Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina III
Historici en hun mĂŠtier Een inleiding tot de historische kritiek Marc Boone
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina IV
©
Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent Tel. 09/233 80 88 Info@academiapress.be
Fax 09/233 14 09 www.academiapress.be
Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
Opmaak en cover: Le Pur et l’Impur bvba Fotomateriaal: Bega Image Omslagillustratie: 'Clio overwint chronos' of de geschiedenis die de daden van koning Lodewijk XIV van Frankrijk opschrijft' (terracotta model door Domenico Guidi 1677/79 voor een marmeren beeld bestemd voor de tuin van het kasteel van Versailles). Hamburg, Museum für Kunst und Gewerbe. Marc Boone Historici en hun métier Een inleiding tot de historische kritiek Gent, Academia Press, 2015, XXII + 372 p. (vierde gereviseerde uitgave, 2015) ISBN 978 90 382 2528 9 D/2015/4804/153 NUR1 680 U 2393 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft geprobeerd alle rechthebbende op de illustraties te contacteren. Personen die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad, gelieve contact op te nemen via bovenvermeld adres.
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina V
Inhoudstafel
Woord vooraf
XIII
Deel I De bron, bouwstof voor de kennis van het verleden
1
1. De notie bron
1
1.1 Bronnen: bewuste creaties?
2
1.2 De vormeigenschappen: geschreven en ongeschreven bronnen
4
1.2.1 Geschreven bronnen
4
1.2.1.1 Verhalende of literaire teksten, tussen ‘Dichtung und Wahrheit’ (J.W. von Goethe) egodocumenten
5
1.2.1.2 Diplomatische teksten
9
1.2.1.3 Bronnen van de sociale boekhouding
10
1.2.2 Ongeschreven bronnen
10
1.2.2.1 Materiële voorwerpen
10
1.2.2.2 Orale tradities
11
2. Onderscheid tussen bron en historisch werk
12
3. Van gesproken naar geschreven woord en terug? Evolutie van de bronnentypes en hun complementariteit
14
3.1 Schrift en alfabet
14
3.2 De drukpers: schaalvergroting en uitdieping
16
3.3 Woord en beeld
20
3.4 Mondelinge bronnen: orale overlevering, orale geschiedenis
23
4. Impact van communicatie- en informatie-technologie op de productie van bronnen 27 4.1 Snelheid en kwaliteit van de overdracht
