Skip to main content

9789038225746

Page 1

Sociologische verbeelding als kracht Kritisch leren kijken naar het sociale — Agnes Verbruggen Hilde Maelstaf Frank Stevens Greetje Desnerck


Uitgeverij Academia Press Prudens Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.

ISBN 978 90 382 2574 6 D/2016/4804/125 NUR 756 Agnes Verbruggen, Hilde Maelstaf, Frank Stevens & Greetje Desnerck Sociologische verbeelding als kracht. Kritisch leren kijken naar het sociale. Gent, Academia Press, 2016, 341 p.

Vormgeving cover: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: bvba Le Pur et l’Impur

© Agnes Verbruggen, Hilde Maelstaf, Frank Stevens & Greetje Desnerck © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoudsopgave

INLEIDING 1 2 3 4 5

13

Over de vissen en het water Is sociologie ‘nuttig’? Wetenschap en professionaliteit Verbeeldende wetenschap Onderwijs en het verwerven van leer-kracht

14 15 15 16 18

DEEL I het vizier: De sociologische kijk

21

HOOFDSTUK 1 Wat bestudeert de sociologie? 1.1 Sociaal als morele kwaliteit 1.2 Het sociale als studieobject 1.3 Sociale constructie: het actorperspectief 1.3.1 Typologie van sociaal handelen bij Weber 1.3.2 Actoranalyse van het sociale 1.3.3 Het zelfbeeld als sociaal construct 1.3.4 Sociale gevolgen, perverse effecten 1.4 Sociale bepaaldheid: sociaal systeemperspectief 1.4.1 Sociale structuur bepaalt het handelen 1.4.2 Cultuur bepaalt sociaal handelen 1.4.3 Structuur én cultuur bepalen het sociaal handelen 1.5 Niveaus van analyse: micro, meso, macro 1.5.1 Wat wordt bedoeld met micro, meso en macro? 1.5.2 Verklaring van armoede volgens de analyseniveaus 1.5.3 Sociaal kapitaal: invulling Bourdieu en Putnam 1.5.4 Gezondheid: analyse- en interventieniveaus 1.5.5 Ecologische en atomistische fouten

23 23 25 30 33 34 36 37 40 40 44 46 48 48 50 53 55 57


6

HOOFDSTUK 2 Sociologie is een wetenschap 2.1 Soorten kennis 2.1.1 Kennis op basis van geloof of opvatting 2.1.2 Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid 2.1.3 Wetenschappelijke kennis 2.2 Wat is wetenschappelijke kennis? 2.2.1 De empirische cyclus 2.2.2 Criteria van wetenschappelijk onderzoek 2.2.2.1 Representativiteit 2.2.2.2 Validiteit 2.2.2.3 Betrouwbaarheid 2.2.2.4 Objectiviteit 2.2.3 Menswetenschappen, natuurwetenschappen 2.2.3.1 Probabiliteitsverbanden 2.2.3.2 De interpretatieve benadering 2.2.3.3 Kwantitatieve methoden 2.2.3.4 Kwalitatief onderzoek 2.3 Wetenschapssociologie 2.3.1 Is wetenschap waardenvrij, kritisch, neutraal, emanciperend? 2.3.1.1 Moraliteit van en onderlinge sociale controle tussen de wetenschappers 2.3.1.2 Neutrale of waardengeladen wetenschap? 2.3.2 Evidence based practice & praktijkkennis 2.3.3 Toepassingen in de professionele zorg 2.3.3.1 Wat is wanneer een ‘effect’? 2.3.3.2 ‘Absence of evidence is not evidence for absence’. 2.3.3.3 Wat bewerkstelligt het gemeten effect? 2.3.3.4 Effect door het experiment zelf 2.4 Sociologische vragen en sociale problemen 2.4.1 Definities 2.4.2. Definitiemacht 2.4.3 Actieonderzoek

