Skip to main content

9789000358854

Page 1

inleiding

Een bespreking met aansluitend ontbijt

Op 20 januari 1942 kwamen vijftien mannen – vrijwel allemaal hooggeplaatste vertegenwoordigers van de nationaalsocialistische staat, de partij en de Schutzstaffel (ss), onder wie vier staatssecretarissen, twee in rang gelijke topambtenaren en een onderstaatssecretaris – op uitnodiging van Reinhard Heydrich, chef van het Reichssicherheitshauptamt, bijeen in een luxueuze villa aan de Wannsee aan de westelijke rand van Berlijn. De schitterende ligging aan het meer, de indrukwekkende oprijlaan uitkomend op een groot voorplein, het uitgestrekte en onder architectuur aangelegde park, de royale kamers met uitzicht over de tuin en het meer, het uit drie niveaus bestaande terras, alsmede de wintertuin en de marmeren fontein geven de bezoeker van het tegenwoordige herinnerings- en studiecentrum Huis van de Wannseeconferentie nog steeds een goede indruk van de bedoeling van de oorspronkelijke opdrachtgever, een begin twintigste eeuw rijk geworden zakenman, om op deze bijzondere plaats een kasteelachtig landhuis te laten bouwen; villa en parktuin moesten het maatschappelijk succes en de gecultiveerdheid van de eigenaar tot uitdrukking brengen. Maar de schoonheid van deze plaats staat in schril contrast met het doel van de bijeenkomst in 1942: in het door de ss als gastenverblijf in gebruik genomen landhuis was een vergadering belegd over de ‘definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk’. Uit de bewaard


8

de wannseeconferentie

gebleven notulen van de bijeenkomst blijkt dat daar werd beraadslaagd over wie er allemaal voor deze Endlösung in aanmerking kwamen, over het deporteren van in totaal elf miljoen mensen die zeer zware dwangarbeid zouden gaan verrichten en over de overlevenden en arbeidsongeschikten die op een andere manier om het leven gebracht zouden worden. Na afloop van de vergadering was er een gezamenlijk ontbijt. Vijftien mannen, onder wie tien met een universitaire opleiding (negen van hen waren juristen van wie er acht gepromoveerd waren1), bespraken deze kwesties onder aangename omstandigheden in een bijna idyllische omgeving, en – zo valt uit de notulen op te maken – met grote toewijding en op een zakelijke en deskundige manier. Op kleine punten verschilden zij met elkaar van mening, maar niemand in het gezelschap stelde het project als geheel, de moord op elf miljoen Joden, ter discussie. Vandaar dat de notulen van de Wannseeconferentie tegenwoordig symbool staan voor de koelbloedige en bureaucratisch georganiseerde massamoord op de Europese Joden. Het is een nauwelijks te bevatten document waarin is vastgelegd hoe de ideologisch bepaalde vernietigingswaan van het nationaalsocialistische systeem op bevel van het hoogste gezag van het regime in overheidshandelen werd omgezet en meedogenloos uitgevoerd. ‘In geen enkel ander document,’ aldus de historicus Wolfgang Scheffler in zijn toespraak bij de opening van het Huis van de Wannseeconferentie in 1992, ‘wordt een zo duidelijk totaalbeeld gegeven van de vernietiging van de Europese Joden.’ 2 De notulen zijn echter niet alleen van grote betekenis vanwege het openlijke, wrede cynisme van hooggeplaatste representanten van het naziregime dat erin tot uitdrukking komt. Zij zijn ook uniek omdat geen enkel ander document zo duidelijk het besluitvormingsproces weerspiegelt dat leidde tot de moord op de Europese Joden. Dit besluitvormingsproces – de voorstellen, besprekingen, verordeningen en afspraken waarbij Hitler, Himmler en Heydrich en andere nazikopstukken betrokken waren – vond hoofdzakelijk mondeling plaats. Voor zover het overleg zijn neerslag vond in be-


