Voor alle professionals in het onderwijs
Nummer 4 / Maart 2026

Barend last:
‘AI heeft impact op samenleving én onderwijs. Ik vind het onethisch om kinderen daar níet op voor te bereiden’
Vernieuwing

![]()
Nummer 4 / Maart 2026

Barend last:
‘AI heeft impact op samenleving én onderwijs. Ik vind het onethisch om kinderen daar níet op voor te bereiden’
Vernieuwing

Misinformatie over labels
Laura Batstra vertelt de waarheid over hersenscans

eye-tracking in het onderwijs
Onderzoek naar wat eye-tracking het onderwijs kan opleveren
Verschijnt 5x per jaar

Hoe werkt

Agora-onderwijs?
Geen proefwerken, geen cijfers, geen lesroosters. Maar wat dan wel?




Wees er snel bij, want OP = OP! 20































































✓ Cijferlijsten
✓ Lesroosters
✓ Rekentabellen
✓ Jaar-en maandplanners


















































DOCENTENAGENDA 24
















































































DOCENTENAGENDA 25




































































































De docentenagenda zit vol met...
✓ Schoolvakanties per regio
✓ Overzicht bijzondere dagen
✓ Overzicht centrale eindexamens
✓ Energizers
10 Stuks of meer bestellen?
docentenagenda.primaonderwijs.nl



















Een goede werkagenda is essentieel. De Docentenagenda is een praktische agenda die volledig afgestemd is op de behoeften van docenten! Te bestellen in ringband of gebonden versie.
✓ Handige adressen voor leerlingen én docenten
✓ Adreslijsten a t/m z
✓ Veel ruimte voor aantekeningen
Wil je minder dan 10 stuks bestellen? Ga dan naar de webshop van Educatheek www.educatheek.nl/docentenagenda

Met z’n allen bouwen we aan het onderwijs van morgen. Veranderingen in de samenleving, technologie, arbeidsmarkt en wetenschap vragen om scholen die kunnen meebewegen. Onderwijsvernieuwing is dan ook geen luxe, maar noodzaak. Tegelijkertijd zien we dat vernieuwen vooral duurzaam is als het stoelt op kennis: uit onderzoek én uit de praktijk.
Dat meebewegen kan op vele manieren, met nieuwe methodes, met nieuw materiaal, maar ook met een andere manier van denken. Ik sprak met adjuncthoogleraar Laura Batstra over psychische stoornissen. Want met alle misinformatie hierover is zij wel klaar: “Er is niets te zien op hersenscans! Het is niet helpend als leerlingen geloven dat hun psychisch leed veroorzaakt wordt door een hersendefect.” Hoe het dan wel zit? Lees het interview op pagina 12
De technologische ontwikkelingen staan natuurlijk ook niet stil. Dus er volgde een leuk gesprek met Ellen Kok en Corina Breukink. Zij houden zich bezig met eye-tracking in het onderwijs. Dat is nog volop in de onderzoeksfase, gebaseerd op de vraag ‘wat kan eye-tracking het onderwijs opleveren?’. Beide dames geven op pagina 34 een genuanceerd, maar hoopvol beeld voor de toekomst, onder meer dankzij een onderzoek naar oogbewegingen tijdens het lezen.
Artificiële intelligentie is inmiddels ook niet meer weg te denken. In deze editie daarom ook ruimschoots aandacht voor dit onderwerp. Nationaal Onderwijstalent 2024 Ingrid Kuiken wijdde een onderzoek aan de vraag hoe je AI effectief kunt inzetten in de klas. Ze sprak

hierover met leerlingen en docenten. Ze geeft een aantal voorbeelden hoe leerlingen in de klas aan de slag kunnen met AI. Lees hierover meer op pagina 42
Ook onderwijskundige, schrijver, spreker en leraar Barend Last staat niet argwanend tegenover AI, zo is te lezen op pagina 6. Hij pleit voor ‘eerst verwondering, dan reflectie’ als het gaat om deze technologie. En vooral met de pedagogische waarde op één. Hij gebruikt AI als aanleiding om beter onderwijs te organiseren. Want het huidige onderwijs vindt hij nogal schraal. Daarnaast is hij van mening: “Het is onethisch om je leerlingen niet voor te bereiden op een wereld waarin AI overal is
Benieuwd naar een andere manier van onderwijs? In deze editie vind je een interview met een docent en leerling van het Agora onderwijs. Hier zijn in de onderbouw geen vakken als Engels of natuurkunde, geen lesroosters, proefwerken en cijfers. Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Dat lees je op pagina 28
Heb je iets vernieuwends in het onderwijs gezien waarover je graag meer zou willen lezen? Of is de school waarop jij werkt juist heel innovatief bezig? We horen het graag.
Veel leesplezier!



Wiesette Haverkamp Hoofdredacteur PrimaOnderwijs
Ideeën, vragen, verzoeken voor PrimaOnderwijs? Mail naar redactie@primaonderwijs.nl
Volg @PrimaOnderwijs ook op Instagram, LinkedIn, Facebook en Spotify.








































Geldquiz


































Klikplaat








De gratis online lessen van Wijs met je geld helpen kinderen in groep 3 tot en met 8 om slim en veilig met geld om te gaan. Met de verschillende onderdelen stel je eenvoudig je eigen les samen die aansluit op jouw groep.

6

AI: een interview met Barend Last



16
12

Laura Batstra over mis-informatie over labels















32


De Nederlandsche Bank: partner van de Week van het geld


Huidfonds: Beleef zonbescherming in de klas


Volg ons
Hoofdredactie
Wiesette Haverkamp
Vormgeving
Martin Hollander
Medewerkers
Marco van den Berg, Klaske Delhij, Esmee Weerden, Beeld Shutterstock, Getty Images

Nieuw GRATIS lesprogramma: Beter eten, beter spelen




20
@ primaonderwijs










10 Vernieuwing op het Spaarne College
22 Twee nieuwe handreikingen over sociale veiligheid
27 Column Sander
28 Agora: wat als leerlingen zelf bepalen?
34 Wat kan eye-tracking voor het onderwijs betekenen?
39 Persoonlijk verhalen van de Nationale Kinderherdenking
40 Zó werk de Bibliotheek op school Plus
42 Waarom je niet bang hoeft te zijn voor AI
Redactie 030 - 241 70 44, redactie@primaonderwijs.nl, postbus 40266, 3504 AB Utrecht
Sales 030 - 241 70 21, account@edg.nl
Klantenservice
030 - 241 70 20 klantenservice@edg.nl
Verschijning en verspreiding PrimaOnderwijs verschijnt 5 keer per jaar. Verspreiding via gecontroleerde distributie door EDG Media bij alle basisscholen en scholen in het voortgezet onderwijs in Nederland. Naast het magazine biedt PrimaOnderwijs een wekelijkse nieuwsbrief en de website www.primaonderwijs.nl
Met 100.000 lezers het grootste blad voor alle onderwijsprofessionals.
PrimaOnderwijs is een uitgave van

©Copyright 2026 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, overgenomen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. De uitgever is niet aansprakelijk voor enig handelen op grond van de in dit blad gegeven adviezen of gedane mededelinge n.







Is kunstmatige intelligentie een bedreiging of een aanleiding om opnieuw te bepalen waar onderwijs eigenlijk voor is? Onderwijskundige, schrijver en leraar Barend Last staat niet argwanend, maar nieuwsgierig tegenover AI. Niet omdat hij blind gelooft in technologie, maar omdat AI volgens hem een vergrootglas legt op een vraag in het onderwijs die we voor ons uitschuiven: waartoe zijn wij hier op aarde, wat verstaan we onder goed onderwijs?
Barend kent het onderwijs van binnenuit. Hij begon als leerkracht in het primair onderwijs, werkte als schoolleider en onderwijskundige en docent aan de universiteit, schreef meerdere boeken over onderwijs en technologie en staat inmiddels weer één dag per week voor groep 3.
Volgens hem neemt de kloof tussen docenten die dagelijks met AI werken en collega’s die het mijden, toe. Dat baart Barend zorgen: “AI is overal aanwezig, maar het gesprek erover wordt vaak eenzijdig gevoerd. In Nederland overheerst in de media een sfeer van voorzichtigheid, soms zelfs ‘pessimistische verlamming’: een term die digitaal antropologe Payal Arora gebruikt. Daarbij ligt een focus op risico’s, waarschuwingen en verboden, waardoor experiment en verwondering verdwijnen. Digitale geletterdheid gaat bij ons vooral over ‘pas op’.”
Digitale geletterdheid gaat bij ons vooral over ‘pas op’
Barend vindt het bovendien opvallend dat iedereen verbaasd is over de vermeende daling van leesvaardigheden: “Maar over achterblijvende digitale geletterdheid maakt iedereen zich minder druk. Terwijl juist dat steeds bepalender wordt in hoe leerlingen leren, werken en meedoen.”
Hij ontkent de risico’s van AI niet, maar pleit voor een andere volgorde: eerst verwondering, dan reflectie. “Denk aan een kind dat samen met een chatbot een verhaal bedenkt. Dat kind denkt niet aan bias of
dataveiligheid, maar aan het plezier van samen creëren. Dáár ligt het vertrekpunt. Alleen oog hebben voor de schaduwkant is kinderen tekortdoen. Voor veel leerlingen is technologie óók verbinding, wereldvergroting en vaardigheidsontwikkeling. Wie AI meteen als zondebok neerzet, mist het onderliggende probleem. De kernvraag is niet ‘wat kan AI?’ maar ‘wat is goed onderwijs?’.” Onderwijs heeft als opdracht kinderen op te leiden tot mensen die zich kunnen redden in de samenleving, die zich kunnen ontplooien en zich leren verhouden tot anderen. “Maar de samenleving verandert steeds, dus de basis verandert mee.” Herijken vindt hij een noodzakelijke reflex. Kijk naar wetgeving, de samenleving en wat kinderen nodig hebben. AI heeft impact op samenleving én onderwijs, dus je kunt het niet wegdenken. “Dus vind ik het onethisch om kinderen níét voor te bereiden op een wereld waarin AI al overal is. Daarom de vraag ‘wat is goed onderwijs, en hoe past AI daar binnen?’.”
AI ziet hij niet als los thema: “We hebben meer talige vaardigheden nodig, omdat we in taal – gesproken en geschreven – in gesprek gaan met systemen. We hebben wiskundige vaardigheden nodig om te snappen dat AI niet ‘magisch’ is, maar gebouwd op modellen en waarschijnlijkheden. We hebben burgerschap nodig, omdat AI heel concrete maatschappelijke dilemma’s versnelt: denk aan het genereren en verspreiden van naaktbeelden. En we hebben digitale vaardigheden nodig om kritisch bewust en constructief nieuwsgierig met AI om te gaan. Tegelijk waarschuwt Barend dat technologie het zicht kan ontnemen op diepere problemen in het onderwijs: “Toetsing die al jaren onder druk staat. Motivatie die structureel wordt ondermijnd. Vroege selectie en systemen waarin kinderen vooral leren voor cijfers. AI heeft die problemen niet veroorzaakt, maar maakt ze wel zichtbaar.”
Het gaat om veranderen zonder de essentie te verliezen. Hij vergelijkt: “Videotheken bestaan niet meer, maar we kijken nog steeds films. De essentie blijft bestaan, de route ernaartoe verandert. Zo zie ik het onderwijs ook: leren blijft, maar bepaalde vormen sterven af en het nieuwe moet nog vorm krijgen. Dat maakt mensen angstig – zeker in een tijd waarin AI razendsnel ‘meegeleverd’ wordt.”
En dat ‘meegeleverd worden’ is belangrijk, zegt hij. “We hebben AI niet voor alles nodig. Maar als je iets googelt, krijg je steeds vaker automatisch een AIantwoord. De technologie wordt je opgedrongen, of je erom vraagt of niet. Dat dwingt scholen positie te kiezen: negeren kan niet, verbieden is zelden houdbaar. Dan rest de vraag: wat doen we met dit instrument, zónder onze pedagogische kern te verliezen?”
ik vind het onethisch om kinderen níét voor te bereiden op een wereld waarin
AI al overal is
Pedagogische waarde als kern
Voor Barend staat die pedagogische waarde op één. “School is een ontmoetingsplaats waarin iets kan ontstaan dat je niet volledig vooraf kunt plannen.” Precies dat schuurt volgens hem met hoe onderwijs vaak is ingericht: te veel methodes, te veel protocol en dus te schraal. “Er ontstaat weinig ruimte om perspectieven te bespreken of om betekenis te maken van wat er gebeurt. Terwijl juist die momenten –een vraag uit de klas, een onverwachte wending, een discussie – onderwijs vormend maken.”
Daarom gebruikt hij AI bij voorkeur niet als antwoordmachine, maar als aanleiding om beter onderwijs te organiseren. De Napoleon-les is voor hem een voorbeeld. In plaats van alleen vertellen over Napoleon en daarna vragen maken, kun je met de klas vragen formuleren voor een digitale avatar van Napoleon. Die avatar antwoordt. “Daarna begint het pas: ‘Klopt wat het systeem zegt? Hoe weten we dat? En wie bepaalt eigenlijk wat “waar” is?’. Dan wordt AI een tool om de weg naar kennis en interactie anders in te richten – relevanter, aantrekkelijker, onderzoekender. >>

























Laat kinderen vormen herkennen, vergelijken en ruimtelijk denken door silhouetten na te bouwen met stevige blokken.


Basisset Schaduwbouwen
20 kubussen, diverse blokken en driehoeken

20 schaduwvoorbeelden
1 blanco kaart
2 insteekborden en 2 clips
Afwisbare stift
Katoenen tas
Speluitleg
Barend benadrukt dat dit geen pleidooi is voor ‘AI overal’. Hij kiest kritisch bewust. “Het is belangrijk om af te wegen: kunnen we hier het beste AI gebruiken of is een andere didactische vorm beter? Soms is verkleden als Napoleon krachtiger dan een avatar. Soms maakt een digitale vorm juist iets mogelijk dat anders niet kan.”
Optimaliseren binnen het systeem
Barend is het fundamenteel oneens met hoe het onderwijs vaak is ingericht, maar hij is tegelijk realistisch: werkend in het huidige systeem moet je daarbinnen optimaliseren. Bij taal gebruikt hij een mix: boeken, wisbordjes, methodesoftware of YouTubefilmpjes. Soms maakt hij met AI een eenvoudige tool om letters te flitsen op het digibord. AI gebruikt hij ook bij lesvoorbereiding: feedback op zijn instructie, ideeën voor vragen, aandachtspunten. Bij rekenen en schrijven werkt hij ‘gewoon’ met pen en papier, maar ondersteunt hij waar nodig met digitale hulpmiddelen. Zo bouwde hij een appje om splitsen te visualiseren, omdat zijn leerlingen het zo beter begrepen.
Hij leest met de kinderen boeken, werkt met digitale prentenboeken en kan hij – als het past – iets animeren met AI. Zo schetsten zijn leerlingen niet-bestaande dieren, die hij met AI omzette naar een kunstwerk. Daarna bespreekt hij het: creativiteit, keuzes, wat ‘echt’ is en wat niet. En er wordt ook gewoon geknutseld. “AI is één van de instrumenten, niet het doel.”
Autonomie en motivatie
Een terugkerend punt bij Barend is autonome motivatie. Leerlingen die zelf kunnen kiezen –binnen kaders–maken andere keuzes dan leerlingen die in een systeem zitten waar autonomie structureel wordt gefrustreerd. In een systeem zonder autonomie kiezen kinderen sneller de weg van de minste weerstand, zeker als alles draait om cijfers en afvinken.
Dan wordt AI al snel een snelle route naar ‘klaar’.

“Etymologisch betekent onderwijs ‘de weg wijzen en ondersteuning bieden. Dat betekent: wel kaders, structuur en verwachtingen, maar ook ruimte om een eigen route te leren kiezen. Daar past AI bij, mits het in dienst staat van dat leerproces.”
Soms is verkleden als Napoleon krachtiger dan een avatar
Bij de inbedding van AI houdt Barend drie perspectieven naast elkaar: onderwijs met AI (AI als steiger en ondersteuning), onderwijs over AI (AI als onderwerp in het curriculum) en onderwijs verstoord door AI (AI die leren in de weg zit). Die laatste is reëel: een kind dat een fout AI-antwoord niet kan beoordelen, raakt de weg kwijt. “Daar zit nog een crux: hoe technologie zichzelf presenteert. ChatGPT en AI-samenvattingen zijn ontworpen om het makkelijk te maken. Die ‘makkelijkheid’ beïnvloedt gedrag. Motivatie en doel staan dus in wisselwerking met de techniek. Wie dat negeert, overschat de autonomie van de gebruiker en onderschat het ontwerp van de tool.”
Barend onderscheidt drie invalshoeken voor het gebruik van AI in onderwijs. Die vormen samen een praktisch én filosofisch kader.
• Sneller tot dezelfde bestemming. AI kan taken verlichten, zoals het schrijven van een e-mail, het voorbereiden van een les of het maken van een eerste samenvatting. “Zoals een e-bike je sneller ergens brengt.”
• Tijdwinst, zodat je iets anders kunt doen. Tijdwinst door AI kan ruimte geven om ergens anders mee bezig te gaan. We doen nu eenmaal veel routineuze, betekenisloze taken op een dag. Die kunt je prima delegeren.
• Verder komen dan voorheen mogelijk was. AI verrijkend gebruiken door dieper in iets duiken. Oftewel: met je e-bike naar nieuwe, nog nooit ontdekte bestemmingen reizen.
Voor wie nog aan het begin staat, heeft Barend een simpel advies: begin bij de chatbot zelf. “Zeg gewoon: ik heb geen idee wat ik met jou moet. Kun je me helpen? Help me eens om een goede vraag te formuleren.” In die wisselwerking ontstaat inzicht, niet door denken uit te besteden, maar door het te versterken.