61 61 62 63 64 66 67 69 69 71 73 74 75 76 77 80 81 81 82

DEEL II DE LENZEN: BASISBEGRIPPEN UIT DE SOCIOLOGIE

97

HOOFDSTUK 1 Sociale structuur 1.1 Sociale actoren en sociale posities 1.2 Sociale relaties 1.2.1 Sociale relatie: interactie en communicatie 1.2.1.1 Het communicatiemodel van Shannon en Weaver

82 83 86 87 87 88 88 89 91 91 92 94

99 100 103 104 104


inhoudsopgave

1.2.1.2 Communicatie axioma’s van Watzlawick 1.2.2 Sociale interactie als de som van betrekking en verhouding 1.2.2.1 De sociale betrekking 1.2.2.2 De sociale verhouding 1.3 Sociale netwerken en systemen 1.3.1 Groepen 1.3.1.1 Formele en informele groepen 1.3.1.2 Primaire en secundaire groepen 1.3.1.3 Referentiegroepen 1.3.1.4 Taakgerichte en emotioneel gerichte groepen 1.3.2 Collectiviteiten 1.3.3 Sociale categorieÍn 1.4 Macht 1.4.1 Begrip en bronnen van macht 1.4.2 Macht in organisaties 1.4.3 Gezag 1.5 Sociale stratificatie en sociale mobiliteit 1.5.1 Wat is sociale stratificatie? 1.5.2 Wat is sociale mobiliteit? 1.5.3 Sociale stratificatie: van ongelijke rechten naar ongelijke kansen 1.5.3.1 Het kastenstelsel 1.5.3.2 Het standensysteem 1.5.3.3 Wettelijk verankerde grenzen 1.5.3.4 Het klassensysteem 1.5.3.5 Hedendaagse klassensystemen 1.5.4 Open en gesloten samenlevingen 1.6 Besluit HOOFDSTUK 2 Cultuur 2.1 Alledaagse opvattingen over cultuur 2.2 Culturalisering 2.3 Cultuur als sociologisch concept 2.3.1 Nature/nurture 2.3.2 Een veelheid aan definities 2.4 De componenten van het culturele systeem 2.4.1 De materiÍle component 2.4.2 De cognitieve component 2.4.3 De normatieve component 2.4.3.1 Waarden 2.4.3.2 Normen

7

105 107 108 110 111 115 116 117 118 119 120 123 124 124 125 128 129 129 129 131 131 132 133 134 135 138 141 143 143 143 146 146 148 151 151 152 153 155 157


8

2.4.3.3 Doeleinden 2.4.3.4 Verwachtingen 2.4.3.5 Gedeelde waarden en normen: sociale controle 2.5 Sociale rol 2.5.1 De sociale rol en rolvoorschriften 2.5.2 Rolbepaling 2.5.3 Rolconflict 2.5.4 Sociale status 2.5.5 Statuscongruentie 2.6 Socialisatie 2.6.1 Wat is socialisatie? 2.6.2 DifferentiĂŤle socialisatie 2.6.2.1 Genderspecifieke socialisatie 2.6.2.2 Klassespecifieke socialisatie 2.7 Diversiteit 2.7.1 Interculturele diversiteit 2.7.2 Intraculturele diversiteit 2.7.2.1 Subculturen 2.7.2.2 Stad versus platteland 2.7.2.3 Cultural lag 2.7.3 Een breder diversiteitsbegrip HOOFDSTUK 3 Institutionalisering en instituties 3.1 Inleiding 3.1.1 Institutionalisering en sociale instituties 3.1.2 Institutionele discriminatie 3.1.3 De-institutionalisering 3.2 Voorbeelden van instituties 3.2.1 Het gezin 3.2.1.1 Regeling van het seksuele verkeer 3.2.1.2 Sociale controle op voortplanting en nageslacht 3.2.1.3 Socialisatiefunctie 3.2.1.4 Veiligheid en bescherming 3.2.1.5 Zorgfunctie 3.2.1.6 Economische functie 3.2.2 Het zorgsysteem 3.2.2.1 Financieringsprincipes 3.2.2.2 De typologie van welvaartstaten van Esping-Andersen 3.2.2.3 Verdere uitdagingen

