Bank, verzekeringen, beurs
INHOUD
VOORWOORD
1
INLEIDING 2
DEEL I: BANK HOOFDSTUK 1: HET BELGISCH FINANCIEWEZEN
3 5
1.1.
FINANCIËLE SECTOR IN BREDE ZIN
6
1.1.1.
6
KREDIETINSTELLINGEN
1.1.2 PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJEN
7
1.1.2.2. HOLDINGS
9
1.1.3. BELEGGINGSONDERNEMINGEN
10
1.1.4.
INSTITUTIONELE BELEGGERS
11
1.1.5.
INSTELLINGEN VOOR ELEKTRONISCH GELD
12
1.1.6. BETALINGSINSTELLINGEN
1.2.
7
1.1.2.1. INVESTERINGSBANKEN/-FONDSEN
MONETAIRE OVERHEID
12
12
1.2.1.
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN
1.2.2.
EUROPESE CENTRALE BANK
13
1.2.3.
NATIONALE BANK VAN BELGIË
14
1.2.4.
1.2.3.1. ALGEMEEN
14
1.2.3.2. TAKEN
14
HOGE RAAD VAN FINANCIËN
1.3. CONTROLEORGANISMEN 1.3.1.
13
ECB (ZIE FINANCIEEL TOEZICHT)
17
17 17
1.3.2. NBB
17
1.3.3. FSMA
17
1.3.4.
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE
17
1.3.4.1.
ALGEMENE DIRECTIE CONTROLE EN BEMIDDELING
17
1.3.4.2.
WET BETREFFENDE DE MARKTPRAKTIJKEN EN CONSUMENTENBESCHERMING 18
1.3.4.3.
WET OP HET CONSUMENTENKREDIET
20
1.3.5.
CENTRALE VOOR KREDIETEN AAN ONDERNEMINGEN
20
1.3.6.
CENTRALE VOOR KREDIETEN AAN PARTICULIEREN
20
1.3.6.1. OMSCHRIJVING
20
1.3.6.2.
VERPLICHTE RAADPLEGING
21
1.3.6.3.
TOEGANG DATABANK
21
1.3.6.4.
INZAGE- EN RECTIFICATIERECHT
21
1.3.7.
1.3.6.5. BEWARINGSTERMIJN
21
1.3.6.6.
22
SANCTIES BIJ NIET-NALEVING
CEL VOOR FINANCIËLE INFORMATIEVERSCHAFFING
22
1.3.7.1. ANTIWITWASWETGEVING
22
1.3.7.2. ANTIWITWASCEL
23
1.3.7.3.
COMPLIANCE OFFICER
23
1.3.7.4.
BANKGEHEIM OF DISCRETIEPLICHT
24
INHOUD
2.5. 2.6.
2.7.
2.8.
2.9.
2.4.4.1.
MINIMUM EIGEN VERMOGEN
45
2.4.4.2.
RISICOSPREIDING
45
2.4.4.3.
WIJZIGINGEN IN DE KAPITAALSTRUCTUUR
45
2.4.4.4.
ONVERENIGBAARHEIDSREGELING
45
2.4.4.5.
FUSIES EN OVERDRACHTEN
46
2.4.4.6.
AANDELENBEZIT EN DEELNEMINGEN
46
2.4.4.7.
REGLEMENTAIRE COËFFICIËNTEN
47
2.4.4.8.
PERIODIEKE INFORMATIEVERSTREKKING EN BOEKHOUDREGELS
47
2.4.5.
UITZONDERINGSMAATREGELEN
47
2.4.6.
GRENSOVERSCHRIJDENDE BANKWERKZAAMHEDEN
48
2.4.6.1.
ALGEMEEN
48
2.4.6.2.
KI UIT ANDERE EU-LIDSTATEN
48
2.4.6.3.
KI NAAR BELGISCH RECHT
48
2.4.6.4.
KI UIT DERDE LANDEN
48
WET VAN 2 AUGUSTUS 2002 WET VAN 2 JULI 2010
49 49
2.6.1.
AANLEIDING
49
2.6.2.
INHOUD
49
EUROPESE BANKENUNIE
50
2.7.1.
AANLEIDING
50
2.7.2.
EUROPEES BANKENTOEZICHT
51
2.7.2.1.
ECB: TOEZICHTHOUDER
51
2.7.2.2. 2.7.2.3.
STRESSTESTS EUROPEAN BANKING AUTHORITY
51 52
2.7.3.
EUROPEES RESOLUTIEFONDS
52
2.7.4.
EUROPESE DEPOSITOGARANTIE
53
2.7.5.
BASEL III
53
WET OP HET STATUUT VAN EN HET TOEZICHT OP KREDIETINSTELLINGEN OF BANKWET (25 APRIL 2014)
53
2.8.1.
SITUERING
53
2.8.2.
GOVERNANCE
53
2.8.3.
ANDERE MAATREGELEN
55
2.8.3.1.
BESCHERMING SPAARGELD
55
2.8.3.2.
BEPERKING PROPRIETARY TRADING
55
2.8.3.3.
BEPERKING BANKIERSBONUSSEN
55
2.8.3.4.
EIGEN VERMOGEN EN LIQUIDITEIT
56
2.8.3.5.
HERSTEL- EN AFWIKKELINGSPLANNEN
56
2.8.3.6.
VOEDSELSPECULATIE
56
TOEZICHT FINANCIELE SECTOR
56
2.9.1.
ECB
56
2.9.2.
NBB
2.9.3.
56
2.9.2.1.
OMSCHRIJVING
56
2.9.2.2.
MACROPRUDENTIEEL TOEZICHT
57
2.9.2.3.
MICROPRUDENTIEEL: TOEZICHTSDOMEINEN
FSMA
57 58
2.9.3.1.
OMSCHRIJVING
58
2.9.3.2.
TOEZICHT OP DE FINANCIËLE MARKTEN
58
2.9.3.3.
PRODUCTTOEZICHT
61
2.9.3.4.
NALEVING GEDRAGSREGELS (MIFID)
63
2.9.3.5.
FINANCIËLE DIENSTVERLENERS EN TUSSENPERSONEN
63 VII
INHOUD
3.9.5.3.
3.10.
DE BELGISCHE KI EN HUN BUITENLANDS NET
CONCENTRATIE: OPKOMST EN ONDERGANG VAN BELGISCHE FINANCIELE REUZEN
3.9.7.
FINANCIËLE CRISIS EN BANKENTAKS
102
3.9.8.
BANKIEREN VOOR DE NIEUWE GENERATIE
103
3.9.9.
MAATSCHAPPELIJK VERANTWOORD ONDERNEMEN
DISTRIBUTIE EN -KANALEN
98
103
104
3.10.1. BANKKANTOOR
104
3.10.2. TUSSENPERSONEN IN DE BANK- EN BELEGGINGSDIENSTEN
105
3.10.2.1. WETGEVING
105
3.10.2.2. BANKAGENT
106
3.10.2.3. BANKMAKELAAR
106
3.10.3. INTERNET
3.11.
