Skip to main content

9789038224565

Page 1

Sociologie voor economen Een inleiding in sociologisch denken

sociologie-economen.indb 1

15/12/15 10:33


Sociologie voor economen

Een inleiding in sociologisch denken

sociologie-economen.indb 3

15/12/15 10:33


Š Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent Tel. 09 233 80 88 Info@academiapress.be

Fax 09 233 14 09 www.academiapress.be

Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimedia divisie van Uitgeverij Lannoo nv.

Opmaak en coverontwerp: Press Point.be Alex Vanderstraeten Sociologie voor economen Een inleiding in sociologisch denken Gent, Academia Press, 2015, IV+261 p. ISBN 978 90 382 2456 5 Wettelijk Depot: D/2015/4804/5 Bestelnummer U 2311 NUR1 756 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

sociologie-economen.indb 4

15/12/15 10:33


Inhoud HOOFDSTUK 1

Inleiding: sociologie als wetenschap

2

1.1

2 2 3 5

Drie vormen van kennisverwerving 1.1.1 1.1.2 1.1.3

1.2

Sociologie als wetenschap 1.2.1 1.2.2

1.3

HOOFDSTUK 2

Kennis op basis van geloof of opvatting Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid Wetenschappelijke kennis Sociologische vraagstelling en methode Criteria van sociaal wetenschappelijk onderzoek

8 8 11

1.2.2.1 1.2.2.2 1.2.2.3 1.2.2.4

11 12 13 14

Representativiteit Validiteit Betrouwbaarheid Objectiviteit

1.2.3 Besluit

17

Sociologie versus natuurwetenschappen

17

De algemene systeemtheorie als basis voor het sociologisch systeemdenken

20

2.1 2.2

20

Systeemtheorie als integrerende denkwijze in de sociologie Omschrijving van een sociaal systeem vanuit een interdisciplinaire systeembenadering 2.2.1 Systeem en omgeving 2.2.2 Open systemen en hun relatie met de omgeving 2.2.3 Zelforganisatie 2.2.4 Het geheel is meer dan de som van de delen 2.2.5 Emergente eigenschappen 2.2.6 Doelgerichte systemen en feedback

HOOFDSTUK 3

Sociale systemen 3.1

38

De eerste aanzetten voor sociologisch systeemdenken: structureel en functionalistisch denken 38 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5

3.2

Oorsprong van het functionalisme Het functionalisme van Durkheim Het functionalisme van Merton Het structureel functionalisme van Parsons De verdiensten en tekortkomingen van het structureel functionalisme

De configuratiesociologie 3.2.1

38 39 40 42 46 47 47

Algemene configuratiesociologie

inhoud

sociologie-economen.indb 1

23 27 29 32 33 34 35

I

15/12/15 10:33


HOOFDSTUK 4

Sociaal systeem en sociaal handelen

48

4.1 4.2

48

Het belang van sociaal handelen Typologie van sociaal handelen 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5

HOOFDSTUK 5

Affectief sociaal handelen Traditioneel handelen Waarederationeel handelen Doelrationeel handelen Sociaal emotioneel handelen

De bouwstenen van het sociaal systeem en het sociaal handelen

56

5.1 5.2 5.3 5.4

56

De sociale actor als basis van sociaal handelen Toewijzing of verwerving van sociale posities Sociale mobiliteit in sociale systemen Sociale mobiliteit binnen open en gesloten samenlevingen 5.4.1 5.4.2 5.4.3

5.5 5.6

5.7

Het kastenstelsel Het standensysteem Het klassensysteem

Sociale relaties Sociale interactie als de som van betrekking en verhouding 5.6.1 5.6.2

De sociale betrekking De sociale verhouding

Sociale interactie en communicatie 5.7.1 5.7.2 5.7.3

Het basismodel voor menselijke communicatie Aspecten van communicatie De wetmatigheden in de menselijke communicatie 5.7.3.1 5.7.3.2 5.7.3.3 5.7.3.4 5.7.3.5

HOOFDSTUK 6

sociologie-economen.indb 2

Basisaxioma 1: alle gedrag is communicatie Basisaxioma 2: inhouds- en relatieniveau Basisaxioma 3. Interpunctie van communicatie Basisaxioma 4: analoge en digitale communicatie Basisaxioma 5: elke communicatie definieert de sociale relatie als ofwel symmetrisch ofwel complementair

58 60 63 64 65 66 68 70 71 73 75 76 77 78 78 79 80 81 82

CULTUUR ALS SOCIOLOGISCH PRODUCT

84

6.1 Inleiding 6.2 De onderdelen van het culturele systeem 6.3 Het samenspel van kennis, verwachtingen, doeleinden, waarden en normen 6.4 Sociale beĂŻnvloeding en controle in het sociaal systeem 6.5 De sociale rol als verwachtingspatroon van sociaal handelen

84

6.6

II

50 51 51 52 53 54

86 92 93

6.5.1 De sociale rol en rolvoorschriften 6.5.2 Rolbepaling 6.5.3 Rolconflict 6.5.4 Sociale status 6.5.5 Statusconsistentie

97 97 98 100 101 103

Socialisatie

103

Inhoud

15/12/15 10:33


6.6.1 6.6.2

6.7

Wat is socialisatie DifferentiĂŤle socialisatie

103 106

Cultuurdiversiteit 6.7.1

108 110

Cultural lag

6.8 Organisatieculturen 6.8.1 6.8.2 6.8.3

HOOFDSTUK 7

Microsociologie van de persoonlijke interactie

120

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

120

Inleiding: symbolisch interactionisme als fundament van microsociologie De fundamenten van het symbolisch interactionisme Mead als grondlegger van het symbolisch interactionisme Het symbolisch interactionisme van Blumer Het stigma (Goffman) Bedrog en zelfbedrog in sociale interactie Het hedendaags belang van empathie voor het sociaal handelen De sociale ruiltheorie 7.8.1 7.8.2

