BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL B
B
Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.
De biologie van je leven
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL B NAAM KLAS
versie 1.1
LJ3vmbo-GT_omslagen_vivo.indd 1
9 789006 731200
25/03/2025 13:33
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 244
24/03/2025 17:45
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL B
Beste leerling, Dit boek gebruik je samen met de digitale leeromgeving. Het is van jou, dus je mag je aantekeningen erin schrijven. Na dit schooljaar mag je het boek houden. Dan kun je het boek volgend jaar nog gebruiken om te leren voor je eindexamen. Veel succes en plezier met biologie! Team Vivo
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 1
24/03/2025 17:43
COLOFON Auteurs Rob Melchers, Anne van Rossum, Martine van der Wiel, Rik Smale, Willy Stein Eindredactie Ilse Gmelig, Ramon Verwijst Taalredactie Maurice Breugelmans, Marcella Sleeuwenhoek Illustraties Gemma Stekelenburg, Rogier Trompert, Marjolein Luiken Ontwerp Omslag: Carlo Polman - OudZuid Ontwerp Binnenwerk: Tom Lamers - Reclamers Opmaak Crius Group, Hulshout Omslagbeeld Shutterstock / Jack.Q
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 731 200 Editie 1, druk 1, oplage 1, 2025 � ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2025
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
2
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 2
24/03/2025 17:43
INHOUD ZO WERK JE MET VIVO
4
Deel A
Deel B
Hoofdstuk 1 Leven 1.1 Hoe hangt al het leven samen? 1.2 Levenskenmerken 1.3 Organisatieniveaus 1.4 Cellen en weefsels 1.5 Organen en orgaanstelsels 1.6 Organismen en soorten 1.7 Organismen in een ecosysteem 1.8 Alles in samenhang 1.9 Examenopgaven
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.2 Erfelijke eigenschappen 4.3 Meiose en bevruchting 4.4 Overerven van eigenschappen 4.5 Mutaties 4.6 DNA-onderzoek 4.7 Evolutie 4.8 Alles in samenhang 4.9 Examenopgaven
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen SE 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? 2.2 Botten SE 2.3 Beenverbindingen SE 2.4 Spieren SE 2.5 Been en kraakbeen SE 2.6 Blessures SE 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving 2.8 Alles in samenhang 2.9 Examenopgaven Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten 3.1 Wat is de rol van seks? 3.2 Groei en ontwikkeling 3.3 Voortplantingsorganen 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks 3.5 Menstruatie en bevruchting 3.6 Zwangerschap en geboorte 3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.8 Alles in samenhang 3.9 Examenopgaven
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.2 Verspreiding van organismen 5.3 Voedselketens 5.4 Mens en milieu SE 5.5 Biotechnologie SE 5.6 Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.7 Alles in samenhang 5.8 Examenopgaven
6 8 13 24 36 48 58 68 82 84
94 96 100 109 119 128 137 147 149
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese 156 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? 158 6.2 Verschillende planten 163 6.3 Fotosynthese 176 6.4 Bladeren, stengels en wortels 187 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting 197 6.6 Zaadverspreiding en overleven 207 6.7 Ongeslachtelijke voortplanting 218 6.8 Alles in samenhang 228 6.9 Examenopgaven 230 Register Knipbladen Illustratieverantwoording
236 239 241
3
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 3
24/03/2025 17:43
ZO WERK JE MET VIVO – De biologie van je leven In Vivo vind je alles wat je nodig hebt voor de voorbereiding op je examen. Hieronder zie je alle onderdelen van een hoofdstuk uitgelegd.
Hoofdstuk 1 Leven
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
Hoofdstuk 1 Leven
1.1 Hoe hangt al het leven samen?
Organisatieniveaus 1.3
1.3 Organisatieniveaus
In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.
• • • •
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.
Bij deze paragraaf horen de volgende practica:
H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging
• •
Hoe hangt al het leven samen?
Slak
STARTOPDRACHT
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem
Levensprocessen vinden in samenhang plaats
H6 - Planten en fotosynthese energie
1
Groeispurt
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
1
Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.
O2
A
C
D
Leg uit waarom.
Het grote plaatje
4
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 4
B
a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel?
18
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 18
20/09/2024 10:14
STARTEN MET HET HOOFDSTUK
• Het hoofdstuk start met de grote vraag. Deze vraag ga je aan de hand van het hoofdstuk beantwoorden. • De hoofdstukvraag staat in een overzichtstekening: het grote plaatje. Daarin zie je de samenhang met andere hoofdstukken en de belangrijkste zaken van dit hoofdstuk om te onthouden. • In de eerste paragraaf ontdek je waarom het onderwerp van het hoofdstuk belangrijk is, voor jouw leven én onze planeet. Ook ontdek je hoe het onderwerp samenhangt met andere onderwerpen in de biologie.
20/09/2024 10:14
WERKEN MET DE PARAGRAFEN
• Bij de paragraaftitel zie je aan de iconen welke hoofdpunten uit het grote plaatje in de paragraaf terugkomen. • Aan de leerdoelen zie je wat je in deze paragraaf gaat leren. • Bij de practica ga je zelf iets onderzoeken: je docent bepaalt welke je gaat doen. Je vindt deze online. • In de practica en opdrachten oefen je ook met verschillende vaardigheden die nodig zijn voor je examen. Bijvoorbeeld met een microscoop werken of tabellen gebruiken. Hiervoor zijn online vaardigheidskaarten te vinden. • De paragraaf begint met een startopdracht. In deze opdracht ga je meteen actief aan de slag met het onderwerp van de paragraaf. Zo ontdek je wat je al weet en begrijp je de stof sneller en beter.
4
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 4
24/03/2025 17:43
WERKEN IN HET BOEK OF ONLINE Je kunt aan de slag in je leerwerkboek of online. In je boek vind je alles wat je nodig hebt: theorie en opdrachten. Deze staan natuurlijk ook online, plus handige extra’s. Boek • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding
Hoofdstuk 1 Leven
5
Online • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding
Organisatieniveaus 1.3
Hoofdstuk 1 Leven
Alles in samenhang 1.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd?
Populaties in een sloot
Noteer je antwoorden in de vakjes.
Leerlingen onderzoeken een sloot voor een opdracht. Noem de soortnamen van twee populaties dieren en twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.
6
• Verder oefenen op maat (Herhaling en Plus) • Practica en vaardigheidskaarten • Kennistoets en proeftoets
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus.
Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen.
Kijk terug naar paragraaf 4.
Levensprocessen vinden in samenhang plaats.
Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.
Functie van orgaanstelsels A
B
C
D
E
F
O2
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.
Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.
Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al
vervoeren van stoffen (A)
het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag?
regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B)
Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)
VERDER OEFENEN Maak online de proeftoets bij dit hoofdstuk.
24
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 24
74
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 74
20/09/2024 10:14
WERKEN MET DE PARAGRAFEN
• In de theorie zie je blauwgedrukte woorden: de belangrijkste begrippen. • In groene kaders staan weetjes. Je ziet bijvoorbeeld hoe het onderwerp van de paragraaf terugkomt in het dagelijks leven. • Iedere paragraaf heeft acht basisopdrachten. Daarna is er een Terugkijkopdracht om te zien of je de leerdoelen al beheerst. Wat gaat goed en waar moet je nog aan werken? • Online krijg je na de basisopdrachten een advies op maat om verder te oefenen: Herhaling of Plus.. In het boek zie je ook altijd een herhaalopdracht en een plusopdracht . • Bij de opdrachten staat soms een icoon. Staat bij opdrachten waar je samenwerkt met klasgenoten. Staat bij opdrachten waar je iets moet doen. Leren door te doen! Staat bij opdrachten waar je kritisch nadenkt. 5
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 5
20/09/2024 10:15
ALLES IN SAMENHANG
• Je kijkt terug op het grote plaatje. Begrijp je de verbanden en kun je de hoofdstukvraag beantwoorden met wat je hebt geleerd? • Aan je docent kun je ook een samenvatting van het hoofdstuk vragen. • Wil je verder oefenen? Met de afsluitende examenopgave in de Examenparagraaf oefen je de stof uit het huidige en andere hoofdstukken in combinatie. • Met de online kennistoets en proeftoets controleer je of je de theorie goed hebt geleerd.
EXAMENPARAGRAAF
• Hier vind je eindexamenopgaven die horen bij de theorie van het hoofdstuk. Bij elke paragraaf die over eindexamenstof gaat, horen één of meer opgaven. Ook is er een grote examenopgave waarin de stof van meerdere hoofdstukken wordt gecombineerd. Zo kun je je goed voorbereiden. • Bij elke opgave hoort ook een hint.
24/03/2025 17:43
4 Erfelijkheid en evolutie
INHOUD Basis 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven?
................
8
4.2 Erfelijke eigenschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 4.3 Meiose en bevruchting
........................................
24
4.4 Overerven van eigenschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36 4.5 Mutaties
.........................................................
48
4.6 DNA-onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58 4.7 Evolutie
..........................................................
68
Afsluiting 4.8 Alles in samenhang
............................................
82
4.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
VAARDIGHEDEN - kruisingsvraagstukken - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met de microscoop
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 6
24/03/2025 17:43
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 7
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1
4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? In dit hoofdstuk leer je over erfelijkheid en evolutie. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H4 H1 - Leven soorten
Hoe worden eigenschappen doorgegeven?
Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder
DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen
H3 - Seksualiteit en voortplanten bevruchting
Evolutie gaat over de veranderingen van soorten
1
Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien
Het grote plaatje
8
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 8
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1
THEORIE Jouw unieke eigenschappen
Niemand is hetzelfde. Elk organisme bestaat uit een unieke combinatie van DNA. In elke cel van jouw lichaam zit jouw unieke DNAcombinatie. Alle lichaamscellen hebben hetzelfde DNA. Je erft de meeste eigenschappen van je biologische ouders (figuur 2). Door geslachtelijke voortplanting geven je ouders een combinatie van hun DNA aan jou door. Soms veranderen eigenschappen. Bijvoorbeeld: je haarkleur verandert als je
2
je haar verft. Na een val op straat heb je
Jongere met een ouder
misschien een litteken op je kin en is dus de vorm van je kin veranderd. Lichaamscellen delen voortdurend. Soms verandert het DNA daarbij een beetje. Dat kan zorgen voor nieuwe eigenschappen. Als die nieuwe eigenschappen worden doorgegeven aan nakomelingen, veranderen organismen heel geleidelijk. Dan ontstaan er uiteindelijk nieuwe soorten.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Er leven vele miljoenen soorten organismen op aarde. Alle organismen hebben uniek DNA en hebben daardoor hun eigen kenmerken (hoofdstuk 1).
•
Bij de bevruchting smelten twee geslachtscellen samen. Een nakomeling heeft dus een combinatie van DNA van beide ouders (hoofdstuk 3).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder. Je biologische ouders gaven je elk de helft van hun DNA. Bij de bevruchting smolten de celkernen van de eicel en de zaadcel samen en kwam het DNA samen. Daarmee heb je eigenschappen van zowel je vader als je moeder gekregen.
•
DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen. Planten, dieren, bacteriën en schimmels hebben DNA in hun cellen. In het DNA zijn eigenschappen vastgelegd, zoals hoe het organisme werkt en eruitziet. Naast het DNA heeft ook de leefomgeving invloed op hoe een organisme werkt en eruitziet. Bijvoorbeeld: als het weinig regent, verandert het wortelstelsel van een plant. De wortels groeien dan dieper de grond in om meer water op te nemen.
•
Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien. Tussen grootouders, ouders en kinderen is verwantschap. DNA wordt doorgegeven van generatie op generatie en dit zorgt voor doorgifte van bepaalde eigenschappen. Met een stamboom kun je laten zien dat eigenschappen worden doorgegeven.
•
Evolutie gaat over de veranderingen van soorten. Organismen passen precies bij de omgeving, zodat ze daar kunnen overleven. Soms heeft een organisme een net iets betere eigenschap dan een soortgenoot en daarmee een grotere overlevingskans. Wanneer die gunstige eigenschap wordt doorgegeven aan nakomelingen, kan een soort veranderen en een nieuwe soort ontstaan. 9
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 9
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1
OPDRACHTEN 1
Familie Van der Dussen Dit is de familie Van der Dussen, geschilderd in 1640 door Hendrick Cornelisz van Vliet. Het paar in het zwart was vijftien jaar getrouwd en dat werd gevierd. Een foto nemen kon in die tijd nog niet. Een schilder moest heel nauwkeurig kijken en alles exact naschilderen.
a Het is nu bijna 400 jaar later. Waaraan zie je dat de ouders erfelijke eigenschappen hebben doorgeven aan hun kinderen? Geef minstens twee voorbeelden.
b Het DNA van de familie Van der Dussen is doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen. Deze kleinkinderen gaven het weer door, zodat het nu nog steeds aanwezig is. Een generatie duurt ongeveer 25 jaar. Hoeveel generaties zijn er ongeveer geweest vanaf 1640 tot 2025? Rond je antwoord af op hele generaties.
10
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 10
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
2
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1
Erfelijke eigenschappen Sommige eigenschappen heb je geërfd van je biologische ouders. Sommige eigenschappen zijn afkomstig van je omgeving. Kijk naar je eigen uiterlijk. Zijn jouw eigenschappen afkomstig van je biologische vader, je biologische moeder of van geen van beiden? Of is de eigenschap afkomstig van je omgeving? Geef het aan in de tabel. vader
moeder
geen van beiden
omgeving
kleur van je ogen
vorm van je ogen
lengte van je vingers
gaatjes in je oren
lichaamslengte
kleur van je haren
lengte van je haren
3
Verwantschap bij honden In een stamboom kun je verwantschap terugzien. 1 Werk in een tweetal. 2 Scan de QR-code en ga naar de website Dutch Dog Data. 3 Geef in het eerste zoekveld de naam ‘Darwin’ en selecteer bij Ras een Stabijhoun. 4 Bekijk de stamboom van Darwin.
a Hoe heten de ouders van Darwin?
b Wat zijn Frouke en Liefke van Darwin?
● oma ● tante ● zus c Welke vachtkleur hebben de honden van deze stamboom?
11
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 11
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.1
Het dinotijdperk In de tekening zie je een landschap met dinosauriërs en planten. Men denkt dat het leven er 60 miljoen jaren geleden zo uitzag.
Hoe zijn planten en dieren aan de omgeving aangepast om te overleven? Kruis aan.
5
planten
dieren
een lange nek om van hoge bomen te eten
■
■
ogen om de omgeving waar te nemen
■
■
een mogelijkheid om zuurstof op te nemen
■
■
mogelijkheid om eigen voedingsstoffen te maken met behulp van zuurstof
■
■
een hard pantser om een aanval af te weren
■
■
scherpe tanden om een prooi aan stukken te scheuren
■
■
Hoe worden eigenschappen doorgegeven? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe worden eigenschappen doorgegeven? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
12
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 12
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Erfelijke eigenschappen 4.2
4.2 Erfelijke eigenschappen Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
benoemen dat erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd in je DNA. benoemen dat genen die ʿaanstaan’ de cel besturen. benoemen dat je eigenschappen worden bepaald door je DNA en je omgeving. uitleggen wat er gebeurt tijdens mitose.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Mitose in de worteltop Erfelijke eigenschappen
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Wat herinner je je nog…? Wat herinner je je nog over erfelijkheid uit de onderbouw? Dit heb je nodig:
•
pen en papier
Dit ga je doen: 1 Maak kloppende zinnen met de woorden. Je laat hiermee zien wat de begrippen betekenen. 2 Je mag woorden meerdere keren gebruiken. Gebruik alle woorden minstens één keer. 3 Werk in een tweetal en deel de zinnen. Lees om en om een zin voor. 4 Controleer of de zinnen kloppen en verbeter ze waar nodig. Gebruik deze woorden: celkern | chromosomen | chromosomenparen | DNA | erfelijke eigenschap | fenotype | gen | genotype | geslachtschromosomen | lichaamscel | nakomelingen | X-chromosoom | Y-chromosoom
13
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 13
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Erfelijke eigenschappen 4.2
THEORIE Eigenschappen in je DNA
Alle organismen zien er anders uit en toch kun je vaak zien dat mensen, dieren en planten familie van elkaar zijn. Misschien heb je dezelfde groene ogen als je moeder of hetzelfde steile haar als je neef. Sommige eigenschappen zijn erfelijk, zoals je oogkleur of de vorm van je kin. De informatie voor deze erfelijke eigenschappen ligt in je DNA. DNA bevindt zich in de celkern en regelt alles wat er in de cel gebeurt. Dus ook de hoeveelheid kleurstof die wordt aangemaakt in de iris van je ogen of de haarvorm die ontstaat vanuit de haarzakjes. cel
chromosoom
DNA
celkern 1
Chromosomen bestaan uit DNA.
DNA ligt als lange strengen in de celkern. Deze strengen noem je chromosomen (figuur 1). Iedere lichaamscel van een organisme bevat een vast aantal chromosomen (figuur 2). Een mens heeft 46 chromosomen die je kunt sorteren in 23 chromosomenparen. Beide chromosomen van een paar zijn even groot en hebben dezelfde vorm, met uitzondering van het 23e paar. Een verzameling van chromosomen noem je ook wel een chromosomenportret (figuur 3). organisme
aantal chromosomen
fruitvlieg
8
spinazie
12
tomaat
24
reuzenkangoeroe
32
appel
34
cavia
46
paard
64
heremietkreeft
254
2
Het aantal chromosomen van verschillende organismen
14
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 14
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
3
Erfelijke eigenschappen 4.2
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
XY
Chromosomenportret
Verschillen
DNA bevat de informatie voor al je erfelijke eigenschappen. Een gen is een stukje van het DNA dat de informatie voor één erfelijke eigenschap bevat. Elk chromosoom bevat een groot aantal genen. Elk chromosoom van een chromosomenpaar bevat informatie voor dezelfde erfelijke eigenschappen, zoals voor de aanmaak van kleurstof van je ogen of de vorm van je haar (figuur 4). Genen kunnen aan of uit staan in een cel. In cellen van je iris staan de genen aan voor de aanmaak van pigment. Maar de genen staan uit voor de vorm van je haar en de kleur van je haren. Cellen in de maag maken maagsap en spiercellen zorgen ervoor dat spieren aantrekken. In deze cellen staan weer andere genen aan of uit. Cellen hebben dus hetzelfde DNA, maar verschillen van elkaar doordat genen aan of uit staan (figuur 5).
haar
haar
haarkleur
oog
oog
oogkleur
neus
neus
vorm van de neus
huidcellen
zenuwcellen huid
huid
huidskleur
spiercellen
bloedcellen 4
Een chromosomenpaar met genen
5
Genen staan aan of uit.
15
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 15
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Erfelijke eigenschappen 4.2
Genotype en fenotype
Alle informatie voor je erfelijke eigenschappen bij elkaar is je genotype. Maar hoe je eruitziet, wie je bent en hoe je lichaam werkt wordt niet alleen bepaald door het genotype. Zo kun je steil haar krullen of gekleurde ooglenzen indoen. Ook als je valt en een litteken krijgt, als je je spieren traint of als je in de zon zit, verandert je uiterlijk. Je uiterlijk wordt dus bepaald door het genotype en door omgevingsfactoren. Alle uiterlijke eigenschappen van een organisme noem je het fenotype (figuur 6). genotype
de omgeving en wat je doet
fenotype
Invloeden uit de omgeving hebben invloed op jouw uiterlijk:
+
haar
oog
6
kam, shampoo, schaar
bril, lenzen
neus
verkoudheid door virus
huid
zon, regen, wind
=
Het fenotype wordt bepaald door het genotype en de omgeving.
Mitose
Ooit begon jouw leven als één enkele lichaamscel die zich deelde tot miljarden lichaamscellen waaruit je nu bestaat. Celdeling is nodig voor de groei, voor de vervanging van oude cellen en voor het herstel van weefsels. De celdeling verloopt in een aantal stappen.
• •
Eerst splitst de celkern van de moedercel zich in tweeën. Daarna splitst de cel zich in twee nieuwe dochtercellen. De nieuwe cellen zijn eerst nog klein.