97
3.9.6.
CIJFERGEGEVENS 3.11.1.
107
107
STRUCTUUR
3.11.2. RESULTATEN VAN DE BANKEN
107 109
HOOFDSTUK 4: KREDIETINSTELLINGEN EN BETALINGEN
111
4.1. 4.2.
112 113
4.3.
4.4. 4.5.
4.6.
EVOLUTIE BETAALMIDDELEN CHARTAAL GELD 4.2.1.
OMSCHRIJVING
113
4.2.2.
VOORDELEN
114
4.2.3.
NADELEN
GIRAAL GELD
114
116
4.3.1.
OMSCHRIJVING
116
4.3.2.
ONTSTAAN EN EVOLUTIE
116
4.3.3.
AANDEEL GELDHOEVEELHEID
ELECTRONIC MONEY SINGLE EURO PAYMENTS AREA
117
117 117
4.5.1.
OMSCHRIJVING
4.5.2.
SEPA CREDIT TRANSFER OF EUROPESE OVERSCHRIJVING
117
4.5.3.
IBAN
118
4.5.4.
SEPA DIRECT DEBET OF EUROPESE DOMICILIERING
118
4.5.5.
BETAALKAARTEN
118
4.5.6.
ANDERE BETAALMIDDELEN
118
4.5.7.
PAYMENT SERVICES DIRECTIVE
118
4.5.7.1.
OMSCHRIJVING
118
4.5.7.2.
DOELSTELLINGEN
119
4.5.7.3.
PSD-GERELATEERDE WIJZIGINGEN
ZICHTREKENING
117
119
120
4.6.1.
OMSCHRIJVING
120
4.6.2.
ZICHTREKENING VERSUS BELEGGERSREKENING
120
4.6.3.
REKENINGNUMMERS
121
4.6.3.1.
NATIONAAL
121
4.6.3.2.
EUROPEES
121
4.6.4.
TITULARIS EN VOLMACHTDRAGER
122
4.6.5.
OVERLIJDEN REKENINGHOUDER
122
4.6.6.
RENTEVERGOEDING
122
4.6.7.
VALUTERING
122
4.6.8.
WERKING
123
4.6.8.1.
123
VERMEERDEREN VAN HET TEGOED
IX
INHOUD
4.15.1.4. MAXIMALE GEBRUIKSLIMIETEN
140
4.15.3. PHONEBANKING
140
4.15.4. ONLINEBANKIEREN
141
4.15.4.1. ALGEMEEN
4.16.
141
4.15.4.2. VEILIGHEID
141
4.15.4.3. GEBRUIK
142
4.15.5. MOBIEL BANKIEREN
142
4.15.6. ISABEL
144
TARIFERING ZICHTREKENING
144
4.16.1. ALGEMEEN
144
4.16.2. BESTANDDELEN
145
4.16.2.1. BEHEERSVERGOEDING
145
4.16.2.2. KAARTEN
146
4.16.2.3. FORFAIT DEBETVERRICHTINGEN
146
4.16.2.4. STUKTARIFERING
146
4.16.2.5. REKENINGUITTREKSELS
146
4.16.2.6. BESTELLEN OVERSCHRIJVINGSFORMULIEREN/CHEQUES
147
4.16.2.7. GEWEIGERDE BETALINGEN
147
4.16.3. KOSTENBEPERKENDE TOOLS
147
4.16.3.1. GOEDKOPE BANK KIEZEN
147
4.16.3.2. BETALINGSGEWOONTEN AANPASSEN
147
4.16.3.3. STATUS VAN GOEDE KLANT VERWERVEN
147
4.16.3.4. ONLINEZICHTREKENING
147
4.16.3.5. PAKKETREKENING
148
4.16.4. UITZONDERINGEN
148
4.16.5. BEKENDMAKING BANKTARIEVEN
149
4.16.5.1. REKENINGUITTREKSEL
4.17.
140
4.15.2. SELFBANKING
149
4.16.5.3. TRANSPARANTIE
150
INTERNATIONALE BETALINGSTECHNIEKEN 4.17.1.
149
4.16.5.2. AFFICHERING IN BANKKANTOREN
150
INTERNATIONALE TRANSFER OF OVERSCHRIJVING
150
4.17.1.1.
151
SEPA-OVERSCHRIJVINGEN
4.17.1.2. INTERNATIONALE BANKOVERSCHRIJVING
151
4.17.2. CHEQUE
151
4.17.3. WISSELBRIEF
152
4.17.4. ORDERBRIEFJE OF PROMESSE
152
4.17.5. HET DOCUMENTAIR INCASSO
152
4.17.6. HET DOCUMENTAIR KREDIET
152
4.17.6.1. TEGENSTRIJDIGE STANDPUNTEN EXPORTEUR/IMPORTEUR
152
4.17.6.2. OMSCHRIJVING EN KENMERKEN
153
4.17.6.3. WERKING
153
4.17.6.4. KOSTPRIJS
154
HOOFDSTUK 5: KREDIETINSTELLINGEN EN FINANCIËLE DIENSTEN
155
5.1.
156
ALGEMEEN 5.1.1.
BUITENBALANSACTIVITEITEN
156
5.1.2.
OVERZICHT VAN DE ‘ANDERE’ VERRICHTINGEN
156
5.1.3.
BELANG VAN DE NIET-INTERESTINKOMSTEN
156
XI
INHOUD
6.1.2.
INDELING
178
6.1.3.
WAARBORGEN
179
6.1.3.1.
EIGENDOMSVOORBEHOUD
179
6.1.3.2.
LOONBESLAG
180
6.1.3.3.
BORGSTELLING
180
6.1.4.
VERZEKERINGEN VERBONDEN AAN CONSUMENTENKREDIET
181
6.1.5.
WET OP HET CONSUMENTENKREDIET
182
6.1.5.1.
TOEPASSINGSGEBIED
182
6.1.5.2.
BESCHERMING VAN DE CONSUMENT
183
6.1.5.3.
PRECONTRACTUEEL
183
6.1.5.4.
SOLVABILTEITSONDERZOEK EN AANSPRAKELIJKHEID GELDSCHIETER
185
6.1.5.5.
MYSTERYSHOPPING
186
6.1.5.6.
MAXIMALE TERUGBETALINGSTERMIJN
186
6.1.5.7.
MAXIMAAL JAARLIJKS KOSTENPERCENTAGE
186
6.1.5.8.
VERVROEGDE TERUGBETALING
6.1.6.
6.1.7.
188
6.1.6.1.
OMSCHRIJVING
188
6.1.6.2.
SOORTEN
188
6.1.6.3.
WETTELIJKE BEPALINGEN
189
6.1.6.4.
TOEKENNINGSCRITERIA
6.1.9.
189
DE LENING OP AFBETALING
190
6.1.7.1.
OMSCHRIJVING
190
6.1.7.2.
SOORTEN
190
6.1.7.3.
RENTEVOET
190
6.1.7.4.
WETTELIJKE BEPALINGEN
190
DE VERKOOP OP AFBETALING
191
6.1.8.1.
