Qa dir Na dery Leo Bor m a ns
De knikkers van Qadir Het waargebeurde verhaal van een vader op de vlucht
Dit verhaal is gebaseerd op waargebeurde feiten. Sommige namen en details zijn veranderd voor de veiligheid van de betrokkenen. Ook Qadir Nadery is een schuilnaam. De oorlog is niet gedaan. Aan het einde van het boek vind je een summier overzicht van de oorlog in Afghanistan. Dit boek is opgedragen aan alle mensen in de wereld die uit hun land moeten vluchten omdat ze er niet veilig zijn. Met een diepe buiging voor alle mensen die hen steunen en opstaan als ze onrecht zien. Bijzondere dank aan Maarten, Jacqueline, Vanessa, Peter, Gie, Roel, Philippe, Laetitia, Charlotte, Riet, Salima, Soraya, Nargis en de ‘100 Vrienden van Qadir’. www.deknikkersvanqadir.com
Proloog 2015 7
DEEL 1
Topaas — 1989 - 1999 15
DEEL 2
Smaragd — 2006 - 2014 77
DEEL 3
Jaspis — 2015 169
DEEL 4
Robijn — 2015 - 2020 219
De oorlog in Afghanistan 329
Proloog
2015 De dood trekt aan onze schoenen. We strompelen door het klotsende water naar de zwarte rubberboot die ons moet redden. Salima en ik dragen onze kinderen over de zee. Ik houd de oudste voor mij uit. ‘Khodaya az too mi khaham’, bidt Salima terwijl zij de jongste wat hoger tilt. ‘Dat God ons veilig naar de andere kant helpt.’ Mijn vrouw is kleiner dan ik, het water komt al bijna tot haar schouders. In haar armen lijkt Nargis op de golven te drijven. Salima en de meisjes kunnen niet zwemmen. Ik heb moeten vechten voor vier zwemvesten. Opgeblazen lucht, ons laatste touwtje zekerheid. Nargis is nog maar twee en Soraya vier. Te jong om te sterven. Hun broertje zou ik op mijn nek nemen, maar we hebben onze kleine Khaibar drie maanden geleden al moeten achterlaten in het zand van het land dat wij zijn ontvlucht. Nog enkele meters zijn we verwijderd van de zwalpende boot. Mijn rugzak loopt vol. Het vuile zeewater overspoelt de zorgvuldig opgeborgen witte jurkjes die de meisjes zullen dragen met Arussi, het Grote Trouwfeest aan de andere kant van de bergen. Ik hoop dat mijn dochters niet denken aan de papieren bedjes die zij voor hun poppen hebben gemaakt. ‘Wachtra hamra as dast’, roepen de hese stemmen van de handlangers van Mister Money. ‘Schiet op! Verspil je tijd en kans
7
niet.’ Ze hebben aan sommige mannen die alleen op de vlucht zijn vuurpijlen en een mes gegeven. Als de Griekse kustwacht opduikt, moeten zij gaten in de rubberboot steken en pijlen in de lucht schieten zodat de boot zinkt en de kustwacht ons zal redden. De Turkse grenswachters zullen ons gewoon terugsturen en dan zijn de voorbije drie maanden zinloos geweest. De bange tocht met paarden over de bergen, de honger, de prikkeldraden en de vluchtauto’s. Als er niemand tussenbeide komt, stranden we straks aan de overkant in het zand en wacht ons daar de vrijheid van een land waar de oorlog zwijgt en het leven leeft. ‘Khodaya az too mi khaham.’ Achter ons wachten meer dan honderd mensen in groepjes of in rijen aan de rand van het zwarte water. Brokstukken aangespoeld uit verbrokkelde landen. Mannen, vrouwen en kinderen uit Syrië, Iran, Irak en, zoals wij, uit Afghanistan. Sommigen maken ruzie. Anderen lopen in paniek rond met vragen. Her en der staan plukjes stil verdriet. Zeven krakkemikkige bootjes liggen klaar. Dat zijn er te weinig. Het enige houten schip is in alle vroegte als eerste vertrokken met daarop veertien vips. Zij hadden duidelijk meer geld betaald dan de andere havelozen aan deze brandende kustlijn. Daarna vertrok de grootste rubberboot. Ik telde bijna zeventig mensen op een vaartuig dat er hooguit vijftig dragen kan. Bagage moest worden achtergelaten, families werden uit elkaar gehaald, mannen duwden vrouwen en kinderen aan de kant. Ik zag hoe de ongeduldige motorfietser die in zijn droomland het podium zou veroveren nagenoeg als eerste op de boot zat en hoe de jongen die niet mocht trouwen met het meisje van zijn dromen haar gepassioneerd over het zwarte rubber tilde. Een
