Skip to main content

Pioneering_Tech_nr5_NL

Page 1


Wanneer onderzoek vertraagt, stokt ook de vooruitgang. Door de bezuinigingen op onderzoek dreigt ook de ontwikkeling van innovaties die het leven inclusiever en duurzamer maken, te stagneren.

Een exoskelet kan iemand helpen om van een kop koffie te genieten, een drone kan medicijnen bezorgen in afgelegen gebieden en een metselende robot kan fysiek werk verlichten.

De coverillustratie toont een verzameling van dit soort innovaties, waarbij de lopende vrouw symbool staat voor een samenleving die vooruitgaat. De binnenillustratie zoomt in op een van deze uitvindingen en laat zien hoe onderzoek barrières slecht: een vrouw die met een exoskelet de trap oploopt en, onder haar, dezelfde vrouw in een rolstoel, die dat niet kan.

www.rachelsender.com

Pioneering Tech Magazine

Productie TU Delft | Innovation & Impact Centre

Jurjen Slump (Hoofdredacteur)

Sara Broekman (Projectmanager & Art director)

Floortje Koster (Contentmarketeer), Leonie Versteeg (Online marketingstrateeg)

Aan dit nummer werkten mee Leendert van der Ent, Elise Spetter, Bruno van Wayenburg

Illustraties Rachel Sender, Anne-Roos van Ommen Fotografie Roy Borghouts Fotografie, Erno Wientjens, Guus Schoonewille

Ontwerp Ontwerpwerk

Concept De Nieuwe Lijn

Druk Drukkerij van Deventer

Vragen, tips en suggesties of afmelden voor dit magazine? Stuur een e-mail naar pioneeringtech@tudelft.nl

Copyright TU Delft | Innovation & Impact Centre

‘Europa moet voorsprong offshore wind behouden’

4 Investeer in innovatie

Delft maakt het waar

14 ‘Nieuwsgierigheid zit in de genen van deze stad’

Marja van Bijsterveldt en Tim van der Hagen blikken terug

22 Daring DilemmaKerncentrale van de toekomst

Groot en conventioneel of klein en modulair?

32 Offshore

windenergie in 2050

Karen Vennik (Van Oord) wil versnelling vasthouden En ook

12 8 Insights

Stephan Rutten bouwde een autonome onderwaterdrone

20 Startup Populytics

28 Innoveren met het mkb

Hordijk over samenwerken met de TU Delft

36 Explainer

De talloze toepassingen van modder

40 Column Femke Brenninkmeijer (EBZ)

Zonder lef geen toekomst

42 Meanwhile

Van struikgewas tot biobrandstof

44 What if Een thuis op Mars ontwerpen

48 Kunst en Technologie

De man die wind liet lopen

Blijven innoveren, juist nu

Door toenemende bezuinigingen staat innovatie onder druk, in een tijd dat deze belangrijker is dan ooit: voor onze welvaart en welzijn, onze veiligheid, vrijheid en autonomie. Voor stad, regio en land. Met innovatie gaan we dan ook door, juist in deze tijd. Want TU Delft levert.

Wie ook negen jaar heeft geleverd is Marja van Bijsterveldt, tot voor kort burgemeester van Delft. In dit nummer kijken we terug op waar we ons samen voor hebben ingezet: leefbaarheid, veiligheid, een goed vestigingsklimaat. Kortom: de randvoorwaarden voor een succesvolle kennisstad. Ze was een burgemeester van handen uit de mouwen en poten in de modder. Net als veel van onze onderzoekers, sommigen zelfs letterlijk, zoals je in het artikel over Nederland Modderland kunt lezen.

Verder zetten we in een nieuwe rubriek de schijnwerpers op het mkb, de ruggengraat van de Nederlandse economie. Door samen te innoveren kunnen ondernemers en universiteit veel van elkaar leren. Ook in deze editie van Pioneering Tech Magazine: wat is de kerncentrale van de toekomst? Conventioneel of klein en modulair? Met dat ‘Daring Dilemma’ is voor mij de cirkel mooi rond: 41 jaar geleden begon ik immers bij TU Delft in het nucleair onderzoek.

Binnenkort draag ik het stokje over als Rector Magnificus en dat maakt dit de laatste keer dat ik mij op deze plek tot jullie richt. Pioneering Tech blijft je ook in de toekomst op de hoogte houden. Bezoek daarom ook het online Pioneering Tech Platform en meld je aan voor de nieuwsbrief. En blijf vooral lezen; ik lees met jullie mee.

der

Rector Magnificus

Tim van
Hagen,
en voorzitter van het College van Bestuur

Onderzoek en innovatie

DE BESTE INVESTERING IN NEDERLAND

Op een universiteit bedenken onderzoekers slimme dingen. Studenten krijgen er onderwijs. Dat weet iedereen. Maar universiteiten hebben ook een stevige poot voor het creëren van maatschappelijke waarde met kennis. Een moderne universiteit is een partner met positieve impact voor overheid, andere kennisinstituten en bedrijfsleven. In samenwerking brengen partijen slimme ideeën en oplossingen naar de markt. Zo vormen universiteiten de basis onder onze welvaart en helpen ze de uitdagingen waar Nederland voor staat op te lossen.

Door Leendert van der Ent

Boven Maikel Schouw bij het prototype van zijn voegrobot in RoboHouse.

Rechts Het prototype onderscheidt de voeg van de steen en beschikt over een mortelspuit en voegspijkers.

Bezuinigen op onderzoek en innovatie is eigenlijk geen bezuiniging; het kost de Nederlandse economie op termijn vooral veel geld. Elke euro die de EU in het onderzoeksprogramma Horizon Europe investeert, levert op termijn elf euro op, aldus de tussentijdse evaluatie van Horizon Europe door de Europese Commissie. Elf euro! Daarmee betekent een euro bezuinigen tien euro weggooien.

Voegrobot

Het project van Maikel Schouw is één van de projecten die duidelijk maken hoe dat kan. Schouw is metselaar en ZZP eigenaar van SMB Geveltechniek in Alkmaar. “Door pensionering en gebrek aan aanwas zijn er bijna geen voegers meer. Zoals de meeste metselaars heb ik zelf een hekel aan ‘pointmasteren’. Dat is meteen na het metselen een vlakke voeg aanbrengen. Een voegrobot zou uitkomst kunnen brengen.”

Schouw stapte met zijn idee naar RoboHouse van de TU Delft. “Zes studenten gingen ermee aan de slag. Na een half jaar stond er een prototype”, zegt hij. Dankzij het innovatieprogramma MKBdoet is de eerste kennismaking met robotica en AI kosteloos. Bouwend Nederland zag kansen en besloot de doorontwikkeling mee te financieren. Schouw: “Het prototype onderscheidt de voeg van de steen en beschikt over een mortelspuit en voegspijkers. Het heeft inmiddels met succes een voeg getrokken. Het komende half jaar gaan we verder verbeteren.”

Wereld vol kansen

Maikel Schouw

“De universiteit en de bouwplaats zijn verschillende werelden. Die werelden kunnen prima bij elkaar komen. Ik vind het mooi om mee te werken; wetenschappers vertalen wat jij in je hoofd hebt. Ik raad elke mkb’er met een goed idee aan contact op te nemen om te kijken wat mogelijk is.”

Project MARCH

Tijdens een Cybathlon [https://cybathlon.com] gaan de exoskeletten van teams over de hele wereld de competitie met elkaar aan.

De volgende editie is in 2028.

Op 11 maart 2026 vindt de designpresentatie van MARCH XI plaats in het Congrescentrum van de Aula van de TU Delft.

In juli is de revealpresentatie. Beide evenementen zijn gratis.

Boven en onder Een exoskelet kan de kwaliteit van leven van mensen met een dwarslaesie verbeteren.

De markt voor een voegrobot is er: tot 2030 is er 216 miljoen vierkante meter voegwerk waarvoor bijna geen voegers zijn. “Als de robot platte voegen aankan is dat mooi, maar knipen snijvoegen zouden nog veel mooier zijn. Dan kan het oude ambacht een actueel vervolg krijgen – en met een continu hoge kwaliteit.”

De bewerkelijkheid maakt een knipvoeg nu vrijwel onbetaalbaar, maar de voegrobot kan hem weer binnen bereik brengen. Schouw denkt al verder: “Ik zie een complete opstelling voor voegrenovatie voor me: oud voegwerk wegbikken, voegreiniging en nieuw voegwerk aanbrengen.”

Afrekenen met vooroordelen

Maikel Schouw rekent af met verschillende vooroordelen over universiteiten. Universiteiten werken niet alleen hun eigen vindingen uit, maar brengen ook ideeën van anderen verder. Niet alle ontwikkelingen zijn duur en langdurig; met bestaande technologie kan er soms binnen een half jaar een prototype staan. Bovendien is de universiteit er niet alleen voor grote bedrijven, maar ook voor het mkb.

De voegrobot tackelt twee grote uitdagingen in Nederland: tekort aan vakmensen en het woningtekort. Daarnaast liggen er grote vraagstukken binnen defensie en veiligheid, energie, klimaat en zorg. Op dat laatste vlak werkt het studententeam Project MARCH. Hbo­ en wo­studenten uit heel Nederland werken bij de TU Delft aan een exoskelet dat de kwaliteit van leven van mensen met een dwarslaesie kan verbeteren. Elk jaar start een nieuwe groep studenten die een jaar fulltime investeert in het verder brengen van Project MARCH, samen met partners zoals zorgverzekeraar DSW, Siemens, de Sint Maartenskliniek en Sioux Technologies.

Vorig jaar was de uitdaging voor MARCH X dat de exoskelet­‘piloot’ staand een concert zou kunnen bezoeken. Dit jaar zijn drieëntwintig studenten van MARCH XI begonnen aan zelfgebalanceerd lopen zonder krukken.

Teammanager Linde de Haan: “Een flinke opgave; het verschuivende zwaartepunt tijdens lopen is nog maar één van de vele complexe problemen die we moeten oplossen. Maar we zijn uiterst gemotiveerd. Als het lukt, komt het uitvoeren van dagelijkse taken met een dwarslaesie weer dichterbij. Ons werk is open source; iedereen kan de kennis benutten. We zijn zo innovatief mogelijk, met een steile leercurve. Dat is hard nodig, want er is nog veel innovatie nodig voordat het exoskelet voor dwarslaesiepatiënten beschikbaar komt.”

Honderden miljoenen bespaard

Natuurlijk heeft ook Kenneth Heijns als directeur van het Innovation & Impact Centre van de TU Delft concrete voorbeelden van de maatschappelijke en economische meerwaarde van Delftse kennis voorhanden. “We staan midden in een snel veranderende maatschappij die voor grote opgaven staat. ‘Impact voor een betere samenleving’ is ons uitgangspunt. Dat houdt niet op bij het ontwikkelen van een idee of kennis – het moet in de praktijk werken. We hebben heel actief stappen gezet om werkende oplossingen te leveren. Daarom werken we vrijwel altijd samen met praktijkpartners, bijvoorbeeld in onze fieldlabs. Over de grenzen van disciplines en organisaties werken we samen aan doeltreffende praktijkoplossingen. Die aanpak werkt. Mede daardoor is de financiering vanuit zelfstandige publieke organisaties zoals de EU en NWO en vanuit private organisaties en bedrijven de laatste vijftien jaar meer dan verdubbeld: 275 miljoen op een begroting van een miljard.”

Eén zo’n partner is Gemeente Amsterdam, met wie Wageningen Universiteit, het Massachusetts Institute of Technology (MIT) en de TU Delft samenwerken in het AMS Institute. Dit instituut ontwikkelt slimme oplossingen voor grootstedelijke opgaven rond bijvoorbeeld netcongestie, mobiliteit, voedsel, wegen, bruggen en kademuren. Heijns: “Amsterdam constateerde dat het miljarden moet investeren in kademuren om het hoofd letterlijk boven water te houden. Binnen AMS Institute kijken we met Delftse kennis hoe we dat probleem efficiënt en effectief kunnen aanpakken. Dat heeft bijgedragen tot een kostenreductie van honderden miljoenen euro’s. Alleen al de oplossingen voor de kademuren maken AMS Institute de investering waard, en het doet nog veel meer.”

Verdiencapaciteit van Nederland

Professor David Abbink is gespecialiseerd in de interactie tussen mens en robot: de toekomst voor veel werkplekken. “Vaak is het praktisch mogelijk om fysiek zwaar werk met behulp van robots, andere technologie en slimme organisatie naar een hogere productiviteit te brengen”, aldus Heijns. Hij benadrukt: “Bij robotisering gaat het lang niet altijd om het vervangen van mensen door machines. Het gaat juist ook om vakmanschap en kwaliteit van werk. De waardigheid van medewerkers staat centraal in onze aanpak.”