OMSCHRIJVING
191
6.1.8.2.
BEDING VAN EIGENDOMSVOORBEHOUD
191
6.1.8.3.
WETTELIJKE BEPALINGEN
192
6.1.8.
6.2.
187
KREDIETOPENING OF KREDIETLIJN
PERSONAL LEASE
HET HYPOTHECAIR KREDIET
192
193
6.2.1.
OMSCHRIJVING
193
6.2.2.
BASISFORMULES
194
6.2.3.
BEDRAG
194
6.2.4.
HYPOTHEEK EN OVERIGE WAARBORGEN
6.2.5.
6.2.6.
195
6.2.4.1.
HYPOTHEEK
195
6.2.4.2.
WONINGVERZEKERING
196
6.2.4.3.
SCHULDSALDOVERZEKERING
196
6.2.4.4
WERKLOOSHEIDSVERZEKERING
196
BOEK VII WER INZAKE HYPOTHECAIRE KREDIETEN
196
6.2.5.1.
OMSCHRIJVING
196
6.2.5.2.
RENTEVOET: VAST OF VARIABEL
197
6.2.5.3.
INTERESTBEREKENING
197
6.2.5.4.
DOSSIER- EN SCHATTINGSKOSTEN
198
6.2.5.5.
BEDENKTIJD
198
6.2.5.6.
PROSPECTUS
198
HYPOTHEEKWET VAN 13 MAART 1998
198
6.2.6.1.
OMSCHRIJVING
198
6.2.6.2.
VERBOD TIJDELIJKE KORTINGEN
198
6.2.6.3.
AFSCHAFFING RISTORNO’S
198 XIII
INHOUD
7.6.
INVESTERINGSKREDIET OMSCHRIJVING
212
7.6.2.
LOOPTIJD
213
7.6.3.
VOORWERP
213
7.6.4.
BEDRAG
213
7.6.5.
RENTEVOET
213
7.6.6.
AFLOSSING
213
7.6.7.
STEUNVERLENING
213
7.6.7.1.
FINANCIERINGSVOORWAARDEN
213
7.6.7.2.
RENTEVOETVERMINDERINGEN
213
7.6.7.3.
KAPITAALPREMIES
214
7.6.7.4.
WAARBORG
214
7.6.8.
7.7.
VERVROEGDE TERUGBETALING
ANDERE FINANCIERINGSVORMEN 7.7.1.
7.7.2.
7.7.3.
7.8 7.9
212
7.6.1.
214
214
FACTORING
214
7.7.1.1.
OMSCHRIJVING
214
7.7.1.2.
FUNCTIES
214
7.7.1.3.
KOSTPRIJS
215
7.7.1.4.
VOORDELEN
215
7.7.1.5.
NADELEN
216
7.7.1.6.
AANBOD
216
LEASING
217
7.7.2.1.
OMSCHRIJVING
217
7.7.2.2.
TARIEF EN TERUGBETALING
217
7.7.2.3.
LEASINGVORMEN
217
7.7.2.4.
VOORDELEN
218
7.7.2.5.
NADELEN
219
FORFAITING
CROWDFUNDING WINWINLENING
219
219 219
HOOFDSTUK 8: START TO INVEST
221
8.1. 8.2. 8.3 8.4.
222 222 223 224
FINANCIËLE BASISKENNIS LIQUIDE FINANCIELE BUFFER: EEN MUST KEN JEZELF: BELEGGINGSPROFIEL HOU REKENING MET DIVERSE KENMERKEN 8.4.1.
DEBITEUR
224
8.4.2.
RENDEMENT
224
8.4.3.
FISCALITEIT
224
8.4.4.
RISICO
228
8.4.5.
LOOPTIJD
230
8.4.6.
LIQUIDITEIT
230
8.4.7.
MINIMUMINLAGE
231
8.4.8.
FREQUENTIE VAN INTERESTUITKERING
231
8.4.9.
KOSTEN
231
8.4.10. UITGIFTEPRIJS
231
8.4.11. SUCCESSIE EN ERFBELASTING
231
8.4.12. OPVOLGING
231
XV
INHOUD
9.3.
9.2.5.
VOORDELEN
9.2.6.
NADELEN
KASBON
261
261
9.3.1.
OMSCHRIJVING
261
9.3.2.
RENTEVOET
262
9.3.3.
VERVROEGDE TERUGBETALING
262
9.3.3.1.
INKOOP DOOR DE BANK ZELF
263
9.3.3.2.
VIA DE OPENBARE VEILING VAN EURONEXT BRUSSEL
263
9.3.4.
VOORDELEN
9.3.5.
NADELEN
263
9.3.6.
KASBON VERSUS TERMIJNREKENING
264
9.3.7.
SOORTEN
264
9.3.7.1.
GEWONE KASBON
264
9.3.7.2.
KAPITALISATIEBON
264
9.3.7.3.
FACULTATIEVE KAPITALISATIEBON
264
9.3.7.4.
KASBON MET PROGRESSIEVE RENTE
265
9.3.7.5.
BUDGETBON
263
265
9.3.8.
KASBONMARKT IN CIJFERS
265
9.3.9.
CONCURRENTEN KASBON
265
9.3.9.1.
TERMIJNREKENINGEN
265
9.3.9.2.
FONDSEN MET KAPITAALBESCHERMING
265
9.3.9.3.
VERZEKERINGSBONS
266
9.3.9.4.
STAATSBONS
267
9.3.9.5.
ACHTERGESTELDE CERTIFICATEN
267
9.3.10. BELEGGERSPROFIEL
9.4.
260
VOLKSLENING
267
268
9.4.1.
ONTSTAAN EN DOELSTELLING
268
9.4.2.
KENMERKEN
268
9.4.3.
AANBOD
268
9.4.4.
IN CIJFERS
269
HOOFDSTUK 10: FONDS, TRACKER, TAK23
271
10.1. 10.2. 10.3.