27
4.1.1 Eerste fase: te voet, vóór het gebruik van het paard
27
4.1.2 Tweede fase: gebruik van het paard
28
4.1.3 Derde fase: mechanische media
28
4.2 Functies van de communicatiemedia
29
V
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina VI
INHOUDSTAFEL 4.3 Impact van de communicatie in de huidige samenleving
35
4.3.1 De wereld van de communicatie: a global village?
35
4.3.2 De impact van de communicatiemedia: naar een collectief geheugen en de verleiding van de manipulatie
36
4.4 Kortsluitingen in de informatiestroom 5. Stockeren en produceren van informatie
40 42
5.1 Waarom bronnen bewaren?
42
5.2 Waarom gingen zovele bronnen verloren?
44
5.3 Toename van het bronnenbestand
47
5.4 Consulteerbaarheid van de bronnen
48
5.5 Waar worden bronnen bewaard? Het archief als zingevende instelling
50
5.6 De bewaarplaats van de archivalia is niet onschuldig
54
5.7 Het drukken van historische bronnen
56
Bibliografie
60
Deel II Technische analyse van de bron
65
1. De vele vormen van vervalsing
67
1.1 Totaal onbetwiste bronnen
67
1.2 Intellectueel falsum
67
1.3 Materieel falsum
67
1.4 Pastiche
69
1.5 Kopie
71
2. Het ontmaskeren van de falsaris
74
3. Clio’s laboratorium
79
3.1 Paleografie
79
3.2 Diplomatiek
81
3.3 Archeologie: ontrouwe minnares van Clio?
82
3.3.1 Geschiedenis van de archeologie: van antiquarische interesse tot wetenschap 82 3.3.2 De archeoloog aan het werk (I): prospectie
86
3.3.3 De archeoloog aan het werk (II): opgraving van de sites en interpretatie van vondsten en bevindingen
89
3.3.4 Datering van de gegevens
90
3.4 Statistiek
VI
93
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina VII
3.4.1 Doel
93
3.4.2 Methode
94
3.4.3 Cliometrie van de New-Economic History
99
3.5 Andere hulpwetenschappen en technieken 4. Kritische diagnose van de individuele bron 4.1 Herstellingskritiek of tekstkritiek
100 102 104
4.1.1 Diverse vormen van de teksttraditie
104
4.1.2 Techniek van de herstellingskritiek
105
4.1.3 Kritiek op de methode-Lachmann
109
4.1.4 Correctie en haar grenzen en toekomst
112
4.1.5 Kritisch apparaat
113
4.2 Oorsprongskritiek
113
4.3 Ontleningskritiek of oorspronkelijkheidskritiek
115
4.4 Interpretatiekritiek
117
4.5 Gezagskritiek
119
4.6 Bevoegdheidskritiek
121
4.6.1 Nauwkeurigheid van de waarneming
121
4.6.2 Begrijpen van de feiten
122
4.6.3 Glaubensunwilligkeit
125
4.6.4 Bewustzijnsgraad
125
4.7 Rechtzinnigheidskritiek
125
4.7.1 Feiten verdraaien of verzwijgen
125
4.7.2 Opzettelijke en onopzettelijke getuigenissen
126
4.7.3 Ontmaskering van de verdraaiing
126
Bibliografie
128
Deel III De historische bewijsvoering: van klassiek historisme naar interdisciplinariteit
133
1. Kritische juxtapositie van de bronnen
135
1.1 Confrontatie van de getuigenissen: relativiteit van de formele regels, de casus Watergate
135
1.1.1 Mythe van de unanimiteit
139
1.1.2 De meerderheid krijgt ongelijk; woord tegen woord: een onoplosbare patstelling?
140
1.1.3 Hard bewijs
141
VII
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina VIII
INHOUDSTAFEL 1.2 Redeneringen in het positieve
142
1.2.1 Analogische inductie
142
1.2.2 Redenering met hypothesen
143
1.2.3 Falsificatietechniek
144
1.2.4 Waarschijnlijkheidsredenering
146
1.2.5 Tegenfeitelijke redering (counterfactual reasoning)
146
1.3 Redeneringen in het negatieve: het zwijgen van de bron
147
2. De feiten: bouwstoffen voor de historicus
149
2.1 Zijn feiten eenmalig of recurrent?
149
2.2 Grote en banale feiten en hun kenbaarheid
150
2.3 Harde feiten en opinies
156
2.3.1 Van mentaliteitsgeschiedenis naar geschiedenis van de representatie
156
2.3.2 Opinies, geruchten en legenden
160
2.3.3 De afstand in de tijd tussen historicus en feiten: het spagaat van de eigentijdse geschiedenis
164
3. Het decoderen van de motivaties van de historische acteurs
170
3.1 Ideologie, godsdienst, klerikalisme, antiklerikalisme
170
3.2 Sociaal-economische situatie
175
3.3 Rassen en racisme
176
3.4 Ecologie en biologie
178
3.5 Wetenschap en techniek
183
3.6 Macht
185
4. Van verhaal naar structuur en terug naar het verhaal: de geschiedenis op de golven van de interdisciplinariteit 4.1 De sociale wetenschappen: de invloed van de grote theorieën
188 190
4.1.1 De grote theorieën: Marx, Weber en Durkheim
191
4.1.2 Methodologische vernieuwing
198
4.2 De interdisciplinariteit aan het werk: een historiografische wandeling I
211
4.2.1 De Annales en de ‘nieuwe sociale geschiedenis’
212
4.2.2 ‘Nieuw links’ en ‘new history’
222
4.2.3 Micro-storia, nieuwe cultuurgeschiedenis en narrativisme
226
4.3 De ‘linguistic turn’: taal, tekst en tekens of de geschiedenis en de verlokkingen van het postmoderne denken
230
VIII
4.3.1 Belang van linguïstiek, semantiek en semiotiek
230
4.3.2 Traditie en vernieuwing in de filologische methodes
231
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina IX
4.3.3 Belang van de semantiek
232
4.3.4 Belang van de semiotiek
235
4.3.5 Belang van de hermeneutiek: beschrijven of speuren naar wetmatigheden?
238
4.3.6 Structuralisme, poststructuralisme en postmodernisme: aandacht voor het discours
242
4.3.7 Het kritisch realisme als uitweg?
247
Bibliografie
251
Deel IV De historische synthese of het specifieke van historische kennis 263 1. De factor tijd: verandering en continuïteit. Een historiografische wandeling II 1.1 Teleologie of theologie: rechte-lijn-theorieën Geschiedenis en Filosofie als tweelingen
265 265
1.2 De nationale geschiedschrijving: verwetenschappelijkt geloof in de rechte lijn? Van de natiestaat naar de ‘lieux de mémoire’ 267 1.3 Lineair denken en indelingen van de geschiedenis: de omstreden evidentie van de historische periode
275
1.4 Cyclus-theorieën
277
1.5 ‘L’histoire immobile’: geschiedenis zonder verandering
282
2. Oorzakelijkheid
285
2.1 De ondraaglijke onzekerheid van de ongrijpbare oorzaak
285
2.2 De zoektocht naar oorzaken van verandering
288
2.2.1 De oorzaak van de interne dynamiek, het individueel gedrag en publiek optreden 288 2.2.2 De uitleg van het conflictmodel