161 161 163 166 166 167 168 170 172 172 172 175 176 179 183 183 186 186 189 190 192

195 195 195 197 198 199 199 200 200 201 201 204 204 207 210 212 213


inhoudsopgave

3.2.3

Religie 3.2.3.1 Enkele cijfergegevens 3.2.3.2 Religie: een omschrijving 3.2.3.3 De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme 3.2.3.4 Secularisatie 3.2.3.5 De functies van religie als institutie 3.2.3.6 Besluit: centrale institutie of niet…

DEEL III HET SPECTRUM: PERSPECTIEVEN IN DE SOCIOLOGIE

9

217 217 219 222 224 226 228 231

HOOFDSTUK 1 Paradigmatisch pluralisme: een oriëntatie 233 1.1 Een veelheid aan scholen, stromingen en paradigma’s 234 1.2 Een oriëntatiemodel voor sociologische stromingen 237 HOOFDSTUK 2 Het symbolisch interactionisme 2.1 Mead als grondlegger van het interactionisme 2.2 Blumer: het symbolisch interactionisme 2.3 Goffman 2.3.1 Het toneelspel van het dagelijks leven 2.3.2 Stigma 2.3.3 Totale instituties 2.4 Mogelijkheden en moeilijkheden van het interactionistische paradigma 2.4.1 De bijdragen aan het bestuderen van afwijkend gedrag 2.4.2 Enkele bedenkingen

243 244 246 247 247 248 249 525 252 254

HOOFDSTUK 3 Sociale ruiltheorie 3.1 De sociale ruiltheorie 3.1.1 Homans’ individualistische benadering van sociale ruil 3.1.2 Blau 3.2 Rationele keuzetheorie 3.2.1 Toepassingen van de rationele keuzetheorie 3.2.2 Beperkingen aan rationaliteit 3.2.3 Collectieve goederen en collectieve actie 3.2.4 Tragedy of the commons 3.3 De speltheorie 3.3.1 Het dilemma van de gevangene 3.3.2 Tit-for-Tat 3.4 Besluit: rationele ruil als mogelijkheid om sociaal handelen te begrijpen

257 257 259 263 265 265 267 268 270 271 272 274 276


10

HOOFDSTUK 4 Conflictsociologie 4.1 Inleiding 4.2 Karl Marx 4.2.1 Arbeid als sleutelbegrip 4.2.2 Bouwstenen van maatschappij-analyse 4.2.3 Structureel conflict 4.2.4 Menselijke prijs: vervreemding of aliënatie 4.2.5 Kritisch besluit 4.3 Conflictsociologie na Marx 4.3.1 Dahrendorf 4.3.2 Mills 4.3.3 Marcuse 4.3.3.1 Maatschappij-analyse van Marcuse 4.3.3.2 Aanklacht 4.3.3.3 Alternatief 4.3.4 Habermas 4.3.4.1 Communicatief en strategisch handelen 4.3.4.2 Systeem- en leefwereld 4.4 Besluit

279 279 280 281 282 284 286 288 289 289 290 291 293 294 295 296 296 298 299

HOOFDSTUK 5 Structureel - functionalisme 5.1 Oorsprong van het functionalisme 5.2 Durkheim en de verdere uitbouw van het functionalistische denken 5.2.1 Arbeidsdeling 5.2.2 Zelfdoding 5.3 Het functionalisme van Merton 5.3.1 Functies en disfuncties 5.3.2 Manifeste en latente functies 5.4 Het structureel functionalisme van Parsons 5.4.1 AGIL-schema van Parsons 5.4.2 Parsons’ theorie over macht en beïnvloeding 5.4.3 De patroonvariabelen van Parsons 5.4.3.1 Universalisme – particularisme 5.4.3.2 Toewijzing – verwerving 5.4.3.3 Specificiteit – diffuusheid 5.4.3.4 Expressiviteit – instrumentaliteit 5.4.3.5 Collectief gericht – op zichzelf gericht 5.4.4 De patroonvariabelen als een veelzijdig analyse-instrument 5.5 De verdiensten en tekortkomingen van het (structureel) functionalisme