272 273 273
OMSCHRIJVING SCHEMATISCHE VOORSTELLING BELANGRIJKE BEGRIPPEN 10.3.1. GEMEENSCHAPPELIJKE BELEGGINGSFONDSEN
273
10.3.2. BELEGGINGSVENNOOTSCHAP MET VERANDERLIJK KAPITAAL
273
10.3.3. BELEGGINGSVENNOOTSCHAP MET VAST KAPITAAL
274
10.3.4. GEREGLEMENTEERDE VASTGOEDVENNOOTSCHAP (GVV)
274
10.3.5. CERTIFICAAT OF AANDEEL
274
10.3.6. NETTO-INVENTARISWAARDE
274
10.3.7. OPEN-END FONDS
275
10.3.8. CLOSED-END FONDSEN
275
10.3.9. UITGIFTEPRIJS
275
10.3.10. DISTRIBUTIE- OF KAPITALISATIEFONDSEN
275
10.3.11. RETURN
276
10.3.12. PROSPECTUS
276
10.3.13. BEHEERSMAATSCHAPPIJ
276
10.3.14. DEPOTHOUDER
276
10.3.15. ERKENDE FINANCIËLE INSTELLING
276 XVII
INHOUD
10.9.5. LIQUIDE BELEGGING
293
10.9.6. RUIM AANBOD
294
10.9.7. OPVOLGBAARHEID
294
10.9.8. TOEGANG TOT GESLOTEN MARKTEN
294
10.9.9. SNELLER REAGEREN
294
10.9.10. TRANSPARANTIE
294
10.9.11. CONTROLE
10.10. NADELEN 10.10.1. KOSTEN
294
295 295
10.10.1.1. INSTAPKOSTEN
295
10.10.1.2. UITSTAPKOSTEN
295
10.10.1.3. LOPENDE KOSTEN
295
10.10.1.4. PRESTATIEKOSTEN
295
10.10.1.5 BEWAARLOON
296
10.10.2. RESULTAAT ONDER MARKTGEMIDDELDE
296
10.10.3. RISICO
296
10.10.4. GEEN INSPRAAK
296
10.10.5. GERINGE KENNIS PORTEFEUILLE
297
10.10.6. OPVOLGING
297
10.10.7. OVERAANBOD
10.11. AANBOD IN BELGIË
297
297
10.11.1. MARKTAANDELEN
297
10.11.2. DISTRIBUTIEKANALEN
297
10.11.3. OPEN ARCHITECTUUR
10.12. BELEGGERSPROFIEL 10.13. SPECIALE VORMEN COLLECTIEVE BELEGGING 10.13.1. PENSIOENSPAARFONDSEN
297
298 298 298
10.13.1.1. PENSIOENSPAREN
298
10.13.1.2. BELASTINGBESPARING
299
10.13.1.3. VOORWAARDEN VOOR FISCALE AFTREK
299
10.13.1.4. EINDBELASTING
300
10.13.1.5. PENSIOENSPAARFONDS VERSUS PENSIOENSPAARVERZEKERING
300
10.13.1.6. KOSTEN PENSIOENSPAREN
301
10.13.1.7. OPVRAGING KAPITAAL
302
10.13.1.8. AANBOD
302
10.13.1.9. RENDEMENTEN
303
10.13.1.10 PENSIOENFONDSEN VS PENSIOENSPAARFONDSEN
304
10.13.2. TAK23-PRODUCTEN 10.13.2.1. OMSCHRIJVING
304 304
10.13.2.2 TAK23 VERSUS TAK21
305
10.13.2.3. BANKFONDSEN VERSUS VERZEKERINGSFONDSEN
306
10.13.3. EXCHANGE TRADED FUNDS
308
DEEL II: BEURS EN BELEGGEN HOOFDSTUK 11: DE BEURS: QUID?
311 313
11.1. 11.2. 11.3.
314 315 315
GESCHIEDENIS IN EEN NOTENDOP BEGRIP INDELING VAN DE BEURZEN 11.3.1.
EFFECTENBEURZEN
11.3.2. GOEDERENBEURZEN
315 316 XIX
INHOUD
11.11.2.1. ORDERS ZONDER LIMIET
337
11.11.2.2. ORDERS MET LIMIET
338
11.11.2.3. SPECIALE ORDERS
338
11.11.3. GELDIGHEIDSDUUR 11.11.4. VRIJE CONCURRENTIE TUSSEN DE BEURZEN
11.12. BEURSKOSTEN 11.12.1. MAKELAARSLOON
339 339
340 340
11.12.2. TAKS OP BEURSVERRICHTINGEN
341
11.12.3. BEWAARLOON
342
11.13 BEURSINDEXEN 11.14 REËLE BEURSINDEXEN
343 343
11.14.1 BEL20
343
11.14.2 BELMID-INDEX EN BELSMALL-INDEX
345
11.14.3 BAS INDEX
345
11.14.4 ANDERE EURONEXT-INDEXEN
345
11.14.5 ANDERE
346
11.15. ENKELE TYPISCHE BEGRIPPEN
348
HOOFDSTUK 12: AANDELEN
353
12.1. 12.2.
354 355
OMSCHRIJVING DIVIDEND 12.2.1. OMSCHRIJVING
355
12.2.2. STOCKDIVIDEND/KEUZEDIVIDEND
355
12.2.3. FISCALE BEHANDELING
355
12.2.4. EX-DIVIDEND
355
12.2.5. BETAALDATUM
357
12.2.6. INTERIMDIVIDEND
357
12.2.7. DIVIDENDRENDEMENT
12.3.
KOERSWINST/MEERWAARDE 12.3.1
OMSCHRIJVING
12.3.2. FISCALE BEHANDELING
12.4.
RETURN 12.4.1. OMSCHRIJVING 12.4.2. BEREKENING
12.5. 12.6.
AANDELEN OF OBLIGATIES: STANDPUNT EMITTENT AANDELEN OF OBLIGATIES: STANDPUNT BELEGGER 12.6.1. HOGER RISICO 12.6.2. POTENTIEEL HOGERE OPBRENGST
12.7.
SOORTEN 12.7.1.
KAPITAALAANDELEN
358
358 358 358
358 359 359 359
359 360 360
12.7.3. OPRICHTERSAANDELEN
360
12.7.4. WINSTAANDELEN
360
12.7.5. BONUSAANDELEN
360
VERRICHTING OP AANDELEN 12.8.1 (REVERSE) STOCK SPLIT 12.8.2. NAAMSVERANDERING
12.9.
358
12.7.2. PREFERENTE AANDELEN
12.7.6. COOPERATIEVE AANDELEN
12.8.
357
358
ANALYSETECHNIEKEN 12.9.1. RANDOM-WALKTHEORIE
360
361 361 361
361 361 XXI
INHOUD
13.8.1.4. VERGELIJKING
378
13.8.2. INDELING NAARGELANG VAN DE EMITTENT
379
13.8.2.1. UITGEGEVEN DOOR DE OVERHEID
379
13.8.2.2. UITGEGEVEN DOOR VENNOOTSCHAPPEN
379
13.8.2.3. UITGEGEVEN DOOR SUPRANATIONALE EN INTERNATIONALE INSTELLINGEN 379 13.8.2.4. UITGEGEVEN DOOR KREDIETINSTELLINGEN 13.8.3. INDELING NAARGELANG VAN DE WAARBORGEN 13.8.3.1. GEWONE OBLIGATIES
379 379
13.8.3.2. BEVOORRECHTE OBLIGATIES
379
13.8.3.3. ACHTERGESTELDE OBLIGATIES
380
13.8.3.4. HYPOTHECAIRE OBLIGATIES
380
13.8.4. INDELING NAARGELANG VAN DE OPBRENGST
380
13.8.4.1. VASTRENTENDE OBLIGATIES
380
13.8.4.2. FLOATING RATE NOTES
380
13.8.4.3. STEP-UP EN SCHARNIERLENINGEN
380
13.8.4.4. ZEROBONDS
381
13.8.4.5. WINSTDELENDE OBLIGATIES
381
13.8.4.6. INFLATIEGELINKTE OBLIGATIES
381
13.8.4.7. STRUCTURED NOTES 13.8.5. INDELING NAARGELANG VAN DE TERUGBETALINGSWIJZE
381 382
13.8.5.1. TERUGBETALING OP EINDVERVALDAG
382
13.8.5.2. MET VERVROEGDE TERUGBETALING
382
13.8.6. EQUITY LINKED BONDS
383
13.8.6.1. CONVERTEERBARE OBLIGATIES
384
13.8.6.2. OBLIGATIES MET WARRANT
385
13.8.6.3. REVERSE CONVERTIBLES
13.9.