een bespreking met aansluitend ontbijt

9

leidsstukken werden die zoveel mogelijk vernietigd of zijn, indien bewaard gebleven, geschreven in versluierende taal en bovendien zijn de documenten niet als een eenheid overgeleverd maar waren her en der verspreid. De initiatiefnemers en organisatoren van de massamoord wilden hun sporen systematisch uitwissen; de reconstructie van de belangrijkste stappen in het besluitvormingsproces is daardoor een moeizaam werk, dat weliswaar is gebaseerd op vele duizenden documenten maar niettemin vragen onbeantwoord laat waardoor er betrekkelijk veel ruimte voor interpretatie bestaat. De notulen van de Wannseeconferentie vormen in zoverre een uitzondering, dat hierin op een nauwelijks verhullende manier werd gesproken over een alomvattend plan om de Europese Joden te vermoorden, waarbij duidelijk wordt dat deze misdaad behalve door ss, Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst (sd) ook actief werd ondersteund door de Rijkskanselarij, de ministeries van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Buitenlandse Zaken, civiele bezettingsautoriteiten, het bureau Vierjarenplan (de hoogste instantie op het gebied van de bewapening) en de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (nsdap). Het uitzonderlijke karakter van de notulen, het feit dat zij niet als onderdeel van een reeks sleuteldocumenten zijn overgeleverd die het besluitvormingsproces van begin tot eind weerspiegelen, maar dat zij een momentopname lijken van een proces dat zich voornamelijk in het verborgene afspeelde, brengt echter de nodige problemen met zich mee en roept tal van vragen op. Hoewel het op het eerste gezicht wel zo lijkt, blijkt na nauwkeurige bestudering van het document dat op de Wannseeconferentie zelf geen ‘besluit’ tot het vermoorden van de Europese Joden is genomen.3 Volgens een gangbare interpretatie wijzen verschillende formuleringen in de notulen er echter op dat de Wannseeconferentie wél de beslissende bijeenkomst was waarop de leiders van de uitvoerende organen bespraken hoe de door Hitler verordonneerde definitieve oplossing zou worden georganiseerd. Zo is sprake van deportaties die in oktober 1941 waren begonnen na ‘voorafgaande toestemming door de Führer’ en zou Heydrich, op grond


10

de wannseeconferentie

van een volmacht die Hermann Göring hem had verleend, een totaalplan gaan opstellen ter voorbereiding van de aanstaande ‘definitieve oplossing’, een plan waarvan hij de contouren op de conferentie al had geschetst. Aan de andere kant: toen de conferentie op 20 januari 1942 plaatsvond, waren al honderdduizenden Joden systematisch vermoord, in de Sovjet-Unie, in het district Galicië van het Generaalgouvernement (het bezette deel van Polen), in Servië en in de ‘Warthegau’. In dit laatste gebied, het door de nazi’s gevormde en bij het rijk ingelijfde deel van Polen, was al het eerste vernietigingskamp gebouwd: vanaf 6 december 1941 werden in de buurt van het plaatsje Chełmno duizenden mensen opeengepakt in speciaal ontworpen gaswagens, waarvan de uitlaatgassen in de laadruimte werden geleid zodat de gevangenen door verstikking om het leven kwamen. In het district Lublin in het Generaalgouvernement was sinds november 1941 een vernietigingskamp in aanbouw, en op verschillende andere plaatsen werden voorbereidingen getroffen om mensen met dodelijke gassen te vermoorden. Als de massamoord dus al op grote schaal begonnen was, waarom waren er dan nog ‘voorbereidingen’ nodig voor de ‘aanstaande definitieve oplossing’? Waaruit zou die ‘definitieve oplossing’ dan concreet bestaan? Duidt het vergevorderde stadium waarin het moorden zich in januari 1942 al bevond er juist niet op, aldus een andere interpretatie, dat de definitieve oplossing helemaal niet het resultaat was van centrale besluitvorming en planning, maar veeleer een ongecoördineerd en ongecontroleerd proces was dat op initiatief van ondergeschikte instanties op gang was gebracht? Deze vragen maken al duidelijk dat doel en betekenis van de Wannseeconferentie pas na een zorgvuldige analyse van de notulen kan worden achterhaald, ook al lijkt er op het eerste gezicht sprake van een ondubbelzinnig plan voor een massamoord, gesteld in opmerkelijk heldere bewoordingen. De moeilijkheden die zich bij de interpretatie van het document voordoen en de daaruit voortvloeiende wetenschappelijke controversen zijn niet in de laatste plaats het gevolg van het feit dat his-