8
hel van ellende scheurde weg over het wilde water, het geroep en gekrijs verdween met de boot achter de hoge golven. ‘Ik wil niet op zo’n overvolle boot’, zei ik tegen de Kassier van Mister Money. ‘Onze kinderen zullen verdrinken.’ Samen met vier andere families hadden we ons verzameld rond de geblokte man die over het geld ging. Angst dreef ons in elkaars armen. De Kassier vroeg meer geld. Hij keek naar onze trouwringen en naar de robijnen oorbellen die ik Salima had gegeven als huwelijkscadeau. Het geld dat we hadden gespaard voor de overtocht van Khaibar was niet genoeg. Ik besloot om mijn trouwring op te geven. Aan de ring en de oorbellen van Salima zou niemand komen. En de acht knikkers in mijn rugzak hadden alleen voor mij waarde. Ook de anderen haalden hun spaargeld en kostbaarheden tevoorschijn. Er was nog steeds zes man te veel voor de rubberboot, maar de twaalf kinderen zouden het gewicht naar beneden halen. Meer kon de Kassier niet voor ons doen, zei hij met de armen in de lucht. We hebben geen tijd te verliezen. Vóór mij in het stuwende water loopt de man die door de Kassier als onze Kapitein werd aangewezen, al zouden wij dat nooit tegen iemand mogen zeggen. ‘We weten je te vinden en snijden je tong af als je hem verraadt’, zei de Kassier, die zelf op de kustlijn achterbleef. Mijn voeten worden zwaarder en zwaarder. Ik klamp me vast aan een touw en help de kleine Soraya over de rand van de rubberboot. Dan neem ik de huilende Nargis uit de handen van mijn vrouw. Een man duwt Salima ruw aan de kant. ‘Hazara mogen niet als eerste op de boot’, zegt de Pashtun, terwijl hij zich met brede armen op de rand hijst. ‘Bini Reaza’, snauwt hij. ‘Aan de kant, kleine neus.’ Zelfs in deze hellepoort spuwen zijn ogen vuur
9
als hij een Hazara ziet. Ik zeg niets en laat hem. Daarna help ik Salima aan boord. Haar sjaaltje valt van haar hoofd en even zie ik in haar nek de afdrukken van de gloeiende vuurstaven uit haar jeugd, onuitwisbare littekens van verbeten vernedering en pijn. Ze wegen niet op tegen het onderhuidse leed dat ze jarenlang moest ondergaan. Welke littekens, op ons lijf en in onze ziel, zullen daar nog bij komen? Er blijken niet genoeg zwemvesten te zijn. Minstens twee jonge mannen zullen het zonder moeten doen. In hun ogen zwemt een mengsel van overmoed, fatalisme en doodsangst. Op het T-shirt van de ene lees ik in geborduurde letters ‘Omidwar dar safar’ (Reis van de Hoop), op het zwarte shirt van de andere jongen staat een witte doodskop. De holle ogen kijken me doordringend aan. Ik wend mijn blik af. Onder welk beeld zal onze boot varen: dat van de hoop of van de dood? Onvoorspelbaar is de reis. Bij elke nieuwe passagier wankelt de boot. Een vader is achteropgeraakt. Hij heeft een kind van amper een jaar oud in zijn armen, zijn andere kind draagt hij op zijn nek. Hij heeft geen handen vrij om de beentjes vast te houden en zijn zoontje klampt zich huilend vast aan de haren van zijn vader. De man houdt op twee meter van mij stil en kijkt me strak aan. Ik knik. Dan gooit hij de baby over het water naar mij toe. Als hij valt, is hij reddeloos verloren. Ik strek mijn armen uit en vang het kleintje uit de lucht. Het kind kijkt me met grote, donkere ogen aan. Dan lacht het. Even voelt het alsof ik onze eigen Khaibar in mijn armen heb en ik tril over heel mijn lijf. Voor elk kind dat gered wordt, sterven er elders vijf. De vader tuimelt met zijn andere zoontje op zijn nek over de rand de rubberboot in. Even is er paniek als we hun kant op