7.9

De speltheorie als rationale ruiltheorie Samenwerking en competitie als overlevingsstrategie

122 124 125 127 128 130 130 133 135 138 142

144

8.1 8.2

144

Omschrijving van een groep Soorten groepen 8.2.1 Primaire en secundaire groepen 8.2.2 Formele en informele groepen 8.2.3 Gemeinschaft en Gesellschaft 8.2.4 Referentiegroepen 8.2.5 Taakgerichte en emotioneel gerichte groepen

145 145 146 148 149 150

Het fenomeen van groepsdruk

151

Netwerken en collectiviteiten

154

HOOFDSTUK 10 Organisaties 10.1 10.2

10.3

156

De dominantie van organisaties in ons dagelijks leven De organisatie als rationalisering van het sociaal coĂśperatief handelen

156

10.2.1 De noodzaak van rationele ordening in de opkomende industrialisatie 10.2.2 Elementen voor een rationele systeembenadering van organisaties 10.2.3 Organisaties als doelverwervende sociale systemen

157 158 158 159

Typologie van organisaties

162

inhoud

sociologie-economen.indb 3

120

Het belang van groepen voor het sociaal handelen

8.3

HOOFDSTUK 9

Homans’ individualistische benadering van sociale ruil Blau: sociale ruil en macht

Rationele en speltheoretische benaderingen van sociale interactie 7.9.1 7.9.2

HOOFDSTUK 8

Typologie van organisatiecultuur volgens Harrison Organisatiecultuur en managementcultuur volgens Hofstede Concurrerende waardenmodel van Quinn en Cameron

110 111 113 115

III

15/12/15 10:33


10.4

10.3.1 Organisaties naar macht 10.3.2 Totale organisaties 10.3.3 Organisaties van onderuit

162 164 165

Het wetenschappelijk management als een rationeel organisatiemodel van bovenaf

168 171 175 178

10.4.1 Bureaucratie als rationele ordening van organisaties 10.4.2 De bureaucratische organisatie vandaag 10.4.3 Het rationele management volgens Fayol

10.5

Organisaties als systemen in hun omgeving 10.5.1 Turbulente omgevingen en hun relatie met de organisatie 10.5.2 De relatie tussen de gebruikte technologie op organisaties

10.6

Organisatieconfiguratie van Mintzberg 10.6.1 De vijf configuraties van Mintzberg 10.6.2 De vijf machtsgroepen in een organisatie 10.6.3 Machtsconfiguraties in functie van de omgeving

10.7

De rationaliteitsopvatting van de Neo-Weberianen 10.7.1 10.7.2

Bounded rationality als kritiek op maximale rationaliteit De beperkingen op het sociaal-rationeel handelen binnen organisaties

HOOFDSTUK 11 Samenlevingen als macrosociologische sociale systemen 11.1 11.2 11.3 11.4 11.5

De maatschappij als ultieme ordening van het sociaal handelen Macht en gezag in de samenleving Institutionalisering en instituties Primaire en secundaire instituties Het belang van instituties voor de samenleving 11.5.1 Het gezin 11.5.2 Het zorgsysteem 11.5.3 De socio-economise institutie

HOOFDSTUK 12 Inzicht in samenlevingen op basis van maatschappelijke analyse 12.1 12.2

Structureel-functionalistische analyse van de samenleving Conflictsociologie als verklaring voor maatschappelijke ontwikkeling. 12.2.1 Het historisch materialisme als grondslag van het Marxisme 12.2.2 Industrialisatie en ontstaan van sociale klassen 12.2.3 Het marxisme in de postindustriĂŤle samenleving

12.3

Het belang van technologie: de drie golven theorie van Toffler 12.3.1 De eerste golf: van jagers/verzamelaars naar agrarische samenlevingen 12.3.2 De tweede golf (1600-1900) 12.3.3 De derde golf: het postindustriĂŤle tijdperk

12.4

De ontwikkeling van sociaal gedrag in evolutionair perspectief 12.4.1 Elias en de ontwikkeling van gedisciplineerd sociaal gedrag in de samenleving 12.4.2 De toenemende pacificatie en het afnemend geweld in de samenleving

12.5

Pinker: de afname van geweld en belang van samenwerking in de samenleving 12.5.1 De vijf historisch belangrijke krachten naar minder agressie in de samenleving 12.5.2 Trends naar minder geweld in de samenleving 12.5.3 Over innerlijke demonen en engelen

Bibliografie

IV

sociologie-economen.indb 4

179 180 183 191 191 193 197 199 199 201 206 207 210 211 214 214 214 217 218 220 220 227 227 232 233 234 235 236 240 242 242 243 246 246 248 252 256

Inhoud

15/12/15 10:33


HOOFDSTUK 1 Inleiding: sociologie als wetenschap Mensen handelen op basis van kennis en halen hun informatie uit de buitenwereld, waarna ze de opgedane informatie opslaan, ordenen en analyseren. Die ordening kan door middel van de taal worden onthouden en ook worden doorgegeven aan volgende generaties. Het soort kennis en de concrete kennisinhouden die mensen hebben verworven, vormen een bepalend onderdeel van de persoonlijkheid en oriĂŤnteren de mensen in hun omgaan met de werkelijkheid. De kennis wordt systematisch opgebouwd en mensen kunnen hiervoor putten uit verschillende bronnen. Deze bronnen kunnen we onderscheiden in geloofskennis, ervaringskennis en wetenschappelijke kennis.

1.1

Drie vormen van kennisverwerving

1.1.1 Kennis op basis van geloof of opvatting Mensen kunnen iets weten omdat ze het geloven. De essentie van geloven is dat kennis wordt aangenomen van iemand waaraan mensen een autoriteit toekennen. Kinderen geloven (meestal) hun ouders als die kennis doorgeven of, verdergaand, zeggen iets wel of niet te doen. Kinderen kennen hun ouders een autoriteit toe op basis van hun leeftijd en wegens hun afhankelijkheid van en vertrouwen in hun ouders. Gelovigen nemen aan wat de priester, de imam of de rabbijn zegt op basis van een toegekende autoriteit. Geloven betekent iets aannemen, zonder het zelf te onderzoeken, te weten of te begrijpen en is in essentie weinig kritisch. Geloven betekent vertrouwen stellen in de persoon die kennis overdraagt en interpreteert. Kritisch zijn daarentegen betekent de bekwaamheid en geneigdheid om op autonome wijze dat wat voor waar wordt aanvaard, af te wegen en kritisch te onderzoeken.

geloofskennis

dogma

2

sociologie-economen.indb 2

Bij geloofskennis is de betrokkene afhankelijk van de autoriteit die de kennis verschaft. Meestal is de bron van de kennis voor de gelovige onbereikbaar en gaat het om een verlicht inzicht op basis van een contact met het goddelijke, of een bevoorrechte relatie met het goddelijke (bvb. profeet, messias, zoon van god, de boodschapper). Juist omdat de mogelijkheid tot zelftoetsen bij geloofskennis ontbreekt, schuilt er gevaar in voor dogmatisch denken. Het is zo omdat het zo is en altijd zo is geweest. Een dogma is een formulering van een geloofswaarheid die algemeen bindend is, een ontegensprekelijke waarheid, die niet aan een verdere controle wordt blootgesteld. Het ontbreken van een kritische en controlerende

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


houding is typisch voor het dogmatisch denken. De waarheid wordt niet verder in vraag gesteld; integendeel, elke poging om ze in vraag te stellen wordt gecounterd door soms nog hardnekkiger in het dogma te geloven (wat zich vaak voordoet in sectaire geloofsgroepen).

dogmatisch denken

In het dagelijkse leven handelen mensen vaak op basis van geloofskennis en nemen ze aan wat anderen zeggen. Het is een gemakkelijke vorm van kennis en ook efficiënt, op voorwaarde dat de autoriteit die we geloven ook effectief betrouwbaar is. Zo kan ik aan mijn collega vragen waar de personeelsvergadering doorgaat. Ik hoef dan niet zelf in mijn documenten te kijken. Ik vraag aan de maatschappelijk assistent welke voorzieningen er zijn voor mijn handicap. Ik vraag aan de dokter om me te genezen. Waarom precies dat medicijn wordt voorgeschreven en hoe me dat precies zal genezen, weet ik niet, want ik vertrouw op de deskundigheid van een ander. Juist omdat de waarde van de informatie bij geloofskennis afhankelijk is van de betrouwbaarheid van de autoriteit die mensen geloven, zijn mensen geneigd om de gevolgen van het handelen op basis van geloof toe te schrijven aan de autoriteit. De dokter heeft me genezen, de maatschappelijk assistent heeft me financiële hulp gegeven. Dikwijls worden ook de negatieve gevolgen van een handeling toegeschreven aan de verantwoordelijkheid van de autoriteit. Zo zal een kind zeggen: ‘Maar de juffrouw heeft gezegd dat we onze schoenen moesten uitdoen!’ als dat kind de vraag krijgt waarom het natte voeten heeft. Ik kom te laat op de personeelsvergadering omdat mijn collega me het verkeerde lokaal heeft gewezen. Dat afwentelen van verantwoordelijkheid is iets wat vaak gebeurt. Maatschappijen waarin geloofskennis dominant is, worden gesloten maatschappijen genoemd, omdat de toegang tot kennis vaak afgesloten is, alleen bereikbaar voor een bevoordeelde groep (bvb. priesters, schriftgeleerden, verlichte geesten, …). Kennis wordt in dat soort samenlevingen macht, omdat de kennis gemonopoliseerd wordt binnen een kleine groep. In de middeleeuwen werd de kennis gemonopoliseerd in de bibliotheken van kloosters en was de toegang tot de kennis beperkt doordat boeken een schaars goed waren, veilig afgeschermd voor het brede publiek. Maatschappijen hebben vaak een autoritaire structuur en laten kritisch onderzoek moeilijk toe omdat ze de machtpositie van de bestaande autoriteit in vraag stellen. Kennis is macht.

gesloten maatschappijen

1.1.2 Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid Mensen kunnen iets weten vanuit wat ze hebben meegemaakt. Via het proces van proberen, lukken en mislukken (trial and error) vinden we een voor ons goede handelingswijze. De opgedane ervaring is altijd totaal, meestal zijn we er met onze hele persoon bij betrokken.

Inleiding: sociologie als wetenschap

sociologie-economen.indb 3

trial and error

3

15/12/15 10:33


ervaringskennis

ervaringsdeskundigen

intersubjectief

4

sociologie-economen.indb 4

Ervaringskennis is kennis op basis van opgedane levenservaring uit de onmiddellijke omgeving van de betrokkene. Als een kind aanneemt en gelooft dat de kachel warm is, dan weet het dat. Als het kind zich ooit eens gestoten heeft aan een warme kachel, zal het de volle betekenis van warmte nooit meer vergeten. Ervaringskennis is altijd absoluut waar voor de betrokkenen: de gevoelde sensaties, emoties, gevoelens zijn onloochenbaar. Het weten wat eruit volgt, is daarom voor de betrokkene – maar dan ook alleen voor diegene die het meemaakte – juist. Daarom zijn ervaringen niet veralgemeenbaar of overdraagbaar naar anderen. Dat verklaart de irritatie van jongeren wanneer ouderen hun iets proberen voor te schrijven op basis van hun ervaring: wat voor vader waar is, op basis van zijn levenservaring, is dat niet voor mij. Maar dat is precies wat wijsheid betekent: de door de ervaringen van het leven verworven kennis. Ervaringskennis heeft meestal ook een hoge prijs: de pijn en moeite van het proberen en mislukken. De hoeveelheid ervaringskennis die een mens kan opdoen, is beperkt tot die tijd en ruimte waarin een concreet mensenleven zich afspeelt.

Binnen de hulpverlening wordt ervaringskennis vandaag formeel erkend onder de vorm van het werken met ervaringsdeskundigen. Specifiek op het domein van de armoede gaat de maatschappij ervan uit dat hulpverleners die armoede niet aan den lijve ondervonden hebben, baat hebben bij het samenwerken met mensen die over ervaringskennis beschikken. Ervaringsdeskundigen in de armoede vormen als het ware een tandem met een hulpverlener en hebben als belangrijke taak bruggen te slaan tussen de twee werelden. Zij vertolken de leefwereld van kansarmen naar de hulpverlener toe. Het doorleefd hebben van een kansarmoede situatie wordt niet als voldoende beschouwd om een ‘goede’ ervaringsdeskundige in de kansarmoede te worden. Ervaringsdeskundigen moeten immers leren omgaan met hun eigen leefsituatie. De eigen problemen moeten eerst verwerkt worden zodat de betrokkene afstand kan nemen van zijn eigen verhaal. Pas dan kan hij of zij de armoedeproblematiek bij anderen wel degelijk (h)erkennen, zonder zelf in het herbeleven ervan te vervallen. Er worden in Vlaanderen opleidingen georganiseerd om het beroep te kunnen uitoefenen.

Ervaringskennis is per definitie subjectief, en wanneer ze gedeeld wordt, kunnen we stellen dat deze vorm van kennis intersubjectief is. Mensen in een gelijkaardige situatie met dezelfde ervaring delen dezelfde subjectieve inzichten.

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


1.1.3 Wetenschappelijke kennis Wetenschappelijke kennis is kennis opgedaan op basis van een kritisch onderzoek van objectieve feiten, en is bijgevolg objectief. Iedereen kan in principe de waarheid van de wetenschappelijke bewering nagaan omdat het proces waarmee aan kennisverwerving wordt gedaan publiek toegankelijk is. In theorie is iedereen in staat de bestaande wetenschappelijke kennis in vraag te stellen en bepaalde theorieën te weerleggen. Dat betekent meteen dat elke vorm van wetenschappelijke kennis per definitie voorlopig is, en niet leidt tot een onwrikbare en absolute waarheid (in tegenstelling tot dogmatische kennis). Wetenschappelijke kennis is waar tot het tegendeel is bewezen en is daarom slechts voorlopig waar. Zo weten we nu dat de Newtoniaanse fysica geen absoluut ware theorie is over de materie, maar een theorie die driehonderd jaar heeft standgehouden en sinds de relativiteitstheorie van Einstein slechts een ‘voorlopig’ ware wetenschappelijke theorie blijkt te zijn. Newtoniaanse fysica is echter niet onwaar verklaard door de relativiteitstheorie. Integendeel, de relativiteitstheorie heeft een plaats gegeven aan de Newtoniaanse fysica als geldig binnen een bepaalde context. Dat is de reden dat de relativiteitstheorie een volgende stap is in de conceptuele ontwikkeling van de fysica, nl. door het succes en het falen te begrijpen binnen een groter theoretisch kader, zoals de relativiteitstheorie dit aanreikt. Volgens Popper (1978) zouden we ons als kritische wetenschappers en mensen moeten verheugen op de weerlegging (falsificatie) van bestaande wetenschappelijke kennis, omdat hierdoor oude zekerheden verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe, voorlopige zekerheden. Alleen op die manier gaat onze kennis vooruit en kunnen we spreken van progressie van onze algemene kennis van de werkelijkheid. Deze denkwijze ligt aan de basis van alle wetenschap, inclusief de sociologie. In die zin kunnen we een onderscheid maken tussen: • Verificatie: na onderzoek is een theorie waar als ze bevestigd wordt door de feiten, wat betekent dat ze wordt bevestigd door onze onmiddellijke zintuiglijke waarnemingen uit de werkelijkheid, of waarnemingen die mogelijk worden gemaakt door technologische (microscopen, deeltjesversnellers, …) en theoretische (statistische analyse, …) hulpmiddelen. Een wetenschappelijke uitspraak moet in principe verifieerbaar zijn, wat betekent dat uitspraken zodanig worden geformuleerd dat ze kunnen geverifieerd worden door onderzoek in en van de werkelijkheid. Vandaar dat het belangrijk is dat onderzoekers uitleggen hoe ze te werk zijn gegaan in hun onderzoek, zodat anderen dit onderzoek kunnen herhalen en bestaande conclusies verder kunnen bevestigen. Elk bijkomend feit dat in overeenstemming is met de theorie betekent een verdere versterking van deze theorie.