•
De cellen maken vervolgens cytoplasma bij om even groot te worden als de moedercellen (figuur 7).
kerndeling
celdeling
plasmagroei dochtercellen
7
Celdeling: een moedercel deelt zich tot twee dochtercellen.
16
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 16
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Erfelijke eigenschappen 4.2
Nieuwe lichaamscellen ontstaan door mitose of gewone celdeling. Hierbij wordt het DNA in de cel gekopieerd en daarna verdeeld over de dochtercellen. De mitose gaat als volgt:
•
Het DNA rolt op en krult in elkaar. Daardoor worden de chromosomen korter en dikker en zijn ze zichtbaar met een microscoop. Er zijn nu 23 chromosomenparen (46 chromosomen) te zien.
• •
Elk chromosoom verdubbelt zich tot twee identieke DNA-draden. De DNA-draden van de moedercel verdelen zich over twee dochtercellen. De dochtercellen zijn precieze kopieën van de oorspronkelijke moedercel en bevatten dus weer 23 chromosomenparen.
•
Elke lichaamscel bezit hierdoor DNA met dezelfde DNA-code.
8
Mitose met twee chromosomen
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Wat is mitose?
OPDRACHTEN 2
Erfelijke informatie in cellen Vul de ontbrekende begrippen in. Kies uit: chromosoom | chromosomenparen | DNA | genen Het
bevat de erfelijke informatie van een organisme en dit zit in de
celkern. Een erfelijke eigenschap ligt vast in een stukje DNA. Deze stukjes DNA noem je . Elk
bestaat uit DNA.
Chromosomen vormen tweetallen. Dit zijn
.
17
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 17
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
3
Erfelijke eigenschappen 4.2
Chromosomenportret In de afbeelding staat het chromosomenportret van een mens. Aan het chromosomenportret kun je zien dat deze persoon een afwijking in het DNA heeft.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
X
12
Y
a Waaraan zie je dat deze persoon een afwijking in het DNA heeft als je kijkt naar het aantal per paar?
b Welk chromosomenpaar is afwijkend van de andere chromosomenparen als je kijkt naar de vorm?
4
Actieve genen Elk chromosoom bevat een groot aantal genen.
a Welke genen zijn aanwezig op het DNA van een spiercel?
■ een gen voor het samentrekken van spieren ■ een gen dat zetmeel afbreekt tot glucose ■ een gen dat zorgt voor het vervoer van zuurstof in het bloed b Welk gen is actief in een spiercel?
● een gen dat zorgt voor de afbraak van zetmeel tot glucose. ● een gen dat zorgt voor het vervoer van zuurstof in het bloed ● een gen dat zorgt voor het samentrekken van spieren
18
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 18
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
5
Erfelijke eigenschappen 4.2
Een kijkje in de spiegel Bekijk jezelf. Dit heb je nodig:
•
spiegel of een foto van jezelf
Dit ga je doen: 1 Kijk in de spiegel of naar de foto. Geef een beschrijving van jouw fenotype. 2 Noteer een kenmerk dat zeker bepaald wordt door je genotype. 3 Welke kenmerken zijn beïnvloed door de omgeving?
6
Fenotype of genotype Gaat de uitspraak over het fenotype, het genotype of over beide? Zet een kruisje bij het juiste antwoord.
7
fenotype
genotype
In de spiegel zie je uiterlijke kenmerken van jezelf.
■
■
Een plantencel heeft een gen voor het ontkiemen van zaden.
■
■
Je uiterlijk kan veranderen door de omgeving.
■
■
Het DNA verandert niet tijdens je leven.
■
■
Genen liggen op je chromosomen.
■
■
Het DNA bepaalt dat je blauwe ogen hebt.
■
■
Tweelingen Eeneiige tweelingen ontstaan vroeg in de zwangerschap. Een bevruchte eicel splitst zich in twee klompjes cellen. In elke cel is het DNA dan identiek.
19
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 19
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Erfelijke eigenschappen 4.2
a Een eeneiige tweeling lijkt veel op elkaar, maar er zijn ook verschillen, zoals hun lichaamslengte of hoe sterk hun armspieren zijn. Leg dit uit.
b Je ziet dat de meisjes niet precies even groot zijn. De lichaamslengte van de tweeling verschilt. Noem een omgevingsfactor die hierbij een rol kan spelen.
8
Kippenveren Er bestaan kippen met witte veren en kippen met bruine veren. Er is een gen dat de kleur van kippenveren bepaalt. Je ziet in de afbeelding delen van een lichaamscel van een bruine kip. De delen zijn aangegeven met letters A tot en met E.
A
D
B
C
E
a Welke letter geeft het gen voor de kleur van kippenveren aan?
b Leg uit met behulp van de afbeelding waaraan je ziet dat mitose plaatsvindt bij deze cel.
c In het najaar verliezen kippen hun versleten veren. Daarna delen moedercellen van de huid zich en groeien er weer nieuwe veren. Leg uit hoe nieuwe veren ontstaan.
20
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 20
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
9
Erfelijke eigenschappen 4.2
Cellen van de groene kikker Jos is bioloog en heeft een klein stukje weefsel afgenomen bij een groene kikker. Jos maakt hiervan een preparaat om dit onder de microscoop te kunnen bekijken.
a Onder de microscoop ziet Jos de lichaamscellen delen. Hoeveel dochtercellen ontstaan na mitose uit één delende moedercel?
● één dochtercel ● één moedercel ● twee dochtercellen ● twee moedercellen b Het oculair en objectief vergroten allebei 10×. Hoe sterk vergroot de microscoop de lichaamscellen van de kikker? Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Werken met de microscoop.
● 10× ● 20× ● 100× c Jos wil de chromosomen tijdens mitose beter bekijken. Jos kan kiezen uit twee objectieven met verschillende vergrotingen: 4× en 40×. Met welk objectief worden de chromosomen het best zichtbaar en met welke vergroting kijkt Jos dan? Leg je antwoord uit.
d Op de foto zie je chromosomen tijdens mitose.
Welke stap tijdens mitose zie je en wat zie je aan de chromosomen?
21
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 21
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
10
Erfelijke eigenschappen 4.2
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. benoemen dat erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd in je DNA.
2, 3
H14, P17
2. benoemen dat genen die ’aanstaan’ de cel besturen.
4
H13, P16
3. benoemen dat je eigenschappen worden bepaald door je DNA en je omgeving.
5, 6, 7
H11, H13
4. uitleggen wat er gebeurt tijdens mitose.
8, 9
H12, P15, P16, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Genotype en fenotype Het fenotype en genotype van een organisme hebben allebei met erfelijkheid te maken.
a Wat is het verschil tussen fenotype en genotype?
b Wat bepaalt het fenotype van een organisme?
22
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 22
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
15
Erfelijke eigenschappen 4.2
Hazelwormen Hazelwormen zien eruit als kleine slangen, maar behoren eigenlijk tot de hagedissen.
a In het schema staan kenmerken van hazelwormen, hagedissen en en slangen. erfelijke eigenschap
hazelwormen
hagedissen
slangen
buikschubben
klein
klein
groot
kan ogen sluiten
ja
ja
nee
werpen bij gevaar hun staart af
ja
ja
nee
er groeit een nieuwe staart
ja
ja
nee
staartlengte
lang
lang
kort
aantal poten
0
4
0
Hazelwormen worden gegeten door roofvogels. Soms ontsnappen ze aan een roofvogel door razendsnel van uiterlijk te veranderen. Slangen kunnen dit niet. Wat verandert er aan het fenotype als de hazelworm in gevaar is?
b De afgeworpen staart blijft een tijdje kronkelen en trekt de aandacht van de vijand, waardoor de hazelworm (zonder staart) kan ontsnappen. Zo voorkomen ze dat ze gevangen en opgegeten worden. Als een hazelworm zijn staart verliest, groeit deze na enige tijd weer aan. Leg uit dat mitose een rol speelt bij deze aangroei.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Chromosomen van een baby gaat maken.
23
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 23
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
4.3 Meiose en bevruchting Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen wat er gebeurt met de chromosomen tijdens de bevruchting. meiose (reductiedeling) vergelijken met mitose (gewone celdeling). toelichten dat door geslachtelijke voortplanting een uniek genotype ontstaat. uitleggen hoe geslachtschromosomen het geslacht bepalen bij de bevruchting.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Karyogram
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Bananenvliegen Een bananenvlieg heeft 8 chromosomen in 4 chromosomenparen. De vlieg heeft deze chromosomen van zijn ouders gekregen.
a Hoeveel chromosomen heeft een nakomeling van de moeder? En van de vader?
● De vlieg heeft tussen 0 en 8 chromosomen van de moeder en de rest van de vader. ● De vlieg heeft 4 chromosomen van de moeder en 4 van vader. ● De vlieg heeft 6 chromosomen van de moeder en 2 van vader. ● De vlieg heeft 8 chromosomen van de moeder en 8 van vader. Bij de celdeling is dat gehalveerd.
b In de afbeelding zie je een lichaamscel van de vadervlieg. Van elk chromosomenpaar van de vadervlieg komt één chromosoom in de geslachtscel terecht. Welke van de geslachtscellen zijn mogelijk?
■A ■B ■C ■D
24
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 24
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
A
B
C
D
c Hoeveel unieke combinaties van chromosomen zijn in een geslachtscel mogelijk?
d In de tekening zie je de kern van een lichaamscel van de vadervlieg. Van elk chromosomenpaar van de moedervlieg komt één chromosoom in de geslachtscel terecht. Teken twee verschillende geslachtscellen en kleur deze in met de passende kleuren. chromosomen kern lichaamscel A
B
e Teken een mogelijke kern van een lichaamscel van een nakomeling van deze twee oudervliegen. Kleur de chromosomen in met de passende kleuren. chromosomen kern lichaamscel
25
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 25
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
THEORIE Geslachtscellen en bevruchting
Ooit begon jouw leven als één enkele cel met 46 chromosomen. Die cel is ontstaan uit de versmelting van een eicel en een zaadcel. Bij de bevruchting kwam de helft van het DNA van je moeder en de helft van het DNA van je vader bij elkaar (figuur 1). Jouw DNA is dus een combinatie van DNA van jouw beide ouders. Elke lichaamscel heeft 46 chromosomen. Een eicel of een zaadcel heeft maar 23 chromosomen, omdat er geen paren zijn. Een geslachtscel heeft dus precies de helft van het aantal chromosomen van een lichaamscel.
23
eicel
23
zaadcel 1
23
46
bevruchting
eerste lichaamscel
23
Bevruchting
WIST JE DAT? Wanneer ben je een ‘man’? Vroeger dacht men dat alleen het Y-chromosoom bepaalt of je een man wordt. Maar eigenlijk speelt een klein stukje van het Y-chromosoom, het SRY-gen, een belangrijke rol. SRY staat voor Sex determining Region of Y. Verrassend genoeg helpen ook genen op het X-chromosoom én andere chromosomen mee bij de ontwikkeling tot man. Alleen het
SRY
Y-chromosoom maakt je dus nog geen man!
26
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 26
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
Meiose
Om ervoor te zorgen dat geslachtscellen precies de helft van het aantal chromosomen hebben, ondergaan lichaamscellen een speciale celdeling. Deze speciale celdeling heet meiose of reductiedeling. Meiose vindt plaats in de geslachtsorganen: in de eierstokken en teelballen. Tijdens meiose deelt een cel zich twee keer. Hierdoor wordt het aantal chromosomen gehalveerd van 46 naar 23 (figuur 2). Bij de deling van een lichaamscel in de teelbal ontwikkelen zich vier zaadcellen. Bij de deling van een lichaamscel in de eierstok ontwikkelt zich maar één eicel. De andere cellen sterven af tijdens het proces.
23 46
23
lichaamscel in eierstok
23
23
eicel
23 1e deling
en
2e deling
in geslachtsorganen
23
23
23 23 46 lichaamscel in teelbal
23 23 23
2
23
23
zaadcellen 23
Vorming van geslachtscellen door meiose
27
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 27
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
Meiose gaat als volgt (figuur 3).
•
Het DNA wordt kort en dik: Het DNA in de cel rolt zich op en krult in elkaar. Hierdoor worden de chromosomen korter, dikker en zichtbaar onder een microscoop.
•
Chromosomen verdubbelen zich: Elk chromosoom maakt een kopie van zichzelf, waardoor er twee identieke DNA-strengen ontstaan.
•
De eerste celdeling: De chromosomenparen worden uit elkaar getrokken en de cel splitst zich voor de eerste keer. Elke nieuwe dochtercel krijgt één chromosoom van elk chromosomenpaar.
•
De tweede celdeling: In de tweede deling verdelen de DNA-strengen van de dochtercellen zich opnieuw over twee nieuwe cellen. Elke geslachtscel krijgt nu slechts één chromosoom van elk chromosomenpaar. 1e deling
en
2e deling
in geslachtsorganen
lichaamscel in teelbal
3
Meiose met twee chromosomen
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Meiose.
Je bent uniek
Bij de bevruchting smelten een eicel en een zaadcel samen. De enkele chromosomen vormen chromosomenparen. Het toeval heeft eerder bepaald welk chromosoom van een chromosomenpaar in de geslachtscel terechtkomt. Dat geldt voor elk van de 23 chromosomenparen. Een chromosoom bevat veel genen. Bij geslachtelijke voortplanting komen genen van beide ouders samen. Dit zorgt voor een unieke combinatie van genen: een uniek genotype.
28
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 28
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
Geslachtschromosomen en geslacht
Van de 23 chromosomenparen zijn de eerste 22 even groot en hebben dezelfde vorm. Het 23e paar bevat de geslachtschromosomen. Dit paar is anders en bepaalt je geslacht (sekse). Het lange chromosoom is het X-chromosoom. Het korte chromosoom is het Y-chromosoom (figuur 4). Bij bevruchting komen twee geslachtshormonen samen. Met twee X-chromosomen ontwikkelt het lichaam zich tot geslacht meisje (XX). Met een X-chromosoom en een Y-chromosoom ontwikkelt het lichaam zich tot geslacht jongen (XY). De celkern van een eicel bevat altijd een X-chromosoom. De celkern van de zaadcel bevat een X- of een Y-chromosoom. Het geslachtschromosoom in de celkern van een
X
zaadcel bepaalt dus het geslacht van de baby (figuur 5).
4
X
X
Y
Geslachtschromosomen
Y X
X
X
XX
5
X
X
Y
X
XY
Het geslacht wordt bij de bevruchting bepaald.
OPDRACHTEN 2
Meiose Kies de juiste woorden. Het produceren van geslachtscellen vindt plaats door meiose | mitose. Het produceren van geslachtscellen vindt plaats in alle organen in het lichaam | in de geslachtsorganen. In geslachtscellen komt elk chromosoom één keer | twee keer voor. In de teelbal van de man delen lichaamscellen zich door mitose | meiose tot zaadcellen.
3
Bevruchting Kies de juiste woorden. Geslachtscellen bevatten de helft van het aantal chromosomen | alle chromosomen van de ouder. Als twee geslachtscellen samensmelten noem je dat meiose | mitose | bevruchting. Door bevruchting ontstaat er een cel met een uniek | identiek genotype. Chromosomen in een bevruchte eicel bezitten alleen chromosomen van de moeder | chromosomen van beide ouders. 29
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 29
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
Meiose en bevruchting 4.3
Mitose of meiose? Mitose en meiose zijn twee verschillende celdelingen.
a Welke andere woorden zijn er voor mitose en meiose? mitose = meiose =
b Geef bij elk kenmerk aan of het bij mitose of bij meiose hoort. kenmerk
5
mitose
meiose
Dit vindt overal in het lichaam plaats.
●
●
Dit vindt plaats in de eierstok.
●
●
Er ontstaan zaadcellen.
●
●
Zo delen cellen zich voor haargroei uit de hoofdhuid.
●
●
De dochtercellen hebben enkelvoudige chromosomen.
●
●
Een cel bezit alleen een Y-chromosoom.
●
●
Het aantal chromosomen van moedercellen en dochtercellen is gelijk.
●
●
kersenpit (zaad)
DNA in kersen In april en mei bloeien de kersenbomen. Tijdens de bloei kan bestuiving plaatsvinden. Vervolgens kan een stuifmeelkorrel de eicel bevruchten. Na bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot een vrucht: de kers. In de vrucht zitten zaden: de kersenpitten. Deze kunnen uitgroeien tot nieuwe kersenbomen. Hieronder staan vier uitspraken. Voor welk deel van de kersenboom geldt de uitspraak? cellen van een blad
cellen van een stuifmeelkorrel
cellen van de kers (vrucht)
Bevat hetzelfde DNA als de stam van de kersenboom.
■
■
■
■
Bevat chromosomen in paren.
■
■
■
■
De chromosomen komen enkelvoudig voor.
■
■
■
■
Het DNA is voor de helft afkomstig van deze kersenboom.
■
■
■
■
30
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 30
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
6
Meiose en bevruchting 4.3
Sterilisatie Naar: Examen GL/TL 2010-2 Bij sterilisatie van een man worden de zaadleiders onderbroken.
P
In de afbeelding zijn enkele organen van een man schematisch weergegeven.
Q
a Welke letter geeft de zaadleider aan?
R
b Vinden er na sterilisatie nog reductiedelingen in de teelballen van de man plaats? Leg je antwoord uit.
7
Stekelbaarsjes
a Een stekelbaarsmannetje produceert cellen met behulp van meiose. Welk soort cellen ontstaan door meiose?
b De celkern van een cel uit de staartvin bevat genen die de kleur van de buik regelen. Leg je antwoord uit.
c Het stekelbaarsmannetje maakt een nestje waarin een stekelbaarsvrouwtje haar eicellen legt. Welke uitspraken over deze nog onbevruchte eicellen zijn juist?
■ De eicellen bevatten chromosomenparen. ■ De eicellen bevatten enkele chromosomen. ■ Het DNA in de eicellen verschilt van elkaar. ■ Het DNA in elke eicel is hetzelfde.
31
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 31
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Meiose en bevruchting 4.3
d Het stekelbaarsmannetje bevrucht met zijn sperma de eicellen van het vrouwtje. Stekelbaarsjes hebben 42 chromosomen in de celkernen van hun lichaamscellen. Vul het schema in.
8
21 chromosomen
42 chromosomen
onbevruchte eicel
●
●
bevruchte eicel
●
●
zaadcel
●
●
lichaamscel van mannetje
●
●
Toos de lapjeskoe Toos is een lapjeskoe en is een nakomeling van een zwarte stier en een rode koe. Lapjeskoeien zijn zeer zeldzaam.
a De zaadcel van een mannelijke koe (stier) bevat 30 chromosomen. Hoeveel chromosomen bevat een lichaamscel van Toos?
● 60 chromosomen ● 60 chromosomenparen ● 30 chromosomen b Op de foto zie je geslachtskenmerken van Toos. Welke geslachtschromosomen heeft Toos in haar lichaamscellen?
● stier: XY ● koe: XX ● stier: XX ● koe: XY c In welke cellen zitten de unieke genen die zorgen voor de vacht van een lapjeskoe?
d Hoe komt Toos aan deze unieke genen?
32
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 32
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
9
Meiose en bevruchting 4.3
Sluipwespen Naar: Examen vmbo GL/TL 2009-2 In het schema is de voortplanting van sluipwespen weergegeven. chromosomen in de kern van een gewone lichaamscel
mannetje
vrouwtje
eicel
zaadcel
bevruchting
onbevruchte eicel
mannetje
vrouwtje
a Hoe ontstaan mannetjes en vrouwtjes volgens deze tekening?
b Uit de afbeelding blijkt dat alleen bij vrouwtjes van de sluipwesp de chromosomen in paren voorkomen in de gewone lichaamscellen. Hoeveel chromosomenparen bevinden zich in de celkern van een gewone lichaamscel van een vrouwelijke sluipwesp?
33
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 33
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
10
Meiose en bevruchting 4.3
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen wat er gebeurt met de chromosomen tijdens de bevruchting.