10
hellen. Ik geef hem de baby aan. Hij knikt me toe. Meer niet. Dan daalt er enige rust neer over deze willekeurige groep mensen die wildvreemden voor elkaar zijn. Alsof we allemaal beseffen dat we, nu we in dezelfde boot zitten, verantwoordelijk zijn voor elkaar. We verzamelen de twaalf kinderen in het midden omdat ze daar het veiligst zullen zijn voor de hoge, schuimende golven. De motor slaat aan. De boot dwarrelt als een stuk krantenpapier op het water. We zullen anderhalf uur onderweg zijn, heeft de Kassier gezegd. ‘Als je geluk hebt.’ Niemand kent onze namen. Als deze drijvende krant straks zinkt, zal er geen letter van overblijven. Wij bestaan niet. Onze namen zijn al weggewassen voor we goed en wel vertrokken zijn. Om ons op de wilde tocht voor te bereiden, hebben we nauwelijks gegeten. Toch moet Nargis overgeven. Ook andere mensen kotsen. Soraya zit bleek weggetrokken naast haar zusje. Gespannen houdt ze met haar ene hand die van Nargis vast en met de andere haar moeder. Ik klem Nargis in mijn armen en probeer haar te kalmeren. De zee kronkelt als een woedende draak onder onze voeten. Ik probeer me te concentreren op de Reis van de Hoop, maar krijg de doodskop niet uit mijn gedachten. Slag na slag botsen we over de golven. Onheil duwt en trekt aan ons vanuit de zware wolken boven ons en vanuit het malende water naast en onder ons. Ik kijk niet om. Achter ons ligt het voelbare van daar en toen, voor ons het onzichtbare van waar en dan. Aan de overkant zoek ik een gezicht dat lacht. Meer dan een uur denderen we over het water. Nergens is een oever of een richtpunt te zien. Bij elke schok bonst mijn hart harder in mijn borstkas en wil mijn maag door mijn keel naar buiten. De boot beukt tegen muren waarvan elke kleur
11
verdwijnt in een eindeloos zwart. Ik heb horen zeggen dat de zee hier vijfduizend meter diep is. Alles waarvoor wij op de loop zijn, ligt tegelijkertijd zo ver en zo dichtbij. Plotseling stijgt voorin uit de boot een hevig gekrijs op. Mensen wijzen naar het water. Door het geraas hoor ik niet wat ze zeggen. Ik probeer te ontdekken wat ze zien. Zijn we er al? Dan stokt de adem in mijn keel. Overal dobberen zwemvesten, waarschijnlijk van mensen uit de vorige boot. Ik zie geen armen of benen, alleen oranje vlekken in het wild opspattende water. Van de boot geen spoor. Is ze gezonken? Heeft iemand zijn mes in het rubber gestoken? Ik besef dat de dromen van de motorkampioen en de twee geliefden naar de bodem van de zee zijn gezogen en word misselijk. Mijn ogen zoeken die van de andere mannen in onze boot. Ik weet niet wie van hen ons zou helpen en wie de messen heeft gekregen. Het is oorlog en in iedereen heeft het laatste restje zelfvertrouwen plaatsgemaakt voor bodemloze angst. Meedogenloos jaagt het kwaad achter ons aan. De kapitein maakt geen aanstalten om naar de dobberende oranje vlekken te varen. Recht vooruit gaan we. Steeds wilder wordt de zee. Soms lijkt het of we in een draaikolk verzeild raken. Dan duwt en vecht het rubber tegen het ziedende water dat ons in een spiraal naar beneden wil zuigen. De motor schokt en sputtert. Twee keer valt hij stil en tolt de boot in het rond. ‘Zolang we niet van plaats veranderen, blijven we in evenwicht’, brult de man die zich als Kapitein en stroman van Mister Money overeind probeert te houden. Slachtoffers zijn we allemaal. De echte draken blijven buiten schot. Ik kijk naar mijn vrouw en zie haar ogen vragen: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen met ons? Hoe kan de ene hel nog erger zijn dan de andere?’ Ja, hoe heeft het zo ver kunnen komen?