verificatie

• Falsificatie: Popper stelt dat theorieën stelselmatig kunnen worden geverifieerd of bevestigd worden na onderzoek van de feiten, maar dat we daarom nog geen zekerheid hebben dat daarmee de theorie waar is. Door stelsel-

falsificatie

Inleiding: sociologie als wetenschap

sociologie-economen.indb 5

5

15/12/15 10:33


matige verificatie van een bepaalde theorie kunnen we stellen dat deze theorie meer en meer bevestigd wordt, wat echter niet uitsluit dat er tegelijkertijd een bepaald feit kan bestaan die de theorie onderuit haalt. Daarom stelt hij voor om actief op zoek te gaan naar waarnemingen die een bepaalde theorie weerleggen of falsifiëren, omdat we dan verplicht worden om na te gaan waarom de theorie niet klopt. Falsificatie betekent de weerlegging van een theorie op basis van een feitelijke vaststelling die niet in overeenstemming is met wat de theorie voorspelt. Hierdoor worden we verplicht om actief te zoeken naar nieuwe verklaringen of theorieën zodat de wetenschap verder vooruit kan door een proces van theoretische vernieuwing (of kritisch te kijken naar de feitelijke waarneming die mogelijks een foute waarneming was, waardoor we voorlopig de theorie niet moeten herzien). De popperiaanse methode is een zeer kritische benadering van de wetenschappelijke activiteit, maar ligt vaak aan de oorsprong van doorbraken in de wetenschap.

incrementeel

accumuleren

onttovering

Wetenschappelijke kennis komt langzaam en incrementeel tot stand, met vallen en opstaan, op basis van wederzijdse kritiek op theorieën, en op basis van feitelijke discussie. Wetenschappelijke kennis verklaart nooit de totaliteit van de realiteit, maar beperkt zich tot een deelaspect van de werkelijkheid, waarvoor we een rationele verklaring probeert te ontwikkelen. Daarom zeggen wetenschappers dat een wetenschappelijke theorie een voorlopige theorie is en geen totaalverklaring van de werkelijkheid. oude zekerheden verdwijnen ten voordele van nieuwe opvattingen. Hierdoor worden de algemeenheid van onze concepten en theorieën steeds groter, waarbij de oude concepten kunnen worden ondergebracht binnen nieuwe theorieën. Wetenschap accumuleert al deze theorieën en probeert hierdoor een wetenschappelijk gefundeerd wereldbeeld te ontwikkelen waarin een rationele verklaring van de werkelijkheid mogelijk wordt. Dit staat in tegenstelling tot het beroep doen op speculaties of magisch-religieuze verklaringen om een verklaring te vinden van hoe de wereld in elkaar zit. In dit geval worden de oorzaken van bepaalde gebeurtenissen toegeschreven aan bepaalde krachten en machten buiten de mens, of mensen gaan bepaalde verklaringen naar voor schuiven zonder deze aan een kritisch onderzoek te onderwerpen zoals in het geval van geloofskennis. Wetenschappelijke kennis daarentegen geeft aanleiding tot de onttovering (Entzauberung der Welt van Max Weber) van het wereldbeeld, om de simpele vaststelling dat de verklaring van de werkelijkheid soms door zeer eenvoudige wetten en vaststellingen kan worden beschreven. Deze onttovering van de wereld wordt door sociologen na Weber gebruikt om onze moderne industriële en geseculariseerde wereld te omschrijven, waarin wetenschappelijke verklaringen een rationalisering van het wereldbeeld tot

6

sociologie-economen.indb 6

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


gevolg heeft en een afnemend belang van het geloof veronderstelt. Het heelal is niet langer door een goddelijke instantie geschapen, maar een mechanisch systeem dat beweegt volgens verklaarbare wetmatigheden en processen. Dit duidt op de mechanisering van het Westerse wereldbeeld (Dijksterhuis, 1950). Wetenschappelijke verklaringen gaan uit van een onderzoek naar de werkelijkheid en proberen eenvoudige en rationele verklaringen te vinden voor wat zich afspeelt in de (sociale) werkelijkheid rondom ons. Hierbij wordt vaak het economiebeginsel (parsimony) gehanteerd of Occam’s razor, dat inhoudt dat wetenschappelijke verklaring zo simpel mogelijk dienen te worden geformuleerd, zodat niet nodeloos complexe verklaringen of vage entiteiten (een geest, een spook, een heilige, een geheimzinnige kracht) worden ontwikkeld om bepaalde verschijnselen te verklaren.

mechanisering

economiebeginsel Occam’s razor

Wetenschap streeft naar kennis van de waarheid omtrent de feiten. Maar naast waarheid kunnen ook andere elementen geldigheid hebben om gedrag te verantwoorden, namelijk juistheid en/of waarachtigheid. Habermas’ theorie van het communicatief handelen (1981) verschaft een schema voor de analyse van de geldigheid van uitspraken van mensen. Als mensen iets beweren, kunnen deze uitspraken betrekking hebben op objectieve zaken (de waarheid van feiten), op sociale of ethische kwesties (de juistheid van normen) en op subjectieve uitingen (de waarachtigheid van uitingen).

communicatief handelen

• Waarheid: een uitspraak is waar als ze klopt met de feiten, als de uitspraak kan geverifieerd worden aan de hand van een overeenstemming met objectieve waarneembare feiten (feitelijke overeenstemming).

waarheid

• Juistheid: een uitspraak is juist als ze overeenstemt met de in de sociale context geldende normen en waarden (ethische overeenstemming).