303 304 305 306 307 308 309 311 312 314 318 322 322 323 324 325 326 326 328

BIBLIOGRAFIE

331


14

Dit handboek biedt een grondige inleiding in de sociologische denkwijze. Sociologie is een specifiek menswetenschappelijk referentiekader dat tot een eigen manier van denken leidt waardoor er op een andere manier naar de werkelijkheid kan worden gekeken. Daardoor krijgt men een andere kijk, het stelt in staat iets te zién wat zonder deze kijk niet zichtbaar is. Een krachtige metafoor om uit te drukken wat sociologie in beeld brengt, is het volgende: mochten we vissen zijn, dan zou sociologie ons in staat stellen te zien dat we in water zwemmen. Het sociale is namelijk voor de mens wat het water is voor de vis. Het is zo alomtegenwoordig en vanzelfsprekend dat we er ons niet van bewust zijn. Maar net als water levensnoodzakelijk is voor de vis, zo wezenlijk is het sociale verbonden met wie we als mens zijn.

1

Over de vissen en het water Het vraagt verbeeldingskracht om het sociale te onderzoeken, een afstand name die aan de vissen niet gegeven is. Sociologie geeft kaders, begrippen en taal om te zien, te verklaren, te begrijpen wat dat sociale is en hoe het zo wezenlijk verbonden is met wie en wat we als mens zijn. Het studiegebied van de sociologie kan worden omschreven als: het sociale als feit. Dit gegeven houdt twee dingen in: enerzijds het sociale handelen - wat in sommige handboeken met het begrip ‘socius’ wordt benoemd. Anderzijds datgene wat de context en het resultaat is van dat sociale handelen, sociale systemen; datgene wat in sommige handboeken ‘societas’ wordt genoemd of gemeenschap. In de sociologie wordt dat sociale op een wetenschappelijke manier bestudeerd, geanalyseerd, volgens de standaarden van wetenschappelijk onderzoek. Dit wetenschappelijk werk levert een ‘corpus scientia’ op, een ‘body of knowledge’ van sociologische theorieën die gedegen materiaal levert voor een ieder die een onderbouwde visie op het sociale nastreeft. Sociologie biedt een bril om boven en voorbij het individuele niveau te kijken en zowel de interpersoonlijke als de structurele component van het sociale te zien, te analyseren, te begrijpen. In zijn werk van 1906, ‘Détermination du fait moral’, legt Durkheim (2014) – één van de grondleggers van de sociologie – het studiegebied van de discipline duidelijk vast. Dit specifieke werk is een analyse van moraal als sociaal feit. Het gaat dus niet over morele oordelen of uitspraken over wat moreel wenselijk is, wat goed en kwaad is. Het is een empirische studie van wat in een bepaalde sociale context als moraal geldt. Sociale structu-


50

Deel I het vizier: de sociologische kijk

Dit systeem analyseren is een microniveau van sociologische analyse en vertoont verwantschap met de sociale psychologie. Er is echter wel een verschil in focus: de sociale psychologie bestudeert wat het effect en de impact is van sociale relaties en contexten op de binnenkant en gedrag van mensen. Sociologie bestudeert ook dit gegeven maar vooral de kenmerken van deze interactie zelf en hoe deze bijdraagt aan het vorm geven van een op zichzelf staand feit, een sociaal systeem; een geheel dat meer is dan de som van de delen. Hoe wordt zo een systeem gemaakt? Hoe grenst het zich af van andere sociale systemen? Dit microniveau van analyse levert maar een deel van de sociologische kijk op sociaal werk. Op een mesoniveau van analyse zal de socioloog ook kijken naar hoe deze interpersoonlijke relatie bepaald wordt door het organisatiesysteem waarin deze relatie vorm krijgt. Het is natuurlijk tezelfdertijd ook zo dat dit microniveau zelf mee vorm geeft aan dit organisatiesysteem. Het nog omvattender analyseniveau, het macroniveau bekijkt dan de wederzijdse beĂŻnvloeding van zowel micro- als mesoniveau op, in dit concrete geval, de institutionele wijze waarop zorg en welzijn vorm en inhoud krijgen. Op dit niveau bestudeert een sociologische insteek hoe historiciteit, wetgeving en politieke keuzes mede vorm geven aan welzijnswerk, het bepalen; maar ook hoe welzijnswerk zelf mede vorm geeft aan dit grotere kader.