12
Mijn vader zou deze tocht nooit overleefd hebben, toch voelt het alsof ik hem aan zijn lot heb overgelaten in het drijfzand van het land dat achter ons ligt. De kleine Soraya ziet blauwwit en kijkt als versteend voor zich uit. In mijn armen wil Nargis iets tegen me zeggen. Ik versta haar niet door het zware gebonk van de boot en het water. Ik breng mijn oor bij haar mond. ‘Papa, zijn we bijna bij Arussi, het Grote Trouwfeest?’ ‘Bijna’, stel ik haar gerust. ‘Morgen zijn we er.’ Ik betrap me erop hoe vaak ik dit de voorbije maanden heb gezegd. ‘Morgen, Soraya.’ ‘Morgen, Nargis.’ Dan kijkt mijn dochter me aan en zegt: ‘Waar is morgen, papa?’
13
DEEL 1
Topaas 1989 — 1999
Er wordt gefluisterd dat topaas een mens onzichtbaar kan maken, dat de steen je achter gaas onttrekt aan het spiedende oog van je belagers. Zo veilig en zo kleurloos is topaas.
Ayob — 1989 De knikkers van Ayob liggen als een gemakkelijk doelwit in een kleine cirkel. Als ik er een raak, mag ik hem hebben. Wij noemen dit spel ‘bombarderen’. ‘Baf !’ Vanop ooghoogte maar met mijn ogen dicht laat ik mijn grootste knikker met een doffe klap vallen. Ik raak niets. Hoofdschuddend kijkt de vader van Ayob naar mijn vader en werkt dan verder. De regels van de kleine oorlog die wij spelen, begrijpt hij niet. De regels van de grote oorlog in zijn hoofd zijn ons onbekend. Ik ben acht, maar wanneer ik precies geboren ben, weet ik niet. Tussen die ene aanslag en de andere, volgens mijn moeder. Nu is Ayob aan de beurt om een knikker te droppen. Ik denk dat hij niet altijd de regels volgt en soms stiekem door zijn wimpers kijkt. Toch raakt ook hij geen doel. Ayob is twee jaar jonger dan ik. Ik ben een jongen, hij een kind. Maar hij is wel mijn vriend. We zijn op elkaar aangewezen, Ayob en ik. In de winter glijden we samen over de sneeuw aan de voet van de berg. Een voetbal hebben we niet. Knikkers zijn het enige speelgoed dat we bezitten. Ik heb er twaalf en hij acht. Hoe meer knikkers je hebt, hoe meer aanzien. Twee knikkers stellen niets voor. Die doen gewoon wat twee knikkers kunnen: voorspelbaar tegen elkaar tikken. Drie knikkers rammelen toonaangevend in de zakken van je Perahan-tunban. Je hoort hun rijkdom al van ver aankomen. Met drie knikkers verwerf je achting. Met twaalf knikkers voel ik me een prins, rinkelend rijk. Samen hebben Ayob en ik er twintig. We tellen ze elke dag, alsof ze hun gewicht in goud waard zijn.
17
Songha is de grootste. Hij is de baas van alle knikkers. Songha en ik zijn onoverwinnelijk, zoals Rostam Met Het Tijgervel en Rakhsh, zijn Paard Met De Zwarte Ogen. ’s Avonds vertelt mama kleurrijke verhalen over hen. Hoe Rostam, de jongste zoon van de koning, het magische veulen met een lasso vangt en ze samen de Zeven Beproevingen doorstaan om het land te redden. Hoe ze met vier slagen de Draak van de Bergen overwinnen en zich daarna onderdompelen in het drakenbloed omdat dit hun eeuwige kracht geeft. Mijn Songha heeft de rode en gouden kleuren van saffraanblaadjes, net de gevlekte huid van Rakhsh. Ik vertel niemand wat de kracht is van mijn grootste knikker. Alleen Ayob mag het weten. Terwijl onze vaders op het veld werken, ravotten wij wat in hun buurt. Dat werkt de papa van Ayob op zijn zenuwen. Hij stuurt hem naar huis, naar zijn moeder. Ik blijf alleen achter. De handen en het gezicht van mijn vader zijn grauw en grijs van het werk op het veld. Op een dag vroeg ik hem waar de schram in zijn gezicht vandaan kwam. ‘Van de oorlog’, antwoordde hij. Papa was er nooit en toen ineens wel. Mama vertelde dat hij vier jaar lang zijn dienstplicht in de oorlog moest vervullen. ‘Heb je mensen doodgeschoten?’ vroeg ik toen hij voor het eerst weer thuiskwam. ‘Nee’, zei papa. ‘Wij hebben ons alleen verdedigd.’ Ik keek naar de schram op zijn gezicht en ik wist dat het waar was. Papa’s liegen niet. ‘Wie heeft in jouw gezicht geschreven?’ ‘Niet eens de vijand die we zochten’, zei hij. ‘Elke oorlog laat diepe wonden na. Maar niet het litteken dat je ziet, doet het meeste pijn.’