291
2.2.3 Evolutie of revolutie, het volk of de elite?
292
2.2.4 Generatie als uitleg
295
2.2.5 Individu en de anonieme massa als verklaring: de massa of de ‘sterke man’?
297
3. De geschiedenis: nuttig en nodig?
301
3.1 Manipulatie van het verleden
301
3.1.1 De geschiedenis gemanipuleerd: Clio als prostituee
302
3.1.2 Geschiedenis en engagement: Clio als bevrijdster
306
3.2 De wortels van de West-Europese geschiedschrijving, een historiografische wandeling III
312
IX
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina X
INHOUDSTAFEL 3.2.1 Religie en staat: in den beginne waren de grote verhalen
312
3.2.2 De mens centraal in Renaissance en Verlichting
318
de
ste
3.2.3 De 19 en 20 eeuw: vaktechniek, professionalisering en atomisering 3.3 Objectiviteit: a noble dream?
321 329
3.3.1 Subjectiviteit, bewust of onbewust
330
3.3.2 De historicus als rechter
333
3.3.3 Is objectiviteit dan toch bereikbaar?
335
Bibliografie
337
Registers
345
X
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XI
‘Ecrire et enseigner l’histoire: tel est, depuis tantôt trente-quatre ans, mon métier. Il m’a amené à feuilleter beaucoup de documents d’âges divers, pour y faire, de mon mieux, le tri du vrai et du faux; à beaucoup regarder et observer, aussi. Car, j’ai toujours pensé qu’un historien a pour premier devoir, comme disait mon maître Pirenne, de s’intéresser "à la vie".’ MARC BLOCH, L’étrange défaite, 1940 (eerste editie 1946, hier geciteerd naar de editie M. Bloch, L’histoire, la guerre, la résistance, ed. A. Becker, E. Bloch, Paris, 2006, p. 523)
XI
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XII
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XIII
Woord vooraf
Dit handboek is de vierde, andermaal aangepaste en herwerkte versie van het handboek historische kritiek ‘Historici en hun métier’. Het gaat, zoals de eerste versie terug op het handboek dat gedurende decennia door Walter Prevenier aan de Universiteit Gent werd gebruikt en dat de basis vormde voor zijn onderwijs aan generaties studenten uit vooral de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte en Politieke en Sociale Wetenschappen in de jaren 1967 tot 1999. Vanaf 1992 werd het in boekvorm uitgegeven (uitgeverij Garant, Leuven en Apeldoorn) onder de titel ‘Uit goede bron. Introductie tot de historische kritiek’. Nog in 2000 verscheen de zevende, opnieuw herziene druk bij dezelfde uitgever. Ondertussen hadden zowel ondergetekende, als collega Martha Howell (Columbia University, New York, dr. h.c. van de Universiteit Gent) zich bij de auteur gevoegd. Van deze laatste versie verschenen ook aangepaste versies voor zowel de Engelstalige (Cornell University Press) als Duitstalige markt (Böhlau, Köln-Weimar-Wien). Het boek dat u in handen heeft, is de vierde versie van het vernieuwde handboek ‘historische kritiek’, een eerste versie verscheen door de goede zorgen van uitgeverij Academia Press (Gent) in 2005, een tweede versie zag in 2007 het licht en een derde in 2011. Geleidelijk aan wordt het boek ook in andere universitaire instellingen gebruikt. Ook in deze versie werd ‘ruimte’ voor verdere zelfstudie en verdieping voorzien door het inlassen van ‘kaderteksten’ die het eigenlijke betoog ontlasten en toelaten dieper op de betekenis van belangrijke geschiedschrijvers in te gaan. Geschiedenis is namelijk niet enkel het vaak moeizaam en met veel kritische zin gereconstrueerde verloop van het verleden, het is ook het verhaal over het verleden zoals generaties historici dit gestalte hebben gegeven. Deze historiografische activiteit is allesbehalve ‘onschuldig’ en een kritische inleiding in het vak heeft tot taak ook hierover inzicht te verschaffen. De ontwikkelingen in het historisch bedrijf, de actualiteit en de impact van de aanhoudende universitaire hervormingen en het aanwenden van nieuwe pedagogische hulpmiddelen hebben een aanpassing en nieuwe versie noodzakelijk gemaakt. Ze is van de hand van de huidige titularis van het vak aan de UGent, maar bouwt op een organische wijze verder op de decennia lange wetenschappe-
XIII
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XIV