1.5.2 Verklaring van armoede volgens de analyseniveaus Een illustratie van hoe een analyse op verschillende niveaus leidt tot een andere verklaring van de werkelijkheid vinden we in het volgende schema van verklaringen en oorzaken van armoede (Vranken, Geldof & Van Menxel, 1997; Driessens, 2003). Dit schema is een overzicht van de verschillende verklaringsmodellen voor armoede die je kan terugvinden in de wetenschappelijke literatuur, maar ook in politieke discours en dagelijkse gesprekken. De auteurs van het schema pleiten voor een integratieve visie, maar beklemtonen sterk dat armoede een gevolg is van de manier waarop onze samenleving in elkaar zit. Verklaringen voor armoede onderscheiden zich op basis van het niveau waar de oorzaak van armoede wordt gezocht (het micro-, meso- en macroniveau). Bovendien maken ze per niveau nog eens een onderscheid tussen verklaringsmodellen die de oorzaak buiten of binnen het niveau zoeken. Als de oorzaak bij het niveau zelf ligt, dan spreken de auteurs over schuldmodellen. Indien de oorzaak buiten het niveau wordt gezocht, dan spreken ze over ongevalmodellen. Zo ontstaan in totaal zes types van verklaringen voor armoede.


HOOFDSTUK 2

Sociologie is een wetenschap

In het vorig hoofdstuk hebben we gezien dat sociale actoren niet zomaar reageren op stimuli, maar reageren op interpretaties van situaties. Deze interpretaties komen niet uit de lucht vallen. Ze zijn gebaseerd op interpretaties die leven in de sociale omgeving, op eigen ervaringen, enzovoort. Ook de wetenschap reikt interpretaties aan. Dit hoofdstuk richt zich op sociologie als wetenschap en als bron van interpretaties. Dit hoofdstuk heeft de volgende hoofddoelstellingen: •• Kennis over en inzicht verschaffen in verschillende vormen van kennis. •• Verduidelijken waarin wetenschappelijke kennis verschilt van andere vormen van kennis. •• Kennis over en inzicht bieden in de criteria, waaraan wetenschappelijke kennis moet voldoen. •• Schetsen van de stappen die gezet moeten worden om tot wetenschappelijke kennis te komen. •• Een overzicht maken van de methoden binnen de sociologie. •• De spanning tussen evidence based en practice based onderzoek aantonen. •• Afbakenen wat het onderscheid is tussen een sociaal en een sociologisch probleem.

2.1 Soorten kennis Mensen handelen op basis van kennis. Zij halen informatie uit de buitenwereld en gaan die ordenen. Die ordening kan door middel van de taal worden onthouden en ook worden doorgegeven aan volgende generaties. Het soort kennis en de concrete kennisinhouden die mensen hebben verworven, vormen een bepalend onderdeel van de persoonlijkheid en oriënteren de mensen in hun omgaan met de werkelijkheid. De kennis wordt systematisch opgebouwd en mensen kunnen hiervoor putten uit verschillende bronnen. We onderscheiden geloofskennis, ervaringskennis en wetenschappelijke kennis.