18
Ik durfde niet te vragen naar de andere littekens. Misschien stond zijn hele lijf wel vol. Misschien zaten ze aan de binnenkant, daar waar het bloed stroomt en het denken stopt. ‘Wat is oorlog?’ vroeg ik. ‘Oorlog is het leven waarin wij leven’, antwoordde mijn vader. ‘Gaan we dan dood als de oorlog voorbij is?’ ‘Nee, dan gaan we leven’, zei hij. ‘Eindelijk leven.’ ‘Wanneer is de oorlog afgelopen?’ vroeg ik. ‘Vele dagen na morgen’, zei hij. ‘We kunnen maar beter over de oorlog zwijgen. Als de slang onder het zand zit, moet je niet op de grond stampen. Aan elke oorlog komt een einde.’ Hij zei het twee keer, alsof hij niet alleen mij maar ook zichzelf moest overtuigen: ‘Aan elke oorlog komt een einde.’ Zijn woorden bleven in mijn hoofd spoken. Wist ik veel. Wat is weten? Wie ben ik? En wat is veel? Zo komt het dat wij zelden spreken over de oorlog, die blijkbaar samenvalt met ons leven, waaraan we ook niet veel woorden besteden. Als we zwijgen over de oorlog, is hij er niet. Maar hoe zit het dan met ons leven? Papa geeft me een emmer en stuurt me naar de rivier om water te halen zodat hij zich kan wassen als het werk gedaan is. Bergaf met een lege emmer is de rivier tien minuten lopen. Met een volle emmer naar boven duurt het twee keer zo lang. Ik dompel de emmer onder tot hij bijna vol is. Doe ik er te veel in, dan zal ik onderweg water verliezen. Nu de zomer gloeit, staat de rivier laag. Misschien kunnen Ayob en ik morgen gaan zwemmen. Dat lijkt me een goed plan. Hoog in de lucht hangt een valk, gevat in stilte, klaar om haar prooi te grijpen. Ik knijp mijn ogen een beetje dicht en staar naar de zon boven de bergflank. Zwarte en blauwe vlekken dansen
19
voor mijn ogen. Dan knalt er een lichtstraal uit de zon. Ze suist over het dal naar het veld waar papa en Ayobs vader aan het werk zijn. Het mulle zand stuift op en verandert in een grote wolk vol gruis. Ik sta stil als steen. Dan hoor ik iemand gillen. Ik neem mijn emmer en ren het pad op. Klots. Klots. Bij elke stap golft er water uit de emmer. Het geroep wordt luider. Dan hoor ik ook vrouwenstemmen. Scherp als messen stijgen ze op uit het stof. Ik struikel maar het lukt me om de emmer rechtop te houden. Vooruit, vooruit, moedig ik mezelf aan. Als ik op het veld kom, zie ik Ayobs vader in een onnatuurlijke houding liggen, als een boom die door Almasak, de bliksem, is getroffen. Hij ligt met zijn gezicht in het zand. Uit een gat aan de achterkant van zijn hoofd puilt iets blauws en grijs. Overal zie ik bloed. De stofwolk trekt traag weg. Papa leunt tegen een rots. Wij kijken elkaar met grote ogen aan. Een vrouw rukt de emmer uit mijn handen en zegt dat het voor de papa van Ayob te laat is. Te laat. Heb ik niet hard genoeg gelopen? Dan veegt ze met het water het bloed weg dat uit de knie van mijn vader stroomt en bindt er een stuk doek omheen. Twee mannen leggen mijn vader op een kar om hem naar het ziekenhuis te brengen. Met de ezel duurt de tocht minstens twee uur. Maar met het paard zullen ze er al over een uur zijn, zegt de man die de hengst strak bij de teugels houdt. Papa pakt mijn handen. Er kleeft bloed aan de zijne en ook in het wit van zijn ogen zie ik rode strepen. ‘Ik ben blij dat jij nog leeft’, zegt hij. ‘Goed dat je water was gaan halen. Ik red het wel.’ Dan klimt het paard het smalle pad op. Ik denk dat ik mijn vader nooit meer zal zien. Het stof van de kar mengt zich met dat van smeulend vuur. Alles ruikt alsof de hel uit de aarde naar boven is gekropen.