379
STAATSOBLIGATIES 13.9.1. LINEAIRE OBLIGATIES 13.9.1.1.
OMSCHRIJVING
385
386 386 386
13.9.1.2. LIJNEN EN TRANCHES
386
13.9.1.3. HOUDERS
387
13.9.1.4. PRIMARY DEALERS
387
13.9.1.5. RENDEMENT EN KOSTEN
387
13.9.2. STAATSBONS
387
13.9.2.1. OMSCHRIJVING
387
13.9.2.2. PRIMAIRE MARKT
388
13.9.2.3. SECUNDAIRE MARKT
389
13.9.2.4. PRO EN CONTRA
389
13.9.2.5. CIJFERS
389
13.9.2.6
390
OLO’S VERSUS STAATSBONS
HOOFDSTUK 14: OPTIE, WARRANT, TURBO
391
14.1. 14.2.
392 392
OMSCHRIJVING OPTIES 14.2.1. OMSCHRIJVING
392
14.2.2. KENMERKEN
392
14.2.2.1. TEGENPARTIJ
392
14.2.2.2. ONDERLIGGENDE WAARDE
393
14.2.2.3. GESTANDAARDISEERDE HOEVEELHEID
393
14.2.2.4. LOOPTIJD
393 XXIII
INHOUD
15.3.1.4. SCHADEGEVAL/VEREFFENING
411
15.3.1.5. BEHEER
411
15.3.2. WETGEVING
411
15.3.2.1. WET VAN 27 MAART 1995/WET VAN 4 APRIL 2014
411
15.3.2.2. TOEPASSINGSGEBIED
412
15.3.2.3. WET VAN 11 APRIL 1999
412
15.3.2.4. WET VAN 22 FEBRUARI 2006
412
15.3.2.5. WET VAN 15 MAART 2006
412
15.3.2.6
413
WET VAN 4 APRIL 2014
15.3.3. SOORTEN TUSSENPERSONEN
413
15.3.3.1. ONAFHANKELIJKE TUSSENPERSONEN
413
15.3.3.2. NIET-ONAFHANKELIJKE TUSSENPERSONEN
413
15.3.3.3. VERANTWOORDELIJKEN VOOR DE DISTRIBUTIE VAN VERZEKERINGEN EN PERSONEN IN CONTACT MET HET PUBLIEK 15.3.4. INSCHRIJVINGSCRITERIA
413
15.3.4.2. VOLDOENDE FINANCIËLE DRAAGKRACHT
414
15.3.4.3. PROFESSIONELE BETROUWBAARHEID
414
15.3.4.4. BEROEPSAANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING ONDERSCHRIJVEN
414
GARANT STAAN VOOR DE CONFORMITEIT VAN DE AANGEBODEN PRODUCTEN 414
15.3.4.6. JAARLIJKS INSCHRIJVINGSRECHT 15.3.5. EXTRA REGLEMENTERINGEN 15.3.6. ORGANISATIE VAN HET TOEZICHT
VERZEKERINGSDISTRIBUTIEKANALEN 15.4.1.
VERSCHILLENDE TYPES AANBIEDERS 15.4.1.1.
NIET-EXCLUSIEVE VERZEKERINGSNETWERKEN
415
415 415 415
15.4.1.3. BANKVERZEKERING
416
15.4.1.4. DIRECTE DISTRIBUTIE (ZONDER TUSSENPERSONEN)
416 417
15.4.2.1. GEHEEL VAN DE VERZEKERINGEN NIET-LEVEN EN LEVEN
417
15.4.2.2. NIET-LEVENSVERZEKERING
418
15.4.2.3. LEVENSVERZEKERING TOEZICHTOUDERS
418
419 419
15.5.2. COMMISSIE VOOR VERZEKERINGEN
419
15.5.3. BEROEPSVERENIGING ASSURALIA
419
15.5.4. OMBUDSDIENST VERZEKERINGEN
419
15.5.5. DATASSUR
420
15.5.5.1.
ALGEMEEN
15.5.5.2. RSR-BESTAND 15.5.6. TARIFERINGSBUREAU AUTO 15.5.7. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS
15.6. 15.7.
414
416
TYPISCHE VERZEKERINGSORGANEN 15.5.1.
414
15.4.1.2. EXCLUSIEVE VERZEKERINGSNETWERKEN ZONDER BANKACTIVITEITEN
15.4.2. MARKTAANDELEN
15.5.
413
15.3.4.1. BEROEPSKENNIS EN EXAMENPLICHT
15.3.4.5.
15.4.
413
DIVERSE BEGRIPPEN EVOLUTIES IN DE VERZEKERINGSSECTOR 15.7.1.
INTERNATIONALISERING EN BUITENLANDSE CONCURRENTIE
420 420 422 422
422 423 423
15.7.2. BRANCHEVERVAGING KI-VERZEKERAARS
423
15.7.3. CONCENTRATIE
424
15.7.3.1.
424
DALING AANTAL VERZEKERAARS
15.7.3.2. MARKTAANDELEN
424 XXV
INHOUD
16.7. 16.8. 16.9.
