Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
Lokale belastingen 2016.indd 1
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
Thierry Lauwers Advocaat en docent HoGent
Lokale belastingen 2016.indd 3
31/03/16 15:44
Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent Tel. 09/233 80 88 Info@academiapress.be www.academiapress.be Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken - en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Opmaak: Printmagazijn Lauwers, Thierry Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen. Gent, Academia Press, 2016, VII + 195 pp.
ISBN: 978 90 382 2594 4 D/2016/4804/061 NUR 1 826
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Lokale belastingen 2016.indd 4
31/03/16 15:44
Inhoudsopgave Inleiding I.
Wat verstaat men onder “belastingen� en de verschillende soorten heffingen
1. 2. 3.
Het begrip belastingen en het verschil met retributies Beperkingen inherent aan het rechtsbegrip belastingen Verschillende soorten heffingen
VII 1
a) Opcentiemen of aanvullende belastingen b) Contant- en kohierbelastingen c) Directe en indirecte belastingen d) Personele belastingen en zakelijke belastingen e) Aandeel- en omslagbelastingen f) Met het patent gelijkgestelde belastingen g) Verhaalbelastingen h) Octrooibelastingen i) Retributies
1 4 7 8 11 13 15 16 17 17 19 21
II.
Fiscale autonomie
25
A. B. C.
Fiscale autonomie is zeer ruim Fiscale autonomie vindt haar oorsprong in de Grondwet Door de wet toegekende fiscale autonomie
25 25 29
III.
Grondwettelijke bevoegdheidsbeperkingen
31
1. Gelijkheidsbeginsel A. Grondwettelijke bepalingen B. De doelstelling van het betrokken belastingreglement C. Objectief en redelijk verantwoord onderscheid, rekening houdende met het doel van de betrokken belasting
31 31 31
2. Territorialiteitsbeginsel 3. Fiscaal legaliteitsbeginsel
34 42 46
IV.
49
Wettelijke bevoegdheidsbeperkingen
1. Niet-retroactiviteitsbeginsel 2. 3.
1. Datum van inwerkingtreding van een norm 2. Het voltrekken van het belastbaar feit
49 51 54 60
Eenjarigheidsbeginsel Bevoegdheidsbeperkingen in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, in het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde belastingen en andere verbodsbepalingen 62
V
Lokale belastingen 2016.indd 5
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
4.
5. 6.
V.
I. Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen II. Het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen III. Andere verbodsbepalingen
62
De subjectgerichte bevoegdheidsbeperkingen Beperkingen door Europese en supranationale normen
78 93 96 96 99 104 112 115
Beperkingen door algemene rechtsbeginselen
119
De wettelijke gereglementeerde belastingen
I. Taxidiensten II. Activeringsheffing voor onbebouwde kavels en bouwgronden III. Leegstandsbelasting op woningen en gebouwen
A. Non bis in idem B. Rechtszekerheidsbeginsel C. Redelijkheidsbeginsel D. Proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel E. Zorgvuldigheidsbeginsel F. Verbod van machtsafwending G. Beginsel van de interne economische en monetaire unie
119 121 123 125 126 127 128
VI. Beperkingen omwille van het administratief toezicht
129
A. Algemeen B. Wettelijke grondslag C. Administratief toezicht in Vlaanderen D. Administratief toezicht in Brussel E. Administratief toezicht in WalloniĂŤ F. Wat houdt het wettigheids- en opportuniteitstoezicht in? G. Algemeen toezicht op de begroting H. Motivering
129 131 131 134 135 136 137 138
VII. Formeel fiscaal recht: gemeente- en provinciebelastingen
141
1. 2.
141 143 144 146 156 143 158 166 176 176 187
3. 4. 5.
Algemeen: de normatieve bevoegdheid De vestiging van de belastingen A. De aangifte B. Het onderzoek van de aangifte C. De bewijsmiddelen D. De aanslagtermijnen E. De sancties
De invordering De Geschillenprocedure
4.1 In de administratieve fase 4.2 In de gerechtelijke fase
Annulatieberoep bij de Raad van State: geschillen omtrent de geldigheid van de belastingreglementen
190
VI
Lokale belastingen 2016.indd 6
31/03/16 15:44
Inleiding Iedere dag wordt elke belastingplichtige in zijn dagelijkse praktijk geconfronteerd met lokale belastingen. De tijd dat de lokale belastingen als het kleine broertje van de fiscaliteit werden aanzien, is definitief voorbij. Ook voor internationale ondernemingen begint de last van de lokale belastingen door te wegen en zeker nu vele stadkassen (bijna) volledig leeg zijn. Huidig handboek heeft als doel een eerste handleiding en handig hulpmiddel te zijn voor de belastingplichtige in zijn zoektocht doorheen de lokale belastingen. De lokale belastingen worden “anders bekeken”, voornamelijk vanuit de rechten en verweermiddelen. In het eerste deel worden de verschillende begrippen nog eens uitgebreid uiteengezet. Het rechtsbegrip belastingen wordt geplaatst tegenover het begrip retributie en de verschillende soorten heffingen worden overlopen en toegelicht. De fiscale autonomie is de hoeksteen van de lokale belastingen. Dit wordt besproken in het derde hoofdstuk. De lokale overheden worden steeds meer geconfronteerd met grondwettelijke bevoegdheidsbeperkingen: het gelijkheidsbeginsel, het territorialiteitsbeginsel en het fiscaal legaliteitsbeginsel. Deze worden in het derde hoofdstuk uiteengezet. Naast de grondwettelijke bevoegdheidsbeperkingen, worden de wettelijke bevoegdheidsbeperkingen zoals het niet-retroactiviteitsbeginsel, en het eenjarigheidsbeginsel onder de loep genomen. De toepassing van artikel 464 WIB 1992 is een actueel onderwerp dat uitgebreid aan bod komt. Ook komen de beperkingen door algemene rechtsbeginselen aan bod waaronder het “non bis in idem” beginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel. Ten slotte worden ook de beperkingen omwille van het administratief toezicht besproken In een laatste hoofdstuk wordt de vestiging en de invordering van lokale belastingen besproken en wordt de fiscale geschillenprocedure inzake lokale belastingen uitgebreid uiteengezet. Huidig handboek komt tevens tegemoet aan de vraag van de studenten van de Hogeschool Gent. Huidig handboek is aan zijn tweede editie toe.