een bespreking met aansluitend ontbijt

11

torici lange tijd zijn uitgegaan van verschillende verklaringsmodellen, die vaak op zo’n manier werden geformuleerd dat zij niet met elkaar te verenigen waren. De belangrijkste verklaringen zal ik hier kort uiteenzetten. Aan de ene kant bestaat de opvatting dat de moord op de Europese Joden een langgekoesterd plan van de nazileiding was, met name van Hitler, dat op centraal niveau werd aangestuurd en stapsgewijs uitgevoerd. Volgens deze ‘intentionalistische’ interpretatie zou Hitler op een bepaald tijdstip, in de zomer van 1941 of al eerder, het fundamentele besluit hebben genomen om de Europese Joden uit de weg te ruimen.4 Andere historici die met dit verklaringsmodel werken, denken dat Hitler deze cruciale beslissing aan het eind van de zomer 5, in de herfst 6 of in december 7 had genomen. Naar hun mening was de uitbreiding van de oorlog voor Hitler de aanleiding om zijn voornemen om de Joden onder alle omstandigheden te ‘verwijderen’ nu ook in daden om te zetten. Er wordt hier dus gezocht naar een type verklaring waarin Hitlers bedoelingen in verband worden gebracht met inzichten in de structuren en functies van de nationaalsocialistische staat. Volgens de intentionalisten was de Wannseeconferentie dan ook bedoeld om het – wanneer dan ook genomen – besluit van Hitler en de nazileiding uit te voeren. De tegenwerping dat al vóór de conferentie op grote schaal gemoord werd en dat de conferentie als het erom zou gaan het moordbevel te implementeren eigenlijk te laat plaatsvond, pareren de intentionalisten met het argument dat de conferentie meer een formele dan een praktische betekenis had: Heydrich zou haar hebben belegd om zijn ‘benoeming’ tot degene die voor de definitieve oplossing verantwoordelijk was officieel vast te leggen, terwijl het door hem aangestuurde moordprogramma allang op gang gekomen was.8 Wie de stelling verkondigt dat Hitler zijn besluit tot de definitieve oplossing in december 1941 had genomen, dus na de oorlogsdeelname van de Verenigde Staten, moet de vraag beantwoorden waarom de oorspronkelijke uitnodiging voor de conferentie dan al op 29 november was verstuurd. Het intentionalistische antwoord bestaat uit de these dat de conferentie, die oorspronkelijk voor 9 de-


12

de wannseeconferentie

cember gepland stond, aanvankelijk een heel ander doel had gehad.9 Tegenover de opvatting waarin de nadruk ligt op een al langer bestaande ‘intentie’, respectievelijk een op centraal niveau genomen besluit, staat de theorie dat verschillende instanties in het Derde Rijk zich in de tweede helft van 1941 in een – door Hitler slechts op een vage en algemeen manier geautoriseerde – concurrentiestrijd bevonden om de radicaalste oplossing te vinden voor het Joodse vraagstuk. Als gevolg van ongecoördineerd en overhaast optreden – door de executies in de Sovjet-Unie uit te breiden tot volkerenmoord en tevens door het begin van de deportaties uit Duitsland, zonder de militaire overwinning in oosten af te wachten – zouden deze instanties in een impasse terecht zijn gekomen, waar zij alleen uit konden komen door nog veel radicalere methoden toe te passen. Volgens de veelal als ‘functionalisten’ of ’structuralisten’ omschreven vertegenwoordigers van dit tweede verklaringsmodel zijn de notulen van de Wannseeconferentie een exacte afspiegeling van die vastgelopen situatie en van het voornemen daar op een radicale manier een einde aan te maken. In de visie van deze historici hebben de massamoorden zich als een ‘cumulatief radicaliseringsproces’ (Hans Mommsen) uit de structuren van de nationaalsocialistische staat ontwikkeld en was het individuele optreden van Hitler en andere topfunctionarissen daarbij van ondergeschikt belang.10 Dit verklaringsmodel heeft de afgelopen twintig jaar door een reeks belangrijke studies over sleutelgebieden van de Holocaust in Oost-Europa aan plausibiliteit gewonnen. Want uit dit onderzoek komt naar voren dat de Duitse topfunctionarissen in de bezette oostelijke gebieden beschikten over een grote mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid bij het initiëren en uitvoeren van de moord op de Joden. Het lijkt er dus op dat de these van de ‘functionalisten’, dat het radicaliseringsproces in belangrijke mate gevoed werd door het gezagsapparaat (in dit geval de bezettingsautoriteiten in de ‘periferie’), de beste papieren heeft. Wanneer we uitgaan van de ‘structuralistische’ interpretatie en de onderzoeksresultaten


