Skip to main content

Burgerschap op school Magazine 2026

Page 1


Magazine voor basis-, gespecialiseerd en voortgezet onderwijs

Schoolvoorbeeld Van lijvig beleidsplan naar praktisch handvat Onderzoek

‘Biologie biedt een perfecte ingang voor kritisch denken’ Interview

‘Geef leerlingen een stem’

Colofon

Expertisepunt Burgerschap is een samenwerking tussen Stichting School & Veiligheid, de MBO Raad, SLO en ProDemoshuis voor democratie en rechtsstaat.

Uitgave

Expertisepunt Burgerschap

Website www.expertisepuntburgerschap.nl

E-mail

info@expertisepuntburgerschap.nl

Redactie

Wiesette Haverkamp - EDG Media

Vormgeving

Martin Hollander - EDG Media

Huisstijl

Monique Maasse - MOOZ grafisch ontwerp

© 2026

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, overgenomen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. De uitgever is niet aansprakelijk voor enig handelen op grond van de in dit blad gegeven adviezen of gedane mededelinge n.

Expertisepunt Burgerschap

Voorwoord

“Je bent nooit klaar”, “Geef leerlingen een stem”, “Doe het niet alleen” en “Denk niet te moeilijk”. Vier citaten uit dit magazine die goed weergeven hoe scholen aan hun burgerschapsonderwijs werken. Ik had nog meer citaten in dit voorwoord kunnen opnemen, maar dan hoef jij dit blad niet meer te lezen. Daarom hierbij de vrijblijvende opdracht om zelf vier andere citaten uit dit magazine te halen die passen bij jouw visie op burgerschap.

Hoewel we vaak praten over verschillende visies op burgerschap, haal ik uit dit magazine vooral veel overeenstemming. De geïnterviewde leraren, burgerschapscoördinatoren, schoolleiders en andere experts benadrukken dat het gaat om kennis én ervaren, om curriculum én schoolcultuur, en om leren binnen én buiten de school. Het monitoren van de ontwikkeling van leerlingen wordt belangrijk gevonden, maar niet door middel van afvinklijstjes. Het draagvlak binnen de school - in samenspraak met ouders, leerlingen en medewerkerswordt veelvuldig genoemd en op verschillende manieren concreet vormgegeven.

De stem van leerlingen, actuele maatschappelijke en politieke vraagstukken, en de samenwerking met organisaties buiten school maken dat je nooit klaar bent met burgerschapsonderwijs. Maar voordat de moed je nu in de schoenen zakt, wil ik je wijzen op de twee laatste citaten: “Doe het niet alleen” en “Denk niet te moeilijk”. In dit magazine lees je onder meer hoe andere scholen het (niet alleen) doen en hoe ze (niet te moeilijk) denken. Ik wens je veel leesplezier en inspiratie voor het vormgeven van je eigen burgerschapsonderwijs.

4 6 8 10 13 14 16 18 20 22 25 26 28 30 33 36 38

Micha de Winter over leraren als pedagogische gidsen

Van lijvig beleidsplan naar praktisch handvat

Burgerschap: kans om onderwijs te vernieuwen

Burgerschap zichtbaar maken en monitoren

Bewegen als oefenplaats voor burgerschap

‘Biologie biedt een perfecte ingang voor kritisch denken’

Diversiteit: verschillend en welkom!

‘Zet burgerschapsonderwijs in om gelijke kansen te bevorderen’

Infographic: huidige verplichtingen en komende veranderingen

Burgerschap in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs

Muziek en drama als oefenplaats voor burgerschap

Mensenrechten als basis voor een rechtvaardige samenleving

Structuur en houvast met opbrengstgericht werken

Hoe Ontwikkelkracht het onderwijs vernieuwt

‘Weet wie je leerlingen zijn’

‘Geef leerlingen een stem’

Kleuters en burgerschap:‘Start bij hun leefwereld’

Foto: Erwin Winkelman Fotografi e

Leraren als pedagogische gidsen binnen het democratisch opvoeden

Wil je van je leerlingen brave burgers maken die binnen de lijntjes kleuren en zich naar de regels voegen? Dan past de visie van pedagoog en emeritus hoogleraar Micha de Winter niet bij je. Hij wil leerlingen die leren nadenken, vragen stellen en soms ook tegenspreken. Want, zegt hij: “In een democratie hebben we mensen nodig die verantwoordelijkheid dragen, interesse hebben in anderen en zelf een stem hebben.”

De Winter ziet burgerschap als iets dat je oefent. “We leven in een cultuur waarin het individu bovenaan de hiërarchie staat. We denken soms dat het altijd zo is geweest, maar dat is niet waar. Natuurlijk is het belangrijk dat kinderen zichzelf ontplooien en ontdekken wie ze zijn. Maar dat is maar één kant van de medaille. De andere kant is dat samenleven alleen werkt als je ook denkt aan belangen en behoeften van anderen. Als iedereen alleen zijn eigen belang volgt, krijg je een samenleving vol tegenstellingen, waarin mensen steeds moeilijker met elkaar kunnen samenleven.”

Volgens De Winter kan een democratie alleen bestaan bij de gratie van mensen die verantwoordelijkheid voelen voor hun omgeving. Dat leer je niet door te gehoorzamen aan regels, maar door ruimte te krijgen om verantwoordelijkheid te dragen. “Als je alleen commandeert of regels opstelt, doe

Kinderen mogen ervaren dat hun handelen ertoe doet. Dat begint klein in de klas.

Tekst Wiesette Haverkamp
Foto
Kees Rutten
Micha de Winter

je dat niet. Creëer een situatie waarin kinderen van jongs af aan leren met elkaar verantwoordelijkheid te dragen voor hun omgeving.”

Handelingsvermogen

Daarbij gaat het ook om agency: het gevoel en het vermogen van leerlingen om invloed uit te oefenen op hun omgeving. “Het ontwikkelen van dit handelingsvermogen is een belangrijk opvoedingsdoel”, zegt hij. “Kinderen mogen ervaren dat hun handelen ertoe doet. Dat begint klein in de klas, waar leerlingen leren dat ze samen iets kunnen veranderen – niet alleen als individu, maar als groep. Bespreek met de leerlingen ‘hoe kunnen wij met elkaar pesten in de klas voorkomen?’ Veel methodes zijn individueel gerichte methodes met termen als daders, slachtoffers en omstanders. Daarmee breng je het terug tot een individuele rol. Waar het mij om gaat, is die collectieve agency door het samen aan te pakken.”

De Winter noemt de school een publieke opvoedingsinstantie: een plek waar uiteenlopende waarden, normen en identiteiten elkaar ontmoeten. “Thuis zijn er vaak gedeelde ideeën en normen. Op school komt alles samen. Daarom moet een school een democratische gemeenschap zijn, waarin leraren en leerlingen samenwerken aan burgerschap en omkijken naar elkaar.” Een leraar doet dat niet door van bovenaf te bepalen hoe ze met elkaar om moeten gaan, maar door momenten in te bouwen waarop leerlingen kunnen oefenen met inspraak. “Je kunt één keer in de zoveel tijd met je leerlingen om de tafel gaan zitten en vragen: hoe vinden we dat het hier gaat? Wat kan beter?”

als pedagogische gids. “Ik geloof niks van waardeneutraliteit”, zegt De Winter. “Een leraar mag best vertellen wat die zelf vindt, zolang die duidelijk maakt dat het een eigen mening is en waarom. Dan kun je erover in gesprek gaan. Leerlingen zijn nieuwsgierig naar wat jij vindt. Maar je moet ze ook leren kritisch te denken. Dat hoort bij leraarschap. Een leraar is een democratisch voorbeeldmodel: iemand die laat zien dat je een overtuiging kunt hebben én open kunt staan voor andere meningen.”

In het onderwijs, vindt De Winter, hoort tegenspraak vanzelfsprekend te zijn. “In een democratische school hoort elkaar bevragen erbij. Jij mag alles vinden, maar ik mag vragen: waar haal je dat vandaan? Waarom vind je dat? Dat moeten we niet als vijandig zien, maar als de norm van onze gemeenschap. Ook de leraar bevragen hoort daarbij. En dat tast diens gezag niet aan.”

Bij een zeer sterke mening kun je als leraar aangeven: wat goed dat jij dat hier kunt zeggen

Bij die vrijheid horen wel grenzen. Daarom pleit hij voor een ‘grondwet van de school’, waarin leerlingen, ouders en leraren samen vastleggen wat de basis is. “Je mag hier op school alles vinden en zeggen, maar geweld of bedreiging staan wij niet toe. Dat moet je aan het begin van de schoolloopbaan van een leerling in een persoonlijk gesprek met ouders en leerling aangeven.”

Achter zijn visie schuilt wat kritiek op de geschiedenis van de pedagogiek. Eerder werd opvoeding vooral gezien als waardeoverdracht: kinderen moesten goede katholieken, socialisten of protestanten worden. Later kwam juist de nadruk te liggen op objectieve, wetenschappelijke pedagogiek – kinderen als onderzoeksobject. “In beide gevallen heeft het kind weinig te zeggen”, zegt De Winter. “Daarom pleit ik voor een normatief-empirische pedagogiek: kinderen opvoeden tot burgers van een vrije, democratische samenleving waarin iedereen zichzelf mag zijn, maar ook leert rekening te houden met elkaar. En tegelijk onderzoeken hoe je dat goed doet, samen met ouders en leraren.”

Pedagogische gids

Bij normatief-empirische pedagogiek is de rol van de leraar onmisbaar. Niet als neutrale kennisoverdrager, maar

Die gezamenlijke grondslag is ook nodig om leraren te beschermen. “Leraren hoeven het niet alleen te doen”, zegt hij. “Daarvoor moet die grondwet gedragen worden door het team. Zo kan de schoolleiding vierkant achter de leraren staan.”

Burgerschap, besluit De Winter, is iets moois. “Bij een zeer sterke mening kun je als leraar aangeven: wat goed dat jij dat hier kunt zeggen. Stel je eens voor dat je in een systeem leeft waar dat niet mag. Door die ruimte te bieden, haal je de angel uit polarisatie. En door nieuwsgierigheid te wekken naar wat de ander beweegt, bouw je aan de samenleving zelf. We moeten kinderen leren geïnteresseerd te zijn in mensen die anders zijn dan zij. Want als we die nieuwsgierigheid niet creëren, sluiten we ons af. En zo kun je niet samenleven in een democratie.”

Van lijvig beleidsplan naar praktisch handvat

De Onderwijsinspectie gaf in 2024 een herstelopdracht voor het beleidsplan burgerschap van de St.-Jansschool in Casteren. De school ging aan de slag met de feedback. Directeur Chris Kraaijvanger vertelt hoe ze dat aanpakten en wat andere scholen daarvan kunnen leren.

“Ons beleidsplan burgerschap was een lijvig document, heel beleidsmatig, met alle wettelijke bepalingen over burgerschapsonderwijs erin uitgewerkt. Daarom stond ons team er versteld van dat het niet werd goedgekeurd’’, vertelt Kraaijvanger. Volgens de Onderwijsinspectie moest het plan meer doelgericht en samenhangend worden en vooral beter aansluiten bij de leerlingpopulatie.

“We kregen het advies om eerst de leerlingpopulatie goed in beeld te brengen. Dat werd ons startpunt.”

Een frisse blik van buiten

Kraaijvanger ging vervolgens met een intern ‘kennisteam burgerschap’ aan de slag. Eerst brachten ze in kaart wat ze al deden en waarom ze dat zo deden. Vervolgens legden ze het concept, het oude beleidsplan en de herstelopdracht van de inspectie voor aan het Expertisepunt Burgerschap. “We wilden hulp bij het herschrijven van ons plan, zodat het niet alleen aan de eisen van de inspectie voldeed, maar ook praktisch bruikbaar werd voor de leraren.”

Deze frisse blik van buiten bleek heel waardevol. “Daardoor kregen we meer focus: wat sluit aan bij onze leerlingen? En hoe zorg je voor samenhang tussen visie, doelen en praktijk?”, licht Kraaijvanger toe.

Het Expertisepunt Burgerschap heeft ons geholpen om deze informatie te vertalen naar een concreet leerlingprofiel

Hoe breng je je leerlingpopulatie in beeld?

Het in kaart brengen van de leerlingpopulatie riep wel wat vragen op. Kraaijvanger: “Vanuit de AVG mogen we steeds minder informatie aan ouders vragen. De vraag is dan: welke informatie is belangrijk en waar haal je die vandaan?” Ze besloten een aantal zaken uit te zoeken. “We weten dat er veel zzp’ers zijn in ons dorp, op internet achterhaalden we dat het het om beroepen ging als timmerman of metselaar. Via de stemlocatie in het dorp zagen we welke politieke voorkeuren er zijn. Daarnaast zien we aan de poort bij school vooral moeders, opa’s en oma’s. Wat zeggen al deze gegevens? Het Expertisepunt Burgerschap heeft ons geholpen om deze informatie te vertalen naar een concreet leerlingprofiel. Onze leerlingen groeien vooral op in praktisch geschoolde gezinnen, in een hechte en relatief traditionele dorpsgemeenschap met weinig culturele diversiteit en een overwegend conservatieve politieke voorkeur. Daardoor zijn thema’s als gemeenschap, verantwoordelijkheid nemen en samenwerken voor hen herkenbaar. Meer verdieping kunnen we geven op onderwerpen als culturele diversiteit, globalisering, verschillende gezinssamenstellingen en democratische besluitvorming buiten de eigen leefwereld.”

Focus

De school focust in het beleidsplan op burgerschapsdoelen over onderwerpen waar de leerlingen nog weinig bekend mee zijn. “De methodes waarmee we werken, onder meer de Vreedzame School en Blink, vinken de meeste kerndoe-

Erwin Winkelman Fotografie

len af. Maar met alleen het afvinken kom je er niet. In een dorp als Casteren kom je bijvoorbeeld weinig verschillende culturen tegen, waardoor je meer aandacht moet geven aan culturele diversiteit, zoals met de les ‘wereldsupermarkt’. Juist die focus was belangrijk in het plan.” Om het beleidsplan te verbeteren, worden ook verschillende onderzoeksgegevens meegenomen en geëvalueerd. Jaarlijks meet de school bij groep 7 het begrip van democratische thema’s. Daarnaast worden resultaten van tevredenheidsonderzoek en vragenlijsten over sociaal-emotioneel welbevinden bij leerlingen gebruikt. “We zijn nog zoekende op dit vlak, als stichting. Belangrijk is dat we jaarlijks meten, evalueren of we nog op de goede weg zitten en bijstellen als dat nodig is.”

Doorgaande leerlijn

Een belangrijk verbeterpunt was dat de doorgaande leerlijn duidelijker moest worden. De drie hoofdthema’s van burgerschap vormen de basis: Ik, Ik en de ander en Ik en de democratie. Dit is de leidraad voor groep 1 tot en met 8. “In het plan hebben we per bouw de thema’s uitgewerkt. In de onderbouw leren kinderen over de verschillen tussen mensen en oefenen ze met eenvoudige stappen om conflicten op te lossen. In de middenbouw leren ze door de ‘wereldsupermarkt’ dat eetgewoontes en culturen wereldwijd verschillen. En in de bovenbouw krijgen ze democratische besluitvorming en leren ze een mening

vormen over maatschappelijke vraagstukken. Zo groeit het burgerschapsonderwijs per bouw mee.”

Het loslaten van het oude plan voelde in eerste instantie niet goed. “Er was veel tijd en energie in gestoken”, zegt Kraaijvanger. “Maar toen we eenmaal hadden besloten om opnieuw te beginnen, hielp dat om duidelijke en praktische keuzes te maken.”

Begin bij je leerling

Welke tips heeft Kraaijvanger voor andere scholen? “Begin bij je leerlingen: wat weten zij al, wat nog niet? Wat wil je toevoegen? Ik kan het aanbevelen om expertise van buiten te zoeken. Dat helpt om los te komen van ingesleten denkpatronen. Zo word je bewust van de basis en breng je focus aan.

Begin bij je leerlingen: wat weten zij al, wat nog niet? Wat wil je toevoegen?

Hou het kort en bondig, maak het concreet.”

Uiteindelijk heeft deze herstelopdracht ervoor gezorgd dat de school ook anders kijkt naar de andere vakgebieden, vertelt Kraaijvanger.

“Ook bij rekenen en taal kunnen we nog meer aansluiten bij onze leerlingpopulatie. Onze leerlingen zijn heel praktisch ingesteld, op het gebied van theoretisch denken kunnen we er nog meer uithalen. Uiteindelijk leverde dit proces veel meer op dan een herschreven beleidsplan.” De inspectie heeft het beleidsplan inmiddels volledig akkoord bevonden. “Dat bevestigt dat de gekozen aanpak werkt én het motiveert ons om deze lijn door te zetten.”

Chris Kraaijvanger

Burgerschap: kans om onderwijs te vernieuwen

Iedereen weet dat burgerschap belangrijk is. Juist in tijden van polarisatie, wantrouwen en snelle meningsvorming is het essentieel dat leerlingen leren samenleven, luisteren en hun eigen oordeel vormen. Toch vinden scholen het soms lastig om burgerschap duurzaam te verankeren in hun onderwijs. Binnen het Masterplan basisvaardigheden helpt het ministerie van OCW scholen om daar verandering in te brengen.

De kunst is burgerschap niet te zien als project, maar als onderdeel van de schoolcultuur

Foto

Erwin Winkelman Fotografie

Het Masterplan is een vijfjarig programma dat scholen ondersteunt bij het versterken van vier basisvaardigheden: taal, rekenen-wiskunde, digitale geletterdheid en burgerschap. Scholen kunnen een subsidie aanvragen en werken vervolgens twee jaar lang aan een verbeterplan. Daarbij krijgen ze hulp van onderwijscoördinatoren van OCW, die de brug slaan tussen beleid en praktijk. Zij ondersteunen scholen met één-opéén-bezoeken en begeleide leernetwerken om het onderwijs in de basisvaardigheden op een evidence-informed manier te verbeteren.

Marije den Dulk en Angèlica Pardoen zijn twee van die coördinatoren. Den Dulk richt zich op het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs, Pardoen op het voortgezet (speciaal) onderwijs. Bij één-op-één-bezoeken begint hun werk bij de scholen die van de inspectie een onvoldoende kregen. Op scholen waar het burgerschapsplan nog in de kinderschoenen staat, ontstaat soms weerstand. Scholen zien het snel als een moetje van de inspectie, merkt Den Dulk. “Maar als we het gesprek anders insteken, verandert de sfeer.” De onderwijscoördinatoren komen niet met een oordeel, maar met vragen, zegt ze. “Wat willen jullie leerlingen meegeven? Waar staat deze school voor? Wie zijn de leerlingen die hier rondlopen? Dan gaat het over de bedoeling van onderwijs. Dat gesprek geeft energie.”

Pardoen herkent dat. “In het vo hebben de meeste scholen wel een visie op burgerschap, maar vaak blijft het hangen bij een paar enthousiaste leraren in de mens- en maatschappijhoek. De uitdaging is om er iets van het héle team van te maken. Pas dan ontstaat samenhang. Ik zeg vaak: het is niet iets dat erbij komt, het is iets dat alles doordringt.”

De kunst is burgerschap niet te zien als project, maar als onderdeel van de schoolcultuur. “Dan wordt een herstelopdracht geen straf, maar juist een kans”, zegt Pardoen. “Een joker om het onderwijs opnieuw uit te vinden.”

Tekst Marco van den Berg
Angèlica Pardoen

Van populatie naar plan

In het primair onderwijs begint dat volgens Den Dulk bij de populatie. Een school in een dorp met veel nieuwkomers heeft andere vragen dan een school in een Vinex-wijk. “Dus ook hier geldt: je moet goed weten wie de leerlingen zijn. Dat vraagt om een inhoudelijk gesprek binnen het team.” Dat gesprek schept verbinding. Het is inhoudelijk én goed voor de teamspirit.”

Daarna volgt de vertaalslag naar beleid en praktijk. “Veel scholen doen al veel aan burgerschap, maar vaak ad hoc”, zegt Den Dulk. “Pannenkoeken bakken met ouderen is leuk, maar past dat binnen jullie visie? Of past iets anders beter bij jullie leerlingen? Als teams die koppeling eenmaal zien, ontstaat er vanzelf meer samenhang.”

Voor het voortgezet onderwijs ligt de uitdaging elders, vult Pardoen aan. “Daar gaat het vaak om het verbinden van secties. Hoe zorg je dat burgerschap niet alleen bij maatschappijleer ligt, maar ook in natuurkunde, kunst of economie terugkomt? Dat vraagt om samenwerking en afstemming. Wij helpen teams om dat proces planmatig op te zetten en te evalueren. Daarvoor gebruiken we instrumenten uit het Masterplan, zoals de interventiekaart (zie QR-code) – een verzameling van wetenschappelijk onderbouwde aanpakken en hulpmiddelen.”

Brug tussen beleid en praktijk

De OCW-coördinatoren werken evidence-informed Pardoen: “Dat betekent dat we gebruikmaken van kennis uit onderzoek en uit de praktijk, en dit altijd vertalen naar de context van de school. Een theoretisch model heeft pas waarde als het aansluit bij de realiteit van de klas.” Ook brengen ze scholen met elkaar in contact. “In de begeleide leernetwerken zien we dat teams veel van elkaar leren”, vertelt Den Dulk. “Ze herkennen elkaars worstelingen en delen oplossingen. Dat werkt vaak beter dan een handleiding.”

Dat burgerschap soms gevoelig ligt, ontkennen ze niet. “Polarisatie is een serieus thema”, zegt Pardoen. “Niet iedere leraar voelt zich veilig of bekwaam om daarover in gesprek te gaan. Toch hoort het bij goed burgerschapsonderwijs. Het gaat behalve over meningen, ook over leren denken, luisteren en vragen stellen.”

Volgens Den Dulk is dat precies waarom ook de ondersteuning vanuit het Expertisepunt Burgerschap zo belangrijk is. “Scholen vinden daar bijvoorbeeld het aanbod van trainingen voor het voeren van schurende gesprekken. Daarmee geef je leraren het vertrouwen om ook lastige thema’s niet uit de weg te gaan.”

Na twee jaar begeleiding nemen de onderwijscoördinatoren afscheid van een school. Wat blijft er dan hangen? “Het mooiste moment”, zegt Pardoen, “is als het kwartje valt. Als mensen letterlijk opveren, het gesprek levendig wordt en je merkt: ze hebben de geest gekregen. Dan zie je dat het onderwerp niet langer voelt als een verplichting, maar als iets van henzelf.”

Den Dulk knikt: “Soms ben ik na een eerste gesprek heel benieuwd wat ze ermee doen. En dan kom je een paar maanden later terug, en blijkt dat ze enorme stappen hebben gezet. Dat ze burgerschap echt omarmen. Dan weet je: het werkt. En het mooiste is als een school zegt: ‘We hebben er zin in gekregen’.”

In de begeleide leernetwerken zien we dat teams veel van elkaar leren

Scan de QR-code voor de interventiekaart
Masterplan basisvaardigheden Marije den Dulk en Angèlica Pardoen
Marije den Dulk

Burgerschap zichtbaar maken en monitoren

Hoe maak je burgerschap zichtbaar zonder dat het een afvinklijst wordt? In dit artikel vertellen drie organisaties hoe zij scholen helpen om ontwikkeling te volgen, zonder de essentie uit het oog te verliezen. Ruud Verbraak (Kleine Grote Denkers) laat zien hoe reflectiegesprekken tussen leraar en leerling burgerschap tastbaar maken. Cindy Beemsterboer en Karen Jukes (Qompas) leggen uit waarom monitoren pas zin heeft als een school eerst haar visie op burgerschap scherp heeft. Pieter Hazelhoff (Riskchanger) laat zien hoe monitoring onderdeel kan worden van een doorlopende leer- en verbetercyclus.

doorlopende lijn van reflecties op. Zo zie je een ontwikkeling door het jaar heen.”

Kleine Grote Denkers (primair onderwijs)

“Vraag leerlingen niet naar het juiste antwoord”, zegt Ruud Verbraak. “Vraag wat ze zélf denken. En leer hen om daar met anderen over te praten.” Daar draait het bij zijn organisatie Kleine Grote Denkers om: kinderen leren denken én scholen helpen om dat zichtbaar te maken in hun burgerschapsonderwijs. De organisatie ontwikkelde een praktische aanpak waarmee scholen burgerschap niet alleen onderwijzen, maar ook volgen. Verbraak: “Traditionele vragenlijsten monitoren wat leerlingen vinden of weten op één moment.” Hij vindt dat burgerschap echter gaat over houding en gedrag. “En dat ontwikkel je in de praktijk. Daarom laten wij scholen kijken naar inspanning en groei, niet naar goed of fout.”

Kern van hun aanpak is de Burgerschapsmonitor: een digitale tool die reflectiegesprekken tussen leraar en leerling ondersteunt. “We gebruiken geen standaardvragen, maar korte reflecties die passen bij de leerdoelen van de school”, legt Verbraak uit. “Leerling en leraar geven bijvoorbeeld in de app een duimpje: hoe vond jij dat het ging? Daarna praten ze er samen over. Wat ging goed? Wat wil je volgende keer beter doen? Zo ontstaat een gesprek over houding en gedrag in plaats van een cijferlijst.”

Dat kan zowel individueel als in groepsverband. “In de klas bespreek je bijvoorbeeld een situatie zoals een ruzie op het plein, samenwerken aan een project, of luisteren naar elkaar in een kringgesprek. Dan vragen we: hebben we iets geleerd, hebben we ons best gedaan, ging het beter dan vorige keer? Door dit regelmatig te doen, bouw je een

De data uit de monitor zijn eenvoudig en visueel terug te zien. “Een team ziet bijvoorbeeld: bij het leerdoel ‘omgaan met verschillen’ scoren leerlingen consequent lager dan op ‘luisteren naar elkaar’. Dan weet je waar je extra aandacht aan moet geven. Omdat elke school haar eigen leerdoelen kiest, krijg je informatie die echt iets zegt over jóuw onderwijspraktijk”, zegt Verbraak. Monitoring wordt zo onderdeel van de kwaliteitscyclus: doelen stellen, reflecteren met leerlingen, resultaten bespreken in het team en onderwijs bijstellen. “Je borgt burgerschap niet op papier, maar in een ritme van gesprekken”, zegt hij. “Dat is ook waarom leraren het niet ervaren als extra administratie, maar als een zinvolle activiteit met hun klas.”

Monitoring biedt meer zichtbaarheid en eigenaarschap, merkt Verbraak. “Burgerschap krijgt op deze manier een vaste plek in de school. Leerlingen leren reflecteren op hun burgerschapscompetenties, leraren zien wat werkt, en teams praten met elkaar over ontwikkeling in plaats van over vinkjes. Dat is de kracht van monitoren als oefenplek voor burgerschap.”

Meer weten over Kleine Grote Denkers? Scan de QR-code .

Tekst Marco van den Berg
Burgerschap monitoren Ruud Verbaak, Cindy Beemsterboer / Karen Jukes en Pieter Hazelhoff

Qompas (voortgezet onderwijs)

Burgerschap monitoren begint bij de vraag wat een school wil bereiken. Dat zeggen Cindy Beemsterboer en Karen Jukes van Qompas, dat scholen begeleidt bij het versterken van loopbaanontwikkeling en burgerschap. Zij merken dat veel scholen meteen zoeken naar een meetinstrument, terwijl de basis elders ligt: in een gezamenlijk antwoord op de vraag waarom burgerschap op die school belangrijk is en wat leerlingen daarvan moeten leren. Vanuit die visie formuleer je doelen, kies je thema’s en bepaal je wat zinvol is om te monitoren en hoe.

Dat is volgens Beemsterboer en Jukes geen taak voor één coördinator of maatschappijleerdocent, maar een gezamenlijke opdracht. Burgerschap werkt alleen als het gedragen wordt door de hele school. Daarom adviseren zij om een werkgroep samen te stellen waarin leraren, mentoren en teamleiders vertegenwoordigd zijn, en om leerlingen vanaf het begin te betrekken. In zo’n groep ontstaat een gedeelde taal en een realistisch beeld van wat er leeft. De visie krijgt zo aansluiting bij de praktijk, bij de leerlingen en bij de omgeving van de school.

Burgerschap is geen dossier voor de inspectie, maar onderdeel van de ontwikkeling van leerlingen

ontwikkeling van burgerschapscompetenties met rubrics wordt gevolgd. Zo ontstaat een doorlopende ontwikkelingslijn waarin groei zichtbaar wordt.

De context bepaalt mede de invulling. Een stedelijke school heeft vaak vanzelf te maken met culturele diversiteit; in een dorp moet je die diversiteit soms bewust opzoeken. Ook sociaal-demografische factoren en de identiteit van de school spelen mee. Door die werkelijkheid mee te nemen in de visie en de leerdoelen, voorkom je dat burgerschap een los programma wordt dat bovenop het bestaande onderwijs ligt.

Meten en monitoren komt pas daarna. Beemsterboer en Jukes waarschuwen voor de valkuil van het afvinken: burgerschap is geen dossier voor de inspectie, maar onderdeel van de ontwikkeling van leerlingen. Monitoring moet ondersteunend zijn, niet leidend. Begin klein, adviseren zij. Formuleer een beperkt aantal leerdoelen, sluit aan bij wat de school al gebruikt voor kwaliteitszorg en zorg dat de werkwijze uitvoerbaar is. Leraren hebben weinig ruimte, dus instrumenten moeten licht en direct toepasbaar zijn in de lespraktijk.

Bij Qompas ontwikkelden ze een burgerschapsdossier dat leerlingen helpt hun ervaringen vast te leggen en te koppelen aan persoonlijke ontwikkeling. Het dossier combineert kwalitatieve elementen – reflecties, gesprekken, ervaringen – met kwantitatieve meetmomenten waarin de

Burgerschap leer je niet uit een boekje, zeggen ze, maar in de praktijk: bij een klasproject in de wijk, een debat, een bezoek aan de Tweede Kamer. Die ervaringen krijgen pas waarde als leerlingen erover praten en vastleggen wat ze hebben geleerd over zichzelf, anderen en de samenleving.

Volgens Beemsterboer en Jukes ligt de kracht in de samenhang tussen burgerschap en loopbaanontwikkeling. Beide gaan over zelfinzicht, identiteit en betekenisvol handelen. Wie inzicht heeft in drijfveren, ziet ook mogelijke bijdragen aan de omgeving. Het burgerschapsdossier helpt scholen die ontwikkeling zichtbaar te maken voor leerlingen, leraren en schoolleiding. Daarmee wordt monitoren geen verplicht nummer of een doel op zich, zegt Beemsterboer tot slot. “Maar het is een middel om onderwijs te verbeteren en leerlingen te laten groeien als mens en burger.”

Meer weten over Qompas? Scan de QR-code.

Cindy Beemsterboer en Karen Jukes
Burgerschap monitoren Ruud Verbaak, Cindy Beemsterboer / Karen Jukes en Pieter Hazelhoff

Riskchanger (voortgezet onderwijs)

Wie burgerschapsonderwijs wil versterken, doet er goed aan monitoring niet te zien als een losstaand project, zegt Pieter Hazelhoff van Riskchanger: “Monitoren is onderdeel van de hele burgerschapsflow. Het helpt scholen systematisch te volgen hoe leerlingen, het onderwijs en beleid zich ontwikkelen. Daarmee versterk je de dialoog én de invulling en visie op burgerschap.”

Volgens Hazelhoff kun je op verschillende momenten in die flow beginnen. Belangrijk is dat iedereen begrijpt waarom er gemonitord wordt. “Bepaal eerst samen het doel: wat wil je weten en waarom? Borg dat vervolgens in beleid, organisatie en communicatie. Zo wordt monitoren geen taak van één persoon, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de schoolcultuur.”

3SIXTY FEEDBACK

Welkom

Het kiezen van meetinstrumenten begint bij de leerdoelen. Gaat het om kennis, houding of vaardigheden? “Pas als je weet wát je wilt monitoren, kun je bepalen hóe je dat doet”, zegt Hazelhoff. “Een vragenlijst is bijvoorbeeld geschikt voor een nulmeting of groeimeting, een rubric helpt om ontwikkelfases zichtbaar te maken en een portfolio legt persoonlijke groei vast. Verschillende instrumenten kunnen elkaar versterken.”

Riskchanger werkt via een platform, waarin scholen wettelijke eisen, beleid en eigen doelen kunnen combineren voor burgerschap en andere thema’s. Het platform bevat de gevalideerde vragenlijst Zicht op Burgerschap. De vragenlijst is in opdracht van OMO en met een bijdrage van het Expertisepunt Burgerschap ontwikkeld door bureau Common Ground. Daarbij zijn scholen, leraren en methodologische experts betrokken. Riskchanger heeft de vragenlijst gedigitaliseerd. Zo ontstaat een compleet beeld voor analyse en duiding, waarbij bureau Common Ground kan begeleiden.”

Maar het draait nooit om het instrument zelf, benadrukt hij. “Het gaat om de gesprekken die de ontwikkeling van de leerling op gang brengen. De data zijn er om samen te leren.”

Pas als je weet wát je wilt monitoren, kun je bepalen hóe je dat doet

Bij het kiezen van een meetinstrument adviseert Hazelhoff te letten op betrouwbaarheid en taaltoegankelijkheid. “De vragen moeten aansluiten bij actuele kaders, ontwikkeld zijn met praktijkmensen en passen bij de taal van de leerlingen. De afname moet praktisch zijn – ruim binnen een lesuur – en de resultaten moeten echt bruikbaar zijn voor de ontwikkeling van burgerschap.”

“Monitoren is geen momentopname, maar een cyclisch proces. Je bespreekt de uitkomsten met het team, stelt doelen bij en vertaalt dat naar concrete stappen voor leerlingen. Het instrument is slechts een middel”, besluit Hazelhoff. “Voor een goede dialoog heb je betrouwbare informatie nodig en voor betrouwbare informatie heb je een goed instrument nodig. Maar het doel staat altijd centraal. Monitoren is niet controleren, maar een instrument om te leren. Door inzicht te krijgen in wat leerlingen kennen en kunnen, kun je onderwijs en beleid doelgericht verbeteren. Zo groeit burgerschap van binnenuit.”

Meer weten over Riskchanger? Scan de QR-code.

Pieter Hazelhoff
Burgerschap monitoren Ruud Verbaak, Cindy Beemsterboer / Karen Jukes en Pieter Hazelhoff
Foto: Hans Slegers

Bewegen als oefenplaats voor burgerschap

Je ziet kinderen stralen als ze zeggen: ik heb hém laten scoren

Teams samenstellen, omgaan met winnen en verliezen, je kwaliteiten inzetten: Monique van Ark, docent bewegingsonderwijs aan de pabo in Leiden, ziet gym en buitenspelen als een natuurlijke plek om burgerschap te oefenen. “In de gymzaal ervaar je wat eerlijk delen, verantwoordelijkheid nemen en rekening houden met elkaar betekenen.”

Van Ark werkt mee aan de vernieuwde kennisbasis Bewegen en sport voor de pabo, waarin burgerschap een vaste plek krijgt. Scholen en vakleerkrachten gaan dezelfde taal spreken en meer kansen benutten. Een gymles is volgens Van Ark een mini-samenleving. Leerlingen regelen samen het bewegen, houden rekening met verschillen, kiezen democratisch een spel met de regels, leven zich in andermans emoties in en geven en vragen hulp. “Dat kun je in theorie uitleggen, maar in de zaal vóel je het. Daarom is gym niet een vak om aan burgerschap te werken, het is het vak waarin je het leert.”

Kiezen van teams gaat ook anders. Geen rijen met twee populaire aanvoerders en publieke afwijzingen, maar bijvoorbeeld: “iedereen die mee wil doen met voetbal gaat op een lijn staan. De eerste drie gaan naar het rechterdoel, de volgende drie naar links tot de elftallen gevormd zijn. We spelen tot één doelpunt en dan wisselen er spelers van een team met bankzitters. Zo ontstaan steeds nieuwe groepjes en ligt de nadruk op samenspelen en gunnen.”

Delen is mooier

Sterke spelers krijgen extra uitdaging: niet nog een keer zelf scoren, maar een ander vrijspelen of even met de ‘verkeerde’ voet. Zo blijft talent gezien, groeit eigenaarschap en wordt het spel veilig en leuk voor iedereen. “Shinen is fijn”, zegt Van Ark, “delen is mooier. Je ziet kinderen stralen als ze zeggen: ik heb hém laten scoren.”

Ze adviseert leraren om af en toe een gymles te observeren. “Dan zie je de klas opeens anders. De stille leerling die in de klas opgaat in de groep, kan in de zaal de leiding nemen. En wie snel opgeeft, leert daar juist doorzetten.”

De les reikt verder dan de zaal. Op veel schoolpleinen en tijdens sportactiviteiten zoals een schooltoernooi geldt nog de wet van de sterkste, merkt ze. “Laat de afspraken uit de gymzaal ook daar gelden. Geen buitensluiten, geen drie toppers tegen de rest.”

Rollen wisselen

Burgerschap draait ook om rollen, benadrukt Van Ark. In een goede gymles wisselen leerlingen van rol: speler, scheidsrechter, coach, hulpverlener. De assertieve leerling leert bijvoorbeeld leiden mét iedereen erbij; hij zorgt voor inclusie. De voorzichtige durft fouten te maken. “Beter leren bewegen kan alleen als leerlingen samen het bewegen organiseren en echt betrokken zijn. Dat sluit aan bij de nieuwe definitieve conceptkerndoelen sport en bewegen die over beter leren bewegen, samen bewegen en betrokken bewegen gaan.

Niet elke leerling wil voetballen in de pauze. Dat hoeft ook niet. Ruimte voor verschil ís burgerschap. De één speelt trefbal, de ander hangt aan de rekstok of kijkt even toe. Zolang ieder plezier beleeft aan bewegen, is het doel bereikt. “En het liefste een leven lang”, vertelt Van Ark met een glimlach.

Tekst Marco van den Berg
Monique van Ark (in het midden)

‘Het vak biologie biedt een perfecte ingang voor kritisch denken’

Waar onze zuivel vandaan komt, hoe stikstof werkt en wat genderdiversiteit inhoudt: het zijn actuele thema’s die uitstekend passen binnen biologie, zegt promovenda Saskia Arbon van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij onderzoekt hoe leerlingen meningsverschillen over gevoelige onderwerpen beter leren begrijpen. Niet door ze te overtuigen, maar door te laten zien waarom mensen het oneens kunnen zijn en hoe kennis en waarden elkaar beïnvloeden.

“We zijn gewend om bij biologie te denken aan kennis”, zegt Arbon. “Hoe de stikstofkringloop werkt of wat er in je lichaam gebeurt tijdens de puberteit. Maar veel van die thema’s raken aan grotere maatschappelijke vraagstukken, bijvoorbeeld over voeding, duurzaamheid of gezondheid. Daar ligt een kans om leerlingen te leren hoe kennis, waarden en overtuigingen samenhangen.”

We vragen leerlingen niet wie er gelijk heeft, maar waarom conclusies van elkaar verschillen

Arbon is onderwijswetenschapper en doet promotieonderzoek aan de UvA. Haar onderzoek kent drie fasen. Eerst ontwikkelde ze een meetinstrument om te bepalen of leerlingen begrijpen waarom mensen het oneens zijn over gevoelige onderwerpen. Daarna ontwierp ze een lessenreeks om dat begrip te vergroten. “We starten nu met de interventiestudie”, vertelt ze.

“Met een voor- en nameting kijken we of leerlingen vooruitgaan in hun begrip en kritische denkvaardigheden.”

Lessenreeks

De lessenreeks draait om het thema zuivel – niet toevallig, zegt Arbon. “Zuivel is alledaags en raakt tegelijk aan duurzaamheid, dierenwelzijn en gezondheid. Iedereen heeft er wel een mening over.” Leerlingen lezen twee soorten bronnen: één van de Nederlandse Zuivel Organisatie en één van de Nederlandse Vereniging voor Veganisme. “Beide partijen gebruiken cijfers, soms zelfs dezelfde, maar komen tot andere conclusies. We vragen leerlingen niet wie gelijk heeft, maar waarom die conclusies verschillen. Welke kennis gebruiken ze? Welke waarden spelen mee? En waarom weegt de ene waarde voor de één zwaarder dan voor de ander?” De kern ligt niet in het debat, maar in het begrijpen van meningsverschillen. “We leren leerlingen kritisch te kijken naar bronnen én naar morele waarden”, zegt Arbon.

De lessen beginnen met een open vraag: wat denk en voel je bij zuivel? “We willen leerlingen ruimte geven voor hun eigen emoties”, zegt ze. “Pas daarna gaan we naar het analytische deel: wat zegt de tekst, wat zijn de argumenten, welke waarden herken je daarin? We doen eerst voor hoe je die argumenten, kennis en waarden vindt, daarna doen we het samen, en vervolgens oefenen leerlingen zelf.”

Tekst Marco van den Berg
Kritisch denken Saskia Arbon
Foto Hans Slegers

Die aanpak lijkt te werken. “In de pilotfase zeiden leerlingen: ‘Ik had al een mening, maar nu begrijp ik de andere kant beter.’ Dat is precies wat we willen bereiken. Niet dat ze van mening veranderen, maar dat ze begrijpen waar verschillen vandaan komen.”

Gevoelige onderwerpen

Omdat gevoelige onderwerpen spanning kunnen oproepen, krijgen leraren vooraf een training. “We laten ze nadenken over wat een onderwerp bij henzelf oproept”, vertelt Arbon. “Wat doe je als een leerling iets zegt wat jou raakt? Wil je neutraal blijven of geef je je eigen standpunt? Daar is geen goed of fout in, maar het helpt als je daar vooraf over nadenkt zodat je weloverwogen reageert in de klas.” Leraren leren ook omgaan met onverwachte uitspraken.

“Daarbij gaat het om het inschatten van de situatie”, zegt ze.

“Soms zegt een leerling iets om te provoceren. Dan kun je kiezen: reageer ik direct of parkeer ik het gesprek? Beide keuzes zijn verdedigbaar. Als je het parkeert, voelt een leerling zich misschien niet gehoord, maar je kunt wel door met de geplande les. Leerlingen kunnen ook iets zeggen vanuit hun overtuiging. Als je merkt dat je voorbereidingstijd nodig hebt om dat goed te bespreken, kun je er later op terugkomen. Dat vraagt om afwegingen in het moment, en dat is ook burgerschap: verantwoordelijkheid nemen voor de manier waarop je met elkaar omgaat.”

Een andere mogelijkheid is om er juist direct op in te gaan. “Je kunt alle meningen inventariseren en vragen wat anderen daarvan vinden”, zegt Arbon. “Zo voelt iedereen zich gehoord en kun je alsnog uitleggen wat de wetenschappelijke consensus is. Dat is ook een onderdeel van biologie.”

Burgerschap in biologie gaat volgens haar niet alleen over ethische dilemma’s, maar ook over kennis die leerlingen helpt maatschappelijke thema’s te begrijpen. “Voeding, gezondheid, klimaat: dat zijn allemaal onderwerpen waar biologie over gaat. Die kennis hebben leerlingen nodig om keuzes te kunnen maken als burger.”

Positieve reacties

De eerste reacties op de pilot zijn positief, al vraagt de aanpak om enige voorbereiding. “Leraren moeten zich de lessen echt eigen maken”, verklaart Arbon. “Maar ze vinden het belangrijk, omdat ze merken dat leerlingen via social media veel en vaak eenzijdige informatie binnenkrijgen. Ze willen leren hoe ze dat kunnen bespreken.”

zijn, dan oefenen ze precies wat we in de samenleving nodig hebben.”

De lessenreeks wordt dit schooljaar getest en later openbaar gemaakt, zodat scholen (vmbo-tl, havo en vwo: klas 2 tot en met 4) ermee aan de slag kunnen. Arbon zegt tot slot: “Leerlingen halen hun kennis overal vandaan: van talkshows, influencers, TikTok. Ze zien mensen met uitgesproken meningen, maar leren zelden waarom die verschillen bestaan. In de klas kun je onderzoeken, luisteren en begrijpen. Dat maakt onderwijs zo’n waardevolle oefenplaats voor burgerschap.”

Saskia Arbon doet het onderzoek in samenwerking met prof. dr. Carla van Boxtel, dr. Tessa van Schijndel, dr. Jaap Schuitema, dr. Geerte Savenije en Stephan Venmans MA.

Het mooiste compliment kwam van een leerling die zei: ‘Ik snap nu beter waarom mensen het oneens zijn’

Het mooiste compliment kwam van een leerling die zei: ‘Ik snap nu beter waarom mensen het oneens zijn.’ Arbon glimlacht. “Dat is winst. Als leerlingen leren om een ander standpunt te begrijpen, zonder het ermee eens te hoeven

Saskia Arbon
Kritisch denken Saskia Arbon
Foto
Ron
Koff eman
Fotografi e

Diversiteit: verschillend en welkom!

Iedereen is anders: maar voelt iedereen zich welkom op school? Want dat is de kern van diversiteit en inclusief onderwijs. Een kind voelt zich gezien als het zichzelf herkent in de verhalen, teksten en beelden. Daarnaast is het belangrijk om een bredere blik op de wereld te bieden. Leraren Leonard Roobol en Rigoberta Mejia Sian delen ervaringen en tips om meer verbinding, empathie en herkenbaarheid in de klas te creëren.

“Toen ik lesgaf aan een kleuterklas, vertelde een leerling me huilend: ‘Ik mag niet meespelen omdat ik ‘zwart’ ben!’”, vertelt Roobol. “Ik schrok daarvan, want ik probeerde altijd open en inclusief te zijn. Hoe kon dit in mijn klas gebeuren?” De kwestie werd opgelost, maar het zette hem aan het denken. “Je gebruikt vaak een voorleesboek om een onderwerp in de klas te bespreken. Ik realiseerde me dat alle boeken over ‘witte’ kinderen gingen. Toen ik vervolgens andere boeken inzette, sloeg dat aan. Kinderen ontwikkelden meer empathie.” Hij is nu leraar Nederlands op een ISK in Rotterdam en eigenaar van Inclusieklas, waarmee hij scholen helpt met inclusief onderwijs en tips voor een diverse boekenkast.

Niet gelijk, wel gelijkwaardig

Eén van de kerndoelen van burgerschap is dat leerlingen leren omgaan met diversiteit in de samenleving. Er zijn zeven factoren van diversiteit: sociaal-cultureel, taal, fysiek en mentaal, religie en levensbeschouwing, gender en seksuele geaardheid, uiterlijk en economische achtergrond. Roobol: “Diversiteit is een gegeven. We zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig.” Inclusie betekent dat iedereen zich welkom en gewaardeerd voelt. “Dat vraagt om actie. Laat in je klas ook andere verhalen aan bod komen, bijvoorbeeld over een jongen die niet mee kan doen aan een voetbalwedstrijd vanwege Eid al-Fitr of een prentenboek over een prins die gaat trouwen met een ridder.”

Spiegels en ramen

Een boek kan een ‘spiegel’ zijn waarin een kind zichzelf herkent of een ‘raam’ dat zicht biedt op een andere leefstijl. Mejia Sian beaamt dat herkenbaarheid belangrijk is voor leerlingen. Zij is coördinator burgerschap en lezen op een basisschool De Kaleidoscoop in Utrecht. “Op onze school is 99 procent van de leerlingen moslim. Wij vertrekken vanuit de wereld van onze leerlingen.”

De schoolbibliotheek is aangevuld met boeken over alle

vormen van diversiteit. “Bij wereldreligies begin je bijvoorbeeld bij de islam en maak je daarna de verbinding naar andere religies. Wees nieuwsgierig, vraag eens: hoe vieren jullie dit feest? Kinderen vinden het leuk om daarover te vertellen. Toen ik vertelde dat ik niet gelovig ben, kreeg ik allerlei vragen. Zo krijg je heel mooie gesprekken.”

Aandacht voor seksuele diversiteit riep in het verleden wel eens onbegrip en weerstand op. Daarom zijn ze afgestapt van vaste momenten zoals Lentekriebels en Paarse Vrijdag.

Tekst Klaske Delhij
Diversiteit Leonard Roobol en Rigoberta Mejia Sian
Rigoberta Mejia Sian

Mejia Sian: “Dan meldden sommige ouders hun kind ziek. We koppelen het nu aan thema’s waar we al in de klas mee bezig zijn, door het hele jaar heen. We informeren de ouders wel wat we bespreken en staan open voor vragen of een gesprek.”

Betrek ouders erbij

Zie omgaan met diversiteit niet als ‘extra’. Het is de basis van onderwijs, vinden Roobol en Mejia Sian. Breng eerst in kaart wat je al doet op gebied van diversiteit en daarna wat je nog wilt toevoegen. Denk niet te moeilijk: gebruik eens andere voorbeelden bij rekenen (‘Aisha koopt 500 gram dadels’). Betrek ook ouders erbij: laat ze zelf een boek kiezen om voor te lezen in de klas. Roobol: “Het geeft niet als het Nederlands niet perfect is. Je wilt niet dat ouders het gevoel krijgen dat ze aan de zijlijn staan. Vraag hen om inspiratie: kunnen we in de klas iets knutselen of bakken voor Diwali of ramadan? Onderwijs is een driehoek van school, ouders en kinderen.”

Met de leerling op pad

Op De Kaleidoscoop oefenen leerlingen burgerschapsvaardigheden in de praktijk. Ze gaan samen met de bus naar de bibliotheek en doen mee aan een jaarlijkse uitwisseling met een andere school. “Dan laten de kinderen elkaar hun wijk zien: waar ze wonen en spelen. ‘Bij ons staan allemaal hoge flats’, zei een leerling. Dan zien ze zelf de verschillen: ‘Zij spelen in hun eigen tuin, wij in het park’”, vertelt Mejia Sian.

Taalgebruik

Denk ook eens aan je taalgebruik, adviseert Roobol. “Zeg je: ‘Zijn er sterke jongens die mij kunnen helpen met tillen?’, dan zitten daar allerlei aannames in: over jongens en meiden, over sterk zijn. Of zeg je: ‘Wie kan mij helpen met tillen?’ Woorden zijn belangrijk; wees je daarvan bewust.”

Acceptatie

Diversiteit is een gegeven. We zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig

Sommige onderwerpen roepen emoties op, maar ook die moet je bespreekbaar maken. Zo ontdek je welke denkbeelden en vooroordelen er leven en bied je leerlingen een breder perspectief. Soms vindt een leraar dat spannend, maar je kunt altijd anderen om hulp vragen, zegt Mejia Sian. Roobol: “Als iemand zich niet geaccepteerd en veilig voelt, is er geen ruimte om te leren. Geef daarom als school zelf het goede voorbeeld en wees inclusief voor leerlingen, ook als dat botst met de visie die gangbaar is op jouw school.”

Tips:

• Maak diversiteit en inclusie de basis in het onderwijs

• Sluit het onderwijsaanbod aan op je leerlingpopulatie

• Inventariseer: wat doen we al? Wat kunnen we nog toevoegen?

• Vraag input van ouders, collega’s, andere scholen en/of experts: samen heb je veel kennis

• Let op taalgebruik: welke boodschap of wereldbeeld geef je een ander (onbewust) mee?

• Wees je bewust van de zeven factoren van diversiteit

• Neem deze mee in een divers aanbod in de schoolbibliotheek. Kijk voor tips op: 1) www.inclusieklas.nl/boeken en 2) www.jufrigoberta.com/boekenlijst-vol-diversiteit

Diversiteit Leonard Roobol en Rigoberta Mejia Sian
Leonard Roobol

‘Zet burgerschapsonderwijs in om gelijke kansen te bevorderen’

In het onderwijs gaat het vaak over kansengelijkheid, maar zelden over de rol die burgerschap daarin speelt. Toch horen ze onlosmakelijk bij elkaar, zegt Jeroen Paul Nijmeijer van het Samenwerkingsverband Kansengelijkheid en Burgerschapsonderwijs (SKB). Nijmeijer laat samen met Berdien van der Wilt, projectleider burgerschap bij voschool Academie Tien in Utrecht, zien hoe burgerschap het verschil kan maken.

SKB is een landelijk netwerk dat scholen helpt te werken aan kansengelijkheid door onder meer burgerschapsonderwijs in te zetten. “De kracht van een samenleving zit in het feit dat iedereen de kans krijgt om het eigen potentieel te benutten”, zegt Nijmeijer. “Burgerschapsonderwijs kan dat mogelijk maken, juist omdat het niet alleen over kennis gaat, maar ook over meedoen en gezien worden.”

Volgens SKB rust kansengelijkheid op drie pijlers: basisvaardigheden, basisbehoeften en sociaal-emotionele ontwikkeling. Aan die laatste pijler – weten wie je bent, wie je kent, waar je staat en hoe je beweegt in een groep – wordt nog te weinig gewerkt. “Daar zit de sleutel”, zegt Nijmeijer. “Burgerschapsonderwijs geeft leerlingen de kans om die sociale en persoonlijke vaardigheden te oefenen. Het gaat om ontmoeting, dialoog en verantwoordelijkheid nemen. Dat zijn geen bijvakken, dat zijn levensvaardigheden.”

Bij Academie

Burgerschap leer je niet uit een boekje, Het is gedrag dat je oefent, in relatie tot anderen

Tien krijgt die gedachte vorm in de praktijk. De school werkt met heterogene leerunits waarin leerlingen van vmbo tot vwo samen leren en langer de tijd krijgen om hun richting te vinden. Via Stichting Move en andere partners uit het SKB- en lokale netwerk trekken leerlingen de wijk in. Ze helpen bijvoorbeeld bij de voedselbank, gaan in gesprek met bewoners van het AZC, maken samen met de buurt het park mooier of helpen bij taallessen in de bibliotheek.

Burgerschap beleven “Wij willen dat leerlingen burgerschap niet alleen leren, maar beleven”, zegt Van der Wilt. “Daarvoor moet je de stad het klaslokaal in halen en de school de stad in.

Leerlingen ontdekken dat ze iets kunnen bijdragen, dat hun stem telt en dat ze invloed hebben. Dat zijn belangrijke ervaringen, zeker voor jongeren die thuis geen breed netwerk hebben waarop ze kunnen terugvallen.”

De school werkte met losse maatschappelijke projecten, maar besloot twee jaar geleden om ze te verankeren in het schoolprogramma. “We wilden af van het idee dat burgerschap erbij komt”, zegt Van der Wilt. “We hebben nu een doorlopende leerlijn van middenbouw tot eindexamen, met activiteiten die passen bij wat in de klas gebeurt. Een bezoek aan een buurthuis of een adviesproject voor TivoliVredenburg (cultureel podium) sluit aan bij onze kernwaarden”, vertelt Van der Wilt. “Denk aan zelfreflectie en verwondering, maar ook leren verantwoordelijkheid nemen voor je omgeving en leren omgaan met diversiteit.”

Die aanpak werkt alleen als de organisatie klopt, benadrukt

Tekst
Marco van den Berg Kansengelijkheid
Paul Nijmeijer en Berdien van der Wilt
Jeroen Paul Nijmeijer

Nijmeijer. “Veel scholen zien leerlingen opbloeien tijdens projecten, maar denken: in de klas werkt dit toch niet. Daardoor blijft het buiten hangen. Maar die transfer is essentieel. Zorg dat je burgerschap verbindt aan wat je doet, niet aan wat toevallig op je pad komt. Scholen die dat structureel aanpakken, bijvoorbeeld met een interne coördinator, laten meer kwaliteit zien.”

In de praktijk levert dat verrassende ontmoetingen op. Leerlingen van Academie Tien voeren in het buurtcentrum gesprekken met wijkbewoners over eenzaamheid, helpen bij de voedselbank, of onderzoeken hoe toegankelijk een cultureel podium is. “Sommige leerlingen zijn aanvankelijk sceptisch”, zegt Van der Wilt. “Maar ze komen anders terug. Ze zien dat de stad niet ver weg is, dat ze iets te brengen hebben. Dat versterkt hun gevoel van waarde.”

Werelden samenbrengen

Burgerschap leer je niet uit een boekje, zegt Nijmeijer.

“Het is gedrag dat je oefent, in relatie tot anderen. Daarom zijn samenwerking en partnerschappen in de stad belangrijk. Organisaties als Stichting Move hebben voelsprieten in de samenleving die scholen soms missen. Ze brengen werelden samen die elkaar anders niet raken.”

Het vraagt ook iets van leraren. SKB ontwikkelde de ‘Gelijke-kansen-levensweg’, een reflectiewerkvorm voor teams. Leraren verkennen hun eigen route: welke kansen heb ik gehad, wat neem ik mee het lokaal in, welke aannames spelen een rol? Nijmeijer: “Die gesprekken zijn vaak confronterend maar verhelderend. Een leraar is nooit neutraal. Door te reflecteren op je eigen achtergrond en verwachtingen, ontstaat ruimte om leerlingen echt te zien.”

Ook bij Academie Tien is die professionele groei onderdeel van de aanpak. Van der Wilt: “Wij vragen leraren om ook hun eigen betrokkenheid te tonen. Vertel wat jou raakt in de samenleving, wat jij buiten school doet. Doe je vrijwilligerswerk, bijvoorbeeld? Daarmee geef je leerlingen impliciet de boodschap dat burgerschap iets is van iedereen, niet van één lesuur per week.”

Burgerschapslab

Om kennis en ervaring te bundelen, opende Academie Tien het Burgerschapslab. Dat is een fysieke én digitale ontmoetingsplek waar scholen, maatschappelijke organisaties en leerlingen samen werken aan nieuwe vormen van burgerschapsonderwijs. “We willen de stad als leeromgeving stevig neerzetten”, zegt Van der Wilt. “Het lab helpt scholen die stap te zetten en biedt ruimte voor onderzoek, samenwerking en inspiratie.”

SKB ziet het Burgerschapslab als voorbeeld van hoe lokale en regionale netwerken kunnen groeien. “Zo’n plek maakt zichtbaar wat werkt”, zegt Nijmeijer. “Het laat zien dat kansengelijkheid en burgerschap niet twee beleidsthema’s zijn, maar één gedeelde opdracht. En dat het budget zelden de belemmering is – visie en organisatie wegen veel zwaarder.”

Van der Wilt knikt. “Wij merken dat het werkt. Niet omdat we burgerschap onderwijzen, maar omdat we het oefenen. Leerlingen leren samenleven door het te doen. En wie die ervaring op jonge leeftijd opdoet, krijgt niet alleen kennis mee, maar ook vertrouwen en dat is misschien wel de kern van gelijke kansen.”

Kansenongelijkheid onder kinderen

• 7% van de kinderen groeit op onder of vlak boven armoedegrens;

• 46% van po-scholen heeft complexe leerlingpopulatie die zorgt voor lagere leerresultaten;

Scan de QR-code om de website van SKB te bezoeken

• bij 10% van alle kinderen zijn vooraf de verwachtingen te laag;

• meer dan 100.000 kinderen groeien op in gezinnen met meervoudige complexe problematiek.

Kansengelijkheid Jeroen Paul Nijmeijer en Berdien van der Wilt
Berdien van der Wilt

september 2025

Burgerschapsonderwijs

Wat zijn de huidige verplichtingen en welke veranderingen komen eraan?

Scholen hebben de wettelijke taak om met het onderwijs en via de schoolcultuur actief burgerschap en sociale cohesie te bevorderen. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en uit de kerndoelen burgerschap, die samen bepalen wat scholen in het kader van burgerschap in ieder geval moeten doen. Scholen beslissen zelf op welke wijze zij hier invulling aan geven. Deze infographic

laat zien wat de huidige wettelijke verplichtingen zijn, welke veranderingen eraan komen als gevolg van de actualisatie van de kerndoelen en hoe scholen zich hierop kunnen voorbereiden.

Kerndoelen

De kerndoelen zijn wettelijk verplichte doelen voor het curriculum

De infographic is ontwikkeld in samenwerking met de Inspectie van het Onderwijs, SLO en het Expertisepunt Burgerschap.

• Kerndoelen beschrijven voor alle leergebieden wat leerlingen in ieder geval moeten leren.

Scholen mogen hier eigen doelen aan toevoegen.

• Bij wet zijn er op dit moment nog geen kerndoelen voor het leergebied burgerschap.

Kerndoelen die passen bij burgerschap vind je nu in andere leergebieden.

• Kerndoelen voor het leergebied burgerschap zijn in ontwikkeling. Deze kerndoelen zijn een uitwerking van het onderwijsinhoudelijke deel van de wettelijke burgerschapsopdracht.

Wat wordt er bedoeld met doelgericht, samenhangend en herkenbaar?

Scholen vertalen de wettelijke opdracht en kerndoelen, vanuit hun eigen visie op burgerschap, naar concrete leerdoelen die aansluiten bij hun leerlingen en de omgeving waarin zij opgroeien ( doelgericht ). De leerdoelen en leerstof die daarbij horen zijn logisch opgebouwd ( samenhangend ). Het onderwijs dat de school op deze manier heeft gepland, wordt ook in de praktijk gebracht ( herkenbaar ).

Wettelijke burgerschapsopdracht

De wettelijke burgerschapsopdracht is een algemene opdracht aan de school

*

OnderwijsinhoudHet onderwijs richt zich op…

• Het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat (vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit).

• Het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de samenleving.

• Het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen tussen mensen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.

SchoolcultuurHet bevoegd gezag draagt zorg voor…

• Een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden en waarin leerlingen gestimuleerd worden actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden.

Vorm

• Het onderwijs moet doelgericht , samenhangend en herkenbaar zijn.

Waar let de Inspectie van het Onderwijs op?

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke eisen van de burgerschapsopdracht en de kerndoelen. De kaders voor het toezicht zijn beschreven in het onderzoekskader van de inspectie. De kaders volgen uit de eisen uit de wet. De inspectie gaat na of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is. Daarbij kijkt zij of de bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties zichtbaar zijn en of aan de relevante kerndoelen wordt voldaan. Andere elementen waar de inspectie in navolging van de wet op let, zijn de schoolcultuur (worden de basiswaarden hier weerspiegeld en kunnen leerlingen oefenen met burgerschap?) en de wijze waarop de burgerschapscompetenties van leerlingen worden gemonitord. Zie voor meer informatie: onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/burgerschap

INSPECTIEKADER

* De basiswaarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit worden uitgesplitst in acht verplichte elementen waar de inspectie op toeziet. Zie voor meer informatie: onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/burgerschap/basiswaarden

Wat kunnen scholen al doen?

Wat gaat er wel/niet veranderen?

Voor alle scholen (po, (v)so en vo)

Ten aanzien van wettelijke burgerschapsopdracht (2021)

• Als school moet je voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet hierop toe.

Voor po, (v)so en onderbouw vo

Ten aanzien van kerndoelen (2027)

• Totdat de nieuwe kerndoelen burgerschap officieel in de wet zijn opgenomen, ben je als school niet verplicht hier mee aan de slag te gaan.

• Wel kun je als school de nieuwe kerndoelen alvast gebruiken als inspiratie bij het vormgeven van je burgerschapsonderwijs.

• Ook kun je kijken naar onderdelen uit andere geactualiseerde leergebieden die relateren aan burgerschap.

Let op:

• De gepubliceerde kerndoelen burgerschap kunnen nog worden aangepast voordat ze wettelijk worden vastgelegd en voor scholen gaan gelden.

• De nieuwe kerndoelen burgerschap vervangen de wettelijke burgerschapsopdracht niet, maar zijn bedoeld als extra handvat voor jouw school. Je gebruikt de kerndoelen bij de invulling van het onderwijsinhoudelijke deel van de wettelijke burgerschapsopdracht en bij het formuleren van schooleigen doelen, het ontwikkelen van leerlijnen en het vormgeven van het onderwijsaanbod.

Meer informatie Een overzicht van de nieuwe kerndoelen en actuele informatie vind je hier: Actualisatie kerndoelen en examenprogramma’s –SLO .

Wat is nu wettelijk verplicht?

Voor alle scholen (po, (v)so en vo)

Voldoen aan wettelijke burgerschapsopdracht (2021)

• Deze blijft hetzelfde: de eisen aan inhoud, vorm en schoolcultuur veranderen niet. De inspectie ziet hierop toe.

Voor po, (v)so en onderbouw vo Voldoen aan kerndoelen (2027)

• Sinds 2022 actualiseert SLO alle kerndoelen.

• Voor het (nieuwe) leergebied burgerschap zijn de definitieve conceptkerndoelen in september 2025 gepubliceerd.

• Naar verwachting gelden deze kerndoelen vanaf 2027. Als school ben je vanaf dat moment verplicht om te werken met de nieuwe kerndoelen burgerschap.

• Deze kerndoelen vormen de uitwerking van het onderwijsinhoudelijke deel van de wettelijke burgerschapsopdracht.

• Voor leerlingen in het sbo en PrO gelden de reguliere kerndoelen. Voor leerlingen die naar verwachting deze doelen niet zullen behalen kun je de functionele kerndoelen voor (v)so gebruiken.

Functionele kerndoelen voor (v)so (2027)

• Deze kerndoelen zullen gelden voor leerlingen in het (v)so die zeer moeilijk leren, meervoudig beperkt zijn en die doorstromen naar het uitstroomprofiel dagbesteding of arbeidsmarkt. Voor bovenbouw v(s)o

• Er komen geen aparte examenprogramma’s voor burgerschap.

• Wel bevatten de geactualiseerde examenprogramma’s van maatschappijleer en andere vakken elementen die je als school kunt gebruiken voor je burgerschapsonderwijs.

Voor alle scholen (po, (v)so en vo)

Voldoen aan wettelijke burgerschapsopdracht (2021)

• De wettelijke burgerschapsopdracht werd in 2006 geïntroduceerd en in 2021 verduidelijkt.

• De opdracht stelt eisen aan de inhoud van burgerschapsonderwijs, de vorm waarin dit wordt aangeboden en de schoolcultuur. Als school ben je verplicht aan deze eisen te voldoen. De inspectie ziet hierop toe. Voor po, (v)so en onderbouw vo Voldoen aan de relevante kerndoelen (2006)

• Bij wet zijn er geen aparte kerndoelen voor burgerschap.

• Relevante kerndoelen in het kader van burgerschap vallen onder andere leergebieden (zoals mens & maatschappij, kunst & cultuur).

• Deze kerndoelen zijn op dit moment leidend en zijn ook de kerndoelen waarop de inspectie toezicht houdt. Meer informatie Een overzicht van de relevante kerndoelen per sector uit 2006 vind je hier: Vakportaal burgerschapSLO Klik op jouw sector en ga naar ‘onderwijsdoelen’.

Bekijk de infographic online

Burgerschap in de bovenbouw vo

Een gezamenlijke exercitie voor het hele team

Wil je vakkenintegratie, of blijf je liever vakgericht werken?

Tekst

Brigitte Bloem

Burgerschap krijgt in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs een stevigere plek dan ooit. Niet als los vak, maar als rode draad door de verschillende vakken heen. Vooral bij Nederlands, wiskunde en maatschappijleer liggen veel vanzelfsprekende aanknopingspunten. Dat zijn bovendien vakken in het gemeenschappelijk deel, die elke leerling volgt. “Alle andere vakken hebben echter ook een burgerschapsopdracht”, benadrukken curriculumexperts Lotte Straatsma en Lars van der Bruggen en programmamanager actualisatie examenprogramma’s Gerdineke van Silfhout, allen werkzaam bij SLO. “Bedenk en ontwikkel in gezamenlijkheid hoe je burgerschap in de bovenbouw op jouw school vormgeeft”, luidt hun advies dan ook.

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs heeft burgerschap geen eigen leergebied. Dat is anders dan in het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs, waar burgerschap eigen kerndoelen heeft (op dit moment - maart 2026 - nog definitieve conceptkerndoelen, op weg naar wettelijke vastlegging). De bovenbouwstructuur kent - in tegenstelling tot de onderbouw - losse vakken die geëxamineerd worden en daar zit burgerschap niet bij. Wel heeft elk vak een burgerschapsopdracht, passend bij dat vak. In de programma’s voor de vakken Nederlands, wiskunde en maatschappijleer in het gemeenschappelijk deel geldt daar bovenop dat burgerschapsdoelen expliciet aan de orde moeten komen.

Burgerschap raakt iedereen

De actualisatie van de examenprogramma’s nodigt scholen uit tot horizontale afstemming, ook in de bovenbouw. Eén van de doelen van de curriculumherziening is immers het zoeken van verbinding tussen vakken, zonder expliciet voor te schrijven hoe. “Het blijft in hoge mate aan scholen zelf om daarin keuzes te maken”, benadrukt Van Silfhout. “Wil je vakkenintegratie, of blijf je liever vakgericht werken? Dat hangt onder meer af van

SLO Lotte Straatsma, Lars van der Bruggen en Gerdineke van Silfhout
Gerdineke van Silfhout
Foto: De Beeldredaktie

je onderwijsvisie, omgeving en je leerlingpopulatie. De actualisatie biedt ruimte voor beide.”

De wettelijke burgerschapsopdracht verplicht scholen om leerlingen voor te bereiden op het leven in een democratische, pluriforme samenleving. Niet door voor te schrijven wat ze moeten denken, maar door ze te leren hoe ze kunnen meedenken, meedoen en verantwoordelijkheid nemen. “Dat betekent dat niet alleen de vaksecties Nederlands, wiskunde en maatschappijleer moeten naden-

spreken over actuele maatschappelijke thema’s waarbij ook taal en cultuur aan bod komen, denk aan nepnieuws, complottheorieën en diversiteit? Zo oefen je taalvaardigheid én burgerschapsvaardigheden en leren leerlingen om goed te luisteren naar elkaar, perspectieven te verkennen en respectvol te debatteren.” Volgens Straatsma zitten in de lessen Nederlands overal aanknopingspunten om burgerschapsthema’s te behandelen. “Bij literatuur kun je bijvoorbeeld teksten lezen over migratie, racisme en identiteit.”

Burgerschap bij andere vakken

In de nieuwe examenprogramma’s maatschappijleer is burgerschap volgens Van der Bruggen duidelijk herkenbaar in het domein ‘vaardigheden’ en het domein ‘demo-

Met burgerschap kun je taalonderwijs veel betekenisvoller maken

ken over de eigen bijdrage”, zegt Van der Bruggen. “Hetzelfde geldt voor vakken als Engels, biologie, economie en aardrijkskunde, want ook daarin zijn aanknopingspunten met burgerschap.” Tegelijk beschermt artikel 23 van de Grondwet de vrijheid van onderwijs: scholen mogen zelf bepalen hoe ze dat invullen.

Nederlands als venster op de samenleving

Curriculumexpert Straatsma is betrokken bij de actualisatie van de examenprogramma’s Nederlands. Ze ziet in ‘haar’ vak volop kansen: “Met burgerschap kun je taalonderwijs veel betekenisvoller maken. Waarom laat je leerlingen niet lezen, schrijven en

cratische waarden en grondrechten’. Deze vaardigheden en waarden komen in het hele vak terug: “Deze domeinen worden gebruikt als onderlegger voor de drie inhoudelijke domeinen over samenleving, politiek en maatschappelijke en politieke dilemma’s. In deze inhoudelijke domeinen komt burgerschap daarnaast expliciet naar voren bij het sociaal, politiek en rechtvaardig handelen.”

Ook bij andere vakken liggen logische verbindingen. Van der Bruggen: “Bij wiskunde kun je burgerschap koppelen aan statistiek, neem het interpreteren van verkiezingspeilingen en -uitslagen en het duiden van onderzoeksresultaten. Bij scheikunde krijgt duurzaamheid een duidelijke plek en dat kun je ook weer linken aan burgerschap.”

Volgens Straatsma kan de aandacht voor burgerschap alle vakken rijker en betekenisvoller maken: “Voor Nederlands geldt bovendien: als leerlingen beter leren lezen, schrijven en luisteren, functioneren ze beter in onze samenleving. Taalvaardigheid ís op die manier een voorwaarde voor burgerschap.”

Van der Bruggen vult aan: “Nederlands, wiskunde en maatschappijleer zijn logische startpunten, maar uiteindelijk gaat het om het hele curriculum dat doorspekt is van burgerschapsonderwijs. School is een mini-samenleving. Daar oefenen leerlingen hoe je met elkaar omgaat, hoe je verantwoordelijkheid neemt, hoe je verschil van mening bespreekbaar maakt. En dat leer je aan de hand van een verscheidenheid aan thema’s.”

Lotte Straatsma
SLO Lotte Straatsma, Lars van der Bruggen en Gerdineke van Silfhout
Foto: De Beeldredaktie

Beproeven op scholen

“We zitten nu in de fase dat we de conceptexamenprogramma’s op scholen beproeven”, vertelt Van Silfhout. “Het is niet de bedoeling om het werk van de vakvernieuwingscommissies nog eens dunnetjes over te doen. Wel kijken we met zo’n 130 scholen naar de begrijpelijkheid en bruikbaarheid van de conceptexamenprogramma’s voor leraren, en naar de verwachte haalbaarheid voor leerlingen. We vragen leraren en schoolleiders kritisch te kijken of ze de examenprogramma’s op hún school met hún leerlingenpopulatie uitvoerbaar achten. En zo niet, waar dat dan aan ligt: inhoud, niveau, omvang of randvoorwaarden.”

Van der Bruggen is betrokken bij het beproeven van de examenprogramma’s voor maatschappijleer. “Met veertien scholen kijken we of de concepteindtermen in de praktijk werken, dus zoals we ze hebben beoogd. Dat doen we voor alle vijf schoolsoorten, telkens met twee leraren én de schoolleider per school. Die laatste is belangrijk, want zo’n herziening raakt de visie van de hele school. Schoolleiders krijgen zo ook goed zicht op wat er allemaal verandert voor de leraren. Je moet als leidinggevende immers weten hoe je je team kunt faciliteren”, zegt Van der Bruggen. Het spannendste moment komt volgens Van Silfhout nog: “Als tijdens het beproeven blijkt dat het programma op een bepaalde schoolsoort voor de leerlingen te veel is, moeten we keuzes maken. Dan komt de vraag aan bod: wat schrappen we dan? Hoe borgen we een breed curriculum met de burgerschapsopdracht, dat ruimte houdt voor kwalificatie, socialisatie én persoonsvorming, met balans tussen kennis én handelen, tussen beheersing én opdoen van ervaringen? Dat gesprek hoort bij een volwassen curriculum. Daarom is het goed dat we dat nú voeren.”

Scholen, ga alvast aan de slag!

De slotdag van het beproeven voor de eerste reeks vakken

is in april 2026. Vervolgens wordt alle feedback gewogen en verwerkt. Van Silfhout: “In mei willen we die met alle betrokkenen wegen en passen we waar nodig de programma’s en syllabi aan. Daarna vindt terugkoppeling naar de betrokken scholen plaats. In juni maken we de balans op, samen met het ministerie van OCW, het College voor Toetsen en Examens, en Stichting Cito. Dan wordt ook besloten of invoering in 2028 haalbaar en uitvoerbaar is, en wat daarvoor nodig is.”

Net als bij de definitieve conceptkerndoelen wil SLO scholen bij de conceptexamenprogramma’s nadrukkelijk de boodschap meegeven: ga er alvast mee aan de slag! “Kom bijvoorbeeld als vaksectie eens bij elkaar om de karakteristiek van het vak en de nieuwe eindtermen te bestuderen en te bespreken”, adviseert Van Silfhout. “Wat is onze visie op het vak nu? Hoe ver zit die visie af van de visie en inhouden van het vernieuwde examenprogramma? Waar zien we de komende jaren mogelijkheden om in de bovenbouw stukjes van de vernieuwingen in ons onderwijsprogramma aan te bieden? Of kunnen we misschien in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) al onderdelen invoegen? Dat kan heel laagdrempelig. Koppel bijvoorbeeld een bestaande schrijftoets bij Nederlands aan thema’s uit het domein burgerschap en zoek daar passende bronnen bij of laat de leerlingen bronnen zoeken. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.

Je moet als leidinggevende weten hoe je je team kunt faciliteren

Wil je meer weten over de actualisatie van de examenprogramma’s? Scan de QR-code.

SLO Lotte Straatsma, Lars van der Bruggen en Gerdineke van Silfhout
Lars van der Bruggen Foto: De Beeldredaktie

Muziek en drama als oefenplaats voor burgerschap

Hoe zang, ritme en spel leerlingen leren kijken naar elkaar

Burgerschap gaat over samenleven, over luisteren, je verplaatsen in een ander, verantwoordelijkheid nemen en verschillen waarderen. Volgens leraar Anouk Muis ligt hiervoor een schat aan mogelijkheden in vakken als muziek en drama. “Je kunt met zang of toneel heel vanzelfsprekend werken aan empathie, samenwerking en respect”, zegt ze.

Muis was jarenlang musicaldocent, werkte voor producties van onder meer The Sound of Music en Shrek, en had haar eigen musicalschool. Na een carrièremove staat ze als zij-instromer voor groep 7 van een basisschool in Utrecht. “Toen ik begon, viel het me op hoe weinig met muziek en drama werd gedaan. Terwijl die vakken juist helpen om kinderen te laten kijken, luisteren en voelen. Dat zijn basisvaardigheden voor burgerschap.”

In haar lessen laat Muis leerlingen ervaren wat samenwerken betekent. “Als je samen zingt, vorm je met elkaar één geluid. Dat lukt alleen als je luistert naar de ander. Je moet afstemmen: zing ik te hard, te zacht, te snel? Ben ik in balans met de rest? Zo leren kinderen rekening houden met elkaar.”

Ook bij drama ziet ze die vormende kracht. “Door in een dramales kinderen verschillende rollen te laten spelen, leren ze situaties van een andere kant kennen. Zo ervaar je burgerschap. Wat gebeurt er in een scène waar een politieagent ineens iemand in nood niet wil helpen? Of wat is de impact van een burgemeester die alleen zijn eigen zin wil doordrijven? Dankzij drama krijgen kinderen zicht op hoe de rollen in de samenleving verdeeld zijn en hoe iedereen kan bijdragen aan de maatschappij.”

Liedjes die verbinden Muis gebruikt muziek om de groep te versterken. “In mijn eerste jaar koos ik het lied ‘Supercalifragilisticexpialidasties’ uit de musical Mary Poppins. Aan het eind van de week konden ze het hele woord spellen én zingen. Wat begon met weerstand, eindigde met trots. Het werd hún lied.”

Sindsdien schrijft ze elk jaar een eigen klassenlied. “Dit jaar zingen we ‘Dit zijn wij’. De tekst gaat over samenwerken, verschillen waarderen en elkaar helpen met je eigen talen-

ten. Door dat vaak te zingen, dringt de boodschap door. Wanneer iets misgaat in de klas, verwijs ik ernaar: we zingen dit niet voor niets.”

Oefenen in empathie School is een oefenplaats. Leerlingen doen ervaringen op; niet alleen als individu, maar juist ook in relatie tot anderen. Zo leren ze zichzelf én de ander beter begrijpen. Muziek en drama creëren volgens Muis een veilig oefenveld. “Je kunt emoties spelen zonder dat ze echt zijn. Daardoor durven kinderen meer. Ze leren kijken naar elkaar, lachen om zichzelf, maar ook troosten of luisteren. Dat is burgerschap in de praktijk.”

Soms zoekt ze het klein. “Met een paar instrumenten of met boomwhackers — plastic buizen waarmee je samen ritmes maakt. Of we maken een playlist waar iedereen een lied aan toevoegt. Dan praten we over wat iemand mooi vindt en waarom. Zo ontstaat vanzelf een gesprek over verschillen en overeenkomsten.”

Muis hoopt dat meer scholen muziek en drama zien als burgerschapsvakken. “Het gaat niet om een extra taak. Je bént al met burgerschap bezig, zodra je kinderen leert luisteren, samenwerken en zich inleven. En dat kan perfect in een lied of een toneelstukje.”

Tekst Marco van den Berg
Burgerschap en muziek Anouk Muis
Anouk Muis

Hoe zorgen we samen voor een rechtvaardige samenleving?

Mensenrechten vormen de basis onder burgerschap, omdat ze duidelijk maken wat ieder mens nodig heeft om veilig, vrij en met waardigheid te leven. Dat begint op school, weet Frauke de Kort, programmamanager Mensenrechteneducatie bij het College voor de Rechten van de Mens. “De vraag is: voelen kinderen dat hun rechten ertoe doen? Begrijpen ze waar ze over meepraten? En wordt er iets met hun ideeën gedaan?”

Tekst

Marco van de Berg

De Kort werkte jarenlang voor UNICEF in Afrika, Azië en Oost-Europa, waar ze overheden adviseerde over kinderen mensenrechten. Dat is ook het beeld dat veel mensen in Nederland koppelen aan mensenrechten: het is ‘iets van het buitenland’. Dat ziet de Kort ook in lesboeken. “Daar staat het meestal vermeld bij de VN of bij internationale kwesties. Maar wie de onderzoeken en kranten leest, ziet: ook in Nederland valt genoeg te verbeteren.”

Ze noemt actuele thema’s die direct raken aan mensenrechten: woningnood, dakloosheid, armoede, onveilige thuissituaties, seksueel grensoverschrijdend gedrag en kinderen die zonder ontbijt naar school gaan. “Het recht op een dak boven je hoofd, op gezondheid, op bescherming tegen geweld: dat zijn allemaal mensenrechten. En ze spelen hier, in onze eigen wijken, in onze eigen scholen. Ze hebben betekenis in het dagelijks leven van leerlingen.”

De democratische rechtsstaat is er om de mensenrechten van iedereen te beschermen. “Andersom heb je mensenrechten nodig om die democratische rechtsstaat in stand te houden”, verduidelijkt ze. Daar ligt de relevantie van deze rechten voor burgerschap.

Gemeenschappelijkheid

Veel leraren ervaren spanning rondom maatschappelijk gevoelig onderwerpen ziet De Kort dagelijks. “Er leven misverstanden. Soms zien mensen mensenrechten als

iets links, of als een tegenstelling met veiligheid. Terwijl het recht om veilig en vrij te leven óók een mensenrecht is. Het is geen of-of, het is en-en.”

Juist daarom is werken aan burgerschapsonderwijs vanuit een mensenrechtenkader volgens haar verhelderend. Het geeft een neutrale manier om naar een onderwerp te kijken, zegt ze. “Mensenrechten vormen namelijk een gemeenschappelijk uitgangspunt: we willen allemaal onszelf kunnen zijn, in waardigheid leven, ons ontwikkelen en meepraten over beslissingen die ons aangaan. Vanuit die gemeenschappelijkheid kun je op zoek gaan naar oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, en indien nodig in actie komen.”

RechtVaardig

Het College zette de afgelopen jaren een belangrijke stap door de papieren toolbox Mensenrechten op School om te vormen tot het digitale platform RechtVaardig.nl. “Met RechtVaardig willen we laten zien: als je vanuit mensenrechten werkt, voldoe je automatisch aan de burgerschapsopdracht”, legt ze uit.

Het platform ondersteunt scholen op meerdere niveaus. Op het platform staan onder meer een quickscan, een stappenplan, een doorlopende leerlijn en verschillende werkvormen. Het biedt schoolbestuur en schoolleiding handvatten om schoolbreed aan de slag te gaan met beleid,

College voor de Rechten van de Mens Frauke de Kort

“We vinden het prachtig als iemand Frans spreekt. Maar Turks of Arabisch? Dan kijken we soms toch anders. Dat is ook burgerschap: begrijpen van je eigen aannames.”

Als Nederlands de voertaal is op school, kun je er regels over opstellen. “Doe dat in samenspraak met je leerlingen, zodat iedereen begrijpt wanneer het helpend is en wanneer het beperkend is. Bijvoorbeeld, als leerlingen door een korte uitleg in de thuistaal het geleerde beter begrijpen, mag het wel. Als een leerling een taal (of dialect) gebruikt om anderen uit te sluiten, mag het niet.”

Leerlingen merken elke dag of ze zichzelf mogen zijn en of verschillen oké zijn. Dat zijn mensenrechten in actie.

veiligheid, inspraak en inclusie. Ook biedt het individuele leraren inspiratie om mensenrechten in hun lespraktijk in te zetten. “Veel leraren willen iets concreets doen”, zegt ze. “Een werkvorm, een les, iets tastbaars. Dat vind je daar allemaal.”

School moet volgens De Kort zelf het levende voorbeeld zijn. “Je kunt leerlingen geen ‘actief burgerschap en sociale cohesie’ aanleren. Leerlingen moeten de waarde ervan leren inzien. Dat kan alleen als hun rechten, hun waardigheid, hun stem op school ook echt gerespecteerd worden. Inspraak moet meer zijn dan een leerlingenraad die drie keer per jaar vergadert. Zonder de juiste randvoorwaarden is deze raad geen democratische oefenplaats. Hoe representatief is zij? Hoe weet zij wat er onder leerlingen speelt? Hoe wordt zij door de schoolleiding geïnformeerd en betrokken? Datzelfde geldt voor de leerlingengeleding in de MR.”

Omgang met thuistalen

Omgang met thuistalen is ook een voorbeeld dat De Kort vaak gebruikt. Het idee dat leerlingen op school hun thuistaal niet mogen gebruiken, schuurt met het kinderrecht op je eigen taal en cultuur. “Taal is zo’n sterk onderdeel van iemands identiteit, ga daar positief mee om.” Onlangs gaf ze een workshop aan leraren van de basisschool. “Ik vertelde over dit recht. En binnen tien minuten ging het bij iedereen over meertaligheid in de klas. Over wat afwijzing van de thuistaal doet met het zelfbewustzijn van een kind. En omgekeerd: hoe een afwijzende houding vooroordelen in de kaart speelt bij de rest van de klas.” De Kort lacht even:

Ervaringsplaats

De Kort benadrukt dat burgerschap niet alleen gaat over kennis, maar vooral over ervaring. “School is niet alleen een oefenplaats, maar een ervaringsplaats”, zegt ze. “Leerlingen merken elke dag of hun stem ertoe doet: of ze zichzelf mogen zijn en of verschillen oké zijn. Dat zijn mensenrechten in actie.”

Ze ziet veel scholen al stappen zetten. Toch is nog winst te behalen. “Burgerschap aanvliegen vanuit mensenrechten biedt samenhang en een ijkpunt voor goed, inclusief onderwijs. Het brengt burgerschap terug tot de essentie: hoe zorgen we samen voor een rechtvaardige samenleving waarin ieders mensenrechten gegarandeerd zijn? Blijf dicht bij de leefwereld van je leerlingen, laat ze hun rechten in de praktijk ervaren en ga samen op zoek naar oplossingen voor uitdagingen.”

Het College voor de Rechten van de Mens is het mensenrechteninstituut van Nederland. Zij stimuleert onder andere het onderwijs over mensenrechten in Nederland. Lees meer op www.mensenrechten.nl

RechtVaardig.nl is het digitale platform voor mensenrechten in het primair en voortgezet onderwijs, en het mbo.

Frauke de Kort
College voor de Rechten van de Mens Frauke de Kort

Opbrengstgericht werken aan burgerschap geeft structuur en houvast

Burgerschapsonderwijs is anders dan rekenen of taal, maar hoeft niet vager of vrijblijvender te zijn. Onderzoeker Lianne Hoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) laat zien hoe een opbrengstgerichte aanpak structuur en houvast kan bieden. Leraar en coördinator burgerschap Niels de Leeuw van het Rodenborch College vertelt hoe het team op zijn school opbrengstgericht werken aan burgerschap in praktijk brengt.

Fotografie

Om te zorgen dat scholen tot een samenhangend, doelgericht curriculum komen, moet elke school goed bijhouden hoe leerlingen zich op het gebied van burgerschap ontwikkelen. Zo is dat immers in de aangescherpte burgerschapsopdracht van 2021 gesteld. Hoe werk je opbrengstgericht aan burgerschap? “In feite is dat niet heel anders dan bij rekenen of taal”, stelt Hoek. “Alleen zijn we dat in de context van dit leergebied minder gewend.” Volgens de onderzoeker draait het om systematisch werken, vergelijkbaar met de PDCA-cyclus (plan-do-check-act). “Deze werkwijze is niks nieuws. Alleen passen we het bij burgerschap nog zelden toe, terwijl het juist houvast kan bieden.”

De samenleving is in beweging, onderwijsprogramma’s veranderen. De complexiteit blijft en je bent nooit klaar

Systematisch werken is precies wat

De Leeuw in de praktijk als positief ervaart. Op het Rodenborch College te Rosmalen, een brede scholengemeenschap met tweetalig onderwijs, is burgerschap geen los project.

“We vertalen de definitieve conceptkerndoelen naar concrete leerdoelen. Vervolgens hangen we er opdrachten onder en kijken dan waar burgerschap

in het handelen van leerlingen naar voren komt. Je kunt burgerschap wel iets meetbaars noemen, maar het is vooral merkbaar in houding en gedrag. Het gaat erom dat leerlingen burgerschap ervaren in hoe ze samenwerken, discussiëren en verantwoordelijkheid nemen.”

Normatief leergebied

Dat opbrengstgericht werken bij burgerschap ingewikkelder aanvoelt dan bij taal of rekenen, komt volgens Hoek door het normatieve karakter van burgerschap. “Bij rekenen is 1 + 1 gewoon 2. Burgerschap is veel contextgevoeliger”, legt ze uit. “De meningen verschillen over wat we verstaan onder goed burgerschap. Dat mag ook. Daarom moeten scholen eerst helder krijgen wat zij zelf onder burgerschap verstaan en wat passend is bij hun leerlingen en de schoolcontext. Dat is een extra stap die ze bij andere leergebieden minder hoeven te zetten. Veel scholen verdelen burgerschapsdoelen over meerdere vakken. Daardoor is het lastiger om te zien wat werkt en wat aanpassing behoeft. Leraren moeten goed weten wie aan welke doelen werkt en hoe alles op elkaar aansluit.”

Tekst
Brigitte Bloem
Foto
Erwin Winkelman
Opbrengstgericht werken Lianne Hoek en Niels de Leeuw
Niels de Leeuw

Eén van de grootste uitdagingen zit in taalvaardigheid, ervaart De Leeuw. “Leerlingen, maar ook leraren, lopen soms vast op de taal die nodig is om over thema’s van burgerschap te praten. Dat maakt het ingewikkelder om de opbrengsten te meten. De ervaring binnen het tweetalige team is dat er een feedbackloop moet zijn. Problemen waar leraren in het klaslokaal tegenaan lopen leiden tot hertaling van de gebruikte opdrachten en rubrics”, aldus De Leeuw.

Van visie naar leerdoelen

Veel scholen beginnen enthousiast met het ontwikkelen van een visie op burgerschap, maar blijven daar te lang in hangen, stellen beiden. Hoek: “Een visie is vaak idealistisch geformuleerd. Het echte werk zit in de vertaalslag naar leerdoelen. Begin met een visie en vertaal die vervolgens naar leerdoelen per bouw of klas. Neem mee wat je al doet en stem dat af binnen het team. Zo bouw je aan een doorlopende leerlijn.”

Bij rekenen is 1 + 1 gewoon 2. Burgerschap is veel contextgevoeliger

Voor De Leeuw is dit herkenbaar. “We zijn voortdurend bezig met de vraag: zijn we wel zo effectief wereldburgers aan het vormen als we denken? Het idee dat je burgerschapsonderwijs in je eentje kunt doen, is allang achterhaald. We hebben op school een team van vijf coördinatoren, en daarnaast zijn tal van andere collega’s betrokken. Zo wordt burgerschap van het hele team. Het management speelt daarbij een sleutelrol. De rector en portefeuillehouder zijn actief betrokken en nemen structureel deel aan ons periodieke overleg.”

Leeropbrengsten

Jaarlijks neemt het Rodenborch College deel aan ‘Burgerschap Meten’*. Door aan dit grootschalige onderzoek van de UvA mee te doen, krijgt de school zicht op de leeropbrengsten en de door de leerlingen opgedane burgerschapscompetenties. De Leeuw: “Dit heeft bijvoorbeeld aanleiding gegeven tot het uitwerken van een nieuwe leerlijn ‘omgaan met verschillen’ binnen het mentoraat van de onderbouw om het afwijzen van discriminatie te bevorderen.”

Hoek legt uit dat je gestandaardiseerd kunt werken, bijvoorbeeld met de jaarlijkse vragenlijst van Burgerschap Meten, of juist ongestandaardiseerd met rubrics, portfolio’s of observaties. “De gestandaardiseerde aanpak geeft zicht op scores van veel leerlingen tegelijk en kan die scores in verhouding plaatsen tot leerlingen van andere scholen. De ongestandaardiseerde aanpak vraagt doorgaans wat meer tijd en expertise, maar kan goed laten zien hoe individuele leerlingen redeneren en keuzes maken. Misschien is een combinatie van beide dus wel het beste.”

Hoek en De Leeuw willen meegeven dat opbrengstgericht werken aan burgerschap niet over ‘meer administratie’ gaat, maar over betekenisvol leren. De Leeuw noemt het een voortdurend leerproces. “De samenleving is in beweging, onderwijsprogramma’s veranderen, nieuwe leraren brengen frisse kennis mee van hun opleiding. De complexiteit blijft en je bent nooit klaar.” Zijn advies aan collega’s van andere scholen? “Doe het niet alleen. Werk samen met collega-scholen, met universiteiten en hogescholen, én natuurlijk met je hele schoolteam.” Hij ervaart veel profijt van het leernetwerk met collega-scholen en de Academische Werkplaats Sociale Kwaliteit Onderwijs van de UvA. “Kortom”, rondt Hoek af, “opbrengstgericht werken aan burgerschap is een manier om dat wat je als school al doet, beter te organiseren. Het geeft structuur aan iets wat vaak versnipperd is én helpt leerlingen écht om te groeien tot betrokken burgers.”

Scan de QR-code voor meer informatie over Burgerschap Meten

*Burgerschap Meten wordt tegen een vergoeding ter beschikking gesteld door Rovict. Het is (kosteloos) beschikbaar voor scholen die deelnemen aan onderzoek van de UvA.

Lianne Hoek
Opbrengstgericht werken Lianne Hoek en Niels de Leeuw

Professionalisering met betekenis door scholen te verbinden

Hoe Ontwikkelkracht het onderwijs vernieuwt

Ontwikkelkracht ondersteunt en faciliteert expertisescholen om hun aanpak te implementeren op andere scholen. Scholen die ergens in uitblinken, zoals De Fonkeling in burgerschapsonderwijs, delen hun kennis met andere scholen. Geen training van buitenaf, maar leren van collega’s. Dat blijkt een krachtige formule.

Op basisschool De Fonkeling in Vleuten hangt een rustige, geconcentreerde sfeer. In groep 8 krijgen leerlingen uitleg over de Trias Politica en discussiëren daarover. In groep 4 praten ze over democratie. “Dat klinkt misschien ambitieus”, zegt directeur Mariëlle Klasen, “maar kinderen vinden het fantastisch. Ze willen weten hoe de wereld werkt. En wij hebben de overtuiging dat kennis de sleutel is om een goede burger te worden.”

“Expertisescholen Ontwikkelkracht draait om professionalisering van binnenuit”, zegt Arjan van der Meij, programmaleider van de expertisescholen. “Professionalisering komt meestal van buiten; wij doen het anders. We zetten scholen zelf in de rol van opleider. Want niemand begrijpt de klas beter dan een leraar die er dagelijks in staat.”

Het idee ontstond een paar jaar geleden, toen onderzoekers en onderwijsprofessionals de handen ineensloegen. “We wilden een beweging creëren waarin wetenschap, vakmanschap en praktijk elkaar versterken”, vertelt

Van der Meij. “Niet nog een project, maar een duurzaam programma dat echt bijdraagt aan beter onderwijs.”

Binnen Ontwikkelkracht zijn vier pijlers: onderzoeks- en verbetercultuur, kennisdeling, co-creatielabs en de expertisescholen. “We zoeken scholen die iets uitzonderlijk

Hoge verwachtingen betekenen voor ons: werken vanuit de overtuiging dat alle kinderen kunnen leren

goed doen”, legt Anne Kreuger, begeleider bij Ontwikkelkracht, uit. “Die scholen helpen we om hun expertise expliciet te maken, zodat ze het kunnen delen met anderen.”

Een school die weet waar ze voor staat

De Fonkeling werd in 2023 gevraagd om aspirant-expertiseschool te worden. Klasen twijfelde even. “We dachten: zijn wij wel goed genoeg om andere scholen iets te leren?

Maar ik heb een ambitieus team, leraren die verder willen denken dan hun eigen klas, dus zeiden we ‘ja’.”

Wat De Fonkeling onderscheidt, is hun overtuiging dat burgerschap bij kennis begint. Klasen: “Je kunt niet goed met elkaar in gesprek gaan over bijvoorbeeld vrijheid of duurzaamheid als je niet begrijpt waar die begrippen van-

Tekst
Martijn de Graaff
Ontwikkelkracht Mariëlle Klasen, Arjan van der Meij, Anne Kreuger, Hessel Nieuwelink
Mariëlle Klasen

ger. “Maar om dat te kunnen delen, moet je het expliciet maken. Hessel hielp De Fonkeling om te verwoorden wat hun aanpak succesvol maakt.”

daan komen. Wij willen kinderen een rugzak vol kennis meegeven, zodat ze later niet alleen meedoen, maar ook iets kunnen toevoegen aan de samenleving.”

In de praktijk betekent dat, dat leerlingen op De Fonkeling thema’s behandelen die vaak pas op de middelbare school aan bod komen. “Zoals de Trias Politica”, benoemt Klasen. Ook thema’s als wereldgodsdiensten, gender en mediawijsheid krijgen inhoudelijke diepgang. “We benaderen die onderwerpen vanuit kennis. Waar komt een geloof vandaan, wat zijn de uitgangspunten? Dat koppelen we aan de eigen leefwereld van kinderen. Dat maakt het betekenisvol.”

De school werkt vanuit hoge verwachtingen. Klasen: “Mensen denken dan meteen aan prestatiedruk. Maar hoge verwachtingen betekenen voor ons: werken vanuit de overtuiging dat alle kinderen kunnen leren. Niet zeggen ‘die kan dat niet’.”

De rol van de wetenschap

Bij elk Expertiseschooltraject werkt de expertiseschool samen met een inhoudelijk expert uit de wetenschap. Voor De Fonkeling was dat Hessel Nieuwelink, lector Burgerschapsonderwijs (zie kader). “Wat een expertiseschool goed doet, zit vaak in het DNA van de school,” zegt Anne Kreu-

Nieuwelink observeerde lessen en koppelde zijn bevindingen aan wetenschappelijke literatuur. Die samenwerking tussen onderzoek en praktijk is een belangrijk onderdeel van Ontwikkelkracht, benadrukt Van der Meij. “We willen dat wetenschap niet iets is van ‘de universiteit daarboven’, maar een vanzelfsprekend onderdeel van hoe scholen leren en verbeteren. Hessel hielp De Fonkeling hun praktijk te ondertitelen, zoals wij dat noemen.”

Van theorie naar training

Na die eerste fase (het expliciet maken van hun expertise) volgde de tweede stap: het overdraagbaar maken. De leraren van De Fonkeling ontwikkelden een serie trainingen voor andere scholen. “We hebben geleerd hoe je volwassen professionals begeleidt in verandering”, aldus Klasen. “Want dat is echt iets anders dan lesgeven aan kinderen.”

Inmiddels begeleidt De Fonkeling een school in IJsselstein. “We zijn daar begonnen met klasbezoeken en gesprekken met het team”, vertelt Klasen. “We wilden hun context goed begrijpen. Daarna hebben we samen het trainingsprogramma bepaald. Tussen elke training zitten werksessies waarin het team zelf aan de slag gaat. Wij begeleiden, maar de teamleden van die school gaan zelf aan de slag.”

Kreuger: “Dat is precies het idee. Het gaat niet om één middagje inspiratie, maar om een proces van leren, toepassen, evalueren en verbeteren. De Fonkeling geeft niet alleen kennis door, maar laat ook zien hoe je als team leert.”

Ontwikkelkracht Mariëlle Klasen, Arjan van der Meij, Anne Kreuger, Hessel Nieuwelink
Arjan van der Meij
Anne Kreuger

Hoogtepunten en hobbels

Het programma Ontwikkelkracht is dus ambitieus. Het vraagt veel van scholen: tijd, inzet en reflectie. Toch is de energie hoog. “Onze expertisescholen blijven allemaal meedoen”, zegt Van der Meij. “Ze kunnen elk jaar stoppen, maar dat doet niemand. Ze vinden het waardevol. En wij zorgen goed voor ze: we bieden begeleiding, subsidie, zichtbaarheid. En waardering, want zij zijn degenen die het verschil maken.”

Wel stelt Expertisescholen Ontwikkelkracht duidelijke voorwaarden. “Een school kan pas van een andere school leren als de basis op orde is,” zegt Van der Meij. “Er moet een professionele cultuur zijn, een betrokken schoolleiding, een team dat wil leren. Anders werkt het niet. Je kunt geen zaadjes planten in dorre grond.”

Lector Hessel Nieuwelink over De Fonkeling Volgens Nieuwelink begint zinvol burgerschapsonderwijs niet bij een werkblad over verkiezingen of een uitje naar het gemeentehuis, maar bij de dagelijkse lespraktijk. “Burgerschap zit niet alleen in aparte projecten,” zegt hij. “Het zit in wereldoriëntatie, geschiedenis, taal, in de manier waarop je over de wereld praat.”

Nieuwelink bezocht De Fonkeling meerdere keren en was onder de indruk. “Wat ik daar zag, was een school met een heldere visie en veel rust. Leraren werken samen aan kennisrijke thema’s die van kleuters tot groep 8 terugkomen. Burgerschap is bij hen geen losstaand onderdeel, maar onderdeel van goed onderwijs.”

De kracht van De Fonkeling zit volgens hem in hun expliciete didactiek. “Ze gebruiken het model van directe instructie: duidelijke doelen, uitleg, oefenen, feedback. En dat werkt. Leerlingen zijn actief, gemotiveerd, en begrijpen complexe thema’s, van duurzaamheid tot de Trias Politica. Ze onderschatten hun leerlingen niet.”

Wat Nieuwelink zag, stemde hem optimistisch: “Deze school laat zien dat jonge kinderen veel meer kunnen dan mensen vaak denken. Als je hoge verwachtingen combineert met structuur, rust en inhoud, kunnen kinderen op de basisschool al echt leren nadenken over complexe, maatschappelijke vraagstukken.”

Een beweging die groeit

Momenteel doen zo’n twintig scholen mee aan het Expertiseschoolprogramma van Ontwikkelkracht. De onderwerpen variëren van taal en rekenen tot inclusief onderwijs en gedrag. Van der Meij: “We groeien rustig, met ongeveer tien nieuwe scholen per jaar. Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit. We willen een duurzaam netwerk bouwen van scholen die elkaar versterken.”

Het effect van Ontwikkelkracht gaat verder dan alleen beter onderwijs. “We zien leraren groeien”, zegt Van der Meij. “Ze ontdekken dat ze meer kunnen dan alleen lesgeven. Ze worden opleiders, onderzoekers, ontwerpers. En dat geeft status en trots. Dat is belangrijk voor het imago van het beroep.”

Kreuger noemt het ‘professionalisering met betekenis’. “Leraren voelen zich serieus genomen. Ze mogen hun kennis delen, anderen inspireren. En ze merken dat hun werk echt verschil maakt. Dat geeft energie.”

Ook Klasen herkent dat: “Mijn team is enorm gegroeid. Ze vinden het spannend, maar ook leuk. In het team is een collectieve trots en een blijvende kritische blik naar ons eigen aanbod ontstaan. Dat heeft weer een positief effect op onze lessen.”

Scan de QR-code voor meer informatie over Kennisgericht burgerschap - Ontwikkelkracht

Hessel Nieuwelink
Ontwikkelkracht Mariëlle Klasen, Arjan van der Meij, Anne Kreuger, Hessel Nieuwelink

‘Weet wie je leerlingen zijn om goed bij hen te kunnen aansluiten’

Scholen weten vaak precies wat hun leerlingen kunnen, maar minder goed wie ze zijn en wat hen vormt. Toch vraagt goed burgerschapsonderwijs juist om dat inzicht: weten wie je leerlingenpopulatie is, welke leefwereld de leerlingen meebrengen en hoe die verschilt van de waarden die de school wil overbrengen. Dat zegt Anne Bert Dijkstra, verbonden aan de Inspectie van het Onderwijs.

“Burgerschap is geen bijzaak”, benadrukt hij. “Het gaat erom dat leerlingen zich in de leefwereld waarin ze opgroeien leren verhouden tot de waarden van onze democratische rechtsstaat.” Binnen de inspectie houdt Dijkstra zich bezig met de kwaliteit van onderwijs op het sociale domein, waaronder ook burgerschap valt.

De wet vraagt van scholen dat zij de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevorderen: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, met elementen als non-discriminatie, verdraagzaamheid en vrijheid van meningsuiting. “De kern is dat leerlingen zich die waarden eigen maken

en ze vertalen naar hun eigen leefwereld. Dat vraagt om onderwijs dat niet blijft hangen in abstracties, maar herkenbaar is voor de leerlingen die voor je zitten.” Bij taal en rekenen is het vanzelfsprekend dat scholen de beginsituatie van hun leerlingen kennen. Bij burgerschapsonderwijs is dat niet anders, al komt daar een extra laag bij. “Het gaat niet alleen om sociaal-economische achtergrond, maar ook om de sociale, culturele, religieuze en maatschappelijke leefwereld. Pas als je die kent, kun je zinvolle keuzes maken in je onderwijs.”

Relatief veel herstelopdrachten

De inspectie kijkt daarom niet alleen naar wat scholen aanbieden, maar ook naar hun inzicht in de leerlingenpopulatie en hoe dat wordt vertaald naar het curriculum. “De inspectie geeft hier nog relatief veel herstelopdrachten”, vertelt Dijkstra. “Vaak ontbreken concrete leerdoelen of zijn ze te algemeen. Soms zie je een generiek plan dat voor meerdere scholen geldt, terwijl het niet past bij de leerlingen in dit dorp of deze wijk.”

Tekst Marco van den Berg
Inspectie van het Onderwijs Anne Bert Dijkstra
Foto
Hans Slegers

De kern is dat leerlingen zich de basiswaarden eigen maken en vertalen naar hun eigen leefwereld

Sommige scholen denken wel aandacht te hebben voor verschillen, maar letten niet op aspecten die voor burgerschap van belang zijn. “In het onderwijs letten we op achterstanden bij taal en rekenen, dus doen we dat ook bij burgerschap”, licht Dijkstra toe. “De vraag is waardoor die achterstanden ontstaan. Wat speelt er in deze wijk? Zijn er risico’s als het gaat om acceptatie van basiswaarden? Dáár gaat het om.”

Onderbouwde aanpak

Sinds 2021 is doelgerichtheid stevig verankerd in de wet. Daarmee verschuift de aandacht van losse activiteiten naar een onderbouwde aanpak. “Burgerschap zat lang aan de activiteitenkant. We gingen naar het verzorgingshuis of bezochten een monument. Allemaal waardevol, maar de vraag is: waaróm doen we dit, wat willen we bereiken en past dit bij onze leerdoelen?”

Hij geeft een voorbeeld: “Stel dat er in de buurt een asielzoekerscentrum wordt gepland. Er ontstaat onrust, leerlingen horen thuis stevige meningen. Dan vraagt de wet dat de school zich afvraagt of dit onderwerp een plek verdient in het onderwijs. Niet om een politiek standpunt in te nemen, maar om basiswaarden te bespreken in een herkenbare context. Wat betekent verdraagzaamheid hier, of vrijheid van meningsuiting? Negeert een school zulke thema’s structureel, dan voldoet ze niet aan haar opdracht.”

Dat betekent niet dat scholen altijd moeten reageren op de actualiteit. “Een school kan er ook voor kiezen om toch, ondanks een actuele situatie, rust en continuïteit centraal te stellen, zolang ze maar doelgericht werken aan bevordering van basiswaarden. Het gaat niet om een reactie op elk incident, maar om een doordacht programma dat relevant is voor de leerlingenpopulatie.”

Die opdracht geldt voor alle sectoren: primair, gespecialiseerd en voortgezet onderwijs. De accenten verschillen, maar de kern is gelijk. “In het gespecialiseerd onderwijs ligt de nadruk vaak op sociale redzaamheid: zelfstandig kunnen leven en omgaan met anderen. Ook daar horen democratische waarden bij. En steeds geldt dat concrete leerdoelen en monitoring nodig zijn.”

Zicht op resultaten

Dat monitoren – zicht houden op opbrengsten – is belangrijk. “De wet vraagt niet alleen om leerdoelen, maar ook om zicht op resultaten. Het gaat niet om een verplicht te behalen niveau, maar om het volgen van ontwikkeling. In hoeverre beheersen de leerlingen de leerdoelen die de school bereiken wil? Als je weet waar je leerlingen staan, kun je bijsturen.”

Een voorbeeld illustreert dat: “Een school in de Randstad dacht haar leerlingen goed te kennen. Ze golden als open en tolerant, maar een vragenlijst liet zien dat veel leerlingen xenofoob dachten. Dat was schrikken. De school paste het curriculum aan, organiseerde ontmoetingen met

Anne Bert Dijkstra
Inspectie van het Onderwijs Anne Bert Dijkstra

mensen uit de wijk en zag dat houdingen verbeterden. Dat is de cyclus: doelen stellen, aanpak kiezen, effecten meten en bijstellen.”

Een dik beleidsplan is daarvoor niet nodig. “Belangrijk is dat het team gezamenlijk bepaalt wat het onder bijvoorbeeld verdraagzaamheid verstaat, welke kennis, houding en vaardigheden daarbij horen en in welke lessen die terugkomen. Realiseer je ook dat de leefwereld van leerlingen voortdurend verandert. Wat vorig jaar relevant was, hoeft dat nu niet meer te zijn.” Dat scholen soms binnen hun eigen bubbel blijven, kan een risico zijn.“Daarom is het belangrijk dat leerlingen in aanraking komen met verschillen”, zegt Dijkstra. “Dat kan via actualiteit, gastlessen, excursies of debat. De school kiest de vorm, maar het doel is steeds: leren omgaan met diversiteit en verschillen van mening, zonder de basiswaarden uit het oog te verliezen.”

Scholen kiezen accenten

Autonomie en gemeenschappelijkheid vragen ook een belangrijk evenwicht. “Autonomie betekent dat je mag zijn wie je bent. Je mag een geloof verlaten of juist aannemen, kritisch zijn op de democratie of de overheid. Maar er zijn waarden die niet onderhandelbaar zijn: we discrimineren niet, houden ons aan de wet, er is vrijheid van meningsuiting en protest is prima. Scholen kunnen hun eigen accenten kiezen, passend bij hun visie en leerlingen.”

Volgens Dijkstra zien inspecteurs bij veel scholen bereidheid om met burgerschap aan de slag te gaan. “Teams voelen de maatschappelijke opdracht en vinden die belangrijk. De grootste stap zit in het denken in leerdoelen en het zichtbaar maken van opbrengsten. Dat kost tijd. De opdracht is niet altijd gemakkelijk, en de polarisatie in de samenleving gaat ook aan scholen niet voorbij. Toch zie ik dat veel scholen het gesprek aangaan: als leraren met elkaar, en met ouders en leerlingen. Dat is belangrijk.”

De aandachtspunten zijn bekend: “Concretere plannen, koppeling activiteiten aan leerdoelen en meer monitoring”, vat Dijkstra samen. “En vaak wordt de leefsituatie van leerlingen weinig meegenomen. Terwijl juist die context veel kan zeggen over de vragen die bij burgerschap aandacht vragen. Hebben leerlingen bijvoorbeeld te maken met onverdraagzaamheid of discriminatie?”

Data en dialoog

Voor goed burgerschapsonderwijs hoef je niet alles om te gooien, besluit Dijkstra: “Sociale en maatschappelijke vorming zijn zo oud als het onderwijs zelf. De vraag is: wat werkt, en welke leerdoelen vragen aandacht?

Niet op gevoel, maar op basis van een doordachte afweging, gevoed door data en dialoog. Luister naar wat er in de klas leeft, kijk rond in de wijk, en kies aanpakken die passen bij jouw leerlingen. Dat is geen extra taak, maar de kern van goed onderwijs.”

Prof. dr. A.B. Dijkstra was tot voor kort programmamanager sociale kwaliteit van het onderwijs bij de Inspectie van het Onderwijs

De leefwereld van leerlingen verandert voortdurend. Wat vorig jaar relevant was, hoeft dat nu niet meer te zijn

Inspectie van het Onderwijs Anne Bert Dijkstra
Foto

‘Geef leerlingen een stem. Al is het over buitenspelen of binnenblijven’

Denk niet te moeilijk: soms zit burgerschap in kleine dingen die heel waardevol kunnen zijn. Dat is één van de tips voor het speciaal onderwijs van Mariska Meijer. Op haar school, VSO De Aventurijn in Almere, hebben leerlingen een ontwikkelingsachterstand. “Toen ze mochten meedenken over het schoolplein, hoorden we: ‘Wij willen voetballen, maar er moet ook iets komen voor de leerlingen in een rolstoel.’

Prachtig dat ze ook aan anderen denken: dat is burgerschap.”

te doelen. In de les breng je kennis over, maar het gaat ook heel veel over houding en vaardigheden. Dat oefenen we vaak, ook bij praktijkvakken. Denk aan samenwerken met respect voor elkaars verschillen. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het onderdeel horeca, dan moeten ze om 12 uur samen de broodjes klaar hebben.”

Drie speerpunten

Burgerschapsonderwijs begint met een gedeelde visie opstellen, volgens Meijer. “Daarnaast hebben we drie speerpunten geformuleerd: inzicht in talenten en beperkingen bij jezelf en de ander, diversiteit en samen beslissingen nemen. Als coördinator burgerschap zit ik in een team met leraren uit vijf verschillende units. Wij bewaken dat de functionele kerndoelen en onze speerpunten terugkomen in het lesaanbod en dat er een doorgaande leerlijn is. Ook evalueren we de aanpak.” Je moet daarbij kritisch kijken naar de lesmethodes die je gebruikt”, adviseert Meijer. “Misschien zijn er extra opdrachten nodig. Per unit hebben wij een budget om duurzaam materiaal aan te schaffen om specifieke kerndoelen extra te oefenen.”

De leerlingpopulatie op de school is heel divers: zeer moeilijk lerende leerlingen van 12 tot en met 18 jaar, soms met een lichamelijke beperking of een diagnose zoals autisme of ADHD. “We hebben vier leerroutes waarbij de leerlingen uitstromen naar verschillende soorten dagbesteding of beschutte arbeid”, vertelt Meijer. Zij is leraar en coördinator burgerschap. “Voor onze leerlingen zijn er aangepas-

Laat leerlingen stemmen

Democratie gaat ook over je eigen stem laten horen. “De landelijke verkiezingen hebben we besproken in de klassen met leerroute 3 en 4. Wat stem jij? Hoe gaat dat in z’n werk? In klassen met leerroute 1 en 2, waarin de leerlingen een lager cognitief niveau hebben, hebben we een meer praktische invulling. Ze mochten bijvoorbeeld zelf stemmen over: gaan we buitenspelen of binnen blijven? Of we laten de leerlingen kiezen uit twee opdrachten”, legt Meijer uit. Verder is er een leerlingenraad met een vertegenwoordiger uit elke klas, die over zaken binnen de school mag meepraten, bijvoorbeeld over de inrichting van het schoolplein.

Tekst
Klaske Delhij
Foto’s
Erwin Winkelman
Fotografie
VSO De Aventurijn Mariska Meijer
Mariska Meijer

Burgerschap komt overal in terug

De Aventurijn werkt met twee methodes: in alle leerjaren van leerroute 1 en 2 en in de brugklassen van leerroute 3 en 4 wordt ‘Beste Burgers’ gebruikt, onderdeel van de Vreedzame School. Na de brugklas van leerroute 3 en 4 wordt ‘Kies Vooraf’ gebruikt. “Maar burgerschap komt overal in terug, niet alleen in die lessen.” Ze leren bijvoorbeeld samenwerken met iemand, ook al zijn ze geen vrienden. Ze leren om zichzelf uit te drukken en hun mening te geven, zonder dat het ten koste gaat van een ander. Muziek- en theaterlessen zijn onder meer een mooie oefenplaats om je uit te drukken.

“We besteden ook aandacht aan pesten en sociale media. Bijvoorbeeld als een leerling uit een WhatsApp-groep wordt gegooid. Ze hebben vaak niet door hoe dit voor een ander voelt. Daarover ga je dan in gesprek.”

Burgerschapskalender

Per leerroute is uitgewerkt wat de leerlingen in elk leerjaar doen. De groepsplannen worden gedurende het jaar gemonitord en geëvalueerd. De Aventurijn werkt ook met een burgerschapskalender: elke unit besteedt jaarlijks extra aandacht aan drie thema’s in de les. Meijer: “Dagelijks besteden we zo’n twintig minuten aan het thema. Een thema kan zijn: ‘elkaar complimenten geven’: zo worden leerlingen bewust van elkaars goede talenten. Een leerling in mijn vorige klas kon niet schrijven en lezen, maar durfde wel bij andere klassen aan te kloppen om bijvoorbeeld een schaar te lenen. Dat durfden anderen weer niet. Als er iets geregeld moest worden, werd zij door haar klasgenoten gevraagd om te helpen. Je zag haar stralen.”

Ook de wereld buiten opzoeken of naar binnen halen is onderdeel van burgerschap. “Laatst hadden we een opa en oma dag, zodat zij konden ervaren wat we allemaal doen op school. Verder lopen leerlingen buiten school stage en

Door mensen in de school te halen is het al direct een kleine oefensessie voor burgerschap

werken ze mee aan optredens. Soms zijn er gastlessen, bijvoorbeeld door een tandarts (thema mijn lichaam), een reptielendeskundige met reptielen (thema plant en dier) of iemand die de oorlog heeft meegemaakt en daarover komt vertellen. Door mensen in de school te halen is het al direct een kleine oefensessie voor burgerschap. Hoe benader je een nieuw iemand, hoe stel je jezelf voor, op welke manier kun je vragen stellen?”

Best practices

Meijer is op school het aanspreekpunt voor burgerschap. Met de werkgroep vergadert zij zes keer per jaar. Daarnaast staat burgerschap elke twee maanden op de agenda van de vergaderingen van de vijf units. Op beleidsniveau bespreekt Meijer burgerschap met de directeur en intern begeleiders. “Ik zie mijn functie als een brugfunctie. Je hoort signalen over wat er speelt bij de verschillende units. Je bespreekt hoe je dit kunt vertalen naar de lessen.” Daarnaast zit ze in een expertisegroep met vijf andere scholen uit Lelystad, Amersfoort, Hilversum en Zeist. “We kunnen elkaar bellen om te sparren, we wisselen best practices uit en hebben samen een stappenplan gemaakt hoe je burgerschap kunt monitoren en welk instrument daarvoor geschikt is. Zo leer je van elkaar.”

Tips

• Formuleer met elkaar een duidelijke visie op burgerschap

• Kies drie speerpunten die passen bij je leerlingpopulatie en school

• Begin gewoon en denk niet te moeilijk: burgerschap kan al heel klein waardevol zijn

VSO De Aventurijn Mariska Meijer

Kleuters en burgerschap: ‘Start bij hun leefwereld’

De burgerschapsopdracht geldt ook voor groep 1 en 2. Juist in deze jaren leren leerlingen wie zij zelf zijn, hoe ze met anderen omgaan en dat verschillen normaal zijn. Onderwijsadviseur Niels Terhalle (CEDGroep) benadrukt de pedagogische opdracht van de leraar: model staan, spel benutten en elke dag kort reflecteren. Vanuit Jeelo laten Astrid van Amelsfort en Ingrid Zemmelink zien hoe je burgerschap verankert in de schoolcultuur en doorlopende leerlijnen: begin dicht bij de leefwereld van de leerling, werk aan veiligheid en zelfvertrouwen.

CED-Groep

Burgerschap begint bij de pedagogische opdracht

Voor onderwijsadviseur Niels Terhalle (CED-Groep, specialisme jonge kind en Vreedzaam) staat burgerschap in de kleuterklas in directe relatie met de pedagogische opdracht: “Daarin is veel ruimte voor burgerschap. En dat moet je vertalen in aan te leren vaardigheden. Hierbij is de professionaliteit van de leraar van groot belang. Kleuteronderwijs is topsport. Die leerlingen doen niet wat wij zeggen: ze doen wat wij doen”, zegt hij. “Wees zelf het voorbeeld: sta open voor verschillen, benoem emoties en laat consequent zien hoe je een conflict vreedzaam benadert.” Daarbij vindt hij niet dat je het alleen hoeft te doen: “Burgerschapsonderwijs is schoolbreed.”

Volgens Terhalle draait burgerschap bij kleuters om concreet gedrag dat je doelgericht oefent: rustig worden vóór je reageert, zoeken naar win-winoplossingen, verantwoordelijkheid nemen voor de groep, openstaan voor verschillen en besluiten nemen. “Gedrag is een te leren vaardigheid.”

Terugblik

Begin bij spelen en routine. Terhalle pleit voor dagelijks drie reflectiemomenten: na het werken, buitenspelen, of eten en drinken. Hij werkte zelf met een ‘terugblik’: een vaste routine met vragen zoals: Wat ging er goed?, Wie heb je geholpen? Hoe zag je dat iemand hulp nodig had? “Zo maak je burgerschapsonderwerpen zoals verschillen, besluitvorming, verantwoordelijkheid en samenwerken klein, concreet en herhaalbaar. Wanneer je dit bewust toepast, creëer je eigenaarschap bij de leerlingen omdat ze kunnen meedenken en meebeslissen. Hij geeft een voorbeeld: “Laat aan het begin van het schooljaar het kiesbord weg en accepteer dat achttien leerlingen tegelijk de bouwhoek in willen. Creëer situaties met schaarste, embrace the mess, observeer, begeleid en reflecteer vervolgens met de groep op wat wel en niet werkte, en bepaal samen wat je de volgende keer doet op weg naar win-win.”

Actualiteit kan ook een ingang zijn (mits professioneel gekaderd), passend binnen de eigen omgeving en op kleuterniveau. “Speel bijvoorbeeld verkiezingen na in een stemhoek, met echte stembiljetten en eenvoudige keuzethema’s (eten we vandaag een appel, banaan of mandarijn?). Ga bewust aan de slag, maak het concreet en blijf in de taal die je leerlingen kennen voor conflicten, emoties en besluitvorming”, zegt hij.

Belangrijk aandachtspunt: laat kleuters ervaren dat zij onderdeel zijn van een grotere schoolgemeenschap. Terhalle: “Burgerschap is van de hele school. Laat leerlingen van groep 1 tot en met 8 samenwerken, bijvoorbeeld in maatjesgroepen of gezamenlijke projecten. Zo ervaart iedereen: ik hoor erbij, ik ben verantwoordelijk en samen maken wij de school.”

Meer weten over CED-Groep? Scan de QR-code.

Tekst
Wiesette Haverkamp
Kleuters en burgerschap Niels Terhalle, Astrid van Amelsfort en Ingrid Zemmelink
Niels Terhalle

Jeelo

Burgerschap bij kleuters begint met jezelf leren kennen: ‘Wie ben ik?’

Goed burgerschapsonderwijs begint al in de kleuterklas. Het is geen toevoeging, maar een bouwsteen voor alles dat daarna komt, benadrukken onderwijskundigen Ingrid Zemmelink en Astrid van Amelsfort. “Kleuters ontdekken wie ze zijn, wat ze kunnen en hoe ze zich verhouden tot anderen”, zegt Zemmelink. “Dat is de basis van samenleven: begrijpen dat ieder mens anders is, verschillen waardevol zijn en je elkaar nodig hebt.”

Burgerschap in de onderbouw draait om veiligheid, eigenwaarde en onderlinge waardering. Als leerlingen ervaren dat ze erbij horen, fouten maken mag en iedereen talenten heeft, groeit hun zelfvertrouwen. “Een veilige klasomgeving is geen luxe”, aldus Zemmelink. “Het is een voorwaarde voor sociale, emotionele én cognitieve ontwikkeling.”

Die basis ontstaat volgens hen in het dagelijkse handelen van de leraar. Niet alleen in regels, maar vooral in houding en aandacht. “Bewust contact maken bij binnenkomst, benoemen waar leerlingen goed in zijn en welke stappen ze zetten, en laten zien hoe je respectvol met elkaar omgaat: het zijn kleine momenten die veel betekenis krijgen. Gezamenlijke activiteiten versterken het groepsgevoel verder. Wanneer kleuters samen iets maken voor een klasgenoot of voor ouderen, ervaren zij dat een groep meer kan dan een individu en dat bijdragen aan een groter geheel waardevol is.”

Hele school

Dat burgerschap zich ontwikkelt van kleuters tot bovenbouwleerlingen vraagt om samenhang in de schoolcultuur. “Het mooiste is als de hele school met dezelfde waarden werkt.” Doorlopende thema’s als verantwoordelijkheid en samenwerken keren steeds terug op een niveau dat past bij de ontwikkeling van de leerling. Daarom pleiten Van Amelsfort en Zemmelink voor een doorlopende aanpak binnen de school. “Een gemeenschappelijk thema, zoals ‘omgaan met elkaar’, kan in elke bouw terugkomen. Bij kleuters gaat dat over wie ze zijn, hoe hun gezin eruitziet, wat ze leuk of moeilijk vinden en hoe ze verschillen van klasgenoten. In hogere groepen verschuift de focus naar complexere vraagstukken, maar met dezelfde kernwaarden als vertrekpunt.”

Meer weten over Jeelo?

Scan de QR-code.

Doelgericht werken helpt leraren om elke leerling verder te brengen. De definitieve conceptkerndoelen burgerschap maken inzichtelijk welke ontwikkelstappen belangrijk zijn en ondersteunen het gesprek binnen teams. “Door per bouw duidelijke afspraken te maken, ontstaat een herkenbare leerlijn waarin leerlingen stap voor stap groeien in burgerschap. Dat zorgt voor samenhang in het aanbod én versterkt het wij-gevoel binnen de school: samen sta je sterk.”

Ingrid Zemmelink
Astrid van Amelsfort
Kleuters en burgerschap Niels Terhalle, Astrid van Amelsfort en Ingrid Zemmelink

Luisteren naar de stem van leerlingen, ingaan op actuele maatschappelijke vraagstukken in de klas en samenwerken met organisaties buiten school: burgerschapsonderwijs heeft je blijvende aandacht nodig.

Expertisepunt Burgerschap

Dit magazine, boordevol inspirerende artikelen en schoolvoorbeelden over burgerschapsonderwijs, wordt je aangeboden door het Expertisepunt Burgerschap.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Burgerschap op school Magazine 2026 by EDG Media - Issuu