100

Deel II DE LENZEN: BASISCONCEPTEN UIT DE SOCIOLOGIE

1.1 Sociale actoren en sociale posities Sociaal handelen gaat uit van actoren, die hun handelen afstemmen op dat van andere actoren. Daarom noemen we ze sociale actoren, omdat we ervan uitgaan dat het geen passieve elementen zijn, maar elementen die via interpretatie van acties in staat zijn te reageren op de gedragingen van andere actoren. Actoren zijn sociaal actief: als bepalende factor voor andere sociale actoren, alsook als receptieve factor. Actoren worden bepaald door andere actoren. Sociale actoren kunnen zowel personen, groepen als instellingen zijn. Zo zijn de gezinsleden de sociale actoren binnen een gezin. In een voetbalspel zijn de sociale actoren de voetbalspelers op het veld. Als we kijken op het niveau van de voetbalcompetitie, dan zijn het niet meer de spelers, maar de voetbalploegen die de sociale actoren zijn. In de sociologie kunnen we bijgevolg sociale actoren onderscheiden op verschillende analyseniveaus. Dat houdt ook in dat een groep, een organisatie of zelfs een samenleving als een sociale actor kan worden beschouwd. Wanneer twee landen oorlog voeren met elkaar, dan zijn de sociale actoren op dat analyseniveau de twee oorlogvoerende landen. Sociale actoren beschikken over een sociale locatie. In het sociaal handelen verwijst de locatie naar de plaats waar de sociale actoren zich bevinden en van waaruit ze sociaal handelen. De sociale locatie krijgt in het sociaal handelen maar betekenis doorheen de relaties waarmee de sociale actor in een sociaal netwerk treedt. Dat noemen we de sociale positie van een sociale actor, de plaats of de locatie van een actor in relatie met andere posities van een bepaald sociaal netwerk. Dahrendorf (1965) stelde al lang geleden dat posities ‘… punten of plaatsen zijn in een coördinatensysteem van sociale betrekkingen’. Elke sociale positie impliceert dus een netwerk van andere posities, die ermee verbonden zijn. Een sociale positie kunnen we alleen definiëren door een verwijzing naar een andere sociale positie. Daarom is elke positie een knooppunt van waaruit relaties met andere positiebekleders vertrekken. Je kunt de sociale positie ‘student’ niet bepalen zonder te verwijzen naar het netwerk van relaties en posities waarin een student zich bevindt en waarvan bijvoorbeeld medestudenten en lectoren deel uitmaken. Opvallend is dat we een sociale positie een bepaalde naam geven. Het benoemen van de sociale positie staat los van de persoon die de positie bekleedt. Zo kan iemand de positie van ‘financieel manager’ in een bedrijf bekleden. Die positie blijft bestaan, ook als de huidige positiebekleder ontslag neemt. In zijn plaats komt iemand anders die opnieuw de positie bekleedt van ‘financieel ma-


cultuur

151

zekere vanzelfsprekendheid gekregen en we zijn ons vaak niet meer bewust dat we ons op een bepaalde manier gedragen. Rituelen kunnen betrekking hebben op dagelijkse handelingen: de manier waarop we elkaar begroeten, het al dan niet openhouden van een deur voor iemand anders, elkaar een kaartje sturen bij de verjaardag, eetgewoonten, enzovoort. Het kan betrekking hebben op religieuze rituelen of rituelen die te maken hebben met de grote overgangen in het leven. De vierde laag heeft betrekking op culturele voorbeelden en helden. Die helden kunnen dood of levend zijn, fictief of echt bestaand. Het kan gaan over Superman, de profeet Mohammed of Moeder Teresa. De kern van de ui wordt uitgemaakt door waarden, normen en verwachtingen. Ze zijn het meest diep verborgen en pas na een tijd worden ze duidelijk. Op dit diepere niveau zitten de grotere en meer fundamentele verschillen. Hoe dieper we doordringen tot de onderste lagen van een cultuur, hoe groter ons inzicht in een andere cultuur.

2.4 De componenten van het culturele systeem Veel definities van cultuur vertrekken van een geheel van waarden, normen, gedragsmodellen, instituties en symbolen als cultuur, maar ook kennis, wetenschap en ideeën, materiële producten en kunstvoorwerpen zijn deel van het culturele systeem. Lombaert & De Brabander (2006) ordenen dit complexe, samenhangende en elkaar beïnvloedende geheel dat cultuur is in drie grote clusters, die zij componenten noemen: •• De materiële component •• De cognitieve component •• De normatieve component.