‘Impact voor een betere samenleving is ons uitgangspunt. Dat houdt niet op bij het ontwikkelen van een idee of kennis - het moet in de praktijk werken’

Kenneth Heijns, directeur TU Delft Innovation & Impact Centre

Boven De stapelrobot draagt bij aan zowel het verduurzamen van de infrastructuur als een nieuwe manier van werken.

Het is een van de vele innovaties waar AMS Institute aan werkt, samen met een breed consortium van infrapartners.

Onder Amsterdam moet miljarden investeren in kademuren.

Onderzoekers aan het werk in de labs van QuTech.

Voor de toekomstige verdiencapaciteit van Nederland zijn quantum computing, quantum internet en qubit­onderzoek op termijn zeker net zo belangrijk als robotisering. “Op dat gebied hebben we in Delft QuTech als één van de toonaangevende onderzoeksinstituten in de wereld”, vertelt Heijns. “Quantum computing is nog volop in de ontwikkelingsfase, maar er ontstaat momenteel in de ‘quantum delta’ in Delft toch al een ecosysteem van nieuwe bedrijven. Die maken bijvoorbeeld de benodigde kabels of ontwikkelen test­technologie voor deze revolutionaire computertechnologie.”

Technologie om de positie van de Rotterdamse haven te versterken, de ontwikkeling van nieuwe, duurzame chemische processen en het mogelijk maken van de energietransitie… achter al die zaken en meer zit universitaire kennis uit Delft. De universitaire kennis staat daarbij nooit op zichzelf: de verbinding met het hbo en het mbo is erg belangrijk om samen verder te komen in Nederland.

Verbondenheid en meerwaarde

Edwin van de Hee weet dat als geen ander. Hij is docent en ontwikkelaar bij een opleiding die net als quantum computing kan bijdragen aan de Nederlandse verdiencapaciteit. Dat is Drone Engineering & Fabrication van MBO College Airport in Hoofddorp als onderdeel van ROC van Amsterdam. Er bestaan allerlei raakvlakken tussen die opleiding en de TU Delft. Beide zijn partners in Unmanned Valley, het fieldlab voor sensor­gerelateerde technologie en toepassing. Van de Hee: “Een student van ons liep stage bij TU Delft spin­out Drone Catcher, een

FOTO © CHEESEWORKS FOR QUTECH

Boven Testen op Unmanned Valley, het fieldlab voor sensorgerelateerde technologieën en toepassingen.

Onder Studenten van het MBO College Airport op Unmanned Valley.

andere stagiair werkte aan een drone­systeem dat vanaf een container op een schip door één persoon kan worden bediend. Dat gebeurde voor Cargo Drone Services van Ampelmann, ooit een TU Delft start­up. Medewerkers van start­ups – ook uit Delft – verzorgen gastlessen bij ons. Verder zijn beide organisaties vertegenwoordigd in de Dutch Drone Delta.”

Van de Hee denkt dat meer en intensievere samenwerking tussen wetenschappelijk onderwijs, hbo en mbo gunstig voor alle betrokkenen zal uitpakken: “Onze studenten kunnen door die samenwerking extra vaardigheden ontwikkelen. Met de academische conceptuele kijk op de wereld komen ze normaal gesproken weinig in aanraking. Die kijk kan meerwaarde voor hen hebben en perspectieven openen naar wat er mogelijk is. Zij kunnen daarmee de vertaalslag van concept naar uitvoering maken.”

Andersom kunnen academici leren van de pragmatische, praktische en doelgerichte werkmethoden van hbo’ers en mbo’ers, meent Van de Hee. Zijn studenten hebben nog een troef: “Schaal. Onlangs hebben we een week lang in een grootschalige test de uitdagende omstandigheden boven het IJ het hoofd geboden. Daaraan werkten zes vliegers met brevet mee en twintig studenten die de veiligheid in de gaten hielden en het publiek enquêteerden.

MBO College Airport

Het MBO College Airport biedt de enige drone-gerelateerde opleiding in Nederland, op MBO 4-niveau. “We hebben een aparte vliegopleiding en een technische opleiding op Unmanned Valley in Valkenburg bij Katwijk. In projectperioden van steeds tien weken leren de technische studenten alle essentiële vaardigheden voor het samenhangend ontwerpen en bouwen van een deltaquad frame met flight controller en payload: mechanica, Printed Circuit Boards (PCBs), programmeren, sensoriek en onderhoud. Onlangs hebben studenten een drone-in-the-box van zestig kilo ontwikkeld en gebouwd voor gebruik door hulpdiensten.”

Boven Het nieuwe hoofdkantoor van de Business Unit Taste, Texture & Health van dsm-firmenich.

Onder Onderzoekers aan het werk in een van de labs van dsm-firmenich.

Gezamenlijk vormen we als mbo, hbo en wo een keten waarin ieder beter wordt van de taken die de ander uitvoert. Daarin ligt de toegevoegde waarde.”

Basis van onze welvaart

Behalve met mkb, overheden en andere onderwijsinstellingen werkt de TU Delft ook samen met multinationals, zoals dsm­firmenich. “De samenwerking gaat terug tot 1869. Jacques van Marken studeerde als eerste scheikundig ingenieur af in Delft en zette hier de Nederlandse Gist­ en Spiritusfabriek op, waaruit onze huidige locatie in Delft is voortgekomen”, zegt Hans Roubos, verantwoordelijk voor de wetenschaps­ en technologiestrategie voor Data Science binnen dsm­firmenich in Delft. “De samenwerking en wisselwerking tussen universiteit en bedrijf zijn sindsdien blijven bestaan. Vooral prille nieuwe ontdekkingen ontwikkelen we samen met universiteiten. Experts van de TU Delft adviseren ons ook over de kansen van technologieën voor de toekomst. De samenwerking draagt bij aan de Nederlandse positie in de (industriële) biotechnologie. De TU Delft is een belangrijke partner voor kennis van biotechnologie, procestechnologie, Data Science en AI.” Op 2 oktober opende dsm­firmenich het nieuwe hoofdkantoor van de Business Unit Taste, Texture & Health in Delft – één van de Business Units waarmee dsm­firmenich de toekomst wil veroveren. Roubos: “Daarnaast zijn de TU Delft en wij gezamenlijk betrokken in de Biotech Campus Delft, het ecosysteem voor industriële biotechnologie in Nederland. Grootbedrijf, zeer vernieuwend kleinbedrijf en universitaire wetenschappers ontwikkelen daar samen economische activiteiten voor de Nederlandse kenniseconomie. In Planet B.io zijn al twintig start­ups, sommige vanuit de TU Delft, actief. Dergelijke kennis en activiteiten vormen de basis onder onze huidige en toekomstige welvaart.” ■

Stephan Rutten richtte samen met vijf studiegenoten Lobster Robotics op. Deze Delftse start-up ontwikkelt autonome onderwaterdrones die zelfstandig de zeebodem in kaart brengen. Acht inzichten van een ondernemer in maritieme tech.

Stephan Rutten: “Sommige problemen los je alleen op door te doen in plaats van er eindeloos over na te denken.”

‘Nieuwsgierigheid zit in de genen van deze stad’

Onder hun leiding transformeerde de campus rond de TU Delft tot innovatie-ecosysteem en kwamen Delft en Westland keer op keer uit de bus als beste regio voor ondernemerschap in Nederland.

Marja van Bijsterveldt trad begin september af als burgemeester van Delft en Tim van der Hagen draagt begin 2026 het stokje over. In een afscheidsinterview blikken beide bestuurders terug. “De universiteit kan alleen floreren als het goed gaat met de stad.”

Door Jurjen Slump  Foto’s Erno Wientjens Van Bijsterveldt en Van der Hagen werkten de afgelopen negen jaar nauw samen. In de vele afscheidsinterviews die ze gaven, is al veel de revue gepasseerd: de impact van corona, studentenoverlast, de komst van een AZC naar de campus, de aanpak tegen alcoholmisbruik. Maar wat is nu specifiek bereikt op het gebied van innovatie? Hoe hebben stad en universiteit er onder hun leiding voor gezorgd dat de samenleving profiteert van wat hier allemaal wordt bedacht? Er is zonder meer veel gebeurd, dat is duidelijk voor wie door Delft wandelt: van nieuwe fieldlabs op de TU Delft Campus, een gebouw voor scale­ups (NEXT Delft), de vestiging van talloze nieuwe startups en bedrijven, tot de ontwikkeling van de Biotech Campus bij dsm­firmenich en het meest recente ambitieuze project: het Innovatie District Delft. Daarover later meer.

Vier trends rond innovatie

Terugblikkend onderscheidt Van der Hagen vier grote lijnen als het gaat om innovatie. De eerste is de ontwikkeling van de academische campus tot innovatie­ecosysteem. “Dat is de belangrijkste verandering.” Bedrijven, startups, kennisinstellingen en overheden werken tegenwoordig ‘als een kluwen’ samen aan nieuwe toepassingen. “Dat is nodig omdat het sneller gaat, en het veel beter aansluit bij de behoefte”, vertelt hij. De stad speelt een belangrijke rol om deze verwevenheid van bedrijven, labs, onderzoek en onderwijs te faciliteren. Zo droeg de gemeente de afgelopen jaren bij aan de ontwikkeling van verschillende fieldlabs, NEXT Delft, Planet B.io op het terrein van dsm­firmenich. Om maar een paar voorbeelden te noemen.

Een tweede belangrijke ontwikkeling is dat het innovatiebeleid van de TU Delft is gericht op het leveren van oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen: duurzame zorg, verstedelijking, klimaat, digitalisering, AI. “Maar altijd in context”, zegt Van der Hagen. “Je kunt technologie pas benutten als je het samen ontwikkelt, met onderzoekers uit de sociale en de geesteswetenschappen en de geneeskunde, met burgers. Die gezamenlijkheid is heel belangrijk.”

Het is de reden waarom de universiteit eerst een nauwe samenwerking aanging met de Erasmus Universiteit en het Erasmus Medisch Centrum, en nu ook werkt aan een campus in Rotterdam. “Je moet daar zitten waar het gebeurt. In de haven. Bij het Erasmus Medisch Centrum.”

Burgemeester en rector magnificus in gesprek met een inwoner van Delft. Gemeente en universiteit hebben de afgelopen jaren hard gewerkt aan de verbetering van de leefbaarheid en veiligheid van de stad. Dat is ook in het belang van de TU Delft.

Strategische autonomie

Een derde, recentere, ontwikkeling draait om strategische autonomie. Geopolitieke ontwikkelingen dwingen Europa ertoe om afhankelijkheden te verkleinen. “We moeten zelf nieuwe technologie ontwikkelen, zelf grondstoffen in huis hebben, zelf onze cybersecurity ontwikkelen.”

De innovaties voor de maatschappelijke opgaven zijn dezelfde die nodig zijn om het land weerbaarder te maken. Een duurzame energievoorziening zorgt ervoor dat we minder afhankelijk zijn van olieproducerende landen. En drones zijn nodig voor inspectie en onderhoud van windturbines. Maar het grote verschil is dat deze technologie vaak ‘dual use’ is, en ook gebruikt kan worden voor minder nobele doeleinden.

Daarom ziet Van der Hagen ten slotte als vierde grote lijn het belang van ethiek en ‘verantwoorde innovatie’ sterk toenemen. “Veel meer dan voorheen moeten we goed nadenken met wie we willen samenwerken, en hoe we zorgen dat technologie wordt benut daar waarvoor het is bedoeld.” Nog niet zo lang geleden was globalisering en open wetenschap het adagium. “Nu denken we: wacht even, willen we dat wel?”

Artist’s impression van het Innovatiedistrict Delft.

Geen innovatie zonder welvarende stad

Al deze ontwikkelingen waren niet mogelijk zonder een nauwe samenwerking met de gemeente. “De universiteit kan alleen floreren als de randvoorwaarden in de stad goed zijn”, zegt

Van Bijsterveldt. Delft ontwikkelde zich als ‘stad van historie, van Delfts blauw, van de geschiedenis van de Oranjes tot stad van toekomst en innovatie’. “Maar als kennisstad moet je je drommelsgoed realiseren, dat is randvoorwaardelijk, dat je ook andere delen in de stad hebt.” Want “du moment” dat je die veronachtzaamt, te eenzijdig de aandacht richt op dat wat de TU Delft aangaat, brokkelt het draagvlak in de stad weg om een goede kennisstad te zijn, aldus de burgemeester.