20
In mijn hand trilt Songha, de grote knikker met de kracht van drakenbloed. Ik wil achter papa aanlopen maar ik sluit mijn ogen en zie Rostam op zijn paard voorbijrazen. Hij moet de strijders van Kavus in veiligheid brengen. Zij zijn allemaal blind geworden en kunnen alleen gered worden met een balsem van het bloed en de hersenen van de Witte Demon. Ik probeer hem te volgen op zijn verlossende tocht, maar het lukt me niet. Ik blijf denken aan de stofwolk en de gil die vanaf het veld klonk. Als ze maar op tijd in het ziekenhuis zijn. Ik loop naar huis. Mama staat bij de deur en huilt. Mijn oudere zus Zorah houdt haar hand vast. Als ze mij ziet, tilt mama me op en houdt me dicht tegen haar aan. ‘Mijn kleine jongen’, zegt ze snikkend. ‘Mijn kleine jongen.’ En plots weet ik het: ik ben geen jongen meer. Ik tast in mijn zakken. Ik heb onderweg minstens vijf knikkers verloren. Waar zijn ze? De rinkelende welstand van mijn jeugd. Binnen, in een hoek van de kamer, ligt mijn grootvader. Hij kan niet meer lopen en heeft open wonden op zijn rug. In zijn hoekje ruikt het naar urine. Maar grootvader staart naar het plafond en lacht altijd. Ooit was hij zo sterk als een beer. Soms vragen we of hij nog eens wil vertellen over zijn gevecht met de wolf. Dan komt grootvader tot leven. Zijn verhaal begint met de sluipende wolf die het dorp bedreigt en het eindigt met de woorden ‘Patoo! Patoo!’. Dat is de naam van de deken die grootvader over het dier gooide en waarmee hij hem eigenhandig heeft gewurgd. ‘Patoo! Patoo!’ roepen wij dan mee met opa. Er is weinig over van de grote beer. Zijn vel is slap en hij heeft geen tanden meer. Grootvader moedigt ons aan om gezond te leven. ‘Je lijf zit vol edelstenen’, zegt hij. ‘Je nieren zijn jouw smaragd, je longen zijn van zilver, je maag is het goud en je hart een
21
diamant. Een gezond mens zoekt naar kostbaarheden onder de grond en in de bergen. Pas als hij ziek wordt, ontdekt hij de echte edelstenen in zijn lijf. Maar dan is het te laat.’ Mama, Zorah en ik gaan op de grond zitten. In ons huis hebben we geen stoel, tafel of bed. Ik weet niet waarom ik het vraag, maar ik vraag het toch. ‘Hoe is Taqie gestorven?’ vraag ik aan mijn moeder. Niemand heeft het nog over mijn jongere broertje die er vorig jaar ineens niet meer was. ‘Dood’, zei mijn vader toen hij na twee dagen samen met mijn moeder terugkwam van het ziekenhuis. En daarmee was alles gezegd. Taqie had overal rode stippen. Mama wikkelde hem in een deken. Het was winter en koud. Mama, papa en Taqie vertrokken met de ezel door de sneeuw. ‘Als we terugkomen, zijn de rode stippen weg en kun je weer met Taqie spelen’, zei papa. Dat had ik nog maar weinig gedaan. Taqie was vaak te zwak om te lopen. ‘Hoe is hij gestorven?’ vraag ik. Mama huilt. Zorah draait een touwtje rond haar vingers. Papa is onderweg naar hetzelfde ziekenhuis. Hij zal doodgaan, denk ik, net als Taqie. Ik ben nog nooit in een ziekenhuis geweest en stel het me voor als een tunnel in de berg waar zieke mensen aan de ene kant naar binnen gaan en er aan de andere kant dood naar buiten komen. Sommigen zijn overdekt met rode stippen, anderen hebben een scherf in hun knie. Sommigen liggen op een ezel in een deken gewikkeld, anderen worden met paard en kar binnengereden. Wat er precies in de tunnel gebeurt, weet ik niet. ‘Is Taqie in jouw armen gestorven?’ vraag ik. ‘Nee’, zegt mama. ‘Hij lag in een bed. De dokter zei dat het wel goed zou komen. De kamer lag vol zieke kinderen. Ze waren er erger aan toe dan Taqie en huilden van de pijn. Taqie niet. Hij bleef rustig. Ik zat naast zijn bed en hield zijn hand vast. Papa