VII
Lokale belastingen 2016.indd 7
31/03/16 15:44
I.
Wat verstaat men onder “belastingen” en de verschillende soorten heffingen
1.
Het begrip belastingen en het verschil met retributies
Een wettelijke definitie van het begrip belastingen bestaat niet. Van belastingen bestaan verschillende definities al naargelang de invalshoek. Het begrip past zich tevens aan aan de evoluties in de samenleving. Het Hof van Cassatie omschrijft het begrip als: “een heffing, eigenmachtig gedaan door de Staat, de provincies of de gemeenten, op de geldmiddelen van personen, zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, feitelijke verenigingen of gemeenschappen, bestaande op haar grondgebied of er belangen hebbende, en uiteindelijk bestemd voor de diensten van algemeen nut”1. Een mogelijke definitie van de term belasting is “de rechtsband tussen belastingplichtige en overheid waarbij een heffing of prestaties worden opgelegd ten behoeve van het Rijk, de Gemeenschap, het Gewest, de provincie, de gemeente of de agglomeratie, aan personen die op het grondgebeid van het rijk verblijven of er belangen hebben, teneinde in de openbare uitgaven als geheel genomen, te voorzien”2. Twee specifieke kenmerken worden afgeleid: belastingen worden eenzijdig door de overheid opgelegd (“levés par voie d’autorité”); de bedoeling van de eenzijdig opgelegde verplichting bestaat erin middelen te verkrijgen, teneinde de openbare dienstverlening in zijn geheel te financieren (“pour être affectés à des services publics”). Het eerste kenmerk is determinerend teneinde een belasting te onderscheiden van een retributie. Een heffing waartegen geen tegenprestatie staat waaruit de belastingplichtige een individueel voordeel haalt, is geen retributie. Het Grondwettelijk 1 2
Cass. 12 oktober 1954, JT 1955, 194; Cass. 20 maart 2003, FJF 2003, 647. A. SPRUYT, Inleiding tot het belastingrecht, Brugge, die Keure, 1992, 9.
1
Lokale belastingen 2016.indd 1
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
Hof formuleert het als volgt3: “Een retributie is de vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd. Zij heeft een louter vergoedend karakter, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.” Een retributie is een billijke vergoeding die door de overheid wordt opgelegd wegens het individuele voordeel dat de vergoedingsplichtige heeft gehaald uit een overheidsdienst waarop hij vrijwillig een beroep heeft gedaan4. Dit betekent evenwel nog niet dat een belasting niet zou mogen voorbehouden zijn voor welbepaalde uitgaven of de realisatie van welbepaalde objectieven5. Een retributie heeft vier essentiële elementen: een billijke vergoeding: de gevorderde tegenprestatie staat in een bepaalde verhouding van evenredigheid tot de kostprijs; een door de overheid gepresteerde dienst aan een derde; een individueel aanwijsbaar voordeel of een persoonlijk belang; begunstigde maakt er vrijwillig gebruik van, dit is uit eigen beweging6. Van zodra de gevorderde tegenprestatie niet langer in een redelijke verhouding staat tot het bedrag van de verstrekte dienst, gaat het niet langer om een retributie maar om een belasting7. Artikel 173 van de Grondwet bepaalt dat van de burgers geen retributie kan worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente. Met 3 4
5 6
7
GwH 28 februari 2013, nr. 21/2013, Overweging B.3.3. Uit voormeld arrest volgt dat de redelijke verhouding niet alleen betrekking heeft op de kostprijs van de geleverde dienst maar ook op de waarde van deze dienst (in dezelfde zin GwH 6 juni 2013, nr. 80/2013). L. VERLINDEN en B. ENGELEN, Fiscale rechtspraakoverzichten. Lokale belastingen 2000-2005, Larcier, 2007, 1; M. DE JONCKHEERE en N. PLETS, Handboek lokale en regionale belastingen, die Keure, 2006, 18; V. SEPULCHRE, “Fiscalité et parafiscalité: impôts, taxes, rétributions, amendes pénales et amendes administratives”, Droit communal 2006/1, 34; C. VAN VYVE, “Parkeerheffingen in het licht van artikel 14 van de Grondwet en de artikelen 170 en 173 van de Grondwet”, LRB 2005/2, 90; K. COLPAERT-ARICKX, De gemeentebelastingen, Vanden Broele, 2002, 83; M. MAUS, “Andermaal over het onderscheid tussen ‘belastingen’ en ‘retributies’, LRB 1998/3, 32; Cass. 10 september 1998, RW 1999-2000, 208. M. De Jonckheere en K. Rossignol, “De vreemdelingenretributie: onwettig of toch niet?”, LRB 2013, afl. 2, p. 5, met verwijzing naar GwH 19 mei 2004, nr. 88/2004. Deze voorwaarde dient evenwel genuanceerd te worden. De verplichting om van een bepaalde dienst gebruikt te maken, kan immers haar oorsprong vinden in de situatie van degene die van de dienst gebruik wenst te maken, hetgeen nog niet betekent dat er geen retributie voorhanden zou zijn (RvS 24 maart 1981, Arr. R.v.St., nr. 21061). Cass. 14 januari 2013, C.11.0769.N.