In een lokaal op het Spaarne College in Haarlem staat een docent voor de klas. Op het bord vind je hier geen lange teksten, maar een visuele weergave van woorden en de verwachtingen van leerlingen in duidelijke stappen uiteengezet. Leerlingen kijken aandachtig en knikken instemmend. De instructie komt aan, doordat die beter is afgestemd op wat deze leerlingen nodig hebben om tot leren te komen.
Tekst: Esmee Weerden
Voor schoolleider Roland van der Kaaij is dat precies waar onderwijsvernieuwing over gaat. Zijn vo-school biedt onderwijs aan leerlingen met een advies voor vmbo-t, praktische mavo met een praktijkgericht programma, kader of basis. De school werkt met aandacht voor vakmanschap, gelijke kansen en ontwikkeling op maat. Ook investeert het Spaarne College al langer gericht in de basisvaardigheden. “Voor mij gaat het niet om nieuwe plannen of papieren kaders. Het gaat om wat er in de klas gebeurt. Wat doet een docent, wat vraagt dat van leerlingen en wat levert het hen uiteindelijk op?”
De komende jaren worden de nieuwe kerndoelen gefaseerd ingevoerd. Voor scholen betekent dat nieuwe doelen verkennen, bepalen wat er moet gebeuren en welke aanpassingen nodig zijn in het onderwijsaanbod. Hoe breng je samenhang aan tussen de leergebieden? Hoe zorg je dat vernieuwing onderdeel wordt van het onderwijs?
Vanuit het Masterplan basisvaardigheden ondersteunt het ministerie van OCW, in samenwerking met SLO en andere partijen, scholen daarbij met informatie en verschillende vormen van begeleiding. Een daarvan is het begeleide leernetwerk, waaraan Roland met zijn school deelneemt: “Je stapt dan echt even uit je eigen bubbel. Je komt op andere scholen, ziet andere doelgroepen en andere manieren van werken. Dat zet je aan het denken en houdt je scherp.”
Leren van scholen die anders zijn dan jij
Deelnemers aan het begeleide leernetwerk gebruiken de nieuwe kerndoelen als basis om naar hun onderwijs te kijken. Samen verkennen ze bijvoorbeeld hoe keuzes in instructie, taalgebruik en didactiek bijdragen aan de (ontwikkeling van) basisvaardigheden, die ook terugkomen in andere leergebieden. Zo ondersteunt het begeleide leernetwerk scholen bij het laten landen van de nieuwe kerndoelen.
“Van het bezoek aan een lyceum nam ik mee hoe zij
leerlingen theoretisch uitdagen”, legt Roland uit. “En tijdens een bezoek aan een praktijkschool zag ik hoe zij instructies ontwikkelen voor leerlingen met verschillende ondersteuningsbehoeften.” Een inzicht dat hem bijbleef, ging over taal. “Wat mij opviel, was hoe nieuwe woorden in het praktijkonderwijs visueel werden gemaakt. Leerlingen worden stap voor stap meegenomen met beelden, tekeningen en herhaling. Dat kan gebruikt worden voor taalontwikkeling in alle vakken en dat sluit aan bij wat de nieuwe kerndoelen vragen.”
Van inspiratie naar actie in de school
De inzichten uit het begeleide leernetwerk vormden de aanleiding voor het organiseren van een schoolbrede professionaliseringsdag op het Spaarne College. Deze dag stond volledig in het teken van taal. Er werden inspirerende workshops georganiseerd over taalgericht vakonderwijs, taalontwikkelingsstoornis, meertaligheid en gesproken taal.
“Wat heel sterk werkte”, vertelt Roland, “was dat één van de workshops werd gegeven door twee collega’s uit het praktijkonderwijs. Zij lieten zien hoe zij, vanuit de nieuwe kerndoelen, hun lesinstructie aanpassen voor leerlingen die taal niet vanzelf oppikken. Dit voorbeeld maakte het voor docenten meteen heel concreet voor hun eigen lespraktijk.” Sindsdien wordt er schoolbreed anders gekeken naar lesinstructie voor taal. In lijn met de nieuwe kerndoelen is er in de instructies nu meer aandacht voor woordenschat en worden lastige begrippen expliciet gemaakt.
Vernieuwing borgen doe je samen
Op het Spaarne College is onderwijsvernieuwing geen losstaand traject. Nieuwe inzichten worden opgenomen in sectieplannen en vakwerkplannen. Taal- en rekencoördinatoren spelen daarbij een belangrijke rol en schoolleiders zijn actief betrokken bij de secties.
“We stellen steeds dezelfde vragen. Wat haal je hieruit? Wat is je volgende stap? En hoe zorg je dat
Floris Steinhart, Onderwijscoördinator OCW:

dit geen eenmalige actie blijft, maar structureel onderdeel wordt van je onderwijs?” Die manier van werken sluit aan bij wat de nieuwe kerndoelen vragen: meer samenhang, meer afstemming en een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de basisvaardigheden, over vakken heen.
Wat Roland andere scholen wil meegeven? “Stap ontwikkelingsgericht in een begeleid leernetwerk. Durf te laten zien waar je trots op bent, maar ook waar je nog iets te leren hebt.” Hij benadrukt dat deelname aan een begeleid leernetwerk tijd kost. “Je bent even uit je school, dat klopt. Maar het levert je inzichten op die je anders niet had gehad.”
Volgens hem zit de kracht in het leren van scholen die anders zijn dan jouw school. “Op die manier word je gedwongen opnieuw naar je eigen manier van lesgeven te kijken. Past dit bij ons? Wat nemen we mee? En wat laten we liggen? Ook dat laatste is een bewuste keuze.”
“Begeleide leernetwerken bieden scholen ruimte om samen te leren en gericht te werken aan de vertaling van de nieuwe kerndoelen naar een schooleigen curriculum. Schoolleiders onderzoeken in zo’n netwerk met elkaar hoe zij de basisvaardigheden kunnen versterken, met oog voor samenhang tussen visie, onderwijspraktijk en professionele ontwikkeling.”

Voor schoolleiders die samen met collega’s willen bouwen aan een samenhangend en toekomstgericht curriculum, vormen de begeleide leernetwerken in 2026/2027 een inspiratievolle ondersteuning.
Meer informatie: Wil je ook aan de slag met het nieuwe curriculum? Kijk dan op www.masterplanbasisvaardigheden.nl/

Voorspelbaarheid maakt het voor kinderen makkelijker om zich te voegen naar regels
Psychische stoornissen zijn niet te zien op hersenscans: dat was een van de boodschappen van adjunct-hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen Laura Batstra tijdens de Mulock Houwer-lezing. Ze vindt het onbegrijpelijk dat deze mis-informatie nog steeds als waarheid verspreid wordt en pleit voor een andere bril, die niet kijkt naar wat er mis is met het kind, maar hoe de onderwijscontext zo ingericht kan worden dat de meeste kinderen mee kunnen doen.
Tekst: Wiesette Haverkamp
Laura Batstra gaf deze lezing tweede helft van vorig jaar op uitnodiging van Nederlands Jeugdinstituut, Defence for Children, Pro Juventute en de Canon zorg voor jeugd. Middels deze lezing willen de organisatorische partijen meer aandacht geven aan het werk en de betekenis van vernieuwers en invloedrijke denkers en doeners uit de geschiedenis van de jeugdzorg.
“Vaak ontstaan problemen met kinderen voor het eerst op school”, vertelt Laura. “Thuis kun je om gedrag heen bewegen, maar in de klas moet een kind opeens voldoen aan regels, tempo en verwachtingen. Niet alle kinderen floreren in de context van een bepaalde school. School kan daardoor juist een plek zijn waar labels snel kunnen circuleren.” Niet alleen omdat ouders ermee komen, zegt Laura: scholen leggen óók druk op ouders. “Als een kind als druk in de klas wordt ervaren, wordt al snel gezegd ‘laat ‘m testen op ADHD’, want dan denken ze dat er een verklaring of handvatten komen.” Ze pleit voor een nieuwe benadering.
Laura ontwikkelde in Groningen vanaf 2010 een leerlijn over overmedicalisering: het steeds vaker in stoornis- en ziektetermen praten over eigenschappen en gedrag. Niet alleen medicatie is daarbij relevant, maar vooral het frame. In de DSM – waar bijvoorbeeld ADHD officieel staat als Attention Deficit Hyperactivity Disorder – gaat het om gedragsbeschrijvingen. En precies daar zit volgens Laura een hardnekkig misverstand: “Zo’n classificatie vertelt niet dat breinen anders werken op een manier die je kunt aanwijzen. We hebben allemaal verschillende breinen. We zijn in feite allemaal neurodivers. Hersenen hebben uiteraard alles te maken met gedrag, maar gedrag ontstaat óók in context. En die context is bij kinderen extra bepalend, zeker omdat het brein plastisch is en zich blijft ontwikkelen op basis van ervaringen en omgeving.”
Stoornissen níet te zien op scans
Laura probeert al jaren mensen op het goede been te zetten. Variaties in eigenschappen en gedrag bestaan, en sommige gedragingen matchen minder goed met

hoe we de samenleving en bijvoorbeeld scholen hebben ingericht. Toch blijft de hersenmythe hardnekkig, mede door hoe wetenschappelijke resultaten in de media zijn beland. Ze noemt een groot hersenonderzoek (met zo’n drieduizend scans) waarover werd gezegd dat ADHD ‘te zien is op hersenscans’. In werkelijkheid ging het om een piepklein groepsverschilletje: statistisch significant door het grote aantal deelnemers, maar klinisch gezien ‘nul relevant’. De groepen overlapten voor juist 90 tot 95%. Toch presenteerden de onderzoekers en de media de uitkomst alsof je ADHD bij individuen zou kunnen aanwijzen. “Terwijl uit die scans juist blijkt dat het níét te zien is.”
Dat wetenschappers soms overtrokken conclusies trekken, heeft volgens Laura te maken met perverse prikkels: studies met opvallende resultaten publiceren beter. “Als je schrijft: deze dure hersenstudie toonde niets aan, dan wordt dat minder snel opgepikt.” Dat ze dit verhaal al vijftien jaar vertelt, onderstreept hoe taai hersenmythes zijn. “Ik vind het ook onbestaanbaar dat de overheid, die toch zegt te willen >>







De rekenmethode voor groep 1 t/m 4













Laat de ogen van jouw leerlingen stralen bij het rekenen! Met Semsom van Uitgeverij Zwijsen leg je niet alleen een stevige rekenbasis, maar bied je ook spelenderwijs plezier in rekenen. Het complete aanbod voor voorbereidend en aanvankelijk rekenen ondersteunt jou in groep 1 t/m 4 en maakt rekenen elke dag een avontuur.

De aansprekende werkboekjes van Semsom hebben een vrolijke buitenkant en een rustig binnenwerk met gebalanceerde oefenstof.






Per groep zijn er een aantal werkboeken en één aansluitend toetsboek om de kennis in praktijk te brengen.








Alle benodigde materialen om handelend te rekenen in één rekenbakje.







demedicaliseren, niets tegen het voortbestaan van deze medicaliserende misinformatie doet.”
Labels: erkenning én risico
Waarom blijven labels zo aantrekkelijk? Laura ziet dat ze op korte termijn erkenning geven. In een samenleving waarin iedereen moet excelleren en waarin competitie overal aanwezig is, voelt een ‘verklaring’ voor degenen die niet optimaal mee kunnen komen soms als opluchting. Dat geldt ook voor ouders. “Als er kritiek is op jouw kind, voel je je als ouder enorm kwetsbaar.” Een label kan dan beschermen: het gedrag is niet expres.
Maar dat classificeren bij kinderen is minder objectief dan vaak wordt gedacht. Bij bijvoorbeeld ADHDdiagnostiek worden vooral ouders en leerkrachten bevraagd. Het zijn hún waarnemingen die tellen. “De ene leerkracht vindt drie keer per dag door de klas roepen al heel vaak, terwijl het een ander pas opvalt bij drie keer per uur.” Of een kind ‘voldoet’ aan de criteria hangt dus sterk af van draagkracht, stress en interpretatie van volwassenen.
Laura vindt niet dat stoornissen als oorzaken moeten worden gezien. Ten eerste is het geen oorzaak, maar een benaming voor een aantal gedragingen waarvan een groepje psychiaters lang geleden heeft bedacht dat die onwenselijk zijn binnen de door onszelf ingerichte maatschappij. Daarnaast zegt ze: “Als we het als verklaring zien, denken we: de oorzaak is ADHD, dus we hoeven niet meer verder te kijken.” En daarmee raken mogelijke echte oorzakelijke factoren buiten beeld: een onrustige thuissituatie, structureel slaaptekort, trauma, of over- of ondervraging op school. Terwijl juist daar vaak iets aan te doen is, op pedagogische en didactische wijze.
Het sociale model van inclusief onderwijs Voor scholen pleit Laura daarom voor een andere bril. Niet: wat is er mis met dit kind? Maar: hoe kunnen we onze onderwijscontext zo inrichten dat alle kinderen mee kunnen doen en floreren? Dat is de kern van het sociale model van inclusief onderwijs, waarnaar zij samen met haar team en met basisschoolkoepel Proloog (22 scholen) en met steun van NRO vijf jaar onderzoek doet. Dit model verlegt de focus van individuele tekorten naar de inrichting van de leeromgeving. “Nu leggen we problemen met labels bij het kind, terwijl je net zo goed kunt zeggen: de context is beperkt.”
Dat vraagt geen snelle oplossingen, maar een cultuurverandering. In het onderzoek worden daarom niet alleen leerkrachten, maar ook schoolleiders, ouders en leerlingen betrokken. Het doel is om samen te ontdek-
Het doel is om samen te ontdekken welke kleine aanpassingen al grote winst opleveren
ken welke kleine aanpassingen al grote winst opleveren – en om scholen te trainen om consequent vanuit die context te denken.
Wat scholen nú al kunnen doen
Laura ziet volop mogelijkheden die niet hoeven te wachten op nieuw beleid. Goede voorlichting aan onderwijspersoneel is cruciaal: een classificatie levert geen kant-en-klare aanpak op. Met investeren in pedagogisch vakmanschap kun je wel stappen maken. Daarnaast noemt ze veilige schoolculturen met duidelijke regels en routines. “Voorspelbaarheid maakt het voor kinderen makkelijker om zich te voegen naar regels.” Zeker in het voortgezet onderwijs, waar docenten vooral vakgericht zijn opgeleid, valt met pedagogiek nog veel winst te behalen.
Scholen kunnen dit volgens Laura niet alleen individueel op te lossen. Juist door gezamenlijk op te trekken – binnen besturen, regio’s en richting politiek – kan het onderwijs sterker van zich laten horen. Nu gaat er veel geld naar de GGZ, terwijl problemen aan de voorkant vaak al ontstaan in overbelaste, prikkelrijke leeromgevingen.
Psychisch leed bestaat, benadrukt Laura. Maar het helpt niet als leerlingen gaan geloven dat het komt door een hersendefect. Beter is het om zoals psychiater Floortje Scheepers te spreken van ontregeling: iets tijdelijks dat kan veranderen. Haar ideaalbeeld? Reguliere scholen die zo zijn ingericht als veel speciale basisscholen nu: kleinere klassen, meer handen in de klas en leerkrachten die zijn opgeleid in het omgaan met diverse kinderen. Dat vraagt maatschappelijke keuzes. “We laten kinderen nu eerst vastlopen in overbelaste systemen”, zegt Laura, “en vertellen ze daarna dat het aan hen ligt. Waarom zijn we daar niet massaal woedend over?”
De Mulock Houwer-lezing
Laura verzorgde dit jaar De Mulock Houwer-lezing. En dat ging over dit onderwerp. Scan de QR-code om deze lezing te bekijken





















Hoe ga je met je leerlingen het gesprek aan over geld in een wereld vol verleidingen en onrealistische verwachtingen? De Nederlandsche Bank (DNB) is partner van de Week van het geld. Van 18 tot en met 27 maart tussen 14.30 en 17.00 uur verzorgt de bank daarom allerlei activiteiten in De Nieuwe Schatkamer van DNB.


