hese.vossenlucht.book Page 1 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Vossenlucht Over Reynaertpersonages en hun fictionele aanverwanten
hese.vossenlucht.book Page 3 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Vossenlucht ~~~~~~~~~~~~~~~~~
Over Reynaertpersonages en hun fictionele aanverwanten YVAN DE MAESSCHALCK
hese.vossenlucht.book Page 4 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Š Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent T. (+32) (0)9 233 80 88 info@academiapress.be www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
Yvan de Maesschalck Vossenlucht – Over Reynaertpersonages en hun fictionele aanverwanten Gent, Academia Press, 2016, vi + 365 pp.
Coverontwerp: Studio Eyal & Myrthe Omslagillustratie: Lies van Gasse
ISBN 978 90 382 2557 9 D/2016/4804/049 NUR 622
Opmaak: punctilio.be
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgeverij.
hese.vossenlucht.book Page 5 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
reynaert de ziel van deze ets losgebrand uit het niets der tijden, de valse stem van gele ogen, een geur van hese vossenlucht: het najaar legert als een zacht verraad in de wingerd van de zomer, de vos verbroedert met de nacht: geen lichaam meer, alleen onhoorbaar de hete lokroep van zijn vacht (anoniem, 1992)
hese.vossenlucht.book Page 6 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Voor Bea, Bart en Koen
hese.vossenlucht.book Page i Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Inhoud Bij wijze van inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
iii
Intro . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
1
Lof der hondsheid. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Willem en Elsschot: een koninklijk meervoud
3
Deel 1.
Reynaertpersonages en hun aanverwanten . . . . . . . . . . . .
21
Het vel van de beer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een overweging
23
Homo homini lupus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Over de wolf in de moderne letterkunde
41
‘Dit rijk van pegels sneeuw waar naalden prikken’ . . . . . . . . . . . . . . . Over Boze wolven van Erik Spinoy
63
Kanttekeningen bij enkele naoorlogse gedichten. . . . . . . . . . . . . . . . . . Een kattebelletje
73
Omtrent De Leeuw van Vlaenderen en andere leeuwen. . . . . . . . . . . . . .
85
‘De schoonheid van dit drieste dansen’. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Hazenvreugd en hazenleed in enkele naoorlogse gedichten
103
Deel 2.
Over de picareske strapatsen van Vatanen in Haas van Arto Paasilinna . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
127
De omweg naar Saramago. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Over de hond van de tranen
141
i
hese.vossenlucht.book Page ii Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
I NHOUD
Charles Darwin voorbij? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Over de mensaap als homo sapiens in enkele moderne verhalen
165
Deel 3.
Vossensporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
189
Reynaerts proteĂŻsche gestalte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Kanttekeningen bij Reinaerts streken van Jozef Janssens en
191
Rik van Daele Over De gedrukte Nederlandse Reynaerttraditie van Hans Rijns . . . . . . . Een beschouwing
203
Liefde in tijden van de vos. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Over de plaats van The Fox in het oeuvre van D.H. Lawrence
211
De vos is een mens is een vos . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Over Ten zuiden van de rivier van Blake Morrison
233
Over Het leugenverhaal van Corine Kisling en Paul Verhuyck . . . . . . . Een associatieve lezing
251
Over de vossenfiguur in De reis naar Inframundo van Peter Holvoet-Hanssen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
269
Vossensporen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Herinneringen aan de dingen die niet overgaan
275
Deel 4.
Coda . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
287
Reynaert of de dodelijk liefste anarchist in het beestenbos . . . . . . . . . Een column
289
Noten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
297
Namenregister . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
355
Verantwoording . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
365
ii
hese.vossenlucht.book Page iii Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Bij wijze van inleiding Er wordt graag beweerd dat de middeleeuwse Reynaertverhalen, die ons vooral in het Middelnederlands, Latijn en Oudfrans zijn overgeleverd, tot op heden een Europese uitstraling genieten.1 Dat lijkt op het eerste gezicht ook te kloppen, alleen al op basis van de talloze bewerkingen, vertalingen en dramatiseringen die in de loop der tijden de faam van Reynaert/Renard, Isegrim/Isengrin en co hebben hoog gehouden.2 Bij die gunstige receptie hebben de Middelnederlandse Reynaertverhalen – Van den vos Reynaerde (Reynaert I) en Reynaerts historie (Reynaert II) – trouwens een prominente rol gespeeld. Dat is de blijvende verdienste van vele bewonderaars, hertalers en editeurs, onder meer van William Caxton, Johann Wolfgang von Goethe, Jakob Grimm en Jan Frans Willems, om er maar een paar te noemen. Bovendien is ook in de twintigste en vroege eenentwintigste eeuw de aandacht van de filoloog en geïnteresseerde lezer voor deze teksten ongemeen groot gebleven.3 Er kan niet aan worden getwijfeld dat de dubieuze broederschap tussen Reynaert en Isegrim een vast onderdeel vormt van het literaire werelderfgoed en deel uitmaakt van het collectieve geheugen. Ik mag er dan ook van uitgaan dat de lezer van dit boek voldoende vertrouwd is met de belangrijkste gebeurtenissen die zich in de Middelnederlandse Reynaertverhalen voordoen.4 Toch dringt de vraag zich op of men in de contemporaine Europese literatuur even regelmatig/vaak verwijzingen naar de Reynaert kan terugvinden als men redelijkerwijs mag veronderstellen. In de Zuid- en Noord-Nederlandse literatuur zijn de sporen vrij makkelijk traceerbaar, zoals blijkt uit het werk van Willem Elsschot, Louis Paul Boon, Peter Holvoet-Hanssen, Emma Crebolder, Pol Hoste, Geert Colpaert, Paul Verhuyck en Corine Kisling.5 Maar geldt dat ook voor de Franse, Duitse en Engelse – en eventueel anderstalige – literaturen die het Nederlandse taalgebied omgeven? Ik zou er bevestigend op willen kunnen antwoorden, maar wil meteen ook wijzen op de nood aan
iii
hese.vossenlucht.book Page iv Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
B IJ
WIJZE VAN INLEIDING
nader onderzoek. De soms half-uitgewiste sporen duiken immers op de meest onverwachte plekken op. Zo heb ik veeleer toevallig een paar nevenpersonages aangetroffen die zonder twijfel mee geïnspireerd zijn door de Reynaertverhalen, met name ‘Fräulein Fuchs’ en ‘Fräulein Wolf’ in Sebastian Faulks’ lijvige roman Human Traces (2005). De hoofdpersonages zijn de Engelse arts Thomas Midwinter en zijn Franse zielsverwant Jacques Rebière, die in het Oostenrijkse Karinthië een klooster verbouwen tot een sanatorium voor mentaal gestoorden. Wanneer Pierre Valade, een voormalige patiënt, naar de instelling terugkomt, ontmoet hij beide dames. ‘At dinner that night, he placed himself at the only place, which was at a table with two neurasthenic young women, Fräulein Fuchs and Fräulein Wolf, and an elderly German lawyer. […] The two girls laughed uncertainly. They were known to Thomas as Miss Fox and Miss Wolf, and he had taken some pleasure in arranging for them to share a table, regretting only the departure – though not the cure – of Miss Hare, Fräulein Haas, the previous month’.6 Wellicht is het optreden van de dames weinig meer dan een vermakelijk intermezzo, waarbij tongue in cheek naar archetypische figuren verwezen wordt, maar het lijkt me bij lectuur van bovenstaande regels moeilijk niet spontaan aan de Reynaert te denken. Als de verteller even ernstig wordt genomen, bevindt de lezer zich onverwacht in het gezelschap van een nog ongetrouwde Hermeline en Hersinde. Ze hebben hun latere (v)echtgenoten wellicht nog niet ontmoet en hebben alsnog geen reden elkaars gezelschap te mijden. De verwijzing naar jonkvrouw Haas roept uiteraard de herinnering op aan de onfortuinlijke Cuwaert, met wiens toekomstige eega beide dames zich blijkbaar nog uitstekend verstaan. Behalve rechtstreekse of ironische verwijzingen naar de matière renardienne vormen vooral de dierenpersonages zelf een vruchtbaar uitgangspunt om de overlevingskracht ervan af te toetsen. Zo heb ik me afgevraagd welke soort- of naamgenoten de Reynaertpersonages de hand zouden reiken, mochten ze hun literaire biotoop kunnen verlaten en ‘escape from the confines of [their] History’, zoals Kenneth Varty op zijn manier in een andere context heeft voorgedaan.7 Ik ben op zoek gegaan naar verwante dieren in de binnen- en buitenlandse letteren, in oudere en jongere teksten, in proza en poëzie. Expliciet – en soms ook impliciet – wordt een Europese ruimte doorkruist waarvan de diagonalen lopen van Portugal (José Saramago) tot Finland (Arto Paasilinna) en iv
hese.vossenlucht.book Page v Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
B IJ
WIJZE VAN INLEIDING
van Groot-Brittannië (D.H. Lawrence, Blake Morrison) tot Turkije (Orhan Pamuk). Op het virtuele snijpunt van beide lijnen, of toch ongeveer, bevinden zich de Reynaert en talloze bewerkingen ervan. Of de hier gepresenteerde verzameling representatief is, laat ik graag in het midden. In dit boek komen, behalve de vos, die uiteraard meer dan één gastoptreden wordt gegund, de beer, de wolf, de kat, de leeuw, de haas, de hond en de aap nadrukkelijk in beeld en soms ook aan het woord. Willem zelf, wiens met zekerheid geattesteeerde biografie zich tot zijn voornaam beperkt en in dat opzicht even schimmig of onnaspeurbaar is als zijn dierlijke geesteskinderen, mag de spits afbijten.8 Wat heeft de oude Vlaamse Willem voor zijn veel jongere Antwerpse naamgenoot Willem (Elsschot) betekend? Wat hebben zij, bij alle verschillen, met elkaar gemeen? Op deze en andere vragen ga ik in het eerste hoofdstuk nader in. Voorts waag ik een poging alle voormelde dieren als volwaardige fictionele personages recht te doen. Dat ze niet allemaal op evenveel merites mogen bogen of even populair zijn, is een onweerlegbaar feit. Soms heb ik daarbij het perspectief versmald tot het optreden van één welbepaald dier in het oeuvre van één auteur of één verhaal. Dat leidt onvermijdelijk tot overdreven aandacht voor slechts één exemplaar en tot totale verwaarlozing van alle soortgenoten. Een kwestie van winst en verlies dus, al valt daar hopelijk mee te leven. Alle hier geschetste profielen worden overigens begrensd door de even toevallige als onoverkomelijke beperkingen van mijn eigen leeservaring; ze zijn daarom op elk moment voor verfijning en aanvulling vatbaar. Ze zijn stuk voor stuk los van elkaar tot stand gekomen in de loop van de voorbije twintig jaar en vallen ook te lezen als op zich staande beschouwingen. Een en ander neemt niet weg dat de gemeenschappelijke inspiratiebron – de Reynaertverhalen – ze de facto met elkaar verbindt en dat ze via allerlei kruisverbanden naar elkaar knipogen. De romans, verhalen en gedichten waaraan ik refereer worden zoveel mogelijk naar de oorspronkelijke of vreemdtalige versie geciteerd, al is dat een paar keer niet het geval, bijvoorbeeld omdat ik het origineel niet onmiddellijk bij de hand had, zoals in het beren- en wolvenhoofdstuk, of omdat ik de brontaal niet beheers, zoals in het aan José Saramago gewijde essay. Op de negen opstellen die het tweede deel uitmaken van het boek volgt een derde deel waarin zeven beschouwingen zijn opgenomen die nader ingaan op de veelkantige figuur van de vos zoals die wordt gepresenteerd in een aantal v
hese.vossenlucht.book Page vi Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
B IJ
WIJZE VAN INLEIDING
moderne teksten of tekstedities. De eerste twee beschouwingen betreffen studies die in de dialoog over de Nachlebung van de Reynaertverhalen een bijzondere plaats innemen en het debat over de beeldvorming van de vossenfiguur mee hebben gekleurd. De daaropvolgende vier bijdragen bespreken zuiver fictionele of poëtische publicaties met een opmerkelijk vossengehalte. Er wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan in deze context relevant werk van D.H. Lawrence, Blake Morrison, Paul Verhuyck, Corine Kisling en Peter Holvoet-Hanssen. Het derde deel besluit met een stuk waarin heel diverse vossensporen worden nagespeurd. Het vierde en afsluitende deel bestaat uit welgeteld één tekst waarin de vos zelf het laatste woord krijgt en ik voor de gelegenheid probeer in te zetten op de humane of empathische – en voor één keer niet de demonische – kant van zijn fictionele persoonlijkheid. Hoewel deze verkenning allesbehalve volledigheid beoogt en hopelijk veel openingen laat om andere auteurs en teksten in het geding te brengen, rondt een uitvoerig register het geheel af. Daarin zijn alle namen van vaak geciteerde schrijvers en onderzoekers opgenomen. Op een enkele uitzondering na zijn de opstellen voorzien van eindnoten die verwijzen naar auteurs en bijdragen die me in menig opzicht geholpen hebben bij het schrijven ervan. Dat heeft trouwens ook een aantal vrienden en goede bekenden gedaan. Ik zou mijn hartelijke dank willen uitspreken aan mijn vrouw Bea Verhassel, aan Rik van Daele en Willy Devreese voor hun kritisch en deskundig commentaar bij een eerdere versie, aan Reynaertkompanen Marcel Ryssen, Willy Feliers, Peter Everaers, Hilde Reyniers, Hans Rijns, Mark Nieuwenhuis, Paul Wackers en René Broens. Een bijzonder woord van erkentelijkheid gaat uit naar mijn buitenlandse vrienden en informanten: Antonella Finucci, Elizabeth Vefald, Toini Rauhamaki, William Blundell, Andrew Storey, Gordon Oddy, Anja van Leusden en vooral Marc Alliët. Zonder zijn logistieke en morele steun was het stuk over de vossengestalte bij D.H. Lawrence in deze vorm nooit tot stand gekomen. Ik dank ook uitgever Peter Laroy en redacteur Pieter Borghart van Academia Press voor hun vertrouwen en de prettige, vlotte samenwerking en ten slotte de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen voor de financiële steun.
vi
hese.vossenlucht.book Page 1 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
D EEL 1
Intro ~~~~~~~~~~~~~~~~~
hese.vossenlucht.book Page 3 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
Lof der hondsheid Willem en Elsschot: een koninklijk meervoud Het is bekend dat Willem Elsschot (1882-1960) niet zelden strenge criteria hanteerde wanneer hem werd gevraagd te oordelen over (jonge) debutanten.1 Zo waren zijn lovende woorden doorslaggevend bij de toekenning van de Leo J. Krijnprijs aan beginnend schrijver L.P. Boon voor De voorstad groeit (1942) en sprak hij zich ongeveer tien jaar later even opvallend negatief uit over Claus’ debuut De Metsiers (1950), waarvan hij de lectuur in een aan Angèle Manteau gerichte brief een bewijs van ‘zelfopoffering’ noemde.2 Bekend is ook dat Elsschot, die zichzelf een onverbiddelijke discipline oplegde, van andere schrijvers een even hoogstaande literaire ascese verwachtte, vooral als het erom ging kopij te beoordelen of te figureren in een of andere jury. Het verbaast dan ook niet dat hij, wanneer hij zijn kritische blik liet waren over oude (Vlaamse) teksten, alleen met het beste deel ervan genoegen nam. Kieskeurig lezer als hij was, savoureerde hij zorgvuldig.3 Alweer verbaast het nauwelijks dat precies het kroonjuweel van de Middelnederlandse epiek steeds weer zijn onverdeelde aandacht kon opeisen. Elsschot was immers een hartstochtelijk bewonderaar van Van den vos Reynaerde, ‘waarvan hij fragmenten van buiten kende en soms reciteerde’.4 Dat de Reynaert hem na aan het hart lag, blijkt ook uit de keuze van Alfons de Ridders nom de plume: Willem is volgens dochter Ida de Ridder een rechtstreekse verwijzing naar Willem die madocke maecte.5 Meteen is een eerste raakpunt tussen beide literaire fenomenen aangestipt: Elsschot als bevlogen Reynaertlezer. Dat lijkt weinig opzienbarend, maar wie de Brieven-editie van Vic van de Reijt ter hand neemt, merkt dat Elsschot in méér geïnteresseerd is dan het verhaal zelf of de fratsen van de legendarische vos. Hij wil kennis nemen van wat hij – enigszins voortvarend – meer dan
3
hese.vossenlucht.book Page 4 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
D EEL 1. I NTRO
eens de ‘oorspronkelijke’ tekst noemt. Vandaar zijn oprechte waardering voor het filologische slijpwerk van J.W. Muller, die in 1939 een aangevulde versie van zijn kritische Reynaertuitgave liet verschijnen. Elsschot voelt zich overigens zozeer met de tekst van het epos vertrouwd dat hij het waagt professor Muller ongevraagd van advies te dienen.6 In een brief van 7 december 1939 levert hij onder meer commentaar bij Mullers poging om ‘eere ontmakighe [sic] van lanternen’ in v. 800 te verklaren als een ‘oplapster/herstelster van lanternen’.7 Elsschot ziet in het bizarre ‘lanternen’ een verschrijving voor latrines omdat lanternen hem al te anachronistisch in de oren klinkt. Terloops mag worden opgemerkt dat sommige hedendaagse hertalers Elsschot bewust of onbewust zijn gevolgd. Arjaan van Nimwegen heeft het over iemand ‘die pleeën schrobde voor haar brood’ en voor Ard Posthuma ‘hield [zij] de latrines schoon’. Ook in verband met ‘putepeel’ en ‘vuulmaerte’ suggereert Elsschot een alternatieve, even ‘Vlaamse’ als scabreuze verklaring, iets waar hij blijkens andere bronnen bepaald talent voor had.8 Muller heeft op Elsschots brief evenwel niet geantwoord. Dat Elsschot desondanks hardnekkig vasthoudt aan zijn minimale tekstkritiek én gehecht blijft aan de Mullereditie blijkt jaren later uit een aan Jan Villerius gerichte dankbrief van 7 oktober 1958, naar aanleiding van twee hem toegestuurde Reynaertedities, met name die van Tinbergen-Van Dis en van J.F.Willems-Hellinga. Hij komt daarin terug op de betekenis van ‘outmakkighe’ (dat hij nu correct overneemt) en voegt eraan toe niet te begrijpen wat Tinbergen aan de Mullertekst zou kunnen veranderen. Elsschot schrijft: ‘De tekst door Dr. Tinbergen zal wel dezelfde zijn want ik zie niet goed in wat hij er zou kunnen en durven aan wijzigen’.9 Met andere woorden, Elsschot beschouwt de Mullereditie als de definitieve, en voor zijn part, oorspronkelijke versie van de Reynaert. Elsschots exemplaar heeft overigens goede diensten bewezen aan de verspreiding en literaire naleving van het Reynaertverhaal. Niemand minder dan L.P. Boon heeft Elsschots boek verscheidene jaren in bruikleen gehad. Uit de in 1989 gepubliceerde, ook in de Brieven opgenomen briefwisseling tussen beide schrijvers valt af te leiden dat Boon de Mullereditie kort na 12 december 1946 in zijn bezit moet hebben gekregen. Hij schrijft immers: ‘Wat het boek van Pr. Muller betreft, gij kunt mij geen groter plezier doen dan met het mij een paar maanden in bruikleen te geven. Ik verwacht het, zo spoedig mogelijk’.10 Betekenisvol is ook de volgende zin waarin Boon zijn hoop uitspreekt 4
hese.vossenlucht.book Page 5 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
L OF
DER HONDSHEID
op Elsschots expertise te kunnen rekenen. Er staat letterlijk: ‘Reinaert waarvan ik weet op u te mogen rekenen als er in de tekst een of ander is dat mij ontsnappen zou’. Boon beseft dat Elsschot een Reynaertlezer is van ongewone snit. Hoe lang Elsschot zijn boek heeft uitgeleend, blijkt uit Boons brief van december 1952. Hij vraagt Elsschot ‘nog acht dagen medelijden’ met hem te hebben. Het is niet onwaarschijnlijk dat Boon, die terwille van Wapenbroeders en De Kapellekensbaan een Reynaertlezer sui generis was geworden, Muller in extremis heeft gebruikt om ‘zijn reeds bestaande De Kapellekensbaan-tekst achteraf’ te ‘amenderen’.11 Het lijkt ook redelijk te veronderstellen dat Elsschot de Reynaert meer en intensiever zou hebben herlezen als Boon hem niet jaren lang – zeker tot eind 1952 – op zijn schrijftafel had laten liggen. De vraag waarom Elsschot ongeveer zes jaar geduld heeft gehad vooraleer zijn Mullereditie terug te vragen, is uiteraard onbeantwoordbaar. Maar dat de teruggave in 1952 valt, heeft misschien wel een externe oorzaak. Op zondag 11 mei 1952 heeft namelijk in Antwerpen een luisterrijke Elsschotviering plaats naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag. Bij die gelegenheid brengen verscheidene sprekers hulde aan de schrijver en zijn oeuvre. Onder hen Albert Westerlinck, toonaangevend criticus en een persoonlijke vriend, Frans Smits, zijn achterneef en eerste ‘officiële’ biograaf, Raymond Herreman, voormalig redacteur van ’t Fonteintje en Forum, en Martinus Nijhoff, alomgeprezen dichter en onvervalst Elsschottiaan. Vooral laatstgenoemde spreekt een opmerkelijke laudatio uit, waarin hij Elsschots wereldbeeld vergelijkt met Reynaerts inborst. Nijhoff stelt onomwonden dat ‘in het wezen en het werk van Willem Elsschot […] een hedendaagse echo van de ongeëvenaarde en onsterfelijke Reinaard’ hoorbaar is.12 Nijhoff staat met die opvatting niet alleen. In een brief van L.P. Boon, d.d. 12 mei 1952, en een uitvoerig stuk van Jan Greshoff, d.d. 6 december 1952, wordt Elsschots schrijverschap nogmaals gerelateerd aan de eigen aard van de befaamde vos. In zijn brief waarschuwt Boon Elsschot voor pluimstrijkerij, eraan toevoegend: ‘Gij kent de mensen. Niemand beter dan gij, vos Reinaerde, die de mensen kent’.13 Bovendien worden in het najaar van 1952 de eerder uitgesproken feestreden gepubliceerd bij Van Kampen, Elsschots toenmalige en ook latere uitgever. Al die referenties aan het geesteskind van Willam/Willem die madocke/vele bouke makede/maecte wettigen de hypothese dat Elsschot behoefte voelde aan een hernieuwde Reynaertlectuur en dus zijn Mullereditie terug in handen wou krijgen. Wellicht niet om zich te herbron5
hese.vossenlucht.book Page 6 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
D EEL 1. I NTRO
nen, want de schrijver hield de schrijverij naar eigen zeggen voor bekeken. Maar misschien wel om de juistheid van een en ander na te gaan. Ook in het overzichtsartikel dat Albert Westerlinck in de jaren zestig publiceerde, wordt herinnerd aan Nijhoffs lofrede en aan de toentertijd door hem gemaakte parallel tussen Cervantes’ tweetal Don Quichote-Sancho Panza en Elsschots Boorman-Laarmanscombinatie. Westerlinck tracht bovendien de zo evident geachte Reynaertcomponent in Elsschots oeuvre nader te omschrijven. Bij zijn typering bedient hij zich van omschrijvingen als ‘cynische kijk’, ‘illusieloze kijk op de mens’, ‘amoralisme’, ‘onverzettelijke zelfstandigheidsen vrijheidszin’ en heeft hij het over ‘kentrekken die aan onze beroemde vos herinneren’. In zijn analyse komt Westerlinck onvermijdelijk bij Boorman terecht. Hij omschrijft hem als ‘de intelligente Reynaert die zich tot de tanden wapent om de wereld te attaqueren, cynisch in de agressie en sluw wanneer hij zich veilig stelt’.14 Terwijl Nijhoff het aspect van de spoorloze, in list en camouflage doorknede vos beklemtoont, vindt Westerlinck in Elsschots werk een hang terug naar deregulering, verzet, vrijbuiterij. Motieven die hij, door ze in één adem te noemen, niet negatief lijkt te connoteren en die daarenboven aardig rijmen met de tijdgeest van de jaren zestig. Westerlinck ziet met andere woorden in Elsschot een soort Reynaert die het culturele en sociale klimaat van het decennium hem als het ware voorschrijft te zien. Hiermee bevestigt Westerlinck het door Rik van Daele uitgewerkte concept dat elke periode haar eigen Reynaertbeeld (on)bewust construeert.15 Westerlincks visie is erg tekenend voor een welbepaald vossenbeeld waarvan de auteur veronderstelt dat het overeenstemt met dat van de gemiddelde lezer. Westerlinck hanteert begrippen als amoralisme, cynisme en ironie en acht die even toepasbaar op Elsschots werk als op de Reynaert. Hij gaat daarbij ongewild even onzorgvuldig te werk als Jan Greshoff, die in zijn Elsschotstudie evenmin onderscheid maakt tussen cynisme en ‘ironische scherpzinnigheid’.16 Het laat zich aanzien dat het epitheton ‘cynisch’ veel te gratuit en onnadenkend wordt gehanteerd. Alleen al de vaststelling dat een aantal recensenten en commentatoren het begrip cynisme probleemloos van toepassing acht op Elsschots werk, terwijl een bijna even groot aantal datzelfde begrip afwijst, vraagt om verder onderzoek. Auteurs die Elsschots werk niet cynisch achten zijn er overigens genoeg. Naar aanleiding van de verschijning van Kaas (1933) plaatst Menno ter Braak in Het Vaderland op 3 december 1933 een stuk waarin hij nader ingaat op ‘de 6
hese.vossenlucht.book Page 7 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
L OF
DER HONDSHEID
persoonlijkheid van Willem Elsschot’. Hij wijst het verband met cynisme af en beklemtoont zijn ‘gemakkelijk te ontroeren ziel’, zijn observatievermogen en vooral zijn ‘rijkdom van humor’.17 Frans Buyens van zijn kant doet er in zijn vaak herdrukte monografie alles aan om ‘het misverstand aangaande het zogenaamde cynisme van Elsschot’ op te helderen.18 En in zijn uitvoerige beschouwing ‘Reinaert redivivus’, naar aanleiding van de tweede druk van Frans Smits’ biografie en de publicatie van voormelde feestreden, stelt Garmt Stuiveling onomwonden dat Elsschot ‘geen virtuoos van het sarcasme is geworden maar wél: een grootmeester van de ironie’. Het is wél opmerkelijk dat hij, met of in het spoor van Nijhoff, in Elsschot een moderne versie van de oude Reynaert begroet. Dat blijkt niet alleen uit de titel maar ook uit de slotzin: ‘Nijhoff heeft Willem Elsschot, de ongrijpbare, resoluut geplaatst op de enige plek waar hij wézenlijk thuis hoort: naast die andere Vlaamse Willem, de allergrootste, die de ‘Reinaert’ schiep’.19 Het mag intussen duidelijk zijn dat ook in recentere commentaren de teneur van Elsschots werk (meestal) onder de noemer ‘ironie’ wordt geplaatst en niet die van het cynisme.20 In zijn biografische aanzet wijst Jean Surmont op het feit dat die ironie een bepaalde ideologie vorm geeft, maar tegelijk een stilistisch procedé is.21 Hij doet daarbij een beroep op de omschrijving van ironie zoals die door Dina Hellemans is uitgewerkt in haar studie De poëzie van Richard Minne in het licht van de ironie (1975). Zonder het begrip sluitend te omschrijven maakt Hellemans duidelijk dat ironie alles heeft te maken met contrasterende, indirecte, speelse