WOORD VOORAF lijke en pedagogische ervaring. De middeleeuwse filosoof, Bernardus van Chartres (eerste helft 12de eeuw) formuleerde het al: ‘We zijn dwergen gezeten op de schouders van reuzen’. Wie derhalve dit handboek naast de verschillende versies van ‘Uit goede bron’ en van ‘Historici en hun métier’ legt, zal vele overeenkomsten herkennen. Niet het minst is de fundamentele opbouw erg gelijklopend. De meest evidente weg om beginnende studenten in de materie in te leiden, blijft uiteraard om te vertrekken van de basis van elke historische démarche, ‘de bron’ en haar individuele kritiek. Met ‘de bron’ als vertrekpunt wordt dan geleidelijk aan de complexiteit opgevoerd. Dit laatste proces krijgt zijn beslag in het onderling afwegen en confronteren van bronnen, met ander woorden, nagaan of ze elkaar tegenspreken dan wel confirmeren, en vooral in het kritisch afwegen van de methodologische overwegingen die historici ertoe hebben gebracht aan andere sociale en humane wetenschappen vraagstelling en methodologie te ontlenen. Tenslotte kan ook niet voorbij worden gegaan aan de vraag hoe generaties historici met het verleden hebben omgesprongen, aan welke motivaties en causale relaties zij belang hebben gehecht toen het er op aan kwam het ‘waarom’ van een historische gebeurtenis of ontwikkeling te verklaren. Een summier overzicht van de verschillende historiografische scholen en tradities is dan ook een essentieel onderdeel van deze materie. Geschiedenis beoefenen is een bij uitstek cumulatief proces. Historici van nu en van morgen, want voor hen is deze tekst in de eerste plaats bedoeld, bouwen voort op wat verschillende generaties van voorgangers hebben voortgebracht. Of het nu gaat over bronnenedities die van een toenemende eruditie en vaktechniek getuigen, of om min of meer gewaagde stellingen die een antwoord provoceren of, minder politiek getint, een uitdagende gedachte die verder toegespitst onderzoek provoceert, de historicus is zelden of nooit alleen. Zijn, of haar – de vervrouwelijking van het beroep is een onmiskenbare en zeer verrijkende trend van de laatste decennia – eindproduct is meer dan in andere wetenschapsvelden vaak nog een individueel getekende tekst. Toch staat dergelijk historisch product zelden alleen. Schoolvorming, trends, modes: ook het historisch bedrijf ontsnapt niet aan dergelijke gang van zaken. De opvolging van deze ‘scholen’ en hun opeenvolgende paradigmata zijn dan ook per definitie materie van het vakgebied ‘historische kritiek’. In een traditionele historische opleiding wordt hier in andere opleidingsonderdelen waarin historiografie en theorievorming centraal staan verder op gebouwd. Dit handboek legt de basis hiervoor en is meteen een inleiding
XIV
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XV
voor studenten uit de andere richtingen van de faculteiten Letteren en Sociale wetenschappen. Decennia lang werd de materie ‘historische kritiek’ gezien als de methodologische inleiding tot het historisch vakwerk, opgezet dus voor historici en door historici. Bovendien zat deze methodologie in essentie vast aan de positivistische opvatting over het historisch bedrijf, zoals deze aan het einde van de 19de eeuw is gegroeid. Net zoals in vele wetenschapsgebieden was dit historisch bedrijf onderworpen aan mechanismen van professionalisering – geschiedenis schrijven en maken werd een zaak van specifiek opgeleide groepen, van archivarissen en professoren – en aan een proces van specialisatie. Verschillende deelgebieden, chronologisch en thematisch georganiseerd, zijn het grote vakgebied gaan verkavelen. Een proces, dat per definitie sociaal reproducerend was en is en waardoor het omgaan met ‘geschiedenis’ niet langer meer een activiteit van min of meer verlichte amateurs maar van professioneel opgeleide specialisten maakte. Deze invalshoek was de kern van de klassieke handboeken van Ernst Bernheim (1889) en van Charles-Victor Langlois & Charles Seignobos (1898), geconcipieerd en geboren op het hoogtepunt van het 19de-eeuwse optimistische geloof in de objectieve en totale kenbaarheid van feiten en gebeurtenissen. Het adequaat toepassen van de juiste methode diende in deze optiek te volstaan, net zoals men in het labo chemische verbindingen tot stand brengt, om na kritische diagnose van de bron, tot een ‘natuurlijk’ relaas van de feiten te komen. De geschiedenis was geboren. De Eerste, en nog radicaler de Tweede Wereldoorlog hebben deze oude zekerheden brutaal weggeveegd. De geschiedenis zou na de eerste salvo’s van augustus 1914 nooit meer zijn, zoals de architecten van het 19de-eeuwse positivisme ze hadden gedacht. Methodologische discussies in tijdschriften zoals de ‘Annales d’histoire économique et sociale’, vanaf 1929 hebben het geborgen wereldje van de vakhistorici opengebroken voor beoefenaars van andere menswetenschappen. Hierdoor kwamen ook de methodes van die andere wetenschappen in het gezichtsveld van de historici, en omgekeerd. Bovendien werd het taboe doorbroken dat ernstig onderzoek enkel mogelijk zou zijn voor een min of meer ver verwijderd verleden. De historicus ging zich nadrukkelijker met de eigen tijd, met de ‘Zeitgeschichte’ inlaten en werd vaak uitgedaagd om met zijn kennis en expertise ook uitspraken te doen over deze eigen tijd. De samenleving, die het legertje professionelen via leerstoelen en onderzoeksinstituten in leven hield, eiste dat ook, met redenen, van de historicus. Maar ook de ‘brede buitenwereld’, het publiek vroeg, met recht en reden, van de officiële behoeders van de kennis over het verleden inzicht in zijn geschiedenis. Dergelijk proces gaat verder: de implo-