3, 5, 7
H12, P15, P16
2. meiose (reductiedeling) vergelijken met mitose (gewone celdeling).
2, 4, 5, 6
H11, H12, P17
3. toelichten dat door geslachtelijke voortplanting een uniek genotype ontstaat.
2, 5, 7, 8
H13, H14, P16, P17
4. uitleggen hoe geslachtschromosomen het geslacht bepalen bij de bevruchting.
8, 9
H13, H14, P15
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Cellen delen Zijn de beweringen juist of onjuist? juist
onjuist
Na mitose van een cel ontstaan vier dochtercellen.
●
●
Meiose vindt plaats om weefsels te herstellen.
●
●
Geslachtscellen ontstaan door meiose.
●
●
Het DNA van eicellen is identiek aan het DNA van de moedercel.
●
●
Mitose vindt overal in het lichaam plaats.
●
●
In teelballen van een man delen cellen zich door meiose.
●
●
34
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 34
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
15
Meiose en bevruchting 4.3
Lammetjes Mannelijke schapen heten rammen, vrouwelijks schapen heten ooien. Schapen hebben 54 chromosomen.
a Een ooi en een ram paren en verwekken lammetjes. Hoeveel chromosomen en chromosomenparen bezitten de cellen? Vul het schema in. lichaamscel van het geboren lammetje
zaadcel van de ram
eicel van de ooi
54 chromosomen
■
■
■
54 chromosomenparen
■
■
■
27 chromosomen
■
■
■
27 chromosomenparen
■
■
■
b Welke geslachtschromosomen zitten er in de cellen? ram
ooi
zaadcel van de ram
eicel van de ooi
X-chromosoom
■
■
■
■
Y-chromosoom
■
■
■
■
XX-chromosomen
■
■
■
■
XY-chromosomen
■
■
■
■
c Van wie heeft een lammetje twee X-chromosomen geërfd?
● beide van de ooi ● beide van de ram ● een van de ooi en een van de ram EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Stamcellen gaat maken.
35
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 35
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
4.4 Overerven van eigenschappen Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe genen het genotype bepalen. een kruisingsschema maken. de kans op een bepaald genotype en fenotype berekenen. uitleggen hoe een intermediair fenotype ontstaat.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Kruising tomaat Kruising fruitvlieg
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Het zit in de familie Binnen een familie zie je eigenschappen bij meerdere familieleden terug, bijvoorbeeld een wipneus of krullend haar. grootouders opa
opa
oma
oma
ouders vader
moeder
kinderen dochter
zoon
dochter
Welke eigenschappen deel jij met je familieleden? Laat het zien in een stamboom. Dit heb je nodig:
• •
A4-papier foto’s van familieleden (die je eventueel thuis hebt bekeken) 36
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 36
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
Dit ga je doen: 1 Teken een stamboom van je familie met minstens drie generaties. 2 Je kunt ook een stamboom maken van de familie van een vriend of een bekend persoon. 3 Noteer in de stamboom de namen van de familieleden. 4 Kies één erfelijke eigenschap die je zelf hebt. TIP Een erfelijke eigenschap kan bijvoorbeeld zijn: de vorm van het haar (steil, krullend, golvend) of dat iemand zijn/haar tong kan rollen (ja/nee) of oogkleur (bruin, groen of blauw). 5 Geef elk familielid die die bepaalde eigenschap ook bezit een kleur. Weet je het niet? Ga dan op onderzoek uit. Vraag het bijvoorbeeld thuis of zoek naar familieleden van de beroemde persoon. 6 Maak een legenda bij de stamboom. Hiermee laat je zien wat de kleur betekent. TIP Voor tongrollen maak je in de legenda een rood vierkant en noteert erachter = tongrollen. 7 Hoe ben jij aan die bepaalde eigenschap gekomen? Waar zie je de eigenschap terug? Bij je ouders? Bij je grootouders? Of anders?
THEORIE Welke genen erf je?
Iedereen is uniek, maar toch zie je bepaalde eigenschappen bij meerdere mensen in een familiestamboom. Erfelijke eigenschappen kunnen worden doorgegeven van ouders op kinderen (figuur 1). Dit heet overerven.
1
Overerving van vachtkleur bij honden
37
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 37
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
De overerving van een eigenschap maak je zichtbaar met een stamboom. Bepaalde erfelijke eigenschappen zie je vaak terug in een familie. Toch zijn er ook familieleden waarbij een eigenschap niet tot uiting komt in het fenotype. Soms slaat een erfelijke eigenschap een generatie over en komt deze terug in het fenotype van de volgende generatie (figuur 2). Legenda AA
aa
Aa
AA
vrouw man
Aa
Aa
AA 2
aa
Aa
Een stamboom met drie generaties
Alle informatie die de genen bezitten vormen het genotype. Wanneer op een chromosomenpaar twee dezelfde genen voor een haarkleur zitten, dan is die persoon homozygoot voor die haarkleur. Wanneer er twee verschillende varianten op een chromosomenpaar zitten, dan is het organisme heterozygoot voor die eigenschap. Er is dan één gen dat domineert. Een dominant gen onderdrukt het andere gen. Het gen voor zwart haar is dominant over het gen voor blond haar. Die persoon heeft dan zwart haar. Het gen dat wordt onderdrukt noem je een recessief gen (figuur 3).
2. Twee chromosomen vormen een chromosomenpaar, omdat ze genen bezitten voor dezelfde eigenschappen.
1. De kern van een lichaamscel bevat chromosomen in paren.
A
bc
De
a
BC
d E
3. Er kunnen twee varianten bestaan van een gen voor dezelfde eigenschap: dominant of recessief. 3
A
a
4. Een dominant gen is sterker dan een recessief gen.
Twee genen op een chromosomenpaar vormen het genotype.
38
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 38
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
Kort noteren
Om informatie over genotypen kort op te schrijven, gebruik je letters. Een dominant gen schrijf je met een hoofdletter, bijvoorbeeld A. Een recessief gen schrijf je met een kleine letter, in dit geval a. Je schrijft verschillende genotypen dus als volgt.
• • •
homozygoot dominant: AA heterozygoot: Aa
chromosomen
genotype
afkorting genotype
homozygoot recessief
aa
homozygoot recessief: aa
Een voorbeeld:
a
Konijnen hebben staande of
a
hangende oren. Het gen voor
hangende oren
staande oren is dominant (A) over het gen voor hangoren. De eigenschap
A
hangoren is dus recessief (a). Bij een
homozygoot dominant
A
homozygoot dominant genotype
AA staande oren
heeft het konijn dus een fenotype met staande oren. Ook bij een heterozygoot genotype heeft het
A
a
konijn staande oren. Een konijn met
Aa
heterozygoot
staande oren
een homozygoot recessief genotype heeft hangoren (figuur 4).
fenotype
4
Het genotype en het fenotype van konijnen
Een kruisingsschema maken
Met het genotype van de vader en het genotype van de moeder kun je de kans berekenen op mogelijke genotypen van de nakomelingen. Daarmee kun je de kans op een mogelijk fenotype bepalen. Dit doe je met een kruisingsschema. Dat is een tabel waarin je mogelijke combinaties van de
Aa 5
genen invult.
×
Bij een kruising noteer je de genotypen van de ouders en begin je met de letters Aa × Aa.
Een voorbeeld van een kruising van twee konijnen met staande oren: Een vader is heterozygoot (Aa) voor een erfelijke
Aa
A
a
AA
Aa
Aa
aa
A
eigenschap. Er zijn dan zaadcellen met een dominant gen A en zaadcellen met een recessief gen a. Deze mogelijkheden plaats je in de bovenste rij van het kruisingsschema (figuur 6). Ook de moeder (Aa) is heterozygoot voor de
a
erfelijke eigenschap. Zij heeft daardoor eicellen met een dominant gen A of een recessief gen a. Deze mogelijkheden plaats je in de eerste kolom.
6
Een kruissingsschema
Bij de bevruchting kunnen verschillende combinaties ontstaan. De combinaties noteer je in de vier cellen van het kruisingsschema. De mogelijke genotypen van de nakomelingen van de kruising met twee heterozygote ouders zijn dan: AA, Aa of aa.
39
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 39
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
Kansen bij kruisen
Elke combinatie in een vakje van het kruisingsschema heeft evenveel kans om te ontstaan, namelijk 25%. Een nakomeling heeft dus 25% kans op genotype AA, 50% kans op genotype Aa en 25% kans op genotype aa. De verhouding van genotypen kun je ook opschrijven als: AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1 Met het genotype kun je vervolgens ook het fenotype voorspellen. Bij een kruising met twee heterozygote ouders heeft een nakomeling 75% kans op de zichtbaarheid van de dominante eigenschap (staande oren). Een nakomeling heeft 25% kans op de zichtbaarheid van de recessieve eigenschap (hangende oren). De verhouding van fenotypen kun je ook opschrijven als: staande oren : hangende oren = 3 : 1.
Intermediaire erfelijkheid
Het komt ook voor dat twee genen even sterk zijn. Er zijn dan geen dominante of recessieve genen. Beide genen noteer je
P: BrBw x BrBw
met dezelfde hoofdletter met daarbij de varianten met kleine letters bovenin. Dit komt voor bij leeuwenbekjes (figuur 7). De varianten rood en wit schrijf je zo: Br en Bw
Br
Bw
Br
BrBr
BrBw
Bw
BrBw
BwBw
r w
Bij een heterozygoot genotype (B B ) zie je een mengvorm in het fenotype. De nakomeling heeft dan een intermediair fenotype. Twee planten met roze bloemen kunnen nakomelingen voortbrengen met roze, witte of rode bloemen (figuur 8).
8
7
Leeuwenbekjes BrBr (rood), BwBw (wit), BrBw (roze)
Een kruising van twee planten met een intermediair fenotype
OPDRACHTEN 2
Verschillende genen a Maak de zinnen af. Dat genen worden overgedragen op nakomelingen noem je
.
Een gen dat je altijd terugziet in het fenotype noem je
.
Een gen dat vaak verborgen blijft noem je
.
40
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 40
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
b Hoe noem je deze genotypen? AA = Aa = aa =
3
PKU Een ziekte die recessief overerft is PKU. PKU is een stofwisselingsziekte waarbij stoffen zich ophopen in het bloed. 1
2
3
4
Legenda 5
6
7
8 PKU
9
10
11
12
geen PKU
a Bij deze familiestamboom is de legenda niet compleet. Wat betekent een vierkantje en wat betekent een rondje?
b Een zwart figuur geeft aan dat iemand PKU heeft, een wit figuur geeft aan dat iemand gezond is. Vul nu de legenda aan. legenda
c PKU wordt veroorzaakt door een recessief gen. Nummer 10 (zwart rondje) is een nakomeling van twee ouders zonder PKU (wit, 5 en 8). Hoe kun je verklaren dat nummer 10 wel PKU heeft?
41
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 41
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
Overerven van eigenschappen 4.4
Geslachtscellen Heleen en Jorgos verwachten samen een kind. Heleen heeft blond haar (aa). Jorgos heeft donker haar (Aa).
a Welk gen of welke genen bevatten de eicellen van Heleen?
●A ●a ● aa b Welk gen of welke genen bevatten de zaadcellen van Jorgos?
● alleen a ● alleen A ● A of a ● Aa ● Aa 5
Kippen Een kip met genotype Bb en een haan met genotype bb paren met elkaar. In de figuur zie je een kruisingsschema. De kuikens zijn genummerd van 1 tot en met 4.
B
b
b 1
2
3
4
b
a Welke genotypen kunnen de kuikens hebben?
■ bb ■ Bb ■ BB b Welk kuiken heeft welk genotype? Kruis aan. 1
2
3
4
homozygoot dominant (BB)
●
●
●
●
homozygoot recessief (bb)
●
●
●
●
heterozygoot (Bb)
●
●
●
●
42
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 42
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
6
Overerven van eigenschappen 4.4
Gestreepte muizen Twee heterozygote muizen brengen een gezin voort met twaalf jongen. Drie jongen zijn streeploos. De andere negen zijn gestreept.
a Welk genotypen hebben de ouders? Leg uit hoe je aan je antwoord bent gekomen.
b Met welk kruisingsschema geef je de genotypen van dit muizengezin weer? g
G
g
gg
Gg
g
gg
Gg
G
g
G
GG
Gg
g
Gg
gg
g
g
G
Gg
Gg
G
Gg
Gg
●
●
●
43
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 43
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
7
Overerven van eigenschappen 4.4
Cavia Cavia’s heb je in allerlei kleuren. In het schema zie je twee zwarte en een bruine cavia met het
fenotype genotype
bijbehorende genotype.
BB
Bb
bb
a Het homozygote dominante mannetje wordt gekruist met het homozygoot recessieve
P
vrouwtje.
........
Vul het kruisingsschema in.
eicellen en zaadcellen P
Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Kruisingsvraagstukken.
• •
........
×
...
...
F1 fenotype
Noteer de P bij de kruising. Noteer de genotypen van de ouders.
F1 genotype
........
Kleur de vacht van de ouders (P).
eicellen en zaadcellen F1
...
b Noteer de genen in de geslachtscellen.
........
...
×
...
...
........
........
........
........
........
........
........
........
c Welke genotypen hebben de nakomelingen? Vul het in bij ‘F1 genotype’.
d Kleur de vacht van de nakomelingen.
F2 fenotype
e Twee nakomelingen paren ook met elkaar.
en genotype
Noteer de mogelijke genen in geslachtscellen. eicel: zaadcel:
f
Vul het kruisingsschema in.
g Noteer de genotypen van de F2-nakomelingen in het kruisingsschema. Kleur dan de vachten van de cavia’s.
8
Erwtenplanten kruisen Erwtenplanten kunnen paarse of witte bloemen hebben. Er worden twee erwtenplanten gekruist. Eén plant is homozygoot dominant voor paarse bloemen (BB) en de andere is homozygoot recessief voor witte bloemen. Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Kruisingsvraagstukken.
paars
×
wit
a Noteer de kruising. P:
b Welke genen hebben de geslachtscellen? paarse bloem: witte bloem:
44
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 44
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
c Vul het kruisingsschema in. paarse bloem witte bloem
d Wat is de kans dat de nakomelingen paarse bloemen hebben? Leg je antwoord uit.
e Twee nakomelingen bestuiven elkaar en er vindt bevruchting plaats. Daardoor groeien er na enige tijd vruchten en zaden. De zaden ontkiemen en er groeien nieuwe planten. Maak een kruisingsschema. Hoe groot is nu de kans op witte bloemen? Leg je antwoord uit.
9
Andalusiërs Naar: Examen GL/TL 2014-1 Bij het kippenras Andalusiërs zijn er drie verschillende fenotypen voor de verenkleur: zwart, wit en blauw. De blauwe kleur is een intermediair fenotype.
a Een blauwe kip wordt gekruist met een blauwe haan. Vul de kruising in. P: 45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 45
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
b Maak een kruisingsschema. Noteer de fenotypen van de nakomelingen in het kruisingsschema. TIP Let op de schrijfwijze van de genotypen!
haan hen
c Hoe groot is de kans dat een nakomeling uit deze kruising blauwe veren heeft?
● 0% ● 25% ● 50% ● 75% ● 100% 10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe genen het geno type bepalen.
2, 3, 4
H11, H12, P15, P17
2. een kruisingsschema maken.
5, 7, 8
H13, P16
3. de kans op een bepaald geno type en fenotype berekenen.
6, 8
H13, P16
4. uitleggen hoe een intermediair fenotype ontstaat.
9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
46
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 46
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Overerven van eigenschappen 4.4
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Kruisingsschema’s In de kruisingsschema’s zijn de genen van de geslachtscellen of de mogelijke combinaties al ingevuld.
a Maak de kruisingsschema’s compleet. A
A
b
A
b
a
b
b tt Tt
Dd
d
E
dd
Ee
d
E
Ee
b In het kruisingsschema met gen b zijn de nakomelingen allemaal:
● heterozygoot ● homozygoot dominant ● homozygoot recessief c In het kruisingsschema met gen E zijn de nakomelingen allemaal:
● heterozygoot ● homozygoot dominant ● homozygoot recessief d De kans op homozygoot dominant genotype bij het kruisingsschema met gen a is:
● 25% ● 50% 15
● 75% ● 100%
Kuiltje in de kin Uit familiestambomen kun je afleiden of een eigenschap dominant is of recessief.
geen kuiltje in kin kuiltje in kin
Wordt een kuiltje in de kin veroorzaakt door een dominant gen of een recessief gen? Leg uit waaruit je dit kunt afleiden.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Catharinaparkiet gaat maken.
47
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 47
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
4.5 Mutaties Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen waardoor mutaties ontstaan. uitleggen wat het effect van een mutatie kan zijn. uitleggen hoe erfelijke variatie ontstaat. uitleggen hoe kunstmatige selectie wordt gebruikt.
STARTOPDRACHT 1
Invloed van de zon Dit heb je nodig:
• •
flesje zonnebrandcrème website van KWF (scan de QR-code)
a Op het etiket van de zonnebrandcrème staat de SPF-factor. Wat is SPF?
b Waartegen beschermt zonnebrandcrème?
c Sommige mensen denken dat je kanker kunt krijgen van zonnebrandcrème. Is dit een feit of een fabel? Gebruik de website en leg je antwoord uit. TIP feit = juist, fabel = onjuist
48
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 48
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
d Scroll door de verschillende feiten en fabels op de website. Welke twee vind je het belangrijkst?
THEORIE DNA kan veranderen
DNA zit veilig opgeslagen in de celkern. Toch kan DNA veranderen of beschadigen. Zo’n verandering of beschadiging van DNA noem je een mutatie. Een mutatie kan spontaan ontstaan of door invloed van buitenaf. Bijvoorbeeld door uv-straling, röntgenstraling of chemische stoffen, zoals teer in tabak of uitlaatgassen van dieselmotoren (figuur 1). Ook virussen kunnen mutaties veroorzaken, bijvoorbeeld het HPV-virus (figuur 1). Een mutatie kan ook ontstaan tijdens de celdeling. Als chromosomen verkeerd worden verdeeld, krijgt een dochtercel te veel of te weinig chromosomen.
1
Mutatie door invloed van buitenaf
Effecten van mutaties in een lichaamscel
Meestal ruimt het lichaam een lichaamscel met een mutatie zelf op. Als de cel toch in leven blijft, dan heeft dat meestal geen grote gevolgen. De mutatie kan door celdeling in dochtercellen terechtkomen. De mutatie komt zo niet in alle lichaamscellen terecht. Wanneer een gen beschadigt, verandert de informatie voor een bepaalde erfelijke eigenschap. Het gevolg kan dan zijn dat de cel zijn functie niet meer goed uitvoert. Door een mutatie kan een cel zich ook sneller gaan delen. De dochtercellen delen zich dan ook sneller. Zo ontstaat een gezwel of tumor. Als de tumor door andere organen heen groeit, spreek je over kanker (figuur 2). gezonde cellen delen gezond weefsel
gewone celdeling
gezonde cel mutatie cellen delen sneller
kankercel
tumor
kankercellen delen 2
Het ontstaan van kanker
49
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 49
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
Als een mutatie optreedt in een geslachtscel of een bevruchte eicel, kan de mutatie worden doorgegeven aan nakomelingen. Na de bevruchting deelt de bevruchte eicel steeds opnieuw. Het DNA met de mutatie wordt dan ook steeds opnieuw gekopieerd. Elke lichaamscel van de nakomeling bevat dan het DNA met de mutatie.
Natuurlijke selectie en erfelijke variatie
Een mutatie kan slecht of goed zijn voor een organisme. Bij albinisme maakt de huid geen pigment aan. Een dier met albinisme is wit en valt daardoor op in de natuur. Een wit dier wordt dus sneller gepakt door roofdieren en plant zich daardoor niet voort. De mutatie is in dit geval negatief voor het dier. Een grote staartvin bij een vis is een voorbeeld van een positieve mutatie. Een vis met een grote staartvin zwemt sneller dan soortgenoten met een kleine staartvin en kan dus beter overleven bij gevaar. De vis kan deze gunstige mutatie doorgeven aan nakomelingen (figuur 3). Dit heet natuurlijke selectie. Mutaties zorgen voor erfelijke verschillen tussen organismen. Dit heet genetische of erfelijke variatie. Een populatie met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om te overleven. De organismen met de gunstige eigenschappen zullen overleven als er iets verandert in de leefomgeving. Je kunt ook zeggen: deze organismen zijn aangepast aan de leefomgeving. Vissen hebben gen A. Bij een vis muteert gen A naar gen B.
Na een paar generaties: vissen met gen B hebben een grotere overlevingskans dan vissen met gen A. Gen B komt wat meer voor.
Een groot deel van de populatie heeft gen B en de vissen met gen A sterven uit.
gen A: kleine staartvin gen B: grote staartvin 3
Een grote staartvin is een gunstige eigenschap voor een vis.
Kunstmatige selectie
In de land- en tuinbouw maken mensen gebruik van de erfelijke variatie binnen een soort. Wanneer een koe veel melk produceert, wil een boer graag nakomelingen van deze koe. Dan past de boer kunstmatige selectie toe. De boer selecteert dieren met een bepaalde eigenschap en laat ze vervolgens geslachtelijk voortplanten. Het selecteren van dieren en ze laten voortplanten, noem je fokken (figuur 4). Tuinders zoeken steeds naar de mooiste en meest smaakvolle gewassen. Een tuinder selecteert bijvoorbeeld tomatenplanten die mooie tomaten geven én tomatenplanten die smaakvolle tomaten geven. Door deze planten met elkaar te kruisen, hoopt een tuinder tomatenplanten te krijgen die mooie en smaakvolle tomaten geven. Het selecteren van planten en deze laten voortplanten heet veredelen. 50
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 50
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
WIST JE DAT? Bizarre genen Een mutatie van een gen kan een effect hebben dat lijkt op iets bekends. De genen die daarvoor verantwoordelijk zijn krijgen soms bijzondere namen. Er zijn zebravissen met een soort puntoren door het ‘spock1gen’. Spock is een personage uit de oude televisieserie Star Trek en is te herkennen aan – inderdaad – zijn puntoren.
OPDRACHTEN 2
Verschillende mutaties Hoe ontstaat een mutatie en welk gevolg heeft dit?
3
DNA verdeelt zich verkeerd over dochtercellen.
•
•
De dochtercellen hebben een fout gen.
Een stukje DNA wordt fout gekopieerd.
•
•
De dochtercellen hebben een chromosoom te veel of te weinig.
Een gen wordt niet gekopieerd.
•
•
De dochtercellen missen een gen.
DNA-beschadiging Mutaties kunnen op verschillende manieren ontstaan. Waardoor kan DNA niet beschadigen?
● bestrijdingsmiddelen ● harde muziek ● radioactieve straling ● röntgenstraling ● sigarettenrook ● uv-straling ● virussen
51
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 51
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
Mutaties 4.5
Mutatie voorkomen Kijk naar de tekening. Je ziet vier personen. Mutaties kunnen optreden door invloeden van buitenaf. In veel gevallen kun je je daartegen beschermen.
Ik rook al jaren een pakje sigaretten per dag.
In het ziekenhuis waar ik werk, maak ik regelmatig foto’s van gebroken botten.
Ik heb gewandeld aan het strand met mijn hond. Maar nu ben ik verbrand.
Ik werk in een laboratorium. Hier moet ik zorgvuldig omgaan met bijtende stoffen.
Tegen welke invloeden kunnen deze personen zich beschermen? Leg ook uit hoe ze zich kunnen beschermen.
5
Effecten Mutaties komen regelmatig voor. De veranderingen in het DNA hebben soms geen gevolgen en soms veel gevolgen. Hoe groot is het gevolg bij de volgende mutaties?
6
geen gevolg voor het organisme
gevolgen voor één of enkele cellen van het organisme
gevolgen voor het hele organisme
Het DNA in een lichaamscel verandert en wordt opgeruimd.
●
●
●
Door uv-licht ontstaat een moedervlek.
●
●
●
Het DNA in een bevruchte eicel verandert.
●
●
●
UV-straling Je huid kan verbranden door de schadelijke uv-straling van de zon. Je huid beschermt je tegen verbranding. Pigmentcellen maken hiervoor melanine aan. Melanine houdt een deel van de uv-straling tegen. Om je huid goed te beschermen is het verstandig om zonnebrandcrème te gebruiken.
52
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 52
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
a Hoe heet het deel van de huid met pigmentcellen?
● hoornlaag: bestaat uit dode cellen, beschermt tegen invloeden van buitenaf ● kiemlaag: bestaat uit levende cellen, hier groeien nieuwe cellen ● lederhuid: bestaat uit levende cellen, hier liggen de zweetklieren, haarwortels en talgklieren
● onderhuids bindweefsel: bestaat vooral uit vet en bloedvaten b Uv-straling beschadigt DNA in de cellen van de huid. In welk deel van de cel bevindt zich dit DNA?
c Hoe kun je jezelf het best beschermen tegen de zon? Geef drie tips. TIP Gebruik de story van NPO-Kennis.
d Noteer de woorden die passen bij het juiste organisatieniveau.
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
Kies uit: huid | kiemlaag | mens | pigmentcel celniveau weefselniveau orgaanniveau organismeniveau
53
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 53
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
7
Mutaties 4.5
De vos en de muizen In het bos leven lichtgekleurde muizen en vossen.
Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde. Noteer de cijfers 1 t/m 5 in de vakjes. Er worden lichtgekleurde en donkergekleurde muizen geboren. De vos ziet de lichtgekleurde muizen het best en eet ze op. De donkere muizen ontsnappen. De donkere muizen planten zich voort en geven zo het gen voor donkere vachtkleur door aan nakomelingen. Bij een vrouwtjesmuis treedt een mutatie op in een bevruchte eicel. Het is een mutatie van het gen dat zorgt voor de vachtkleur. In het bos leven vooral donkergekleurde muizen.
8
Wilde kool In de afbeelding zie je wilde kool. Alle koolsoorten die je kunt eten zijn door veredeling ontstaan uit de wilde kool. Tuinders maakten voor deze groenten steeds een selectie op bloemen of bladeren die je kunt eten. oorspronkelijke soort: wilde kool
rode kool
broccoli
bloemkool
spruitjes
54
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 54
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
Op welke kenmerken hebben tuinders geselecteerd om tot bloemkool, broccoli, spruiten en rodekool te komen? Vul de juiste groente in. Door kunstmatige selectie op: groene bloemen witte bloemen veel grote bladeren veel kleine blaadjes
9
Grasparkieten In de natuur komen vooral groene grasparkieten voor. Er zijn verschillende variaties van het gen dat zorgt voor de kleur van de veren. Daardoor is het mogelijk dat er af en toe ook blauwe, gele en witte grasparkieten uit het ei komen.
a In de natuur zijn de meeste grasparkieten groen en niet wit. Leg dit uit en gebruik hierbij het begrip natuurlijke selectie.
b In de dierenwinkel zijn er wel verschillende kleuren parkieten te koop. Hoe kun je dit verklaren?
55
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 55
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
10
Mutaties 4.5
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen waardoor mutaties ontstaan.
2, 3
H12, P15, P17
2. uitleggen wat het effect van een mutatie kan zijn.
4, 5, 6
H11, P15
3. uitleggen hoe erfelijke variatie ontstaat.
7, 8, 9
H13, P17
4. uitleggen hoe kunstmatige selectie wordt gebruikt.
8, 9
H14, P16
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
HPV HPV is een virus dat cellen kan infecteren en mutaties veroorzaakt. Scan de QR-code en ga naar de site Wat is HPV? Beantwoord de vragen.
a Hoe kun je dit virus oplopen?
b Wat is het risico van een besmetting met HPV?
56
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 56
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Mutaties 4.5
c Veroorzaakt HPV mutaties die de mitose of meiose verstoren? Leg je antwoord uit.
d Vrouwen tussen de 30 en 60 jaar worden uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Deze aandoening kan ontstaan door een langdurige besmetting met een virus. Hoe kun je je jezelf tegen een besmetting beschermen? Noem twee dingen.
15
Bloemkleur R en S zijn twee planten van dezelfde soort. De zaden van plant R worden bestraald met röntgenstralen. De zaden van plant S niet. Van beide planten worden de zaden gezaaid. Na enige tijd groeien de zaden uit. Aan de nieuwe jonge planten komen bloemen. Sommige nakomelingen van plant R hebben een andere bloemkleur dan de ouderplant. De nakomelingen van plant S hebben dezelfde bloemkleur als de ouderplant. Hoe kunnen röntgenstralen bij plantensoort R zorgen voor een andere bloemkleur?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Goudvissen gaat maken.
57
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 57
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
4.6 DNA-onderzoek Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • •
benoemen waarvoor DNA-onderzoek wordt gebruikt. verschillende vormen van prenataal onderzoek beschrijven. situaties noemen waarin je kunt kiezen voor genetisch advies.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
DNA isoleren
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Jouw profiel Waaraan ben jij te herkennen? Wat zijn jouw eigenschappen? Dit heb je nodig:
• •
profielkaart (knipblad) potlood
Dit ga je doen: 1 Op de profielkaart staan verschillende eigenschappen. Welke eigenschappen passen bij jou? Kleur de hokjes in de laatste kolom in. 2 Jouw eigen profiel bestaat nu uit een kleurcode. Lever jouw profiel in bij de docent. 3 Je ontvangt van de docent een profielkaart van een andere leerling. Bij wie past deze kaart? Zoek de eigenaar en controleer of het klopt. Je mag daarbij vragen stellen over eigenschappen die niet direct te zien zijn.
58
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 58
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
THEORIE DNA geeft informatie
Genen zijn opgebouwd uit stukjes DNA. Als je weet hoe DNA is opgebouwd, kun je daar veel informatie uit halen. Bij verwantschapsonderzoek wordt onderzocht of twee mensen overeenkomsten in het DNA hebben. Iedereen heeft uniek DNA, maar stukjes DNA van familieleden kunnen wel overeenkomen. Bij forensisch onderzoek vergelijken onderzoekers het DNA dat op de plaats delict (de plaats waar het misdrijf plaatsvond) is gevonden, bijvoorbeeld DNA in bloed of in speeksel. Deze DNA-sporen kunnen helpen om een verdachte te vinden en dienen als bewijs in een rechtszaak. Om DNA met elkaar te kunnen vergelijken maken onderzoekers van het DNA een DNAprofiel. Dit is een bandenpatroon of piekenpatroon dat het unieke DNA van iemand weergeeft (figuur 1).
1
Een DNA-profiel
WIST JE DAT? Forensisch onderzoeker plaats delict 1
De politie zoekt op een plaats delict naar
2
3
A
B
C
D
E
F
G
H
sporen, zoals huidschilfers, speeksel en bloed. Forensisch onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoeken of er DNA in de sporen zit en maken er DNA-profielen van. Het maken van een DNA-profiel is een knip- en kopieerklus. Eerst wordt een stukje uit het DNA geknipt. Dat wordt verhit, bewerkt en vermeerderd tot vele gekopieerde stukjes DNA. Daarna worden de stukjes DNA met elektriciteit door een gel heengetrokken, waardoor een bandenpatroon (zie afbeelding) of piekenpatroon (figuur 1) ontstaat. Bandenpatronen van DNA-sporen en verdachten. DNAspoor 3 komt overeen met het bandenpatroon van verdachte F.
59
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 59
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
Prenataal onderzoek
DNA-onderzoek kan al plaatsvinden voor de geboorte van een baby. Dit heet prenataal onderzoek. DNA van de foetus wordt onderzocht op erfelijke aandoeningen. Het kan dan gaan om aandoeningen veroorzaakt door een mutatie van het DNA, zoals een open ruggetje (spina bifida). Het kan ook gaan om een afwijking van het aantal chromosomen. Bij het downsyndroom zitten bijvoorbeeld drie chromosomen bij het 21e chromosomenpaar. Er zijn verschillende vormen van DNA-onderzoek tijdens de zwangerschap mogelijk (figuur 2).
•
De NIPT vindt plaats vanaf de 10e zwangerschapsweek. Hierbij wordt bloed van de moeder afgenomen en onderzocht of er een chromosoom teveel is op chromosomenpaar 13, 18 of 21. Daardoor is er geen risico op een miskraam.
•
Een vlokkentest vindt plaats tussen de 12e en 14e week van de zwangerschap. Hierbij wordt placentaweefsel via de vagina of via de buik van de moeder weggenomen en onderzocht op eventuele mutaties van het DNA. Hierbij is er een kleine kans op een miskraam.
•
Bij een vruchtwaterpunctie vanaf de 15e zwangerschapsweek wordt via de buik vruchtwater met een holle naald opgezogen. Vruchtwater bevat cellen van de foetus en kan ook worden onderzocht op mutaties. Een vruchtwaterpunctie geeft een kleine kans op een miskraam.
Toekomstige ouders bepalen zelf of ze een prenataal onderzoek willen laten doen. Ze komen door zo’n onderzoek meer te weten over de ontwikkeling en de mogelijke gezondheidsrisico’s van de baby. echoapparaat
slangetje
bloedafname van moeder, het bloed bevat DNA van moeder en van de foetus A
NIPT
placenta B Vlokkentest
echoapparaat holle naald
baarmoeder foetus vruchtwater C
Vruchtwaterpunctie
2
Verschillende vormen van prenataal onderzoek 60
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 60
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
De hielprik en genetisch advies
Binnen een week na de geboorte krijgt een baby de hielprik. Er worden daarbij een paar druppels bloed afgenomen voor onderzoek. Zo kun je verschillende erfelijke ziekten snel opsporen en een kind kan dan al vroeg de juiste behandeling krijgen. Er worden daarbij een paar druppels bloed afgenomen voor onderzoek. Zo kun je verschillende erfelijke ziekten snel opsporen en een kind kan dan al vroeg de juiste behandeling krijgen. Bijvoorbeeld bij de ziekte van Huntington of de erfelijke variant van borstkanker. Als een ziekte in je familie veel voorkomt, kun je erfelijkheidsonderzoek laten doen om te controleren of je een erfelijke aandoening hebt. Als je drager bent van een ziekte, heb je de ziekte zelf niet. Je kunt de genen met de ziekte wel doorgeven. Als je partner ook drager is van dezelfde erfelijke ziekte, dan kunnen je kinderen deze ziekte wel krijgen. Je bepaalt zelf of je DNA-onderzoek laat doen en daarmee genetisch advies inwint. Het voordeel is dat je op tijd medische zorg kunt krijgen of andere maatregelen kunt nemen. Misschien wil je niet weten of je erfelijke aandoeningen hebt. Dat mag je zelf beslissen.
OPDRACHTEN 2
Erfelijk onderzoek Met welk doel kan DNA van mensen worden onderzocht? Verbind de beschrijving met de naam van het onderzoek.
3
Je vergelijkt DNA-profielen en vindt familieleden.
•
•
verwantschapsonderzoek
Je gebruikt DNA-profielen om bewijs te koppelen aan verdachten bij een misdrijf.
•
•
erfelijkheidsonderzoek
Je kijkt naar DNA-mutaties of een afwijking van het aantal chromosomen van een ongeboren kind.
•
•
prenataal onderzoek
Je onderzoekt of een erfelijke aandoening binnen een familie aanwezig is.
•
•
forensisch onderzoek
Adoptie Iemand die op zoek is naar zijn biologische familie, kan een gevonden familielid vragen om DNA-onderzoek. Kies de juiste woorden. Je onderzoekt of twee mensen familie van elkaar zijn met verwantschapsonderzoek | forensisch onderzoek. Door DNA-profielen | chromosomen te vergelijken, kun je overeenkomsten vinden en verwantschap | afwijkingen vaststellen. Het DNA van elk individu is uniek | identiek, maar als twee mensen nauw verwant zijn, hebben ze overeenkomstig DNA | overeenkomstige chromosomen, geërfd van aparte | gezamenlijke voorouders.
61
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 61
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
DNA-onderzoek 4.6
Voorlichting In ziekenhuizen en bij de verloskundige liggen folders die informatie geven aan aanstaande ouders. Je gaat een folder maken over een vorm van prenataal onderzoek. Dit heb je nodig:
• •
internet en printer papier, lijm, schaar
Dit ga je doen: 1 Kies een vorm van prenataal onderzoek: NIPT, vlokkentest of vruchtwaterpunctie. 2 In de folder beschrijf je:
• • • • •
wat prenataal onderzoek betekent en waarom het belangrijk is; wat met deze vorm van prenataal onderzoek kan worden onderzocht; hoe het onderzoek verloopt in drie stappen; wat eventueel een risico is voor de gezondheid van de moeder of foetus; wat de uitslag kan betekenen voor de ouders.
3 Zorg dat de folder netjes is vormgegeven met passende afbeeldingen. TIP Je mag online extra informatie opzoeken.
5
NIPT Bij een zwangerschap kies je zelf of je een NIPT laat uitvoeren of niet. Wat kunnen redenen zijn om dit te laten doen? Noem minstens drie redenen.
6
Ziekte van Pompe De ziekte van Pompe wordt veroorzaakt door een mutatie op een recessief gen. Iemand kan deze spierziekte erven van twee ouders die drager zijn van het gen. In de figuur zie je de families van Pien en Evert. In beide families komt de ziekte van Pompe voor. AA
Aa
Aa
AA
Legenda = vrouw = man
Pien
Evert ?
62
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 62
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
a Pien en Evert verwachten een kind. Ze willen een prenataal onderzoek laten doen om zeker te zijn dat hun kind het gen voor de ziekte van Pompe niet heeft. Leg uit waarom een NIPT daarvoor niet geschikt is.
b Welk prenataal onderzoek is geschikt om het gemuteerde gen dat de ziekte van Pompe veroorzaakt op te sporen? Leg je antwoord uit.
c Kunnen Pien en Evert een kind krijgen met het gen dat de ziekte van Pompe veroorzaakt? Leg je antwoord uit met behulp van de stamboom.
d Pien en Evert hebben beiden genotype Aa. Wat is de kans dat hun kind de ziekte van Pompe heeft? Maak hierbij een kruisingsschema.
63
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 63
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
7
DNA-onderzoek 4.6
Genetisch advies Misschien wil je weten of je drager bent of een erfelijke aandoening hebt. Misschien ook niet. Welke argumenten zijn er om te kiezen voor erfelijkheidsonderzoek? En welke argumenten zijn er om niet te kiezen voor erfelijkheidsonderzoek? Zet de argumenten voor en tegen overzichtelijk in het schema. Bespreek je antwoorden met een klasgenoot. Vul de argumenten aan. argumenten voor
8
argumenten tegen
Voorspellingen In de figuur zie je enkele erfelijke ziekten en aandoeningen. ziekte van Huntington
taaislijmziekte borstkanker
diabetes type I
1
2
3
4
5
6
sikkelcelziekte
7
8
9
ziekte van Marfan
kleurenblindheid
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
a Leg uit wat je in de afbeelding ziet. Gebruik hierbij de woorden chromosoom, mutatie en gen.
64
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 64
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
DNA-onderzoek 4.6
b Door erfelijkheidsonderzoek kun je veel te weten komen. Zou jij als je gezond bent de uitslag wel willen weten? Vul in. Werk in een tweetal en wissel je antwoorden uit. Verschillen jullie van mening? Ga met elkaar in gesprek en gebruik daarbij argumenten. ja
9
misschien
nee
Ik zou de risico’s willen weten als er in mijn familie een erfelijke ziekte is.
■
■
■
Ik zou de ontdekking van een erfelijke ziekte liever willen uitstellen.
■
■
■
Wat zou jij doen? Sanne en Tom willen graag samen een kind. Beiden weten dat in hun families erfelijke ziekten voorkomen. Ze hebben verschillende redenen om wel of niet erfelijkheidsonderzoek te laten uitvoeren en genetisch advies in te winnen. Sanne maakt zich zorgen omdat haar moeder borstkanker heeft gehad. Ze vraag zich af of zij ook een verhoogd risico heeft. Als dat zo is, kan ze zelf maatregelen nemen. Ook wil ze weten of ze het kan doorgeven aan haar kinderen. Haar zus heeft ervoor gekozen zich niet te laten onderzoeken. Tom twijfelt of hij wil weten of hij mogelijk een erfelijke hartziekte heeft. Hij twijfelt omdat hij bang is voor een slechte uitslag en dat de angst voor de ziekte zijn leven moeilijk maakt. Lees de redenen waarom mensen onderzoek laten doen. Passen de redenen bij Sanne, bij Tom of bij geen van beiden? Zet een kruisje in het meest passende vakje. Tom
Sanne
bij geen van beiden is dit een reden
Het kan helpen om je onverklaarde gezondheidsklachten op te helderen.
●
●
●
Het kan lastig zijn om een relatie te hebben als je misschien ziek kunt worden.
●
●
●
Hierdoor weet je het risico dat familieleden misschien eerder overlijden.
●
●
●
Je kunt te weten komen dat het verstandig is om medische zorg te vragen als je kinderen wil.
●
●
●
Je kunt bij een bepaalde uitslag alsnog je levensstijl aanpassen om de kans op ziekte te verkleinen.
●
●
●
Je kunt een onzekere uitslag krijgen en blijft je afvragen of je nu wel of niet ziek gaat worden.
●
●
●
Je weet nu zeker dat je het risico loopt om de ziekte door te geven.
●
●
●
Toen je de uitslag nog niet wist, was je minder bezorgd dan nu.
●
●
●
65
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 65
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
10
DNA-onderzoek 4.6
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. benoemen waarvoor DNAonderzoek wordt gebruikt.
2, 3
H11, H13, P15
2. verschillende vormen van prenataal onderzoek beschrijven.
4, 5, 6
H12, P16
3. situaties noemen waarin je kunt kiezen voor genetisch advies.
7, 8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Sporenonderzoek Op de plaats van een misdrijf zoekt de politie naar sporen om er een DNA-profiel van te maken. In welke sporen zit DNA? Kies de sporen waarvan je een DNA-profiel kunt maken.
■ bloed aan een glasscherf ■ draadje van een trui aan een heg ■ een lange haar met haarzakje aan de kussens van een bank ■ schoenafdruk in een tuin ■ stukje gekauwd kauwgom in een prullenbak ■ vingerafdruk op een deurklink
66
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 66
24/03/2025 17:43
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
15
DNA-onderzoek 4.6
DNA-detective In 1992 is een 19-jarige na een misdrijf om het leven gekomen. Op het lichaam werd DNA van de dader gevonden. Bepaalde sporen brachten aan het licht dat de dader uit een bepaalde regio kwam. De politie vroeg aan 133 mannen in die regio om vrijwillig speeksel af te staan. De dader zat daar niet tussen, maar de opa, oom en broer van de dader wel. Onderzoekers konden dat zien aan DNA van het Y-chromosoom. XY
XX
XY
opa XY
XY
XX
XX
Y gevonden op plaats delict
XX
XX
XX
XY
XY
XX
XX
oom XX
XX
verdachte
XY
broer
a Bekijk de stamboom en leg uit dat de verdachte opgespoord kan worden door verwantschapsonderzoek.
b De DNA-profielen van drie speekseltesten worden vergeleken met het DNA-profiel van het gevonden DNA-spoor. DNA-profiel van gevonden DNA-spoor
DNA-profiel A
DNA-profiel B
DNA-profiel C
Aan welk DNA-profiel is het gevonden DNA-spoor het meest verwant? Leg je antwoord uit.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Prenataal onderzoek gaat maken. 67
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 67
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
4.7 Evolutie Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen wat evolutie betekent. benoemen dat fossielen laten zien dat organismen evolueren. uitleggen hoe nieuwe soorten ontstaan. benoemen dat levende organismen afstammen van eerder levende organismen.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Microsuccessie
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Evolutie in actie Evolutie gaat over het ontstaan van nieuwe soorten. Soorten organismen die nu leven, leefden miljoenen jaren geleden nog niet.
a Verzin met elkaar een verhaal over hoe vijf voorwerpen met elkaar verbonden zijn. Presenteer kort een verhaal aan de klas en leg uit waarom jullie denken dat de voorwerpen of afbeeldingen op deze manier met elkaar verbonden zijn. Dit heb je nodig:
• • •
groot vel papier of een magnetisch whiteboard stiften of markers verschillende afbeeldingen of voorwerpen van dieren, planten, fossielen en oude voorwerpen (zoals een schelp, een bot, een opgezet dier, een blad, een steen, enzovoort)
•
lijm of magneten (om de voorwerpen op het bord te plakken)
Dit ga je doen: 1 Je werkt samen in een groep van vier. 2 Elke groep ontvangt vijf afbeeldingen of voorwerpen.
68
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 68
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
3 Leg binnen tien minuten alle voorwerpen of afbeeldingen op volgorde van het oudst naar het meest recent. Verzin een verhaal over hoe de voorwerpen met elkaar verbonden zijn. Hierbij mag je je fantasie gebruiken, zolang het verhaal maar logisch klinkt.
Na de presentaties bekijken jullie met elkaar welke delen van de verhalen misschien echt kunnen kloppen en hoe dit met evolutie te maken heeft. Beantwoord dan de volgende vragen.
b Wat zegt de volgorde van de voorwerpen over hoe het leven op aarde is veranderd?
c Kun je met deze voorwerpen of afbeeldingen bewijzen dat er evolutie heeft plaatsgevonden?
d Waarom zouden sommige dieren of planten veranderd zijn, terwijl andere hetzelfde zijn gebleven?
THEORIE Geleidelijke veranderingen
De aarde is ruim 4,5 miljard jaar geleden ontstaan. In het begin was er nog geen leven, maar dat veranderde. Uit eenvoudige levensvormen die lijken op bacteriën, ontstonden steeds ingewikkelder organismen. Deze gingen uit steeds meer cellen bestaan (figuur 1). Organismen waren eerst alleen in water te vinden. Later ontstonden er ook dieren die op het land leven. Ze ontwikkelden organen om te ademen, waar te nemen, zich voort te bewegen en zich voort te planten. In de honderden miljoenen jaren dat de aarde bestaat, leefden er veel soorten die ook weer zijn uitgestorven. Er ontstonden ook veel nieuwe soorten. Een soort ontstaat niet ineens, maar door een geleidelijke verandering over een lange tijd. Dit heet evolutie. De Britse wetenschapper Charles Darwin schreef een boek over de evolutietheorie en de rol van natuurlijke selectie bij de ontwikkeling van soorten.
69
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 69
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
de eerste meercellige dieren in de zee
de eerste bacteriën
de eerste meercelligen
ontstaan van de aarde
4,6 MLD
de eerste grassen
539 MLN
3400 MLN
252 MLN
66 MLN
NU
tijd precambrium paleozoïcum mesozoïcum kenozoïcum MLD: miljard MLN: miljoen
de eerste landplanten
de eerste moderne zoogdieren
de eerste vissen de eerste ongewervelde dieren op het land de eerste gewervelde dieren op het land de eerste reptielen
de eerste aapachtigen
de eerste vogels
de eerste mensachtigen
de eerste dinosauriërs
1
Het ontstaan van organismen
Fossielen
In figuur 2 zie je een fossiel van een zeedier dat 500 miljoen jaar geleden leefde en is uitgestorven. In figuur 3 zie je het skelet van een T-Rex, een dinosauriër die 70 tot 66 miljoen jaar geleden leefde. Een overgebleven skelet is ook een fossiel. Fossielen zijn versteende resten van organismen die vroeger hebben geleefd. Het materiaal waaruit het organisme bestond, is in de loop van de tijd veranderd in steen (figuur 2). Onderzoekers gebruiken fossielen om erachter te komen hoe de organismen eruitzagen, hoe ze leefden en hoe hun leefomgeving eruitzag. Zo wordt het steeds duidelijker hoe het leven zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.
2
Fossiel van een Trilobiet
3
Skelet van een dinosauriër
70
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 70
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
Nieuwe soorten
Op een Waddeneiland kun je verschillende soorten krabben tegenkomen op het strand, zoals breedpootkrabben, strandkrabben (figuur 4) en grijze zwemkrabben. Je spreekt over een soort als organismen zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. De strandkrab komt niet alleen in het Waddengebied voor, maar bijvoorbeeld ook langs de Noordzeekust en de kust van Noorwegen. De krabben van verschillende leefgebieden zullen elkaar niet ontmoeten; het zijn verschillende populaties. Een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich met elkaar kunnen voortplanten noem je een populatie.
4
Strandkrabben
Organismen in een populatie die het best zijn aangepast aan hun leefomgeving zullen overleven. Wanneer ze zich voortplanten geven ze hun erfelijke eigenschappen door aan hun nakomelingen. Een populatie met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om te overleven. Wanneer er iets verandert in de leefomgeving, bijvoorbeeld door klimaatverandering, dan zullen de organismen met een gunstige eigenschap vaker overleven en zich voortplanten. Door deze natuurlijke selectie komt de gunstige eigenschap steeds vaker voor in de populatie. Zo verandert geleidelijk de soort (figuur 5).
1. Een roofdier vangt en eet gemakkelijker de krabben met de dunne schaal. Het aantal krabben met een dunne schaal neemt hierdoor af.
2. De krabben met de dikke schaal hebben een grotere overlevingskans en kunnen zich voortplanten. De nakomelingen hebben ook een dikke schaal.
3. Na enige tijd hebben alle krabben een dikke schaal.
Legenda krab met dikke schaal krab met dunne schaal roofdier 5
Natuurlijke selectie bij krabben
Uiteindelijk leiden die veranderingen er toe dat soortgenoten van verschillende populaties zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten. Op dat moment zijn er twee soorten ontstaan. 71
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 71
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
Verwantschap tussen soorten
Mensen en chimpansees hebben veel gemeenschappelijke kenmerken (figuur 6). Maar het zijn verschillende soorten en ze stammen niet van elkaar af. De chimpansee en de mens zijn wel verwant aan elkaar. Dat betekent dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben. In een evolutionaire stamboom kun je de verwantschap tussen soorten goed zien. Hoe dichter twee soorten bij elkaar in een stamboom staan, hoe meer verwant ze zijn. De gemeenschappelijke voorouder vind je daar waar de lijnen kruisen (figuur 7).
6
Mens en chimpansee
mens
gemeenschappelijke voorouder
chimpansee bonobo gorilla orang-oetan
7
Evolutionaire stamboom van mensen en mensapen
Tegenwoordig kijken biologen niet alleen meer naar uiterlijke kenmerken. Ze onderzoeken ook het DNA. Het vergelijken van het DNA van soorten is betrouwbaarder dan het vergelijken van uiterlijke kenmerken. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat sommige soorten die op elkaar lijken niet altijd verwant zijn aan elkaar. Jarenlang dachten mensen dat het aardvarken (figuur 8) verwant was aan de miereneter (figuur 9). Maar DNA-onderzoek laat zien dat het aardvarken verwant is aan de olifant. Hierdoor zijn de laatste jaren veel stambomen aangepast.
8
Aardvarken
9
Miereneter
72
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 72
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
WIST JE DAT? Op reis eet je alles Darwin bestudeerde veel dieren en hij at ze ook op! Samen met enkele vrienden vormde hij een bijzondere eetclub. Ze aten vlees van dieren die anderen niet eten, zoals haviksvlees en uilenvlees. Ook tijdens zijn reis met de Beagle smulde hij van stukjes gordeldier, schildpad en poema. De club bestond niet lang. Hij eindigde na het eten van een onsmakelijke oude en taaie bruine uil.
OPDRACHTEN 2
Variatie in een populatie Erfelijke variatie en mutaties spelen een belangrijke rol bij evolutie. Maak de zinnen af. Kies uit: erfelijke variatie | evolutie | geslachtelijke voortplanting | mutaties | natuurlijke populatie | selectie Genetische verschillen tussen organismen van eenzelfde soort noem je . Erfelijke variatie ontstaat door Een
in het DNA van organismen. met een grote erfelijke variatie heeft een grotere kans om
te overleven. doorgegeven aan
Gunstige eigenschappen worden door nakomelingen.
Organismen planten zich voort met soortgenoten die het best zijn aangepast aan de .
omgeving. Dit noem je
Organismen passen zich aan aan hun omgeving. Dit geleidelijke proces noem je .
73
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 73
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
3
Evolutie 4.7
Tijdperken De aarde is ongeveer 4540 miljoen jaar oud. De eerste bacteriën zijn 3400 miljoen jaar geleden geleidelijk ontstaan.
de eerste meercellige dieren in de zee
de eerste bacteriën
de eerste meercelligen
ontstaan van de aarde
4,6 MLD
de eerste grassen
539 MLN
3400 MLN
252 MLN
66 MLN
NU
tijd precambrium paleozoïcum mesozoïcum kenozoïcum MLD: miljard MLN: miljoen
de eerste landplanten
de eerste moderne zoogdieren
de eerste vissen de eerste ongewervelde dieren op het land de eerste gewervelde dieren op het land
de eerste aapachtigen
de eerste vogels
de eerste reptielen
de eerste mensachtigen
de eerste dinosauriërs
Vele miljoenen jaren later ontstonden meercellige organismen, waaronder schimmels, planten en dieren. Op de tijdbalk kun je zien wanneer welke organismen zijn ontstaan. De kleuren geven de verschillende tijdperken aan.
a Er zijn gewervelde en ongewervelde dieren. Maak de zinnen af. Kies uit: amfibieën | insecten | reptielen | vissen | vogels | weekdieren | wormen | zoogdieren Ongewervelde dieren zijn Gewervelde dieren zijn
,
en
,
,
. ,
en
.
b De verschillende dieren zijn geleidelijk ontstaan door de geschiedenis heen. Maak de zinnen af. Je mag de woorden meer dan één keer gebruiken. Kies uit: kenozoïcum | mesozoïcum | paleozoïcum (3×) | precambium Ongewervelde dieren in zee ontstonden in het tijdperk
.
Ongewervelde dieren op land ontstonden in het tijdperk
.
Gewervelden in zee ontstonden in het tijdperk
.
Gewervelden op land ontstonden in het tijdperk
.
De eerste vogels ontstonden in het tijdperk
.
De eerste mensachtigen ontstonden in het tijdperk
.
74
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 74
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
4
Evolutie 4.7
Evolutie in beeld a Maak een poster waarmee je de veranderingen van een vogelsoort naar een andere soort laat zien en uitlegt. Dit heb je nodig:
• • • •
A3-papier pen of potlood kleurpotloden laptop met internet
Dit ga je doen: 1 Teken hoe deze vogels over een lange tijd zijn veranderd door evolutie. Doe dit in drie tekeningen. 2 Beschrijf hoe deze groep vogels kan veranderen in een nieuwe soort. Schrijf dit bij de tekeningen op de poster. Beantwoord daarvoor eerst de volgende vragen.
b Op welke manier is de leefomgeving van de vogels veranderd?
c Welke eigenschap van de vogels zorgde ervoor dat ze konden overleven?
5
Fossielen in de stad Scan de QR-code en bekijk het filmpje Fossielen in de stad.
a Hoe zijn fossielen in de stenen terechtgekomen?
b Hoe zijn de fossielen ontstaan?
c Welke informatie geven de fossielen in de stenen?
75
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 75
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
d Waardoor is een fossiel van een roofdier extra interessant?
e Welk organisme ziet de professor niet in dit filmpje?
● inktvis ● oester ● spons ● zee-egel ● zeekomkommer 6
Scheiten en lijgers Een geit heeft 60 chromosomen in een lichaamscel en een schaap 54. Wanneer ze samenleven, bijvoorbeeld op een kinderboerderij, dan kunnen ze paren. Ze brengen soms nakomelingen voort. Die heten dan gapen of scheiten. Gapen en scheiten zijn onvruchtbaar.
a Behoren schapen en geiten tot dezelfde soort? Leg je antwoord uit.
b Leeuwen leven in Afrika en tijgers in Azië. Ook leeuwen en tijgers kunnen zich samen voortplanten. Er komen dan nakomelingen die je lijgers of teeuwen kunt noemen. Maar alleen in gevangenschap komt dit voor. In de natuur zul je geen lijgers of teeuwen zien. Hoe komt dit?
76
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 76
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
7
Evolutie 4.7
Slakken Naar: Examen vmbo GL/TL 2018-1 In een tuin leeft een populatie slakken. Er zijn slakken met gele huisjes en slakken met bruine huisjes. De bodem is bedekt met bruin strooisel. De grootste bedreiging voor slakken zijn vogels die graag slakken eten. Na een paar jaar zijn er minder slakken met gele huisjes en meer slakken met bruine huisjes. Dit is het gevolg van natuurlijke selectie. Leg uit hoe door natuurlijke selectie het aantal slakken met bruine huisjes in deze populatie toeneemt.
8
Dieren evolueren Tijdens de evolutie van organismen ontstaan er door mutaties aanpassingen aan de omgeving, bijvoorbeeld longen, haren en veren. Je ziet een evolutionaire stamboom. Aanpassingen zijn aangegeven met een rode stip en een letter. Bekijk de evolutionaire stamboom en lees de informatie in de bron goed door. Beantwoord daarna de vragen. Een prik lijkt op een langwerpige vis maar is geen vis. Prikken hebben geen kaken zoals vissen en andere gewervelde dieren, maar wel een zuigmond. Hiermee boren ze zich in de huid van vissen of zeezoogdieren om zich te voeden met bloed. Een baars is een vis en haalt adem met kieuwen. Volwassen amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren ademen met hun longen. Amfibieën, zoals de salamander, leven voor een groot deel van hun leven in het water. Hun huid is daarom dun en speelt naast hun longen een belangrijke rol bij de ademhaling. Reptielen leven op het land en hebben daarvoor een dikke geschubde huid en drogen daardoor niet zo snel uit. Vogels kunnen vliegen met hun veren die ook nog eens de dieren warm houden. Als je kijkt naar de bouw van een veer zie je dat het een schub is met een lange buis in het midden. Zoogdieren hebben vaak een vacht. De haren houden de warmbloedige zoogdieren warm. prik A
baars B salamander C
hagedis krokodil
D F E
duif muis
chimpansee
77
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 77
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Evolutie 4.7
a Welke eigenschappen hebben de dieren volgens de informatie? Vul het schema in. kaken
longen
prik
■
■
baars
■
salamander
schubben
veren
haren
■
■
■
■
■
■
■
■
■
■
■
■
hagedis
■
■
■
■
■
krokodil
■
■
■
■
■
duif
■
■
■
■
■
muis
■
■
■
■
■
chimpansee
■
■
■
■
■
b Welke letter geeft de gemeenschappelijke voorouder van alle dieren in de tekening aan?
c Wanneer is welke erfelijke eigenschap ontstaan? Maak de juiste combinaties.
9
haren
•
•
C
kaken
•
•
D
longen
•
•
B
schubben
•
•
E
veren
•
•
F
Mangroven Bij vloed stijgt de zee en stroomt een deel van het strand over. Bij eb trekt het water zich weer terug en komt een deel van het strand weer droog te staan. In tropische gebieden vind je mangroves waar verschillende soorten krabben tussen de mangrovebomen leven. Ze eten allemaal bladeren. Tussen de wortels van de bomen leven roofvissen, zoals jonge haaien, murenen en roggen. Boomkrabben klimmen bij vloed de bomen in en bij eb bezoeken ze weer de drooggevallen modder. In de stamboom zie je verschillende soorten krabben. De gemeenschappelijke voorouder klom niet, maar bleef bij vloed op het strand en voedde zich met schaaldieren.
78
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 78
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Legenda ontstaan van aanpassing om in bomen te klimmen
Evolutie 4.7
P
Q
R
A
S
T
a Boomkrabben kunnen een boom in klimmen. Deze eigenschap heeft voordelen ten opzichte van soorten die dat niet kunnen. Welke twee voordelen?
b Er leven verschillende boomkrabbensoorten in de mangrove en toch hebben ze allemaal dezelfde aanpassing om te klimmen in bomen. Hoe kun je dit verklaren?
c De aanpassingen zijn ontstaan door mutaties in het DNA. Een rood rondje in de evolutionaire stamboom geeft aan wanneer de eigenschap is ontstaan. Bij welke krabben is de aanpassing veroorzaakt door een mutatie van hetzelfde stukje DNA?
d Hoe kun je onderzoeken of soorten S en T twee aparte soorten zijn? Geef je antwoord in drie stappen.
79
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 79
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
10
Evolutie 4.7
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen wat evolutie betekent.
2, 3
H11, P15
2. benoemen dat fossielen laten zien dat organismen evolueren.
5
H12, P16
3. uitleggen hoe nieuwe soorten ontstaan.
4, 6, 7
H13, P16
4. benoemen dat levende organismen afstammen van eerder levende organismen.
8, 9
H14, P16, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 4.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Evolutie Wat betekenen de begrippen? Evolutie:
Erfelijke variatie:
Natuurlijke selectie:
Mutatie:
80
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 80
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
15
Evolutie 4.7
Kiwi In Nieuw-Zeeland komen loopvogels voor, zoals de kiwi. Kiwi’s kunnen niet vliegen, maar wel snel rennen. Hun vleugels zijn kort en vrijwel onzichtbaar onder de veren. Met hun snavel prikken ze in de grond op zoek naar wormen en andere ongewervelde dieren. De voorouder van de loopvogels kon wel vliegen. In het vroegere Nieuw-Zeeland kwamen geen roofdieren voor die op de grond jaagden. Tegenwoordig zijn er wel roofdieren, zoals ratten en honden.
a Hoe kon de kiwi overleven ondanks de eigenschap ‘korte vleugels’?
b De kiwi wordt nu ernstig bedreigd met uitsterven. Hoe kun je dit verklaren?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Schubbeneters gaat maken.
81
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 81
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Alles in samenhang 4.8
4.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Erfelijkheid en evolutie Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Erfelijkheid en evolutie en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H1 Leven: soorten
H3 Seksualiteit en voortplanten: bevruchting
82
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 82
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Alles in samenhang 4.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2, 3, 4 en 5.
Je erfelijke eigenschappen komen van je vader en je moeder. Kijk terug naar paragraaf 2, 5 en 6.
DNA en omgeving bepalen eigenschappen van organismen. Kijk terug naar paragraaf 4 en 7.
Een stamboom laat verwantschap tussen organismen zien. Kijk terug naar paragraaf 7.
Evolutie gaat over de veranderingen van soorten.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe worden eigenschappen doorgegeven? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Intersekse gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk. 83
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 83
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Examenopgaven 4.9
4.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints bij elke opgave.
ERFELIJKE EIGENSCHAPPEN 1
Chromosomen van een baby Uit: Examen GL/TL 2021-1 Geslachtscellen van mensen bevatten 23 chromosomen en ontstaan bij een bepaalde celdeling. Bij deze celdeling gaat soms iets fout, waardoor een geslachtscel een chromosoom te veel kan hebben. Als zo’n geslachtscel samensmelt met een normale geslachtscel en uitgroeit tot een baby, heeft de baby een erfelijke afwijking die trisomie (‘driemaal het chromosoom’) genoemd wordt.
1p
a Hoeveel chromosomen heeft een huidcel van een baby met trisomie?
1p
b De huidcellen worden in het laboratorium gestimuleerd om te delen, zodat de chromosomen kunnen worden onderzocht. Welk type celdeling vindt plaats bij de huidcellen in het laboratorium?
MEIOSE EN BEVRUCHTING 2
Stamcellen Uit: Examen GL/TL 2009-1 Als een eicel bevrucht is, gaat die zich delen. Na ongeveer vijf dagen is een klompje cellen ontstaan. In dit klompje bevinden zich cellen die stamcellen worden genoemd. Tijdens de ontwikkeling van het embryo ontstaan uit stamcellen alle verschillende soorten weefsels. Wetenschappers onderzoeken de mogelijkheid om stamcellen in een laboratorium te kweken. Als het dan zou lukken om uit stamcellen verschillende soorten cellen te laten ontstaan, dan kunnen die misschien gebruikt worden om beschadigd weefsel te herstellen. In de afbeelding wordt schematisch een manier weergegeven waarop men probeert stamcellen te kweken.
84
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 84
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Met een pipet wordt de eicel op de plaats gehouden. Met een naald wordt een gaatj t e geboord in de tj beschermlaag van de cel.
Met de naald wordt de kern uit de eicel gezogen.
Examenopgaven 4.9
Aan de behandelde eicel worden stoffen toegevoegd om aan te zetten tot deling. Na ongeveer 24 uur begint de cel te delen.
Na ongeveer vier of vijf dagen heeft zich een balletj t e gevormd van tj ongeveer honderd cellen. Hierin zijn de stamcellen te vinden.
Er wordt een kern uit een gewone cel opgezogen.
Het balletje wordt opengemaakt en de stamcellen worden verder gekweekt.
Dat donormateriaal wordt in de eicel gespoten.
Uit de stamcellen kunnen verschillende typen cellen worden opgekweekt.
85
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 85
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
1p
Examenopgaven 4.9
a In de afbeelding zijn bij nummer 5 twee cellen weergegeven die door celdeling zijn ontstaan uit een behandelde eicel. Hoe heet zo’n celdeling?
1p
b Een onbevruchte eicel bevat 23 chromosomen. Hoeveel chromosomen bevat een stamcel bij nummer 6 uit de afbeelding?
2p
c In de afbeelding zijn twee celtypen weergegeven die zich uit stamcellen kunnen ontwikkelen: R en S. Geef de namen van deze twee celtypen. R= S=
OVERERVEN VAN EIGENSCHAPPEN 3
Catharinaparkiet Uit: Examen GL/TL 2024-2 De catharinaparkiet is een vogel uit Zuid-Amerika, die leeft in de bossen. In Nederland wordt deze vogel gehouden als volièrevogel. De parkieten worden gekweekt op kleur. Er is veel variatie in kleuren: groen, geel, grijs en blauw komen voor. Een vogelkweker heeft eenkleurige parkieten en bonte parkieten met meerdere kleuren. Hij kruist bepaalde parkieten. In de stamboom zie je de overerving van deze fenotypen. Bont of eenkleurig wordt bepaald door één gen.
2p
a Wordt het eenkleurige fenotype veroorzaakt door een dominant gen of door een recessief gen? Leg je antwoord uit.
86
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 86
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
3p
Examenopgaven 4.9
b Een veelvoorkomende kleur van de parkiet is groen. Deze kleur komt voor in drie varianten: lichtgroen, donkergroen en olijfgroen. Deze kleuren zijn afhankelijk van het genotype van de parkiet. Een vogelkweker kruist olijfgroene parkieten met donkergroene parkieten. genotype
fenotype
GLGL
lichtgroen
GLGO
donkergroen
GOGO
olijfgroen
Vul het kruisingsschema in en geef in de tabel aan in welke verhouding de kleuren voorkomen bij de nakomelingen. GL
GO
GO GO
kleur
verhouding
lichtgroen donkergroen olijfgroen
MUTATIES 4
Goudvissen Uit: Examen GL/TL 2021-2 Goudvissen worden al meer dan 1000 jaar gekweekt. Ongeveer 400 jaar geleden ontstond een goudvis met dubbele vinnen (zie de afbeelding).
1p
a De eigenschap ‘dubbele vinnen’ is ontstaan door een mutatie uit de eigenschap ‘enkele vinnen’. Wat is een mutatie?
87
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 87
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
1p
Examenopgaven 4.9
b Kwekers hebben goudvissen met dubbele vinnen gekruist met verschillende typen goudvissen met enkele vinnen. Zo zijn er na verloop van tijd goudvissen met dubbele vinnen ontstaan met verschillende kleuren en vormen. Is er bij dit kweken sprake van selectie?
● ja, van kunstmatige selectie ● ja, van natuurlijke selectie ● nee, er is geen sprake van selectie 1p
c Een goudvis met dubbele vinnen (vis P) wordt gekruist met een goudvis met enkele vinnen (vis Q). Alle nakomelingen hebben
P
enkele vinnen. Kruising van
Q
zo’n nakomeling (vis R) met een vis met dubbele vinnen levert 405 nakomelingen op. Van deze nakomelingen zijn er 195 met
R
enkele vinnen en 210 met dubbele vinnen (zie de stamboom). Wat is het genotype van vis R?
● AA ● Aa ● aa
210
195
DNA-ONDERZOEK 5
Prenataal onderzoek Uit: Examen GL/TL 2021-2
1p
Clara is in verwachting. Om de chromosomen van haar foetus te onderzoeken worden er cellen van de foetus weggenomen.
a Noem een prenatale onderzoeksmethode waarbij cellen van een foetus weggenomen worden.
De arts heeft de chromosomen in kaart gebracht (zie de afbeelding). Zij vertelt Clara dat haar ongeboren baby een chromosomale afwijking heeft.
88
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 88
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Examenopgaven 4.9
1p
b Leid uit de afbeelding af wat de chromosomale afwijking is.
1p
c Is aan de chromosomen in de afbeelding te zien of de ongeboren baby van Clara een jongen of een meisje is?
● Ja, de baby is een jongen. ● Ja, de baby is een meisje. ● Nee, dat is niet te zien aan de chromosomen in de afbeelding. EVOLUTIE 6
Schubbeneters Uit: Examen GL/TL 2019-1 Schubbeneters leven in een meer in Afrika. Het zijn vissen die zich voeden met schubben van andere vissen. Schubbeneters worden geboren met een scheve bek. De scheve bek zit links of rechts aan de voorkant van de vis (zie de afbeelding). Jonge schubbeneters ontdekken dat ze met hun scheve bek het makkelijkst schubben van één zijkant van een vis kunnen afhappen. Een wetenschapper vermoedt dat het meer waarin de schubbeneters leven, al twintig miljoen jaar bestaat. Ze gaat ervan uit dat veel vissen in het meer een gemeenschappelijke
rechtsmondig
linksmondig
voorouder hebben en maakt een stamboom (zie de afbeelding). 1p
a Hoe heet de theorie die verklaart hoe in de loop van de tijd door mutatie en selectie nieuwe soorten ontstaan uit een gemeenschappelijke voorouder?
1p
b Welke groep vissen is volgens de stamboom het langst geleden als aparte groep ontstaan?
● Petrochromis ● blauwe regenboogvis ● Plecodus ● schubbeneter ● prinses van Burundi 1p
Petrochromis blauwe regenboogvis
c Aan welke groep vissen is een schubbeneter het meest verwant volgens de stamboom?
Plecodus schubbeneter
● aan de Petrochromis ● aan de blauwe regenboogvis ● aan de Plecodus ● aan de prinses van Burundi
prinses van Burundi
89
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 89
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
1p
Examenopgaven 4.9
d Uit kruisingsproeven blijkt dat de eigenschappen linksmondig en rechtsmondig erfelijk zijn. In de tabel staan de resultaten van enkele kruisingen met schubbeneters. kruising
ouders
nakomelingen linksmondig
rechtsmondig
1
linksmondig × linksmondig
769
225
2
linksmondig × rechtsmondig
506
536
3
rechtsmondig × rechtsmondig
0
479
Het gen voor rechtsmondig is recessief. Uit welke kruising kun je dat met zekerheid afleiden?
● kruising 1 ● kruising 2 ● kruising 3 ALLES IN SAMENHANG 7
Intersekse Uit: Examen GL/TL 2024-2 Soms worden er meisjes geboren met het mannelijke genotype of jongens met het vrouwelijke genotype. Dit wordt intersekse genoemd. Ongeveer 1 op de 2000 mensen wordt geboren als een intersekse-persoon. Elsa is geboren met alle primaire vrouwelijke geslachtskenmerken. In de puberteit krijgt zij secundaire mannelijke geslachtskenmerken. Uit onderzoek blijkt dat zij mannelijke geslachts-chromosomen heeft en dat haar vrouwelijke geslachtsklieren niet actief zijn.
1p
a Welke geslachts-chromosomen heeft Elsa in de lichaamscellen volgens de informatie?
● XX ● XY ● YY 1p
b Leg uit waarom intersekse-onderzoek vaak pas in de puberteit wordt gedaan.
2p
c Hieronder staat een tabel met geslachtskenmerken. Kruis bij elk geslachtskenmerk aan of het na de puberteit aanwezig is bij Elsa. baarmoeder
brede heupen
clitoris
teelballen
wel aanwezig
■
■
■
■
niet aanwezig
■
■
■
■
90
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 90
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
1p
Examenopgaven 4.9
d In Nederland worden gemiddeld per jaar 180 000 kinderen geboren. Hoeveel van die kinderen worden geboren met een intersekse lichaam? Leg je antwoord uit met een berekening.
91
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 91
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie
Examenopgaven 4.9
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Erfelijke eigenschappen
•
Chromosomen van een baby a: Een huidcel is een lichaamscel en heeft dus chromosomenparen.
•
Chromosomen van een baby b: Ontstaan er geslachtscellen?
Meiose en bevruchting
•
Stamcellen a: De cellen die ontstaan hebben evenveel chromosomen.
•
Stamcellen b: Een stamcel is een lichaamscel die nog allerlei verschillende vormen en functies kan krijgen.
•
Stamcellen c: Let op de vorm van de cellen.
Overerven van eigenschappen
•
Catharinaparkiet a: Kijk in de stamboom op de plaats waar twee eenkleurige parkieten jongen krijgen.
•
Catharinaparkiet b: Welke genotypen hebben de ouders? Combineer in het kruisingsschema de voortplantingscellen met elkaar.
Mutaties
•
Goudvissen a: Wat gebeurt er met het uiterlijk van de vis en wat is de oorzaak?
•
Goudvissen b: Kwekers kiezen de vissen die ze laten voortplanten.
•
Goudvissen c: Ouders P en Q zijn allebei homozygoot.
DNA-onderzoek
•
Prenataal onderzoek a: Er zijn twee mogelijke antwoorden.
•
Prenataal onderzoek b: Chromosomen komen in paren (tweetallen) voor.
•
Prenataal onderzoek c: Zoek de geslachtschromosomen op.
Evolutie
•
Schubbeneters a: De theorie is bedacht door Darwin.
•
Schubbeneters b: Een stamboom lees je af van links (oudst) naar rechts.
•
Schubbeneters c: Hoe meer verwant hoe korter de afstand tussen de dieren in de stamboom.
•
Schubbeneters d: Een kruising tussen twee recessieven levert alleen recessieven op.
Alles in samenhang
•
Intersekse a: Elsa heeft mannelijke geslachtschromosomen.
•
Intersekse b: Wat gebeurt in de puberteit met je lichaam?
•
Intersekse c: De primaire geslachtskenmerken zijn aanwezig.
•
Intersekse d: Bij de berekening deel je het totale aantal door 2000.
92
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 92
24/03/2025 17:44
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 93
24/03/2025 17:44
5 Leefomgeving en duurzaamheid
INHOUD Basis 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 5.2 Verspreiding van organismen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100 5.3 Voedselketens
................................................
109
5.4 Mens en milieu SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119 5.5 Biotechnologie SE
............................................
128
5.6 Koolstofkringloop en stikstofkringloop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Afsluiting 5.7 Alles in samenhang
..........................................
147
5.8 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
VAARDIGHEDEN - determineren - feiten en meningen - natuurwetenschappelijk onderzoek doen
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 94
24/03/2025 17:44
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 95
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1
5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? In dit hoofdstuk leer je hoe de aarde leefbaar kan blijven. In het grote plaatje zie je wat de hoofdstukvraag en hoofdpunten zijn. Je ziet daar ook wat dit onderwerp te maken heeft met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H5 H2 - Stevigheid en bewegen aanpassingen
Hoe blijft de aarde leefbaar?
Organismen hebben elkaar nodig
Elk organisme heeft zijn eigen plek
Je hebt zelf invloed op je leefomgeving
Duurzame keuzes beschermen de aarde
H6 - Planten en fotosynthese glucose
1
Het grote plaatje
96
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 96
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1
THEORIE Een leefbare omgeving
Organismen gebruiken hun leefomgeving om in te wonen, als schuilplaats en om voedsel te vinden (figuur 2). Ook vinden organismen soortgenoten in hun leefomgeving om zich voort te planten. Organismen hebben een voedselrelatie met elkaar. Planten zijn producenten en maken zelf de voedingsstoffen die ze nodig hebben. Dieren zijn consumenten en halen voedingsstoffen uit andere organismen. Schimmels en bacteriën zijn reducenten en ruimen de resten van dode organismen op. Hierbij ontstaan stoffen die andere planten weer kunnen opnemen. Organismen hebben invloed op hun leefomgeving, maar alleen mensen beïnvloeden hun leefomgeving zodanig dat er onherstelbare schade optreedt. Door betere keuzes te maken, kunnen mensen bijdragen aan het in stand houden van de leefomgeving.
2
De grote bonte specht gebruikt boomstammen om een hol te maken en om eetbare insecten te zoeken.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
• •
De bouw van organismen is aangepast aan de omgeving waarin ze leven (hoofdstuk 2). Planten maken glucose. Uit glucose maken ze andere koolhydraten, eiwitten en vetten. Dit zijn niet alleen belangrijke voedingsstoffen voor de planten, maar ook voor alle andere organismen (hoofdstuk 6).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Organismen hebben elkaar nodig. Elk organisme heeft soortgenoten nodig voor de voortplanting. Organismen van een andere soort kunnen dienen als voedsel. Struiken en bomen zijn de woonplek voor allerlei insecten, vogels en voor eekhoorns.
•
Elk organisme heeft zijn eigen plek. In een ecosysteem heeft elk organisme zijn eigen plek. Planten produceren zelf voedsel. Alle dieren leven van het voedsel dat planten maken. Ze eten de planten op, of ze eten planteneters op. Schimmels en bacteriën ruimen de overblijfselen van dode planten en dieren op.
•
Duurzame keuzes beschermen de aarde. Milieuvervuiling en klimaatverandering vormen wereldwijd een bedreiging voor de biodiversiteit. Milieuvervuiling en klimaatverandering tegengaan kan door zuinig om te gaan met grondstoffen en energie. Zo blijft de biodiversiteit in stand.
•
Je hebt zelf invloed op je leefomgeving. De wereld verbeteren begint bij jezelf. Je scooter vervangen door een fiets helpt al tegen klimaatverandering. En als je je hamburger vervangt door een vegaburger bespaar je grondstoffen. Zo help je zelf mee aan het verbeteren van je leefomgeving.
97
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 97
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1
OPDRACHTEN 1
Omgevingsfactoren Organismen hebben te maken met allerlei factoren in hun leefomgeving. Sommige factoren zijn levend of hebben geleefd, andere hebben nooit geleefd. Zet achter elke omgevingsfactor een kruisje in de juiste kolom. levend of heeft geleefd
2
heeft nooit geleefd
temperatuur
●
●
voedsel
●
●
water
●
●
roofdier
●
●
partner
●
●
wind
●
●
Voedselrelaties In de figuur zie je planten en dieren die een voedselrelatie met elkaar hebben.
buizerd
libelle
vos
kikker adder lieveheersbeestje
koolmees bladluis
veldmuis
vlinder
konijn
sprinkhaan smalle weegbree
vlierbes
a Welk organisme maakt zelf voedingsstoffen?
● bladluis ● koolmees ● lieveheersbeestje ● vlierbes 98
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 98
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.1
b Met welke organismen heeft de koolmees een voedselrelatie?
c Leg uit of de buizerd zonder planten kan leven.
3
Waterkwaliteit Onderzoek laat zien dat de waterkwaliteit van de grote rivieren in Nederland verbeterd moet worden. Om dit doel te bereiken moet Nederland samenwerken met andere landen. Leg uit waarom samenwerking met andere landen nodig is.
4
Duurzaam leven Duurzaam leven betekent dat je rekening houdt met het klimaat, de omgeving en de natuur. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal 2 Kies samen een sector uit het dagelijks leven. Kies uit: sport, mode, voeding, wonen, school en vervoer. 3 Bedenk samen drie manieren om deze sector duurzamer te maken. Schrijf jullie oplossingen op. 4 Bespreek in een klassengesprek de duurzame oplossingen. Vul je eigen lijstje aan.
5
Hoe blijft de aarde leefbaar? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe blijft de aarde leefbaar? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
99
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 99
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
5.2 Verspreiding van organismen Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
verschillende ecosystemen benoemen. uitleggen hoe leefomgevingen van elkaar kunnen verschillen. benoemen dat planten en dieren zijn aangepast aan hun omgeving. uitleggen dat er verschillen bestaan tussen individuen van een soort.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Abiotische factoren Water als abiotische factor
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Biotische en abiotische factoren In jouw omgeving kom je allerlei factoren tegen die jouw leven beïnvloeden. Soms op een prettige manier, soms op een onprettige manier. Je kunt al deze factoren indelen in biotische en abiotische factoren.
a Maak een tabel van biotische en abiotische factoren. Dit heb je nodig:
•
schrijfmateriaal
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Loop door de school en maak een tabel van biotische en abiotische factoren die je tegenkomt.
100
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 100
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
biotisch
abiotisch
b Bedenk een biotische en een abiotische factor die jij mist op school en die je graag zou willen toevoegen.
THEORIE Inzoomen op de aarde
De astronaut André Kuipers heeft in 2012 lange tijd doorgebracht in de ruimte. Vanuit het ruimtestation kon hij de aarde goed zien (figuur 1). Hij zag woestijnen, bossen en oceanen met eilanden. Vanuit de ruimte zag hij hoe dun de dampkring is die het leven op aarde mogelijk maakt. Ook de luchtvervuiling boven grote steden en het verdwijnen van bossen was goed zichtbaar.
1
De aarde gezien vanuit de ruimte
De bossen, woestijnen en oceanen die Andre Kuipers zag, zijn voorbeelden van ecosystemen. Een ecosysteem is een bepaald gebied met alle levende wezens en alle nietlevende factoren daarin (figuur 2). Ecosystemen kunnen heel groot zijn, maar ook heel klein. Overal om je heen zijn ecosystemen. Ze variëren van een tropisch woestijngebied tot een aquarium in de woonkamer. 101
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 101
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
Alle organismen in een ecosysteem vormen samen een levensgemeenschap. Een levensgemeenschap bestaat uit diverse populaties. Alle organismen van dezelfde soort in een ecosysteem noem je een populatie. Elk individu uit een populatie is een organisme. laag
poolijs
temperatuur
toendra
naaldbos (taiga)
woestijn
hoog
woestijn
struikvegetatie
grasland
(steppe en prairie)
naaldbos
tropisch loofbos
grasland (savanne)
tropisch regenwoud
neerslag
weinig 2
loofbos
veel
Temperatuur, neerslag en bodem bepalen welk ecosysteem je aantreft.
TIP Wil je meer weten over ecosystemen? Bekijk het filmpje Wat is een ecosysteem?
Biotische en abiotische factoren
In een vochtig weiland leven andere planten en dieren dan in een droog heideveld. Een kievit vindt in een weiland voldoende wormen, maar in een heidegebied kan dezelfde kievit geen wormen vinden. Bodemsamenstelling en vochtigheid bepalen waar veel wormen voorkomen. Waar de kievit kan leven, hangt af van verschillende factoren. Bodemsamenstelling en vochtigheid zijn voorbeelden van abiotische factoren. Abiotische factoren zijn alle factoren die nooit hebben geleefd, zoals temperatuur, licht en wind. De wormen in de bodem zijn een voorbeeld van een biotische factor. Biotische factoren zijn alle levende organismen en dode natuur. De dode natuur bestaat uit de overblijfselen van dode organismen, voedsel en ontlasting. Abiotische en biotische factoren samen bepalen hoe groot het verspreidingsgebied van een soort is en hoe groot een populatie kan worden.
102
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 102
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
Aanpassen aan de omgeving
Bij scholeksters is de lichaamsbouw aangepast aan het leven aan de kust. Dankzij hun lange poten kunnen ze door laag water lopen (figuur 3). Zwemvliezen zorgen ervoor dat ze niet wegzakken in de zachte bodem. En dankzij hun lange snavel kunnen ze schelpdieren en wormen uit de zachte bodem halen. Organismen kunnen niet zomaar in elke omgeving voorkomen, maar zijn aangepast aan de omgeving waarin ze leven. Een aanpassing is een verandering in de bouw of in het gedrag waardoor het organisme beter kan overleven. Aanpassingen in de lichaamsbouw ontstaan door evolutie. Veranderingen in de erfelijke eigenschappen kunnen tot gevolg hebben dat een organisme meer kans heeft om te overleven en zich voort te planten. Zo worden aanpassingen doorgegeven aan volgende
3
Scholekster
4
Door watergebrek laat de boom zijn bladeren eerder vallen.
generaties. Sommige soorten passen zich aan door hun gedrag te veranderen. Onze stadsduif is eigenlijk dezelfde soort als de wilde rotsduif die voorkomt aan de Middellandse Zee. Daar broeden ze in holtes tussen rotsen. In de stad gebruiken de duiven richels van gebouwen als broedplaats. In het wild eten deze duiven zaden, bessen en insecten. In de stad eten ze van alles wat mensen achterlaten. Door de aanpassingen in hun gedrag overleven deze duiven goed in de stad. Onder invloed van biotische en abiotische factoren kunnen er ook verschillen ontstaan
tussen individuen van dezelfde soort. Een ruwe berk verliest zijn bladeren snel tijdens een droge periode (figuur 4). Tijdens een vochtige periode blijven de bladeren langer aan de boom zitten.
WIST JE DAT? Na-aperij Ben jij bang voor wespen? Dat is niet zo gek, want ze kunnen gemeen steken. Gelukkig herken je een wesp gemakkelijk door zijn opvallende kleuren. Door die kleuren weten andere dieren dat ze maar beter uit de buurt kunnen blijven. Zweefvliegen apen de wespen na. Ze zijn totaal ongevaarlijk en kunnen niet steken zoals wespen. Toch hebben ze dezelfde opvallende kleuren als wespen. Dat schrikt andere dieren af. Door deze aanpassing lopen zweefvliegen geen
Zweefvlieg
gevaar. Een ander dier na-apen zodat je zelf geen gevaar loopt, noem je mimicry.
103
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 103
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
OPDRACHTEN 2
Ecosysteem Zet de begrippen in de juiste volgorde van klein naar groot. Noteer de cijfers 1 t/m 4 in de vakjes. Kies uit: ecosysteem | levensgemeenschap | organisme | populatie Begin met het woord 'organisme'. populatie levensgemeenschap ecosysteem
1 3
organisme
Het doucheputje In een doucheputje leven allerlei schimmels en bacteriën. Is het doucheputje een populatie, een levensgemeenschap of een ecosysteem? Leg je antwoord uit.
4
De terugkeer van de wolf Sinds enkele jaren is de wolf weer terug in Nederland. De Veluwe is een belangrijk leefgebied voor deze dieren. Door de wolven verandert er veel in de leefomgeving. Je mag online extra informatie zoeken bij deze opdrachten.
a Zoek op welke invloed de komst van wolven heeft op de dieren in hun omgeving.
b Zoek op welke invloed de komst van wolven heeft op de plantengroei.
104
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 104
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
c Hoe denk jij over de terugkeer van de wolf? Is de terugkeer van de wolf goed voor het landschap of moet de wolf worden bestreden? Noteer je mening en geef daarbij jouw argumenten. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.
d Vind een klasgenoot die een andere mening heeft dan jij. Discussieer samen over de vraag of we wel of niet blij moeten zijn met de terugkeer van de wolf. Ben je van mening veranderd? Zo ja, door welk argument?
5
Bevers Bevers knagen complete bomen om. Ze gebruiken de bomen als voedsel en als bouwmateriaal om dammen en burchten te bouwen. Hierdoor ontstaan open plekken en moerassige gedeelten. Welke leefomgeving is het meest geschikt voor bevers?
● een duingebied ● een uitgestrekt heideveld ● een waterrijk bosgebied ● het Waddengebied 6
De veenmol Op de foto zie je een veenmol. De veenmol is een insect dat is aangepast aan het leven onder de grond.
Aan welke aanpassing zie je dat dit dier onder de grond leeft?
105
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 105
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
7
Verspreiding van organismen 5.2
Planten in de woestijn Woestijnplanten zijn aangepast aan hun leefomgeving. De bladeren verdampen heel weinig water. Welke beschrijving past het best bij de bladeren van een woestijnplant?
● De bladeren zijn groot en bedekt met een dikke waslaag. ● De bladeren zijn groot en bedekt met een dunne waslaag. ● De bladeren zijn klein en bedekt met een dikke waslaag. ● De bladeren zijn klein en bedekt met een dunne waslaag. 8
De kanoetstrandloper De kanoetstrandloper kun je tijdens het trekseizoen tegenkomen in het Waddengebied (foto links). In de zomer is de toendra het broedgebied van de vogel. In het broedseizoen ziet deze vogel er heel anders uit (foto rechts). Het dier zal daardoor niet opvallen tussen de planten en de toendra.
Ontstaat het kleurverschil tussen deze vogels door een biotische of een abiotische factor?
9
Planten in het licht Een onderzoeker doet een proef met planten van dezelfde soort. In de figuur zie je de proefopstelling. alleen blauw licht
blauw + rood licht
alleen rood licht
gedrongen groei
normale groei
sprieterige groei, kleine bladeren
106
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 106
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.
a Wat is de onderzoeksvraag bij deze proef?
b Waarom moet de onderzoeker planten van dezelfde soort gebruiken?
c Welke conclusie kan de onderzoeker uit dit onderzoek trekken?
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. verschillende ecosystemen benoemen.
2, 3
H12
2. uitleggen hoe leefomgevingen van elkaar kunnen verschillen.
4, 5
H11, P15, P16
3. benoemen dat planten en dieren zijn aangepast aan hun omgeving.
6, 7
H13, P17
4. uitleggen dat er verschillen bestaan tussen individuen van een soort.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.
107
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 107
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Verspreiding van organismen 5.2
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Het leefgebied van de snoek De snoek is een zoetwatervis die jaagt op andere vissen. Het dier jaagt vooral door zijn ogen te gebruiken. Vergelijk de plassen uit de afbeelding met elkaar. In de ene plas is het water helder, in de andere plas is het water bedekt door kroos (kleine waterplantjes).
waterplas 1
waterplas 2
a In welke plas kan de snoek zijn prooi beter zien?
b Door welke abiotische factor kan de snoek in deze plas beter jagen?
c Welke biotische factor is in deze plas in het voordeel van de snoek?
15
Vlooienplaag Volwassen vlooien voeden zich met bloed uit de huid van zoogdieren. Na de paring legt een vrouwtjesvlo eitjes op de haren van het zoogdier. Na enige tijd vallen de eitjes op de grond. De eitjes komen na ongeveer tien dagen uit. De larven die uit de eitjes komen, voeden zich met resten van planten en dieren. Wanneer de larve volgroeid is, verandert deze in een pop. In het popstadium eet de vlo niet. De volwassen vlo komt pas uit de pop bij een plotselinge grote stijging van de temperatuur, een trilling of beweging, of een plotselinge grote stijging van het koolstofdioxidegehalte van de lucht. Vossen hebben een vaste slaapplaats waar ze steeds terugkomen. Reeën trekken in de natuur steeds verder. Ze blijven niet lang op dezelfde plaats. Leg uit wat een betere leefomgeving is voor vlooien: de vacht van een vos of de vacht van een ree.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Guanovleermuizen gaat maken. 108
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 108
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
5.3 Voedselketens Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • •
een voedselketen met producenten en consumenten opstellen. uitleggen wat de rol is van schimmels en bacteriën in een ecosysteem. in een kringloop met producenten, consumenten en reducenten een voedselketen aanwijzen.
•
een piramide van aantallen en een piramide van biomassa aflezen.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Organismen ontdekken en herkennen Voedselketens
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Maak een voedselketen In een voedselketen eet het ene organisme het andere op.
a Maak samen een voedselketen van vier organismen. Dit heb je nodig:
•
een bol touw
Dit ga je doen: 1 Verdeel de klas in groepjes van vier leerlingen. 2 In elke groep krijgt één leerling de bol touw. Als je als eerste het touw krijgt, ben je het eerste organisme in de voedselketen. Bedenk welk organisme je bent en zeg welk organisme je voorstelt. 3 Rol het touw naar een volgende leerling, maar houdt het uiteinde vast. Zo verbind je de verschillende schakels uit de voedselketen met elkaar. 4 Als jij de volgende leerling bent die het touw krijgt, zeg je welk organisme jij voorstelt in deze voedselketen. 5 Herhaal dit totdat iedereen uit de groep een organisme uit de voedselketen voorstelt.
109
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 109
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
b Welke voedselketen hebben jullie bedacht?
c Stel je voor dat de plant uit de voedselketen verdwijnt. Welk gevolg heeft dat voor de planteneter?
d Wat gebeurt er met de vleeseters als de planten verdwijnen?
THEORIE Voedselketen
Trek in iets lekkers? Geen probleem. Met een handige app op je telefoon kun je een heerlijke maaltijd thuis laten bezorgen. In de natuur moeten planten en dieren zelf voor hun voedsel zorgen. Planten maken glucose bij de fotosynthese. Van glucose maken planten weer allerlei koolhydraten, eiwitten en vetten. Omdat planten zelf voedingsstoffen maken, noem je ze producenten. Planteneters eten de planten op en zijn daarna weer voedsel voor vleeseters. Alleseters eten planten en dieren. Planteneters, vleeseters en alleseters noem je consumenten. Een voedselketen laat zien hoe voedingsstoffen worden doorgegeven van de ene naar de andere soort. Voedselketens beginnen altijd met planten. De pijlen laten zien wie door wie wordt opgegeten (figuur 1).
eikenblad 1
rups
boomkruiper
havik
Een voorbeeld van een voedselketen
110
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 110
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
Voedselweb
vos
Een voedselweb is ingewikkelder dan een voedselketen. Een voedselweb
kleine vogel
laat alle voedselketens in een ecosysteem zien (figuur 2). Een dier kan verschillende andere
konijn
dieren eten, maar kan zelf ook door
muis
sprinkhaan
verschillende dieren worden gegeten. Zo’n dier komt dan in meerdere voedselketens voor. Daardoor zijn verschillende voedselketens met wortel
elkaar verbonden. Een voedselketen in een voedselweb vind je door de pijlen te volgen.
2
gras
graan
Een voedselweb
Schimmels en bacteriën
Niet alle planten en dieren in een ecosysteem worden tijdens hun leven opgegeten. Dode planten en afgevallen takken en bladeren blijven op de grond achter. Dat geldt ook voor dode dieren en ontlasting van dieren. Hierin zitten nog veel voedingsstoffen voor allerlei afvaleters, zoals insecten, regenwormen en pissebedden. Uiteindelijk blijven er resten over die het voedsel zijn voor bacteriën en schimmels. Schimmels en bacteriën noem je reducenten. Zij breken die resten af tot stoffen (mineralen) die planten weer kunnen opnemen (figuur 3). Met deze mineralen maken planten weer nieuwe stoffen, zoals eiwitten. Zo is de kringloop rond. Reducenten zijn heel belangrijk in een ecosysteem. Zonder reducenten zouden alle dode organismen voor altijd in de natuur achterblijven.
producenten (planten)
dode resten voedingsstoffen (mineralen)
3
voedingsstoffen
consumenten (planteneters)
dode resten
voedingsstoffen
consumenten (vleeseters)
dode resten
reducenten (schimmels en bacteriën)
Reducenten breken dode resten af tot mineralen.
TIP Als je meer wilt weten over de voedselkringloop, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje. 111
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 111
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
WIST JE DAT? Kadavers kijken In het Kuinderbos in Flevoland kun je van dichtbij zien wat afvaleters doen met dode dieren. Staatsbosbeheer heeft in het bos een plek vrijgemaakt waar de boswachter aangereden dieren neerlegt. Allerlei dieren zorgen ervoor dat het lichaam van een dode ree na enkele weken is verteerd. Een dood dier betekent voedsel voor meer dan 1000 soorten insecten, spinnen, duizendpoten, pissebedden en wormen. Bij de insecten gaat het om zo’n
Dode dieren zorgen voor voedsel in de natuur.
750 soorten kevers, 150 soorten vliegen en allerlei vlinders, sprinkhanen, mieren en wespen.
TIP Als je meer wilt weten over afvaleters, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje over het Kuinderbos.
Voedselpiramides
Voedselrelaties kun je ook weergeven in de vorm van een voedselpiramide. Er zijn twee soorten voedselpiramides.
• •
een voedselpiramide van aantallen (figuur 4) een voedselpiramide van biomassa (figuur 5)
In een piramide van aantallen zie je hoeveel individuen er in elke schakel van een voedselketen voorkomen.
consumenten (1)
consumenten (100)
producenten (100 000) 4
Piramide van aantallen
Een grasveld bestaat uit een groot aantal grasplanten. De grasplanten vormen de onderste laag van de voedselpiramide. Konijnen eten het gras op, maar het aantal konijnen is kleiner dan het aantal grasplanten. Daarom is de laag van de konijnen in de figuur smaller dan de laag van de planten. De buizerd eet konijnen. Het aantal buizerds is weer kleiner dan het aantal konijnen. Bij een piramide van aantallen is de onderste laag niet altijd het breedst. De voedselketen kan bijvoorbeeld ook bestaan uit één boom waar heel veel rupsen in leven. De laag van de producenten is dan veel smaller dan de laag van de planteneters.
112
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 112
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
Als je alle organismen in de schakel van de voedselketen samenneemt, dan krijg je de biomassa. In een piramide van biomassa zie je
buizerd (1,2 kg)
hoeveel de organismen in één schakel van de voedselketen wegen. Het gewicht van alle grasplanten samen is groot. De konijnen hebben
konijnen (150 kg)
veel gras nodig om zich te voeden. Een deel van het gras is onverteerbaar en dat poepen ze uit. Een deel van de bruikbare stoffen gebruiken ze als brandstof.
gras (250 kg)
Slechts een klein deel van de bruikbare stoffen in het gras gebruiken ze om te groeien en zich te ontwikkelen. Bovendien gaat een deel van de
5
Piramide van biomassa
planten dood voordat ze worden opgegeten. Zo verdwijnt in elke schakel een deel van de biomassa van de planten uit de voedselketen. Op deze manier neemt de biomassa in elke volgende schakel van de voedselketen af. En daarmee gaat ook energie verloren uit de voedselketen (figuur 6). verlies van energie door groeien en bewegen
sterfte ontlasting
onverteerbaar voedsel
verlies van energie door sterfte en uitwerpselen 6
Energie in een voedselketen
OPDRACHTEN 2
Voedselketen In de afbeeldingen zie je vier soorten organismen die in een bos kunnen voorkomen. Deze soorten vormen samen een voedselketen.
boom
boommarter
kever
zwarte specht
a Noteer de juiste volgorde van de voedselketen. →
→
→
113
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 113
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
b Waarom kan een vleeseter niet overleven zonder planten?
3
Een vleesetende plant Net als alle andere planten doen vleesetende planten aan fotosynthese. Vleesetende planten nemen echter niet alleen stoffen op uit de grond, maar ook uit insecten en spinnen.
Welke plek heeft een vleesetende plant in een voedselketen?
● Een vleesetende plant is een planteneter. ● Een vleesetende plant is een producent. ● Een vleesetende plant is een vleeseter. 4
Cellulose In je darmkanaal leven bacteriën die cellulose afbreken. Cellulose is een stof die in plantaardig voedsel zit. Zelf kun je die stof niet verteren. Welke plek hebben deze bacteriën in de voedselketen?
● Deze bacteriën zijn afvaleters. ● Deze bacteriën zijn consumenten. ● Deze bacteriën zijn producenten. ● Deze bacteriën zijn reducenten. 5
Voedselbederf Het bederven van voedsel komt overeen met een proces uit de natuur. Welk proces wordt hier bedoeld?