2
Lokale belastingen 2016.indd 2
31/03/16 15:44
I. Wat verstaat men onder “belastingen” en de verschillende soorten heffingen
deze bepaling heeft de grondwetgever willen beletten dat de overheid door middel van retributies inkomsten zou verwerven die toelaten de grondwettelijke waarborgen, vereist voor een belastingheffing, te omzeilen. De artikelen 170 en 172 van de Grondwet zijn immers niet van toepassing op een retributie, hetgeen niet wegneemt dat ook een retributie in overeenstemming dient te zijn met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel8. • Voorbeeld: Uit het feit dat voor betalend parkeren zonder gebruik van de parkeerautomaat een forfaitaire dagvergoeding van 500 BEF wordt opgelegd, terwijl bij het parkeren met betaling per uur slechts 130 BEF voor een volledige dag dient te worden betaald, kan niet afgeleid worden dat de opgelegde retributie van 500 BEF geen redelijk verband houdt met de aan de burger gepresteerde dienst. De door de gemeente opgelegde forfaitaire vergoeding betreft dan ook een retributie en geen belasting.9 Een rechter is niet gebonden door de kwalificatie van belasting of retributie in een gemeentelijke verordening10. De rechter kan een door de belastingheffende overheid in de procedure in rechte als retributie omschreven heffing, herkwalificeren als belasting wanneer het bijvoorbeeld duidelijk is dat de belastingheffende overheid de door de federale wetgever opgelegde vrijstelling van gemeentelijke belastingen heeft trachten te ontlopen door de heffing te kwalificeren als een retributie11. De kwalificatie als belasting, dan wel als retributie betreft hoe dan ook steeds een feitenkwestie. De door de gemeente vooropgestelde kwalificatie kan daartoe een aanwijzing zijn. Een gemeentebelasting die elke interventie van de politie ten gevolge van een valse alarmmelding betreft, dient beschouwd te worden als een verhaalbelasting. Als het de duidelijke wil is van de gemeente om de heffing als een belasting in te voeren, kan de rechter de heffing niet herkwalificeren als een retributie. Dit zou immers strijdig zijn met de grondwettelijke fiscale autonomie van de gemeenten, die hen in principe toelaat alles te belasten, met inbegrip van het vrijwillig gebruik dat een persoon maakt van een gemeentedienst waaruit hij een individueel voordeel haalt12. 8 GwH 23 juni 2011, nr. 115/2011. 9 Cass. 10 mei 2002, C. 01.0034.F. 10 Cass. 17 december 1968, T.Gem. 1969, 148; zie ook B. PEETERS, “De begrippen belasting, last en retributie in de artikelen 110 en 113 van de Grondwet” RW 1987, 242; R. ANDERSEN, “La notion de ‘redevances’, spécialement au regard de l’article 113 de la Constitution” in Liber Amicorum Krings, Brussel Story-Scientia, 1991, 941-951; J. BOUVIER, “Un service librement demandé peut-il etre imposé”, Adm. Publ. (T), 1986, 309; N. DE SADELEER, “Les impôts et les redevances en matière d’eau en droit Belge”, Amen. 1991, speciaal nr. 54; T. BEELEN, “Parkeerheffingen”, LRB 2012, afl. 2 en 3, 48. 11 Gent 21 oktober 2014, Nr. 2013/AR/1935, LRB 2014, afl. 3, 37. 12 Brussel 30 mei 2012, LRB 2012, afl. 2-3, 105. Inzake parkeerheffingen lijkt dit nochtans anders te zijn (Cass. 17 juni 2010, TFR 2011, p. 46 en Gent 20 september 2011, LRB 2012, afl. 1, p. 36).