AUTOPOLIS: LUIK BESCHERMING VAN PERSONEN DIEFSTALVERZEKERING RECHTSBIJSTANDSVERZEKERING
445 445 446
16.9.1. OMSCHRIJVING
446
16.9.2. DEKKINGEN
446
16.9.3. WAARBORG
446
16.9.4. WACHTTIJDEN
16.10. ONGEVALLENVERZEKERING 16.11. SCHULDSALDOVERZEKERING
446
447 447
16.11.1. OMSCHRIJVING
447
16.11.2. PREMIE
448
16.11.3. SOORTEN
16.12. HOSPITALISATIEVERZEKERING
448
449
16.12.1. OMSCHRIJVING
449
16.12.2. PREMIE
449
16.12.3. WET OP DE ZIEKTEVERZEKERINGSOVEREENKOMSTEN
451
16.12.4. UITSLUITINGEN
16.13. LEVENSVERZEKERING
451
452
16.13.1. OMSCHRIJVING
452
16.13.2. MEDISCHE INFORMATIE
453
16.13.3. PREMIE
453
16.13.4. RENDEMENT/WINSTDEELNAME
454
16.13.5. TAKSEN VERSUS BELASTINGBESPARING
454
16.13.6. GESTANDAARDISEERDE INFORMATIEFICHE
455
16.13.7. LIQUIDITEIT
16.14. VERZEKERING HUISPERSONEEL 16.15. REISVERZEKERING
455
455 456
16.15.1. ANNULATIEVERZEKERING
456
16.15.2. BIJSTANDSVERZEKERING
457
16.15.3. BAGAGEVERZEKERING
16.16 OVERLIJDENSVERZEKERING
457
457
16.16.1. UITVAARTVERZEKERING
457
16.16.2. SCHENKINGSVERZEKERING
458
16.16.3. SUCCESSIE-/NALATENSCHAPSVERZEKERING
458
16.16.4. REKENINGVERZEKERING
458
16.16.5. OVERLIJDENSVERZEKERING MET VAST KAPITAAL
458
16.16.6. INKOMENSVERZEKERING
16.17. ARBEIDSONGEVALLENVERZEKERING 16.18. BEDRIJFSLEIDERSVERZEKERING 16.19. GROEPSVERZEKERING
458
459 459 459
16.19.1. OMSCHRIJVING
459
16.19.2 FISCALITEIT
460
16.19.3. SOORTEN
460
16.19.4. PENSIOENFONDSEN VERSUS GROEPSVERZEKERINGEN
16.20. VERZEKERING GEWAARBORGD INKOMEN
460
462
16.20.1. OMSCHRIJVING
462
16.20.2. PREMIE
462
16.20.3. FISCAAL AFTREKBAAR
462
16.20.4. VERGOEDINGEN
462
XXVII
Heel wat instellingen hebben ofwel rechtstreeks, ofwel onrechtstreeks iets te maken met het financiewezen in België. Hoofdstuk 1 is in eerste instantie bedoeld als kennismaking met een aantal instellingen die deel uitmaken van het Belgisch financiewezen. We starten met de kredietinstellingen! Hoeveel het er precies zijn, verschilt naargelang we ze in ruime of in enge zin definiëren. Naast dit voornaamste onderdeel van het financiewezen bestaat er nog een hele reeks instellingen die aan zeer specifieke behoeften van de economie beantwoorden. En binnen deze structuur wordt het beleid en het toezicht bepaald door overheidsorganen.
1.1. FINANCIËLE SECTOR IN BREDE ZIN Beschouwen we de financiële sector in brede zin, dan hebben we het over: “iedere instelling die: • een beroep doet op het spaarwezen; • zorgt voor de financiering van de ondernemingen; • fungeert als tussenpersoon tussen het spaarwezen en de kredietnemers”. Door uit te gaan van deze zeer ruime omschrijving, behoren massa’s instellingen tot de financiële sector. Om toch door het bos de bomen te blijven zien, werd gefilterd op een aantal min of meer gemeenschappelijke kenmerken en op die manier een aantal belangrijke categorieën te vinden.
1.1.1. KREDIETINSTELLINGEN De kredietinstellingen (verder afgekort als KI), ook wel intermediërende instellingen genoemd, vormen het belangrijkste onderdeel van het Belgisch financiewezen en worden verder in het boek grondiger besproken. Ze vormen de financiële sector sensu stricto. Om actief te kunnen zijn op het Belgisch grondgebied moeten de KI geregistreerd zijn op de lijst van kredietinstellingen met vergunning in België bijgehouden door de Nationale Bank van België (NBB). Dit register is op zijn beurt ingedeeld in twee lijsten: Kredietinstellingen naar Belgisch recht Bijkantoren in België van KI die ressorteren onder een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte. De eerste lijst of de kredietinstellingen naar Belgisch recht waren vroeger allemaal verschillend gereglementeerd en hadden andere wettelijk toegelaten activiteiten. Maar sinds de Bankwet van 22 maart 1993 werden de werkingsvoorwaarden juridisch gelijkgeschakeld. Omdat er traditiegetrouw toch nog een verschil bestaat in het patroon van de werkmiddelen en aanwendingen verstrekt de NBB nog steeds drie soorten vergunningen, meer bepaald voor: • banken; • spaarbanken of spaarkassen (incl Federatie van kredietinstellingen); • effectenbanken (EKI).
6
HET BELGISCH FINANCIEWEZEN Figuur 1.1 De fiscus ziet mij...
Bron: De Tijd (03/05/2014)
Naast de fiscus kunnen ook de geregistreerde personen zelf schriftelijk een gratis overzicht opvragen van de gegevens op hun naam. Personen kunnen ook kosteloos de verbetering of schrapping van de gegevens vragen aan hun financiële instelling. VOORBEELD
In de periode januari-mei 2015 raadpleegde de fiscus al 3.605 keer het Centraal Aanspreekpunt, wat neerkomt op een gemiddelde van 200 keer per week36.
1.4. BEROEPSVERENIGINGEN EN OVERLEGORGANEN 1.4.1. BELGISCHE FEDERATIE VAN HET FINANCIEWEZEN De Belgische Federatie van het Financiewezen (Febelfin) werd opgericht in 2003 als overkoepelende beroepsfederatie van de financiële sector. Ze vertegenwoordigt via haar deelverenigingen de financiële instellingen. De federatie treedt op als bruggenbouwer en woordvoerder voor de financiële sector. De leden kunnen o.a. bij Febelfin terecht voor informatie, duiding, opleidingen en andere diensten. Daarnaast bepaalt en verdedigt Febelfin sectorstandpunten in naam van haar leden en verzorgt ze de communicatie naar externe stakeholders. Onder haar leden bevinden zich niet alleen banken (via de Belgische Vereniging van Banken en Beursvennootschappen (BVB)), maar ook kredietinstellingen (Beroepsvereniging voor het krediet (aan particulieren) (BVK)), vermogens- en fondsbeheerders (Belgian Asset Managers Association (BEAMA)), beursvennootschappen (Belgische Vereniging van Beursleden (BVBL)) en leasingmaatschappijen (Belgische Leasingvereniging (BLV)). Daarnaast heeft Febelfin leden met bijzonder statuut: Worldline, Belgische Beroepsvereniging der Factormaatschappijen (BBF), Belgian Private Equity & Venturing Capital Association (BVA), Euronext, Erkenningsraad voor effectenmakelaars (houdt zich bezig met toelating tot, controle op en eventuele schorsing van de titel van effectenmakelaar), Euroclear, Isabel, LCH Clearnet , Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication (Swift)37.
36
Vgl.: 60 procent meer Belgen geven buitenlandse rekening aan, in: De Tijd (19/05/2015)
37
Vgl.: ‘Transparantie en openheid, Kencijfers en duiding’, in: Brochure Febelfin, 2006, p. 23-24. 27
In het Belgische financiewezen ligt het zwaartepunt ongetwijfeld op de kredietinstellingen of de financiële sector sensu stricto. Hoofdstuk 3 is vooral bedoeld om meer inzicht te krijgen in de voornaamste functies, veranderingen, distributiekanalen van de KI. Oorspronkelijk was de basis van het bankiersmétier eenvoudig: spaargeld inzamelen en terug uitlenen, maar met de jaren zijn de activiteiten van de kredietinstellingen veel complexer geworden. Als gevolg daarvan werd het inschatten van de risico’s van het banksysteem een stuk moeilijker met alle gevolgen vandien, denken we maar aan de financiële crisis.