Daarom hebben gemeente en universiteit hard gewerkt aan de verbetering van de leefbaarheid en veiligheid van de stad. Dat is ook in het belang van de universiteit. Voor studenten en medewerkers speelt de aanwezigheid van goede faciliteiten – musea, scholen, huisvesting –, maar ook het zijn van een inclusieve stad net zo’n grote rol bij de keuze voor de TU Delft.

Voor bedrijven is het vestigingsklimaat heel belangrijk.

Van Bijsterveldt en Van der Hagen hebben flink ingezet op het versterken van de lobby richting Den Haag, samen met andere partners in de regio. Dat heeft geleid tot extra geld voor kwetsbare wijken in Delft, infrastructuur en woningbouw. De regionale lobby heeft ook een voorgenomen verdubbeling van het spoor tussen Leiden en Dordrecht opgeleverd, onder meer belangrijk voor een betere verbinding tussen de universiteitssteden Leiden, Delft en Rotterdam.

‘De universiteit kan alleen floreren als de randvoorwaarden in de stad goed zijn’
Marja van Bijsterveldt

Innovatiedistrict Delft

Deze filosofie, het belang van die verbinding, zit ook verwerkt in de gezamenlijke ontwikkeling van de TU Delft Campus en het aanpalende werk­woongebied Schieoevers tot Innovatiedistrict Delft (IDD). Het IDD zal een belangrijke rol spelen bij het faciliteren van innovatie en de groei van de universiteit, onder meer door ruimte voor maakindustrie, woningbouw en betere bereikbaarheid. Ook moet het de samenwerking tussen onderzoekers en de daar gevestigde maakbedrijven een impuls geven.

“Wat we daar ook willen, en dat zie je inmiddels al meer en meer gebeuren, is de hele beroepsroute van mbo­hbo­wo aan elkaar verbinden. We hebben ze alle drie heel hard nodig, de een kan niet zonder de ander, en hoe inspirerend is het als je dat ook fysiek nog sterker bij elkaar brengt en met name het mbo moet daarin veel sterker gepositioneerd worden”, zegt Van Bijsterveldt. “Want zonder productie en maken geen innovaties.”

Het ligt voor de hand dat Rotterdam ook onderdeel wordt van dit innovatiedistrict, vinden beide bestuurders.

Van Bijsterveldt: “Rotterdam heeft Delft nodig voor een duurzame economische groei en samen met Rotterdam kan Delft nog betekenisvoller zijn, nationaal en internationaal. Het is niet zo dat hier iets het systeem uitgaat als het naar Rotterdam gaat. Nee, het blijft gewoon binnen de regio.”

Sterkste ecosysteem van Nederland

De samenwerking tussen gemeente en universiteit is in 2016 vastgelegd in een uniek convenant, met als doel om het potentieel van stad en TU Delft maximaal te benutten.

Die aanpak heeft gewerkt. In de Entrepreneurial Ecosystem Index van Birch en de Universiteit Utrecht, dat de verschillende innovatie­ecosystemen in Nederland rangschikt op sterkte, staat Delft de laatste jaren steevast bovenaan.

Niettemin is er nog ruimte voor verbetering. Zo ziet

Van Bijsterveldt graag een sterkere betrokkenheid van het grote bedrijfsleven. Daar liggen nog kansen, bijvoorbeeld door het oprichten van een ‘Delftse tafel’ van bedrijven. Met een paar grote bedrijven die zich aan de TU Delft en de stad verbinden, vergroot je ook de slagkracht in Den Haag.

Geothermie

Wat zijn nu innovaties waar Van Bijsterveldt en Van der Hagen persoonlijk warm voor lopen? “Geothermie, daarin lopen we echt voorop”, zegt de burgemeester. Op de campus is de afgelopen jaren een aardwarmtebron aangelegd die niet alleen de campus en de omringende wijken van duurzame energie voorziet, maar ook een wetenschappelijke bron van informatie is.

“En die hele robotisering, dat is superinteressant”. En dan vooral gericht op de ondersteuning van werknemers, zoals gebeurt binnen FRAIM, vult Van der Hagen aan. Ook looft de burgemeester de samenwerking met het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft en het Erasmus Medisch Centrum. “Dat vind ik het allerbelangrijkste aan innovaties: natuurlijk leidt het ook tot meer luxe en welvaart, maar uiteindelijk moet het toch vooral ten bate komen van de maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan.”

‘Veel meer dan voorheen moeten we goed nadenken met wie we willen samenwerken’

Tim van der Hagen

Investeringen zijn noodzakelijk

Van Bijsterveldt snapt dan ook niets van de bezuinigingen op het hoger onderwijs. “Het huidige kabinet wil problemen oplossen met innovatie, maar als je niet investeert in wetenschap en onderwijs ben je heel ver van huis.” De boodschap aan de formerende partijen is duidelijk. “We moeten hierin echt investeren. De huidige problemen zijn nauwelijks nog hanteerbaar en technologie zal wonderen moeten gaan verrichten als we op het goede spoor willen blijven.”

Hoe kijken beide bestuurders naar de toekomst? En welk advies hebben ze voor hun opvolgers? Als het om innovatie gaat, ziet Van der Hagen die verwevenheid tussen publiekprivate partijen alleen maar verder toenemen. En ethiek gaat een veel grotere rol spelen bij alle onderzoeksgebieden, zoals bijvoorbeeld biotechnologie.

De universiteit heeft een unieke methode ontwikkeld voor responsible innovation, waarbij ethiek wordt geïntegreerd in het design. Dat kost tijd, maar uiteindelijk zal het ervoor zorgen dat Nederland hiermee vooroploopt, aldus Van der Hagen. “Want wij integreren ethiek nu al in onze technologie.”

Delen is vermenigvuldigen

Die verwevenheid geldt ook voor de bestuurlijke samenwerking. “Delen is vermenigvuldigen”, dat is het belangrijkste advies dat Van Bijsterveldt heeft voor haar opvolger Alexander Pechtold. “Als je alles voor jezelf wilt houden, wordt het niet groter.” Ga dus de samenwerking aan in de regio. Het gaat uiteindelijk om de maatschappelijke bijdrage die je levert. “Delft is geen eiland.” Wetenschap, innovatie, technologie: het begint met nieuwsgierigheid. “Het bijzondere is met de rijke historie die we hebben, dat deze vaak ook toen al geworteld was in die nieuwsgierigheid”, zegt Van Bijsterveldt aan het eind van het interview. “De nieuwsgierigheid van Antonie van Leeuwenhoek, de nieuwsgierigheid van Johannes Vermeer en van Hugo de Groot, die de basis legde voor het internationaal recht. Dat is echt mooi. Het zit in de genen van deze stad.” ■

Marja van Bijsterveldt Fonds

Het ten goede laten komen van kennis en innovaties voor iedereen in de stad was een essentiële drijfveer van Marja van Bijsterveldt. “Noblesse oblige”, zo vond zij, ook lokaal: de kennis van de TU Delft moet ook worden benut om de stad te verbeteren, voor iedereen. Om deze inzet te eren, heeft de TU Delft het Marja van Bijsterveldt Fonds opgericht. Het fonds gaat innovatieve projecten ondersteunen, die specifiek gericht zijn op het verbeteren van de stad en die een bijdrage leveren aan de lokale economie.

Lees hier meer:

Van Bijsterveldt en Van der Hagen bekijken het Huis van Delft, een ode aan de pioniers van toen en nu.

Samen innoveren met impact voor een betere samenleving

Laat jouw organisatie vooroplopen en werk met de TU Delft samen:

■ Ontdek baanbrekende oplossingen die nog niet op de markt zijn, op het gebied van onder andere AI, health, robotica en energie.

■ Neem deel aan onze fieldlabs, waar onderzoek, technologie en praktijk samenkomen op concreet TRL-niveau.

■ Houd je organisatie innovatief met toegang tot de juiste kennis, expertise en scholing.

Ontdek wat we samen kunnen bereiken.

➔ Neem contact met ons op

De Delftse start-up Populytics helpt beleidsmakers om inwoners beter te betrekken bij lastige beslissingen. Via hun online platform kruipen burgers in de huid van bestuurders en maken keuzes binnen dezelfde beperkingen, zoals budget of ruimte. Zo sluit beleid beter aan bij de samenleving en ervaren inwoners hoe complex besluitvorming is.

Burgers op de stoel van de wethouder

Rechts
V.l.n.r. Niek Mouter, Shira Hollanders en Shannon Spruit.
Onder
Het team van Populytics bestaat uit een mix van economen, filosofen, programmeurs en sociale wetenschappers.

Populytics ontstond in 2020 uit onderzoek van de TU Delft naar zogenoemde

Participatieve Waarde Evaluaties (PWE’s).

Daarmee kunnen burgers meedenken over beleidsdilemma’s, zoals de energietransitie, mobiliteit of coronamaatregelen. Co­founders Shannon Spruit en Niek Mouter besloten samen met managing director Shira Hollanders de stap te zetten van wetenschap naar start­up.

Wat willen jullie precies bereiken met Populytics?

Mouter: “Wij willen dat beleid beter aansluit bij de mensen die het raakt. Door inwoners de keuzes en beperkingen van bestuurders te laten ervaren, krijgen beleidsmakers inzicht in hun waarden en voorkeuren, terwijl burgers zien dat de afweging vaak lastiger is dan gedacht. Zo verkleinen we de kloof tussen overheid en samenleving.”

Hoe werkt dat in de praktijk?

Hollanders: “In plaats van een enquête met losse vragen, laat ons platform altijd de samenhang en gevolgen van keuzes zien. Als je bijvoorbeeld tegen windmolens bent, zie je ook dat er andere maatregelen nodig zijn om klimaatdoelen te halen. Het is dus een realistisch dilemma.”

Wat was voor jullie het moment om er een bedrijf van te maken?

Mouter: “Tijdens de coronapandemie vroegen we 30.000 Nederlanders via ons platform mee te denken over versoepelingen van de lockdown. Dat kreeg veel mediaaandacht en liet zien dat onze methode maatschappelijk waardevol is. Steeds meer gemeenten klopten aan. Het was niet meer alleen academisch onderzoek – we moesten de stap maken naar een organisatie die dit op schaal kan uitvoeren. Delft Enterprises, de organisatie waarmee de TU Delft investeert in spin­offs, hielp ons daarbij en gaf ons de ruimte om het idee verder uit te bouwen.”

Hoe reageerden beleidsmakers en burgers in die beginfase?

Spruit: “Voor beleidsmakers was het spannend: zouden inwoners constructief meedenken over zulke ingewikkelde vraagstukken? Voor inwoners was het nieuw dat ze niet alleen hun mening konden geven, maar ook de dilemma’s van de overheid zagen. Wat ons verraste was dat mensen er echt de tijd voor namen.

‘Wij willen dat beleid beter aansluit bij de mensen die het raakt’

Sommigen schreven pagina’s lange toelichtingen bij hun keuzes. Dat laat zien dat er veel behoefte is om op een betekenisvolle manier mee te doen.”

Waar zijn jullie het meest trots op?

Mouter: “Op trajecten waarbij er eerst veel polarisatie was, maar na onze raadpleging een gedragen besluit kwam. Zoals in de Hoeksche Waard, waar 18.000 inwoners meededen aan een raadpleging over zondagsopenstelling. Daarna nam de gemeenteraad een besluit dat breed werd geaccepteerd. Ook in Súdwest­Fryslân, waar actiegroepen weer constructief aan tafel kwamen na ons proces, zagen we dat onze methode echt verschil maakt. En we zijn er trots op dat we inmiddels meer dan 120 keer zijn gevraagd om mee te werken aan beleid, van lokale vraagstukken tot landelijke mobiliteitsplannen.”

Wat waren jullie grootste uitdagingen tot nu toe?

Hollanders: “In het begin moesten we beleidsmakers overtuigen dat het werkt, terwijl we nog weinig referenties hadden. Daarna volgden groeipijnen: meer

opdrachten dan mensen en processen die nog niet goed vastlagen. Nu zijn we met bijna twintig medewerkers, maar bij elke fase komen nieuwe uitdagingen. Eerst was het vertrouwen winnen, toen mensen vinden in een krappe arbeidsmarkt en daarna structuur aanbrengen zodat nieuwe collega’s wisten hoe ze een raadpleging moesten opzetten. Nu gaat het meer over hoe je kwaliteit borgt in een groter team. Tegelijkertijd vinden we dat ook het leukste van ondernemen: we blijven leren.”