Tijdens de Week van het geld, een initiatief van het platform Wijzer in geldzaken, gaan leerlingen en studenten overal in het land aan de slag met financiële educatie. Onder het motto ‘jong geleerd is oud gedaan’ wil het platform kinderen en jongeren voorbereiden op financiële redzaamheid in de toekomst. Dit jaar is het thema ‘Geldsprookjes: te mooi om waar te zijn?’. De luxe-levens van influencers, reclames met ‘nu-of-nooit’-deals en verhalen over snel geld verdienen: jongeren komen er dagelijks mee in aanraking. Niet alles dat blinkt, is goud. Geldsprookjes zijn verleidelijke, maar vaak onjuiste of onrealistische ideeën over geld, die jongeren kunnen aanzetten tot onverstandige en soms zelfs risicovolle keuzes.
Ook DNB is onderdeel van dit initiatief. Alle activiteiten die de bank in De Nieuwe Schatkamer verzorgt, dragen bij aan de financiële educatie van jouw leerlingen. Op de middelbare school komt er in vergelijking met de basisschool meer bij kijken als het gaat om geld: online shoppen, Tikkies, sociale druk en mogelijk het eerste bijbaantje. Jongeren krijgen meer vrijheid, maar ook meer te maken met

verleidingen. In de workshop ‘Hoe word je rijk?’ voor leerlingen op 24 maart praat Annelou van Noort met hen over de thema’s waar jongeren mee te maken hebben, en geeft ze handvatten om daar op een bewustere manier mee om te gaan.
Speciaal voor docenten verzorgt DNB op 25 maart een inspiratiemiddag met een programma vol kennis,
Nomineer een docent voor de DNB Financiële Meester Award 2026 Wil je een docent nomineren voor de DNB Financiële Meester Award? Dat is mogelijk tot 22 februari. De Nederlandsche Bank vindt goede en inspirerende financiële educatie belangrijk. Daarom reiken we jaarlijks de Financiële Meester Award uit aan een docent (M/V) die op een bijzondere manier invulling geeft aan goede en inspirerende financiële educatie. De nominatieperiode is van 2 tot en met 21 februari 2026. Tijdens deze periode kunnen alle scholieren en medewerkers in het voortgezet onderwijs een docent nomineren. Scan de QR-code om een online formulier in te vullen. Hier vind je ook de selectieprocedure en wat de beoordelingscriteria zijn.
Doordat de studenten zelf de president van een bank mogen spelen, beklijft de informatie beter inspiratie en netwerkmomenten. De bezoekers die zich hiervoor hebben aangemeld ontdekken samen met DNB hoe financiële kennis en vaardigheden niet alleen leerlingen, maar ook docenten sterker maken voor de toekomst. Zo geeft voormalig directeur van het Centraal Planbureau, prof. dr. Coen Teulings een prikkelend college en zijn er interactieve workshops. De middag wordt feestelijk afgesloten met een hapje en een drankje én de bekendmaking van de DNB Financiële Meester Award 2026.
Voor één klas is er verder 18 maart de mogelijkheid om mee te doen met een debattraining: ‘Hoe denken jouw leerlingen over finfluencers?’. Tijdens deze training gaan de leerlingen aan de slag met debatteren en ontwikkelen ze vaardigheden als presentatie en argumentatie. Aan de hand van een aantal actieve debatwerkvormen voeren de jongeren het gesprek over verschillende financiële en geldgerelateerde onderwerpen. Aan het eind van de training weten de leerlingen hoe ze voor de groep moeten staan, hoe ze een goed argument kunnen bedenken en hebben ze elkaars ideeën over geldgerelateerde zaken geleerd.


















Ook kan een klas meedoen met het peer education programma MoneyWays. DNB maakt hiermee geld en geldproblemen bespreekbaar onder jongeren. Dit wordt gedaan met behulp van peer educators: jonge rolmodellen die met het delen van hun persoonlijke verhaal het gesprek openbreken met jongeren.
Meer informatie en aanmelden
Benieuwd naar alle activiteiten van DNB? Scan de QR-code om alles te bekijken en je aan te melden.
De financiële educatie van DNB is veel breder dan alleen de Week van het geld. Je kunt het hele jaar een bezoek brengen aan De Nieuwe Schatkamer Meer informatie hierover vind je op www.denieuweschatkamer.nl/educatie







De eindexamens 2026 komen er alweer aan. Op lerenvoorhetexamen.nl staat alle informatie die leerlingen nodig hebben om zich goed voor te bereiden. Je vindt hier ook betrouwbaar materiaal om toe te passen in je lessen. Alles wordt overzichtelijk aangeboden per leerniveau, vak en domein.
Lerenvoorhetexamen.nl is er voor alle eindexamenleerlingen. En biedt kosteloos ondersteuning bij de voorbereiding op de examens. Denk bijvoorbeeld ook aan de thuiszittende leerling of aan de leerling zonder geld voor extra examentraining. Zo krijgen zij een betrouwbaar extra steuntje in de rug.
Lerenvoorhetexamen.nl wordt ondersteund door Kennisnet, het LAKS, CvTE, het ministerie van OCW en CitoLab.
Overzichtelijk per leerniveau, per vak, per domein.
Materiaal eenvoudig toe te passen tijdens je lessen.
Betrouwbaar en vrij toegankelijk.

Hoe breng je leerlingen dichter bij de geschiedenis die nooit vergeten mag worden? Vanaf 2026 wordt dat voor alle vo-scholen een stuk eenvoudiger. Dankzij een nieuw, geoormerkt budget kunnen scholen via de CJP Cultuurkaart hun Holocausteducatie uitbreiden met indrukwekkende bezoeken, krachtige verhalen en waardevolle lessen over dit thema. Het ministerie van OCW stelt hiervoor jaarlijks € 750.000,- beschikbaar.
Met dit extra budget kunnen we leerlingen meer laten ervaren dan alleen de hoofdstukken uit het boek. Denk aan een bezoek aan Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort of het Nationaal Holocaustmuseum, plekken waar geschiedenis voelbaar wordt, waar verhalen tot leven komen en waar leerlingen écht worden geraakt.
Met dit geld is dat mogelijk en worden drempels zoals kosten voor vervoer of entree weggenomen, zodat elke school jaarlijks betekenisvolle ervaringen aan de leerlingen kan meegeven.
Dit mag je verwachten als school
Met het nieuwe budget kunnen vo-scholen vanaf 2026:
• Entree betalen voor musea, herinneringscentra en educatieve tentoonstellingen
• Deelname regelen aan workshops, rondleidingen of gastlessen
• Vervoer financieren, waaronder busvervoer via het speciale vervoersloket
• Activiteiten boeken en betalen bij erkende aanbieders die voldoen aan het kwaliteitskader Holocausteducatie via het Cultuurkaartplatform
Het bedrag komt als apart geoormerkt budget bovenop het reguliere Cultuurkaartbudget en wordt automatisch toegevoegd in het budget bij scholen die deelnemen aan Cultuurkaart.

Waarom via de CJP Cultuurkaart?
Het platform van CJP Cultuurkaart faciliteert al meer dan 25 jaar scholen die culturele ervaringen aanbieden aan hun leerlingen met budget, informatie en inspiratie. Bijna alle vo-scholen in Nederland doen (al) mee aan de Cultuurkaart.
Hoe werkt het boeken?
Heel eenvoudig:
1. De school stemt met de aanbieder de activiteit en datum af
2. De aanbieder maakt een reservering aan via het Cultuurkaartplatform
3. De budgethouder van de school kiest of het reguliere Cultuurkaartbudget of het Holocausteducatiebudget wordt ingezet
Nadat de reservering is goedgekeurd, is er de mogelijkheid om ook busvervoer te reserveren.
Wat moet je als school doen?
• Doe je al mee met de Cultuurkaart? Dan hoef je helemaal niets te regelen: het bedrag wordt automatisch toegevoegd aan het beschikbare cultuurbudget van de school via het CJP Cultuurkaartplatform.
• Nog geen deelnemer? Dan kun je eenvoudig een gesprek aanvragen met CJP of je school direct aanmelden via scholen.cjp.nl/aanmelden-school
Belangrijk: Iedere school heeft haar eigen CJP Cultuurkaart budgethouder. Docenten geschiedenis, maatschappijleer of burgerschap kunnen dus via de budgethouder gebruik maken van het beschikbare budget.




Nieuw gratis lesprogramma: Beter eten, beter spelen


‘Maak bewegen en gezonde voeding vanzelfsprekend’






Een gezonde generatie ontstaat niet vanzelf. Veel kinderen bewegen te weinig en eten onvoldoende groente en fruit. Terwijl gezond leven juist zo leuk kan zijn. Zoiets moet je op jonge leeftijd al ervaren, weten ze bij Albert Heijn en de KNVB. Draag hieraan bij door aan de slag te gaan met het nieuwe online lesprogramma ‘Beter eten, beter spelen’. Zo laat je kinderen ontdekken wat gezond leven oplevert: van gezond eten ga je beter bewegen en voel je je fijner.
Tekst: Marco van den Berg
Laat kinderen merken wat voeding en beweging met hun lichaam doen: door het leuk te maken, door aan te sluiten bij hun belevingswereld. En door gezondheid niet los te benaderen, maar als iets dat vanzelfsprekend onderdeel is van de dag. Die gedachte vormt de basis voor ‘Beter eten, beter spelen.’ In dit nieuwe lesprogramma brengen Albert Heijn en de KNVB voeding en beweging samen in de klas. De twee organisaties werken al jaren samen rondom het Schoolvoetbal en vinden het tijd worden voor een verdiepingsslag.
Het gratis lesprogramma bestaat uit vijf interactieve Fitlabs, waarin proefjes, bewegen en samenwerken centraal staan. Zo ervaren kinderen waarom bewegen, gezonde voeding en plezier maken belangrijk zijn. De lessen zijn bedoeld voor de groepen 6, 7 en 8 en

toegankelijk voor alle leerlingen in de klas. Ze zijn bovendien flexibel inzetbaar. Je koppelt ze eenvoudig aan Schoolvoetbal of zet ze zelfstandig in.
Met Schoolvoetbal bereikt de KNVB jaarlijks ongeveer 225.000 kinderen via 620 lokale toernooien. Al jaren brengt het kinderen van alle achtergronden samen, zowel in het reguliere als speciaal onderwijs. Wat kinderen op het veld ervaren, krijgt met dit nieuwe lesprogramma een vervolg op school. “En andersom: wat ze leren in de klas, nemen ze mee het veld op”, vertelt Jan van der Zee, directeur amateurvoerbal bij de KNVB.
Albert Heijn heeft een brede missie wat betreft gezonde leefstijl. Het online lesprogramma past goed binnen deze missie. “We willen beter eten


Gezond eten geeft energie

bereikbaar maken voor iedereen”, zegt Joyce Bierman, VP merkcommunicatie en gezonde leefstijl. “We vertellen niet alleen wat gezonder is, maar helpen mensen ook om het ook echt te doen.” De samenwerking met de KNVB sluit daar logisch op aan: “Voetbal gaat over bewegen, samen spelen en plezier. Wij liggen dagelijks op het bord van gezinnen. Als je die twee werelden verbindt, kun je kinderen laten ervaren dat eten en bewegen bij elkaar horen.” Volgens Bierman is juist die combinatie krachtig.
Daarom richt het programma zich bewust op de basisschool. “Hier worden patronen gevormd. Wat je hier leert, neem je vaak mee.” Tegelijkertijd ziet Bierman dat gezond eten voor veel kinderen een negatieve lading heeft. “Het voelt al snel als iets dat moet, terwijl het ook energie geeft en helpt om lekker te bewegen.” In het lesprogramma ontdekken kinderen dat zelf, via quizzen, proefjes en opdrachten. “Als ze het ervaren, blijft het beter hangen.”
Praktisch denken speelt daarbij een grote rol.
“Kinderen kiezen niet automatisch gezond. Dat doen ze wel als je het makkelijk maakt”, zegt Bierman. “Na school of vlak voor het avondeten hebben de kids vaak trek. Zet je dan iets gezonds klaar – bijvoorbeeld een schaaltje met komkommerschijfjes en kleine tomaatjes - dan is het zo weg.”
Gezonde voeding vaker aanbieden werkt, vertelt ze: “Ook op school en bij sportverenigingen. We hebben geleerd dat toevoegen beter werkt dan verbieden. Door bijvoorbeeld fruit standaard aan te bieden in de pauze of in de rust bij het sporten, wordt het vanzelf normaal.” Clubs die met rustfruit begonnen, zagen dat het snel onderdeel werd van het vaste ritme.
Volgens Bierman zit de winst in kleine stappen. “Het hoeft niet perfect. Een appel in stukjes, een banaan in de tas, water mee in plaats van een zoete drank. Als kinderen merken dat ze zich daar fitter door voelen en beter spelen, wordt gezond kiezen iets wat ze zelf willen.”
Vervolg op school
Van der Zee vindt het een zorgelijke ontwikkeling dat slechts 61.5% van de kinderen van 4 tot en met 12 jaar voldoet aan de beweegnorm (Nederlands JeugdInstituut, 2024). “Bewegen is niet alleen belangrijk voor de fysieke gezondheid, maar ook voor plezier, zelfvertrouwen en sociale ontwikkeling.” Met het lesprogramma, als aanvulling op de Schoolvoetbaltoernooien, wil de


KNVB kinderen al op jonge leeftijd laten ervaren hoe leuk en belangrijk bewegen is, en hoe belangrijk de koppeling met voeding is.
Het plezier staat centraal. “Kinderen komen in beweging als het leuk is. Dat geldt voor voetbal, maar net zo goed voor leren over gezondheid”, aldus Van der Zee. Door voeding en beweging samen te brengen, sluit het lesprogramma aan bij wat kinderen motiveert: spel, plezier en samenwerken. Voetbal fungeert daarbij als herkenbare kapstok. “Zo maken we het onderwerp laagdrempelig, ook voor kinderen die nog niet sporten.”
De samenwerking is een logische, vindt hij. “Albert Heijn brengt expertise op het gebied van voeding, wij brengen kinderen in beweging via voetbal.” Het uiteindelijke doel is duidelijk, stelt Van der Zee: een gezonde generatie, die beweging en gezonde voeding heel vanzelfsprekend vindt.



Met je klas aan de slag?



Meld je nu gratis aan voor het online lesprogramma. www.knvb.nl/lesprogramma









‘Sociale veiligheid is een randvoorwaarde om tot leren te komen’
Op papier is sociale veiligheid vaak prima geregeld. Toch is het voor het dagelijkse schoolklimaat belangrijk hier actief aandacht aan te besteden: voelen leerlingen zich gezien, durven leraren hulp te vragen en zijn regels echt van iedereen?
In twee nieuwe handreikingen laat School & Veiligheid zien hoe scholen het verschil kunnen maken.
Tekst: Marco van den Berg
Bij sociale veiligheid denk je al snel aan onveiligheid, zoals pesten, agressie of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Toch zou het gesprek volgens School & Veiligheid vooral moeten gaan over het schoolklimaat. Dat gaat over de onderlinge sfeer die elke dag voelbaar is in gangen, lokalen en teamkamers. Dat is de kern van de nieuwe handreikingen, leggen adviseurs Lynn Louwe en Marijke van der Zalm uit. Zij waren nauw betrokken bij de totstandkoming. “Het is de basis om tot leren te kunnen komen”, vat
Van der Zalm samen. Die basis zit ‘m niet in nóg een extra protocol, benadrukt ze. De handreikingen zijn bedoeld voor schoolleiders en leraren en gaan over hoe je samen werkt aan meer verbondenheid, betere

relaties en duidelijke normen. Dat zijn de sleutels om tot een veiliger schoolklimaat te komen. Louwe adviseert scholen onder meer over veiligheidsbeleid en bij gevallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast werkt zij als crisisadviseur bij School & Veiligheid. “We hebben een Adviespunt dat scholen kunnen bellen en mailen over grote en kleine vragen. Maar soms zijn situaties enorm ingewikkeld en veroorzaken ze veel onrust: dan kunnen de crisisadviseurs extra ondersteuning bieden.”
Van der Zalm is gespecialiseerd in pesten, online gedrag en samenwerking met ouders. Samen hebben de twee adviseurs een onderzoek naar sociale veiligheid laten uitvoeren. Dat vormde mede de basis voor de handreikingen. Met deze handreikingen biedt School & Veiligheid leraren en schoolleiders concrete handvatten om het schoolklimaat structureel te versterken.
Scholen nemen meestal contact op als het al misgaat, vertelt Louwe. Vaak volgt op een incident een ad-hocreactie, terwijl je eigenlijk wil dat het beleid al op orde is en leeft. Niemand wil dat pestgedrag blijft sudderen, dat spanningen met ouders escaleren, dat leerlingen agressief zijn of dat vragen rond

grensoverschrijdend gedrag onbeantwoord blijven. Ook een ogenschijnlijk klein voorval kan grote impact hebben. Onrust onder leerlingen, onzekerheid bij leraren, vragen van ouders. En daar komt het online domein nog bij. Scholen worstelen met de vraag wat hun rol is als iets buiten schooltijd gebeurt, maar wel doorwerkt in de klas. “Dat nemen we eigenlijk in alles mee”, zegt Van der Zalm. “Niet als los thema, maar als onderdeel van afspraken, beleid en het gesprek met leerlingen.”
De insteek van de handreikingen is preventief werken aan een prettig schoolklimaat, vanuit een overtuiging die past bij de school. “Wat voor school wil je zijn? En hoe gaan we dat samen doen?”, zegt Louwe. Een belangrijk uitgangspunt is dat scholen nooit bij nul beginnen. Er ís al een schoolklimaat. De eerste stap is daarom: in kaart brengen waar je staat. Hoe is het met de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel? Dat kan bijvoorbeeld via veiligheidsmonitoren, maar vooral ook door het gesprek te voeren. “Duik met elkaar in die uitkomsten. Praat met leerlingen en personeel. Waar staan we nu en waar willen we naartoe?” Pas daarna krijgt een visie betekenis: wat wil je versterken en hoe doe je dat samen?
Uit het onderzoek dat School & Veiligheid liet uitvoeren, kwamen drie samenhangende elementen naar voren die het schoolklimaat versterken: schoolverbondenheid, interpersoonlijke relaties en sociale normen en regels. “Het gaat om de samenhang tussen deze drie zaken”, zegt Van der Zalm. Ze hebben invloed op elkaar: verandering bij één element heeft effect op de andere gebieden. Schoolverbondenheid draait om betrokkenheid én erbij horen. Louwe spreekt van ‘engaging’ en ‘belonging’. Leerlingen moeten ervaren dat hun stem telt, ook buiten formele structuren. Tegelijk moet het gevoel kloppen dat iedereen welkom is. Dat raakt aan inclusie, aan lesmateriaal, aan voorbeelden in de klas en aan wat een school uitstraalt richting minderheidsgroepen. “Het gaat om het gevoel dat je welkom bent, dat je erbij hoort, dat je gezien wordt en je veilig kunt uitspreken.”
Interpersoonlijke relaties gaan over de dagelijkse band tussen leraar en leerling en tussen leerlingen onderling. Die relaties bepalen niet alleen de sfeer, maar ook de veiligheid. Durven leerlingen iets te melden? Durven leraren hulp te vragen als het schuurt? Van der Zalm benadrukt het belang van zelfreflectie, want relaties zijn niet neutraal. Op een gegeven moment is je blik gekleurd. De handreiking nodigt leraren uit om feedback te vragen aan leerlingen. “Het moet zichtbaar zijn dat ook leraren mogen leren.”
Het derde element, sociale normen en regels, draait om voorspelbaarheid en rechtvaardigheid. Duidelijkheid biedt veiligheid. Regels werken alleen als ze begrijpelijk zijn en als leerlingen en medewerkers ze als eerlijk ervaren. “Wat betekent respect eigenlijk in gedrag?”, zegt Louwe. “Dat moet je elkaar kunnen uitleggen.” Ook het proces doet ertoe. Dus: maak je regels samen, dan voelen mensen zich meer eigenaar. Daarnaast is een wij-gevoel binnen het team belangrijk. Van der Zalm: ‘Dat je zegt: het zijn onze leerlingen, voor wie wij samen zorgen.’ En ja, daar hoort ook bij dat collega’s elkaar aanspreken als afspraken niet worden nageleefd.
In de handreiking voor schoolleiders krijgt dit alles een eigen vertaling. Het start bij de evaluatie van je visie en missieverklaring: wie willen we zijn als school? Die aandacht vraagt herhaling en evaluatie. Want uiteindelijk gaat het niet om incidenten, weet Louwe. “Sociale veiligheid is een randvoorwaarde om tot leren te komen. Dat wil je als school steeds voor ogen houden.”
Meer weten en/of de handreikingen downloaden? Ga naar www.schoolenveiligheid.nl/visie
Heb je nog vragen?
Neem contact op met het Adviespunt van School & Veiligheid. Dat kan op schooldagen van 09.00 tot 16.00 uur via tel.nr. 030 285 66 16 of via adviespunt@schoolenveiligheid.nl































































































Geef tijdens de Week van het geld eenvoudig je eigen nanciële les met ons themapakket, boordevol lesmaterialen. Of ontvang een nancieel expert in de klas door een gastles aan te vragen! Waar kies jij voor?
Geef je graag zelf je eigen nanciële les? Bestel dan het Geldsprookjes themapakket. Per onderwijsniveau en leerjaar zijn er pakketten boordevol lesmaterialen met onder andere: een interactieve les, explainer video’s, een themaposter en voor elk niveau een unieke educatieve activiteit! Met de materialen stel je gemakkelijk een nanciële les samen die past bij de behoeftes van jouw leerlingen.

























Leerlingen vinden praten over geld altijd erg interessant. Daarom biedt de Week van het geld ook dit jaar verschillende gastlessen aan voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Experts van bijvoorbeeld banken, verzekeraars en het ministerie van Financiën komen graag een gastles geven in jouw klas. Gastlessen worden gegeven vanaf de start van de Week van het geld tot en met juni 2026.
In uencia en de 5 geldlessen


















Snel geld verdienen?

Ontdek hoe je slim met geld omgaat, online verleidingen weerstaat en veilig online blijft.
online verleidingen

Deze gastles informeert jongeren over de zorgverzekering die vanaf hun 18e verplicht is. 18+? Verzekeren dus!


meer informatie & aanvragen
Deze gastles van Bank voor de klas gaat over de risico’s van snel geld verdienen en geldcriminaliteit.



















Oog in oog met een olifant en speurend naar de jaguar tussen al het groen. In ARTIS kunnen leerlingen elke dag iets nieuws beleven. Van het allerkleinste leven in ARTISMicropia tot het allergrootste in het ARTIS-Planetarium en al het leven daartussenin in ARTIS-Park. Via interactieve lessen met ARTISdocenten, liveshows en werkbladen verwonderen leerlingen zich spelenderwijs over natuur. ARTIS biedt voor primair onderwijs een breed en gevarieerd aanbod dat naadloos aansluit bij de kerndoelen.
PrimaOnderwijs & ARTIS
Het voorjaar zit weer in de lucht, het eerste groen zit weer aan de bomen en de natuur is aan het veranderen. Het perfecte moment voor een bezoek aan ARTIS in de buitenlucht. Tijdens de speciaal ontwikkelde buitenlessen leren leerlingen over de diversiteit van natuur. En dat alles op een unieke plek in het centrum van Amsterdam onder leiding van een ARTIS-docent.
Bio-buitenles (bovenbouw)
€6,50 per leerling inclusief entree ARTIS*
De bio-buitenles voor de bovenbouw zorgt dat leerlingen de relaties binnen natuur gaan ontdekken en begrijpen. Planten en dieren hebben elkaar nodig om te overleven. Voor voedsel en bescherming maar ook bijvoorbeeld voor voortplanting. Gaat het goed met de ene soort, dan is dat weer positief voor de andere. Zo laten we zien wat er gebeurt als de algazel als soort verdwijnt en waarom een vleeseter als de jaguar ook bomen in het verblijf nodig heeft. Tijdens de bio-buitenles onderzoeken leerlingen relaties tussen soorten en hoe natuur met elkaar is verbonden.

Poepsafari (middenbouw)
€6,50 per leerling inclusief entree ARTIS*
Deze buitenles voert je langs een aantal iconisch diersoorten en laat de leerlingen alles ontdekken over poep- en eetgewoontes. Waarom ziet poep er bij verschillende dieren anders uit? Hoe zijn voeding en gezondheid met elkaar verbonden? En ja, daar hoort het ruiken van olifantenpoep ook bij. Zelf de poep van het jongste olifantenkalf van 4 maanden kan worden onderzocht. Alleen voor de echte durfals!
Zelf op pad!
Naast de buitenlessen gegeven door ARTIS-docenten kunnen leerlingen ook zelf op pad met een door ARTIS ontwikkeld werkblad. Bij het werkblad ‘Water en leven’ voor de bovenbouw ontdekken leerlingen hoe belangrijk water is voor al het leven, mens, dier, plant en microben.
Alles weten over een schoolbezoek aan ARTIS? Scan de QR-code of ga naar www.artis.nl/nl/onderwijs
* Genoemde prijzen gelden voor schooljaar 2025–2026


Ik lees in diverse onderzoeken dat zeker de helft van de leraren ‘verandermoe’ is. En dan vooral de vijftigers. Tja, die vijftigers. Zijn dat niet gewoon intern gepensioneerden en conservatieve critici? Dat eerste: soms wel inderdaad, en dat is niet best. Dat tweede: soms ook inderdaad, en daar is niks mis mee. Conservatief betekent immers: behoud het goede.
Ik ga hier een lans breken voor de vijftiger en ik heb mandaat, want ik bén vijftiger! En ik bedoel dan natuurlijk de actieve en betrokken vijftiger die gewoon bijschoolt, niet verzuurd is en nog steeds dol is op pubers. Die al differentieerde en formatief handelde voordat we die termen hadden uitgevonden. Die ook écht dertig jaar ervaring heeft, en niet twee jaar ervaring plus achtentwintig jaar recycling. En die snapt dat niets voor altijd is.
Wij zijn de generatie leraren die werkelijk volledig is platgebombardeerd door vernieuwingen, herzieningen en stelselwijzigingen. En niet altijd met het gewenste resultaat om het maar eens diplomatiek te brengen. Deze veranderingen waren vaak politiek gemotiveerd, geboren uit wensdenken of gebaseerd op ongefundeerde onderwijsfilosofieën. Hoe zag dat er uit?
Medio jaren negentig startten wij vers van de opleiding midden in de invoering van de Basisvorming. Kansloos natuurlijk, dus het werd dan ook rap weer afgeschaft. Intussen werd de Tweede Fase voorbereid en ingevoerd: een heftige stelselwijziging, met inmiddels ontelbare aanpassingen. De eerste lichting Studiehuis was nog maar nauwelijks begonnen of de tweede grote stelselwijziging werd ingezet: de fusie van vbo en mavo tot vmbo. Inclusief de hele reeks wijzigingen tot vandaag aan toe.
Ergens midden in onze loopbaan kwam daar ineens de verplicht vrijwillige Maatschappelijke Stage, die bij de eerstvolgende verkiezingen weer subiet overboord ging. En dan de laatste drie jaar. Burgerschap in de les, taalvaardigheid in de les, en voordat je daar als sectie ook maar een uurtje over hebt kunnen nadenken staat de allernieuwste herziening van zowel de kerndoelen als de eindtermen voor de deur. En dat terwijl we nog aan het bijkomen zijn van alle energie die we gestopt hebben in het in elkaar klussen van De Nieuwe Leerweg; die inmiddels ook alweer is afgeschaft.
Intussen hebben wij al deze toestanden doorstaan in een klimaat waarbij ict haar intrede deed. En ook hier zien we alweer: het heeft niet het beoogde en zo bejubelde effect. Integendeel zelfs.
Dus bij de aankondiging van Het Nieuwe Curriculum ontploften vooral de vijftigers.
Wij vijftigers willen echt wel. Maar wij hebben nou eenmaal de ervaring van een eindeloze reeks van vooral zinloze, mislukte en opgelegde vernieuwingen. Zet ons daarom niet weg als stelletje terpentijnpissers, maar gebruik onze ervaring! Wees zuinig op ons!
Sander van Veldhuizen
Elk kind heeft een intrinsieke motivatie om te leren, die komt het beste tot uiting als een kind zélf mag bepalen wat hij wil leren. Daarom zijn er bij Agora onderwijs in de onderbouw geen vakken als Engels of natuurkunde, geen lesroosters, proefwerken en cijfers. Hoe werkt dit in de praktijk? En worden leerlingen zo wel klaargestoomd voor een vervolgstudie of werk?
Tekst: Klaske Delhij
De interesse van de leerling is het vertrekpunt
Agora is geïnspireerd door het Zweedse concept Kunskapsskolan, ‘gepersonaliseerd onderwijs’, vertelt Richard Coenen. Hij stond in 2014 aan de wieg van Agora Roermond en werkt daar al twaalf jaar als coach. Inmiddels zijn er 25 tot 30 Agora scholen bij gekomen in Nederland. Elke leerling mag zélf bepalen wat hij wil leren. Hoe werkt dat?
Challenges
Tara Kleuskens (14), leerling havo-4 op Agora Roermond, vertelt: “Toen ik van de basisschool kwam, wilde ik van alles leren. Je werkt aan je eigen challenges. Die van mij gingen over een boek schrijven, de carnavalsvereniging en Formule-1. De coach helpt je bij het maken van een stappenplan.” Challenges kunnen ook maak-opdrachten zijn: een vogelkooi maken, zelf een rapnummer schrijven of game ontwikkelen.
Proactief
Richard: “Als coach begin je met de vraag: waarom wil je dat weten of maken? In het begin hebben leerlingen als reden nog ‘leuk’, later hoor je ook redenen als ‘betekenisvol’ of dat het een probleem oplost.” De interesse van de leerling is het vertrekpunt. De challenge moet wel aan bepaalde eisen voldoen, volgens een beproefd concept van de Universiteit Leiden. Kernvakken worden subtiel verweven in de challenges. Leerlingen lezen een boek, kijken YouTube-filmpjes, interviewen
experts of bezoeken bedrijven. Na de challenge geven ze een presentatie aan hun groep. De leerdoelen: samenwerken, informatie uitzoeken en presenteren. “We vragen een proactieve houding. Niet elke leerling heeft dat van nature, maar dit ontwikkelen ze in de onderbouw.”
Verschillen met traditioneel onderwijs
Er zijn talloze verschillen met het traditionele onderwijs (zie kader). Bijvoorbeeld de ruime lokalen, waar vier coachingsgroepen (totaal 72 leerlingen) met hun coach zitten. Is dat niet erg druk? “Bij de onderbouw lijkt het soms net een dierentuin”, gniffelt Tara. Richard beaamt dat het ‘spelend leren’ voor wat meer rumoer zorgt. De gezamenlijke dagstart en de leespauze zorgen voor rust en structuur. “In de bovenbouw zijn de lokalen veel rustiger.” De leerlingen gaan tussen 9:00 en 15:00 uur aan de slag met hun challenges, individueel of in groepen. De onderbouw werkt niet met proefwerken en cijfers. Wel wordt er regelmatig formatief getoetst om de voortgang te bewaken.
45 minuten per week wiskunde
In de bovenbouw is de opzet wat anders, omdat er ook wordt toegewerkt naar het eindexamen en diploma. Leerlingen kiezen een profiel met examenvakken. De vakken worden gegeven door een vakexpert, die één keer per week lesgeeft, 45 minuten. Dat betekent scherpe keuzes in het lesprogramma. “De vakexperts beginnen met de basis, maar de lessen zijn verder gericht op wat de leerlingen moeten weten voor het eindexamen”, licht Richard toe. In de bovenbouw zijn er wel proefwerken en cijfers. Huiswerk is beperkt tot de lesstof voor toetsen en eindexamen. De lessen zijn efficiënt, de leerlingen geconcentreerd, benadrukt hij.
‘Snuffelstage op mijn twaalfde’
Er is ruime aandacht voor studie- en loopbaanoriëntatie. Tara: “In een restaurant zag ik mensen met een beperking werken, dat vond ik erg leuk. Ik verdiepte
Agora onderwijs onderbouw
• Schooltijden 9.00–15.00 uur, onderbouw niet ingedeeld naar niveau (vmbo, havo en vwo door elkaar)
• 18 leerlingen per coach. Ruime lokalen (vier coachingsgroepen) met eigen werkplekken
• Gezamenlijke dagstart – dagelijks na de lunch 30 min leestijd
• Leerlingen stellen zelf leerdoelen (challenges), werken individueel of in groepen. Coach begeleidt bij stappenplan, verdieping leerdoel en koppeling met kernvakken
• Voortgang gemeten via challenges, reflectie, coachfeedback en portfolio

Coenen (coach) en Tara Kleuskens (havo-4) van Agora Roermond
me daarna in de gehandicaptenzorg en kon via mijn netwerk een snuffelstage lopen bij een stichting. Ik was twaalf.” Meerdere snuffelstages volgden en ze interviewde mensen over hun werk. “Ik weet nu wat ik straks wil doen en welke studie ik nodig heb.”
Niet alle klasgenoten zijn zo doelgericht als zijzelf, sommigen weten nog niet wat ze na school willen doen, geeft ze aan.
Wat zijn de leerresultaten? Gemiddeld haalt 80 à 85 procent hun diploma. Dat is enigszins onder het gemiddelde in Nederland (91% in schooljaar 2023/2024, cijfers Examenmonitor DUO). “Het varieert per schooljaar, bovendien hebben we kleine aantallen. Toen we slechts twee vwo leerlingen hadden was er één gezakt. Dat is 50 procent, dat drukt zwaar op de cijfers”, licht Richard toe. Agora Roermond wordt al twaalf jaar gevolgd door Jos Claessens, emeritus hoogleraar van de Open Universiteit. Richard: “Op cognitief gebied scoren Agora leerlingen gemiddeld, maar ze onderscheiden zich in proactiviteit. Ze zijn intrinsiek gemotiveerd, zelfstandiger en in groepen vaak initiatiefnemers. Dat zijn belangrijke vaardigheden in de rest van je leven.”
Claessens ontdekte ook dat Agora leerlingen na hun eindexamen minder vaak direct voor een vervolgstudie kiezen (63% tegenover 90% traditioneel onderwijs). Misschien niet zo vreemd, gezien de focus op persoonlijke ontwikkeling. “Onze leerlingen kiezen inderdaad vaker voor een tussenjaar om te werken of reizen.” En Tara? “Volgend jaar doe ik havo eindexamen, daarna ga ik twee vervolgstudies doen. Ik wil zo snel mogelijk aan het werk.”

Ruimte voor talent met Eduforce METHODES VOOR MEER- EN HOOGBEGAAFDE KINDEREN



Verrijkingswerk
Denken over taal
Groep 3-8



Verrijkingswerk
Denken in getallen
Groep 3-8

Rekenkundig
Groep 1-8
Verrijkingswerk
Leren leren
Groep 6-8


Groep 6-8
Pienter
Groep 1-4


CHINEES





De wereld als rekensom




Leer de basisprincipes van de Chinese taal.
Zelfstandig Chinees leren met teksten, oefeningen en geluidsfragmenten, zowel thuis als op school. Perfect voor (hoog)begaafde leerlingen vanaf 9 jaar.


Bekijk alle methodes van Eduforce voor meer- en hoogbegaafdheid op




SCHOOLMATERIALEN.NL














Groep 6-8 en VO LATIJN
Groep 7-8 en VO


Ruimte voor meer verdieping?
Duik in vreemde talen!



Leer de basis en naamvallen van de Latijnse taal.
Teksten leren, woordjes stampen in het Latijn, een mooie uitdaging voor (hoog)begaafde leerlingen. Ontwikkel nieuwe vaardigheden rondom het leren van een taal en het eigen maken van informatie.

Kunstmatige, ofwel artificiële intelligentie (AI) speelt een steeds grotere rol in onze samenleving. De vraag is niet meer of je er iets mee doet, maar hoe je dit goed en veilig kunt gebruiken in de klas.
PrimaOnderwijs & Ozobot-Benelux.nl
Ozobot helpt scholen om AI op een begrijpelijke en praktische manier te gebruiken. Het bijbehorende lesmateriaal is ontwikkeld voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Voorbeelden van lessen zijn:
• Hoe werken LLM’s?
• Ontwerp van algoritmen en AI
• Computer vision gebruiken voor beslissingen
• Autonoom rijden uitgelegd
AI-onderwijs met Ozobot
Met Ozobot leren leerlingen stap voor stap wat AI is en hoe het werkt. Je hoeft geen technische kennis te hebben om ermee te starten.
Vanuit het gratis Ozobot lesmaterialenportaal vind je:
• Kant-en-klare lessen met AI, direct te gebruiken in de klas
• Workshops die passen bij de dagelijkse lespraktijk
• Een duidelijke lerarengids met uitleg over AI, verantwoord gebruik en begeleiding van leerlingen
• Een praktische opzet die geheel aansluit bij de SLO-doelen
Zo krijg je als leerkracht houvast en overzicht en kun je AI op een verantwoorde en leuke manier inzetten in je lessen.
Lesgeven in AI met Ozobot Ari
Ozobot Ari is een slimme robot die speciaal is ontwikkeld om met AI in de klas te werken. Het is de meest uitgebreide Ozobot en tegelijk eenvoudig te gebruiken. Dankzij het touchscreen en de ingebouwde sensoren maken leerlingen op een begrijpelijke manier kennis met kunstmatige intelligentie.


Ozobot Ari reageert op spraak, herkent objecten en detecteert obstakels. Deze functies worden ingezet in concrete lestoepassingen waarmee leerlingen actief aan de slag gaan, zoals:
• Obstakels detecteren: Ozobot Ari wordt zo geprogrammeerd dat hij automatisch stopt bij een object, net als een zelfrijdende auto.
• AI in de praktijk: Leerlingen gebruiken Ozobot om te begrijpen hoe AI patronen herkent en voorspellingen doet, vergelijkbaar met modellen zoals ChatGPT.
Deze functies helpen leerlingen te begrijpen hoe AI-systemen waarnemen en beslissingen nemen, en hoe zij de maatschappelijke en ethische gevolgen van deze technologie kunnen beoordelen.
Ozobot Workshops
Om werken met Ozobot makkelijk te maken, zijn er workshops die aansluiten bij de dagelijkse lespraktijk. Deze workshops laten leerlingen op een speelse manier kennismaken met creatief denken, probleemoplossend werken en de eerste stappen in programmeren.
• Gratis digitaal beschikbaar zodat je ze zelf kunt geven in de klas.
• Het is ook mogelijk om de workshop volledig verzorgd op je school uit te laten voeren.
Scan de QR-code om de website van Ozobot-Benelux te bekijken.
Dianne van Drongelen-Boeije



Wat gebeurt er als je zonbescherming niet uitlegt in abstracte termen, maar het samen beleeft in de klas? Twee leerkrachten gingen aan de slag met het ✔ZonSlim-programma van het Nationaal Huidfonds. Hun ervaringen laten zien hoe bewustwording ontstaat: via liedjes, gesprekken, vragen van kinderen en kleine veranderingen in gedrag.
Tekst: Wiesette Haverkamp
Onderbouw: “Juf, moeten we nog smeren?”
Dianne van Drongelen-Boeije gebruikte het ✔ ZonSlimprogramma toen zij lesgaf aan groep 1/2. Inmiddels staat ze voor groep 3/4, maar haar ervaringen met de kleuters staan haar nog helder voor de geest. “Ik heb het lesmateriaal eerst doorgenomen en gekeken wat een handige volgorde was. We zijn begonnen met de praatplaat en hebben daar samen over gesproken, nog zonder dat ik veel uitleg gaf.”
leerlingen vroegen uit zichzelf:
Juf, welke zonkracht is het nu?
De praatplaat vormde de basis voor gesprek. Daarna gaf Dianne dezelfde afbeelding mee als kleurplaat, samen met een brief voor ouders. “Dan weten kinderen wat ze kleuren en kunnen ze er thuis over vertellen.”
Ook het werkblad, waarin kinderen schaduwen aan plaatjes koppelden, paste goed in de dagelijkse werkles. “Dat vonden ze leuk om te doen.”
De online lessen op het digibord maakten indruk, vooral het onderdeel over zonkracht. “Ze vonden dat heel interessant en vroegen ook steeds: welke zonkracht is het nu?” Moeilijker was soms de indeling bij ‘weren’ of ‘kleren’. “Een hoed kan eigenlijk allebei zijn. Daar moesten ze echt even over nadenken.”
Een vast onderdeel werd het liedje van Ernst en Bobbie. “Dat sloeg enorm aan. Ze vonden het grappig, maar het bleef ook hangen.” Buiten spelen werd automatisch een moment om het onderwerp terug te laten komen. “Voordat we naar buiten gingen, zochten we de zonkracht op in de weerapp. Dan bespraken we: moeten we insmeren of niet?”

Dianne merkte dat het gedrag van kinderen veranderde. “Ze begonnen uit zichzelf te zeggen: juf, we moeten nog smeren.” Sommige kinderen namen ineens een zonnebril of pet mee. Ook zonnebrandcrème verscheen in rugzakken, vooral bij kinderen met een gevoelige huid. “Dat ging eigenlijk vanzelf.”
Op het schoolplein wees Dianne bewust op schaduwplekken. “We hebben grote kastanjebomen, dus veel schaduw. Dan zeg je: ga daar spelen, of we doen de andere kant van de zandbak open.” Volgens haar werden zowel zijzelf als de kinderen zich bewuster van de zon. “Insmeren deden we al, maar niet zo bewust als na deze lessen.”
Het programma voelde niet als ‘iets extra’s’. “Het was goed te behappen. Niet dat je denkt: oh, moet ik dit ook nog doen.” Haar belangrijkste tip voor andere leerkrachten in de onderbouw: “Begin met de praatplaat en geef daarna de kleurplaat mee naar huis.”
Het lesprogramma bestaat uit online lesmateriaal en een pakket met voorlichtingsmaterialen. Er zijn vier online lessen voor de groepen 1/2, 3/4, 5/6 en 7/8 inclusief werkbladen beschikbaar.
Daarnaast ga je samen met je leerlingen, afhankelijk van de groep waarin zij zitten, aan de slag met een praatplaat, quizzen of een bordspel.
Leerkrachten die met het ✔ ZonSlim-programma aan de slag willen, kunnen gratis starten via www.onderwijsinformatie.nl/zonslim of de QR-code te scannen.
Bovenbouw: “Waarom doen we dit eigenlijk?”
Patty Harmeling, leerkracht van groep 8 en bovenbouwcoördinator, gebruikte het ✔ ZonSlim-programma op eigen initiatief. “Het kwam voorbij in mijn mailbox en triggerde me. We zaten toen nog in een tijdelijk oud schoolgebouw met grote ramen, een plat dak en veel hitte. De zon was echt een thema.”
Patty vroeg posters en materialen aan en gebruikte een basisles in haar groep. De posters hingen door de hele school, ook bij de BSO. “Het werd breed gedragen, al kwam het initiatief bij mij vandaan.”
Wat haar opviel, was dat ook zijzelf nieuwe inzichten kreeg. “Ik kwam erachter dat ik best veel dingen niet wist. Je hoort van alles over UV-bescherming, maar dit was echt een reminder.” Het programma zorgde er zelfs voor dat de school extra zonnebrand insloeg. “En het besef: volgend voorjaar moeten we nieuwe kopen, want de werking neemt af.”

Patty Harmeling












































Naar buiten? Doe de check! Bij zonkracht 3 of hoger: Veel plezier!


In de klas gebruikte Patty het materiaal als opstap naar gesprek. “Die basisles over zonkracht en huidlagen lokt vragen uit. Hoe zit dat dan? En moeten we daar nu al op letten?” Voor groep 7/8 werkte juist de ‘waarom-vraag’ goed. “Ze willen weten waarom iets nuttig is. Als je dat uitlegt, zien ze dat ze er zelf wat aan hebben.”
Eerst hoor je veel:
‘huh?’ Dat wist ik niet.” Daarna ontstonden gesprekken vanuit eigen ervaringen
De reacties waren soms verbaasd. “Eerst hoor je veel: ‘huh?’ Dat wist ik niet.” Daarna ontstonden gesprekken vanuit eigen ervaringen. Over verbranden op vakantie, opnieuw moeten smeren of een linnen blouse meenemen. “Zo praat je met elkaar.”
Gedragsverandering zag Patty vooral op momenten dat de zon echt fel was. “Dan vragen ze: juf, heb jij ook zonnebrand?” Of kinderen nemen zelf een pet of zonnebril mee. “Het zit niet bovenaan hun prioriteitenlijst, maar de bewustwording is er wel.”
Ook richting ouders werd gecommuniceerd, via flyers en later via collega’s. “Voor de voorjaarsvakantie is het bijvoorbeeld mooi om die smeerinstructie nog eens te delen.” Patty ziet zonbescherming als iets dat raakt aan opvoeding, maar benadrukt de rol van school. “Kinderen weten het vaak niet. Door die basis mee te geven, hebben ze daar later veel aan.”
Steun het Huidfonds
Wij willen het lesmateriaal gratis blijven aanbieden. Kom in actie en steun het Huidfonds. Scan de QR-code voor inspirerende ideeën.




Eye-tracking is een techniek waarmee je meet waar iemand naar kijkt, in welke volgorde en hoe lang. Onderzoekers gebruiken het al jaren om leerprocessen beter te begrijpen, bijvoorbeeld bij lezen, rekenen en andere taken waarbij visuele informatie een rol speelt. Maar de vraag die steeds vaker opkomt is praktischer: wat kan eye-tracking het onderwijs opleveren?
Tekst: Wiesette Haverkamp
In gesprek met onderzoeker aan de Universiteit
Utrecht doctor Ellen Kok (die eye-tracking breder inzet binnen onderwijsonderzoek) en lerarenopleider/ onderzoeker Corina Breukink (die oogbewegingsdata van vo-leerlingen verzamelde, analyseerde en vertaalde naar een concrete leesinterventie) ontstaat een genuanceerd beeld. Eye-tracking is kansrijk wanneer je scherp hebt wat je wilt weten, én als je voorzichtig bent met conclusies. Eye-tracking in de klas is kansrijk als je kunt laten zien waar het hapert en waar mogelijke oplossingen zitten.
Ellen: “Een eye tracker is eigenlijk gewoon een hele goede camera met infraroodlampje. Met die camera kun je vastleggen waar iemands blik heen gaat. Dat levert zicht op patronen: leest iemand lineair door, gaat iemand terug, blijft iemand hangen bij een woord, of wordt er juist veel overgeslagen?”
Tegelijkertijd is de beperking dat kijken niet hetzelfde is als denken. Ellen waarschuwt dat je niet moet doorschieten in interpretaties. “Dat iemand ergens lang naar kijkt, wil niet zeggen dat hij erover nadenkt. Je kunt bijvoorbeeld met je ogen door een tekst gaan en achteraf merken dat je niet meer weet wat je

Dat iemand ergens lang naar kijkt, wil niet zeggen dat hij erover nadenkt
gelezen hebt. Daarom combineren onderzoekers eye-tracking vaak met andere data, zoals interviews of opdrachten.

Drie toepassingen:
van voordoen tot docentfeedback
Ellen onderscheidt drie manieren waarop eye-tracking in en rond onderwijs ingezet wordt.
1. Voordoen met blik als een extra laag
Deze toepassing is al veel onderzocht. Het idee: je laat aan een leerling zien hoe een docent een taak aanpakt, inclusief waar diegene op let. Dat kan bij tekst, wiskunde en bijvoorbeeld röntgenfoto’s. Het gaat daarbij om de visuele aanpak die iemand gebruikt.
2. Kijkgedrag van leerlingen zichtbaar maken voor docenten of leerlingen
Kijkgedrag van leerlingen aan docenten of peer-to-peer aan leerlingen laten zien. Het doel is adaptiever onderwijs: als je kunt zien waar het misgaat, kun je gerichter helpen. Ellen benoemt wat docenten teruggeven: “Ik heb geen idee wat mijn leerlingen aan het doen zijn.” Door kijkgedrag in kaart te brengen kun je bijvoorbeeld onderzoeken of een leerling een strategie gebruikt die past bij de opdracht, of juist niet. Corina onderzocht het peer-to-peer leren (verderop in dit artikel).
3. Kijkgedrag terug aan de leerling als feedback
Dit is onderzocht, maar levert niet automatisch iets op. Ellen deed twee studies waarin het terugkijken van eigen kijkgedrag ‘eigenlijk niks’ toevoegde. In een voorbeeld uit het hoger onderwijs bleek dat studenten de röntgenfoto’s wel goed bekeken, maar dat hun interpretatie niet klopte. De les: kijkgedrag zichtbaar maken heeft alleen zin als het probleem ook dáár zit. Anders zit de bottleneck in een volgende stap: begrijpen wat je ziet.
Een volgende stap: van visualisaties naar dashboards
Een praktische drempel is dat visualisaties bekijken tijd kost. Het is niet realistisch dat docenten voor elke leerling een heatmap of filmpje bekijken. Ellen werkt daarom aan een volgende stap: kunnen we data over kijkgedrag gebruiken om docenten via een dashboard signalen te geven? Bijvoorbeeld: deze leerling lijkt alleen één alinea te lezen, of deze leerling blijft opvallend lang hangen. Dan kan een docent kiezen met wie een gesprek nodig is, zonder alles handmatig te moeten bekijken.
Corina’s leesonderzoek: van meten naar lesprogramma
Corina begon in 2018 aan haar promotieonderzoek, met twee centrale vragen: begrijpen leerlingen verschillende teksttypen (poëzie versus proza) even goed, en ontwikkelen ze zich daarin? En hoe vertalen

vaak verrast:
‘Ik wist niet dat ik zo las’
we wat we weten uit onderzoek naar een effectief leesprogramma voor havo 4 en vwo 4?
In een eerste studie lazen leerlingen uit havo 2 en 4 en vwo 2, 4 en 6 van papier teksten met vragen: vier poëzieteksten en vier prozateksten (twee korte verhalen, twee zakelijke teksten). Dat raakt meteen een brede discussie die al lang speelt: meet je met teksten met vragen tekstbegrip, of trainen leerlingen vooral een ‘foefje’ voor de vraagstelling?
Corina zag een opvallend verschil: proza ging in ontwikkeling vooruit, poëzie bleef achter. Deze uitkomst wordt geplaatst in de onderwijscontext: leerlingen lijken meer vertrouwd met het lezen van prozateksten en het beantwoorden van (begrips) vragen hierbij, dan met het lezen en begrijpen van poëzie. Dat past bij wat in veel lessen Nederlands gebruikelijk is: een sterke focus op zakelijke teksten en toetsgerichte leesactiviteiten, terwijl poëzie in de praktijk vaak overwegend analytisch wordt benaderd.
Daarna volgde een eye-trackingonderzoek met grotendeels dezelfde vier proza- en vier poëzieteksten waarin het leesproces van leerlingen werd onderzocht. Leerlingen lazen deze teksten eerst zonder en daarna met een begripsvraag van een laptopscherm, terwijl hun oogbewegingen werden opgenomen. Die begripsvragen waren geen ‘expertvragen’ zoals bij examens, maar om diep lezen en diep tekstbegrip uit te lokken: zorgvuldig lezen, de hele tekst lezen, teruglezen in de tekst, heen en weer gaan in de tekst, tekst(delen) herlezen. Wat bleek: zonder vraag gingen leerlingen >>



“
Een waardevol boek over het grote belang van mondelinge taalvaardigheden.” Jelle Jolles, emeritus hoogleraar





Prijs € 37,95
Auteurs Miriam Op de Beek en Bob Coenraats
ISBN 9789065083081
Sector po
Sluit aan bij de nieuwe kerndoelen Nederlands voor mondelinge taalvaardigheid.




56 activerende tools om leerlingen te coachen
Bevat 56 handige tools waarmee je het proces van zelfregulerend leren doelgericht kunt activeren, ondersteunen en begeleiden.
Prijs € 39,95
Auteurs Ariena Verbaan en Miriam Op de Beek
ISBN 9789065082640
Sector vo en mbo

voor een eerste keer relatief snel en vooral lineair door de tekst. Ze gaan weinig terug in de tekst. Corina verduidelijkt: “Je ziet hoe leerlingen lezen (waar en hoe lang ze ergens kijken en in welke volgorde) , maar je weet nog niet waarom ze dit doen en wat ze erbij denken. Daarom werden leerlingen ook geïnterviewd met behulp van hun eigen oogbewegingsfilmpjes. Leerlingen reageerden vaak verrast: ‘Ik wist niet dat ik zo las.’ Door het terugkijken konden ze uitleggen waarom ze ergens lang bleven hangen of waarom ze teruggingen naar een eerdere alinea.”
Scannned lezen is niet altijd verkeerd
De gecombineerde bevindingen uit studie 1 (tekstbegripstudie) en 2 (leesprocesstudie met eyetracking technologie) duiden erop dat expliciete aandacht voor diep-leesprocessen in de klas nodig is.
Leren van peers: contrasterende leesprocessen
Die combinatie van beelden en interviewdata leidde tot een lesreeks voor havo 4 en vwo 4, gebaseerd op observerend leren en leren van peers. Leerlingen kijken samen met de docent naar korte filmpjes van twee contrasterende leesprocessen. Eerst bij informatieve teksten, daarna bij korte verhalen, daarna bij poëzie. Bij een kort verhaal zien leerlingen bijvoorbeeld eerst een model dat stukken overslaat en niet terugleest, en daarna een model dat juist zorgvuldig leest en terugkijkt. Belangrijk detail: de filmpjes tonen geen ‘expertlezers’. Het gaat om leren van peers met wie de leerlingen in de klas zich kunnen identificeren. De leerlingen lezen eerst actief zelf de teksten, voordat zij observeren hoe de leerlingmodellen dezelfde tekst lezen. Corina: “De lessen volgen een vierslag: observeren, vergelijken, evalueren van leesprocessen van peers en reflecteren op het eigen leesproces. Zo komt
het onderwijsleergesprek over het lezen en begrijpen van de inhoud van teksten op gang zonder dat het plenair over de leesproblemen van de leerlingen in de klas gaat.”
In een quasi-experimentele opzet (met interventie- en controleklassen) werd ook gemeten met cloze-tests: teksten waarin op strategische plekken woorden ontbreken. Daarmee kom je niet weg met oppervlakkig lezen. Corina concludeert op basis van onder meer voor- en nameting, evaluaties en interviews met leerlingen en docenten dat leerlingen zich bewuster werden van een leesproces, meer inzicht kregen in wat ze doen en hoe het anders kan. Ze zag dat ze op alle teksttypen (zakelijke tekst, kortverhaal en poëzie) vooruitgingen in vergelijking met leerlingen die de reguliere leeslessen volgden.
Wanneer is ‘scannen’ slim, en wanneer niet?
Een nuancepunt: scannend lezen is niet altijd verkeerd. De oogbewegingsfilmpjes uit Corina’s oogbewegingsstudie laten zien dat leerlingen kijken naar wat er ‘ingepompt’ is: vaak scannend en lineair (titel, tussenkopjes) en vanuit de vragen lezend. Ellen vult aan dat die strategie soms passend is, afhankelijk van het leesdoel: “Specifieke informatie zoeken? Dan is een hele tekst (lineair) en gedetailleerd lezen inefficie nt. Maar moet je een tekst samenvatten of in zijn geheel begrijpen, dan werkt scannen niet. Eye-tracking kan helpen om dat verschil zichtbaar te maken: sluit het leesgedrag aan op de taak, of doen leerlingen het verkeerd om?”
Eye-tracking in de klas: nog duur, wel in beweging
Een eye tracker kun je als cameraatje op een laptop plakken, maar de professionele onderzoeks-systemen zijn duur: 20.000 tot 30.000 euro, per camera met software. Daarom wordt gekeken naar wat er mogelijk is met webcams. Nu is dat nog grof (bijvoorbeeld in kwadranten op een scherm), maar Ellen ziet al dat je ermee kunt meten of iemand één alinea leest of de hele tekst. De ambitie is een website waarop docenten een tekst of rekentaak aanbieden en globaal kunnen zien waar leerlingen vastlopen.
De andere kant van die ontwikkeling is minstens zo belangrijk: eerst uitzoeken waar docenten behoefte aan hebben. ‘Ze doen deze taak verkeerd, maar ik weet niet waarom’, is volgens Ellen het type vraag waar eye-tracking (of webcamvarianten) mogelijk iets kan toevoegen, vooral als het visuele de bottleneck is. Eye-tracking belooft dus geen snel trucje. Het is een hulpmiddel dat kan helpen om leerprocessen bespreekbaar te maken en gerichter te handelen. Kansrijk, maar nog zoekend, en vooral: afhankelijk van de vraag die je durft te stellen.

Stel je voor: je staat midden in een wereld vol enorme dinosaurussen, hoge vulkanen, diepe oceanen en dichte jungles. Bij Prehistoric Planet: Dinosaurs - De meeslepende ervaring lijkt het alsof je echt terugreist naar de tijd van de dinosaurussen, zo’n 66 miljoen jaar geleden! Dankzij grote 360°-projecties en speciaal geluid om je heen, word je helemaal meegenomen in dit bijzondere avontuur.
PrimaOnderwijs & Fabrique des Lumières
Tijdens deze ervaring ontdek je hoe dinosaurussen vroeger leefden. Je ziet levensgrote dinosaurussen in hun natuurlijke omgeving, alsof je er zelf tussen staat. Je reist langs verschillende landschappen zoals vulkanen, oceanen, jungles en kraters. Ook leer je hoe deze dieren en andere prehistorische wezens de aarde hebben gevormd. Een extra bijzonder onderdeel zijn de exclusieve scènes uit de bekende Apple TV-serie Prehistoric Planet. Deze beelden zijn speciaal gemaakt voor deze ervaring en zijn nog niet eerder vertoond. De muziek, gecomponeerd door bekende componisten zoals Hans Zimmer, maakt het avontuur nog spannender en indrukwekkender.
Praktische informatie
Locatie: Fabrique des Lumières, gelegen in Westerpark, Amsterdam
Duur: ongeveer 50 minuten
Tijd: elke dag vanaf 11.00 uur
Taal: Engels gesproken, met Nederlandse ondertiteling
Leeftijd: geschikt voor kinderen vanaf 6 jaar
Deze ervaring is niet alleen leuk, maar ook leerzaam. Kinderen leren op een speelse manier over het leven in de prehistorie, verschillende soorten dinosaurussen en hoe de aarde er vroeger uitzag. Door de beelden, het geluid en de grote projecties voelt het alsof je echt in de geschiedenis stapt. Prehistoric Planet: Dinosaurs – De meeslepende ervaring is een avontuurlijke,

leerzame en spannende belevenis die perfect past bij thema’s zoals geschiedenis, natuur en wereldoriëntatie in het onderwijs.
Fabrique des Lumières is een bijzondere plek in Amsterdam waar kunst, techniek en beleving samenkomen. Met grote projecties op muren, vloeren en plafonds word je helemaal ondergedompeld in verhalen en beelden. Het is geen gewoon museum, maar een plek waar je met al je zintuigen kunt leren en ontdekken.
Scan de QR-code voor meer informatie voor het onderwijs.












De Nationale Kinderherdenking lanceert dit jaar een volledig vernieuwd lesprogramma over vrijheid waarin persoonlijke verhalen centraal staan. Leerlingen leren over het leven in oorlog en vrijheid aan de hand van een heldenverhaal uit het verleden én een persoonlijk verhaal van de 12-jarige Nazar die uit Oekraïne is gevlucht. En, dit jaar bevat het lesprogramma een speciaal ontwikkeld lied door Kinderen voor Kinderen in samenwerking met UNICEF.
Vrijheid is niet vanzelfsprekend. Dat zien leerlingen dagelijks in het nieuws. Juist daarom is het belangrijk om in groep 7 en 8 stil te staan bij wat vrijheid betekent. Hoe leer je kinderen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is? Door echte verhalen te delen, verhalen uit het verleden en heden.
Het online lesprogramma bestaat uit een plenaire les voor het digibord, een handleiding voor de leerkracht en diverse werkbladen:
✓ Het programma start met vragen als: wat is vrijheid voor jou? Wanneer sta jij daarbij stil?
✓ Vervolgens delen we een verhaal uit het verleden. De leerlingen maken kennis met het indrukwekkende verhaal van George Maduro uit de Tweede Wereldoorlog.
✓ Via een interactieve film ‘De onmogelijke keuzes van Daan’ ervaren de leerlingen hoe het is om vandaag de dag in oorlog te leven. Leerlingen maken tijdens het kijken keuzes voor Daan; moet hij vluchten of blijven?
✓ Vervolgens kijken leerlingen naar verhalen van kinderen die nu met oorlog te maken hebben. Zoals Nazar van 12 jaar. Hij komt uit Oekraïne en is gevlucht voor de oorlog. In 2022 begon de oorlog in Oekraïne.
✓ De les sluit af met het lied ‘Geen kind alleen’ over vrijheid van Kinderen voor Kinderen. Nu erg toepasselijk gezien de huidige situatie in de wereld.
✓ Ook krijgen de kinderen een online interactief doe-boekje om thuis of in de klas aan de slag te gaan. Het doe-boekje inspireert hen in actie te komen voor onze vrijheid, o.a. met een talentenquiz en ideeën hoe ze dit zelf kunnen gaan aanpakken.
Je kunt dit GRATIS lesprogramma inzetten in aanloop naar 4 mei, maar ook daarna is dit onderwerp relevant. Het lesprogramma is het hele schooljaar beschikbaar. Het enige dat je moet doen is aanmelden via www.onderwijsinformatie.nl/vrijheid of scan de QR-code.

De Nationale Kinderherdenking vindt ieder jaar op 4 mei plaats. Daar is iedereen welkom. Ben je niet in de gelegenheid om te komen, dan kun je via een livestream meekijken. Zie voor meer informatie: www.nationalekinderherdenking.nl



Waarom de Bibliotheek
Op steeds meer basisscholen verschuift leesonderwijs van een apart vak naar een verbindend onderdeel van taal en wereldoriëntatie.
Scholen die meedoen aan de Bibliotheek op school Plus ontdekken hoe ze deze beweging duurzaam maken: zowel evidence-informed als ook met elkaar en met oog voor de dagelijkse praktijk.
Bart Droogers ziet die ontwikkeling van dichtbij. Hij werkt bij Stichting Lezen als specialist van De Bibliotheek op school - primair onderwijs. Zo’n zestig procent van de basisscholen gebruikt inmiddels deze aanpak. Al ruim tien jaar werken bibliotheken en scholen binnen deze aanpak samen aan leesbevordering. Met de Bibliotheek op school Plus is daar een nieuwe dimensie aan toegevoegd. “Bibliotheek op Tekst: Marco van den Berg
school Plus gaat niet om technisch leren lezen, maar om lezen met begrip en verdieping”, verduidelijkt Bart. “We bouwen voort op wat er al is en zetten daarbij bewust in op effectief lees-onderwijs. Dat vraagt om andere keuzes. In de klas, in de school en in samenwerking met de bibliotheek.”
Boeken passend bij thema’s
Leerkrachten lezen elke dag minimaal een half uur voor uit rijke jeugdliteratuur die past bij het thema waaraan ze werken. Ze gebruiken die boeken bewust binnen taal- en wereldoriëntatieonderwijs om woordenschat op te bouwen, kennis te ontwikkelen en taalvaardigheid te vergroten.
“In plaats van losse begrijpend-lezenlessen uit een methode, werken leerkrachten met rijke teksten, stellen ze denkvragen en laten ze kinderen schrijven en spreken over wat ze horen en lezen”, zegt Droogers. Leerkrachten stemmen keuzes met elkaar af, wisselen ervaringen uit en worden ondersteund door een onderwijsadviseur en een leesmediaconsulent van de bibliotheek. De leesmediaconsulent speelt een belangrijke rol. “Die is een paar uur per week in de school aanwezig en helpt onder meer bij het ontwikkelen van een leescultuur, het verrijken van de leesomgeving en het werken met boeken in de klas.”

Duurzaam en evidence-informed
Elke school start met een leesteam waarin schoolleider, coördinatoren en de leesmediaconsulent samenwerken. Zij denken vanaf het begin na over borging. “Ze kijken terug en vooruit. Wat vraagt nog aandacht? Welke afspraken leggen we vast?”
Na elke module volgt dit borgingsgesprek, en aan het eind een slotbijeenkomst gericht op duurzame verandering in de school.
De Bibliotheek op school Plus ontstond vanuit een vraag van het ministerie van OCW, in het kader van het Masterplan Basisvaardigheden: “Wat kunnen we scholen bieden die echt iets extra’s nodig hebben? Wij waren toen al bezig met een pilot waarin we onderzochten wat er gebeurt als scholen binnen de bestaande aanpak de stap maken naar effectief leesonderwijs.” Dat heeft gevolgen voor meer dan alleen het leesonderwijs, ziet Droogers. “Het maakt lezen en voorlezen onderdeel van taal- en wereldoriëntatie, en daarmee verandert ook dat onderwijs.”
Die verandering wordt begeleid door de externe onderwijsadviseur, terwijl de leesmediaconsulent de leerkrachten ondersteunt in de dagelijkse praktijk.
De aanpak is evidence-informed. “We hebben ons sterk gebaseerd op het boek Rijke Taal van Anneke Smits en Erna van Koeven. Dat boek brengt op een toegankelijke manier samen wat we weten uit onderzoek.” Beide auteurs zijn nauw betrokken bij de ontwikkeling van de Bibliotheek op school Plus. Daarnaast zijn onderzoekers van Taallab NL betrokken. Zij volgen scholen in een implementatie- en effectstudie. “Ze kijken tijdens de implementatiestudie bijvoorbeeld heel precies wat er gebeurt. Wat gaat goed, wat is lastig, wat pikken leerkrachten snel op?
Met de uitkomsten kunnen we het evidence-informed werken op andere scholen stimuleren.”
Voorlezen en vrij lezen als kern
Voorlezen is bewust de eerste module in het traject. “Dit is wel echt een andere manier van voorlezen. Niet als tussendoortje, maar als kern van het onder-
Wat is Bibliotheek op school Plus?

wijs. Zorgvuldig gekozen en goede jeugdliteratuur wordt gekoppeld aan denken, schrijven en spreken.” Scholen die deelnemen, lezen dagelijks een half uur voor. “In deze tijd werken leraren dus ook aan taal en kennis.” Na voorlezen is vrije keuze lezen de tweede module. “Dat gaat over leesmotivatie en de rol van de leerkracht daarbij, over tijd inroosteren en over een goede schoolcollectie.” Ook hier speelt actieve verwerking een rol. “Wat doen kinderen met wat ze gelezen hebben? Hoe praten ze erover?”
Positief effect
Het effect is merkbaar bij leerkrachten. “In het onderzoek gebruiken we een titelherkenningslijst. Na een jaar zie je dat leerkrachten veel meer titels herkennen. Ze zijn zelf meer gaan lezen. Niet omdat het moet, maar omdat ze die boeken als leermiddelen nodig hebben voor onderwijs.” Vast onderdeel van het traject is het uitwisselingsgesprek: “Leerkrachten bespreken met elkaar hoe het gaat. Wat werkt, wat niet? Wat gebeurt er bij de leerlingen?” Dat gebeurt zoveel mogelijk binnen bestaande overlegstructuren. “Dan is de kans groter dat je het volhoudt.” Droogers besluit: “Een goed gekozen boek is de basis van je onderwijs. Het ondersteunt het leerproces van de leerlingen én het handelen van de leerkracht. Het vergroot de betrokkenheid in de klas. Dat maakt lezen geen extra taak, maar een vanzelfsprekend onderdeel van het onderwijs.”
De Bibliotheek op school Plus is een aanpak waarbij scholen worden ondersteund bij de implementatie van effectief onderwijs in lees-begrip. Tussen 2024 en 2028 loopt een deels gesubsidieerd project, waarin deze aanpak wordt uitgeprobeerd op 7 scholen, aangescherpt op basis van de ervaringen, en vervolgens geïmplementeerd op 93 scholen. Dankzij flankerend onderzoek kunnen er aan het eind van het project uitspraken worden gedaan over de effectiviteit van de aanpak.
Scan de QR-code voor meer informatie of ga naar https://pro.debibliotheekopschool.nl/dbosplus/faq.html







Moet je AI eigenlijk wel toelaten in het onderwijs? Volgens sceptici worden leerlingen er lui, minder creatief en minder kritisch van. “Dat is vaak angst”, vindt Ingrid Kuiken, docent Nederlands. Toch wijdde zij haar onderzoek aan de vraag hoe je AI effectief kunt inzetten in de klas. Het leverde haar de titel Nationaal Onderwijstalent 2024 op.
Tekst: Klaske Delhij
Waarom koos ze voor dit onderwerp? Ingrid Kuiken: “Voor mijn afstudeeronderzoek van de lerarenopleiding vroeg ik mijn collega’s van de sectie Nederlands: waar hebben jullie behoefte aan? Richtlijnen voor het gebruik van AI in de klas. Het is vrij nieuw. Sommige docenten zijn huiverig, anderen experimenteren, maar twijfelen ook: is dit wel de goede manier?”
Hoe kan AI leerlingen helpen?
Ingrid onderzocht wat er bekend is over AI in het onderwijs en sprak collega’s én leerlingen op het Niftarlake College in Maarssen, de school waar ze werkt. Ze hield groepsgesprekken, interviews en enquêtes. “Leerlingen blijken AI vooral te gebruiken als ze vastlopen of weinig tijd hebben. Ze hebben een druk leven met sport, huiswerk en bijbaantjes. Als je dan om half vijf aan je huiswerk begint en om half zes naar voetbal moet, dan moet het nú gebeuren.” Is de oorzaak dan luiheid, uitstelgedrag of een te krappe planning? “Wat mij opviel was dat veel leerlingen zeiden: ‘Soms loop ik vast bij het maken van mijn huiswerk en helpt AI mij weer op weg.’ Ze snapten de opdracht niet helemaal, hadden moeite om een beginzin te maken of begrepen moeilijke
Leerlingen blijken AI vooral te gebruiken als ze vastlopen of weinig tijd hebben
woorden niet. Leraren of ouders zijn niet altijd beschikbaar voor vragen, maar AI wel.” Dit inzicht deed haar beseffen: AI kan leerlingen over een blokkade heen helpen. “Bijvoorbeeld bij een schrijfopdracht: een leerling kiest een onderwerp, maar niet hoe hij verder moet. Dan kan hij AI vragen: ‘ik wil iets schrijven over uitstervende dieren, geef me drie ideeën’. Hij wordt op weg geholpen, maar moet het verhaal verder zelf schrijven.”
Goede prompts leren schrijven
AI is niet meer weg te denken. Daarom is het belangrijk dat leerlingen leren hoe ze AI kunnen gebruiken én daarbij kritisch blijven nadenken. Hoe pakt ze dit aan? “In de brugklas leg ik uit wat AI is, maar benadruk ook dat elke zoekopdracht veel energie kost. Daarom is
mijn boodschap: gebruik AI niet te pas en te onpas.” Daarna gaat ze met leerlingen in gesprek over de voor- en nadelen van AI.
Twee dingen vindt ze essentieel: bronnen checken en goede prompts schrijven. “Leerlingen moeten checken of de informatie klopt bij een betrouwbare bron, geen Wikipedia.” Bij grammatica vroeg ze leerlingen om tien zinnen aan AI te vragen die ze konden ontleden. “Eén meisje gebruikte de prompt: ‘Schrijf 10 zinnen’. Toen schreef AI: ‘10 zinnen’. Heel grappig, maar óók effectief: zo leer je dat je AI meer context moet geven over wat je precies wilt.”

Ingrid Kuiken
Leerlingen moeten checken of de informatie klopt bij een betrouwbare bron, geen Wikipedia
Signaalwoorden
Ingrid zet AI onder meer in bij leesvaardigheid. Leerlingen laten een tekst genereren waarmee ze oefenen met tekstverbanden, signaalwoorden en woordenschat. “Die onderdelen moeten ze in de prompt verwerken. Zo leren ze nauwkeurig formuleren én werken ze met een onderwerp dat ze zelf kiezen. Dat werkt vaak beter dan één tekst voor iedereen.” Zelf een recensie schrijven
Een ander voorbeeld is het schrijven van recensies in de tweede klas. “Een recensie moet aan bepaalde criteria voldoen. Leerlingen schreven eerst hun eigen recensie en vroegen AI om feedback. Daarna moesten ze voorbeelden van sterke en zwakke recensies opvragen en zelf benoemen waarom iets goed of slecht was. Zo blijven ze zelf nadenken en krijgen goede voorbeelden.”
Rol van de docent
De AI tools die ze Ingrid vooral gebruikt zijn ChatGPT, Copilot en Gemini. “Daar ben ik het meest mee bekend.” Op het Niftarlake College delen collega’s regelmatig tips voor creatieve werkvormen, lesideeën of toetsvoorbereiding. Ingrid gaf er een workshop aan collega docenten. Volgens haar verandert de rol van de docent niet wezenlijk door de komst van AI. “We helpen leerlingen nog steeds bij hun ontwikkeling: lezen, schrijven, communiceren. AI is gewoon een extra middel, net zoals er vroeger video bij kwam.”
Wel of niet straffen?
Is de vrees van veel docenten terecht dat leerlingen hun huiswerk gaan uitbesteden aan ChatGPT?
“Dat heb ik een paar keer gehad”, vertelt Ingrid. “Ik herken het aan taalgebruik en moeilijke woorden die niet passen bij de leerling. Dan vraag ik: Ik denk dat je AI hebt gebruikt, waarom?” Als de leerling ontkent, vraagt ze gericht door: leg eens uit waarom je deze tekst of dit woord hebt gebruikt. “Soms blufte ik ook, als ik twijfelde”, lacht ze, “dan zei ik: ‘Ik heb hier onderzoek naar gedaan, ik zie dat het AI is’.”
Leerlingen die AI zonder toestemming gebruiken, krijgen van haar geen onvoldoende. “Ik geloof niet in straffen op die manier. Na schooltijd laat ik ze terugkomen om de opdracht ter plekke te maken.”
Zo kun je beginnen met AI:
> Zet weerstand om in nieuwsgierigheid
Probeer AI eerst privé uit. Laat ChatGPT meedenken over nieuwe recepten of een gezinsuitje.
> Brainstormen over lesontwerp
Vraag ChatGPT suggesties voor werkvormen, differentiatie of promptvoorbeelden voor leerlingen.
> Toetsen maken
AI kan je helpen met toetsen ontwikkelen. Check wel altijd of de toets aansluit bij je lesdoelen en thema’s, én de bronnen.

De implementatie van de nieuwe kerndoelen komt dichterbij. In teamkamers, tijdens studiedagen en in overlegmomenten duiken de kerndoelen steeds vaker op. Niet zozeer als probleem, maar wel als vraag. Wat betekenen deze doelen straks voor mijn lessen? Wat vraagt dit van mij als leerkracht? En hoe voorkom je dat je later alsnog moet bijsturen?
Die vragen zijn herkenbaar voor veel leerkrachten, intern begeleiders en schoolleiders. Wie werkt met methodes die samenhang en opbouw al meenemen, zit nu al in de richting van de nieuwe kerndoelen. Dat geeft rust en overzicht, juist omdat de ruimte in de dagelijkse praktijk beperkt is.
Van beleidsverhaal naar dagelijkse les Wie de nieuwe kerndoelen leest, ziet een duidelijke verschuiving. Ze beschrijven niet langer losse vaardigheden, maar richten zich op kennis, basisvaardigheden en samenhang binnen en tussen vakken. Leerlingen leren niet alleen wat iets is, maar ook hoe en waarom ze die kennis gebruiken. Dat vraagt om onderwijs waarin vaardigheden niet geïsoleerd worden aangeleerd, maar steeds terugkomen in betekenisvolle contexten.
“De nieuwe kerndoelen vragen niet om losse aanpassingen, maar om meer houvast en grotere samenhang tussen én binnen vakken.”
In de klas krijgt die ontwikkeling vorm in herkenbare situaties. Leerlingen leren niet alleen om te oefenen, maar om iets te begrijpen. Ze praten met elkaar over wat ze lezen, schrijven om hun gedachten te ordenen en passen wat ze leren toe in nieuwe situaties. Taal, lezen, rekenen en wereldoriëntatie versterken elkaar wanneer ze verbonden zijn aan een inhoudelijk thema of een gezamenlijke vraag. Voor de leerkracht betekent deze ontwikkeling vooral dat samenhang niet iets extra’s is. Je hoeft geen verbindingen te zoeken of lessen aan elkaar te knopen. Als het lesmateriaal is opgebouwd in doorlopende leerlijnen en vaste routines, zit die samenhang al in de les. Binnen een leerjaar en over meerdere jaren wordt zichtbaar hoe kennis en vaardigheden zich verder ontwikkelen. Zo wor-
den de kerndoelen geen abstract document, maar een herkenbare leidraad voor het dagelijks werk in de klas.
Praktijkvoorbeeld: aanvankelijk lezen als fundament
In Veilig leren lezen Zoem voor groep 3 is samenhang het uitgangspunt voor alle materialen. Een kennisrijk thema staat centraal in het leesonderwijs. De leerlingen lezen een korte tekst die past bij wat er op dat moment in de klas speelt, bijvoorbeeld over eten en gezondheid. Na het lezen gaan de boeken niet meteen dicht. Er volgt een gesprek. Wat herken je? Waarom denk je dat dit zo is? Wat zou jij doen? Binnen vaste lees- en taalroutines luisteren leerlingen naar elkaar en reageren op elkaars ideeën. In interactie met elkaar én de leerkracht schrijven ze korte teksten. Zo komen lezen, spreken, luisteren en schrijven vanzelf samen. Taal wordt gebruikt om te begrijpen en betekenis te geven. Voor veel leerkrachten is dit een herkenbare manier van werken. Leerlingen leren lezen binnen betekenisvolle contexten, met ruimte voor gesprek en reflectie. Zo ontstaat vanaf het begin een stevige basis voor taalontwikkeling, die richting geeft aan het verdere leren.
“Wie vanaf het begin investeert in een gedegen fundament, hoeft later niet te repareren.”
Taal als onderdeel van het grotere geheel
In de hogere jaargroepen wordt taal steeds meer een essentieel
middel om kennis van andere leergebieden te verwerven. In de nieuwe kerndoelen ligt daarom een duidelijk accent op samenhang: taalvaardigheden worden niet los van elkaar ontwikkeld, maar grijpen in elkaar tijdens betekenisvolle taken. Lezen, schrijven, spreken en luisteren versterken elkaar wanneer leerlingen taal gebruiken om te denken, te leren en kennis op te bouwen.
In de lespraktijk zie je die samenhang bijvoorbeeld terug bij schrijfopdrachten waarin leerlingen zich eerst inlezen, met elkaar overleggen, gericht onderzoek doen en vervolgens werken aan een tekst die ze stap voor stap verbeteren. De aandacht ligt daarbij niet alleen op het eindproduct, maar juist op het proces. Door tussentijds te reflecteren en feedback te gebruiken, groeit het inzicht van leerlingen in zowel inhoud als taalgebruik. Dat procesgerichte werken sluit aan bij wat de nieuwe kerndoelen vragen.
In Taaljacht vormt deze samenhang het uitgangspunt van het taalonderwijs. Leerlingen werken binnen taalgerichte thema’s waarin lezen, schrijven, spreken en luisteren voortdurend met elkaar verbonden zijn. Context en interactie ondersteunen zo de ontwikkeling van taalvaardigheden, terwijl leerlingen tegelijkertijd leren nadenken over hoe taal werkt.
Ook in PIT staat die samenhang centraal, maar met een ander accent. Daar wordt taal ingezet binnen bredere inhoudelijke projecten, waarin leerlingen taal gebruiken om informatie te verwerken, standpunten te
verwoorden en met elkaar in gesprek te gaan over thema’s uit de wereld om hen heen, zoals burgerschap. Zo laat PIT zien hoe taalvaardigheden direct toepasbaar zijn in andere leergebieden.
Rekenen: leren denken met getallen
Ook bij rekenen merken leerkrachten dat de focus verschuift. Het gaat niet alleen om het maken van sommen, maar om begrijpen wat je doet, waarom je een bepaalde aanpak kiest en hoe je kunt nagaan of een antwoord klopt.
In de klas zie je dat terug wanneer leerlingen hun denkstappen verwoorden, strategieën met elkaar vergelijken of samen een contextopgave bespreken. In Semsom voor groep 1 tot en met 4 zijn dit soort momenten ingebed in dagelijkse routines en weekdoelen. Automatiseren en memoriseren krijgen daar een duidelijke plek, altijd in samenhang met begrip en toepassing.
In de bovenbouw wordt deze lijn voortgezet met Nano. Leerlingen leren rekenproblemen stap voor stap aanpakken en verbinden rekenen aan situaties uit de wereld om hen heen. De methode is ontwikkeld met de nieuwe kerndoelen als uitgangspunt, wat zichtbaar wordt in de aandacht voor wiskundige denk- en werkwijzen. Samen vormen Semsom en Nano een doorlopende rekenleerlijn van groep 1 tot en met 8.
“Rekenen is meer dan uitrekenen: het gaat om begrijpen, redeneren en toepassen.”
Praktijkvoorbeeld: burgerschap als onderdeel van de les
In een les wereldoriëntatie bespreken leerlingen een vraagstuk

dat hun leefwereld raakt. Waarom maken mensen verschillende keuzes? Wat betekent dat voor anderen? Leerlingen wisselen ideeën uit, luisteren naar elkaars standpunten en leren hun mening onderbouwen. Dit soort gesprekken ontstaat niet los van de les, maar is onderdeel van het leerproces.
“Burgerschap krijgt vorm in het dagelijks handelen in de klas.”
In Code D wordt burgerschap geïntegreerd binnen wereldoriëntatie. Leerlingen onderzoeken maatschappelijke thema’s, leren verschillende perspectieven herkennen en oefenen met vaardigheden als samenwerken, argumenteren en samen besluiten nemen. Zo wordt burgerschap geen apart vak, maar een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leren.
Eén samenhangend geheel
Wat deze voorbeelden laten zien, is dat samenhang in het onderwijs niet vanzelf ontstaat. Voor leerkrachten en schoolteams vraagt dat om lesmateriaal dat logisch is opgebouwd en waarin leergebieden elkaar versterken. Wanneer leerlingen herkennen hoe taal, rekenen en wereldoriëntatie met elkaar samenhangen, verdiept dat hun manier van leren.
Binnen het curriculum van Zwijsen sluiten de verschillende vakgebieden op elkaar aan. Rekenen met Semsom en Nano, lezen met Veilig leren lezen Zoem en Estafette, taal met Taaljacht en PIT, wereldoriëntatie, burgerschap en tekstbegrip met Code D en Engels met Open Up. Samen met Stapel op vormen zij een doorlopende leerlijn van groep
Klaar voor de nieuwe kerndoelen? Met Zwijsen zit je nú al goed.
1 tot en met 8, waarin leerlingen stap voor stap kennis en vaardigheden opbouwen.
Voor de leerkracht betekent dit overzicht. Geen losse onderdelen die met elkaar verbonden moeten worden, maar een samenhangend geheel dat richting geeft aan het dagelijks handelen in de klas.
Vertrouwen om vooruit te kijken
Is jouw school al klaar voor de nieuwe kerndoelen? Met het curriculum van Zwijsen is die samenhang geen toekomstbeeld, maar dagelijkse praktijk: doorlopende leerlijnen, vaste didactische routines en een opbouw van groep 1 tot en met 8. Zo voorkom je dat je later moet bijsturen of alsnog verbindingen moet “aanleggen” tussen vakken.
Wie wil zien hoe de nieuwe kerndoelen per vak en per methode nu al zijn uitgewerkt, vindt dat op de kerndoelenpagina van Zwijsen.

zwijsen.nl/kerndoelen










Kinderen bewegen steeds minder. Dat merken we niet alleen thuis, maar ook op school en op de BSO. Tegelijkertijd weten we hoe belangrijk beweging is voor concentratie, samenwerking en welzijn. De uitdaging? Beweging integreren in een volle (school)dag, zonder extra druk op leerkrachten of begeleiders.
PrimaOnderwijs & Picoo
Picoo is ontwikkeld om precies daar een oplossing voor te bieden. Het is een schermloze spelcomputer die kinderen samen laat bewegen, leren en spelen. Buiten, actief en met minimale begeleiding.
Picoo in het primair onderwijs (po)
In het primair onderwijs is bewegend leren bewezen effectief, maar in de praktijk lastig toe te passen. Met Picoo wordt lesstof letterlijk in beweging gebracht. Spellen kunnen worden ingezet tijdens bijvoorbeeld taal-, reken- of wereldoriëntatielessen, maar ook in de pauze of tijdens de gymles. Leerlingen spelen zelfstandig in kleine groepen, terwijl de leerkracht overzicht houdt. Zo ontstaat ruimte voor actieve verwerking, zonder dat dit extra lestijd kost.
Picoo in het voortgezet onderwijs (vo)
Ook in het voortgezet onderwijs neemt stilzitten een groot deel van de dag in. Picoo biedt hier een laagdrempelige manier om leerlingen in beweging te brengen. Tijdens pauzes, LO-lessen of tussenuren zorgen de spellen voor actie, samenwerking en afwisseling. Met behulp van de Smartsleeves kunnen scholen daarnaast eigen quizzen maken op basis van de lesstof van specifieke vakken, zoals aardrijkskunde, geschiedenis of talen.
Ervaring uit de praktijk
Scholen die met Picoo werken zijn vooral positief over de duidelijkheid en zelfstandigheid van het systeem. Teams worden automatisch gevormd, waardoor discussies over wie met wie speelt verdwijnen.
Ook kinderen die normaal minder snel aansluiten bij groepsspellen doen makkelijker mee. Daarnaast wordt de ondersteuning van de les vaak genoemd als meerwaarde. De combinatie van visuele, auditieve en tactiele prikkels zorgt ervoor dat uitleg beter landt en lessen soepeler verlopen. Niet alleen leuk, maar functioneel inzetbaar binnen het onderwijs.
Eerst ervaren, dan beslissen
Picoo kan eerst worden uitgeprobeerd via een proefperiode. Zo ervaar je zelf hoe Picoo past binnen je organisatie.
Benieuwd wat Picoo kan betekenen voor jouw organisatie?
Scan de QR-code hiernaast en duik in de wereld van Picoo.








In klas MBA van De Bloeiwijzer in Amstelveen hangt deze ochtend een andere sfeer dan gebruikelijk. De leerlingen zitten alert op hun stoel. Handen gaan omhoog, soms sneller dan de afspraak van een ‘stille vinger’ toelaat. Het enthousiasme verraadt dat dit geen doorsnee les is. Vandaag draait het om geld.
PrimaOnderwijs & Eurowijs
Voor de klas staat Hilde Krens van Stichting Eurowijs. Zij legt leerlingen vragen voor die dichtbij hun dagelijkse leven liggen. Hoe betaal je in een winkel? Wat is het verschil tussen contant geld en pinnen? En hoe zie je of een briefje echt is? Het zijn vragen die uitnodigen tot meedenken en onderzoeken.
Kijken, vergelijken en ontdekken
Op tafel liggen placemats met euromunten uit verschillende landen. De kinderen speuren naar dieren en symbolen en vergelijken hun vondsten met elkaar. Terwijl ze zoeken en aanwijzen, oefenen ze met tellen en benoemen. Het gesprek ontstaat vanzelf en beweegt mee met wat de kinderen ontdekken.
De les wisselt het kijken en doen af. Korte filmpjes over betalen en verdienen worden gevolgd door opdrachten op het bord. Kinderen tellen munten bij elkaar op, schrijven prijskaartjes en controleren hun uitkomsten. Die aanpak past goed bij deze klas. De Bloeiwijzer is een school voor speciaal basisonderwijs, waar leerlingen vaak meer tijd en structuur nodig hebben om nieuwe begrippen eigen te maken.
Kinderen blijven betrokken.
Ze begrijpen waarom ze dit doen en praten er later over door
Aansluiten bij wat kinderen nodig hebben
Leerkracht Bianca Kaneman werkt al jaren met het gratis lesmateriaal van Eurowijs. Zij ziet wat het losmaakt in de groep. “Ze leren hier rekenen met geld, dat hoort bij het onderwijs”, vertelt ze. “Wat deze lessen toevoegen, is dat kinderen leren nadenken over keuzes. Over wat iets kost en wat dat betekent voor wat je kunt doen.”
Financiële educatie heeft geen vaste plek in het curriculum. Rekenen met euro’s komt aan bod, maar gesprekken over budgetteren of omgaan met geld in het dagelijks leven krijgen minder aandacht. Terwijl kinderen daar steeds vaker mee te maken krijgen, online en in hun directe omgeving. Volgens Hilde
Krens vraagt dat om ruimte in de klas. “Betalen gaat vaak zonder dat je geld ziet. Dan helpt het als kinderen begrijpen wat daarachter zit.”
Eenvoudig in te zetten
Vanuit die gedachte ontstond in 2013 Eurowijs. Het lesmateriaal is ontwikkeld om aan te sluiten bij de praktijk van scholen. Leerkrachten hoeven geen aparte methode te volgen of extra lestijd vrij te maken. De lessen kunnen los worden ingezet of als reeks, bijvoorbeeld als alternatief voor een rekenles of een les burgerschap.


Op het digibord is een kluis met geld te zien. De opdracht is eenvoudig: tel hoeveel euro erin zit. Al snel blijkt dat niet alle biljetten echt zijn. Even ontstaat verwarring, waarna de leerlingen opnieuw kijken en tellen. Samen komen ze tot het juiste bedrag. Het is een klein moment, maar het laat zien waar deze lessen om draaien: aandachtig kijken en opnieuw beginnen wanneer dat nodig is.
Van grote betekenis voor later
Voor Kaneman zit daar de kracht. “Kinderen blijven betrokken. Ze begrijpen waarom ze dit doen en praten
Wat deze lessen toevoegen, is dat kinderen leren nadenken over keuzes
er later over door.” Ook voor leerkrachten biedt financiële educatie een extra invalshoek. Het raakt aan burgerschap en zelfstandigheid. Door er aandacht aan te besteden, krijgen leerlingen meer grip op situaties die ze nu of later tegenkomen.
Eurowijs bereikt inmiddels jaarlijks meer dan 500.000 kinderen, van groep 1 tot en met de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ongeveer tien procent daarvan volgt speciaal onderwijs. Scholen kunnen het materiaal kosteloos aanvragen en zelfstandig gebruiken. Soms verzorgt Eurowijs of een partner een gastles, bijvoorbeeld rond een themaperiode.
In een tijd waarin scholen veel keuzes moeten maken, biedt financiële educatie een herkenbare ingang. Soms begint dat met een eenvoudige vraag in de klas: wat zou jij doen met vijftig euro?

Eurowijs ontwikkelt kosteloos lesmateriaal voor het primair onderwijs, speciaal onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Scholen kunnen gebruikmaken van digitaal en/of fysiek lesmateriaal dat onder meer bestaat uit placemats met euromunten, geldrekenbladen, werkboekjes over betalen en sparen en korte filmpjes over geld en financiële keuzes. Het materiaal is flexibel inzetbaar en sluit onder andere aan bij rekenen en burgerschap.
Veel scholen werken met Eurowijs tijdens de Week van het geld in maart, een landelijke themaweek waarin financiële educatie centraal staat. Ook buiten deze week kan het materiaal het hele jaar door worden ingezet in de klas.
Scan de QR-code om het lesmateriaal gratis te bestellen of ga naar: www.eurowijs.nl/bestellen









Initiatief van HP, AMD en de Europese Unie















Om de digitale strategie te versterken en leerlingen beter voor te bereiden op de samenleving van morgen heeft HP samen met AMD en de Europese Unie het programma Digital Schools Awards ontwikkeld. Op die manier worden digitale vaardigheden in het onderwijs bevorderd. De aanmeldingsprocedure voor scholen in België en Nederland is inmiddels geopend.
PrimaOnderwijs & HP
De wereld verandert razendsnel door digitalisering. Dat vraagt om nieuwe kennis en vaardigheden, niet alleen van leerlingen maar ook van docenten en scholen. Veel scholen willen hun digitale transformatie versnellen, maar weten niet altijd waar te beginnen. Digital Schools Awards biedt scholen een concreet en inspirerend kader om technologie effectief in te zetten in het klaslokaal. Met de zelfevaluatie door middel van de SELFIE tool krijgen scholen zicht in hun ontwikkeling op het gebied van hun visie, digitale infrastructuur, didactiek en professionele ontwikkeling. Voor elk gebied kan de school een badge behalen. Deelnemende scholen krijgen niet alleen structureel inzicht in hun ontwikkeling maar ook concrete ondersteuning door hulpmiddelen, advies en best practices vanuit andere scholen in Europa. De school behaalt uiteindelijk een officiële Europese erkenning (‘Digital Schools Award’).
Samenwerking met scholen in Nederland en België Digital Schools Awards maakt deel uit van een Europees netwerk. Sinds de lancering hebben meer-
Wij geloven we dat technologie kansen creëert voor iedereen
dere scholen in de Benelux zich aangesloten. Zij werken aan het opzetten van een leercommunity binnen hun eigen school waarin thema’s zoals digitale inclusie, online veiligheid, duurzame ICT-oplossingen en het ontwikkelen van toekomstgerichte leermethoden aan bod komen.
Tastbare resultaten realiseren Deelnemende scholen starten met een zelfevaluatie. Hieruit komt naar voren op welke gebieden het goed gaat en waar aandacht aan moet worden besteed. Binnen het programma ontvangen scholen voor elk deelgebied een badge wanneer zij aan de kwaliteitscriteria voldoen. De deelgebieden zijn: Leiderschap en visie, Infrastructuur en materialen, Professionele

ontwikkeling, Leren en lesgeven, Digitale competentie van leerlingen. Deze badges zijn drie jaar geldig. Scholen die uitzonderlijk goed presteren kunnen daarnaast worden geselecteerd als mentorschool. Zo worden scholen gestimuleerd om continu te verbeteren en ervaringen te delen met collega’s in binnen- en buitenland.
Koen van Beneden van HP: “Wij geloven dat technologie kansen creëert voor iedereen. Digital Schools Awards biedt scholen praktische handvatten om digitaal vaardiger te worden én die kennis door te geven aan hun leerlingen. Ons doel is om docenten en scholieren te helpen technologie met vertrouwen en creativiteit te gebruiken om zo de volgende generatie voldoende voor te bereiden op de digitale toekomst.”
Anna Doody, programmadirecteur, Digital Schools Awards Europe: “Bij Digital Schools Awards is het onze missie om elke jongere te helpen uit te groeien tot een zelfverzekerde en verantwoordelijke digitale burger. Door scholen te ondersteunen bij het vanaf jonge leeftijd integreren van digitale vaardigheden en waarden, helpen we ervoor te zorgen dat leerlingen niet alleen leren om technologie te gebruiken, maar dit ook op een veilige, creatieve en ethische manier doen.
het is onze missie om elke jongere te helpen uit te groeien tot een zelfverzekerde en verantwoordelijke digitale burger
Via het Digital Schools Awards-programma en onze samenwerkingen met onderwijsprofessionals, beleidsmakers en het bedrijfsleven bouwen we aan een cultuur waarin alle leerlingen en leraren kunnen gedijen in een steeds digitalere wereld.”
De eerste Digital Schools Awards voor de Benelux worden in het voorjaar van 2026 uitgereikt.
Scholen die het certificaat behalen, ontvangen officiële erkenning op Europees niveau. Daarnaast ontvangen zij een prijs ter waarde van 500 euro die naar eigen inzicht te besteden is voor bijvoorbeeld lesondersteuning of als bijdrage voor activiteiten binnen de school.
Aanmelden kan direct en deelname is kosteloos. www.digitalschoolsawards.eu

Als ambitieuze kunstenaar ervaarde Van Gogh vast en zeker prestatiedruk. Maar hij liet net zo goed veerkracht en doorzettingsvermogen zien. Ontdek hoe je met jouw leerlingen het gesprek start over mentaal welzijn, via de kunst en het leven van Vincent van Gogh. Zo leren ze niet alleen Vincent kennen, maar ook zichzelf en elkaar.

OP SCHOOL & IN HET MUSEUM
Ontdek ons onderwijsprogramma

Mentaal welzijn en burgerschap. vangoghmuseum.nl/onderwijs

























‘We hebben niet elke dag tijd voor gesprekken’
“’Six, seven’, juf, je zei het! Je bent ineens nog hipper!” Dat laatste wordt vooral genoemd vanwege mijn juist niet al te hip zijn en tóch proberen dat soms wel te zijn. Om een beetje te kunnen meepraten zullen we maar zeggen. Het woord ‘hip’ gebruiken ze zelf doorgaans nooit, maar ik gooi het nog wel eens in de groep. Ik schaar het dan maar onder woordenschatuitbreiding.
Niet hip staat natuurlijk los van (eigen) ontwikkeling, nieuwe dingen uitproberen, kennismaken met nieuwe tools en dan uiteindelijk bekijken of de nieuw verworven (ook een leuk woord ) kennis en kunde kunnen meewerken aan het leren, de doelstellingen die we onze leerlingen voorleggen.

Zo blijkt het goed te werken om kinderen in dat laatste te laten meedenken. Wat wil je leren? Wat beheers je? Wanneer voelt je taak als werkverschaffing en wat kunnen we als oplossing bieden? Wie gaat je af en toe aanmoedigen? Allemaal vragen die tijdens een kindgesprek kunnen passeren. Noem het innovatie in didactiek, gericht op actieve deelname en differentiatie, maar mijn advies is: zie vooral het kind. Waar het ene kind met gemak antwoorden op leervragen kan geven, vindt de ander het moeilijk om iets te bedenken, laat staan de zaken onder woorden te brengen. Of het nu (meteen) lukt of niet: belangrijk is dat het leren van de leerling serieus genomen wordt. Door de leerkracht, maar juist ook de leerling zelf door eigen doelen te stellen, te vertellen wat je denkt nodig te hebben, et cetera.
Toch kan wat op papier staat en in een gesprek besproken wordt zomaar een andere

wending krijgen. De realiteit is grillig; als leerling ineens les krijgen via een scherm, een paar dagen vrij zijn door sneeuwval, een medeleerling die je een vervelende pauze bezorgt en zo zijn er wel meer zaken die de aandacht vragen van een leerling. Hoe heerlijk is het dan wanneer de leerkracht op dat moment weer de leiding pakt en aangeeft wat er geleerd gaat worden.
Flexibel meebewegen en in contact blijven, individueel en tijdens groepsmomenten. Het eerlijke verhaal is dat we niet elke dag tijd hebben voor gesprekken met onze schatten die we voor onze neus hebben. Een dagelijks kort groepsmoment plannen voor evaluatie en vooruitkijken wil dan wel eens uitkomst bieden. Werkvorm inzetten om iedereen betrokken te houden is een must, want er zijn altijd leerlingen die al bijna de deur uit willen lopen.
En dan wil het ineens gebeuren dat je aan het eind van de dag ineens lichtelijk in paniek roept dat er nog maar 6,7 minuten zijn om na te praten. En nadat iedereen weer bekomen is en de juf blij is dat ze nog een beetje meedoet gaat de bel. ‘Doen we morgen weer juf, zo’n evaluatie!’

@_jufb_







De Anne Frank Krant 2026 staat in het teken van familie. Met verhalen over Anne én Margot Frank ontdekken leerlingen hoe oorlog gezinnen raakt. Het lesmateriaal biedt handvatten om met leerlingen in gesprek te gaan over vrijheid, uitsluiting en saamhorigheid.
Hoe blijf je als gezin samen wanneer je vrijheid onder druk staat en alles om je heen in elkaar stort? En wat betekent familie wanneer je je leven niet meer in vrijheid kunt leiden? Deze vragen vormen de rode draad in de Anne Frank Krant 2026, het jaarlijkse lespakket van de Anne Frank Stichting, bedoeld voor de groepen 7 en 8.
De krant, die vanaf half maart wordt geleverd, bestaat uit zestien pagina’s vol met verhalen, historische beelden en opdrachten die uitnodigen tot reflectie. Leerlingen ontdekken hoe de Tweede Wereldoorlog het leven van families volledig ontwrichtte en hoe persoonlijke verhalen helpen om moeilijke geschiedenis tastbaar te maken.
Margot in het licht
Margot, die in 2026 honderd jaar zou zijn geworden, is vaak overschaduwd door haar jongere zus Anne. Margot krijgt in deze editie een prominente plaats. Met het thema familie komen ook uitsluiting, vooroordelen, diversiteit en vrijheid aan bod. Gezinnen in oorlogstijd moesten namelijk keuzes maken die hun dagelijks leven ingrijpend veranderden. De leerlingen leren hoe verschillende groepen, zoals de Roma en Sinti, te maken kregen met discriminatie en vervolging, en hoe ook binnen een gezin niet iedereen dezelfde kansen kreeg.

De krant legt op die manier verbindingen tussen toen en nu. Wat betekent het als iemand anders wordt behandeld dan jij? Hoe voelt het als een deel van je familie niet veilig is? Door zulke vragen te koppelen aan concrete verhalen, krijgen abstracte begrippen als vrijheid, gelijkwaardigheid en saamhorigheid een directe betekenis.
Extra: De klas van Anne – Ontdek de verhalen Naast de krant bevat het pakket ook dit jaar een bijzondere Extra: De klas van Anne – Ontdek de verhalen. In groepjes verdiepen leerlingen zich in de klasgenoten van Anne Frank op het Joods Lyceum. Ze onderzoeken één levensverhaal en maken op basis van foto’s, documenten en teksten een eigen tentoonstellingsposter.
Een hulpmiddel voor burgerschap
Het materiaal sluit aan bij de kerndoelen voor Geschiedenis, Oriëntatie op Jezelf en de Wereld en Nederlands (OJW 36, 37, 38 en NL 3, 6, 7, 8).
Meer dan de helft van de basisscholen gebruikt jaarlijks de Anne Frank Krant. Gemeenten kunnen scholen daarbij ondersteunen, bijvoorbeeld via subsidie of gezamenlijke bestellijsten.
Meer informatie, bestellen en vragen: www.annefrankkrant.nl | krant@annefrank.nl



















































































Star t het jaar veilig, respectvol en positief. Ga met je klas aan de slag met de kanten-klare BurgerschapLeerlijn, gevuld met concrete lessen voor een samenhangend burgerschapsonder wijs; passend bij jullie school!
tar en positief. G de -klare ncrete rgerschapsonder jullie chool!

























de Bu g l en?


irect c naar e urgerschapLij i n en de lessen?












c n de -code!














