de geldmarkt en de (middel)lange kredietmarkt. Zoals elke andere onderneming zal ook een kredietinstelling beroep doen op twee grote geldbronnen, enerzijds het eigen vermogen en anderzijds het vreemd vermogen. Grafiek 4: Opsplitsing van de kredietbronnen van de kredietinstellingen (in miljard EUR) (02/2016) Achtergestelde schulden 15,2
In schuldbewijzen belichaamde schulden 78 Bron: Statistisch Tijdschrift 2016/1, NBB
Eigen vermogen 57,4
Interbankenschulden 155,3
CliĂŤntentegoeden (op rekeningen) 667,3
90
Boekdeel I, Deel II
Grafiek 11: Inlagen spaarrekeningen grootste kredietinstellingen (in miljard EUR) BNP Paribas Fortis KBC Bank Belfius Bank ING België Argenta Deutsche Bank Crelan AXA Recordbank bpost bank Rabobank Overige
miljard EUR 60,43 39,61 41,3 31,15 21,7 10,6 10,81 12,23 8,91 6,5 8,32 10,04
Bron: De Tijd, 5 januari 2016
1.2.2.3. De termijnrekeningen ‘Op termijnrekeningen worden gelden gedeponeerd waarvan men tijdelijk het genot afstaat ten voordele van de kredietinstelling. Dit gebeurt meestal voor een bij voorbaat vastgestelde termijn.’ •• De beschikbaarheid Gezien de deposito’s bij termijnrekeningen per definitie voor een bepaalde termijn worden vastgelegd, is het normaal dat deze gelden in principe pas weer beschikbaar worden gesteld op het einde van de afgesproken termijn. De bewerkingen die men op dergelijke termijnrekeningen kan doen zijn dan ook uitermate beperkt. In de meeste gevallen zijn er namelijk enkel stortingen en afhalingen mogelijk en dit rekening houdend met de afgesproken vervaldata. Binnen de termijnrekeningen wordt er dan ook vaak een onderscheid gemaakt volgens de beschikbaarheid van de gelden:
giraal geld
135
2.3.6.3. De kredietkaarten De kredietkaart is ontworpen in 1920 in de Verenigde Staten en was oorspronkelijk enkel bestemd voor de Amerikaanse markt. Gezien het enorme succes werd in 1950 door ‘Diner’s Club Inc.’ een kredietkaart uitgebracht die internationaal gebruikt kon worden. Een kredietkaart is een geplastificeerde kaart voor personen die kredietwaardig worden geacht en lid worden van een vereniging, de kredietkaartmaatschappij, die binnen zekere perken, de betaling waarborgt van een aan haar leden gedane levering of verstrekte dienst. De verschillende kredietkaarten (Visa, Eurocard Mastercard, Diner’s Club, American Express, ...) bieden de kaarthouder tegenwoordig een drietal grote gebruiksmogelijkheden. Men heeft de mogelijkheid goederen en diensten te betalen bij handelszaken die bij het systeem zijn aangesloten. Daarvoor hoeft men enkel zijn kaart af te geven aan de handelaar, het verkoopborderel te controleren op datum en bedrag en het te ondertekenen. Het dubbel van het verkoopborderel bewaart men best om het later te kunnen vergelijken met de verrichting(en) die op de afrekening vermeld staat/staan. In steeds meer handelszaken, namelijk diegene die over een elektronische betaalterminal beschikken, wordt de handtekening vervangen/aangevuld door het intoetsen van een geheime code. In veel gevallen is het ook mogelijk om bestellingen telefonisch, schriftelijk of via internet te plaatsen. Men hoeft dan enkel zijn kaartnummer, de vervaldag van de kaart, zijn adres en het leveringsadres op te geven. Een tweede gebruiksmogelijkheid houdt in dat men door gebruik te maken van zijn kaart en de daarbij horende geheime code geld opvraagt aan een geldautomaat in België of in het buitenland. Een laatste mogelijkheid wordt geboden door de agentschappen van de kredietinstellingen die deelnemen aan het netwerk van de kredietkaartmaatschappij. Op eenvoudige aanbieding van zijn kredietkaart kan de kaarthouder, na ondertekening van een borderel, contanten uitbetaald krijgen. Deze mogelijkheid is in principe echter enkel voorzien in het buitenland.
aandelen
207
1.3. Het rendement van een aandeel Het rendement van een aandeel is voornamelijk afhankelijk van volgende factoren: >> het dividend >> de koersschommelingen
1.3.1. Het dividend Het dividend is een wisselvallig, niet te voorspellen, deel van de winst dat de onderneming uitkeert aan haar aandeelhouders. Deze uitkering kan beperkt worden indien de onderneming het afgelopen jaar minder goed heeft gepresteerd, hetgeen echter zeker niet wil zeggen dat er altijd een hoog dividend zal uitgekeerd worden als de onderneming het afgelopen boekjaar veel winst heeft gerealiseerd. Het is uiteindelijk de algemene vergadering van de aandeelhouders die, op voorstel van de raad van bestuur, op de jaarlijkse statutaire vergadering zal beslissen welk gedeelte van de winst voor een welbepaald doel zal gebruikt worden. In de meeste gevallen heeft men de volgende mogelijkheden: •• reserves Hier gaat men een deel van de winst in eigen bezit houden. Deze gereserveerde winsten kunnen later o.a. gebruikt worden voor het financieren van grote(re) investeringen. Opmerking De ondernemingen zijn wettelijk verplicht een ‘wettelijke reserve’ aan te leggen. Deze wordt gevormd door jaarlijks minimum 5% van de winst te reserveren en dit tot deze wettelijke reserve minimum 10% van het kapitaal bedraagt.
•• tantièmes De onderneming kan een beperkt deel van de winst gebruiken als extra vergoeding voor de zaakvoerder(s), bestuurders, personeelsleden.
Hoofdstuk 1
De MiFID-richtlijn
1.1. Algemene situering De Europese richtlijn betreffende markten voor Financiële Instrumenten (Markets in Financial Instruments Directive) of kortweg de MiFID-richtlijn (richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004) heeft tot doel een geharmoniseerd regelgevend kader te creëren voor de handel in financiële producten. Deze regelgeving is niet enkel in België van toepassing, maar eveneens in alle andere landen van de Europese Unie en heeft betrekking op transacties in financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, staatsbons, afgeleide producten (opties, futures) en andere instrumenten van de monetaire markt (o.a. schatkistcertificaten), maar niet op levensverzekeringsproducten. Ze heeft betrekking op alle instellingen die financiële diensten leveren (kredietinstellingen, beursmakelaars, ). De richtlijn heeft voornamelijk tot doel om enerzijds de concurrentie en transparantie op de financiële markten te verbeteren en anderzijds te zorgen voor een betere bescherming van de belegger. In dit hoofdstuk zal er enkel ingegaan worden op het gedeelte met betrekking op de bescherming van de belegger.
1.2. De bescherming van de belegger De stappen die in het kader van de beleggersbescherming dienen ondernomen te worden kunnen voorgesteld worden door onderstaand schema: