oefenboek_psycho.book Page 3 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
O EFENBOEK P SYCHOLOGIE
F RANÇOIS D UMOUL IN M ARC B RYSBAERT
oefenboek_psycho.book Page 4 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
Š Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent Tel. 09/233 80 88 info@academiapress.be www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
François Dumoulin & Marc Brysbaert Oefenboek Psychologie Gent, Academia Press, 2015, 184 pp.
ISBN: 978 90 382 2332 2 D/2015/4804/145 NUR1 770 U 2386
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
oefenboek_psycho.book Page 1 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
I NHOUDSTA FE L Inleiding
3
VIERKEUZEVRAGEN
5
Hoofdstuk 1: Wat is Psychologie? Antwoorden Hoofdstuk 1
7 13
Hoofdstuk 2: De biologische basis van het gedrag Antwoorden Hoofdstuk 2
14 20
Hoofdstuk 3: Gewaarwording Antwoorden Hoofdstuk 3
21 27
Hoofdstuk 4: De waarneming Antwoorden Hoofdstuk 4
28 34
Hoofdstuk 5: Aandacht, cognitieve controle, bewustzijn Antwoorden Hoofdstuk 5
35 41
Hoofdstuk 6: Conditionering en leren Antwoorden Hoofdstuk 6
42 48
Hoofdstuk 7: Onthouden en vergeten Antwoorden Hoofdstuk 7
49 55
Hoofdstuk 8: Taal Antwoorden Hoofdstuk 8
56 62
Hoofdstuk 9: Denken Antwoorden Hoofdstuk 9
63 69
Hoofdstuk 10: Emotie en motivatie Antwoorden Hoofdstuk 10
70 76
Hoofdstuk 11: Intelligentie Antwoorden Hoofdstuk 11
77 83
Hoofdstuk 12: De persoonlijkheid Antwoorden Hoofdstuk 12
84 90
Hoofdstuk 13: Psychopathologie Antwoorden Hoofdstuk 13
91 97
Hoofdstuk 14: Therapieën Antwoorden Hoofdstuk 14
98 104
Hoofdstuk 15: Gedrag en gezondheid Antwoorden Hoofdstuk 15
105 111
Hoofdstuk 16: Sociale psychologie Antwoorden Hoofdstuk 16
112 119
Hoofdstuk 17: Toegepaste psychologie Antwoorden Hoofdstuk 17
120 126 1
oefenboek_psycho.book Page 2 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
I NHOUDSTAFEL
JA/NEE VRAGEN
127
Hoofdstuk 1: Wat is Psychologie? Antwoorden Hoofdstuk 1
129 132
Hoofdstuk 2: De biologische basis van het gedrag Antwoorden Hoofdstuk 2
133 135
Hoofdstuk 3: Gewaarwording Antwoorden Hoofdstuk 3
136 138
Hoofdstuk 4: De waarneming Antwoorden Hoofdstuk 4
139 142
Hoofdstuk 5: Aandacht, cognitieve controle, bewustzijn Antwoorden Hoofdstuk 5
143 145
Hoofdstuk 6: Conditionering en leren Antwoorden Hoofdstuk 6
146 148
Hoofdstuk 7: Onthouden en vergeten Antwoorden Hoofdstuk 7
149 151
Hoofdstuk 8: Taal Antwoorden Hoofdstuk 8
152 154
Hoofdstuk 9: Denken Antwoorden Hoofdstuk 9
155 158
Hoofdstuk 10: Emotie en motivatie Antwoorden Hoofdstuk 10
159 161
Hoofdstuk 11: Intelligentie Antwoorden Hoofdstuk 11
162 164
Hoofdstuk 12: De persoonlijkheid Antwoorden Hoofdstuk 12
165 168
Hoofdstuk 13: Psychopathologie Antwoorden Hoofdstuk 13
169 171
Hoofdstuk 14: Therapieën Antwoorden Hoofdstuk 14
172 174
Hoofdstuk 15: Gedrag en gezondheid Antwoorden Hoofdstuk 15
175 177
Hoofdstuk 16: Sociale psychologie Antwoorden Hoofdstuk 16
178 180
Hoofdstuk 17: Toegepaste psychologie Antwoorden Hoofdstuk 17
181 184
2
oefenboek_psycho.book Page 3 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