3
Lokale belastingen 2016.indd 3
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
• Voorbeeld: De benaming “retributie” aan een belasting gegeven door de gemeentelijke verordening die ze invoert, verleent haar uit zichzelf dit karakter niet. Een gemeentebelasting op de aansluiting van onroerende goederen op de openbare riolering, gevestigd ten name van de aangelanden van de openbare weg, is een directe belasting13. Vermits een retributie de tegenprestatie is voor een geleverde overheidsdienst, dient zij verbonden te zijn aan de materiële bevoegdheid van de betrokken overheid14.
2.
Beperkingen inherent aan het rechtsbegrip belastingen
Uit het kenmerk van voormelde definitie dat de bedoeling van de eenzijdig opgelegde verplichting erin bestaat middelen te verkrijgen teneinde de openbare dienstverlening in zijn geheel te financieren, dienen een aantal beperkingen van de fiscale autonomie te worden afgeleid. Een financiële behoefte is noodzakelijk maar niet voldoende. Zo heeft de gemeenteraad een zekere doelgebondenheid en dient de belasting te worden verantwoord door een financiële behoefte15. In het geval de gemeente haar fiscale bevoegdheid zou aanwenden om een roerend of onroerend patrimonium te verwerven dat niet bestemd is voor haar overheidstaak, oordeelde de rechtspraak dat er sprake was van machtsafwending16. In de praktijk wordt in elk reglement verwezen naar de “financiële toestand of de financiële behoefte van de gemeente”. De vraag dient te worden gesteld of deze al te ruime verwijzing op zich voldoende is om een bepaald reglement te verantwoorden, zeker als deze verwijzing niet concreet in de begroting kan worden bewezen of zelfs geschat. De rechtspraak stelt vast dat een dergelijke motivering voldoende is om een gemeentelijk belastingreglement aan te nemen17. De louter budgettaire motivering van een belastingreglement lijkt echter niet afdoende te zijn in die ge13 Cass. 17/12/1968, T.Gem. 1969, 148. 14 GwH 29 juli 2010, nr. 89/2010. 15 N. PLETS, “Lokale fiscaliteit: beperkingsbevoegdheid en bevoegdheidsbeperkingen”, in Jaarboek lokale en regionale belastingen 1999-2000, die Keure, 2000, 22. 16 Luik 2 mei 1990, FJF 90/140; M. DE JONCKHEERE, “De gemeentelijke en provinciale belastingbevoegdheid”, in LRB 2004, 8. 17 RvS 28 november 2014, nr. 229.394, www.raadvanstate.be.
4
Lokale belastingen 2016.indd 4
31/03/16 15:44
I. Wat verstaat men onder “belastingen” en de verschillende soorten heffingen
vallen waarin het belastingreglement een beperkt toepassingsgebied heeft of in tal van vrijstellingen voorziet. Ook de doctrine stelt dat een loutere verwijzing naar de financiële toestand van de gemeente in een dergelijk geval onvoldoende is18. Daarentegen is een uitsluitend niet-fiscaal doel dat buiten de bevoegdheden van de lokale overheden valt, uitgesloten. De gemeente schendt de wet wanneer zij haar belastingbevoegdheid uitsluitend aanwendt ter behartiging van een niet-fiscaal doel dat buiten haar bevoegdheid valt. Zo zal een belasting op automaten met alcoholische dranken met de bedoeling te verhinderen dat de jeugd daar misbruik van maakt als onwettig worden beschouwd omdat een doel wordt nagestreefd dat buiten het gemeentelijk belang valt19. Op dit principe zijn enkel uitzonderingen uitdrukkelijk voorzien bij wet of bij decreet mogelijk, zie bijvoorbeeld de belasting op niet bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor industrie volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust zoals bepaald in artikel 4.3.5, §1 VCRO20. Het doel van deze heffing is van stedenbouwkundige aard en bestaat in hoofdorde in het ondersteunen van het gemeentelijk grondbeleid21. Een belastingreglement kan evenwel een niet-fiscaal nevendoel nastreven. Het niet-fiscale effect dient louter een bijkomstigheid of een neveneffect van het fiscale uit te maken22. Het ontradend of bevorderend effect mag dus niet het hoofddoel 18 J. ASTAES, Het belastingreglement: motivering-bekendmaking-Administratief toezicht, “Lokale Belastingen – Beleidsmatige, administratieve en juridische aspecten”, Vandenbroele seminarie, 21 maart 2013, Antwerpen. 19 M. DE JONCKHEERE, “De gemeentelijke en provinciale belastingbevoegdheid” in Lokale en regionale belastingen, die Keure, 2004, 10; C. WAERZEGGERS, “Gemeentelijke belastingreglementen: capita selecta. Toetsing aan de grondregels van het fiscaal recht (deel II)”, LRB 1999/1, 21; R. MESSIAEN, “De gemeente als belastingoverheid: speelbal van verboden of vorst in eigen land?”, AFT 2004, afl. 5, 65; F. DELOBBE, “La fiscalité immobilière sur le plan communal”, TOGOR 1999, 171; E. WILLEMAERT, Les limites constitutionnelles du pouvoir fiscal, Bruylant, 1999, 63; RvS nr. 44939, 18 november 1993. 20 Art. 5.6.2. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, BS 20 augustus 2009, ed. 2. Deze bepaling wordt niet correct weergegeven in de VCRO en dient in samenhang met artikel 143 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (BS 18 juni 1999) te worden gelezen (zie in dit verband concordantietabel I opgenomen in bijlage 2 bij de VCRO). 21 J. ASTAES, Patrimoniumbelastingen, Brugge, Vanden Broele, 2014, p. 32. 22 Hier lijkt echter voorbehoud te moeten worden gemaakt wanneer het niet fiscaal hoofddoel behoort tot de materiële bevoegdheden van de gemeente, al dan niet ingevolge een decretale machtiging (zie hiervoor infra met betrekking tot het verbod op machtsafwending). De vraag rijst dan nog of het in een dergelijke hypothese wel nog gaat om een belasting en niet om een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
5
Lokale belastingen 2016.indd 5
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
van de betrokken belasting zijn23. Er wordt aanvaard dat dit niet de onbevoegdheid van de belastingheffende overheid met zich meebrengt24. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de belastingen op het barpersoneel, op rendez-voushuizen, op plaatsen waar erotische films worden vertoond, op hinderlijke inrichtingen enz. In al deze gevallen streeft de belasting niet-fiscale doeleinden na die vooral gesteund zijn om op basis van sociale of moraliteitsoverwegingen ongewenst geachte activiteiten tegen te gaan. De gemeenten beschikken ter zake dus over enige keuzevrijheid25: “Geen enkele wettelijke of reglementaire beschikking verbiedt een gemeente, wanneer ze een belasting vestigt die gerechtvaardigd is door de staat van haar financiën, die prioritair te richten op activiteiten die zij meer bekritiseerbaar acht dan andere en waarvan zij de ontwikkeling weinig wenselijk acht”. Bij het nastreven van dit niet fiscale nevendoel gebiedt geen enkele wettelijke of grondwettelijke bepaling dat er een band bestaat tussen de betrokken belastingheffing en de materiële bevoegdheid van de gemeente26. Zelfs in het geval een belasting een fiscale verantwoording heeft, dan nog dient het gevorderde bedrag in redelijke verhouding te staan tot de kosten die de getroffen activiteit voor de gemeente meebrengt. In het geval er geen redelijke verhouding bestaat, verkrijgt de belasting een prohibitief karakter, doordat de activiteit op zich wordt belast. De belasting neemt dan de vorm aan van een sanctie en wordt in feite aangewend voor de uitoefening van politietaken. Dit kan niet worden aanvaard27. Het bedrag van de belasting mag de grenzen van de redelijkheid dus niet te buiten gaan en voor de betrokkenen geen onevenredig groot nadeel veroorzaken28. Een voorbeeld hiervan is een belasting op sluikstorten waar een fiscaal doel (recu23 M. De Jonckheere, “Gemeentebelastingen met een hoofdzakelijk niet-fiscaal doel”, TFR 2014, afl. 457, p. 264-269. 24 Arbitragehof, nr. 31/92, 23 april 1992; Arbitragehof, nr. 3/91, 7 maart 1991; RvS nr. 50.000, 28 oktober 1994; RvS nr. 85.916, 14 maart 2000; RvS nr. 114.119, 23 december 2003; RvS nr. 117.110, 17 maart 2003; RvS nr. 129.174, 12 maart 2004; Gent 22 februari 2001, LRB 2001/3, 179, noot J. ASTAES; Antwerpen 11 maart 1997, FJF 1997, 383; M. DE JONCKHEERE, “De gemeentelijke en provinciale belastingbevoegdheid”, in Lokale en regionale belastingen, die Keure, 2004, 10; N. PLETS, “Lokale fiscaliteit; beperkingsbevoegdheid en bevoegdheidsbeperkingen”, in Jaarboek lokale en regionale belastingen 1999-2000, die Keure, 2000, 23. 25 Rb. Brugge 19 maart 2012, AR nr. 11/500/A, onuitg. 26 RvS 24 december 2013, nr. 225.950, www.raadvanstate.be 27 Zie J. ASTAES, “De gemeentelijke belastingbevoegdheid in de Grondwet: oorsprong en grenzen”, in Topics lokale bedrijfsbelastingen, M. DE JONCKHEERE (ed.), Intersentia, 2008, p. 9. 28 Rb. Brugge 19 maart 2012, AR nr. 11/500/A, onuitg.
6
Lokale belastingen 2016.indd 6
31/03/16 15:44
I. Wat verstaat men onder “belastingen� en de verschillende soorten heffingen
peratie van de kosten wegens het opruimen van afval) samen met een niet-fiscaal nevendoel (potentiĂŤle sluikstorters ontmoedigen) bestaat. Ook de gemeentebelasting op aanplakking of op publiciteitspanelen mag geen prohibitief karakter krijgen. In de praktijk stelt men immers vast dat deze belastingen onredelijke proporties aannemen en niet in verhouding staan met de kosten die de activiteit van publiciteit voor de gemeente met zich meebrengt. Meestal hebben de gemeenten immers enkel voordelen bij een concessie van hun openbaar domein voor publiciteit zodat er geen kosten aan verbonden zijn maar enkel voordelen.
3.
Verschillende soorten heffingen
Sinds oudsher besteedt de rechtsleer veel aandacht aan de verschillende soorten heffingen. Op het niveau van de procedure overeenkomstig de Wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen moeten er slechts drie soorten gemeentebelastingen worden onderscheiden: opcentiemen welke niet onder de Wet van 24 december 1996 vallen; kohierbelastingen; en contantbelastingen. Ook het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen behoudt op het niveau van de procedure nog steeds hetzelfde onderscheid. Het nut van het onderscheid tussen de verschillende soorten heffingen komt tot uiting op het niveau van de fiscale autonomie. Binnen gemeentelijke belastingen kunnen acht indelingen worden gemaakt29: onderscheid tussen eigen belastingen en opcentiemen; contant- en kohierbelastingen; directe en indirecte belastingen; zakelijke en personele belastingen; omslag- en aandeelbelastingen; met het patent gelijkgestelde belastingen; 29 Zie ook M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid, Fiscaaljuridische aspecten, die Keure, 1996, p. 78.
7
Lokale belastingen 2016.indd 7
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
algemene belastingen en verhaalbelastingen. octrooibelastingen. Het voornaamste onderscheid dient evenwel te worden gemaakt tussen enerzijds belastingen en anderzijds retributies.
a) Opcentiemen of aanvullende belastingen Opcentiemen zijn, zoals opdeciemen en aanvullende belastingen, belastingen met als grondslag het bedrag van een meestal ten behoeve van een hogere overheid verschuldigde belasting, die geheven worden in de vorm van een verhoging van die oorspronkelijke of hoofdbelasting met een bepaald percentage. De grondslag van de opcentiemen is de prestatie die door een andere belasting wordt opgelegd. Opcentiemen hebben dan ook dezelfde aard en hetzelfde doel als de hoofdbelasting waarop zij worden geheven, zij treffen dezelfde belastingplichtigen, hebben hetzelfde belastbaar feit en dezelfde belastbare grondslag. Alle bepalingen van de hoofdbelasting gelden tevens voor de opcentiemen. De aanduiding van het subject, object, belastbare materie, aanslagvoorwaarden, vrijstelling en dergelijke gebeurt door de overheid die de hoofdbelasting instelt. Het reglement dat de opcentiemen instelt, bevat alleen een tarief dat wordt toegepast op de hoofdbelasting, die als berekeningsbasis geldt. Uit voormelde volgt dat ingeval de overheid die de hoofdbelasting heeft ingesteld, bepaalde bestanddelen van de belasting wijzigt, dan moet het behoud van die opcentiemen in principe opnieuw door de gemeenteraad bevestigd worden. Het heffen van opcentiemen op een gewijzigde basisbelasting zonder herbevestiging dient immers te worden aanzien als een ongrondwettelijke bevoegdheidsdelegatie30. Voor een concreet voorbeeld inzake aanvullende belastingen kan verwezen worden naar de Wet van 22 april 2003 “tot modernisering van de belasting voor aanplakking en de betalingswijzen van het zegelrecht”31. Deze wet heeft het tarief in de belasting voor aanplakking in het Wetboek diverse rechten en taksen gewijzigd. De gemeenten die een gemeentebelasting hadden ingevoerd waarvan het tarief vastgesteld werd door vermenigvuldiging van deze federale aanplakkingstaks, dienden deze tariefwijziging te bevestigen. Dit is in de meeste gevallen evenwel niet gebeurd.
30 Zie hierover M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid, Fiscaaljuridische aspecten, die Keure, 1996, p. 185 en M. DE JONCKHEERE, “De Gemeentelijke en provinciale belastingbevoegdheid”, in Handboek lokale en regionale belastingen, die Keure, 2006, p. 12. 31 BS 13 mei 2003.
8
Lokale belastingen 2016.indd 8
31/03/16 15:44
I. Wat verstaat men onder “belastingen” en de verschillende soorten heffingen
In het verleden was het weleens de gewoonte om opcentiemen op bijvoorbeeld de onroerende voorheffing of aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting te stemmen ná 1 januari van het aanslagjaar. De onwettigheid van dergelijke praktijk werd bevestigd door het Hof van Cassatie32. De Wet van 24 juli 2008 ter bekrachtiging van de vestiging van sommige aanvullende gemeentebelastingen en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting voor elk van de aanslagjaren 2001 tot 2007 en tot wijziging, met ingang van aanslagjaar 2009, van artikel 468 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 199233 heeft deze toestand verholpen. Voor de aanslagjaren 2001 tot en met 2007 geeft de wetgever duidelijk aan dat men rekening moet houden met de aanslagvoet van de aanvullende gemeentebelastingen en de aanvullende agglomeratiebelasting die ten laatste op 31 december van het jaar waarnaar het voornoemde aanslagjaar wordt genoemd, bindend zijn geworden. De aanvullende gemeentebelastingen en de aanvullende agglomeratiebelasting die in de aanslagen in de personenbelasting werden opgenomen voor de datum van de inwerkingtreding van de wet voor de aanslagjaren van 2001 tot en met 2007 worden bekrachtigd, voor zover die aanvullende belastingen het voorwerp uitmaken of nog kunnen uitmaken van een geschil dat steunt op de grief die de terugwerkende kracht aanvoert van de genoemde belastingen omwille van het feit dat zij bindend zijn geworden in de loop van het jaar waarnaar het voornoemde aanslagjaar wordt genoemd34. Vanaf aanslagjaar 2009 zal het belastingpercentage van de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting vastgelegd moeten worden door een belastingreglement dat uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, in werking treedt. Bij ontstentenis daarvan, wordt de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting gevestigd op grond van het percentage dat van toepassing was voor het vorige aanslagjaar35. Het recht om opcentiemen te heffen is in de praktijk alleen mogelijk indien de lokale overheid toegang heeft tot het bedrag van de hoofdbelasting en indien de gegevens met betrekking tot dit bedrag van de hoofdbelasting ter beschikking worden gesteld door de overheid die de hoofdbelasting heft. De overheid die de hoofdbelasting heft kan de medewerking van haar administratie afhankelijk maken van het eerbiedigen van bepaalde voorwaarden36,37. 32 Cass. 14 maart 2008, Fisc.Act. 2008, afl. 15, 4. 33 BS 8 augustus 2008. 34 Volgens het Grondwettelijk Hof was deze wetswijziging niet in strijd met het verbod op terugwerkende kracht (GwH 26 november 2009, nr. 186/2009). 35 Artikel 468 WIB 1992. 36 Zie evenwel contra Advies Raad van State bij Ontwerpdecreet Vlaamse Raad van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, Parl.St. Vl. R. 1990-1991, 424/1, 120. 37 Zie M. DE JONCKHEERE, “De gemeentelijke en provinciale belastingbevoegdheid”, in Handboek
9
Lokale belastingen 2016.indd 9
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
De meest bekende voorbeelden zijn de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting geheven door de federale staat (APB) en de opcentiemen op de onroerende voorheffing, geheven door het Vlaamse gewest (OOV). Dit zijn meteen ook de twee belangrijkste gemeentebelastingen. Het is de federale overheid die instaat voor de invordering van de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting38. Het feit dat deze laattijdig doorgestort worden naar de gemeenten houdt in hoofde van de federale fiscale Administratie geen fout in dan wanneer zou blijken dat deze duidelijk niet gereageerd heeft binnen een redelijke termijn. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de noodzaak van het algemeen belang en met de verplichting van de federale fiscale Administratie om de gemeenten op de meest gelijke wijze te behandelen39. Met ingang van het aanslagjaar 2015 wordt de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting berekend op de totale belasting40, zijnde de optelsom van de federale personenbelasting en de gewestelijke personenbelasting41. De impact van de wijzigingen aan de Bijzondere financieringswet in het kader van de zesde staatshervorming op de inkomsten van de gemeenten en agglomeraties uit de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting zou verwaarloosbaar zijn42. De doctrine stelt dit echter uitdrukkelijk in vraag en meent dat de aanvullende gemeentelijke belasting op de personenbelasting aanzienlijk kan beïnvloed worden door de gewestelijke opcentiemen en door de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen43. Het feit dat onderscheiden gemeenten verschillende tarieven inzake de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting bepalen, maakt geen schending uit van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, aangezien dit het gevolg is van een onderscheiden beleid44. lokale en regionale belastingen, die Keure, 2006, p. 13. Artikel 469 WIB 92. Luik 8 november 2013, FJF 2014, afl. 10, 1060. Artikel 466, 1e lid WIB 92. Artikel 5/3, §2 van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, BS 17 januari 1989, zoals gewijzigd door de Bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (BS 31 januari 2014). Artikel 5/1, § 4 van de bijzondere financieringswet bepaalt uitdrukkelijk dat de invoering van de gewestelijke personenbelasting geen afbreuk mag doen aan het recht van de gemeenten en agglomeraties van gemeenten om aanvullende belastingen te heffen. 42 Parl. St. Kamer 2012-2013, Nr. 53 29784/001, p. 22 en Parl. St. Kamer 2013-2014, Nr. 53 3427/001, p. 76. 43 Zie S. MARIQUE, Régionalisation de l’impôt des personnes physiques: quelles conséquences sur les finances et la fiscalité communale?”, RFRL 2014, afl. 4, p. 34. 44 GwH 27 mei 2010, nr. 60/2010. 38 39 40 41
