Skip to main content

9781864500592_1279abc1f759c0

Page 1

Paolo Bouman

LAAG VLIEGEN DE HELDEN


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Studio Lannoo Omslagbeeld: Erik Kriek Stramien: Studio Lannoo Zetwerk: Banananas Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: redactiefictie@lannoo.com © Paolo Bouman & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 D/2021/45/39 – NUR 300 ISBN: 978 94 014 7436 8 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Voor mijn vrienden hier en over de rivier


1 ‘Het ruikt hier naar pisss.’ De wanden beantwoordden haar langgerekte s met fluisterende afkeuring. Toch hoorde ik geen oordeel in Luna’s constatering. Haar hand trok me vrolijk voort over het lijkkleurige linoleum. Ik volgde braaf, terwijl mijn beroepsdeformatie als filmregisseur mijn blik begon te kleuren. Of wilde ik gewoon afstand creëren tussen mij en de ongewenste werkelijkheid van het verzorgingshuis? In elk geval was het alsof ik door een camera keek. Mijn standpunt was niet langer vanuit de lopende ik, maar vanuit iemand in een rolstoel. Action! De ruiten van de zalen aan beide zijden van de gang zijn te hoog om naar binnen te kunnen kijken. Extra suspense, mogelijk gemaakt door een weinig invoelende architect. De deuren beschikken wel over een lagere ruit, maar van matglas, meer dan vage schimmen zie je niet. In dolby surround klinken geschreeuw van ver, het piepen van rolstoelbanden op een gladde vloer en de haastige voetstappen van iemand die de mobiele zetel voortduwt. Misschien wel tegen de zin van de inzittende. Cut! Ik sloeg mijn arm om mijn dochter. ‘Dat is de geur waarin je je laatste levensjaren mag slijten. Het goede nieuws is dat je reukvermogen met de jaren minder wordt. Zo heb elke Johan Cruijff z’n Johan Cruijff.’

7


Bij de volgende zaal hield ik halt en wees. ‘Kijk, hier worden bejaarden gehouden.’ We stonden voor een troebel aquarium van sigarettenrook. Op de bodem lagen wat meubelstukken, ertussen zat een vrouw in een rolstoel met haar rug naar ons toe. Ze keek naar buiten, binnen was niets een aanblik waard. Alles was stapelbaar, nat afneembaar en onbrandbaar, toch leek het of er nooit iets werd gestapeld, nat afgenomen of in brand gestoken. Boven de hoofdsteun van de rolstoel nam grijs vogelpluis een kijkje. Het groeide – als het dat nog deed – op het hoofd van de vrouw die mij ooit baarde. ‘Waar zou ze aan denken?’ vroeg Luna. ‘Je bent op een gegeven moment toch wel uitgedacht?’ Ze zwaaide de deur open. ‘Oma, wij zijn het!’ Het hoofd in de stoel zocht schokkend de oorsprong van het geluid. Ik moest aan een kip denken. Ze draaide haar stoel en zwaaide met beide handen: ‘Dag jongens en meisjes!’ ‘En wie zijn deze jongen en dit meisje dan wel?’ vroeg ik. De vrouw wees naar ons met twee vingers waartussen een sigaret geklemd zat, alsof dat bezwerende gebaar haar zou helpen zich onze namen te herinneren. Dit hield ze vijf seconden vol, waarna ze van tactiek veranderde. Haar peinzende blik werd een overdreven glimlach. ‘Wat leuk dat jullie gekomen zijn!’ ‘Oma, je herkent je favoriete kleindochter toch wel?’ ‘Tuurlijk’, antwoordde Fie met onschuldig opengesperde ogen. ‘Luna, Luuk’, zei ik droogjes, terwijl ik met mijn wijsvinger naar mijn dochter en met mijn duim naar mezelf wees. ‘Dat weet ik toch wel? Hoe is het met mijn kleine schat? Heb ik al een knuffel gehad?’ Ik zag dat de ventilator weer stond te snorren met de lamellen dicht. Elke week propte ik iets tussen de onderste twee lamellen, waardoor ze allemaal open bleven staan. Dat deed ik goed zichtbaar, zodat iemand hier kon bedenken dat dit gemaakt moest worden. Maar in plaats daarvan haalden ze mijn propje weg en lieten de ven-

8


tilator stikken. Ik brak de lamellen er een voor een uit en gooide ze op tafel. Daarna boog ik voorover en gaf Fietje een kus. ‘Alles goed, moeke?’ ‘Moeten die dingen niet in de prullenbak?’ vroeg ze. ‘Nee, laat ze die maar vinden. Iedereen thee?’ Ik liep naar de groepsruimte om drie kartonnen bekers heet water uit de automaat te tappen. Luna had aangeboden dit te doen, maar ik wilde haar de Lord of the Rings-achtige verrassingen besparen die tijdens deze ogenschijnlijk onschuldige queeste op de loer lagen. De koffieautomaat stond op de afdeling ‘Zware gevallen’. Sommigen veinsden zich dood tot je binnen handbereik kwam, anderen schoten met elektrisch aangedreven wielen af op alles wat bewoog, de minst gemuteerden sneden je met hun looprekken de pas af. Kortom, de kans om te worden vastgeklampt door iemand die heel wanhopig iets heel onduidelijks wilde, was groot. Het liefst zou ik wegkijken, maar ik kon het niet. Hoe wist je nu dat in zo’n golem niet iemand opgesloten zat die helder van geest was en uit alle macht probeerde gehoord te worden, door de muren van zijn fysieke kerker heen? Geschuifel. Ik draaide me om. ‘Mnwah, mnwah!’ Een fractie oogcontact zwengelde de samenwerking aan tussen keel en neus van een man die scheef in zijn rolstoel hing, ondanks de verschillende steunen die zijn hoofd en schouders in het midden probeerden te dwingen. Zijn linkerarm was flinterdun en lag willoos op zijn schoot. Voor een schone luier was hij bij mij aan het verkeerde adres, maar een glaasje water wilde ik best halen. Ik liep naar hem toe. Hij kwijlde terwijl zijn rechterhand op me afkwam. Zolang je nog kunt multitasken, is het allemaal niet zo erg. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ De man gebaarde met zijn hoofd in de richting van de gang. Valuable intel. ‘Wilt u daarnaartoe?’

9


‘Mnwah, mnwah.’ Ik duwde zijn rolstoel de gang in. Een verzorgster, met onverwacht rood gestifte lippen, kwam ons tegemoet. Een ogenblik speelde ik met de gedachte de man aan haar over te dragen, maar dat voelde als verraad. We knikten vriendelijk naar elkaar en ik duwde dapper door. ‘Mnwah, mnwah!’ De werkende arm wees naar een kamer. Ik schoof de man naar binnen en plaatste hem richting het opgehangen tv-toestel. ‘Mnwaaaah!’ Toch maar richting raam. Geluid bleef uit. Ik ging op mijn hurken voor hem zitten. ‘Zo goed, vriend?’ Zijn waterige ogen knipperden traag. Ik knikte en vertrok. Fijne dag, wilde ik nog zeggen, maar voor mijn lippen de f konden vormen, besefte ik de overmoed van deze wens. ‘Gaan we stad in?’ vroeg ik toen Fie eindelijk haar halve beker leeg had. Haar antwoord was wat ik vreesde. ‘Ik moet nog even naar de wc.’ ‘Oké.’ Het lukte me het glimlachend en zonder aarzeling te zeggen. Nu de belofte nog waarmaken. Op de zoemer drukken en wachten tot iemand zou komen, was nauwelijks een optie voor wie die dag nog meer wilde doen. En principieel is er iets voor te zeggen dat je als zoon op zekere dag de taak krijgt wat wc-papier tussen de tot papier-maché verworden billen van je moeder te frotten nadat zij haar – immer vloeibare – grote boodschap heeft gedaan. ‘The circle of life’, zoals ze in The Lion King zingen. Na deze paybacktime en de uitgebreide procedure van het warm aankleden van Fie – ongeacht het seizoen noodzakelijk – rolden we eindelijk naar buiten, de friszoete lucht in. Zo ging het elke zaterdag. Bijna altijd ging ik alleen. Vóór mijn scheiding van Natascha, maar ook erna, toen onze dochter nog bij me woonde. Mijn bezoekjes aan Fie waren een militaire operatie van inpakken en wegwezen, vaak nog zonder een woord te hebben gewisseld, alsof een iets te lang

10


verblijf in het Huis van Verval ook mij rijp zou maken voor opname. Ik kan me geen plek herinneren waar ik bewuster rechtop liep en energieker de trap nam. Luna duwde de rolstoel. Ik keek naar haar. Die slanke blonde meid was mijn dochter. Al negentien jaar. Ik wist het, ik voelde het, maar – God is genadig – ik zag het niet. Want zij was knap, net als Natascha, haar moeder. Ik was meer uit de categorie ‘hij heeft wel iets’. Daar kon ik mee leven. ‘Alles wat een man mooier is dan een aap, is meegenomen’, had ik mijn moeder vroeger vaak horen zeggen. Omdat Luna en ik niet op elkaar leken, kregen we bij onze gezamenlijke concertbezoeken en citytrips nogal eens de vraag wat onze relatie precies was. Als we ons dan bekendmaakten als vader en dochter, was men opgelucht en geroerd. Dan waren we ineens een schattig stel. Hoewel ik geen lichaamsdeel van Luna zou kunnen aanwijzen waarin ik iets van mezelf terugzag, voelde ze net zoveel van mij als een eigen arm. Toen zij op haar zeventiende in Tilburg op kamers was gaan wonen, werd die arm geamputeerd. Wekenlang hoorde ik fantoomgeluiden in mijn huis, zoals haar gezang in de badkamer. Ik moest denken aan het sms’je dat ze stuurde op de maandagavond na het weekend waarin we – Natascha, haar nieuwe liefde en ik – Luna hadden verhuisd. Ik reed over een onverlichte snelweg en las: ‘Alles goed, pap?’ Ik belde haar, maar ze nam niet op. Er volgde een tweede sms. ‘Niet bellen nu.’ Ik sms’te meteen terug: ‘Alles goed?’ Vele minuten en kilometers vlogen voorbij voordat ze me belde. Ze was in tranen en kon nauwelijks een woord uitbrengen. Dus ik ook blèren. De volgende dag ontdekten we dat de afstand 010-013 geen reet voorstelde en dat we gewoon konden doorgaan met één avond per week een tv-serie kijken. Onze kat Jones nam ik dan in de auto mee. De kleine Jonesy had zo’n tien jaar eerder voor onze deur gestaan en was na een democratisch genomen besluit – Luna en Luuk voor, Natascha tegen – bij ons blijven wonen. We noemden hem naar de kat uit de film Alien.

11


Nu liep ik over straat met deze dochter en haar grootmoeder, als de middelste schakel in de keten van drie levens. Nog even en dan zou ik in de rolstoel zitten en zou Luna mij duwen, totdat ook zij veroordeeld zou worden tot het laatste restje hopeloos en loopjeloos leven. Maar geen depressieve bespiegelingen nu, grote daden wachtten aan de horizon! Er zouden films worden gemaakt en bejubeld, vrouwen verleid en beweend, flessen ontkurkt en vervloekt. Ik nam een forse teug buitenlucht en trakteerde moeders op een bescheiden wheelie. Het leven is een feest. Het groepje Marokkaans-Nederlandse jongens dat de stoep voor de shoarmatent versperde, opende voor ons als de Rode Zee voor Moesa. ‘Dag mevrouw, lekker weertje, hè?’ zei een van hen. Eerbied voor grijze haren, dat is bij kaaskoppen niet meer dan een vergeten liedje. Fie zwaaide met beide handen naar de jongens. Zij kenden haar van al onze zaterdagse uitstapjes. Of dat andersom ook het geval was? Op de Groenmarkt vonden we na lang zoeken twee vrije stoelen op het drukke terras. ‘Als we met zijn tweeën zijn, vinden we altijd heel snel een plekje omdat we dan maar één stoel nodig hebben’, zei ik. ‘Dat is het voordeel van een rolstoel, wat jij, Fie?’ Fie knikte. ‘Zo is het.’ Af en toe een klein vraagje achter je eigen monologen plakken is hét recept voor een geanimeerd ogend gesprek. Het tegenlicht van de middagzon kondigde de terugkeer aan van de stugge witte snorhaar naast Fietjes mondhoek. Een volhouder. Hoe vaak ik die al niet had uitgetrokken. En altijd was hij anderhalve centimeter lang. Alsof hij alleen in die lengte leverbaar was. Mijn handen jeukten, maar hier uittrekken was geen optie. Luna waagde een gesprekspoging en vertelde haar oma enthousiast dat ze stage mocht lopen bij de Volkskrant. Haar zinnen werden door Fietje beloond met minimale reacties, zoals ‘mooi’ en ‘goed zo’. Ik moest denken aan mijn kindertijd. Ook toen al waren haar reac-

12


ties nauwelijks langer dan de woorden gegraveerd in de snoephartjes die ik na school kreeg. Voor de vrouwen later in mijn leven, die graag de diepste gevoelens met me wilden uitwisselen, was deze jeugd geen pre. Maar voor de latere moeder-zoonrelatie was de stilte oké. Ook al werden er soms maar twee zinnen gezegd in het uur waarin we samen op een terras zaten, we waren heel erg samen. Ik deed suiker in haar thee, stak haar sigaret aan en aaide soms haar hand, die slordig in de veel te ruime, doorzichtige huid was verpakt. Met een enkele blik deelden we onze humor om wat we voorbij zagen komen: de dochter die in snollerigheid een kopie was van haar moeder (of andersom, hoe kun je dat weten?) of het bejaarde echtpaar waarvan de man zijn vrouw onophoudelijk corrigeerde. Voor mij als rasouwehoer en workaholic waren deze wekelijkse ontmoetingen meditatieve oefeningen. Gehaast ging ik ernaartoe, gehaast pakte ik haar in en gehaast vertrokken we naar het marktplein. Daar, op een terrasstoel – ’s zomers onder een parasol, ’s winters onder een warmtelamp – leerde ik de klok stilzetten.

13


2 De zon tuurde over de Sint-Joriskerk naar de terrasgasten op de Groenmarkt. Fietje ontleedde een hete bitterbal zoals een eekhoorn een dennenappel. Een constante reeks korte luchtstootjes moest de inhoud afkoelen. Intussen praatte Luna tegen haar alsof ze het Jeugdjournaal presenteerde. Dat ze geen ander tegenspel kreeg dan gesmak, remde haar enthousiasme niet. Fietje had met haar leeftijd een status bereikt waarop alles haar werd vergeven. Ook mijn dochter begreep dat al, stelde ik trots vast. Een uur later hobbelden we terug naar het glad glimmende labyrint. ‘De lucht van pis is niet meer alleen’, zei Luna bij het automatisch openen van de dubbele schuifdeuren. ‘Broer stront heeft zich bij haar gevoegd.’ Mijn dochter, mijn humor. Welke andere meid heeft zulke mannelijke humor? En is humor eigenlijk niet altijd mannelijk? ‘Fie, wil je naar je kamer of naar het rookhok?’ ‘Kamer.’ ‘Wil je op bed of in je stoel?’ ‘Bed.’ ‘Tv aan of uit?’ ‘Uit.’ Eenmaal in bed was Fie snel vertrokken, nog voordat Luna welterusten kon zeggen. Samen keken we naar de oude vrouw die daar lag

14


alsof ze dood was, met de handen samengevouwen op een buik die geen spoor van ademhaling vertoonde. ‘Slaap lekker, oma.’ Terwijl Luna wat min of meer recente ansichtkaarten een plekje gaf op het prikbord aan Fies hoofdeinde, scande ik de laatste pagina in het schrift waarin de verzorgsters bijzonderheden aan elkaar doorgaven. ‘Mevrouws anus is vurig. Goed insmeren na elke stoelgang.’ Bedankt. Het schrift helikopterde terug naar het bijzettafeltje. Het woord ‘vurig’ was nu voor altijd beroofd van zijn passievolle betekenis. ‘Oepsie,’ zei Luna, ‘ik had onderweg mascara willen kopen. Kunnen we nog even terug de stad in?’ Ik zuchtte diep. ‘Dat mag, maar ík ga niet meer lopen. Ik ben dood.’ Ik liet me in Fietjes rolstoel vallen, klapte de voetsteunen omlaag, zette er mijn blauwe cowboylaarzen op en liet mijn hoofd willoos opzij vallen. ‘Nou, doe dan je veiligheidsgordel maar om’, zei Luna. ‘It’s gonna be a rocky ride.’ In volle vaart duwde ze me de gang op, om gauw snelheid te minderen bij het zien van een verzorgster. Buiten ging de vaart er weer in en slalomde ze soepel door de drukte. Ik liet mijn hoofd schuin hangen en maakte gebruik van mijn ooghoogte om de billen te jureren die achter dunne jurkstofjes naar me lonkten. Mijn gezichtsuitdrukking had ik keurig van deze taak ontkoppeld, mijn wezenloze blik gaf niet meer prijs dan een naïeve glimlach. Ik werd voor uitdragerij het Kruidvat geparkeerd. Luna zette me op de rem, ging voor me staan en zei met opgeheven vinger: ‘Ik ga, jij blijft.’ Ik viel uit mijn rol van meervoudig gehandicapte en moest lachen. Het is een citaat uit onze favoriete tekenfilm: De ijzeren reus, een ondergewaardeerd meesterwerk. Daar kunnen ze bij Disney en Pixar nog wat van leren. Ik herpakte me snel en uit mijn scheefhangende hoofd klonk: ‘Mnwah, mnwah!’ Luna verdween. Ik bleef alleen achter en bestudeerde de effecten van verschillende zorgindicaties op

15


voorbijgangers. Sloom uit je ogen kijken en wat neuriën riep medeleven op, rollen met ogen en tong werkte afstotend en van gerochel werden mensen bang. Een flinke guts kwijl uit mijn mondhoek zou mijn performance de finishing touch hebben gegeven, maar ik had een merkoverhemd aan, dus liet dat achterwege. Krabben aan mijn kruis bleek een prima alternatief. Passerende vrouwen deden of ze het niet zagen, mannen grinnikten. Tot hun vrouw hen aankeek. Luna kwam naar buiten. Ik rook de voltallige bevrouwing van een intercontinentale vlucht. ‘Ze hadden lekkere demootjes. Moet je ruiken.’ ‘Mnwah, mnwah! Poeplucht’, riep ik. ‘Wat heb jij gedaan? Nee toch?’ Luna zorgde ervoor dat haar stem goed hoorbaar was voor de voorbijgangers. ‘Je zult er toch even in moeten blijven zitten, want ik heb zin in een ijsje.’ Ze maakte een scherpe bocht, waarna we voor het softijsloket van snoepwinkel Jamin stonden. ‘Een hoorntje graag.’ ‘Mnwah, mnwah!’ ‘Ik geloof dat hij er ook een wil’, zei de ijscoman. ‘Hij mag niet, zijn darmen… die kunnen daar vervelend op reageren.’ ‘Mnwah, mnwah?’ protesteerde ik. ‘Weet je het zeker?’ Luna legde een hand op mijn hoofd. Ik knikte heftig. ‘Oké, twee hoorntjes graag.’ Luna legde geld neer en pakte een van de ijsjes die in de standaard op de toonbank werden gezet. Ze boog naar me toe en aaide mijn bungelende hoofd. Een plotselinge duw tegen mijn achterhoofd deed mijn neus in de gedraaide torenspits belanden. ‘Rustig, rustig’, suste Luna. ‘Het hoeft niet in één hap. Pak het maar zelf, dat kun je wel.’ Ik pakte het hoorntje aan voordat ze het in mijn schoot zou laten vallen. Mijn neus blies bellen. Het ijs zat er niet alleen op, maar ook in. Luna kwam met een handvol servetjes en veegde mijn gezicht af.

16


Dat ze hierbij even stevig in mijn neus kneep, had als voordeel dat het meeste ijs eruit spoot. Twee identieke broertjes die me van dichtbij kwamen bekijken, werden snel door hun moeder weggetrokken. Ook wij gingen weer op pad. Onder de Kamperbinnenpoort was mijn ijsje op en was de tijd rijp voor mijn geestelijke wederopstanding. Ik ging rechtop zitten. In de grote ruit van Optiek Verkerk maakte ik mijn fysieke balans op. Volle donkere haardos: check! Dankzij dure crèmes vertraagde rimpelvorming: check! (Die ene tussen mijn wenkbrauwen verraadde juist karakter.) Een in de sportschool geboetseerde torso: check! Kenmerkende asymmetrische glimlach: check! Leeftijd: 47? Dat meen je niet! Nee, zonder gekke bekken zou niemand geloven dat dit mijn rolstoel was. ‘Als ik ooit in een rolstoel terechtkom, regel jij dan euthanasie voor me?’ ‘Nee joh, dan vind ik je op je leukst.’ ‘Er schiet me ineens iets te binnen!’ ‘Wat?’ ‘Ik vergeet helemaal je die truc met dat ijs betaald te zetten!’ Ik sprong overeind. ‘Ren voor je leven, Kleine Maan!’ Met een hoge schreeuw rende Luna weg, ik haalde haar in, tilde haar op in een berenklem en slingerde haar om mijn as zoals een draaimolen doet met zijn stoeltjes. Haar benen waaierden uit. ‘Mnwah, mnwah!’ Ik droeg haar terug naar de rolstoel en liet haar erin ploffen. ‘Jij mag het laatste stuk zitten. Je hebt hard genoeg gewerkt.’ Zo snel ik kon racete ik met haar terug naar het verzorgingshuis. Daar lag Fie er nog precies zo bij als toen we vertrokken. Ik ruimde haar kamer op en Luna gaf de plantjes water. Ze schopte per ongeluk tegen het bed. Fie kreunde. Luna keek me verschrikt aan. We hielden ons stil en wachtten af of Fietje wakker zou worden. Ik stelde Luna gerust. ‘Ze wekken haar toch zo voor het avondeten.’ Fie sliep door en wij werkten muisstil onze huishoudelijke taken af.

17


Toen we aan haar voeteneind stonden om in stilte afscheid te nemen, legde Fie twee gestrekte vingers op haar lippen en zoog een lange teug adem naar binnen. Haar longen reutelden als het laatste restje milkshake in een rietje. Haar hand zakte en denkbeeldige rook verliet haar mond. Wij keken ademloos toe. Was dit nog om te lachen of was het daarvoor te bizar? We wisten het geen van tweeën. Omdat we haar niet ‘rokend’ achter konden laten, bleven we staan. De hand ging weer naar haar mond. Zou ze de hele fictieve sigaret oproken? Zou ze weten hoeveel trekjes ze kon nemen voordat ze haar vingers brandde? Na vier exacte herhalingen vouwde ze haar handen weer op haar borst. Voor één seconde zocht ik de sigaret. In de auto vroeg Luna: ‘Sinds wanneer doet ze van “dag jongens en meisjes”?’ ‘Maf hè? Sinds haar tweede TIA. Dat is van een tv-presentatrice uit mijn kleutertijd, tante Hannie. Zij zwaaide altijd met beide handen naar de camera. Ik riep dan: “Ze zwaait naar mij, ze zwaait naar mij!” Dat heb ik Fietje zo vaak horen vertellen dat ik niet meer weet of de beelden die ik daarvan heb echte herinneringen zijn, of plaatjes die ik bij haar verhalen plakte.’ Luna pakte haar mobiele telefoon en typte iets in. ‘Er staat hier dat die omroepster – grappig woord! – het KRO-bestuur om toestemming had gevraagd om naar de kinderen thuis te mogen zwaaien. Haar nichtje had naar haar gezwaaid en was teleurgesteld dat zij niet terugzwaaide. Het mocht, en het zwaaien werd haar handelsmerk.’ ‘Geinig, daarom werd ze zeker ook “tante” genoemd. Sinds wanneer heb jij een iPhone?’ ‘Sinds een week. Heeft een vriendin in de VS voor me gekocht. Hij moet hier nog uitkomen. Is dat ook niet wat voor jou? Apple is toch hét merk voor reclamemakers?’ ‘Niet voor deze reclamemaker. Ik dacht dat ze van de love en freedom waren, maar het blijken pushers. Begin aan één product en ook het volgende moet van hen zijn, anders koppelen ze niet, of minstens beroerd.’