I N L E ID I N G Het handboek psychologie van Marc Brysbaert en dit bijbehorend oefenboek zijn volledig herzien. Je kunt als student dit oefenboek gebruiken ter voorbereiding van je examen of tentamen. Het bevat twee soorten vragen: meerkeuzevragen met 4 antwoordalternatieven en ja/nee vragen. Op de website van het boek vind je ook nog online oefeningen over de hoofdlijnen en de kernbegrippen. De eerste geven je het skelet van de psychologische kennis; de tweede bezorgen je een compendium of dictionaire van de psychologie. Vierkeuzevragen Instellingen van hoger onderwijs (universiteiten, hogescholen, academies) nemen tentamens af om de kennis van hun studenten te toetsen. Een veelgebruikte toetsvorm is een tentamen met vierkeuzevragen. Hiervan hebben we voor elk hoofdstuk twee tests met 15 vragen opgenomen. Dit maakt het mogelijk om je kennis op twee verschillende momenten te toetsen (bijv. meteen na het studeren en een paar dagen voor het examen). Houd er rekening mee dat er bijna altijd een giscorrectie gebruikt zal worden aan je instelling. Anders heb je immers gemiddeld genomen 25% van de vragen correct door te gokken. Welke correctie gebruikt wordt, hangt af van instelling tot instelling. Hier kun je best navraag over doen bij de docent. Een formule die bij benadering zal kloppen is: aantal goede antwoorden – aantal foute antwoorden/3. Als je dus 12 goede antwoorden en 3 foute hebt, zal je score 12 – 3/3 = 11 op 15 zijn. Concreet betekent dit je pas echt geslaagd bent voor een toets als je minimaal 10 van de 15 vragen juist hebt (10 – 5/3 = 8,3 op 15). Met 9 juiste antwoorden haal je het nipt niet (9 – 6/3 = 7 op 15). Ja/nee-vragen Een andere veel gebruikte toetsvorm is een ja/nee-tentamen, waarbij je van een uitspraak moet aangeven of deze juist of onjuist is. Met dit oefenboek kun je bij jezelf twee dergelijke toets met 20 vragen afnemen. Om te weten welke score je hebt gehaald, zal je opnieuw moeten weten welke giscorrectie gebruikt wordt aan jouw instelling. Een goede benadering is: aantal juiste antwoorden – aantal foute antwoorden Als je dus 15 vragen juist hebt en 5 fout, dan is je score 15 – 5 = 10/20. Dit is het minimale aantal dat je nodig hebt om echt geslaagd te zijn.
3
oefenboek_psycho.book Page 4 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
I NLEIDING
Tot slot Psychologie gaat over het gedrag van mensen en omdat veel psychologen gezaghebbend wetenschappelijk onderzoek hebben gedaan over de wijze waarop mensen informatie verwerken, zijn er heel wat passages in het handboek die je kunt gebruiken om je eigen studiegedrag te begrijpen en te verbeteren. Lees bijv. nog maar eens na wat er verteld wordt over de OSLORO-methode (272, 430), het toetseffect (284-286, 731-732), leessnelheid (312), faalangst (404), studiemotivatie (410-416), prestatiemotivatie en faalangst (413, 427-435, 493, 738), perfectionisme (415, 431-432, 564, 594, 607, 630, 639), omgaan met stress (474, 505), relationele en onderwerpspecifieke verwerking (730, 731) en technieken voor het onthouden van cursusmateriaal (732). Vooral de pagina’s 410 e.v. en 730 e.v. kunnen we je aanbevelen. Wij wensen je veel plezier met het bestuderen van de psychologie en succes met je tentamen. François Dumoulin, Hengelo/Bunde, 15 maart 2015 Marc Brysbaert, Gent, 4 augustus 2015
4
oefenboek_psycho.book Page 5 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
5
oefenboek_psycho.book Page 6 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
oefenboek_psycho.book Page 7 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 1 : W AT
IS
P S Y C H O L O G IE ?
T E ST 1 1.
Wat is het belangrijkste verschil tussen de psychologische en de filosofische benadering van de mens? a. Psychologen zijn meer geĂŻnteresseerd in abnormaal gedrag b. Filosofen aanvaarden niet dat sommige vaardigheden aangeboren zijn c. Psychologen baseren hun interpretaties op systematische observatie d. Filosofen zijn alleen maar geĂŻnteresseerd in de rede en houden geen rekening met gedrag en gevoelens
2.
Welke proef werd NIET uitgevoerd in de 19de eeuw? a. Onderzoeken hoe mensen kleuren zien b. Onderzoeken hoe snel de zenuwen signalen doorsturen c. Onderzoeken welke de sterkte van een ervaring is bij een stimulus d. Onderzoeken wanneer mensen aan een bevel gehoorzamen
3.
Met welke school wordt de Amerikaanse psycholoog William James geassocieerd? a. Functionalisme b. Structuralisme c. Empiricisme d. Rationalisme
4.
Het onderscheid tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen werd voor het eerst gemaakt door ___. a. Het logisch positivisme b. Het behaviorisme c. De cognitieve psychologie d. De experimentele psychologie
5.
Wat hadden Michotte en Linschoten met elkaar gemeen? a. Ze deden onderzoek over de perceptie van causaliteit b. Ze kwamen tot de conclusie dat introspectie geen goede methode is voor de psychologie c. Ze hadden allebei bij Wundt gestudeerd in Leipzig d. Op basis van correlatieonderzoek onderzochten ze het verband tussen de klasgrootte en de mate van agressie
6.
Welke factor heeft GEEN rol gespeeld bij het ontstaan van de cognitieve psychologie? a. De ontdekking van de computer b. De proeven van Tolman over het leren van de weg in een doolhof door ratten 7
oefenboek_psycho.book Page 8 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
c. De vaststelling dat waarneming, geheugen en taal actieve processen zijn d. De ontdekking dat men de hersenactiviteit tijdens een taak kan registreren met hersenscans 7.
Welk alternatief is een dimensie waarop culturen van elkaar verschillen volgens Hofstede? a. Rationaliteit b. Culturele inhibitie c. Afstand op basis van macht d. Stereotiepe bevooroordeeldheid
8.
Freud en Lorenz raadden mensen aan om hard te werken en aan competitieve sporten te doen om hun agressie-energie naar minder gevaarlijke uitlaatkleppen te kanaliseren. Dit kwam doordat zij te WEINIG aandacht besteedden aan de ____ bijdragen tot de agressie. a. Biologische en cognitieve b. Biologische en sociaal-culturele c. Sociaal-culturele en cognitieve d. Biologische, cognitieve en sociaal-culturele
9.
Els vraagt zich af of mensen meer drinken naarmate de groep groter is. Om dit te onderzoeken gaat ze voor haar onderzoek, zo lang als nodig is, in een studentenrestaurant zitten en registreert alleen de GROOTTE van de groepjes studenten die met elkaar interageren en het AANTAL glazen dat ze drinken bij hun maaltijd. Welke onderzoekstechniek beschrijft het best de benadering van Els? a. Experimenteel onderzoek b. Naturalistische observatie c. Correlationeel onderzoek d. Gevalsstudie
10. Wanneer de aanwezigheid van de onderzoeker invloed heeft op het geobserveerde gedrag dan spreken we van ____. a. Sociale wenselijkheid b. Reactief gedrag c. Afhankelijk gedrag d. Een positieve correlatie 11. Wat is het voordeel van een gestandaardiseerde psychologische test? a. Men ondervangt het probleem van de sociale wenselijkheid. b. Men heeft oog voor de verschillen tussen de mensen. c. Ze zijn gemakkelijker te interpreteren dan de antwoorden op vragenlijsten. d. Men heeft een beeld van de scores die verwacht kunnen worden.
8
oefenboek_psycho.book Page 9 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 1: W AT IS P SYCHOLOGIE ?