en vaak allegorische of metaforische verwoordingen die afstand (Distanz) scheppen ten opzichte van de beschreven werkelijkheid.22 Wat hier geldt voor Minne lijkt meteen ook van toepassing op Elsschot. Niet toevallig stelt Yves T’Sjoen in zijn opstel over parallellen tussen beiden het volgende: ‘Geen humor noch cynisme, maar ironie – zo ondervertegenwoordigd in de Nederlandse literatuur – werd het handelsmerk van twee auteurs die geen toegevingen aan publiek noch critici wilden doen’.23 Tot de aanstekelijkste voorbeelden van Elsschottiaanse ironie behoren madame Brulots liefde voor haar troetelaapje Chico, inclusief haar bijna onderwerelds misbaar bij de dood van het diertje en, in scherp contrast daarmee, haar hooghartige minachting voor meneer Brulot in Villa des Roses.24 De rechtsgang in Het been is een hilarisch voorbeeld van een juridische mundus inversus waarbij eiser en verweerder elkaars rol overnemen. Misschien is zelfs het hulpvaardig optreden van vader Laarmans in de Antwerpse havenbuurt 7
hese.vossenlucht.book Page 8 Tuesday, February 2, 2016 2:30 PM
D EEL 1. I NTRO
van Het dwaallicht weinig meer dan het gedroomde alibi om eindelijk op erotisch avontuur te trekken, zij het geflankeerd door drie op zijn fatsoen toezicht houdende ‘wijzen uit het Oosten’.25 Het zou hoe dan ook een uitvoerige studie vergen om de ironische strategieën op narratief, stilistisch en ideologisch niveau bij Elsschot in kaart te brengen. Al bij al blijft de vraag voorliggen of wat Minne en Elsschot lijkt te binden met evenveel recht kan worden geprojecteerd op Elsschots werk en Van den vos Reynaerde. In de verhalen van beide Vlamingen worden allerlei ondeugden en morele onwaarden uitgebeeld of ontmaskerd. In de Reynaert wordt het vossenpersonage als onbarmhartig instrument gehanteerd om de verregaande plompheid en het ongebreideld egoïsme van het establishment te gispen. De suggestie is onmiskenbaar dat de gehavende Tibeert, de bedrogen Isegrim, de zwaar toegetakelde Bruun evenmin als het potsierlijke, hebberige vorstenpaar of de in de strot gebeten Cuwaert op enige verzachtende omstandigheden staat kunnen maken. Zij hebben hun ondergang of teloorgang uiteindelijk aan zichzelf te danken. Iets gelijkaardigs gaat op voor de halfzachte, halfgeslaagde burgermannetjes bij Elsschot. Ook zij laten zich bij voorkeur leiden door weinig verheven, kleinmenselijke motieven. Daarom laat weduwe Lauwereijssen zich eindeloos lang lijmen, moet pastoor Kips zijn pastorale naïviteit met de dood bekopen in De verlossing, wordt De Keizer in Een ontgoocheling het slachtoffer van zijn niet ingeloste verwachtingen, die alleen maar met een opzichtige begrafenis kunnen worden toegedekt. Het verschijnsel mens als de onvermijdelijk gedupeerde primeert in het werk van de oude en de nieuwe Willem. Laatstgenoemde laat de aangeboren zwakheid van menig personage bij uitstek blijken in de romans waarin Boorman op het appel verschijnt. Boormans optreden onderstreept dat de mens niet alleen te bedriegen valt, maar ook graag bedrogen wordt (mundus vult decipi), omdat hij nu eenmaal gevoelig is voor eigendunk, protserigheid en praal. Als Boorman in het ziekenhuis verblijft te midden van zachtzinnige geestesgestoorden, houdt hij voor Laarmans een rede die voor zijn geestelijk testament kan doorgaan: ‘Krijgt men niet voortdurend veel eigenaardiger dingen te zien? Heren van gezag behangen met decoraties, prelaten knikkend onder mijters en brocaat, somber achter de eerste de beste lijkkoets aanstappend als braken zij van smart en zich plechtiger bewegend dan bij ’t zinken van hun eigen moeder, vooral wanneer die in haar jeugd een café gehouden heeft?’26 Veelbetekenend in dit verband is de houding van Laarmans, die de 8