3.1. KREDIETINSTELLINGEN MET VERGUNNING IN BELGIE Omschrijven we het financiewezen in enge zin of sensu stricto, dan schieten enkel de kredietinstellingen over. Om actief te kunnen zijn op het Belgisch grondgebied moeten de KI ingeschreven zijn op de lijst van kredietinstellingen met vergunning in België bijgehouden door de Nationale Bank van België (NBB). Dit register is op zijn beurt ingedeeld: • Kredietinstellingen naar Belgisch recht • Bijkantoren in België van KI die ressorteren onder een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.
3.2. KREDIETINSTELLING NAAR BELGISCH RECHT Ondanks het feit dat ze allemaal onderworpen zijn aan dezelfde Bankwet, maakt de NBB op haar lijst van KI naar Belgisch recht nog steeds een onderscheid tussen banken, spaarbanken of spaarkassen en effectenbanken (EKI). Deze indeling houdt rekening met een aantal toch wel voor de groepspecifieke kenmerken.
3.2.1. BANKEN De depositobanken vertegenwoordigen de grootste groep op de lijst van kredietinstellingen. Hun verrichtingen worden gekenmerkt door een zeer grote diversiteit. Daardoor zijn er fundamentele verschillen ontstaan tussen de banken onderling en kunnen we spreken van een zeer heterogene groep. Vandaar dat we ze nog verder kunnen indelen: O.b.v. de geografische actieradius waarin ze actief zijn: • grote banken met een uitgebreid net van filialen en agentschappen, waardoor ze goed bereikbaar zijn voor het publiek; • regionale en/of gespecialiseerde banken, die lokaal een grote invloed uitoefenen. Ze hebben soms ook door hun specialisatie bekendheid verworven.
74
HOOFDSTUK 3
3.6. HOOFDACTIVITEIT: FINANCIËLE INTERMEDIATIE 3.6.1. OMSCHRIJVING De hoofdactiviteit van de KI is geld verhandelen: met de deposito’s van de spaarders (particulieren en bedrijven) en met zelf-geleende gelden verstrekken ze enerzijds kredieten aan bedrijven, particulieren, overheid en beleggen ze anderzijds op de kapitaalmarkt. Geld is dus hun grondstof. Vandaar dat de ‘oorspronkelijke’ definitie van een kredietinstelling als volgt luidde: “een dienstverlenende onderneming die gelden – zgn. deposito’s – inzamelt tegen een bepaalde vergoeding –creditrente in het vakjargon- en die omzet of transformeert in kredieten tegen een hogere vergoeding of debetrente.” Kenmerkend voor deze ‘intermediatie’ is dat de deposito’s kortlopend zijn en omgezet worden in langlopende kredieten en beleggingen. Of maw een bank maakt de economie liquide door zichzelf illiquide te maken en in ruil voor deze belangrijke dienstverlening aan de economie strijkt ze een rentemarge of intermediatiemarge op. Dit is het verschil tussen de gemiddelde debetrente en de gemiddelde creditrente. De KI kunnen bijgevolg enkel winst maken als de ontvangen rente groter is dan de betaalde rente. De intermediatie is dus niet zonder ‘risico’s, oa een renterisico, en zowel bij de bepaling van de debetrente als bij de vaststelling van de creditrente, zal de KI die risico’s incalculeren8. De rentemarge is een vergoeding voor: • de kosten van het kantorennet, het personeel of kredietwaardigheidsonderzoek van potentiële kredietnemers; • de verliezen ten gevolge van insolvabiliteit van de debiteur; • de kostprijs van het eigen vermogen dat de KI moeten aanhouden voor krediet. Als gevolg van de financiële crisis moeten ze meer kapitaal aanhouden om aan de eisen van toezichthouders te voldoen.
3.6.2. SCHEMATISCHE VOORSTELLING De intermediërende rol van de KI kan als volgt schematisch weergegeven worden. Figuur 3.2 Schema financiële intermediatie
Kredietgevers
Particulieren Gezinnen Bedrijven
Creditrente
Debetrente
Depostito’s
Kredietnemers
Kredieten BANK Omzetting
schaal termijn
munt
Bron: www.abb-bvb.be (29/06/1999).
8 Vgl.: ‘Wat betekent krediet voor een bank?’, in: Inzicht, bijlage bij De Tijd (16/12/2011), p. 4. 80
Particulieren Gezinnen Bedrijven Overheid
HOOFDSTUK 4
Daarnaast is er bij sommige kredietkaarten nog een tweede vorm van krediet mogelijk: het betalingsuitstel dat toegekend wordt ná ontvangst van de factuur. Hier kiest de kaarthouder voor een gespreide betaling mits debetrente (kredietopening)43. Veel banken bieden gespreid betalen bij kredietkaarten niet aan, maar de grote banken lanceerden allemaal een dergelijke ‘wentelkredietkaart’ of een kaart met gespreide terugbetaling van het krediet44. Er moet wel maandelijks een minimumbedrag worden terugbetaald: bv. op elke eerste kalenderdag van de maand 5 procent of 125 euro in geval van een kredietlijn van 2.500 euro. Na terugbetaling is het krediet opnieuw opneembaar (= revolving)45.
4.13. PREPAIDKAART Een prepaid debetkaart is een tussenvorm in de wereld van debet- en een kredietkaarten: het is een betaalkaart die moet opgeladen worden alvorens gebruik. Opladen kan op verschillende manieren: via overschrijving, met de kredietkaart, aan het loket van de uitgevende KI. De houder bepaalt zelf de hoogte van het op te laden bedrag (binnen bepaalde grenzen). Bij verlies van de kaart is de consument zijn geld niet kwijt: de prepaidkaart kan worden geblokkeerd omdat ze gekoppeld is aan een centrale rekening en vermits het geld niet op de kaart zelf staat. In vergelijking met een kredietkaart biedt ‘prepaid’ het voordeel niet altijd gelinkt te zijn aan een bankrekening zodat de kaart altijd discreet en zonder de bankgegevens vrij te geven, kan gebruikt worden. De prepaidkaart kan worden gebruikt voor aankopen op het internet en voor betalingen in winkels en restaurants die verbonden zijn aan het netwerk van MasterCard. Online aankopen verrichten verloopt op dezelfde manier als met debet- en kredietkaart en in geval van fraude wordt de klant ook hier volledig vergoed. De prepaidkaart kan ook gebruikt worden voor geldafhalingen. Ze is een alternatief voor consumenten die niet in aanmerking komen voor een kredietkaart omdat ze onvoldoende kredietwaardig of té jong zijn en geen vast inkomen hebben of niet bereid zijn om te betalen voor een kredietkaart. Vermits de kaart anoniem is, kan ze perfect aan iemand anders gegeven worden om te gebruiken46. Maar het grote voordeel is dat de houder met de kaart in het rood kan gaan. Een prepaidkaart is echter niet gratis en ook het heropladen van de kaart en geld afhalen kost geld. Betalingen in euro zijn gratis, maar bij betalingen en opnames in vreemde munt wordt een wisselprovisie aangerekend. Bovendien is bij de meeste banken een maximumbedrag opgelegd om per jaar op te laden. Soms zijn ook de herlaadbeurten gelimiteerd. VOORBEELD
Bij Belfius kost een geldopvraging met prepaidkaart aan een bankautomaat of aan een loket 5 euro. Bij Bpost kost een geldafhaling 4 euro. Voor een geldafhaling in het buitenland komt er 1,75% van het afgehaalde bedrag bij.