12. Een negatieve correlatie treedt op wanneer __________________________. a. De variabelen in tegenovergestelde richting variĂŤren b. De steekproef niet representatief is voor de hele populatie c. De onderzoeksresultaten conform zijn aan de tegengestelde hypothese d. De variabelen onduidelijk gedefinieerd zijn 13. In een experiment zal de onderzoeker rekening houden met het effect van de ____ variabelen op de resultaten. a. Onafhankelijke en controleb. Afhankelijke en onafhankelijke c. Afhankelijke en controled. Onafhankelijke, afhankelijke en controle14. Dr. Dewilde wil nagaan of zonlicht in een auditorium ervoor zorgt dat de studenten beter opletten. Hiervoor plaatste zij 1 groep studenten in een auditorium met een glazen dak, en een andere groep studenten in een auditorium met kunstverlichting. De colleges in beide auditoria worden door dezelfde docent gegeven en deze was niet op de hoogte van de studie. Wat is hoogst waarschijnlijk de afhankelijke variabele in het onderzoek van Dr. Dewilde? a. Het auditorium b. De studenten c. De docent d. De examenresultaten 15. Externe validiteit is het nauwst verbonden met ___. a. Veralgemeenbaarheid b. De kans op storende variabelen c. Het soort onderzoek dat wordt uitgevoerd d. De gegronde voorspelling vanuit een theorie T E ST 2 1.
In welk land werd het eerste laboratorium voor psychologisch onderzoek opgericht? a. Nederland b. Engeland c. Duitsland d. De Verenigde Staten van Amerika
2.
De Nederlandse oogarts Donders publiceerde in 1868 een artikel dat de basis zou vormen voor ___. a. Het nativisme b. Gestaltpsychologie
9
oefenboek_psycho.book Page 10 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
c. De mentale chronometrie d. De psychofysica 3.
Een psychologe die haar beleving van een zonsondergang analyseert in termen van sensaties, herinneringen aan vroegere zonsondergangen, en emotionele reacties past de ___ visie toe. a. Structuralistische b. Cognitieve c. Behavioristische d. Psychoanalytische
4.
Welke vroege school werd het meest beïnvloed door het logisch positivisme? a. Het structuralisme b. Het functionalisme c. Het behaviorisme d. De gestaltpsychologie
5.
Waarom was de ontdekking van het principe van de informatiefeedback belangrijk? a. Omdat het behaviorisme dit principe niet kon verklaren aan de hand van S-R relaties b. Omdat men het functioneren van de mens nu in grotere mate kon vergelijken met dat van een machine c. Omdat het een verklaring bood voor aangeboren eigenschappen bij de mens d. Omdat dit aantoonde dat de mens meer is dan de som van de delen en in voortdurende interactie staat met het psychologische veld
6.
In 1967 suggereerde Stanley Milgram dat de wereld een ‘small world’ was. Wat bedoelde hij daarmee? a. Dat alle mensen beïnvloed worden door sociaal-culturele factoren b. Dat iedereen met wie dan ook in contact gebracht kan worden via een gemiddeld aantal stappen van zes kennissen van kennissen c. Dat mensen op elkaar reageren zoals in een klein dorp, zelfs als ze ver uit elkaar wonen d. Dat mensen vooral beïnvloed worden door hun eigen etnische groep, zelfs wanneer ze ergens anders wonen
7.
Welk van de volgende alternatieven is GEEN beschrijvend onderzoek? a. Het paargedrag van mannelijke en vrouwelijke ganzen in het wild observeren b. Een intensieve studie maken van een zinloze moord die racistisch geïnspireerd lijkt te zijn c. Nagaan of er verband is tussen de antwoorden op een opiniepeiling en het gedrag dat mensen effectief vertonen d. Het gedrag van fysici filmen terwijl ze de resultaten van een belangrijk experiment analyseren
10
oefenboek_psycho.book Page 11 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 1: W AT IS P SYCHOLOGIE ?
8.
Sociale wenselijkheid is een probleem bij ___. a. Gestructureerde en ongestructureerde interviews b. Ongestructureerde interviews maar niet bij gestructureerde interviews c. Gestructureerde interviews maar niet bij ongestructureerde interviews d. Opiniepeilingen maar niet bij interviews
9.