XV
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XVI
WOORD VOORAF sie van de oude communistische wereld na 1989, de omgang met de terroristische dreiging na 11 september 2001, de kredietcrisis van 2008 en haar nasleep, het ontwaken van de Arabische wereld tijdens het voorjaar van 2011 in de context van wat de ‘Arabische lente’ werd genoemd, de terugkeer van de vaak morsdood verklaarde ‘grote verhalen’ (met religie voorop): het zijn allemaal gebeurtenissen die wortels hebben in een al dan niet recent stuk geschiedenis. Hun verloop vertoont ook vele analogieën met gelijkaardige processen in het verleden, zodat zich voor het begrijpen van de hedendaagse wereld de vraag naar recurrenties en modelmatige ontwikkelingen stelt. De confrontatie met studenten van buiten de opleiding geschiedenis, met filologen, filosofen, moralisten, kunsthistorici, sociologen, criminologen en politicologen was een uitdaging om na te gaan hoe de aloude techniek van de kritische waardering van historische bronnen toepasbaar kon worden gemaakt op het materiaal dat linguïsten en literair-historici hanteren, op de actuele gebeurtenissen die sociologen en politicologen observeren, en op de feiten die journalisten, de dag zelf dat ze plaatsvinden, observeren en professioneel moeten duiden en interpreteren. Net zoals de onderzoekscommissies, die na de grote politieke debatten in UNO en NAVO een antwoord dienden te formuleren op de vraag of het regime van de Iraakse dictator Saddam Hoessein in 2003 nu al dan niet over wapens van massadestructie beschikte die een unilateraal militair optreden van een aantal essentieel westerse mogendheden, onder aanvoering van de VS-president G.W. Bush, zouden hebben verantwoord, in essentie voor dezelfde cruciale vraag werden geplaatst. De vraag namelijk die peilt naar het onderscheid tussen feiten en opinies die zich aan die feiten vasthechten en die deze feiten op soms nauwelijks opmerkbare wijze gaan kleuren. Het gaat immers over het onderscheid tussen werkelijkheid en schijn, over de grenzen van waarheid en leugen, over de vele waarheden die rond de ene werkelijkheid kunnen cirkelen. Het gaat ook over de essentiële waarde van ‘waarheid’: het meermalen bevestigde aanvoelen, tot en met uiteindelijk door de meeste betrokken verantwoordelijken zelf, dat in de aanloop naar het gewapend conflict gericht tegen het toenmalig Iraaks regime in 2003 met de waarheid een loop is genomen, heeft op de feiten zelf (het starten en officieel ‘beëindigen’ van de oorlog) geen invloed gehad. Maar, zeer opmerkelijk: het heeft ook nadien nauwelijks impact gehad op de herverkiezing van Bush in 2004. Hebben onderzoeksrechters, wetenschappers en journalisten dan geen baat bij een methodologie van de leugen? Bij een techniek die toelaat de contradicties vast te stellen, te doorprikken en daarna positief te
XVI
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XVII
benutten, bij een luister- en leesvaardigheid die verhullend en onthullend taalgebruik onderkent, en die accuraat gescherpt wordt door ironie en dubbele bodems? De confrontatie met de leugen is niet specifiek voor historici of voor het omgaan met het verleden; de methodes om ze te lijf te gaan zijn dat evenmin. Een tweede essentiële ambitie van de historisch-kritische methode is dat ze onderzoekers dwingt de complexiteit van een gebeuren te onderkennen. Zowel de Golfoorlog van 2003 als de herverkiezing van Bush in 2004 zijn onmiskenbaar in verband te brengen met het trauma dat ‘11 september’ betekent voor de Amerikaanse (en bij uitbreiding voor de westerse) publieke opinie. Is alles dan maar te herleiden tot een schok tussen twee beschavingen? Islam versus Westen? Jihad versus McDonald’s? De gebeurtenissen van de voorbije jaren zijn niet een eenvoudig verhaal van twee machtsblokken of van twee kemphanen, maar de kristallisatie van honderden niet alleen politieke lijnen die in één spectaculair centrum convergeren, om nadien even snel weer te divergeren. Een van deze lijnen is direct verbonden met het al decennia aan de gang zijnde Joods-Arabisch conflict. Het schier onoplosbare dossier van de Joods-Arabische tegenstelling in het Midden Oosten is de resultante van vele eeuwen Joodse en Palestijnse geschiedenis, van de herovering van Oost-Jeruzalem door het Israëlisch leger in 1967, van de genocide in de kampen Sabra en Chatilla in 1982, van de begrijpelijke Israëlische obsessie voor een veilig statuut in een Arabische geopolitieke context. Maar ook van de al dan niet bewust beleefde eeuwenoude