Welke rol speelt samenwerking met kennisinstellingen?

Mouter: “Die rol is heel groot. Als wetenschappers blijven we de methode doorontwikkelen, bijvoorbeeld samen met TU Delft, de Erasmus Universiteit en internationale universiteiten. Dat levert ook nieuwe toepassingen op. In het buitenland zijn er al pilots gedaan, maar nog niet in echte besluitvormingstrajecten. De vraag is: werkt onze methode ook in landen waar de besluitvormingscultuur heel anders is, zoals in Duitsland of Italië? Dat willen we de komende jaren onderzoeken.”

Waar hopen jullie dat Populytics over vijf jaar staat?

Spruit: “Toen we vijf jaar geleden begonnen, dachten we dat we drie medewerkers zouden hebben. Inmiddels zijn we met bijna twintig. Dus plannen maken voor over vijf jaar is lastig. Wel weten we dat we zoveel mogelijk maatschappelijke impact willen maken, in Nederland en internationaal. Ook verkennen we toepassingen buiten de overheid, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun medewerkers willen betrekken bij strategische keuzes. Onze ambitie blijft dezelfde: beleidsmakers helpen om besluiten beter aan te sluiten bij wat mensen belangrijk vinden.”

Wat maakt jullie team bijzonder?

Spruit: “Ons team bestaat uit een mix van economen, filosofen, programmeurs en sociale wetenschappers. Die multidisciplinariteit is noodzakelijk, want een PWE ontwikkelen is zowel techniek en inhoud als procesbegeleiding. Je hebt mensen nodig die goed zijn in data­analyse, maar ook in gespreksvoering met actiegroepen of wethouders. Dat maakt ons werk intensief, maar ook ontzettend leuk. En misschien wel het mooiste: mensen willen hier blijven. In een krappe arbeidsmarkt krijgen we open sollicitaties van uitstekende mensen. Dat zegt veel over de cultuur die we samen hebben opgebouwd.” ■

Wat is de kerncentrale van de toekomst?

CONVENTIONEEL EN KLAAR VOOR DE MARKT, OF KLEIN EN MODULAIR?

Door Bruno van Wayenburg Visual Ontwerpwerk

Na decennia van tegen- en stilstand is kernenergie weer in opkomst. Nederland krijgt er vier conventionele kerncentrales bij, maar startups en bedrijfsleven werken ook aan Small Modular Reactors (SMR’s), kleine reactoren die in een fabriek van de lopende band moeten rollen. Helpen de voorlopig nog toekomstige SMR’s de energietransitie?

Kernenergie in Nederland is terug van nooit helemaal weggeweest. In de haperende energietransitie belooft de CO2­vrije energie uit atoomkernen een constant beschikbare energiebron waarmee klimaatdoelen wél te halen zijn. Naast overheden werken ook het bedrijfsleven, waaronder tientallen startups, aan innovatieve reactorontwerpen, vaak onder het kopje Small Modular Reactors (SMR’s). Dat zijn relatief kleine kernreactoren die niet op locatie als energiecentrale gebouwd worden, maar die in een fabriek geproduceerd worden als modulaire eenheden.

Schaalvoordelen

Het idee is dat kleine modules sneller ontwikkeld en gebouwd kunnen worden, en dat de seriële en uniforme bouw schaalvoordelen oplevert. Zulke modules kunnen lokaal geplaatst worden bij energie­intensieve industrieën, of je kunt er meerdere bij elkaar plaatsen om een elektriciteitscentrale te vormen.

Ze kunnen zelfs aan boord van schepen meevaren. Zo werkt het Delftse maritieme bedrijf Allseas aan de ontwikkeling van een SMR om op den duur schepen van energie te voorzien.

En de Amsterdamse startup Thorizon ontwikkelt een gesmoltenzoutreactor, een nieuwe reactortechnologie waarmee het relatief overvloedig aanwezige element thorium gebruikt kan worden als nucleaire brandstof, en die plutonium uit kernafval kan verwerken.

De onderzoeksgroep reactorfysica aan de TU Delft, de enige Nederlandse universiteit met een eigen onderzoeksreactor, is in een gunstige positie om bij te dragen aan de hernieuwde ontwikkeling van kernenergie. Recent is het aantal leerstoelen uitgebreid naar vier nieuwe posities.

Nuclear Academy

De TU Delft neemt deel ook deel aan de Nuclear Academy, opgericht om nucleair relevant onderwijs ook op hbo en mbo in te voeren. Ook is de TU Delft participant in een nucleair kennis­ en innovatiecluster in Zeeland, met deelname van bedrijven en onderzoekers.

Zonne­ en windenergie hebben duurzame stroom snel goedkoper gemaakt, waarmee hun rol in de energietransitie groeit. Daar staat tegenover dat kernenergie niet afhankelijk is van beschikbaarheid van zon en wind, en dus constant beschikbaar is, wat bijdraagt aan synergie en daarmee een robuust energiesysteem. Wel blijven reactorveiligheid en de veilige opslag van radioactief afval belangrijke onderwerpen.

Daarbij zijn er verschillen tussen reactortypen onderling: SMR’s beloven flexibiliteit, klein ruimtebeslag, snelle levering en mogelijk schaalvoordelen, maar die beloften moeten nog ingelost worden. Zal de focus op SMR’s niet ten koste gaan van conventionele, sneller beschikbare kernenergiecentrales, en daarmee juist de energietransitie afremmen?

het Nucleair Lab van de kerncentrale Borssele.

Jan Leen Kloosterman Hoogleraar reactorfysica TU

Delft

‘De aandacht voor kleine reactoren is de laatste jaren weer helemaal terug. Zo’n kleine reactor kun je plaatsen waar ze nodig zijn, bijvoorbeeld om ter plekke industrie van stroom te voorzien. Door de lokale plaatsing kan dat achter de netaansluiting, waardoor bedrijven geen transportkosten betalen voor de elektriciteit. Dat scheelt in de prijs, nu er in Nederland sprake is van netcongestie.

De reactor die Allseas wil bouwen is een HTGR­reactor, wat staat voor hoge temperatuur gasgekoelde reactor. De brandstof bestaat uit TRISO­bolletjes, kleine korreltjes van verrijkt uraniumoxide van een halve millimeter, met daaromheen drie laagjes, om de splijtingsproducten in te sluiten. Duizenden van deze korrels zitten in een kogel, omhuld door een harde schil van grafiet. Het geheel vormt een bol van 6,7 centimeter doorsnede.

Inherent veilig ontwerp

De splijtstofkogels bevinden zich in het reactorvat waar het gas helium doorheen stroomt, en de opgewekte warmte afvoert. Het ontwerp is inherent veilig: mocht de heliumstroom wegvallen, dan houdt de kernreactie vanzelf op. Het grafiet is hittebestendig, voert de opgewekte warmte goed af, en speelt ook een rol bij het reguleren van de kernreactie. Dit type SMR is oorspronkelijk ontwikkeld in Duitsland, en intussen draaien er in China twee middelgrote reactoren van dit type.

Het idee van SMR’s is dat je ze in een fabriek bouwt, en vervolgens verscheept naar waar ze hun werk moeten doen.

Je behaalt een schaalvoordeel omdat je alles op een standaardwijze, met standaard­onderdelen op één plek kunt bouwen.

Bij de conventionele lichtwaterreactoren zit het schaalvoordeel juist in de grootte van één reactor.

Maar voor de energietransitie zie ik niet meteen een dilemma: we zetten in op grote, conventionele waterreactoren, en dan komen er misschien nog kleinere modulaire reactoren bij. Beide zaken kunnen parallel lopen.

Hun rol is ook anders: conventionele kernreactoren produceren met een constant hoog vermogen elektriciteit voor het elektriciteitsnet, daarmee zijn ze ook het efficiëntst. SMR’s kunnen juist gemakkelijk op­ of afgeregeld worden, en leveren warmte van een hogere temperatuur. Dat is een andere markt.

Winstgevend

Zonne­ en windenergie dragen sterk bij aan de energietransitie, en de dalende prijzen beïnvloeden de energiemarkt. Toch laat een rapport van hoogleraar energie­economie Machiel Mulder van de Rijksuniversiteit Groningen zien dat kernenergie, nog altijd winstgevend kan zijn. De levering is stabieler, en bovendien gaan we nog veel meer elektriciteit gebruiken: in 2050 tegen drie keer zo veel als nu. Sowieso is het veiliger en robuuster om op meerdere opties in te zetten om de CO2­uitstoot te reduceren.

Een duidelijk voordeel van de SMR’s is dat we daar als Nederland nog echt een positie in zouden kunnen opbouwen. De bouw van grote reactoren wordt gedomineerd door grote landen als de VS, en we hebben veel maritieme en maakindustrie die kan bijdragen aan een SMR­sector. Je zou zelfs kunnen denken aan de fabricage van TRISO­splijtstof. We hebben met uraniumverrijker Urenco een goede uitgangspositie.’

En hetzelfde geldt eigenlijk voor het uitbouwen van onze kennispositie. Als je in Nederland met kernenergie wilt uitbreiden, moet je ook veel mensen opleiden. We zien veel studenten hier op afkomen, maar die komen vooral voor innovatieve projecten, zoals SMR’s.’

Jo-Annes de Bat Lid van de gedeputeerde staten van de provincie Zeeland

‘Zeeland is in beeld voor de plaatsing van twee nieuwe kerncentrales. Dat is logisch, we hebben hier al heel lang een kerncentrale die goed functioneert, waar mensen bekend mee zijn, en die ook gewoon een goede, maatschappelijk betrokken werkgever is. En wij zien ook kansen, want het kan de verduurzaming van je industrie enorm helpen. Tegelijkertijd zien we een aantal zaken die we als voorwaarden willen stellen.

Artist’s impression van een HTGR, een hoge temperatuur grafietreactor aan boord van een schip van Allseas. Hier is de schaal van de reactor goed te zien.

De Zeeuwen willen bijvoorbeeld geen koeltorens – overigens blijkt nergens dat dat zou moeten – en we willen ook dat de stroom via bestaande netwerken wordt afgevoerd. De bouwperiode zal natuurlijk vrij lang zijn, en overlast geven. Veiligheid is belangrijk, maar niet meer de enige overweging: er zijn natuurlijk mensen die per definitie tegen nucleair zijn, maar bij jongeren bijvoorbeeld zie je die spanning niet meer zo. Er zijn genoeg plekken op de wereld waar kerncentrales prima draaien: Frankrijk staat er vol mee. En ook onze eigen kerncentrale doet het gewoon goed.

Nucleair kennis- en innovatiecluster

Een van de voorwaarden is wel dat we meedoen met een nucleair kennis­ en innovatiecluster: zodat we mensen mee kunnen nemen, maar ook zodat Zeeuwen opgeleid kunnen worden, en zodat bedrijven zich kunnen verbinden. Nucleair onderwijs is de afgelopen decennia verdwenen, en moet je weer opbouwen. Hier wordt nu al aan gewerkt: dit schooljaar is de Zeeuwse mbo Scalda met opleidingen rond nucleair begonnen, en ook de Hogeschool Zeeland werkt eraan. Tot verrassing van velen zat die opleiding in no­time vol.

Of het gaat om Small Modular Reactors (SMR’s), of een conventionele kerncentrale, dat is niet aan ons om te beslissen. Voor zaken als de bouwperiode, overlast, ruimtebeslag en dergelijke zou zo’n SMR het best eens goed kunnen doen.

Stephanie Heerema Offshore-bedrijf Allseas

‘Wij investeren 300 miljoen euro in de ontwikkeling van een SMR die we zelf gaan bouwen op een faciliteit in Nederland, en die aan boord van onze schepen energie moet leveren. Het gaat om een variant van de HTGR, een hoge temperatuur gasgekoelde reactor. Het is bewezen technologie: er zijn al meerdere van dit soort reactoren gebouwd, onder andere in Duitsland en China.

We doen het ontwerp in samenwerking met het Zuid­Afrikaanse bedrijf STL Nuclear. Maar het wordt wel een eigen Allseas­reactor. We moeten in het ontwerp

bijvoorbeeld rekening houden met scheepsbewegingen, en andere voorwaarden die op zee gelden. Het project is nu in de conceptfase, samen met de Nucleaire Autoriteit wordt gewerkt aan een vergunningverlening.

In 2030 moet de eerste reactor klaar zijn. Het testen en in gebruik nemen van de eerste reactor gebeurt nog op land, of op een ponton in een haven.

Gamechanger voor containerschepen

In 2032 zou er voor het eerst een reactor op een schip geplaatst worden. Dat zou een werkschip kunnen zijn, dat veel energie gebruikt en weinig havens aandoet. Bijvoorbeeld schepen die pijpleidingen leggen, of die boorplatforms installeren of juist weghalen.

In de toekomst kunnen SMR’s een gamechanger worden voor containerschepen. Als kapiteins niet meer na hoeven denken over brandstofvoorraden of CO2­uitstoot, kunnen ze gewoon op volle snelheid varen, en daarmee ook weer hun vloot reduceren bij dezelfde productiviteit. Dat geeft ook weer een competitievoordeel.’

Maar ook op land is er behoefte aan SMR’s, bijvoorbeeld in de buurt van energie­intensieve industrie. Momenteel is er weinig of geen CO2­vrije energie beschikbaar voor de industrie. Onze SMR kan elektriciteit en hoge temperatuur warmte leveren. Zo bieden we een kosteneffectieve, compacte, schone en betrouwbare energiebron. Wij verwachten dit in vijf jaar te kunnen realiseren.

Vincent Lagendijk Onderzoeker bij het Rathenau Instituut

‘Wij schreven een rapport over de besluitvorming over de opslag voor langdurig radioactief afval, afkomstig van onder andere kerncentrales. Op dit moment wordt het radioactief afval, waarvan een deel honderdduizenden jaren radioactief blijft, opgeslagen bij COVRA (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) bij Borssele. Maar op den duur moeten die voor langere duur opgeslagen worden. Er wordt nu gekeken naar de ondergrondse opslag in stabiele zout­ of kleilagen. Wij hebben onderzocht hoe je de besluitvorming daarover kunt inrichten, en hoe mensen daarover mee kunnen praten: experts, stakeholders, maar ook burgers. Het Nederlandse beleid ging tot voor kort uit van wachten tot 2100 met het nemen van een beslissing, maar dan loop je het risico dat toekomstige generaties onnodige lasten ervaren. Dus hebben we geadviseerd: begin nu gewoon met het besluitvormingsproces, en neem daar de tijd voor.

Afval ‘verbranden’

Welk soort afval, en hoeveel ervan is, dat hangt natuurlijk wel van het type reactor af. Zo leveren de kogelvormige TRISO­splijtstofelementen van sommige SMR’s, vergeleken met conventionele splijtstof, een groter volume aan afval op. Ook zal er logischerwijs gewoon meer afval zijn als er meer kernenergie is.

De gesmoltenzoutreactor, technologie die op dit moment nog ontwikkeld wordt, kan mogelijk een deel van het bestaande afval ‘verbranden’: de radioactieve levensduur wordt dan met nucleaire reacties teruggebracht. Maar je houdt daarbij nog altijd radioactief afval over met een lange levensduur, dat je dus nog altijd zult moeten opbergen. Ook is deze behandeling niet mogelijk voor verglaasd (in glas gegoten voor chemische en mechanische stabiliteit, red) afval, wat geldt voor een groot deel van het Nederlandse afval.’ ■

In Pioneering Tech volgen we mkb’ers die samen met TU Delft innoveren. In elk verhaal lees je de uitdaging, de weg naar contact en de impact van de samenwerking. En ook hoe jij zelf de eerste stap zet. In deze aflevering Hordijk, een familiebedrijf dat EPS-producten maakt.

“De samenwerking met TU Delft bracht vaart in onze plannen, al was het in het begin lastig om de juiste ingang te vinden.”

‘Zoek de juiste ingang en geef niet op’

“Mijn naam is Sander de Jager en ik ben operationeel manager. Ik werk nu zo’n zeven jaar bij Hordijk. Hier in Delft werken we met 35 mensen. De groep bestaat al honderd jaar: we begonnen met hout en schakelden later over op kunststof.

Wij maken producten van geëxpandeerd polystyreen, kortweg EPS. Dat zijn de witte, lichte schuimblokken die veel mensen kennen als verpakkingsmateriaal, bijvoorbeeld om elektronica of groente en fruit te beschermen tijdens transport. EPS wordt ook toegepast als isolatie in de bouw en in maatwerk voor de ruwbouw, zoals fundatiekisten en vloerdelen. Het materiaal is stevig en isolerend, en met de nieuwe productietechnologie kunnen we er steeds meer gerecyclede bestanddelen in verwerken en het energieverbruik fors terugbrengen.

Bij Hordijk staat duurzaamheid al honderd jaar centraal – dat noemen wij rentmeesterschap. We willen zuinig omgaan

met de middelen die we hebben en zoeken continu naar manieren om onze producten duurzamer te maken. Alleen de productietechnologie die al vijftig jaar in gebruik was –produceren met stoom, gemaakt van gas – bood nog ruimte voor verbetering.

Daarom zijn we in contact gekomen met een Duitse machinebouwer die een wavefoamer ontwikkelde. Die machine werkt niet met stoom, maar met een hoogfrequent elektrisch veld – eigenlijk een soort magnetron. Daarmee smelten de korrels ook aan elkaar, maar met veel minder energie en met veel meer gerecycled materiaal.

We hebben het project in twee fases opgeknipt. Fase 1: EPS verwerken op de nieuwe technologie. Dan blijft het materiaal hetzelfde, maar de technologie en het recyclaat zijn nieuw. Fase 2: andere materialen of biologische reststromen verwerken. Daar ligt de toekomst.

HORDIJK

in het kort:

→ Oprichtingsjaar: 1922

→ Oprichters: familiebedrijf (vier generaties)

→ Locatie: Delft (35 medewerkers) en meerdere vestigingen in Nederland

→ Specialisme: productie en verwerking van EPS (geëxpandeerd polystyreen, piepschuim)

→ Toepassingen: verpakkingen (voeding, elektronica), viskisten, tuinbouwtrays, bouwisolatie en ruwbouwonderdelen zoals fundatiekisten en vloerdelen

→ Technologie: wavefoamer – nieuwe productietechnologie die minder energie verbruikt en meer recyclaat of biologische reststromen kan verwerken

→ Klanten/partners: diverse klanten in de voedingssector, bouw en tuinbouw

→ Samenwerking met TU Delft: studentenprojecten via YES!Delft, contacten met Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek en Werktuigbouwkunde

Ontstaan contact

Ik probeerde al langer contact te leggen met TU Delft. Ik stuurde mails naar de duurzaamheidsafdeling, maar kreeg vaak terug dat de universiteit vooral wetenschappelijk onderzoek deed. Het lukte me niet de juiste ingang te vinden.

De doorbraak kwam toen Anske Plante van het Innovation & Impact Centre van de TU Delft in beeld kwam. Zij stond veel meer open voor samenwerking met bedrijven. Vanaf dat moment veranderde het. Dankzij haar organiseerden we samen met YES!Delft en het Ondernemingsfonds een challenge. Studenten dachten mee over toepassingen van onze nieuwe technologie. Dat was inspirerend. Er waren twee groepen die hun ideeën uitwerkten en vervolgens presenteerden. Hun posters hangen hier nog steeds op kantoor.

Bijdrage van TU Delft

Dat contact met de TU Delft gaf ons energie om door te zetten met de nieuwe technologie. Studenten kwamen met frisse ideeën, zoals toepassingen richting defensie of het gebruik van reststromen uit de tuinbouw.

Voor ons voelde het als erkenning. Professoren en studenten waren verrast dat we bij Hordijk zulke innovatieve dingen doen. Het maakte onze medewerkers trots om te laten zien wat wij maken. En voor ons netwerk was het waardevol: via de TU Delft kwamen we in contact met nieuwe partijen, ook in markten waar we anders nooit waren gekomen.

Impact op bedrijf

De samenwerking bracht ons nieuwe ideeën en nieuwe markten. Defensie is daar een voorbeeld van. Via de TU Delft kwamen we in contact met mensen die daar specifiek op werken. Dat contact houden we nu warm via onze commercieel directeur. Daarnaast verbreedt het ons netwerk. We geloven dat we verduurzaming niet alleen kunnen doen, maar altijd samen met partners: universiteiten, adviesbureaus, machinebouwers en klanten.

De komende jaren willen we de nieuwe technologie volledig in de vingers krijgen. Eerst voor 100 procent EPS­recyclaat en daarna voor biologische materialen. We blijven graag samenwerken met TU Delft. Er ligt een voorstel om zestig studenten van Werktuigbouwkunde hier een rondleiding te geven. Ook zijn er nog contacten met Luchtvaart­ en Ruimtevaarttechniek (L&R). We zien kansen om samen innovaties verder te brengen.

‘Studenten kwamen met frisse ideeën, zoals toepassingen richting defensie of het gebruik van reststromen uit

de tuinbouw’

EPS wordt ook toegepast als isolatie in de bouw en in maatwerk voor de ruwbouw, zoals fundatiekisten en vloerdelen.

Drempels en leerpunten

De samenwerking met TU Delft verliep goed, maar niet alles ging vanzelf. Het werven van studenten was lastig: niet iedereen die zich had opgegeven kwam opdagen, en we konden er geen studiepunten voor geven. Toch gaf het event veel energie. Daarnaast kwamen er vervolgprojecten uit voort.

Studenten maakten bijvoorbeeld een analyse van ons energieverbruik. Dat rapport helpt ons nu verder. Er was ook een masterstudent Luchtvaart­ en ruimtevaarttechniek die onderzoek zou doen naar nieuwe materialen op de wavefoamer, maar dat paste uiteindelijk niet in haar schema. De contacten zijn er, en dat is voor ons het belangrijkste.

Wat TU Delft kan leren

Wij leren veel van TU Delft, maar misschien kan de universiteit ook van ons leren. Soms komt de TU over als een gesloten community. In het bedrijfsleven moet je juist samenwerken en naar buiten treden. Anders red je het niet. Creativiteit ontstaat pas echt in interactie met anderen. Wij brengen praktijkervaring en een netwerk mee, ook in Duitsland. Samen kun je technologie niet alleen ontwikkelen, maar ook echt toepassen.

Mijn advies? Zoek de juiste ingang en geef niet op. Het kost soms tijd om de juiste persoon te vinden, maar het loont. Dankzij TU Delft hebben wij nieuwe ideeën, een groter netwerk en zicht op markten waar we anders niet aan gedacht hadden.” ■

‘Vasthouden versnelling offshore wind is cruciaal’

Het is van groot belang dat Europa blijft investeren in wind op zee en een eigen toeleveringsketen. Alleen dan kan de offshorewindsector zijn technologische voorsprong behouden, schaalbare innovaties ontwikkelen en ervoor zorgen dat de klimaatdoelen worden gehaald zonder dat dit ten koste gaat van het zeeleven. “Het is cruciaal dat we de versnelling vasthouden”, zegt Karen Vennik, Commercieel Directeur Offshore bij Van Oord.

De aanleg van wind op zee stagneert. Na een periode van grote groei zijn de marktomstandigheden een stuk minder rooskleurig. “Door allerlei redenen zien we dat een stabiele uitrol van offshore wind onder druk staat”, zegt Vennik. Het gaat om kostenstijgingen, oplopende energieprijzen en een afnemende vraag naar elektrificatie. “Bepaalde regio’s in de wereld vallen zelfs helemaal stil.” Zo zette in de VS president Trump een streep door geplande investeringen in windenergie.

Elektrificatie van de industrie

Tegelijkertijd ziet Vennik ook ‘positieve stapjes’. Zo riep de sector eensgezind het kabinet op om te blijven bouwen aan groene energie in Nederland. Door het stimuleren van elektrificatie van de industrie, huishoudens en het transport in Nederland en het tegelijkertijd versneld invoeren van de zogeheten contracts for difference – waarbij de ontwikkelaars van windparken worden gecompenseerd bij lage stroomprijzen – kan de ontwikkeling van wind op zee blijven doorgaan, is de gedachte hierachter. Deze oproep vond gehoor. Vennik ziet voor de contracts for difference inmiddels brede politieke steun en er is een toezegging van de minister. Net als voor de aanpak van netcongestie, wat zorgt voor een rem op elektrificatie van belangrijke sectoren. Het is essentieel voor wind op zee dat de overheid deze problemen aanpakt, zegt ze. “Maar we zijn er nog niet, deze steun moet worden omgezet in concrete maatregelen komende kabinetsperiode.”

Slip Joints

Van Oord speelt een belangrijke rol bij de aanleg van windparken op zee. De vermaarde maritieme waterbouwer werd in 2002 actief in de offshore windsector en is inmiddels een van de wereldspelers. Het bedrijf investeerde afgelopen decennium fors in offshore wind en introduceerde afgelopen jaren diverse installatieschepen voor het leggen van zeekabels, het installeren van funderingen en het plaatsen van turbines. Daarnaast ontwikkelde Van Oord tal van innovaties om de steeds grotere windturbines verder van de kust en in dieper water te kunnen plaatsen.

Een daarvan is de zogeheten Slip Joint, waarmee het middelste deel van een windmolen – in jargon het transition piece – over de monopile wordt geschoven. Hierdoor zijn niet langer voegmiddel of bouten nodig, wat tijd en kosten bespaart bij de aanleg en bovendien minder onderhoud vergt. De ingenieuze innovatie werd door Van Oord ontwikkeld samen met kennispartners van het GROW­consortium. Dat is een samenwerkingsverband waarbinnen industrie en kennispartners – waaronder de TU Delft – gericht werken aan innovaties voor offshore wind.

Ook investeert Van Oord veel in nieuwe toepassingen om het zeeleven te beschermen. De aanleg van steeds grotere funderingen voor de steeds grotere monopiles bedreigt het leven onder water. Zo werkt het onder meer aan nieuwe heimethoden om de overlast voor zeezoogdieren te beperken.

Oesterriffen

Andere innovaties: tree reefs waarmee habitats worden gecreëerd voor vissoorten op de zeebodem. En oesterriffen die niet alleen de fundering van windmolens beschermen tegen erosie, maar zorgen ook voor herstel van oesterbanken.

Het is ‘van essentieel belang’ om hierin te innoveren, zegt Vennik. De Noordzee is een veelgebruikt stuk zee en daarom moeten we aandacht blijven houden voor ‘multi­use’ in de Noordzee om de energietransitie haalbaar te houden. “Dit wordt essentieel voor de uitrol van wind en het ontwerpen van structuren op de zeebodem is enorm kansrijk voor het onderwater zeeleven”.

Vennik spreekt daarom van strategische samenwerkingen als het gaat om de ontwikkeling van innovaties, samen met kennisinstellingen. De bloeiperiode heeft ervoor gezorgd dat Nederland – en Europa – momenteel een technologische voorsprong hebben op China, dat ook hard aan de weg timmert met een eigen offshore­windindustrie.

‘We hebben nu nog een voorsprong, en die moet je kapitaliseren’
Karen Vennik

Europese supply-chain

Het is belangrijk dat Europa de komende decennia deze voorsprong behoudt. “Als Europa minder afhankelijk wil worden van andere landen, dan moeten we investeren in een Europese supply­chain”, zegt Vennik. “De kennis die je hier hebt, moet je hier behouden.”

“We hebben nu nog een voorsprong, en die moet je kapitaliseren. Als wij een goedgevulde orderportefeuille houden in Europa, dan kunnen we schaalbare innovaties blijven creëren die leiden tot kostenreducties in de windenergiesector.” Vennik benadrukt dat een bedrijf als Van Oord alleen hierin kan investeren als het de zekerheid heeft dat het die op een schaalbare manier kan toepassen. “Daarom is een stabiele en voorspelbare dealflow van projecten en tenders zo belangrijk voor de hele sector.”

Het is om die reden cruciaal dat de regering blijft werken aan het elektrificeren van de industrie, het oplossen van netcongestie en bij het uitschrijven van tenders blijft sturen op kwalitatieve criteria, zoals duurzaamheid en innovatie – niet alleen op de prijs. “Al deze thema’s – energiezekerheid, strategische autonomie, verduurzaming en betaalbare energie – hangen sterk met elkaar samen en vragen om een sterke regie vanuit de overheid.”

Karen Vennik

Karen Vennik is Commercieel Directeur bij Van Oord, waar ze leiding geeft aan de offshore windactiviteiten in Nederland en de Scandinavische landen en toezicht houdt op de wereldwijde Subsea Rock Installation-activiteiten.

Ze heeft een master in rechten en bedrijfskunde en heeft een managementopleiding economie afgerond aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Karen vertegenwoordigt Van Oord actief in initiatieven op het gebied van duurzaamheid en innovatie. Als lid van de Offshore Energy en Sustainability Leadership Teams van Van Oord speelt ze een belangrijke rol bij het vormgeven van de energietransitie en de strategie voor verantwoord ondernemen van het bedrijf.

Oestertafels in windpark Luchterduinen.

Boreas

Voor de versnelling van de energietransitie zijn innovatieve schepen nodig. Dit jaar werd de Boreas gedoopt: het meest veelzijdige installatieschip in de offshore windsector. Het indrukwekkende schip is klaar om de volgende generatie windturbines (20 MW, 300 meter hoog en met een rotor van 250-300 meter) te kunnen installeren. Met een 155 meter lange giek kan het schip windturbines plaatsen ter grootte van de Eiffeltoren. Dankzij vier reusachtige jackup-poten van elk 126 meter kan het schip gebruikt worden in waterdieptes tot 70 meter. Het schip is zelf ook een voorbeeld van de manier waarop Van Oord probeert om de eigen emissies omlaag te krijgen en klimaatneutraal te worden. Het schip is de eerste in zijn soort die op methanol kan varen, waarmee de energieafdruk met 78 procent wordt verlaagd.

Opschaling

Wind op zee kenmerkt zich door opschaling: steeds grotere windturbines, gebouwd in steeds dieper water. De schepen die Van Oord hiervoor gebruikt worden ook steeds groter. Dit jaar kwam de Boreas in de vaart, een schip dat is toegerust voor de volgende generatie windturbines (zie kader). Vennik: “Het schip kan turbines installeren die nog niet op de markt zijn.”

Multi-purpose parks

Ook de windparken zelf worden groter, en krijgen meer toepassingen. De verwachting is dat de windparken zich ontwikkelen naar energy parks, waar ook groene waterstof kan worden opgewekt en met drijvende zonnepanelen. Rond 2050 zouden het zelfs ‘multi­purpose parks’ kunnen worden, waar voedsel wordt verbouwd, industriële processen plaatsvinden en mogelijk zelfs toerisme.

Van Oord is klaar voor deze toekomst. “We hebben niet voor niets ‘Marine ingenuity’ als motto”, aldus Vennik. “We zijn een familiebedrijf met een langetermijnvisie en willen ons graag blijven inzetten voor een duurzame energievoorziening in Nederland, de EU en de wereld.”

Samenwerking essentieel

“Het is cruciaal dat we de versnelling vasthouden”, vat Vennik de opgave samen. Alleen dan kunnen de klimaatdoelen worden gehaald en kan de Europese offshore­sector technologisch leidend blijven. “Maar we kunnen het niet alleen. We hebben iedereen in de keten nodig: overheden, kennisinstellingen en ontwikkelaars van windparken die willen investeren in Nederland. Die samenwerking is de komende jaren essentieel. We hebben elkaar meer dan ooit nodig.” ■

Van Oord’s offshore wind installatieschip Aeolus aan het werk in windpark Gemini.

Claire Chassange

Modder, kan er iets minder glamoureus zijn om te onderzoeken? Als die gedachte al ooit opgekomen is bij Claire Chassagne, laat ze er weinig van merken. Druk uitleggend en overlopend van enthousiasme geeft de onderzoeker van Civiele Techniek en Geowetenschappen van de TU Delft een rondleiding door het Delta-Lab, een in juni geopend laboratorium van het kennisinstituut Deltares.

Dit lab wordt gedeeld met onderzoekers van de TU Delft die onderzoek verrichten naar de eigenschappen van klei. Kleideeltjes zijn de kleinste deeltjes in de modder, ook wel bekend als ‘slib’, en vormen een belangrijke factor in het gedrag van modder, bijvoorbeeld waar een rivier in zee uitmondt. Ze zijn bijvoorbeeld een van de belangrijkste redenen dat modder zich ophoopt in havens.

Het onderzoek aan klei en modder is belangrijk voor allerlei gebieden, van de baggersector die havens en vaarwegen bevaarbaar houdt, tot nieuwe toepassingen in de bouw, toekomstige opties voor CO2opslag, of bijvoorbeeld mijnbouw in de diepzee, waar van de bodem opwaaiende sediment­pluimen een rol spelen.

‘Onderzoek aan modder is een prachtig voorbeeld van interdisciplinariteit’, zegt Chassagne, ‘het gedrag van modder is afhankelijk van scheikunde, biologie, natuurkunde, stromingsleer, geologie, en het is ook nog eens maatschappelijk relevant. Zeker hier in Nederland.’ Rivierdelta Nederland wordt nogal eens een waterland genoemd, maar net zo goed zeg je ‘Nederland modderland’, vindt ze.

Chassagne is een drijvende kracht achter Mudnet, een multidisciplinair team van onderzoekers van verschillende afdelingen en faculteiten van de TU Delft, dat samenwerkt met een groot aantal partners, waaronder Deltares en de havenbedrijven van Rotterdam, Hamburg en Harwich.

Door Bruno van Wayenburg Visual Ontwerpwerk

‘Dankzij Mudnet hebben we alle expertises in huis, en kunnen we het hele palet van water tot bodem onderzoeken’, zegt Chassagne, ‘op deze manier bouwen we op een gestructureerde manier kennis op, die ook nuttig is voor de praktijk.’ De rolverdeling: wat de wetenschappers ontwikkelen aan kennis, nieuwe apparatuur en methoden, wordt in de praktijk toegepast en naar de markt gebracht door Deltares en andere partners.

Zes dingen die je met modder kunt doen, en die je nog beter kunt doen dankzij modderonderzoek.

Modder kan worden gebruikt als bouwmateriaal, bijvoorbeeld om dijken te versterken.

1 Je kunt modder uitbaggeren

In Europa wordt 200 miljoen kubieke meter baggerslib, ofwel modder, per jaar opgebaggerd. Een groot deel van dat baggerwerk gebeurt in havens, zoals die van Rotterdam of Hamburg. Voor grote containerschepen is een diepgang van 15 meter nodig, terwijl zand en slib voortdurend de haven in stromen. Zonder baggerwerk zouden de havens snel onbevaarbaar worden. Maar gratis is dat niet: baggeroperaties kosten honderdduizenden euro’s, en ook het vervoer en opslaan van het baggerslib is niet goedkoop, dus slim en efficiënt baggeren is geboden.

In Rotterdam worden er op bepaalde plekken sediment traps, sedimentvallen, uitgebaggerd, vertelt Alex Kirichek, onderzoeker aan de TU Delft en lid van Mudnet, gespecialiseerd in baggertechniek en de toegankelijkheid van havens. Dat zijn kuilen in de bodem waar sediment zich kan verzamelen, zodat de rest van de haven minder snel dicht slibt. Kirichek adviseert havens over de plaatsing, afmetingen, diepte en andere parameters van de kuilen.

2 Je kunt modder

doen samenvlokken

In het algemeen geldt: hoe fijner de modderdeeltjes, dus hoe kleiner de korrels, hoe langzamer het bezinkt, of ‘sedimenteert’. Daarom worden soms zogeheten flocculatieagentia gebruikt: middelen die de korrels doen samenklonteren tot vlokken, die sneller naar beneden dwarrelen. Onderzoek naar verschillende agentia, en hun effecten, gebeurt ook binnen Mudnet. Claire Chassagne: ‘Veel middelen zijn milieu­onvriendelijk, maar we doen ook onderzoek naar middelen op basis van biologisch materiaal.’

3 Je kunt met modder bouwen

Zand is een veelgebruikt bouwmateriaal, maar wordt steeds schaarser en duurder. Modder, een mengsel van zand, silt, klei, organisch materiaal en water, is juist overvloedig beschikbaar. Het kan – gedroogd – worden ingezet als bouwmateriaal, bijvoorbeeld om dijken op te hogen, zegt onderzoeker Julia Gebert van de TU Delft en Mudnet, ‘maar daarbij moet je wel weten wat je doet. Modder is een ander materiaal dan zand, en gedraagt zich complexer’. Als je daar geen rekening mee houdt, loop je het risico dat de aangebrachte lagen wegglijden of op een andere manier eroderen. ‘Daarbij speelt ook het complexe gedrag van organisch materiaal een rol’, vertelt Gebert. Zij onderzoekt met Mudnet­collega’s hoe de biochemische eigenschappen van modder veranderen, die invloed hebben op de mechanische eigenschappen.

4 Je kunt modder drogen (bijvoorbeeld met wormen)

‘Het drogen van baggerslib is de bottleneck voor bijna alle gebruik’, zegt Miguel de Lucas Pardo, onderzoeker bij Deltares. Baggerslib bestaat voor een groot deel uit water, en is door de enorme volumes lastig om te bewaren. Depots voor de modder nemen veel ruimte in. Dus moet het water snel verdampen. De Lucas Pardo: ‘Het eenvoudigste is om het slib in dunne lagen neer te leggen, zodat het water sneller kan verdampen. Je kunt er ook een dunne laag zand op leggen, die het water dan opzuigt, waarna het gemakkelijker verdampt.’