10
Lokale belastingen 2016.indd 10
31/03/16 15:44
I. Wat verstaat men onder “belastingen” en de verschillende soorten heffingen
b) Contant- en kohierbelastingen Het onderscheid tussen contant- en kohierbelasting heeft enkel gevolgen op het niveau van de procedure en werd ingesteld door de Wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen. Dit onderscheid werd overgenomen door de Wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen en voor het Vlaamse Gewest door het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen45, voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door de Ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen46 en voor het Waals Gewest door de Code du 22 avril 2004 de la démocratie locale et de la décentralisation47. Contantbelastingen worden contact geïnd tegen afgifte van een betalingsbewijs. Kohierbelastingen daarentegen worden ingevorderd bij wege van kohieren48. Ingeval de contantbelasting niet spontaan wordt betaald, zal deze eveneens worden ingekohierd49. In het Vlaamse Gewest krijgt de ingekohierde contantbelasting vanaf 1 januari 2009 alle kenmerken van een kohierbelasting, met inbegrip van een betalingstermijn van twee maanden en een bezwaartermijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet50. Eenzelfde vaststelling geldt voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest51. In het Waals Gewest geldt de regel dat een contantbelasting die ingekohierd wordt, onmiddellijk eisbaar is52. Bij contantbelastingen rijst de vraag hoe de belastingplichtige op de hoogte wordt gesteld van de gegevens die op een aanslagbiljet staan, zoals de mogelijkheden 45 BS 4 juli 2008. 46 BS 7 mei 2014. 47 BS 12 augustus 2004, err. BS 22 maart 2005. 48 Art. 4 Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen; art. 4 Ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen en artikel L3321-3 CDLD. 49 Art. 4, §7 Decreet van 30 mei 2008 en Ordonnantie van 3 april 2014, art. L3321-3 CDLD. 50 Parl. St. Vl. Parl. 2007-2008, Nr. 1585/1, p. 5 en Art. 4, §7 Decreet van30 mei 2008. 51 Parl. St. Br. Parl. 2014-2015, Nr. 60/1, p. 2 en Art. 4, § 7 Ordonnantie van 3 april 2014. 52 Art. L3321-3 CDLD.
11
Lokale belastingen 2016.indd 11
31/03/16 15:44
Fiscaliteit anders bekeken: Lokale belastingen
van bezwaar en de termijn. In vele gevallen weten de belastingplichtigen niet dat bijvoorbeeld de heffing op de afgifte van een identiteitskaart een betwiste belasting is. Die regels en de contactgegevens zouden kunnen vermeld worden op het afgiftebewijs of door een foldertje ter beschikking te leggen bij degene die de contantbelasting int, waarin de regels en de nodige contactgegevens zijn vermeld. Dit wordt evenwel niet opgelegd aan de gemeenten. Het gaat bij contantbelastingen heel vaak over kleine bedragen zodat deze administratieve last en de administratieve kost overbodig wordt geacht53. Dit argument lijkt niet doorslaggevend aangezien bijvoorbeeld een belasting op vertoningen en vermakelijkheden tot grote bedragen aanleiding kan geven. Bovendien rijst de vraag in welke mate de afgifte van het betalingsbewijs, dat de datum van inning van de belasting uitmaakt en dus de startdatum van de bezwaartermijn54, niet dient te worden beschouwd als een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor de belastingplichtige. Dit brengt immers de toepasbaarheid van artikel 35 van het decreet betreffende de openbaarheid van bestuur55 met zich mee evenals de verplichting tot het vermelden van de beroepsmogelijkheden. Het niet vermelden van de beroepsmogelijkheden heeft overeenkomstig voormeld artikel tot gevolg dat de termijn voor het indienen van een beroep een aanvang neemt vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of de beslissing met individuele strekking. Van zodra de contantbelasting bij gebreke van betaling wordt ingekohierd, dient het aanslagbiljet wel alle nodige vermeldingen te bevatten, met inbegrip van de bezwaartermijn56. Een belangrijk onderscheid tussen een contantbelasting en een kohierbelasting in het Vlaamse Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dat alleen voor kohierbelastingen in een aangifteplicht kan worden voorzien57. Daarenboven kan de aangifteplicht alleen worden opgelegd aan een kohierbelasting die oorspronkelijk als dusdanig wordt geheven en dus niet voor wat betreft contantbelastingen die kohierbelastingen worden omdat zij niet contant worden geïnd. Vermits er geen aangifteplicht wordt voorzien, kan er in dergelijk geval evenmin sprake zijn van een ambtshalve aanslag, bijkomende aanslagtermijnen of van een belastingverhoging. Het wegvallen van de aangifteverplichting maakt een duidelijk onderscheid tus53 Zie Omzendbrief BB 2008/07 dd. 18 juli 2008. – Agentschap voor Binnenlands Bestuur Afdeling Lokale en Provinciale Besturen. – Financiën en Personeel, BS 22 augustus 2008. 54 Brussel 4 juni 2014, Nr. 2010/AR/2927, onuitg. 55 BS 1 juli 2004, err. BS 18 augustus 2004. 56 Rb. Brugge 25 oktober 2011, AR nr. 10/263/A, LRB 2011, afl. 4. 57 Art. 4 § 4 Decreet van 30 mei 2008 en Ordonnantie van 3 april 2014.
12
Lokale belastingen 2016.indd 12
31/03/16 15:44