tegenstelling tussen het christelijke Westen en het Islamitische Oosten, van de eerste confrontaties bij het reconquista van Moors Spanje, over de kruistochten, en de collectieve angst voor de ‘Turken’ in het Europa van de vroeg-moderne tijd (15de-18de eeuw), tot de hedendaagse door populistische partijen uitgespeelde angst voor het vreemde en voor een sluipende islamitische invasie van het Westen. De historische kritiek confronteert ons met de brede waaier van motieven van het menselijk handelen die aan de orde kunnen zijn geweest, en stelt de vele methodologische invalshoeken voor die ons toelaten vat te krijgen op die complexiteit. De techniek van de historische kritiek bestaat in wezen in het uitschakelen van de vervelende tussenschakels tussen de bestudeerde gebeurtenis en de onderzoeker, en die laatste kan zowel de terugblikkende historicus als de observerende tijdgenoot zijn. Tussen de historicus en het revolutionaire elan van de door Jacob van Artevelde aangevuurde Gentenaars van rond 1338 staat de middeleeuwse bron, vaak getuigend van een klerikale vooringenomenheid. Tussen de kritische, maar toch verbouwereerde televisiekijker van medio januari 1991 en het nachte-
XVII
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XVIII
WOORD VOORAF lijke bombardement op Bagdad (‘net een kerstboom’) staan CNN en journalist Peter Arnett, op zoek naar de waarheid maar ook naar commercieel relevante impact. Dergelijke tussenschakels zijn nooit onschuldig. De boodschapper is beperkt door zijn technische mogelijkheden en door zijn intellectuele vermogens. Bovendien bekijkt hij de gebeurtenissen bewust en onbewust met de vooroordelen van het sociale, culturele en geografische milieu waaruit hij stamt. In vele gevallen kan hij de ideologische kleuring niet laten. ‘Geloof niet wat de geschiedschrijvers zeggen, geloof vooral niet dat ze het zonder reden zeggen’ (Jan Romein). Voor hetzelfde geld kunnen getuigen eerlijk, sluw of doortrapt zijn, (h)erkennen, bekennen of bedriegen. De onderzoeker moet ze vooral ook horen zwijgen. Uit het zwijgen kunnen evenzeer argumenten worden gepuurd als uit het spreken, vooral nadat de gang van zaken uiteindelijk werd onthuld. Voor de methodologie van de leugen is het buitengewoon nuttig terug te blikken (als het ware de videoband terug te draaien), op de getuigenissen van de Israëlische ministers Begin, Shamir en Sharon in september 1982 over de moorden in de Palestijnse kampen Sabra en Chatilla vooraleer de Kahane-commissie in 1983 de betrokkenheid van de Israëlische regering in de moorden blootlegde. Vele ‘ooggetuigen’ van dergelijke explosieve gebeurtenissen chanteren elkaar, zwijgen voor elkaar en voor ons, voor zover ze elkaar al niet definitief tot zwijgen brachten. Wanneer het er in 2002 even naar uitzag dat de zaak van Sabra en Chatilla voor een Belgisch gerechtshof zou worden behandeld, werd plots een potentieel eersterangs getuige, de gewezen leider van de Falangistische militie (direct verantwoordelijk geacht voor het concrete moorden in de kampen) Eli Houbeika in Beiroet om het leven gebracht, amper enkele uren nadat hij aan Belgische politici had bevestigd te zullen komen getuigen in Brussel. De video-opname van dit gesprek bestaat, de inhoud van wat Houbeika in Brussel wou komen openbaar maken is nog steeds niet (volledig) gekend. De open wonde die dergelijke schokkende gebeurtenissen als deze van 1982 in de kampen van Sabra en Chatilla nog steeds vormen, hebben ook aanleiding gegeven tot artistieke verwerking. De manier waarop de feiten in de roman ‘Poort van de zon’ (1998) van de LibaneesPalestijnse auteur Elais Khoury zijn verwerkt, ent zich op de feiten zelf en de manier waarop ze door komende generaties zullen worden gekend en verwerkt: ook hierin krijgt de historische realiteit een welbepaalde kleur en betekenis. Dergelijk systematisch terugblikken met de geoefende bril van de historicus leert veel over de techniek van het zwijgen en het verbergen, en helpt bij de analyse van andere dossiers waarbij door omstandigheden de totale onthulling (nog) niet
XVIII
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XIX