2.4.1 De materiële component Wanneer over materiële cultuur wordt gesproken, betreft dit alle materiële voorwerpen (gebruiksvoorwerpen, kunstvoorwerpen..) of producten waarover een samenleving beschikt (zoals een vlag). Dit betreft evengoed het materiaal van een schoonheidsspecialiste als van een chirurg, als de woningen en andere gebouwen, meubels, computers, laptops, smartphones. Materiële cultuur of gematerialiseerde cultuur is eerder het studieobject van


212

Deel II DE LENZEN: BASISCONCEPTEN UIT DE SOCIOLOGIE

3.2.2.2 De typologie van welvaartstaten van Esping-Andersen De Deense socioloog Esping-Andersen (1996) heeft een typologie uitgewerkt van verschillende soorten welvaartstaten waarin hij drie types onderscheidt. Sociaal-democratische welvaartstaten zijn heel sterk gericht op het verschaffen van werk en kennen bijgevolg lage werkloosheidscijfers. Iemand die bijvoorbeeld werkloos wordt, wordt heel vlug ge(her)oriënteerd naar een nieuwe job. In periodes van inactiviteit, genieten de inwoners van deze staten van hoge uitkeringen waardoor ze slechts een gering aandeel van hun levensstandaard moeten inleveren. Deze uitkeringen worden gefinancierd via de belastingen. Iedereen die burger is van deze staten, kan aanspraak maken op deze uitkeringen. Deze staten worden gekenmerkt door een grote mate aan sociale gelijkheid. Voorbeelden van deze welvaartstaten zijn Zweden, Noorwegen en Denemarken. Ook Nederland wordt vaak tot de sociaal-democratische welvaartstaten gerekend. Een tweede type welvaartstaten noemt hij de conservatieve-corporatistische welvaartstaten. Ook deze staten bieden een hoge mate van bescherming aan, maar in mindere mate dan de sociaal-democratische. In deze staten worden mensen minder vlug geactiveerd, dat wil zeggen dat ze minder ondersteund worden bij het vinden van een nieuwe baan. Deze welvaartstaten kennen bijgevolg een hogere werkloosheidsgraad. Uitkeringen worden er niet betaald uit de algemene belastingen, maar op basis van een voorbehouden deel van de belastingen uit inkomen, de zogenaamde sociale zekerheidsbijdragen. De mate waarin iemand dan ook bijgedragen heeft tot het stelsel, bepaalt in welke mate iemand aanspraak kan maken op uitkeringen. De hoogte van de uitkeringen is vaak een percentage van het (laatst verdiende) loon. Perioden van inactiviteit betekenen in deze staten vaak een flinke inboeting aan levensstandaard. Toch slagen ook deze staten er in een grote mate aan sociale gelijkheid te bewerkstellingen. Voorbeelden van deze staten zijn België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk en Japan. Het derde type van welvaartstaten noemt Esping-Andersen de liberale welvaartstaten. De beschermingsgraad tegen armoede is er laag doordat de uitkeringen er eerder laag zijn en omdat er aan strikte voorwaarden moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een uitkering. De toekenning van een uitkering gebeurt na een grondig sociaal onderzoek naar de mate waarin iemand behoeftig is. Ook deze uitkeringen worden betaald via de belastingen. Een periode van inactiviteit brengt mensen dan ook dicht bij de armoedegrens.


sociale ruiltheorie

265

vroegere generaties min of meer verdrongen. De hele maatschappelijke context zet ons ertoe aan te leven met het zicht op de toekomst, niet op het verleden. Ons vooruitgangsoptimisme doet ons denken dat er technische oplossingen kunnen worden gevonden voor al onze problemen en met de snelle evolutie van wetenschap en techniek kunnen ouderen ons daarbij niet meer helpen. Dit gebrek aan ontvankelijkheid voor de wijsheid van ouderen steunt niet alleen op een foutieve redenering, maar leidt pas echt tot verwaarlozing van onze plicht tegenover ouderen. Onze solidariteitsplicht wordt immers niet uitgeput door het zorgen voor een behoorlijk pensioen en een televisietoestel om de lange avonden te vullen. Mensen worden pas echt oud als niemand meer iets van ze verwacht, als ze van het spel van geven en teruggeven worden uitgesloten, als de verplichting om te geven volledig wegvalt.’ (Vandevelde, 2003, p. 15)