Een methode die De Lucas Pardo bij Deltares ontwikkelde, is om kleine wormpjes in het slib te laten kruipen: ‘Dan kan het water ontsnappen door de tunneltjes die ze graven. We gebruiken Tubifex tubifex, de wormpjes die aquariumliefhebbers kopen om hun vissen te voeren.’

Traditioneel modderhuis in India.

Het idee leidde tot het succesvolle spinoffbedrijf Medeina, dat al projecten in de haven van Rotterdam uitvoerde. In verdere onderzoeksprojecten wordt onderzocht of wormen (en ook planten) een rol kunnen spelen in het scheiden en stabiliseren van verontreinigingen in de modder, zoals PFAS of zware metalen.

5 Je kunt door modder heen varen

‘We merken dat het klimaat verandert: in de zomer staat de Elbe lager’, zegt Nino Ohle, onderzoeker voor het havenbedrijf van Hamburg. Daardoor stroomt er meer slib naar Hamburg vanuit de Noordzee. Dat zeeslib is fijner van korrel, en zinkt trager naar de bodem. Baggeren is dan niet altijd efficiënt meer. ‘Je haalt vooral water naar boven’, zegt Ohle, ‘en de geulen die je uitbaggert stromen snel weer vol met vloeibare modder.’

Maar mogelijk hebben schepen in de haven helemaal niet zo veel last van een modderige bodem, en kunnen ze er gewoon doorheen varen, zoals in sommige kleinere havens al de praktijk is. Dan zou je

Water Injection Dredgers kunnen inzetten, baggerschepen die met lage druk water in de bodem pompen. Dan welt de modder op de bodem op, en blijft lang vloeibaar. ‘Het voordeel is dat je het slib niet weg hoeft te brengen naar zee’, zegt Ohle.

In het project Nautische Tiefe waar Mudnet in deelneemt, wordt onderzocht of dit echt mogelijk is. Drijf­ en stuureigenschappen van het schip dat deels door

modder ploegt, kunnen namelijk wel veranderen, en als een schip vast komt te zitten, zijn de kosten niet gering. Zo worden er uitgebreide computersimulaties van de opwellende en weer zinkende modder uitgevoerd. Ohle: ‘Het doel is om grenswaarden vast te stellen voor de dichtheid, viscositeit of de afschuifspanning. Daarmee kan de havenmeester met duidelijke criteria toestemming geven’. Als alles meezit, volgt er eind 2026 een praktijkproef.

6 Je kunt modder onderzoeken

Laboratoriumonderzoek staat aan de basis van dit alles, legt Claire Chassagne uit: ‘In het veld kan je modder monitoren en monsters nemen, maar het gedrag van modder kan het beste worden onderzocht in het lab, omdat we daar de verschillende variabelen onder controle hebben. We kunnen dan beter voorspellen wat er met de modder gebeurt wanneer er een verandering in het systeem optreedt, en beter verklaren wat we in het veld waarnemen.’

Om deze analyses uit te voeren zijn op maat gemaakte apparaten nodig, zoals bijvoorbeeld the wheel, een holle, perspex schijf van zo’n 30 cm doorsnee die langzaam rond kan draaien, met zinkende modderdeeltjes en al. Door de trage draaiing kunnen deeltjes veel langer blijven zinken zonder ooit de bodem te raken, en kunnen al die tijd gevolgd worden met een camera. Chassagne kwam op het idee voor het instrument toen ze de kwallentank in Artis

Boven Hydraulische test met een schaalmodel dat door vloeibare modder vaart.

Onder Monsters uit de haven van Rotterdam die bezinken (verschillende dichtheden).

bezocht, vertelt ze, ‘Kwallen moeten ook altijd stromend water hebben; dat zette me aan het denken.’

Standaardapparatuur zijn viscometers en rheometers, die mechanische eigenschappen van modder meten zoals de viscositeit en de afschuifspanning. ‘Dat is de kracht waarbij iets dat vastzit in de modder, in beweging komt’, zeg Chassagne.

Om te volgen hoe sedimenterende modder steeds steviger wordt, is een grote perspex kolom met druksensoren gebouwd. Voor kalibratie is die nog met zuivere kaoliniet­kleideeltjes gevuld, waardoor de ‘modder’ er verdacht wit uitziet, legt Chassagne uit. ‘Daarna gaan we de kolom vullen met modder uit verschillende havens in Europa.’

In een andere ruimte staan kleinere perspex kolommen voor sedimentatieproeven met modder uit de haven van Emden in Duitsland. De sedimentatiesnelheid hangt af van allerlei factoren: grootte, vorm en dichtheid van de deeltjes, en of de deeltjes samenklonteren tot vlokken. Om die vlokken te volgen, worden microscopen gebruikt. Chassagne: ‘Hoe vormen die vlokken zich, en hoe veranderen ze? Breken ze weer op onder invloed van de stroming? Dit soort vragen maken een ogenschijnlijk eenvoudig proces als sedimentatie complex.’ Voor kleideeltjes is het daarbij belangrijk om de elektrische oppervlaktelading te meten, bepalend voor de vorming van vlokken. Onder de verschillende apparaten die daarvoor bedoeld zijn, bevindt zich het technologische hoogstandje van het lab, wijst Chassagne trots aan. ‘Dit is een cilindrische meetcel, hier in huis ontwikkeld. Hier bestaan er ter wereld maar twee van. De andere hebben we uitgeleend aan de Sorbonne in Parijs.’ ■

ZONDER LEF GEEN TOEKOMST Zuid-Holland als proeftuin voor innovatie “A

ls we blijven doen wat we altijd deden, krijgen we wat we altijd kregen.” Die uitspraak hoor je vaak, maar zelden is hij zo urgent als nu. Terwijl de verkiezingskoorts nog na­ijlt en formerende partijen hun plannen smeden, staat Zuid­Holland op een kruispunt. De regio, goed voor 22% van het BNP, is een motor van de Nederlandse economie, maar dreigt vast te lopen op oude structuren, netcongestie en een gebrek aan investeringen in innovatie.

Ik zie het dagelijks om me heen: bedrijven die willen verduurzamen, maar vastlopen op hoge energieprijzen of een overvol stroomnet. De Rotterdamse haven – de grootste van Europa en het kloppend hart van onze economie – zoekt naar manieren om te verduurzamen en strategisch autonoom te worden. Maar zonder stevige investeringen in R&D en een gezamenlijke regionale aanpak, missen we kansen en blijven we hangen in goede bedoelingen.

Wat mij opvalt, is dat innovatie in Zuid­Holland versnipperd is. Er zijn talloze initiatieven, maar ze missen de kracht die nodig is voor echte doorbraken. Het ontbreekt aan regie en lef om samen te kiezen voor de grote sprongen. Juist nu, met de energietransitie, digitalisering en de noodzaak tot circulair ondernemen, is samenwerking essentieel. Overheid, bedrijfsleven, mkb en kennisinstellingen kunnen samen het verschil maken. Gelukkig zijn er lichtpunten. Kijk naar YES!Delft, waar startups en scale­ups samen met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden werken aan baanbrekende innovaties op het gebied van AI, duurzaamheid en gezondheid. Hier ontstaan innovaties die wereldwijd impact maken, van slimme sensoren tot duurzame energieoplossingen. Of neem het Innovatiedistrict Delft, waar bedrijven, kennisinstellingen en overheden letterlijk samen optrekken en een ecosysteem bouwen waarin talent, onderzoek en ondernemerschap elkaar versterken. Met Beethoven Zuid­Holland zien we hoe bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samen de handen ineenslaan om het talent voor de halfgeleiderindustrie op te leiden. Dit zijn geen ivoren toren­initiatieven, maar voorbeelden van innovatie met de poten in de klei, midden in de samenleving.

Toch blijft de uitdaging: hoe zorgen we ervoor dat deze initiatieven geen losse eilandjes blijven, maar uitgroeien tot een

COLUMN

krachtige beweging? Dat vraagt om regie, durf en een langetermijnvisie. De boodschap aan Den Haag en Brussel kan niet duidelijker: bezuinigen op onderzoek en tegelijk inzetten op innovatie is een illusie. Zonder fundamenteel onderzoek geen doorbraken, zonder doorbraken geen toekomstbestendige economie. Heel Nederland verdient een langetermijnvisie waarin kennis en innovatie centraal staan.

Laten we als regio lef tonen. Niet alleen door te investeren in technologie, maar vooral door samen te werken, te coördineren en te kiezen voor impact. Zuid­Holland is de ideale proeftuin voor de grote transities van morgen – als we nu durven te investeren in R&D en innovatie. Want zonder lef, geen toekomst. Maar mét lef, samenwerking en visie, kan Zuid­Holland uitgroeien tot hét voorbeeld van hoe wetenschap en innovatie samen een regio toekomstbestendig maken. Dat is niet alleen een boodschap aan de politiek, maar een uitnodiging aan iedereen die gelooft in vooruitgang.

Want uiteindelijk draait het niet alleen om beleid, investeringen of technologie. Het draait om mensen die het lef hebben om samen te werken, grenzen te verleggen en te kiezen voor de toekomst. Of je nu ondernemer bent, onderzoeker, bestuurder of student: de transities waar we voor staan vragen om jouw bijdrage, jouw visie, jouw durf. Laten we samen het verschil maken en Zuid­Holland laten uitgroeien tot hét voorbeeld van hoe wetenschap en innovatie de samenleving vooruithelpen. De toekomst begint vandaag – en vraagt om lef van ons allemaal. ■

Femke Brenninkmeijer voorzitter Economic Board Zuid-Holland

Empowering professionals

Verdiep je expertise en blijf vooroplopen in innovatie dankzij het Leven Lang Lerenaanbod van TU Delft.

Boost je carrière met vooruitstrevende cursussen in:

■ AI, Data & Digitalisering

■ Energietransitie

■ Toekomst van Mobiliteit

■ Medische Technologie

■ Quantumtechnologie

■ Duurzame Steden

■ Ingenieursvaardigheden

Schrijf je nu in en blijf een pionier in je vakgebied. learningforlife.tudelft.nl

VAN STRUIKGEWAS TOT BRANDSTOF:

Hoe een biomassareactor een lokaal succes kan worden

In Namibië overwoekert struikgewas het grasland. Vee heeft nauwelijks nog te grazen en boeren zien hun inkomen onder druk staan. In het Clean Shipping Project onderzoeken Sivaramakrishnan Chandrasekaran en Susan van der Veen hoe biomassa, organisch materiaal zoals oogstresten, houtafval of invasieve planten, kan worden omgezet in biobrandstoffen. Deze hernieuwbare brandstof kan schepen aandrijven in plaats van fossiele diesel en zo de CO2-uitstoot aanzienlijk verminderen.

Door Elise Spetter

Foto’s Sivaramakrishnan

Chandrasekaran

Beiden doen promotieonderzoek bij de sectie Biotechnology and Society van de TU Delft, gesteund door NWO en het TU Delft Global Initiative. Hun onderzoek richt zich op het ontwikkelen van een duurzame en inclusieve biobased waardeketen, met daarin een thermochemische biomassareactor, in landen als Spanje, Colombia en Namibië. In tegenstelling tot een conventionele olieraffinaderij die draait op één enkele grondstof, kan zo’n reactor diverse lokale reststromen benutten en worden gebouwd op een schaal die aansluit bij lokale behoeften.

Technologie

“Ons werk gaat er in de kern om hoe je nieuwe of bestaande technologieën op een verantwoorde manier inzet, passend bij lokale gemeenschappen,” zegt Chandrasekaran. “We letten goed op welke soorten biomassa we kiezen. Voedselgewassen zoals maïs of suikerriet vermijden we. In plaats daarvan richten we ons op stromen die nu een probleem vormen: landbouwresten, bosresten of

invasieve planten. Zo maak je van iets dat anders verloren gaat, of schade veroorzaakt, een waardevolle brandstof.”

Van der Veen, antropoloog, bekijkt dezelfde vraagstukken vanuit een ander perspectief. “Producenten van biomassa worden vaak over het hoofd gezien, terwijl ze een cruciale rol spelen. Kleine boeren en lokale gemeenschappen zijn afhankelijk van landbouw voor hun inkomen. Als zij buiten het ontwerpproces blijven, valt de hele keten – van oogst tot brandstof – uiteen.”