juistheid

• Waarachtigheid: een uitspraak is waarachtig als ze in overeenstemming is met de innerlijke ingesteldheid van diegene die de uitspraak doet (subjectieve overeenstemming).

waarachtigheid

Stel, iemand zegt tijdens een vergadering: ‘We hadden afgesproken niet te roken, roken is slecht voor de gezondheid en ik kan er slecht tegen’. In deze zin zitten drie geldigheidsaanspraken. Het is waar dat roken slecht is voor de gezondheid, dat is een objectief vastgesteld feit. De uitspraak is ook juist, omdat ze overeenstemt met de afgesproken norm om niet te roken. Als de spreker zijn individuele expressie, beleving en ervaring uit door te zeggen dat hij niet tegen rook kan, dan is deze uitspraak ook waarachtig (vrij naar van der Laan, 1990).

Inleiding: sociologie als wetenschap

sociologie-economen.indb 7

7

15/12/15 10:33


De wetenschap werkt volgens een strenge methodologie en is aan strenge eisen onderworpen om aanspraak te kunnen maken op geldige theorieën. Merton (1973) formuleerde een aantal basisprincipe van wetenschap waaronder

gemeenschappelijkheid

• Gemeenschappelijkheid: wetenschappelijke kennis behoort tot het publieke domein, moet openbaar zijn;

wetenschappelijk universalisme

• Wetenschappelijk universalisme: wetenschappelijke kennis is universeel geldend en persoons- en cultuur onafhankelijk;

belangeloosheid

• Belangeloosheid: persoonlijke of groepsbelangen spelen geen rol in de wetenschappelijke activiteit;

georganiseerd scepticisme

• Georganiseerd scepticisme: wetenschap is een continue proces van openheid en kritiek. Tot hiertoe is de wetenschappelijke methode de meest succesvolle methode gebleken om ten eerste tot ware kennis te komen en ten tweede om op een betrouwbare manier tot actie te komen met betrekking tot de werkelijkheid. Onze vooruitgang is grotendeels gebaseerd op het succes van de wetenschappelijke methode en het hanteren van een rationele denkstijl. In de sociologie wordt deze wetenschappelijke methode ook gehanteerd om tot betrouwbare kennis te komen, met respect voor de gehanteerde principes van Merton en anderen.

1.2 Sociologie als wetenschap De meest gehanteerde wetenschappelijke methode in de sociologie gaat zoals gezegd terug op het standaardmodel van wetenschappelijk onderzoek, zoals dat in de natuurwetenschappen voor het eerst is ontwikkeld. Wetenschappelijk onderzoek volgt in dit standaardmodel een opgelegde onderzoeksstrategie waarin een aantal duidelijke stappen kunnen worden onderscheiden. Anderzijds bevat het model ook een aantal noodzakelijke criteria waaraan elk onderzoek moet voldoen om in de ogen van de wetenschappelijke wereld tot verantwoorde resultaten te komen. Die strenge criteria waarborgen dat de geleverde wetenschappelijke kennis op een kritische wijze tot stand is gekomen en laten toe het sociologisch kenproces kritisch te evalueren.

1.2.1 Sociologische vraagstelling en methode Zoals andere wetenschappers stellen ook sociologen vragen, die gewone mensen dagelijks kunnen stellen. Welke invloed heeft de computertechnologie op ons dagelijkse leven? Waarom stellen westerse samenlevingen zich toleranter op ten aanzien van specifieke samenlevingsvormen dan andere maatschappijen? Hoe gedragen mensen zich tijdens veranderingsprocessen in

8

sociologie-economen.indb 8

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


organisaties als gevolg van een herstructurering of een fusie? Wat is de oorsprong van weerstand in veranderingsprocessen? Waarom zijn er verschillende soorten organisaties en functioneren de verschillende medewerkers op een andere wijze? Wat is de oorsprong van afwijkend gedrag? Sociologen zoeken naar antwoorden op al die vragen en gaan daarvoor op een specifieke manier te werk. Ze gaan minder speculatief te werk dan de gewone man of vrouw in de straat. Een typisch kenmerk van sociaalwetenschappelijk onderzoek is de sterk gestructureerde werkwijze. De bovengenoemde vragen moeten duidelijker worden geformuleerd en moeten leiden tot specifieke probleemstellingen. Daarom zullen onderzoekers aan de hand van de vraagstelling proberen de probleemstelling voldoende te operationaliseren tot een onderzoekbare en uitvoerbare wetenschappelijke onderzoeksopdracht. Bijvoorbeeld, een onderzoek naar drugsgebruik in België is te algemeen om te worden gebruikt voor de uitwerking van een concreet aangepast drugsbeleid. Vragen als ‘welke doelgroep hebben we in het vizier?’, ‘wat bedoelen we met drugs?’, ‘welke vorm van drugsgebruik wordt als problematisch ervaren?’ enz. maken deel uit van de algemene probleemstelling en moeten verder verfijnd worden. We moeten bepaalde vraagstellingen verder opdelen in subvragen, om zo tot een logisch en helder geheel van onderzoeksvragen te komen. Ook moeten we in deze fase al vooruitkijken naar de haalbaarheid van de onderzoeksvragen, en nagaan of de gestelde vragen methodologisch onderzoekbaar zijn. Dat betekent dat we, om tot realistische vraagstellingen te komen, al enigszins moeten weten met welke onderzoeksmethode en op welke wijze we een antwoord op de vraag zullen zoeken.

vraagstelling

subvragen

onderzoekbaar

Vervolgens zullen sociologen een bepaalde onderzoeksstrategie volgen en zich houden aan een aantal strikte regels om tot bepaalde vaststellingen en conclusies te komen. Sociologen gaan niet over één nacht ijs, maar gaan pas over tot conclusies na degelijk en nauwgezet sociaalwetenschappelijk onderzoekswerk. Ze volgen een bepaalde strategie en maken gebruik van de voorhanden zijnde onderzoeksmethodologie in het kader van een aantal normatieve criteria, waaraan elk sociaalwetenschappelijk onderzoek min of meer voldoet, om tot volwaardige wetenschappelijke uitspraken te komen. We onderscheiden een aantal onderzoeksstrategieën, zoals survey, experiment en casestudy. Het survey-onderzoek leunt het dichtst aan bij de wetenschappelijke onderzoekstraditie van de natuurwetenschappen met haar nadruk op de positivistische benadering. Het kan gaan om beschrijvend of hypothese toetsend onderzoek.

survey-onderzoek

Beschrijvend onderzoek geeft een nauwkeurige beschrijving van de werkelijkheid, en maakt vaak gebruik van beschrijvende statistiek waaronder tabellen, grafieken en dergelijke. Dit onderzoek geeft enkel beschrijvende cijfers en

beschrijvend onderzoek

Inleiding: sociologie als wetenschap

sociologie-economen.indb 9

9

15/12/15 10:33


voorstellingen weer, maar geeft geen verklaring voor bepaalde verschijnselen. Zo kunnen sociologen een onderzoek doen naar de samenstelling van de populatie van een grote organisatie, waarbij ze cijfers geven en verhoudingen over aantal mannen en vrouwen, opleidingsniveau van de medewerkers, de verloning van de medewerkers enz. Sociologen kunnen ook via een participerende observatie een kwalitatieve beschrijving geven van de waargenomen sociale werkelijkheid aan de hand van een rapportage of een samenvattende weergave van een aantal diepte-interviews. ‘Afhankelijkheid en het beëindigen van partnergeweld’ is een voorbeeld van een beschrijvend sociologisch onderzoek. ‘Het geweld vangt doorgaans vrij vroeg in de relatie aan. Bij een derde van de vrouwen die geweld meemaakten, vond het eerste gewelddadige incident plaats gedurende het eerste half jaar van de relatie, bij een kleine helft van de vrouwen (47,7 %) in de loop van het eerste jaar. Bij minder dan 1 op de 6 vrouwen (15,7 %) duurde de relatie al langer dan vijf jaar voor het eerste geweld plaatsvond. 6,7 % van de vrouwen was al langer dan 10 jaar geweldloos samen (…). De meeste vrouwen die naar een onthaalcentrum komen, maken al gedurende een geruime tijd geweld mee. Bij 1 op de 3 vrouwen (31,1 %) duurt het geweld al langer dan 10 jaar, bij 1 op de 7 vrouwen (14,1 %) zelfs al langer dan 20 jaar. Bij 1 op de 5 vrouwen (21,7 %) is het geweld nog niet langer dan een jaar aan de gang’ (Opdebeeck, 1993).

hypothese toetsend onderzoek causaal model

kwantitatief onderzoek

In hypothese toetsend onderzoek wordt gewerkt met verbanden en eventuele causale relaties. In het laatste geval maakt de onderzoeker een onderscheid tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen, die geplaatst kunnen worden in een causaal model. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van statistiek, om tot valabele analyses en conclusies te komen. Vandaar dat dit type onderzoek vaak statistisch onderzoek wordt genoemd. Omdat de sociale werkelijkheid via survey-onderzoek wordt weergegeven in cijfers, spreken we van kwantitatief onderzoek. Een voorbeeld van een oorzaak-gevolgrelatie in sociale verschijnselen vinden we in het Vlaamse sociologische onderzoek van Derks en Vermeersch (2000) in Elchardus en Glorieux (2002). In deze studie concluderen de onderzoekers dat ‘… hoofdzakelijk de houdingen van de leerlingen en de schoolcultuur bepalend zijn voor het differentieel presteren tussen jongens en meisjes op school. Machohoudingen en een negatieve schoolcultuur waarin machohoudingen dominant zijn en er weinig wordt geparticipeerd in het schoolleven, blijken schadelijk voor de studieresultaten van de leerlingen en verklaren het genderverschil in de schoolcarrières van jongens en meisjes’ (Elchardus & Glorieux, 2002: 236).

experiment

10

sociologie-economen.indb 10

Het experiment verschaft eveneens kwantitatieve gegevens. De onderzoeker introduceert bepaalde veranderingen waarvan de effecten worden bestudeerd, maar hij zorgt ervoor dat andere variabelen onder controle worden gehouden. In de sociologie wordt het experiment niet zo frequent gehanteerd

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


om de eenvoudige reden dat het een veeleisende methode is, waarbij de variabelen onder controle moeten worden gehouden. De sociale werkelijkheid is zo complex dat de manipulatie van variabelen een uiterst moeilijke opgave wordt. Soms is het ook om ethische redenen onverantwoord om sociale experimenten uit te voeren. De casestudy werkt minder met ‘harde gegevens’ (cijfers, statistische relaties) maar gaat veeleer in de diepte werken, met een beperkt aantal onderzoekseenheden. Meestal heeft de onderzoeker ook meer oog voor de situationele context van de onderzochte groep of situatie, en gaat hij ook dieper in op het interpretatieve kader van een sociale situatie. Er wordt dus gelet op de interpretaties die mensen geven aan de sociale werkelijkheid en de mate waarin ze zich laten leiden door hun ‘definitie van de situatie’. Dat vraagt van de onderzoeker een professioneel inlevingsvermogen in de wereld van de onderzoekseenheid. We noemen dit kwalitatief onderzoek omdat de sociale werkelijkheid wordt weergegeven door woorden.

de casestudy

kwalitatief onderzoek

1.2.2 Criteria van sociaal wetenschappelijk onderzoek Het wetenschappelijk onderzoek wordt gestuurd door een aantal belangrijke criteria, waaraan elk onderzoek min of meer moet voldoen. Deze criteria zijn algemeen geldig in de wetenschappelijke wereld en vormen een soort kwaliteitsgarantie voor ernstig wetenschappelijk onderzoek. De onderzoeker houdt rekening met de vereisten m.b.t. representativiteit, validiteit, betrouwbaarheid en objectiviteit.

1.2.2.1 Representativiteit Als een onderzoek representatief is, dan betekent dit dat de conclusies die geldig zijn voor een deelgroep van de populatie gegeneraliseerd kunnen worden naar de onderzoekspopulatie toe. Bij grootschalig sociaalwetenschappelijk onderzoek wordt meestal gewerkt met een representatieve steekproef om aan de eis van representativiteit te kunnen voldoen. Stel dat we willen weten hoe het staat met de kennis en het preventiegedrag van Vlamingen m.b.t. kanker. Om hier op grote schaal informatie over te verzamelen, is de schriftelijke enquête de aangewezen techniek. Idealiter zouden we alle Vlamingen een enquête moeten laten invullen, maar dat is praktisch en financieel niet haalbaar. We zullen bijgevolg een steekproef trekken: een deel van de gehele verzameling Vlamingen zal in dit geval de enquête invullen. In principe moeten ‘alle Vlamingen’ de kans krijgen om in het onderzoek betrokken te worden. De vragenlijst voorleggen aan alle eerstejaarsstudenten van de universiteiten in Vlaanderen zou een niet-representatieve steekproef met zich meebrengen. Vóór het trekken van een steekproef worden meestal een aantal factoren vastgelegd: leeftijdsafbakening, verhouding mannen/vrouwen, verte-

Inleiding: sociologie als wetenschap

sociologie-economen.indb 11

representatief

steekproef

11

15/12/15 10:33


stratificeren

non-respons

exit-polls

genwoordiging uit de verschillende provincies enz. Dat wordt stratificeren genoemd: het maken van deelgroepen waarbinnen elk element evenveel kans heeft om in de onderzoekspopulatie betrokken te worden. Als een onderzoeker deze manier van werken volgt, is dat nog altijd geen garantie voor een representatieve steekproef. We hebben immers te maken met het fenomeen van de nonrespons, of een groep van onderzochten die op basis van een gemeenschappelijk kenmerk voor een vertekening van de onderzoeksresultaten kunnen zorgen. Veronderstel dat het bovengenoemde onderzoek telefonisch zou worden afgenomen. Dan kan een bepaalde deelgroep van de populatie ondervertegenwoordigd zijn (bvb. de groep van diegenen die geen telefoon bezitten en meestal tot de laagste inkomenscategorieën behoren). Het is mogelijk dat die ondervertegenwoordigde groep bepaalde kenmerken bezit, zoals inkomen of opleiding, die ervoor zorgen dat de onderzoeksresultaten niet meer gelden voor de gehele populatie. Want de leden van de ondervertegenwoordigde groep hebben hun mening niet kunnen geven. Geldige steekproeftrekking behoort tot de methodologische instrumenten van de socioloog. Een van de bekendste toepassingen zijn de exit-polls bij verkiezingen. Na het sluiten van de stembureaus worden op basis van een steekproef de verkiezingsresultaten voorspeld. In de meeste gevallen blijken die weinig af te wijken van de uiteindelijke verkiezingsresultaten.

1.2.2.2 Validiteit validiteit

Om aan de voorwaarde van validiteit te voldoen, is het noodzakelijk dat de onderzoeksresultaten een weerspiegeling vormen van wat de onderzoeker met het onderzoek beweert te onderzoeken. Stel dat een onderzoeker uitspraken wil doen over de kwaliteit van de ziekenhuiszorg op de afdeling geriatrie in een ziekenhuis. De onderzoekers stellen via een algemene vraag vast dat er een grote mate van ontevredenheid heerst bij de respondenten. Nochtans waren de patiënten zeer tevreden over de technische aspecten van de verzorging, maar ze vonden het eten slecht en de kamer te klein. Door de algemene vraag over de tevredenheid wordt de hotelfunctie van het ziekenhuis beoordeeld en niet de ‘kwaliteit van de ziekenzorg’. Dikwijls zijn algemene, open vragen niet aangewezen met het oog op validiteit. We stellen bijvoorbeeld de vraag: ‘Hoe kan kanker worden voorkomen?’. Persoon A kan antwoorden vanuit het beleidsoogpunt: ‘gratis mammografieën bij vrouwen boven de 50 jaar’. Persoon B kan antwoorden vanuit persoonlijk oogpunt: ‘gezonder eten’. Ook bij het kiezen van de bevragingstechniek moeten onderzoekers rekening houden met de validiteit. Zo is het niet aan te raden gevoelige onderwerpen aan te snijden in een straatenquête. Weinig mensen zullen zich geroepen voelen openlijk over overspel te praten met een onderzoeker. Het gevaar voor

12

sociologie-economen.indb 12

Hoofdstuk 1

15/12/15 10:33


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789038224565 by Uitgeverij Lannoo - Issuu