3.2 Rationele keuzetheorie In de humane wetenschappen kunnen we het proces van de opbouw van samenwerkingsverbanden, waaruit dan gestructureerde sociale systemen ontstaan, verduidelijken aan de hand van de rationele keuzebenaderingen van Simon & March, van Coleman en van de speltheorie. Deze benaderingen gaan nog sterker uit van rationeel denkende en handelende individuen. Ze proberen op basis van rationele modellen de menselijke interactie te begrijpen en vooral de keuzes te begrijpen die mensen maken in de onderlinge interactie. Zoals de ruiltheorie kijkt deze benadering vooral vanuit een actorperspectief. De sociale interactie wordt opgebouwd op basis van de rationele keuzes van individuen.

3.2.1 Toepassingen van de rationele keuzetheorie Een voorbeeld van een theorie waarbij vertrokken wordt van de mens als rationeel handelend en denkend, betreft het zoeken naar verklaringen van nontake up. In België leeft ongeveer 5% in een situatie van onderbescherming of non-take up. Dit betekent dat deze mensen geen beroep doen op de financiële steun (of hulp) waarop ze recht hebben (Steenssen et al., 2007). Verklaringen over non-take up vertrekken vaak van het beeld van de mens als rationeel denkend. Elke individu maakt een rationele afweging tussen de directe en indirecte kosten van een aanvraag en de mogelijke meerwaarde van de financiële steun of hulp. Kosten betreffen zowel objectieve hinderpalen als subjectieve


structureel - functionalisme

315

De tweede dimensie gaat over het verschil tussen doelen en middelen. Activiteiten van het systeem, gericht op het realiseren van doelen, vallen onder het doelaspect, terwijl activiteiten die gericht zijn op het gebruik van middelen als instrumenteel kunnen worden bestempeld. Deze opdeling geeft ons het volgende schema: Schema: het AGIL-schema van Parsons middelen

doeleinden

extern

adaptatie

doelverwerving

intern

patroonhandhaving

integratie

De vier functionele vereisten van een systeem zijn: •• Adaptation (A) of aanpassing: de adaptatie of aanpassingsfunctie wordt gezien als de functie van het sociale systeem die instaat voor de aanpassing aan de fysieke omgeving en het verwerven van de noodzakelijke middelen om te overleven. Hiermee regelt het sociale systeem de relatie met de fysieke omgeving, ofwel door aanpassing aan de omgeving, ofwel door modificatie van de omgeving. Dat sluit aan bij de essentiële basisfunctie van elk systeem, met name een uitwisseling van energie, materie en/of informatie van het systeem met zijn omgeving met het oog op een succesvolle aanpassing en overleving in die omgeving. •• Goal-attainment (G) of doelverwerving: deze functie zorgt voor een strategische aanpassing van het systeem aan zijn omgeving. Om succesvol te kunnen zijn, moet het systeem zich doelen stellen en doelgericht werken. Het formuleren van doeleinden, het bepalen van een strategie en het uiteindelijk uitvoeren van een strategie passen in een sociaal systeem dat in staat is te leren uit zijn omgeving en op een doelgerichte manier de nodige middelen te verwerven uit zijn omgeving. •• Integration (I) of integratie: opdat het systeem succesvol zou zijn, moeten de onderlinge elementen worden gecoördineerd en moeten ze zich onderling afstemmen op elkaars werking. Door interne differentiatie ontstaan subsystemen die elk een functie vervullen. Het is duidelijk dat er een intern systeem moet bestaan dat zorgt voor de nodige samenhang, coördinatie van de onderlinge subsystemen en verbondenheid. Dit gebeurt door het integratief systeem, dat door communicatie en controle ervoor kan zorgen dat het systeem een eenheid en harmonisatie vertoont.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789038225746 by Uitgeverij Lannoo - Issuu