Maria heeft gemerkt dat hoe trager ze een tekst leest, hoe minder ze kan onthouden van hetgeen ze heeft gelezen. Het is haar duidelijk dat er een ___ correlatie bestaat tussen haar snelheid van lezen (uitgedrukt in het aantal woorden per minuut) en de hoeveelheid onthouden informatie (uitgedrukt in aantal vragen juist beantwoord). a. Positieve b. Bivalente c. Negatieve d. Nul-
10. Een onderzoeker manipuleert de ___ om het effect op de ___ na te gaan. a. Onafhankelijke variabele; afhankelijke variabele b. Afhankelijke variabele; experimentele variabele c. Onafhankelijke variabele; meetvariabele d. Experimentele variabele; onafhankelijke variabele 11. Een onderzoek(er)(ster) wil nagaan of het zien van een tv-toestel mensen zin doet krijgen in snoep. Hiervoor kan zij het best gebruik maken van ___. a. Een gestandaardiseerde test b. Een gevalsstudie c. Een correlationeel onderzoek d. Een experiment 12. Als we met zekerheid kunnen stellen dat veranderingen in ĂŠĂŠn variabele geleid hebben tot veranderingen in een andere variabele, dan heeft ons onderzoek een ___ validiteit. a. Interne b. Externe c. Experimentele d. Ecologische 13. Informed consent wordt gebruikt bij ___. a. Mens- en dieronderzoek b. Mensonderzoek c. Dieronderzoek d. Onderzoek met een debriefing
11
oefenboek_psycho.book Page 12 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
14. Welke uitspraak is WAAR over de biomedische behandeling? a. De biomedische behandeling werd voorgesteld door Engel (1977) b. De biomedische behandeling is vooral van toepassing bij chronische stoornissen c. De biomedische behandeling wordt in vraag gesteld doordat omgevingsinvloeden genen aan of uit kunnen schakelen d. De biomedische behandeling is het meest aangewezen bij overdreven agressie 15. Wetenschappelijke conclusies kunnen soms fout zijn. Welk alternatief kan hiervan GEEN oorzaak zijn? a. Er is te veel convergentie in de resultaten van de verschillende proeven b. TheorieĂŤn zijn altijd gissingen c. Datapatronen moeten geĂŻnterpreteerd worden d. Een controlevariabele werd over het hoofd gezien
12
oefenboek_psycho.book Page 13 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 1: W AT IS P SYCHOLOGIE ?
Antwoorden Hoofdstuk 1 TEST 1
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.
c d a a b d c c c b d a a d a
T E ST 2
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.
c c a c b b c a a a d a b c a
13
oefenboek_psycho.book Page 14 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H O O F D ST U K 2 : D E
B I O L O G IS C H E B A S I S VA N H E T G E D R AG
TEST 1 1.
Hoe belang van de hersenen wordt geĂŻllustreerd met het feit dat __.% van ons bloed ernaar toestroomt. a. 1% b. 2% c. 8% d. 20%
2.
In vergelijking met volwassenen is er bij kleine kinderen relatief meer grijze materie in de hersenen dan witte. Dit komt doordat __________________. a. Een belangrijk deel van de neurogenese gebeurt tijdens de kindertijd b. Een belangrijk deel van de myelinisatie gebeurt tijdens de kindertijd c. Er minder interneuronen zijn bij kinderen dan bij volwassenen d. De bewegingen van kinderen minder goed gecoĂśrdineerd zijn dan bij volwassenen
3.
De informatiesnelheid van het axon wordt versneld: a. Door een grotere diameter van het axon en door de aanwezigheid van een myelineschede b. Door een groter aantal neuronen dat vuurt en de grootte van de actiepotentialen van de individuele neuronen c. Door de grootte van de actiepotentialen van de individuele neuronen en de snelheid van de actiepotentiaal d. Door de snelheid van de actiepotentiaal in de individuele axonen en het aantal signalen dat samenkomt in de axonheuvel
4.
Welke uitspraak is WAAR? a. Sommige neuronen ontvangen alleen excitatorische signalen; andere alleen inhibitorische signalen b. De meeste neuronen ontvangen alleen excitatorische signalen en hebben een myelineschede c. De meeste neuronen ontvangen alleen inhibitorische signalen en hebben een myelineschede d. Sommige neuronen hebben een myelineschede
5.
Dopamine staat tot de ziekte van Parkinson zoals _______________. a. Serotonine staat tot de ziekte van Alzheimer b. Serotonine staat tot noradrenaline c. Acetylcholine staat tot de ziekte van Alzheimer d. Acetylcholine staat tot schizofrenie
14
oefenboek_psycho.book Page 15 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 2: D E BIOLOGISCHE BASIS VAN HET GEDRAG
6.
Welk deel van het zenuwstelsel is door gebeente omringd? a. Het autonome zenuwstelsel b. Het centrale zenuwstelsel c. Het somatische zenuwstelsel d. Het sympathische zenuwstelsel
7.
De grote hersenen staan tot gedachten zoals ______________. a. De frontale lob staat tot voorwerpherkenning b. De amygdala staat tot bewegingscontrole c. Het ruggenmerg staat tot reflexen d. De kleine hersenen staan tot taalbegrip
8.
Het genotcentrum dat ontdekt werd door Olds en Milner is een onderdeel van __________. a. De thalamus b. De hypofyse c. De hypothalamus d. Het corpus geniculatum
9.
De hippocampus is essentieel voor ______________. a. Het regelen van emoties b. Het geheugen c. Het percipiĂŤren van angst d. Het controleren van bewegingen
10. Terwijl Maarten in de fMRI scanner ligt, wordt met een veer over zijn rechterarm gestreken. In welk deel van de hersenen verwacht je activiteit te zien? a. Het gebied van Broca in de linkerhemisfeer b. De somatosensorische cortex in de linkerhemisfeer c. De motorische cortex in de rechterhersenhelft d. Het gebied van Wernicke in de rechterhersenhelft 11. Het herhaaldelijk gebruiken van alcohol tijdens de zwangerschap ___. a. brengt tijdelijke schade toe aan de foetus in de baarmoeder b. brengt alleen schade toe aan de foetus als deze gevoelige genen daarvoor heeft c. brengt schade toe aan de moeder, maar niet aan de foetus omdat deze beschermd wordt door de placenta d. brengt onherstelbare schade toe aan de foetus in de baarmoeder 12. Welke uitspraak is WAAR? a. Hoe hoger het testosterongehalte hoe beter de prestatie op een mentale rotatietaak b. De controle van het endocriene systeem verloopt via de hypofyse 15
oefenboek_psycho.book Page 16 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
c.
De bijnierschors is essentieel voor de afscheiding van adrenaline op een stressmoment d. Een tekort aan melatonine is de oorzaak van de seizoensgebonden gemoedsstoornis 13. De evolutietheorie had de inzichten van Mendel nodig om te begrijpen ___. a. Hoe eigenschappen van generatie op generatie doorgegeven worden b. Waarom er ‘survival of the fittest’ voorkomt c. Hoe individuele chromosomen het fenotype kunnen bepalen zelfs als ze recessief zijn d. Welke de rol van de chromosomen is bij het genotype 14. De belangrijkste netwerken in de hersenen zijn: a. de formatio reticularis, het cerebrum, het cerebellum b. het frontale netwerk, het pariëtale netwerk, het occipitale netwerk, het temporale netwerk c. het corticale netwerk, het limbische netwerk, het mesencephale netwerk, het medulaire netwerk d. het default netwerk, het dorsale aandachtsnetwerk, het frontopariëtale netwerk 15. Het menselijk DNA bestaat uit a. Een fenotype en een genotype b. Hormonen en neurotransmitters c. Oxytocine en argininevasopressine d. Iets meer dan 3 miljard basenparen TEST 2 1.
Welke uitspraak is FOUT? a. In de prenatale periode worden veel meer neuronen gemaakt dan uiteindelijk zullen overblijven b. Bij een rustpotentiaal heeft de ruimte in het axon een lading van ± 0,0 milivolt c. Neuronen die van de hersenen naar de organen van het lichaam gaan worden motorneuronen genoemd d. Een actiepotentiaal ontstaat in de axonheuvel
2.
Bij een actiepotentiaal ___. a. Stroomt een grote hoeveelheid natrium in het axon b. Stroomt een grote hoeveelheid kalium in het axon c. Stroomt een grote hoeveelheid kalium uit het axon d. Pompen natrium-kaliumpompen natrium in het axon
16
oefenboek_psycho.book Page 17 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
H OOFDSTUK 2: D E BIOLOGISCHE BASIS VAN HET GEDRAG
3.
De knopen van Ranvier zijn een inkeping in ____. a. De myelineschede b. Het axon c. De dendrieten d. De actiepotentiaal
4.
Als men een slaapmiddel bijv. benzodiazepine neemt, dan verhoogt men hoogstwaarschijnlijk de werking van ____. a. Het sympathische zenuwstelsel b. De neurotransmitter GABA c. De neurotransmitter acetylcholine d. Het autonome zenuwstelsel
5.
De kleine hersenen controleren _____ terwijl de medulla oblongata _____ controleert. a. De ademhaling; de hartslag b. De hartslag; de ademhaling c. De hartslag; de bewegingscoรถrdinatie d. De bewegingscoรถrdinatie; de hartslag
6.
Het septum maakt deel uit van ___. a. Het limbische systeem b. De amygdala c. De formatio reticularis d. Het endocriene systeem
7.
Het deel van de somatosensorische cortex dat instaat voor de tong ligt vlak achter het deel van de motorische cortex dat instaat voor de tong. Dit komt door ___. a. De somatotopische organisatie van deze hersengebieden b. De lateralisatie van de grote hersenen c. De plasticiteit van de associatiezones in de grote hersenen d. Het belang van het gebied van Broca voor de spraak
8.
Professor Angela Goebel wil weten of mensen sneller specifieke stimuli zoals woorden in de moedertaal herkennen dan woorden in een goed gekende tweede taal. Welke van de volgende technieken kan zij hiervoor het best gebruiken? a. fMRI b. PET c. ERP d. TMS
17
oefenboek_psycho.book Page 18 Thursday, August 27, 2015 3:53 PM
V IERKEUZEVRAGEN
9.
Terwijl Martin in de fMRI scanner ligt, moet hij overschakelen van een routine naar een minder frequent gedragspatroon (bijv. in zijn moedertaal Nederlands tellen wanneer het licht rood is en op het Engels overschakelen als het licht groen is). In welk deel van de hersenen verwacht je activiteit te zien bij het overschakelen? a. In de frontale lobben b. In de occipitale lob van de rechterhemisfeer c. In de amygdala d. In de medulla oblongata van de linkerhersenhelft
10. Bij een split-brain patiĂŤnt ___. a. Is er een dissociatie tussen het expliciete en het impliciete geheugen b. Is het corpus callosum doorgesneden c. Heeft de rechterhemisfeer geen toegang tot een stimulus die in de linkerhand aangeboden wordt d. Is hemineglect een vaak voorkomend symptoom 11. Welke uitspraak is FOUT? a. Mannen en vrouwen hebben testosteron in hun bloed b. De hypofyse scheidt melatonine af in de pijnappelklier c. Bij een stressreactie komt noradrenaline vrij d. De hypofyse staat onder invloed van de hypothalamus 12. Welke uitspraak is WAAR? a. Het autosoom 2 is groter dan het autosoom 22 b. De chromosomen van een chromosomenpaar zijn identiek c. Men kan de vrouwelijke lijn in een stamboom het best onderzoeken door te kijken naar het X-chromosoom d. Een dominant gen wordt alleen doorgegeven door de vader 13. Het onderzoeksgebied dat onderzoekt hoe het genotype en het milieu interageren om een bepaald kenmerk te produceren, heet ___. a. Het fenotype b. De gedragsgenetica c. De evolutieleer d. De erfelijkheidsleer 14. Het verschil tussen prairiewoelmuizen en bergwoelmuizen interesseert onderzoekers, omdat ze op deze manier hopen de oorsprong van ________te begrijpen a. Intelligentie b. Partnerkeuze c. Het dopaminesysteem d. Spatiale vaardigheden
18