43
Vgl.: ‘Wegwijs in de wereld van de kredietkaarten’, in: F.E.T. (13/02/1993).
44
Vgl.: ‘Belgen kopen voor recordbedrag op krediet’, in: De Tijd (01/12/2005).
45
Vgl.: Zoveel cadeautjes, zoveel kredietkaarten, in: De Tijd (13/12/2014).
46 Vgl.: ‘Bpost mikt met bpaid op e-commerce’, in: De Tijd, (10/02/2012). 136
We zagen reeds dat de KI krediet verlenen tegen betaling van een debetrente. Particulieren in geldnood kunnen dus bij de KI terecht voor zowel consumenten- als woonkredieten. Elk van deze kredietvormen zijn verzamelnamen voor heel wat soorten en er bestaat niet één consumenten- of woonkrediet maar er zijn vrij veel keuzemogelijkheden. Bovendien zijn beide kredietvormen wettelijk geregeld en is het voor de kredietnemer toch interessant om een basiskennis hiervan te hebben. In dit hoofdstuk nemen we een kijkjein de verschillende vormen van krediet voor particulieren
6.1. HET CONSUMENTENKREDIET 6.1.1. OMSCHRIJVING ‘Verbruikskrediet’ of ‘consumentenkrediet’ is een algemene term die wordt gebruikt wanneer een kredietverlenende instelling de cliënt, voor een beperkte periode, een niet al te grote som voorschiet, waarmee hij/zij allerlei aankopen en uitgaven uit het dagelijks leven kan financieren. Ofwel concreter: ‘consumentenkrediet’ omvat alle kredieten voor particulieren die iets anders financieren dan vastgoed, bijvoorbeeld een auto, een reis, een huishoudtoestel, een huwelijk, verbouwingen, enz. Het krediet wordt strikt geregeld door de Wet op het Consumentenkrediet (WER) op voorwaarde dat de consument een natuurlijk persoon is die handelt voor privédoeleinden. De kredietgevers, daarentegen, moeten erkend zijn door FSMA. De kredietovereenkomst voor een consumentenkrediet wordt doorgaans rechtstreeks afgesloten tussen de consument en de kredietgever, maar soms komt een kredietbemiddelaar tussen. Dit kan een kredietmakelaar of gevolmachtigde agent zijn die ingeschreven is bij de FSMA. De regels op het statuut van de kredietbemiddelaars zijn verstrengd met ingang van 1 november 2015. Er wordt hen een kennisvereiste opgelegd: ze moeten een examen afleggen waarin ze aantonen hun verplichtingen goed te kennen. De statutaire verplichtingen gelden zowel voor banken als voor kredietkantoren (die niet tot een bank behoren) en voor verkopers in winkels, garages. Bovendien moeten ze een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afsluiten.
6.1.2. INDELING Uit de omschrijving blijkt dat ‘consumentenkrediet’ in feite een verzamelnaam is voor allerhande soorten kredieten. Enkel het hypothecair krediet voor vastgoed valt niet onder de noemer. De consumentenkredieten kunnen in verschillende groepen worden ingedeeld: Lening op afbetaling Lening met een bepaalde looptijd en vaste maandelijkse termijnen. VOORBEELD
Een particulier leent 10.000 euro op 1 januari 2013 en moet die vóór 31 december 2013 terugbetalen door maandelijks 1.000 euro te betalen. 178
HOOFDSTUK 9
9.3.6. KASBON VERSUS TERMIJNREKENING Kasbons en termijnrekeningen worden dikwijls in één adem genoemd en bij veel banken geldt voor beide producten dezelfde rentevergoeding. De meeste beleggers zien daardoor nog amper een verschil tussen beide producten. Nochtans zijn er verschillen tussen een kasbon en een termijnrekening: • bij een termijnrekening kan de spaarder vooraf doorgeven of hij een automatische belegging wil op de eindvervaldag. Bij een kasbon is dit niet mogelijk; • een termijnrekening is op naam en een kasbon is een naamloos effect dat gedeponeerd wordt in een effectendossier. Op die manier is het mogelijk om een kasbon over te dragen naar een andere persoon en dus een andere effectenrekening; • termijnrekeningen bestaan in vreemde munten, kasbons zijn enkel beschikbaar in euro. • termijnrekeningen: kunnen voor kortere looptijden geopend worden.
9.3.7. SOORTEN Kasbons worden gekenmerkt door een ruime waaier van keuzemogelijkheden naargelang van bedrag, looptijd, vastheid van het rentetarief, mogelijkheid van tussentijdse vervaldagen, periodiciteit van betalingen, kapitalisatie of interestuitkering. Hierna volgt een opsomming van een aantal soorten met hun voornaamste kenmerken.
9.3.7.1. GEWONE KASBON • • • •
looptijd: vast; vooraf vastgestelde, onveranderlijke, jaarlijkse rentevoet; coupon: jaarlijks; enkelvoudige interestberekening: I = K x i x n met K voor Kapitaal, i voor interestvoet (decimaal) en voor aantal jaren.
9.3.7.2. KAPITALISATIEBON • verplichte kapitalisatie: geen interestuitkering, interest op interest; • rendement: hoger dan klassieke kasbon: de roerende voorheffing wordt maar op de eindvervaldag ingehouden, zodat deze intussen interest kan opbrengen; • interestvoet: couponinterestvoet meestal gelijk aan kapitalisatie-interestvoet;58 • samengestelde interestberekening: Kn = K0(1 + i)n met Kn voor eindkapitaal, K0 voor beginkapitaal, i voor interestvoet (decimaal) en n voor aantal jaren; • eindvervaldag: begininvestering samen met volledig gekapitaliseerde rente.
9.3.7.3. FACULTATIEVE KAPITALISATIEBON • jaarlijkse keuze: coupon innen of kapitalisatie; • interestvoet: kapitalisatierentevoet over het algemeen lager dan couponinterestvoet.59
264
58
Vgl.: Budget Week, nr. 574, (27/07/92).
59
Vgl.: ‘De kasbon is dood, leve de kasbon!’, in: Netto, De Tijd (27/10/2007), p. 14-16.
Uitgeverij Academia Press Prudens Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. isbn
978 90 382 2608 8
d/2016/4804/077 nur
793
Leen Carrijn Bank, verzekeringen, beurs – Editie 2016 Gent, Academia Press, 2016, XXVIII + 470 p. Vormgeving cover: Twin Media bv Zetwerk binnenwerk: Twin Media bv © Leen Carrijn © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.