mogelijk is. Het blijft een boeiende vraag waarom het ene onderzoek over geheime en delicate kwesties wel en het andere niet tot politieke consequenties heeft geleid. Waarom wordt Richard Nixon na het onthullen van zijn systematische leugenachtigheid in de Watergate zaak in 1973 wel en George W. Bush na het al even manifest liegen in de zaak van de Iraakse massavernietigingswapens in 2003 niet tot ontslag gedwongen? Waarom is er met andere woorden, analoog aan Watergate geen Irakgate gevolgd? Het is zonder meer duidelijk dat een kritische analyse gemakkelijker tot resultaat leidt wanneer de politiek gevoelig liggende aspecten verdampt zijn of de zaak juridisch verjaard is, maar dan ook minder aandacht krijgt omdat de publieke opinie niet langer meer gesensibiliseerd is. Een laatste oorzaak waarom het elimineren van de tussenschakel tussen feit en waarnemer een moeizame klus vormt, is de mentale afstand tussen onderzoeker en onderzocht object. Die kloof kan het gevolg zijn van culturele diversiteit in de ruimte en in de tijd. L.P. Hartley formuleerde het in de eerste bladzijden van zijn The Go-between (1953) treffend: ‘The past is a foreign country: they do things differently there’. De geschiedenis is een zo goed als onuitputtelijke gegevensbank van menselijke ervaringen, maar ze benutten vereist een groot inlevingsvermogen, de capaciteit om evidenties achterwege te laten en een gave om gepast de eigen zekerheden te kunnen relativeren. De structuur van dit studieboek ziet er als volgt uit. In een eerste deel worden de begrippen bron en getuigenis gedefinieerd, de diverse bronnentypes, hun informatiegehalte en specificiteit, de weg om ze op te sporen. Aparte aandacht gaat naar de grote producenten van informatie: de communicatie-netwerken en hun technologische ontwikkeling die in onze eigen tijd aan een steeds heftiger tempo lijkt te verlopen. In een tweede deel is de technische analyse van de individuele bron aan de orde: hoe decoderen we een bron of een tekst, hoe dateren en situeren we bronnen, hoe onderscheiden we echt en onecht, waar en vals, hoe maken we van een ruwe brok informatie een voor het onderzoek bruikbaar element, hoe kunnen bepaalde hulpwetenschappen daarbij helpen? In een derde deel zetten we de stap naar de bewijsvoering. De confrontatie van diverse getuigenissen plaatst ons prompt voor al of niet oplosbare contradicties; deze vaststellingen worden ontleed met redeneringen in het positieve en het
XIX
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XX
WOORD VOORAF negatieve, met hypothesen, met verificaties en falsificaties. Bij de bewijsvoering zijn we de gevangene van omstandigheden, zoals het type van de bestudeerde gebeurtenis, de overvloed en de schaarste aan bronnen, en de afstand tussen feiten en onderzoeker. Het gaat hierbij om het interpreteren van individueel en collectief menselijk handelen. Het is dan ook zinvol de vele motivaties te onderscheiden die mensen in het verleden hebben gedreven. Tevens wordt nagegaan hoe de impact van de sociale wetenschappen, de linguïstiek, de studie van teksten en tekens, het postmodernisme, in de laatste decennia, het historisch vakwerk in fundamenteel nieuwe richtingen hebben geduwd. Het gaat daarbij zowel om vernieuwende ideeën en hypothesen, als om innoverende werkmethodes. Verfrissend originele synthesen over nieuwe thema’s zijn de gelukkige kinderen van deze interdisciplinaire samenwerking. Ze gaven gestalte aan ‘nieuwe’ sociale geschiedenis, aan ‘nieuwe’ cultuurgeschiedenis, aan de studie van de man-vrouw relatie (’gender’-studies), van het ‘echte’ verleden van destijds gekoloniseerde volkeren en van minderheidsgroepen. Het historisch onderzoek bezit een onmiskenbare emanciperende kracht. Dit impliceert dat machthebbers uit alle periodes angstvallig controle over inzicht in het verleden van de eigen samenleving hebben proberen in handen te krijgen en te houden. In het vierde deel gaan we op zoek naar de specificiteit van de historische kennis. Leidt de studie van het verleden in essentie tot een beeld van verandering of van continuïteit? Herhaalt de geschiedenis zich altijd en ‘leert’ ze derhalve zo goed als niets? Indien er een interne of externe dynamiek valt te ontwaren, is dit dan een rechte chronologische lijn, of veeleer een zich herhalende cyclische beweging? Bestaat er zoiets als een ‘histoire immobile’? En wat zijn de kwaliteit en de achtergronden van de vele types van verandering: evolutie of revolutie? De kritisch afgebakende feiten moeten in grotere entiteiten en samenhangen met elkaar geconfronteerd worden met het oog op een brede synthese, op het ontrafelen van samenhang in het historisch gebeuren, op het verklaren van een globale probleemstelling. Uiteindelijk ontsnappen we niet aan de essentiële maar moeilijk te beantwoorden vraag van de oorzaak en/of de oorzaken van het gebeuren. Zijn veranderingen in essentie het werk van de massa, van sterke persoonlijkheden, of van een dialectisch samenspel van beiden? Historici waren (en zijn) vaak direct in dienst van machten in de samenleving, maar even vaak bevinden ze zich in de voorhoede van kritische tegenstemmen die aanklagen en op verandering aansturen. In beide gevallen kan aan hun ‘objectiviteit’ worden getwijfeld, toch blijft het streven naar objectieve en reële kennis van de werkelijkheid en van de waarheden een meer dan naïeve nobele droom.