22
mocht niet blijven en logeerde bij vrienden. In de tweede nacht voelde ik hoe zijn hand slapper werd en uiteindelijk niet meer bewoog. Ik riep de dokter. Die was er niet. Er kwam een verpleegster, die Taqies ogen openduwde en ze vervolgens weer dichtdeed. “Hij is dood”, zei ze. “We kunnen hem maar beter uit bed halen, want er wachten nog veel zieke kinderen op een bed.”’ ‘Waar is Taqie nu?’ ‘We hebben hem daar begraven’, zegt mama. ‘Het had geen zin om een dood kind door de sneeuw mee naar huis te brengen.’ ‘Ligt hij onder de sneeuw?’ vraag ik. ‘De sneeuw is daar weer weg’, zegt mama. ‘Voor dode kinderen is er een speciale plek naast het ziekenhuis. Er was een oude man die ons hielp om hem te begraven.’ ‘Kan Taqie door de grond naar boven kijken?’ ‘Stop met vragen’, zegt mama. ‘Daar worden de doden niet levend van.’ ‘Ligt papa in hetzelfde bed als dat van Taqie?’ probeer ik nog. Maar mama zwijgt en huilt. Naast de tunnel in de berg is vast een plek vol scherven. Straks ligt daar mijn dode papa. Ik weet het zeker. Ik voel hoe Songha in mijn zak begint te gloeien en moet denken aan de keer dat prins Rostam sliep en er een leeuw kwam aangeslopen. De saffraanvlekken op de huid van Rakhsh lichtten zachtjes op. Het paard rook de leeuw niet, maar voelde hem. Zo vertelde mama het aan mij. ‘Wat heeft Rakhsh met de leeuw gedaan?’ vraag ik aan mama. Zij weet dat ik het antwoord ken en dat ik soms zweef tussen de wondere wereld van Rostam en het zanderige leven aan onze rivier. ‘Rakhsh heeft de leeuw in zijn staart gebeten en hem in stukken gereten’, zegt ze. Ik droom hoe ik het grote paard bestijg,
23
de leeuwen voor het ziekenhuis in stukken rijt en mijn vader tot leven wek met Noush Daru, het levenselixir van Rostam dat alle wonden heelt en levens redt. De oorlog eet vaders op. Vier jaar lang streed papa tegen de vuurspuwende draken in de bergen en al die tijd was ik bang dat hij nooit meer zou terugkeren. Als hij af en toe thuis was, kroop ik onder het warme weefsel van zijn uniform en hing ik aan de leren gesp van zijn jas om hem niet meer los te laten. Over de oorlog vertelde hij niet veel. Hij had het liever over wat we daarna zouden doen: een nieuw huis bouwen, fruitbomen planten en in de zon leven bij het water en de bergen. We luisterden met grote oren naar verhalen waarvan we niet konden weten dat het dromen waren. De gelukkigste dag van mijn leven was toen vader voorgoed thuiskwam, ons bij elkaar riep en plechtig een brief voorlas. Daarin stond dat zijn diensttijd er eindelijk op zat en hij niet meer hoefde te vechten. Voortaan kon hij thuis bij zijn vrouw en kinderen blijven. Ik rende op hem toe en greep hem vast. Eindelijk had ik mijn papa terug. Eindelijk zou alles goed komen. Maar nu ligt papa dood te gaan in de tunnel onder de bevroren berg. En alle toverpaarden slapen. Ik ga naar buiten en loop naar het huis van Ayob, waar het dode lichaam van zijn vader in een deken wordt gewikkeld. Ayob mag daar niet bij zijn. Hij zit buiten voor de deur. Vroeger zou hij meteen zijn opgesprongen en naar mij zijn toegelopen. Nu blijft hij waar hij is. Als ik naast hem ga zitten, realiseer ik me dat ‘vroeger’ hooguit een uur of wat geleden is en dat Ayob geen kind meer is. Ik zit naast een jongen en die jongen zit naast een jongeman. Een jongeman van een jaar of acht.