een bespreking met aansluitend ontbijt

13

uit bepaalde gebieden in Oost-Europa, dan was de Wannseeconferentie in eerste instantie bijeengeroepen om het al lang op gang gekomen moordproces onder leiding van Heydrichs Reichssicherheitshauptamt weer op een uniforme wijze te organiseren. In dit boek wordt een interpretatie gepresenteerd en uitgewerkt die gebruikmaakt van de hierboven geschetste verklaringsmodellen, maar dan niet als concepten die elkaar uitsluiten, maar als bouwstenen voor een meer complexe verklaring.11 Zij gaat ervan uit dat de Holocaust niet in gang is gezet als gevolg van één enkele centrale beslissing, maar dat deze zich heeft voltrokken in het kader van een door de nationaalsocialisten voor de lange termijn bedoelde antiJoodse politiek, die telkens onderhevig was aan veranderingen. De Holocaust was het resultaat van een besluitvormingsproces, waarin Hitler – de centrale leidinggevende instantie in het Derde Rijk – in een hecht samenspel met andere delen van het machtsapparaat, en met het nog vage doel om de Joden te vernietigen, stap voor stap een concreet moordprogramma ontwikkelde en op gang bracht. In dit besluitvormingsproces, zo zal worden aangetoond, is de bijeenkomst van de vijftien mannen op 20 januari 1942 van grote betekenis. De kwestie van de historische context van de conferentie voert ons weer terug naar haar geografische plaats: waarom werd deze belangrijke bespreking uitgerekend in de luxueuze villa aan de Wannsee gehouden?

De plaats Het gebouw waarin de Wannseeconferentie plaatsvond, maakt deel uit van een exclusieve villawijk – oorspronkelijk ‘Colonie Alsen’ genoemd – die sinds de jaren zeventig van de negentiende eeuw aan de Berlijnse Wannsee ontstond. Niet ver van Potsdam verwijderd en sinds 1874 per trein vanuit de hoofdstad bereikbaar, vestigden zich hier mettertijd succesvolle Berlijnse bankiers, ondernemers, kooplieden, kunstenaars, uitgevers en professoren, on-


14

de wannseeconferentie

der wie bekende persoonlijkheden als Max Liebermann, Anton von Werner, Ernst Ferdinand Sauerbruch, Hugo PreuĂ&#x; en Carl Langenscheidt.12 In 1914 verwierf de koopman Ernst Marlier, die in 1875 in Coburg was geboren en sinds 1903 in Berlijn woonde, een lap grond van dertigduizend vierkante meter. Een jaar later liet hij hier architect Paul O.A. Baumgarten, die al het vlakbij staande Haus Liebermann had ontworpen, een villa bouwen met een woonoppervlak van vijftienhonderd vierkante meter. Marlier, een uiterst schimmige figuur, had fortuin gemaakt met de productie van en handel in dubieuze medische preparaten; wegens gewelddadige gedragingen, die kennelijk samenhingen met zijn opvliegende karakter, kwam hij meermaals met justitie in aanraking. In 1921 verkocht hij de villa aan de niet minder illustere Friedrich Minoux. Deze voormalige commercieel directeur van de Essener Gas- und Wasserwerke, die in 1912 in dienst was getreden van de ondernemer Hugo Stinnes en sinds 1919 in diens bedrijf algemeen directeur was, had er in belangrijke mate toe bijgedragen dat het Stinnes-concern tijdens de jaren van hoge inflatie door middel van deels uiterst speculatieve transacties enorm was uitgebreid. Als uitstekend betaalde topmanager, die ook voor eigen rekening zakendeed, kon Minoux zich de aankoop van de villa veroorloven die zich spoedig ontwikkelde tot een trefpunt van grote gezelschappen en waar belangrijke zakelijke en politieke besprekingen plaatsvonden. Op het hoogtepunt van de inflatie deed Minoux voorstellen voor een munthervorming en sprak hij zich uit voor een grote mate van overheidsinterventie in het economisch leven, een standpunt dat tot een breuk met Stinnes leidde. Zijn naam werd in de herfst van 1923 veelvuldig genoemd in verband met een in rechts-conservatieve kringen gewenst ‘Directorium’, dat met dictatoriale bevoegdheden diende te worden opgetuigd en in Duitsland de hoogste regeringsmacht moest gaan uitoefenen. In de jaren daarna was hij als ondernemer vooral actief in de kolenindustrie, terwijl hij op het gebied van de economische politiek in de crisisjaren met eigenzinnige voorstellen kwam ter verlaging van de werkloosheid.13 In mei


een bespreking met aansluitend ontbijt

15

1940 zag Minoux zich gedwongen afstand te doen van zijn weelderige villa, nadat hij was gearresteerd op verdenking van jarenlange malversaties ten koste van het nutsbedrijf Gasag, waar hij zitting had in de raad van toezicht. In augustus 1941 werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en het betalen van een aanzienlijke geldboete. Zijn straf zat hij uit in het tuchthuis Brandenburg, totdat het in april 1945 werd bevrijd. Minoux stierf in oktober 1945 in Berlijn. Eind 1940 kwam de villa in het bezit van de stichting Nordhav, die op 30 juli 1939 door Heydrich in het leven was geroepen ‘voor het aankopen en onderhouden van vakantieverblijven voor leden van de Sicherheitsdienst van de ss en hun familieleden’. Met de oprichting van deze stichting wilde Heydrich in de eerste plaats het landgoed Katharinenhof op het Waddeneiland Fehmarn aankopen, dat in de buurt van zijn vakantiehuis lag, en wat in augustus 1939 ook gebeurde. ‘Nordhav’ was oorspronkelijk de naam van een boerderij die in de achttiende eeuw had moeten wijken voor de bouw van het landhuis, en de aankoop moest de belangstelling uitdrukken van de ss voor het onderzoek naar de Germaans-Noordse voorgeschiedenis van de Waddeneilanden. Vermoedelijk wilde Heydrich echter met de stichting van meet af aan beslagleggen op Katharinenhof als toekomstig vakantieverblijf; ook de villa aan de Wannsee schijnt hij het jaar daarop via de stichting te hebben verworven om als dienstwoning te gebruiken. Het opzetten van de stichting Nordhav zou dus slechts een tijdelijke oplossing zijn geweest.14 In het Befehlsblatt van de chef van de Sicherheitspolizei (sipo) en Sicherheitsdienst (sd) van 18 oktober 1941 werd in elk geval meegedeeld dat het gastenverblijf ‘ter beschikking staat van hoofden van buitenlandse afdelingen van sipo en sd, alsook van hun plaatsvervangers, voor overnachtingen in Berlijn’, maar de villa bood ook onderdak aan andere leidinggevende figuren van deze diensten. Een overnachting inclusief ontbijt kostte 5 rijksmark.15 Vier maanden later stond in het Befehlsblatt te lezen dat de gasten gebruik konden maken van ‘gemeenschapsruimten’, zoals een muziekkamer en een biljartkamer; voorts be-


16

de wannseeconferentie

schikte de villa over een grote hal, een wintertuin en een terras met uitzicht over de Wannsee.16 Voor dit doel werd de villa ook inderdaad gebruikt. Zo bevindt zich in de stukken van de Britse geheime dienst over de toestand in Duitsland een verslag van een hoge Zweedse politiefunctionaris. Midden april 1942 deelde hij de Britse vertegenwoordiging in Stockholm vertrouwelijk mee dat hij voor een officiële missie in Berlijn was geweest, waar hij zijn goede contacten met oude bekenden bij de Duitse politie opnieuw had aangehaald. Deze functionarissen hadden hem verteld hoe verontwaardigd zij waren over de wrede methoden die de Gestapo tegen de Joden gebruikte. Voor het overige had hij niets te klagen over de plaats waar hij was ondergebracht: in een gastenverblijf van de ss aan de Wannsee. Dat uitgerekend hier een paar maanden tevoren over de moord op miljoenen Europese Joden was vergaderd, konden noch de Zweedse politieman noch zijn Britse contactpersonen vermoeden.17 Tegelijkertijd werd het gastenverblijf ‘de laatste tijd zeer enthousiast voor besprekingen en buitengewone bijeenkomsten gebruikt’, zoals blijkt uit het mededelingenblad van Bureau VI van het Reichssicherheitshauptamt (rsha) van 7 augustus 1942. Soms waren die bijeenkomsten evenwel ontaard in alcoholische uitspattingen, waardoor ‘het gastenverblijf ver af was komen te staan van de representatieve functie die het oorspronkelijk voor de sipo vervulde.’18 Het dagelijks leven was in Berlijn door de oorlog steeds grauwer geworden en de idyllisch gelegen luxe villa was dan ook bij uitstek geschikt om de bijeenkomst van 20 januari 1942 een bijzondere glans te verlenen en de deelnemers in een verheven stemming te brengen. De ambiance had ongetwijfeld een enigszins vervreemdende uitwerking op Heydrichs gasten en droeg er mede toe bij dat de conferentie vrijwel rimpelloos verliep.


een bespreking met aansluitend ontbijt

17

De eerste uitnodiging Heydrichs uitnodigingsbrief van 29 november 1941 werd naar dertien personen verstuurd. Twee exemplaren zijn bewaard gebleven: de uitnodiging aan onderstaatssecretaris van Buitenlandse Zaken Martin Luther, en die aan het hoofd van het ss-Rasse- und Siedlungshauptamt, ss-Gruppenführer Otto Hofmann. Behalve Luther en Hofmann werden verder uitgenodigd: gouverneur-generaal Hans Frank; de ‘permanente plaatsvervanger’ van rijksminister Alfred Rosenberg van het ministerie voor de Bezette Gebieden in het Oosten, Alfred Meyer; de chef van de Hoofdafdeling I (Politiek) van ditzelfde departement, Georg Leibbrandt; de staatssecretarissen Wilhelm Stuckart (Binnenlandse Zaken), Erich Neumann (bureau Vierjarenplan), Franz Schlegelberger (Justitie) en Leopold Gutterer (Propaganda); directeur-generaal Friedrich Kritzinger (Rijkskanselarij); de voor staatszaken binnen de partijkanselarij verantwoordelijke Gerhard Klopfer, die met zijn ss-rang (Oberführer) werd aangeduid; de Höhere ss- und Polizeiführer (hsspf) in het Generaalgouvernement, Friedrich-Wilhelm Krüger, en voorts ss-Gruppenführer Ulrich Greifelt, de chef van het ss-commissariaat dat Himmler had opgericht voor het uitvoeren van zijn taak als commissaris voor de ‘Festigung des deutschen Volkstums’.19 In zijn uitnodiging verwees Heydrich naar een taak die Hermann Göring hem op 31 juli 1941 had opgedragen, te weten om ‘samen met de andere relevante centrale instanties alle noodzakelijke organisatorische en inhoudelijke voorbereidingen te treffen voor een alomvattende oplossing van het Jodenvraagstuk in Europa en hem daartoe op korte termijn een alomvattend plan te doen toekomen’. Een fotokopie van deze speciale opdracht voegde hij toe als bijlage. Gezien ‘het buitengewone belang’ van deze kwestie, aldus Heydrich, en tevens ‘om tot één en hetzelfde standpunt te komen van de centrale instanties die een rol spelen bij de overige werkzaamheden in verband met deze definitieve oplossing’, stelde hij voor de problemen gezamenlijk te bespreken, temeer daar ‘al sinds 15 oktober 1941 met doorlopende transporten Joden uit het


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789000358854 by Uitgeverij Lannoo - Issuu