XX
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XXI
Dit handboek is zelf, het is reeds bij de aanvang beklemtoond, het resultaat van decennia wetenschappelijke en pedagogische ervaringen van mijn voorganger en leermeester, Walter Prevenier. Zijn inbreng in wat volgt (en indirect ook weer van zijn voorganger en leermeester wijlen Egied Strubbe) is dan ook cruciaal. Ook vele collegae en vrienden hebben mij suggesties, materiaal en corrigenda bezorgd. Hen allen danken is onbegonnen werk, enkelen toch verdienen een speciale vermelding. Vooreerst mijn echtgenote en collega mediëviste Thérèse de Hemptinne, bij leven en welzijn de eerste vrouw die in het eerbiedwaardige cenakel van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis de landelijke behoeder van het erfgoed van Ranke en Pirenne, is opgenomen. Verder de Gentse collega’s en medewerkers Monique van Melkebeek (die op eigen wijze met de materie experimenteerde voor generaties Gentse studenten criminologie), Peter Stabel (nu Universiteit Antwerpen), Hilde Symoens, Jean Bourgeois, Gita Deneckere, Jan Dumolyn, Elodie Lecuppre-Desjardin (nu Université Charles de Gaulle, Lille III), Anne-Laure Van Bruaene, Jelle Haemers (nu KU Leuven), Nele Bracke, Sarah Keymeulen en studiebegeleidsters An Vierstraete en Milena De Wael. Veel ervaring met het inschatten van historiografische tradities heb ik opgedaan in verschillende Nederlands-Vlaamse redacties van vaktijdschriften. Mijn participatie aan zowel de redactie van het ‘Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis’ (1984-1992) als aan deze van de ‘Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden’ (1997-2003) heeft mij de kans geboden om naast vele inzichten ook enkele waardevolle vriendschappen met collega’s te ontwikkelen. Ik vermeld daarbij graag Maarten Prak (Universiteit Utrecht) en Jo Tollebeek (KU Leuven). In een bredere kring van vakgenoten heb ik via de jarenlange samenwerking in onderzoeksgroepen en langlopende onderzoeksprogramma’s ook veel te danken aan de herhaalde en tot mijn vreugde alvast blijvende contacten met collega’s. Ik vermeld ze in alfabetische volgorde: Peter Arnade (University of California, San Diego), Claire Billen (Université Libre de Bruxelles), Wim Blockmans (Universiteit Leiden en NIAS), Elisabeth Crouzet-Pavan (Paris IV, Sorbonne), Karel Davids (Vrije Universiteit Amsterdam), Robert Descimon (Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales, Paris), Martha Howell (Columbia University, New York), Robert Muchembled (Université Paris XIII), Jean-Pierre Sosson (Université catholique de Louvain). Tussen het schrijven van een tekst en het moment waarop hij afgewerkt en voorzien van indices en bibliografie op het bureau van een student belandt, ligt een hele weg. Ik ben zo gelukkig geweest daarbij op de even deskundige als aangename samenwerking met Peter Laroy en zijn medewerkers van uitgeverij ‘Academia Press’ in Gent te hebben kunnen rekenen.
XXI
Historici 2015 ok_Opmaak 1 9/09/15 07:45 Pagina XXII
WOORD VOORAF Het moge een erg klassieke ‘captatio benevolentiae’ lijken, maar het is het niet: deze publicatie is ook en vooral schatplichtig, aan de Gentse studenten, die ik vanaf 1999 de principes van de historische kritiek mocht proberen bijbrengen. Zij en vooral diegenen onder hen die mij met briefjes en e-mails hebben bestookt, hebben, allicht zonder het zelf te beseffen, mij vaak evenveel bijgebracht als ik hopelijk hen. Marc Boone
XXII