24
‘Ik heb mijn knikkers verloren’, zeg ik. ‘Waar?’ vraagt Ayob. ‘Onderweg naar de rivier.’ ‘Hoeveel?’ ‘Vijf.’ ‘Heb je Songha nog?’ vraagt Ayob. Ik knik, terwijl ik hem uit mijn zak tover. ‘Laten we de andere gaan zoeken’, stelt Ayob voor. We rennen niet meer zoals we vroeger zouden hebben gedaan. We lopen naar het veld, dat is omgewoeld door de scherven van de raketaanval. Een slagveld dat vanmorgen nog een speelveld was. Het rookt nog na. We kijken naar de grond, naar het schrale gras, en trappen zwijgend wat steentjes aan de kant. Het zand fluistert in de wind. Op het kronkelende pad naar de rivier laat de zon elke steen schitteren alsof hij een knikker is die vecht om aandacht in een eeuwigheid van dezelfde stenen. ‘Diep onder de grond liggen schatten verborgen’, zegt papa altijd. ‘Grotten vol lapis lazuli.’ Mijn knikkers vinden we niet. Pas als we terugkeren, zien we ze liggen. Een topaasblauwe, een jaspisgele en een robijnrode. Even verder liggen er nog twee. Het is alsof ze de zon niet nodig hebben. Ze schitteren van binnenuit. Ayob raapt ze op, edelstenen in de palm van zijn hand. ‘Houd ze maar’, zeg ik. ‘Nu zijn ze van jou.’ ‘We hebben er niet om gespeeld.’ ‘Jij hebt ze gevonden, Ayob’, zeg ik. ‘Ik ben blij dat ze bij jou zijn. Samen hebben we er weer twintig.’ Het is alsof onze ruggen rechter en onze voeten lichter zijn als we bij het huis van Ayob aankomen. Er staan mensen voor de deur, mannen en vrouwen, die afscheid komen nemen van
25
de overledene. Ayob glipt naar binnen. Als hij even later buitenkomt, vraagt hij of ik mijn hand open wil doen. ‘Niet kijken’, zegt hij. Ik voel hoe hij een knikker in mijn hand legt en die weer dichtvouwt. Als ik mijn ogen en mijn hand opendoe, zie ik de Sardonyx, zijn favoriete knikker. De verhoudingen zijn veranderd. Nu heb ik acht knikkers en hij twaalf. Zo is het goed. ‘Vertel nog eens over Olad’, zegt Ayob, als we achter zijn huis zitten in een wolk van huilende, pratende, roepende en biddende stemmen om ons heen. Olad is zijn lievelingsverhaal. Als we moe zijn van het knikkeren, vraagt hij er vaak naar. Van de woorden van mijn moeder heb ik een verhaal over vriendschap gemaakt. Hoe Olad de gids van Rostam werd op zijn haast onmogelijke tocht naar Mazanderan, waar ze de mannen met platvoeten en hondenkoppen overwonnen, en tegen het leger rode olifanten en de slangen in de grot van de twaalfduizend demonen vochten. Voor ons wordt elke knikker een nieuwe vijand. Geen leger te groot, geen dier te vraatzuchtig, geen geest te wild of wij bombarderen hem met Songha en zijn vrienden. Rostam, Olad en Songha zijn het onoverwinnelijke driespan van onze dromen. Maar vandaag voelt het alsof er boven de knikkers in hun veilige cirkel plotseling een rotsblok uit de lucht is gevallen. Alles is kapot. Een week later komt papa thuis. Onder zijn knie gaapt een litteken van tien centimeter dat met achttien grove steken is dichtgenaaid. Maandenlang verzorgt mijn moeder de wond met chinchar, een rode vloeistof die het hele huis naar alcohol doet ruiken. Als mijn vader weer kan lopen, sterft mijn grootvader, uitgeleefd in zijn hoek van de kamer, maar met een glimlach op zijn gezicht die hem voor mij onsterfelijk maakt.
26
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Vormgeving: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) Coverbeeld: Shah Marai (AFP) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020, Leo Bormans en Qadir Nadery D/2020/45/486 – ISBN 978 90 014 69661 – NUR 740 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.