Skip to main content

9789038225791

Page 1

Proza

LiV-vriamont-binnen.indd 1

1/12/16 2:21:04 PM


Joris Vriamont Proza Bezorgd door Els van Damme en Yves T’Sjoen Literatuur in Vlaanderen 1900–1950

LiV-vriamont-binnen.indd 3

1/12/16 2:21:04 PM


D/2016/4804/003 ISBN 978 90 382 2579 1 NUR 303/622 Omslagillustratie: Letterenhuis, Antwerpen Boekverzorging: Stéphane de Schrevel © Erven Joris Vriamont, Yves T’Sjoen, Els van Damme & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016. © Nawoord Koen Rymenants. Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be

LiV-vriamont-binnen.indd 4

1/12/16 2:21:05 PM


Inhoudsopgave De boomen — 7 Sabbat — 13 Sebbedee — 19 De exploten van Tabarijn — 43 December — 69 Nawoord (Koen Rymenants) — 93 Editieverantwoording — 115

LiV-vriamont-binnen.indd 5

1/12/16 2:21:05 PM


De boomen [1917]

7

LiV-vriamont-binnen.indd 7

1/12/16 2:21:05 PM


En zou mijn zingen zonde zijn, Dan ware de adem van mijne ziele zonde. Pater H. Thans (Omheinde Hoven) 8

LiV-vriamont-binnen.indd 8

1/12/16 2:21:05 PM


Kent gij de pracht van die oude, oude boomen daar? In den nawinter ga ik er geern naar kijken en telkens ben ik geroerd door de schoonheid ervan. Heerlijk is de streek waar ze uit den grond tierden en doodrustig. In fijne droomen hangt de deemstering over ’t verre winterland. ’t Wordt al zoo eindeloos, zoo wijd en vast alsof de dingen eeuwelijk zoo stonden en de zwarte boomen ginds en de stille streek en ’t al rondom. Uitgebloed is de zon en daar ze verzoop zijn de laatste kopertinten getaand. Dààr staan ze die oude olmen, kalme denkers en ze dalen rechts met de eerde mee en golven weer licht met de lip tot ze aan den einder versmelten, donker zwart. En ginds, vóór me, heel een rij van rilde boomen, naar voren gelegen allen, met kruinen lijk duistere wolken. Niemand en heeft ze ooit jong gezien en geen en weet te melden hoelang ze hier wortelvast hun heele leven vieren. Hun tanige schors alleen draagt de reine print van hun ouderdom. Eens berstten ze uit den grond naar omhoog en met volle zeupen gaf de eerde hun ’t leven. Blaren schoten hun uit ’t jonge hout, blaren die breed werden en later afvielen; de dagen kwamen en gingen voorbij en zóó de nachten en de jaren; ze werden sterk en zagen van uit de inblauwe lucht al ’t blijde bedrijf van de streek. Heel den winter hielden ze de botten te slapen, maar de lentezon klopte ze hun uit ’t lijf en zoo waren ze vol van schoone koleuren, veerdig als Ons-Heer zou herrijzen en frisch van jong bloed lijk al die den ommegang meedoen te Paaschtijde. En als het lentefeest was uitgevierd, dan kwam de zomer. De geweldige zon stookte ’t koren hoog en de landen rolden van ’t goud. De pikkers kwamen toen af, sloegen de handen aan ’t werk en heel de streek gingen ze aan ’t veroveren. Al dat feestgetij vierden de boomen mee; de hooigeur walmde de warme lucht in; hun blaren rameiden, en in dat zotte zomerwentelen gingen ze aan ’t dansen lijk dronkemans. Dat was het leven, het volle leven van zatten roes en druistig geweld; ze werden voor eens van de wereld, die ernstige eenlingen. Maar erna verbleekten hun blaren geel en vielen ros naar beneên. De wind joeg ze nijdig vóór hem uit tot ze te niet gingen in triestige plassen. Dat was ’t begin van het kwade getij. Nadat de zaaiers het land met goud bepeerst hadden was 9

LiV-vriamont-binnen.indd 9

1/12/16 2:21:05 PM


’t voor goed gedaan met de schoone zonnedagen. De regen en de wind kwamen, de ijselijke wind die hun door den bast joeg dat ze kreunden lijk zielkes in de tormenten, met de armen t’allenkante uitgestoken. De lucht werd grijs; de sneeuw kwam eruit geluid en ’t land werd maagdelijk zoo een outerkleed, volgend de deiningen van ’t land en van de einders. In gestadigen sleep volgden de seizoenen elkaar, en zóó draaiden de nachten eentonig naar nieuwe dagen. De boomen stonden er als eenzaten, oud geworden en wijs. Woelig voeren de hemelen boven hun gedaagde koppen, maar zij bleven in dat eeuwige kenteren van den tijd, peinzend aan ’t voorbije leven toen ze nog schoon waren en bloeiden in ’t goud van de jonge zon. De ouderdom heeft hun ’t wee en den ernst op ’t wezen gelegd en gemarteld heeft ze de wind tot ze bogen naar de eerde toe en keerden ’t aanschijn al naar denzelfden kant. Ouwe reuzen zijn ’t met rotsblokken vechtensveerdig in de handen en moe van die ze op den rug dragen. Waar gaan ze naartoe die ouwe reuzen? Weten ze ’t zelf hoelang hun stille tocht duurt en waar ze vandaan komen? ’t Had gesneeuwd en daarop duchtig gevrozen, toen ik ze den lesten keer ben gaan bekijken. Wit was het land, van een kalmte zonder geluiden en ijlblauw de lucht van ’t tintelend vriezen. Lijk gouden asschevonkskes flonkerden de sterren. De boomen versmolten met ’t woud; ’t waren lijk vrome beevaarders van verre gekomen en moe van de lange begankenis; ze trokken de een achter den ander al biddend, de groote kerk binnen, de kerk met bogen van licht … En van wijd kwam een wind gevaren, de wind die veel aan de boomen hangt en uit de landen waar hij vandaan kwam, bracht hij veel vertelsels lijzekes mee en dat zong hij aan de boomen, de kale boomen op de barre vlakte. ’t En was geen ruischen lijk in den zomer, geen najaarshuilen, maar een dromerig suizen, een oude stem uit heel verre tijden, die men zelden nog maar en hoort en waar men gespannen naar moet luisteren om te vernemen wat ze meevoert uit den glans der eeuwen en het verloren gegaan zonlicht. Ik heb er lang naar geluisterd, naar dat wiegen in de takken der ijzelwitte boomen, heel lang, lijk kleine kinders doen naar een oud vertelsel uit grootmoeders’ tijd. En als die stem uit het gouden voorbije was doodgedaan, toen ben ik betraand vertrokken, met wolken van 10

LiV-vriamont-binnen.indd 10

1/12/16 2:21:05 PM


herinneringen die me zuutjes gonsden in den kop, en dragend in mij den geest en de taal der oude olmen. Ziet gij ze daar afgestompt tegen den einder en voorbijtiegend over ’t land? Zij zijn mijn vaderen lijdend en huilend onder ’t geweld van vreemde heerschers. De menschen bemin ik niet of van heel verre; de boomen min ik van dichtbij. Met ernaar te kijken en ze te beluisteren, heb ik ze leeren begrijpen. Veel stormen hebben ze deurleefd en hun lijden is ’t mijne; een deel van mijn eigen zijn ze, en op den dag dat ze zouden sterven, zal ik ook doodgaan.

11

LiV-vriamont-binnen.indd 11

1/12/16 2:21:05 PM


Sabbat [1923]

13

LiV-vriamont-binnen.indd 13

1/12/16 2:21:05 PM


Hoe! Hoe! ioe! Zoo hollen wild de hellewijven in rondedans op de hei waar de pikzwarte nacht over koepelt. Hoe! Hoe! ioe! het brouwsel dat sist op den driepikkel, de onderrokken die bollen over het hoofd en de tanden die druipen uit het mondgat. Hoe! Hoe! ioe! voor den haviksneus en de kinnebak lijk mijn pantoffel. Zóó trippen daar de houterige scharminkels en in de holle kassen schuiven hun oogen diagonaal. Ei! het sperma der dolgekittelde Adonissen, het goudtroebele sperma in doffe filters lijk waterige gloeilampen. Hoor de maagden zingen in het moeras: uit de laaglanden klinkt het klaaglied van het Zaad, orgie-heimwee van het Princiep. Hoe! Hoe! ioe! de bokkige stank der saters op het spoor van den vleeze gerocht, en die nu begeerig glariën tusschen het kruid. Om hun hoofd de wijngaardranken waaraan, zwaar als uiers, de volle trossen wegen. Als een enkel haarpijlken zoo fijnlang, de ooren die spitsen. En de dreunende hoefslag der veld- en boschgoden zonder tal, die komen aangerend alover de vlakte om aan den ritus deel te nemen. Hoe! Hoe! ioe! de spokige ronding van een krolschen kater aan den einder. Koperglimmend de bolle pens van den sabbatketel en solferig schijnsel van het blauwe vuur eronder. Schroeireuk spreiden in ’t wild de bronstige faunen alom met hun gebrande steerten lijk slappe wiekjes. Bedwelmend de damp van filtreerende nachtschaden, kardamien en vogelkers. En altoos de zotte ommedans der feeksen op hupsche voeten en de diepe gleuf in het rag van hun bakkes. En ook de razende bezemvaart in de lucht die zwart is als het gewelf van een hellekrocht. En nog de wind die rammeit in de takken en de kikkers die kwaken in het veen. Hoe! Hoe! ioe! een bijzondere vermelding voor de drie voorname duivels die het voorzitterschap van de geplogenheid

15

LiV-vriamont-binnen.indd 15

1/12/16 2:21:05 PM


aanvaardden en hierheen kwamen gevaren op een gespan met geitebokken. Hoe! Hoe! ioe! voor de zes duiveltjes van lager orde die mede tronen op een grasterp, schromelijk tekort schietend aan ceremonieele waardigheid want houdend onder mekaar onwelvoeglijke propoosten. Hoe! Hoe! ioe! voor de tien heksenmeesters die zich lieten verontschuldigen, hebbend hun bijzijn toegezegd voor een ander geval dat plaats grijpt ievers wijd in het Noorden. Hoe! Hoe! ioe! voor het elftal kabouters dat aangedragen komt met hoornen waar het gerstebier in schuimt dat werd gebrouwen voor driemaal zeven jaar. En voor de oerkoningen die uit het dal van Ægypten zijn opgestaan en voor de Wijzen uit den Oosten die de beroering in de gesternten hebben bemerkt en waarvan het getal niet te ramen is. Hoe! Hoe! ioe! voor alle gedrochten, kobolds en kentauren, weerwolven en myrmidonen, okkultisten, wichelaars en bietebauws, reuzen en nikkers; voor de jonge vrouwen die glimmen als fosforescenciën; voor al de Symbolen die vertegenwoordigd zijn, de Zeven Hoofdzonden, en, God-bewaar-me – hoe raken die hier verzeild? – voor de Vier Kardinale Deugden. Maar overheerschend toch is het aantal saters: een leger van hoorns. Nog een paar boschuilen die uit hooge kruinen de verrichtingen volgen, mikken met één oog lijk een alchimist dat doet, wachtend naar het gebeuren in zijn retortkolf. Zijn ze er nu allegaar? Ewel, dan is het geval eigenlijk begonnen. En de bliksem, die vermoedelijk dat oogenblik had afgewacht, heeft zijn serpentijnen in het ruim geslingerd en de donder heeft geschald als een cyklopenlach. Toen is daar een groot geluid vernomen, een geloei zoo benauwelijk dat, van Oost tot West, heel het Kempenland ervan heeft geschrokken. Eerst een dof rommelen lijk als men een trom stemt even met de vingeren toetsend op de juiste plaats. Al de pastorale goden zijn op hun riet aan ’t pijpen gegaan en honderd

16

LiV-vriamont-binnen.indd 16

1/12/16 2:21:05 PM


bombarden tegelijk hebben naar alle vier de windstreken den ritus verkondigd. Lang daarna zullen de ooren nog tuiten van het lawijd dat dien nacht is opgegaan. En in het land zullen dat jaar de miskramen niet te tellen zijn, noch de perijkelen die het vee overvallen. Hoe! Hoe! ioe! voor de onnoemelijke plichtpleging, al te lubriek dan dat ik het wagen zou ze klakkeloos aan dit vel toe te vertrouwen. Hoe! Hoe! ioe! voor de zeven saters die de zeven wijven hebben gevloerd. Zeven wijven. Zeven zonden. Zeven toortsen. Ioe! ioe! ioe! Pauk!

17

LiV-vriamont-binnen.indd 17

1/12/16 2:21:05 PM


Sebbedee [1926]

19

LiV-vriamont-binnen.indd 19

1/12/16 2:21:05 PM


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789038225791 by Uitgeverij Lannoo - Issuu