Van olijvenpulp tot koffiehulzen

Het duo reisde naar Spanje, Colombia en Namibië om met boeren, coöperaties en lokale autoriteiten te spreken. “Ik keek naar sociale structuren en landgebruik, terwijl Siva zich richtte op grondstoffen, infrastructuur en logistiek,” zegt Van der Veen. De drie casestudy’s laten zien hoe verschillend de context kan zijn. In Spanje zijn olijfreststromen al geconcentreerd bij olijfmolens, waardoor ze relatief eenvoudig te gebruiken zijn. In Colombia produceren boeren koffiepulp en cacaohulzen, maar het inzamelen daarvan in bergachtig gebied is een logistieke uitdaging. In Namibië overwoekeren acaciabossen de savanne, waardoor de veeteelt zwaar onder druk staat en boeren hun land zien verdwijnen onder het struikgewas.

“Er is geen enkele grondstof die overal de beste is,” benadrukt Chandrasekaran. “Elke plek heeft zijn eigen voordelen en uitdagingen. Daarom moet het ontwerp altijd geworteld zijn in de lokale context.”

Meer dan CO2

Een biomassareactor of biobased waardeketen klinkt misschien ingewikkeld, maar het principe is op te delen in stappen. Lokale gemeenschappen kunnen het eerste verwerkingswerk doen, zoals versnipperen of drogen van biomassa. Het materiaal wordt daarna naar een centrale faciliteit in de haven gebracht, waar het wordt omgezet in brandstof. Deze aanpak voorkomt hoge logistieke kosten en zorgt dat boeren en dorpen een directe rol in de keten krijgen. Een eerste analyse van de volledige keten liet zien dat de uitstoot tot 80 procent kan worden verminderd ten opzichte van fossiele brandstof, en in sommige gevallen wordt zelfs meer CO₂ vastgelegd dan uitgestoten.

Maatschappelijke voordelen

Maar Van der Veen benadrukt dat klimaat slechts een deel van het verhaal is. “Het is minstens zo belangrijk dat deze ketens ook voordelen opleveren voor gemeenschappen.

Sivaramakrishnan

Voor boeren in Colombia kan extra inkomen betekenen dat jongeren niet gedwongen worden naar de stad te trekken, maar een toekomst kunnen opbouwen in hun eigen regio. Dat helpt kennis te behouden en versterkt gemeenschappen.”

“In Namibië gaat het om het heroveren van land dat nu verstikt wordt door struiken. En voor landen als Zuid­Afrika, waar we ook kansen voor een vervolgonderzoek bekijken, kan het gaan om nieuwe banen in de havenstad Durban.”

Chandrasekaran wijst op een ander voordeel: energiezekerheid. “Namibië is nu afhankelijk van import. Een binnenlandse biomassaketen maakt het land minder kwetsbaar. Economische ontwikkeling draait niet alleen om geld, maar ook om onafhankelijkheid.”

Eerste pilot

Er blijft echter één grote hobbel: de bouw van de eerste pilotinstallatie. Namibië en Durban zijn in beeld, maar investeerders

Susan van der Veen bij een kleinschalige boer die koffie en cacao verbouwt in Colombia.

zijn nog terughoudend. “De eerste stap is de duurste”, zegt Van der Veen. “Daar kunnen overheden een rol spelen: door mee te financieren en risico’s te delen.”

Met steun van het TU Delft Global Initiative werkt het team nu samen met een Nederlandse start­up en het Duitse onderzoeksinstituut Fraunhofer om de businesscase verder uit te werken. Of de eerste reactor in Namibië of in Durban komt, is nog onbeslist. Maar de onderzoekers hebben er vertrouwen in dat het gaat gebeuren. “We hebben laten zien dat het technisch en sociaal werkt,” zegt Chandrasekaran.

Disciplines combineren

Wat dit project bijzonder maakt, volgens beide onderzoekers, is de combinatie van technische en sociale wetenschappen. Van der Veen vertaalt veldinterviews naar ontwerpcriteria; Chandrasekaran verwerkt die in technische oplossingen. “Technologie is altijd ingebed in de samenleving,” zegt hij. “Als ingenieur draag je de verantwoordelijkheid om oplossingen te bouwen die voor iedereen werken, niet alleen voor een bevoorrechte groep.”

Van der Veen beaamt: “Dit project laat zien dat je sterker staat wanneer je disciplines combineert. Het voorkomt dat innovatie mislukt omdat de lokale context verkeerd werd begrepen.”

Naar schonere scheepvaart

De wereldwijde scheepvaart staat onder druk om groener te worden. Biobrandstoffen kunnen de sector helpen snel vooruitgang te boeken. Volgens de regelgeving moeten schepen in 2025 hun uitstoot al met 2 procent verminderen ten opzichte van 2020, en dat percentage loopt de komende jaren verder op. Voor landen in Afrika en LatijnsAmerika is dit geen bedreiging, maar een kans: ze kunnen een ecologisch probleem oplossen en tegelijk een nieuwe industrie ontwikkelen.

“Het gaat niet alleen om schonere schepen,” besluit Chandrasekaran. “Het gaat om een hele keten die waarde creëert – van boer tot haven. Als je dat goed organiseert, verlaag je emissies en stimuleer je economische ontwikkeling.”

Van der Veen: “En dat werkt alleen als je de mensen die het mogelijk maken vanaf het begin erbij betrekt.” ■

Een thuis op Mars ontwerpen

Een leefbare basis op Mars ontwerpen klinkt futuristisch, maar voor het Delftse studententeam Space Oasis is het een concrete ontwerpopgave. Twintig studenten zetten hun studie een jaar lang stop om samen te werken aan een project dat ruimtevaart dichterbij brengt en tegelijk ideeën oplevert voor vraagstukken op aarde, zoals voedselproductie, circulair bouwen en klimaatproblemen.

Door Elise Spetter Foto’s Space Oasis
‘We wilden het esthetisch mooiste ontwerp maken, dat tegelijk het meest realistisch was’

Mark Stout werkte in het team als space architect. “Ik focuste samen met mijn groep architecten op het ontwerp van de ruimtebasis,” vertelt hij. “Daarnaast integreerden we de systemen die onze engineers en biologen bedachten, want die zijn essentieel voor het leven op Mars.”

Esthetisch en leefbaar

Space Oasis is een studententeam: studenten uit verschillende disciplines die een jaar lang samenwerken aan een innovatieproject. Hun doel was duidelijk. “We wilden het esthetisch mooiste ontwerp maken, dat tegelijk het meest realistisch was,” zegt Stout. “De inwoners moesten er niet alleen kunnen leven, maar ook een normaal sociaal leven leiden zonder psychische problemen.”

Het team nam afstand van het klassieke beeld van een kille metalen capsule. “We wilden juist een balans creëren die aangenaam voelt, in plaats van een donkere, ijzeren buis zonder licht.”

Extreme omstandigheden

De basis is bedoeld voor onderzoekers die er langdurig kunnen verblijven. Dat brengt grote uitdagingen met zich mee. “De temperaturen op Mars liggen gemiddeld ver onder nul,” legt Stout uit. “Daarnaast is de straling er een groot probleem. Zonder bescherming van ongeveer drie meter dikke muren zou je binnen een week al ernstige problemen krijgen.”

Maar beton van de aarde meenemen is onbetaalbaar. “Elke kilo kost een ton aan transport. Daarom moet je bouwen met wat je daar vindt. Denk aan Marszand dat je mengt met een bindmiddel tot een soort ‘Marsbeton’.”

Dat roept meteen de vraag op: wie gaat zo’n kolossale klus klaren? Stout: “Je laat dat niet door mensen doen, want het is er te gevaarlijk. Wij denken aan autonome robots en drones die de koepels en muren laag voor laag opbouwen, zodat het veilig is wanneer de eerste onderzoekers aankomen.”

Relevantie voor de aarde

De lessen van Mars zijn niet alleen nuttig voor toekomstige astronauten. “We kozen bewust voor de meest extreme omstandigheden,” zegt Stout. “En geen beter voorbeeld dan Mars om die te vinden.”

Zo onderzocht Space Oasis hoe je voedsel kunt verbouwen in omstandigheden waar niets groeit. “Dat leverde ideeën op voor efficiëntere tuinbouw die ook op aarde toepasbaar zijn.” Ook circulair bouwen is op Mars geen keuze maar een noodzaak. “Die inzichten kunnen ons helpen om duurzamer te leven op aarde.”

Samen leren en samenwerken

De studenten leerden minstens zo veel van de samenwerking zelf. “Als architect had ik te maken met engineers van andere opleidingen die hele andere eisen stelden dan mijn begeleider bij de faculteit Bouwkunde,” vertelt Stout. “Op die manier heb ik geleerd om mijn ideeën te beargumenteren. Samen kwamen we tot één ontwerp.”

Daarnaast legde het team een basis voor de toekomst. Ze formuleerden onderzoekslijnen rond onder meer voedselproductie en bioreactoren, en dachten na over hoe opvolgende studententeams verder kunnen bouwen.

Volgende stap

Stout hoopt dat toekomstige teams hun ideeën concreet maken. “We willen meer focussen op het fysieke aspect. Hopelijk staat er in een paar jaar een module op campus die ook op Mars zou functioneren.”

En stel dat hij er zelf zou wonen?

“Dan ontbijt ik in mijn hutje, loop ik naar het groene centrum voor mijn onderzoek, en kom ik ’s avonds terug om te socializen met mijn huisgenoten.” ■

Boven Een slaapkamer in de Marsbasis, ontworpen om licht en ruimtelijk te voelen ondanks de dikke beschermende muren.

Onder prototype voor voedselproductie op Mars, waarbij planten groeien zonder aarde maar in water met voedingsstoffen.

Samenwerken in gesloten systemen

Stichting Innovatie Glastuinbouw Nederland (SIGN) werd door Space Oasis benaderd voor onderzoek naar vezels. “Het begon heel praktisch,” vertelt projectcoördinator Emile Waterkeyn. “Ze vroegen om kennis en materialen om mee te experimenteren. Tijdens die gesprekken ontdekten we hoe sterk hun project aansloot bij ons werk aan de toekomst van de glastuinbouw. Toen hebben we besloten om inhoudelijk mee te doen.”

De overeenkomst: zowel in een kas als op Mars draait alles om gesloten kringlopen. “Op Mars zijn hulpbronnen schaars en moet een habitat volledig zelfvoorzienend zijn. Het voedselsysteem staat daar centraal. Diezelfde principes – efficiënt, circulair, duurzaam –zijn ook de kern van de glastuinbouw. De speculatieve ontwerpen van studenten voor een Marsbasis helpen ons nadenken over toepassingen in Nederland.”

Voor SIGN leverde de samenwerking veel op. “We kregen een kijkje in een multidisciplinair studententeam, konden kennis en materialen delen die ons eigen onderzoek verder brachten, en we konden aan onze sector laten zien hoe serieus studenten hiermee bezig zijn.”

Waarom zouden andere bedrijven dit doen? Waterkeyn: “Je krijgt frisse, onbevangen ideeën van studenten die er een jaar lang vol voor gaan. Dat is inspirerend en relevant.”

Meer nieuws over de laatste trends in tech?

TU Delft Pioneering Tech is hét online platform voor disruptors & decision makers

■ Hier vind je het laatste nieuws, analyses en inzichten

■ Luister naar onze podcast en ontdek wat ervoor nodig is om innovaties in Nederland uit te rollen

■ Blijf op de hoogte en schrijf je in op onze nieuwsbrief

■ Volg ons nieuwe LinkedIn-kanaal: TU Delft | Business & Innovation

➔ Ga naar tudelft.nl/pioneeringtech

De man die wind liet lopen

De strandbeesten van Theo Jansen, wie kent ze niet? Wereldberoemd werd Jansen met zijn indrukwekkende constructies van pvc-buizen en zeilen, leven ingeblazen door de wind.

Ze zitten boordevol innovaties, waarvan het revolutionaire loopsysteem de kern vormt. Jansen, die natuurkunde in Delft studeerde, ontwikkelde het in 1990 op een computer met 1 MB werkgeheugen en een zelfgeschreven ‘genetisch algoritme’.

Deze zomer krabbelde de veertiende generatie over het strand. De fossielen van oude strandbeesten liggen sinds kort in een Mortuarium in Delft..

Lees op tudelft.nl/pioneeringtech een uitgebreid interview met Jansen over zijn creaties, evolutie en de rol van kunst bij technologische vernieuwing. ■

LEES HET INTERVIEW OP TUDELFT.NL/ PIONEERINGTECH

Door Jurjen Slump Foto © Theo Jansen

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook