CÉCILE DUBOIS Foto’s Sophie Voituron
BRUSSEL ART DECO Wandelingen in het stadscentrum
INLEIDING AFKORTINGEN
7 16
Eerste wandeling
18
DE VIJVERS VAN ELSENE EN DE ROOSEVELTLAAN VAN LA LOGE TOT VILLA EMPAIN FOCUS Appartementsgebouwen – La Cambre, een architectuurschool – Adrien Blomme
Tweede wandeling
48
Derde wandeling
66
ART DECO LANGS HET KANAAL VAN SAILLANT DE L’YSER TOT L’ARCHIDUC
HET STADSCENTRUM VAN SOCIALE VOORZORG TOT HET SINT-PIETERSZIEKENHUIS EN VAN HET PALEIS VOOR SCHONE KUNSTEN NAAR HET RVS-GEBOUW FOCUS Een nieuwe ziekenhuisarchitectuur – De Noord-Zuidverbinding – Victor Horta
Vierde wandeling
DE COGHEN-BUURT VAN HOOGTE HONDERD NAAR HUIS HAERENS
94
FOCUS Gewapend beton – Louis Herman De Koninck
Vijfde wandeling
ROND DE MOLIÈRELAAN VAN HET VAN BUUREN MUSEUM TOT HET GLAZEN HUIS
118
FOCUS Antoine Pompe – Henry van de Velde
Zesde wandeling
TEN WESTEN VAN BRUSSEL VAN DE SINT-JAN-DE-DOPERKERK NAAR TOUR & TAXIS
142
FOCUS Sociale huisvesting – De tuinwijken – Huurderscoöperaties – Joseph Diongre
EN VERDER…
Enkele boeken en films over de architectuur tijdens het interbellum Te bezoeken plaatsen – Patrimoniumbescherming en -sensibilisering Rondleidingen en evenementen – Internetsites – Documentatiecentrum
168 169 170
Bibliografie Register van architecten en kunstenaars Noten Fotoverantwoording
171 173 175 175
INLEIDING
Eind negentiende eeuw raakten de Brusselse architecten in de ban van de art nouveau, een reactie tegen de academische kunst. Victor Horta, met zijn organische stijl, en Paul Hankar, met zijn geometrischere stijl, schiepen een nieuwe architecturale taal, die al snel internationale bekendheid verwierf en Brussel de titel van Europese hoofdstad van de art nouveau opleverde. De art nouveau, wat ‘nieuwe kunst’ betekent, kende een vluchtige geschiedenis, die iets meer dan tien jaar duurde. Net voor de Eerste Wereldoorlog viel hij uit de gratie. Tijdens het interbellum maakten twee architectuurstijlen het mooie weer in Brussel, die in allerlei variaties naast elkaar leefden: art deco en het modernisme. Zonder alomvattend te zijn wil dit boek een overzicht bieden van de Brusselse architectuur tijdens de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Het staat stil bij enkele onderwerpen die verband houden met deze stijlen en belicht meer in detail het werk van een paar belangrijke architecten.
| Huis Ciamberlani, Defacqzstraat 48, Elsene, arch. Paul Hankar, 1897
DE BELGISCHE MAATSCHAPPIJ TIJDENS HET INTERBELLUM Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, een conflict van een onvoorstelbare omvang, snakte de bevolking ernaar om de draad van het leven weer op te nemen. Maar niets zou ooit nog hetzelfde zijn. Een nieuwe maatschappij kwam tot stand, die twee decennia lang gekenmerkt werd door tegenstrijdige stromingen, bestaande uit sociale vooruitgang, economische crises, voorspoed voor sommigen, ellende voor anderen… In 1919 werd het algemeen stemrecht voor mannen, dat al voor de oorlog op de agenda stond, eindelijk toegekend, waardoor het politieke landschap veranderde. Vrouwen konden daarentegen enkel stemmen voor gemeentelijke verkiezingen, hoewel ze meer vrijheid genoten dan voor de oorlog. Als gevolg van het algemeen stemrecht verloren de katholieken de meerderheid, die ze al sinds 1884 hadden, en dienden coalities aan te gaan met de liberalen en de socialisten. Van 1918 tot 1940 telde België maar liefst achttien regeringen die het hoofd moesten bieden aan allerlei crises in verband met monetaire instabiliteit, taalkwesties, de nood aan sociale hervormingen en dergelijke. De overheid nam maatregelen om de sociale ongelijkheid weg te werken en de levensomstandigheden van arbeiders te verbeteren: 48 uur per week en 8 uur per dag werken, het recht om te staken en verenigingen te vormen, het minimumloon, zes dagen vakantie per jaar, een verplichte verzekering tegen werkloosheid, ziekte en invaliditeit. Ook de manier van werken veranderde, zowel in fabrieken als op kantoren. Geen inspanning werd
8
INLEIDING
gespaard om operaties te rationaliseren, beter te organiseren en efficiënter te maken. Dit resulteerde in een hogere graad van mechanisatie, bandwerk, grotere ondernemingen en de ontmenselijking van werknemers, wat dan weer leidde tot een gewijzigde verhouding met de werkgever. Films als Metropolis (1927) van Fritz Lang en Modern Times (1936) van Charlie Chaplin schilderden hier een veeleer karikaturaal beeld van. De regering concentreerde zich ook op de heropbouw van een land dat verwoest was door de oorlog en op het gebrek aan geschikte huisvesting. In 1919 werd de Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen en Woonvertrekken opgericht om de bouw van woningen te promoten. Ook de opeenvolgende monetaire en economische crises vormden een probleem. De internationale crisis, die begon met de crash van de New York Stock Exchange in 1929, had eveneens haar weerslag op België, culminerend in allerlei sociale problemen, zoals hogere werkloosheid, lagere koopkracht, stakingen… In een poging om de problemen te verlichten zette de overheid het licht op groen voor een reeks grote constructiewerken, aangezien voor bouwwerken veel arbeiders nodig waren. Zo werden in Brussel de werken aan de Noord-Zuidverbinding hervat. Geconfronteerd met al die economische en sociale problemen, en door de internationale situatie die zich voorbereidde op een nakend conflict, had de bevolking meer en meer oor naar extremistische groeperingen met een populistische boodschap.
HET DAGELIJKS LEVEN TIJDENS HET INTERBELLEUM Ondanks al deze problemen ging het dagelijks leven van de bevolking erop vooruit tijdens het interbellum. De norm voor gezondheidszorg, opvoeding en huisvesting lag hoger. Toen de vrede hersteld was, genoten de mensen van de beschikbare geneugten. De monetaire instabiliteit dwong de bevolking om in het hier en nu te leven, te consumeren en voluit te genieten. Dit waren de decennia van jazz, tango en populaire muziek. Iedereen kon zich een bioscoopticket veroorloven, zodat heel wat nieuwe filmzalen het licht zagen, zeker in Brussel. Amerika werd beschouwd als een culturele referentie en de musichalls kenden een enorm succes. De eerste jazzbands zagen het levenslicht en algauw wilde elke musichall zijn eigen jazzorkest. Het optreden van Josephine Baker in de Revue nègre in Brussel in 1925 vormde het hoogtepunt van het
jaar. De bevolking, die nu meer vrije tijd had, woonde massaal sportwedstrijden bij. Boksen, wielrennen en voetbal waren de populairste sporten en overal werden sportzalen en -stadions opgetrokken om de massa te ontvangen op zondagmiddag. Mode, vooral vrouwenmode, paste zich al snel aan de nieuwe levensstijl aan. Vaarwel korsetten en lange rokken in zware stoffen. Vrouwen gaven de voorkeur aan lichtere stoffen, die ook bijdroegen aan hun geleidelijke emancipatie. De garçonne, met haar korte haren, sigarettenhouder, bolhoed of baret, was het prototype van de geëmancipeerde vrouw van de jaren twintig. Dankzij de technologische vooruitgang kon al snel elke vrouw zich modieuze kleren en cosmetica veroorloven.
Eetkamer in het Van Buuren Museum, Leo Erreralaan 41, Ukkel, 1924-1928
9
Wagens werden sneller, comfortabeler en veiliger, en werden weldra geproduceerd aan de lopende band. Het spoornetwerk breidde uit en stoommotoren werden geproduceerd voor zowel diesel- als zelfs elektrische locomotieven. Pakketboten bleven de Atlantische Oceaan kruisen, maar kregen steeds meer concurrentie van de burgerlijke luchtvaart. De mensen waren trouwens ook dol op airshows. Ook woningen werden steeds comfortabeler. Uiteraard konden alleen de rijken zich interieurontwerpers veroorloven, maar geleidelijk zorgde de overheid ervoor
dat ook de arbeidershuisjes voorzien waren van een minimum aan comfort. Hoewel uitgeruste keukens en badkamers niet voor iedereen de norm waren, beschikten ook deze arbeiderswoningen over stromend water, een eigen toilet en in de meeste gevallen elektriciteit. De aantrekkingskracht van snelheid en deze nieuwe levenswijze werd gevoed door advertenties in kranten en op de radio, twee snel evoluerende mediakanalen.
HET VERSCHIJNEN VAN ART DECO EN MODERNISME Ook de architectuur beleefde een revival met de opkomst van de art deco en het modernisme. De art deco bouwde verder op de decoratieve geest van de art nouveau, hoewel met een zuiverdere en geometrischere esthetiek, met de herhaling van geometrische en stilistische motieven en het gebruik van traditionele en moderne materialen. Het modernisme daarentegen streefde ernaar om elke versiering en referentie aan oudere stijlen te bannen. Soms is het moeilijk om het verschil te zien tussen een modernistisch en art-deco-ontwerp, of om een gebouw of het werk van een architect te categoriseren. Zoals Patrick Burniat onderstreepte, mogen we de kruisbestuiving tussen de twee extremen niet over het hoofd zien: het romantische modernisme van een architect als Pompe, Verbruggens zachtere modernisme en de verfijnde art deco van Diongre, drie als vernieuwend beschouwde stijlen. Tegelijkertijd mag men het werk niet veronachtzamen van radicalen als Louis Herman De Koninck, die op gezette tijden in hun carrière art-deco-ontwerpen maakten. Voorbij het stilistische aspect zijn de modernistische trekken ook, of zelfs voornamelijk, zichtbaar in hun vernieuwende benadering van ruimte, in hun verlangen om functionele en comfortabele huizen te bouwen, in hun transformatie van de relatie tussen interieur en exterieur, hun gebruik van nieuwe materialen en technieken, de bredere aanpassing van
10
INLEIDING
woningen aan nieuwe sociale vereisten, de intenties van de ontwerper enzovoort.1 De architecten van deze periode ondergingen allerlei invloeden. Allen waren op de hoogte van de bouw in 1905-1911 van het Stocletpaleis (Tervurenlaan 279281, Sint-Pieters-Woluwe). Dit gebouw, ontworpen door de Oostenrijkse architect Josef Hoffmann, was de eerste Brusselse kennismaking met de Weense Secessie, een Oostenrijkse variant van de art nouveau, waarvan de vormen al de art deco aankondigden. Dit gesamtkunstwerk werd versierd door de Wiener Werkstätte, de kunstenaars van de Weense workshops. De eenvoud van het gebouw, de kubusvormige volumes, de verdeling van glaspartijen in kleinere vierkanten, de nadruk op de randen, het grafische zwart-witte ontwerp, de herhaling van stilistische motieven… waren allemaal bijzonder nieuw en verrassend. Een andere invloedrijke bron was de Nederlandse architectuur. Omdat Nederland vlakbij was, kenden heel wat jonge Belgische architecten het werk van hun Nederlandse collega’s. Ook vluchtten vele architecten naar Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar ze meedachten over hoe België na de oorlog heropgebouwd moest worden. De Amsterdamse school oefende een grote invloed uit op de art-deco- en modernistische architecten, terwijl De Stijl radicalere modernisten inspireerde. Van de Amsterdamse school, een groep architecten en ontwerpers die actief was van 1915
~ Het Stocletpaleis, Tervurenlaan 279-281, Sint-Pieters-Woluwe, arch. J. Hoffmann, 1905-1911
tot 1930, adopteerden de Belgische architecten de principes van expressionistische effecten, die bereikt werden door stenen te schikken in geometrische en reliëfpatronen. Van De Stijl (1917-1928), gegroepeerd rond de schilder Piet Mondriaan, onthielden ze de structuren die gevormd werden door eenvoudige rechthoekige bakstenen of betonblokken die geen enkele decoratie bezaten, behalve (primaire) kleuraccenten. De combinatie van volumes voegde diepte en reliëf toe. Net als deze twee bewegingen geloofden sommige Belgische architecten dat architectuur de wereld kon veranderen, als zelfs de eenvoudigste en meest economische programma’s, zoals appartementen voor arbeiders, een zekere waardigheid uitstraalden. Ook de
Nederlandse architect H.P. Berlage (1856-1934), een vroege modernist en voorstander van een sociale benadering van architectuur, inspireerde heel wat Belgische collega’s, net als de Amerikaanse architect Frank Lloyd Webber (1867-1959), wiens invloed duidelijk af te lezen is in de ontwerpen van Victor Horta en Antoine Courtens en in de modernistische designs van Lucien François.
11
ART DECO EN MODERNISME WORDEN PERMANENT De invloed van de art deco en het modernisme bleef bestaan na het interbellum. Ook vandaag nog inspireert de art deco veel ontwerpers en architecten. Het modernisme vond ook toepassing in grote, complexe
operaties op grote schaal. Maar al snel bleek de onmenselijkheid ervan wanneer het enkel gebruikt werd om economische redenen ten nadele van zijn poëtische dimensie.
ART DECO De term ‘art deco’ werd pas in 1968 voor het eerst gebruikt, met name in een publicatie van de Engelse historicus Bevis Hillier, getiteld Art Deco of the 20s and 30s. Hij verwees hiermee naar l’Exposition internationale des Arts Décoratifs et Industriels modernes, die plaatsvond in 1925 en architecten en het grote publiek een unieke kans bood om kennis te maken met deze nieuwe stijl. Het eclecticisme van de art deco werd duidelijk in de manier waarop hij leentjebuur speelde
bij andere stijlen en culturen, zoals die van Egypte, Pompeji, Assyrië… In België vormde Congo een onuitputtelijke bron van exotische invloeden. Ook de architectuur van pakketboten werkte inspirerend, zowel voor architecten als ontwerpers. De art deco beïnvloedde zowel architectuur als decoratieve kunsten, door de honger naar dromen en luxe te cultiveren en tegelijk te steunen op massaproductie en goedkope dagelijkse voorwerpen. Deze stijl
Villa Empain Boghossian Foundation, Rooseveltlaan 67, Brussel, arch. M. Polak, 1930-1934
12
INLEIDING
veruitwendigde de ambities van een generatie die wilde breken met het verleden en in het heden wilde leven. De gebroken, geometrische lijnen drukten het
idee van snelheid, verlichting en mechanische bewegingen uit, zo typisch voor deze tijd.
MODERNISME Zoals van de art deco liggen de roots van het modernisme in vooroorlogse ontwerpen. Zo verdedigde een architect als Fernand Bodson een rationelere benadering van architectuur, die ontdaan van de notie ‘stijl’ democratischere idealen tot uitdrukking bracht. In 1910 bouwde Antoine Pompe de kliniek voor dokter Van Neck in Sint-Gillis, waarvan alle decoratieve effecten afhingen van functionele of ontwerptechnische vereisten. De vroege modernisten verwierpen niet per se elke vorm van versiering, zolang die maar een natuurlijk gevolg was van de structuur van het gebouw. Ze gebruikten baksteen en bleven zadeldaken ontwerpen. Deze eerste modernisten, waartoe Antoine Pompe en Fernand Bodson behoorden, verschilden op vele vlakken van de tweede generatie architecten, aangevoerd door onder anderen Victor Bourgeois en Louis Herman De Koninck. Die lieten zich oorspronkelijk inspireren door het Duitse Bauhaus en de Nederlandse beweging De Stijl. Later verdedigden ze onder invloed van de theorieën van Le Corbusier een architectuur zonder versiering of stijlreferenties, die een uitdrukking was van de functie van het gebouw en de toegepaste bouwtechnieken. De tweede generatie overschaduwde volledig hun voorgangers tot in 1969 de Archives d’Architecture moderne (AAM) een tentoonstelling organiseerde onder de titel Antoine Pompe et l’effort moderne en Belgique (1890-1940). De expositie bood een uitgelezen kans om de fundamentele rol van de eerste generatie modernisten te herontdekken en richtte de schijnwerpers op de poëtische dimensie van hun ontwerpen. Anders dan de art deco bezat het modernisme een eerdere ideologische lading die de maatschappij wilde veranderen. Dit wekte wantrouwen bij heel wat
individuen en de overheid, die hen liever niet inschakelde voor grote projecten, waardoor modernisten gedwongen werden vooral privéwoningen te ontwerpen. Toch lieten ze hun stem horen in het debat over de organisatie van steden. Ze publiceerden veelvuldig in de talrijke kranten die toen op de markt waren, organiseerden tentoonstellingen, conferenties en bezoeken en namen deel aan internationale bijeenkomsten. Velen slaagden er ook in hun ideeën uit te dragen via het onderwijs, als docenten aan de Nationale Hoogere School voor Bouw- en Sierkunsten van La Cambre. De kliniek van dokter Van Neck, Wafelaertsstraat 53, SintGillis, arch. A. Pompe, 1910
13
DE INVLOED VAN LE CORBUSIER De fascinatie voor de in Zwitserland geboren Franse architect Le Corbusier (1887-1965) werd manifest vanaf de jaren dertig. Zijn concept van een huis als machine à habiter als oplossing voor het huisvestingsprobleem beïnvloedde het denken over huisvesting en architectuur. Toch werd het pas na de Tweede Wereldoorlog op grote schaal toegepast in projecten als de Modelwijk (1955-1974, Laken). Le Corbusier verdedigde het idee van gestandaardiseerde hoge gebouwen, bestaande uit appartementen. Zelf kon hij experimenteren met zijn ideeën in de flatgebouwen die hij in de jaren vijftig en zestig optrok in Frankrijk. Deze verticale tuinwijken, met meerdere honderden uniforme duplexappartementen, boden ook heel wat diensten: een bibliotheek, een crèche, winkels… Meer dan door het concept van de machine à habiter waren Brusselse architecten beïnvloed door Le Corbusiers ‘vijf punten van een nieuwe architectuur’. Deze vijf principes, die hij in 1927 ontwikkelde, zijn:
1. bouwen op heipalen, versterkte betonnen zuilen (de gebouwen rusten niet meer op de grond, de tuin loopt door onder het gebouw); 2. de daktuin (te gebruiken als zonneterras); 3. het vrije ontwerp van het grondplan (eliminatie van steunmuren door gebruik van structuren in gewapend beton om de ruimte open te maken, zodat de structuur geen invloed heeft op het grondplan); 4. het horizontale raam (voor een maximum aan zonlicht); 5. het vrije ontwerp van de gevel (omdat de gevel niet langer een dragende muur is, wordt hij slanker met lichte muren en ramen). Tot de Belgische volgelingen van Le Corbusier behoren Paul-Amaury Michel, Émile Goffay en Marcel Leborgne, die in 1933 de Villa Dirickx in Sint-Genesius-Rode bouwde. De gevel van de villa wordt geflankeerd door een externe spiraalvormige trap die leidt naar het dakterras.
Villa Dirickx, Maria Joannalaan 28, Sint-Genesius-Rode, arch. M. Leborgne, 1933
14
INLEIDING
Nadat ze enkele realisaties van Le Corbusier gezien hadden, pikten Belgische modernisten al snel het idee op om ook duplexen te bouwen. De gevel van een duplex bestond uit een grote glaspartij, wat als voordeel bood dat er boeiende binnenperspectieven gecreëerd konden worden. Helaas hadden modernisten weinig aandacht voor de lange termijn en het onderhoud van hun gebouwen.
Gewapend beton, in die tijd nog een experimenteel materiaal, leed onder het Belgische klimaat. Het resultaat was dat veel dakterrassen begonnen te lekken en de metalen frames veroorzaakten isolatieproblemen. Dit verklaart waarom vele modernistische ontwerpen zo snel na hun totstandkoming alweer teloorgingen…
CIAM Moderne architectuur vond ook inspiratie in de ontmoetingen tussen architecten aan het eind van de jaren twintig en tijdens de jaren dertig. Op initiatief van Le Corbusier ontstonden de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne of CIAM, die tienmaal georganiseerd werden tussen 1928 en 1956 en architecten een platform boden om elkaar te ontmoeten en te discussiëren. Het derde congres vond op suggestie van Victor Bourgeois plaats in Brussel (1930) en had als thema de rationele verdeling. Het vierde congres werd in 1933 op een schip gehouden dat koers zetten naar Athene. Tijdens deze conferentie ondertekenden de deelnemers het Charter van Athene, dat jarenlang beschouwd werd als de Bijbel voor
hedendaagse stedelijke planning. Het charter pleitte voor de scheiding van menselijke functies, die op harmonieuze wijze ontwikkeld moesten worden in de moderne stad, namelijk wonen, werken, vrije tijd en verkeer. In sommige gevallen resulteerde de toepassing van deze principes in excessen en de creatie van monofunctionele buurten. Na verloop van tijd bleken die niet de juiste oplossing te vormen voor de stedelijke inrichting. Na de Tweede Wereldoorlog leidde het in België tot constructie van het Rijksadministratief Centrum (1955-1980) en de Modelwijk.
PROGRAMMA’S EN PLEKKEN IN BRUSSEL Brussel telt heel wat ontwerpen uit het interbellum, met verschillende programma’s: luxe appartementsgebouwen, privéwoningen, arbeidershuizen, tuinwijken, kantoren, bioscopen, cafés en hotels, ziekenhuizen, scholen, treinstations, winkels… Het centrum van de stad is doorspekt met appartementsgebouwen uit deze periode, die oude gebouwen vervingen of opgetrokken werden op braakliggende terreinen. De architecturale ensembles van het interbellum bevinden zich in de gemeentes van de tweede ring, dit wil zeggen de gemeenten die niet rechtstreeks grenzen aan de Vijfhoek en die in de jaren twintig nog niet volgebouwd waren. Hiertoe behoren Ukkel, Vorst, delen van Elsene en Molenbeek…
Deze gids biedt een selectie van buurten met opvallende ontwerpen, die te voet of met de fiets verkend kunnen worden. Wandelingen door de Bloemenwijk of de Edelstenenwijk in Schaarbeek, Sint-Pieters-Woluwe of Sint-Lambrechts-Woluwe kunnen materiaal bieden voor latere publicaties. Ook de Heizelvlakte in Laken is erg interessant omdat ze ontworpen werd voor de Wereldtentoonstelling van 1935 en later ook de Expo 58 verwelkomde.
15
AFKORTINGEN AAM Archives d’Architecture moderne arch. architect ASB Archief van de Stad Brussel ASLK Algemene Spaar- en Lijfrentekas CIAM Congrès internationaux d’Architecture moderne COGENI Compagnie générale d’Entreprise immobilière ENSAV École nationale supérieure des Arts visuels (La Cambre) ETRIMO Société d’Études et de Réalisations Immobilières NIR Nationaal Instituut voor Radio-omroep NMGWW Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen en Woonvertrekken OCMW Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn PW Publieke werken SBI Société belge immobilière VUB Vrije Universiteit van Brussel
} Stocletpaleis, Tervurenlaan 279-281, Sint-Pieters-Woluwe, arch. J. Hoffmann, 1905-1911 16
INLEIDING
17
EERSTE WANDELING DE VIJVERS VAN ELSENE EN DE ROOSEVELTLAAN VAN LA LOGE TOT VILLA EMPAIN
Op onze tocht van de oude lokalen van Le Droit Humain tot de Villa Empain ontdekken we een aantal architectuurpareltjes uit het interbellum, zoals appartementsgebouwen, herenhuizen, culturele centra, scholen… Deze vrij lange wandeling kan in één keer gedaan worden of in tweeën gesplitst. Het eerste deel verbindt La Loge met het Sterreplein, via Flagey en de Vijvers van Elsene. Het tweede deel gaat verder langs de Rooseveltlaan naar Villa Empain, waar de Boghossian Foundation nu gehuisvest is. Dit kunstencentrum wil de dialoog bevorderen tussen westerse en oosterse culturen.
| Achteraanzicht, Villa Empain / Boghossian Foundation, Rooseveltlaan 67
e Els s nse e nw tee
at
tra
2
g
iss
Klu 1
Flageyplein
Lou
teen
weg
3
raal
rga Vleu
n
Gene
laa
tses
iza
4
de G
al
aulle
ra ne
Ja
n
aa
esl
u cq
Ge
laan
5 6
ba Ren aan anl an yla ura
D É. Abdij Ter Kameren
7 9
klin
Sterreplein
10
n
ltlaa
seve
Roo
nweg
sestee
o Waterlo
Fran
8
n
laa
a nn
Begraafplaats van Elsene
a
Joh
VUB
11 12
tor aa
ial
Zoom
laan
Vic
Ter Kamerenbos
n elaa pag e D ine Anto uare ossq Solb
n
h
ac 13 N 14
aan
ersl
nd tvli
an
rsla
e Kev
15
Fran klin Roo tlaa
l seve
n
laa
n
ilië
z Bra
16
Villo!
01 VOORMALIGE VRIJMETSELAARSLOGE Kluisstraat 86, 1050 Elsene
02 APPARTEMENTSGEBOUW Kluisstraat 28, 1050 Elsene
03 VOORMALIG NATIONAAL INSTITUUT VOOR RADIO-OMROEP Eugène Flageyplein 18, 1050 Elsene
04 LA CASCADE Generaal de Gaullelaan 36, 1050 Elsene
05 RESIDENTIE BELLE-VUE Generaal de Gaullelaan 50, 1050 Elsene
06 LE TONNEAU Generaal de Gaullelaan 51, 1050 Elsene
07 GEBOUWENGROEP Terkamerendalsquare 1-27, 1050 Elsene
08 PALAIS DE LA CAMBRE Émile Duraylaan 60-68, Lied van Sotternieënlaan 4, 1050 Elsene en Brussel
09 PALAIS DE LA FOLLE CHANSON Generaal Jacqueslaan 2, 1050 Elsene
10 RESIDENTIE ERNESTINE Sterreplein 3, 1050 Elsene
11 KOPPELWONING DE BODT Franklin Rooseveltlaan 27-29, 1050 Brussel
12 PRIVÉWONING VAN DE ARCHITECT EN APPARTEMENTSGEBOUW Franklin Rooseveltlaan 52 en Antoine Depagelaan 1, 1050 Brussel
13 PRIVÉWONING Franklin Rooseveltlaan 90, 1050 Brussel
14 VILLA EMPAIN / BOGHOSSIAN FOUNDATION Franklin Rooseveltlaan 67 en Victorialaan 32, 1050 Brussel
15 APPARTEMENTSGEBOUW Keverslaan 4, 1050 Brussel
16 VILLA Braziliëlaan 3, 1050 Brussel
1/ VOORMALIGE VRIJMETSELAARSLOGE KLUISSTRAAT 86, 1050 ELSENE
Architecten: Fernand Bodson en Louis Van Hooveld Bouwjaren: 1934-1935
Dit gebouw werd opgetrokken voor de vrijmetselaarsloge Droit Humain. Het had oorspronkelijk maar een benedenverdieping, waar zich de tempel bevond onder een licht hellend dak, en een terugspringende verdieping. In 1955 werd het gebouw verhoogd om een tweede tempel en kantoren te huisvesten. Omdat hierbij gebruikgemaakt werd van dezelfde steen, is de transformatie onzichtbaar. In 1984 verhuisde Droit Humain, waarna het gebouw als archiefcentrum fungeerde voor
de Archives d’Architecture moderne. In 2001-2002 werd het een architectuurmuseum. Vandaag biedt het onderdak aan La Loge, een Brusselse ruimte gewijd aan hedendaagse kunst, architectuur en theorie. De volumes en decoratie van 1935 bleven bewaard, waaronder de originele tempel, een grote, witgeschilderde parallellepipedum. Aan de buitenkant trekken enkel de opvallende volumetrie van het gebouw en zijn portiek in donker hout de aandacht van het nietsvermoedende publiek. De ingang, gevat in de gevel, vormde het startpunt van een symbolische tocht vanuit de schaduw naar het licht. Een van de eerste modernistische architecten, Fernand Bodson (1877-1966), weigerde elke referentie aan vroegere stijlen, zonder evenwel extreem gestripte gebouwen op te trekken. Als geëngageerd filantroop, die ook aan de basis lag van verschillende kranten, nam hij deel aan de discussies over de heropbouw van België na de Grote Oorlog. Hij bouwde sociale woningen en ontwikkelde prefabricatiemethodes. Eind jaren twintig nam hij afstand van het modernisme, geërgerd door het radicalisme ervan. Uiteindelijk verhuisde hij naar de Verenigde Staten. Deze vrijwillige ballingschap verklaart ook waarom hij niet erg bekend is.
| Voormalige vrijmetselaarsloge
22
EERSTE WANDELING
Naast de voormalige vrijmetselaarsloge, op de
Aan de oneven kant van de Kluisstraat bevindt
Paul Spaakstraat 2-4, ligt een ander modernistisch
zich het CIVA, het Centre international pour
gebouw van Fernand Bodson. Het werd door
la Ville, l’Architecture et le Paysage. Aan de
twee kunstenaars gebruikt, als een studio, elk met
overzijde, achter een groep moderne gebouwen
eigen natuurlijke lichtinval. De gevel is bekleed
die opgetrokken zijn na de Tweede Wereldoorlog
met terracotta tegels, die de horizontaliteit
op de plek waar een V1 viel in 1944 (58-70),
van het gebouw benadrukken. Een van beide
ziet u een reeks appartementsgebouwen uit
ingangen leidt naar een binnenplein en een
het interbellum: op nr. 52 een art-decohuis
ouder huis, waar de familie Bodson ooit woonde.
(arch. Adolphe Puissant, 1923) met de originele
Dit gebouw en de huizen ernaast (6 en 8 werden
baksteendesigns en gestileerde uilen onder de
ook ontworpen door Bodson en dateren van
ramen op de eerste verdieping; op nr. 50 een
1927), die opgetrokken werden op de plek waar
appartementsgebouw in art deco met een
zich vroeger een ijskelder en de eerste Decroly-
opvallende ingang (arch. Jos Mouton, 1925); op
school bevonden, getuigen van het immense
nr. 48 een modernistisch appartementsgebouw,
talent van deze architect.
gebouwd voor de vastgoedontwikkelaar Les Pavillons français (arch. Marcel Peeters, 1938); op nr. 46 een appartementsgebouw dat lijkt op een pakketboot met een indrukwekkende volumetrie (arch. Lucien De Vestel, 1936).
| Woningen, Paul Spaakstraat 2-4, arch. F. Bodson
23