18


‘Dus Apple staat ook op die lange zwarte lijst van je?’ ‘Net als die onverwijderbare barcodestickers op allerlei producten. Loonslaven die “uitdaging” moeten zeggen terwijl ze “probleem” bedoelen. Keuzemenu’s “om u beter van dienst te kunnen zijn”. Breekbare plastic onderdelen in verder onverwoestbare roestvrijstalen koelkasten.’ ‘Theezakjes met te korte touwtjes’, vulde Luna aan. ‘Heinekenvoetbalweggevertjes die meer groen zijn dan oranje.’ ‘En natuurlijk ook mensen die “Dat gaat ’m niet worden” zeggen.’ ‘Hé, heb jij die ook?’ vroeg ik. ‘Nee, dit zijn niet mijn irritaties, dit zijn de jouwe, die ik inmiddels kan dromen. Zoals mensen die “Ik, zei de gek” zeggen en bedrijven die om je klantnummer vragen.’ ‘Ja… ja, de lijst is lang, Sancho Panza!’ ‘Wie is dat?’ ‘En natuurlijk: mensen die niet weten wie Sancho Panza is.’ ‘En oude mensen die zeuren over jonge mensen die niets weten van oudemensenzaken. En mensen die klagen over zandstranden.’ ‘Geef toe,’ antwoordde ik, ‘gras tot aan het water zou toch veel lekkerder zijn voor je bilnaad?’ ‘En natuurlijk mensen die God willen zijn omdat ze alles beter weten.’ ‘Oké, I rest my case.’ ‘Is er ook nog iets wat wel deugt?’ ‘De keukenrol! Prachtige uitvinding. Net als de paperclip.’ ‘Gelukkig maar.’ Luna legde haar hoofd tegen mijn schouder. Ik keek naar de oranje hond op mijn dashboard met zijn gemoedelijk deinende kop. Cadeautje van Luna. Vandaag gekregen en met­ een met gaffertape vastgezet. Op een verkeerde plek, want de verpakking noemt hem, naast Wackeldackel, Hoedenplankhond, maar wie heeft er nog een hoed en een plank in de auto? ‘Ga je eigenlijk ooit nog een eigen speelfilm maken, in plaats van commercials waarvoor je je schaamt?’

19


‘Ik schaam me niet voor mijn commercials. Nou… voor een enkele. Ja, die speelfilm, die moet er zeker komen. Deze zomer maak ik het script af en in de herfst begin ik met fondsenwerving. Het is lastig om daar tijd voor te maken terwijl reclamebureaus met flappen staan te wapperen om me mijn vertrouwde kunstje te laten doen.’ Met een stukje mouw wreef ik het blauw-witte logo in mijn stuur weer blinkend. De claxon deed ons schrikken. We keken elkaar aan en lachten. ‘Pap, zul jij Fietje missen als ze dood is?’ ‘Ja tuurlijk, maar ik denk dat ik dan toch vooral blij voor haar zal zijn. Ze is al jaren klaar met het leven. Het leven is alleen nog niet klaar met haar.’ ‘Raar eigenlijk, dat je doorleeft als je niet meer wilt leven. Je zou denken dat de natuur of God, of wat dan ook, dit beter zou regelen.’ ‘Ja. Of er zit wel degelijk een groter plan achter. Fietje is heel erg boos over van alles. Misschien is het niet de bedoeling dat je boos vertrekt. Misschien mag je alleen terug zoals je kwam: vredig.’ De hemel kleurde dieporanje. Zoals vaker aan het einde van zo’n windstille zomerse middag verschenen luchtballonnen boven de Utrechtse Heuvelrug. Vijf jaar eerder, toen mijn vader in De Lichtenberg op sterven lag, zag ik ze bijna dagelijks. Zijn kamer, hoog in het ziekenhuis op de Amersfoortse Berg, bood er een prachtig uitzicht op. Voor mij waren het de vertrekkende zielen van de overledenen, getooid in de kleuren en bedrijfslogo’s van hun sponsors. ‘Nou, blijf jij dan nog maar even in oorlog met alles en iedereen’, zei Luna. Wackeldackel schudde zijn kop.

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9781864500592_1279abc1f759c0 by Uitgeverij Lannoo - Issuu