● het maken van voedingsstoffen ● het eten van plantaardig voedsel ● het eten van dierlijk voedsel ● het afbreken van de dode resten
114
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 114
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
6
Voedselketens 5.3
Een voedselweb havik b bonte specht
muis
c
koolmees
eekhoorn a
eik Welke letter uit de tekening geeft de reducenten aan? letter
7
De Noordzee Naar: Examen MAVO-D, 2002-1
zeehond
haring kabeljauw plantaardig plankton
dierlijk plankton
mossel
schol
a Vul het juiste woord in. Plantaardig plankton hoort bij de consumenten | producenten. Dierlijk plankton hoort bij de consumenten | producenten.
b Noteer een voedselketen die uit vijf soorten bestaat die uit dit voedselweb komen.
c Kruis aan of de zin juist of onjuist is. juist
onjuist
Er is meer haring dan kabeljauw in de Noordzee, omdat haring minder ver in de voedselketen staat.
●
●
Er is meer haring dan kabeljauw in de Noordzee, omdat alleen kabeljauw door zeehonden wordt gegeten.
●
●
115
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 115
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
8
Voedselketens 5.3
Grauwe ganzen De grauwe gans is een echte planteneter. Per dag eet een grauwe gans gemiddeld 500 gram gras. Een grauwe gans die op één dag 500 gram gras eet, wordt niet 500 gram zwaarder.
Noem twee oorzaken waardoor de gans per dag niet 500 gram zwaarder wordt.
9
Wel of geen vlees eten? In Nederland eten we per persoon gemiddeld 40 kilo vlees. Dit vlees is afkomstig van koeien, varkens en kippen. Deze dieren krijgen voer dat bestaat uit allerlei plantaardig materiaal. Voor 1 kilogram vlees is ongeveer 5 kilogram voer nodig.
a Plaats in de piramide in het juiste niveau: de biomassa van planten, de biomassa van vee en de biomassa van mensen.
b Sommige mensen eten uitsluitend plantaardige producten. Er is dan geen vee nodig. Teken een piramide van biomassa. Plaats de biomassa van plantaardige producten en de biomassa van de mens in het juiste niveau.
116
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 116
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
c Hoe kunnen er meer mensen worden gevoed: door veganistisch te eten of door vlees te gebruiken?
d Vind jij dat meer mensen veganistisch moeten gaan eten? Leg je antwoord uit. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. een voedselketen met producenten en consumenten opstellen.
2, 3
H11
2. uitleggen wat de rol is van schimmels en bacteriën in een ecosysteem.
4, 5
H12, P15, P16
3. in een kringloop met producenten, consumenten en reducenten een voedselketen aanwijzen.
6, 7
H13
4. een piramide van aantallen en een piramide van biomassa aflezen.
8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.
117
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 117
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Voedselketens 5.3
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Teken Een teek is een spinnetje dat leeft van bloed uit het lichaam van mensen en dieren. Maak een voedselketen van een teek die bloed uit het lichaam van een kat opneemt.
15
Reducenten in een composthoop In een composthoop zetten reducenten dood materiaal om in stoffen die planten kunnen opnemen. In de tekening zie je hoe je een composthoop moet opbouwen. Onder in de composthoop ligt een laag takken.
bladeren grasmaaisel aarde hooi keuken en tuinafval stro en takken composthoop In de tabel staan vier zinnen over de composthoop. Geef aan of deze juist of onjuist zijn. Door de takken krijgen de reducenten gemakkelijker zuurstof.
juist | onjuist
De takken leveren de reducenten veel voedingsstoffen.
juist | onjuist
Tijdens het composteren neemt de hoeveelheid koolhydraten, eiwitten en vetten in de composthoop toe.
juist | onjuist
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgaven Ganzen en Een voedselweb gaat maken.
118
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 118
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Mens en milieu 5.4
5.4 Mens en milieu
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
beschrijven hoe mensen ecosystemen beïnvloeden. uitleggen wat het broeikaseffect is. uitleggen welke gevolgen het versterkte broeikaseffect heeft. met voorbeelden aangeven hoe je duurzaam omgaat met het milieu.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• • •
Broeikaseffect Verontreiniging en groei van planten Zelfreinigend vermogen van water
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Mindmap over het broeikaseffect Maak een mindmap over het ontstaan en de gevolgen van het broeikaseffect. Dit heb je nodig:
• • •
papier schrijfmateriaal stiften in verschillende kleuren
Dit ga je doen: 1 Schrijf in het midden van het papier het woord ‘broeikaseffect’ en omcirkel het. 2 Kies een stift en teken een lijn van het middelste woord naar buiten. Schrijf aan het eind van de lijn een deelonderwerp, bijvoorbeeld ‘ontstaan broeikaseffect’. 3 Teken met andere kleuren andere takken met andere deelonderwerpen. 4 Aan de grote takken die je nu getekend hebt, kun je kleinere takken toevoegen. Zo splits je de deelonderwerpen weer verder op. TIP Je kunt een mindmap ook maken op de computer.
119
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 119
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Mens en milieu 5.4
THEORIE Leefomgeving in gevaar
Onze leefomgeving noem je ook wel het milieu. Door onze manier van leven tasten we het milieu steeds verder aan.
•
Fossiele brandstoffen, zoals kolen, gas en olie, komen uit de natuur. Met deze brandstoffen worden energie en allerlei grondstoffen gemaakt. Langzamerhand raken deze fossiele brandstoffen op.
•
Steeds meer natuur maakt plaats voor
1
Bestrijdingsmiddelen beschermen gewassen.
huizen, wegen, industrie en landbouw.
• •
Allerlei afvalstoffen vervuilen de lucht, de bodem en het water. Door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw (figuur 1) komen veel schadelijke stoffen in de voedselketens terecht.
Het broeikaseffect
Het glas van een broeikas laat zonlicht door, maar houdt de meeste warmte binnen. Daardoor is het in een broeikas altijd lekker warm. Bovendien schommelt de temperatuur in een broeikas veel minder dan daarbuiten. De aarde lijkt wel wat op een broeikas. Een dikke laag lucht zit als een deken om de aarde. De warmte van de zon weerkaatst tegen het aardoppervlak, en vervolgens houdt de lucht om de aarde die warmte vast (figuur 2). Dit noem je het broeikaseffect. Zonder het broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur op aarde −18 oC zijn. Zonder broeikaseffect zou het leven op aarde zoals we dat nu kennen niet voorkomen. Zonlicht wordt gedeeltelijk teruggekaatst door wolken, water en ijs.
Een deel van het zonlicht wordt opgenomen in de atmosfeer.
Het zonlicht wordt gedeeltelijk opgenomen door het aardoppervlak.
2
De warmte die de aarde afgeeft, wordt voor een deel teruggekaatst door de atmosfeer, waardoor de temperatuur stijgt.
De dampkring houdt de warmte van de zon vast.
120
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 120
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Mens en milieu 5.4
Gevolgen van het versterkte broeikaseffect
De luchtlaag om de aarde bestaat uit verschillende gassen. Een van die gassen is koolstofdioxide. Koolstofdioxide is een belangrijk broeikasgas. Dit betekent dat het de warmte van de zon vasthoudt. Door verkeer en industrie komt er steeds meer koolstofdioxide in de lucht. Hierdoor houdt de lucht steeds meer warmte vast en wordt het op aarde steeds warmer. Dit noem je het versterkte broeikaseffect. Overal op aarde treedt klimaatverandering op door het versterkte broeikaseffect. Verandering van het klimaat kan verschillende gevolgen hebben.
• • • •
De zeespiegel stijgt. Overstromingen komen vaker voor. Tijdens langdurige droogte ontstaat er tekort aan water. De leefomgeving verandert en is voor sommige planten- en diersoorten niet meer geschikt.
Het versterkte broeikaseffect heeft in Nederland tot gevolg dat:
• • •
de gemiddelde temperatuur stijgt. extreme regenbuien steeds vaker voorkomen (figuur 3). plaagdieren uit andere landen naar Nederland komen, bijvoorbeeld de eikenprocessierups.
3
Extreme regenbuien kunnen grote gevolgen hebben.
TIP Wil je meer weten? Scan de QR-code en bekijk dan het filmpje over het broeikaseffect.
WIST JE DAT? Groene daken De meeste platte daken zijn bedekt met bitumen. Niks mis mee, maar het kan milieuvriendelijker. Je kunt een dak ook bedekken met planten. Natuurlijk kun je geen grote struiken of bomen op het dak zetten. Een groen dak bestaat meestal uit mos, gras, sedum en andere planten. Tussen de planten leven allerlei insecten, een goede voedselbron voor vogels. Groene daken helpen ook tegen
Met een groen dak help je de natuur.
wateroverlast. De wortels van de planten houden het water vast en geven het later langzaam weer af.
121
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 121
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Mens en milieu 5.4
Duurzame keuzes maken
De land- en tuinbouw gebruikt giftige stoffen om gewassen te beschermen tegen ongewenste planten, insecten en schimmels. Sommige van deze stoffen zijn slecht afbreekbaar. Dit betekent dat ze heel lang giftig blijven. Via de voedselketen kan zo’n stof in het lichaam van mensen en dieren komen. Daar hopen deze stoffen zich op als het lichaam ze niet kan afbreken of uitscheiden (figuur 4). Hoe hoger een dier in de voedselketen zit, des te meer giftige stoffen zich in het dier ophopen per kilogram lichaamsgewicht. Door die stoffen kunnen deze dieren ernstig ziek worden. hoeveelheid bestrijdingsmiddel hoeveelheid biomassa
4
Giftige stoffen hopen zich op in de voedselketen.
Sommige insecten en schimmels worden na verloop van tijd minder gevoelig voor bestrijdingsmiddelen. Ze zijn dan resistent. Er zijn dan andere giftige stoffen nodig bij de bestrijding. Een duurzame manier om gewassen te beschermen, is gebruikmaken van biologische bestrijding. Hierbij verspreid je de natuurlijke vijanden van schadelijke dieren over de gewassen. Zo kun je in kassen bladluizen bestrijden door lieveheersbeestjes uit te zetten (figuur 5). Een ander voorbeeld is het uitzetten van aaltjes (figuur 6). Dit zijn kleine wormpjes die in de grond leven en daar larven van insecten opeten. Bestrijdingsmiddelen zijn niet de enige stoffen die via de voedselketen in het lichaam van allerlei dieren terechtkomen. Andere schadelijke stoffen die in het grondwater of het oppervlaktewater zijn opgelost, worden door planten via het water opgenomen. Als deze schadelijke stoffen niet afbreekbaar zijn, worden ze net als bestrijdingsmiddelen doorgegeven in de voedselketen. Twee voorbeelden van dit soort stoffen zijn microplastics en PFAS.
5
Biologische bestrijding van bladluizen met behulp van lieveheersbeestjes
6
Microscopisch kleine aaltjes worden gebruikt bij biologische bestrijding.
122
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 122
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Mens en milieu 5.4
OPDRACHTEN 2
Wereldbevolking In het diagram zie je dat de wereldbevolking in de laatste 20 jaar sterk is toegenomen. 9 miljard
8 7 6 5 4 3 2 1 0
0
400
800
1200
1600
2000 jaar
Leg uit hoe de toename van de wereldbevolking invloed heeft op de aantasting van de leefomgeving.
3
Elektrisch of op benzine? Vanaf 2035 mogen er geen personenauto’s meer verkocht worden die op benzine rijden. Voorlopig rijden er nog veel auto’s op benzine.
a Leg uit dat het gebruik van benzine eraan bijdraagt dat de fossiele brandstoffen opraken.
b Leg uit dat het gebruik van benzine ook bijdraagt aan de vervuiling van de aarde.
123
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 123
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
4
Mens en milieu 5.4
Broeikaseffect In de volgende zinnen staat hoe het broeikaseffect ontstaat. Zet de zinnen in de juiste volgorde. Noteer de cijfers 1 t/m 5 in de vakjes. De luchtlaag om de aarde houdt de warmte vast. De warmte van de zon bereikt de aarde. De aarde weerkaatst de warmte. De gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. De zon geeft warmte af.
5
Het broeikaseffect op Mars Op de planeet Mars is de dampkring veel dunner dan de dampkring op aarde. Kies het juiste woord. Het broeikaseffect op Mars is daardoor gelijk aan | sterker dan | zwakker dan het broeikaseffect op aarde. De temperaturen tussen dag en nacht verschillen daardoor evenveel als | meer dan | minder dan op aarde.
6
IJsvogels IJsvogels eten vis. Vroeger trokken veel ijsvogels in de winter naar het zuiden. Nu brengen steeds meer ijsvogels de winter in Nederland door.
Leg uit dat het versterkte broeikaseffect hieraan bijdraagt.
124
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 124
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
7
Mens en milieu 5.4
Broeikaseffect op school Een cartoon is een grappige tekening waarin commentaar wordt gegeven op een bepaalde situatie. De tekening beeldt de persoon of de situatie waarover het gaat altijd overdreven uit. Net als in een stripverhaal kun je in een cartoon ook tekst gebruiken. In de afbeelding zie je een voorbeeld van een cartoon.
Maak een cartoon met de titel ‘Broeikaseffect op school’. Laat met de cartoon zien wat jouw school kan doen om het versterkte broeikaseffect tegen te gaan.
8
Spintmijten Tuinders die komkommers kweken hebben last van spintmijten. Spintmijten kun je bestrijden door roofmijten uit te zetten.
Hoe noem je deze manier van bestrijding?
125
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 125
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
9
Mens en milieu 5.4
Microplastics in het water In het water komen microplastics voor. Dit zijn kleine deeltjes plastic, afkomstig uit plastic afval. Dierlijk plankton kan deze microplastics opnemen. Bekijk de voedselketen in de figuur.
grote roofdieren
kleine vissen dierlijk plankton
plantaardig plankton
a De vogels komen niet in aanraking met de microplastics in het water. Toch komen microplastics ook voor in het lichaam van deze vogels. Geef hiervoor een verklaring.
b Welke levende wezens uit deze voedselketen krijgen uiteindelijk de meeste microplastics in het lichaam?
● dierlijk plankton ● kleine vissen ● roofdieren
126
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 126
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
10
Mens en milieu 5.4
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. beschrijven hoe mensen ecosystemen beïnvloeden.
2, 3
H12
2. uitleggen wat het broeikaseffect is.
4, 5
H11, P15
3. uitleggen welke gevolgen het versterkte broeikaseffect heeft.
6, 7
H13, P16
4. met voorbeelden aangeven hoe je duurzaam omgaat met het milieu.
8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Leven op aarde Leg uit dat het broeikaseffect leven mogelijk maakt op aarde.
15
Koolstofdioxide Door het versterkte broeikaseffect warmt de aarde op. Koolstofdioxide is een belangrijk broeikasgas. Behalve koolstofdioxide zijn er nog een aantal andere broeikasgassen. Als we direct stoppen met het uitstoten van broeikasgassen gaat de opwarming van de aarde voorlopig toch door. Leg uit waardoor dat komt.
127
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 127
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
5.5 Biotechnologie
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
voorbeelden noemen waarvoor je biotechnologie kunt inzetten. uitleggen dat bacteriën en schimmels een rol spelen in biotechnologie. uitleggen hoe je DNA kunt aanpassen. argumenten van voor- en tegenstanders van biotechnologie noemen.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Werken met gist
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Bacteriën en schimmels op het menu Een succesvol restaurant onderscheidt zich van andere door de keuze van de gerechten. Zo zijn er vegetarische restaurants, visrestaurants en restaurants die zich specialiseren in buitenlandse gerechten. Doe deze opdracht in een groepje van vier. Jullie gaan een menu samenstellen voor een nieuw bijzonder restaurant: een restaurant dat alleen gerechten serveert die gemaakt zijn met behulp van bacteriën en schimmels. Dit heb je nodig:
• • • •
papier schrijfmateriaal tekenmateriaal toegang tot internet
Dit ga je doen: 1 Werk in groepjes van vier. 2 Omdat een menukaart uit verschillende delen bestaat, verdeel je de taken. Ieder lid van de groep houdt zich bezig met één onderdeel van het menu. De verschillende delen van het menu zijn:
• • • •
voorgerechten; hoofdgerechten; toetjes; dranken. 128
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 128
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
3 Ieder lid van de groep gaat op zoek naar drie gerechten of dranken die alleen gemaakt kunnen worden met behulp van bacteriën of schimmels. 4 Bedenk voor elk gerecht een mooie naam. Zet erbij welke ingrediënten het bevat. 5 Maak een menukaart. Zet de naam van je restaurant bovenaan. Zet de gerechten eronder.
THEORIE Biotechnologie
Bij biotechnologie passen mensen de eigenschappen van dieren of planten aan. Je hebt oude en moderne biotechnologie. De oude biotechnologie wordt al eeuwen gebruikt. Hierbij selecteren mensen planten, vee en huisdieren met gewenste eigenschappen (figuur 1 en 2). Alleen die planten en dieren mogen zich voortplanten. Na vele generaties komen er dan steeds meer planten en dieren die de gewenste eigenschappen hebben. Zo ontstaan er nieuwe rassen met betere eigenschappen. Bij deze vorm van biotechnologie duurt het lang voordat je een goed resultaat hebt. Toch wordt deze vorm van biotechnologie nog steeds gebruikt.
1
Orchideeën in een kwekerij
2
Uit de wolf zijn heel veel verschillende hondenrassen voortgekomen.
129
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 129
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
Bij de moderne biotechnologie worden verschillende technieken gebruikt om het DNA van organismen te veranderen. Hierdoor kun je de eigenschappen van organismen veel sneller aanpassen dan bij de oude biotechnologie. Bij de moderne biotechnologie worden vaak bacteriën en schimmels gebruikt. Het DNA van bacteriën en schimmels is makkelijker te veranderen dan het DNA van andere organismen. Bovendien planten zij zich heel snel voort en is het aantal nakomelingen bijzonder groot. Zo kun je snel heel veel bacteriën en schimmels krijgen met aangepaste eigenschappen. Het veranderen van DNA noem je genetische modificatie.
Bacteriën en schimmels in de biotechnologie
In veel light frisdranken is suiker vervangen door de zoetstof aspartaam. Om aspartaam te maken, is een bepaald eiwit nodig. Dat eiwit wordt gemaakt door de bacterie Bacillus proteolicus. Deze bacteriën zijn genetisch gemodificeerd, zodat ze meer van dit eiwit maken. Daardoor kan er voldoende aspartaam worden gemaakt. Bacteriën en schimmels worden al heel lang gebruikt om voedsel te maken. Met gist kun je brood, bier en wijn maken. Melkzuurbacteriën zijn nodig om yoghurt, kaas en zuurkool te maken. Door middel van genetische modificatie kun je:
• • •
de opbrengst van planten en dieren vergroten; bruikbare stoffen maken met verbeterde eigenschappen; organismen beschermen tegen schadelijke schimmels of insecten.
WIST JE DAT? Bacteriën eten plastic Bacteriën zijn de opruimers in de natuur. Ze breken dode organismen af tot voedingsstoffen die planten weer kunnen opnemen. Maar er zijn bacteriën die nog veel meer opruimen. Zij eten en verteren plastic. Plastic zwerfafval is een groot probleem. Per jaar gooien Nederlanders per persoon meer dan 8 kilogram plastic verpakkingen weg. Helaas kan dat lang niet allemaal worden afgebroken door bacteriën. Daarvoor gaat de afbraak door bacteriën te langzaam. Voorkomen
Zo help je de bacteriën een handje met opruimen.
is beter dan opruimen. En daar kan iedereen een handje bij helpen.
130
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 130
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
DNA veranderen
In sommige landbouwgewassen is het DNA aangepast om het gewas andere eigenschappen te geven (figuur 3). Zo zijn er nu aardappelen die bestand zijn tegen aardappelziekte, tomaten die je langer kunt bewaren en mais dat beter bestand is tegen rupsen.
3
Op een etiket kun je lezen of een product genetisch gemodificeerde ingrediënten bevat.
Bij genetische modificatie wordt het DNA van organismen aangepast om de eigenschappen van organismen te veranderen. Soms gebeurt dat door een gen van de ene soort in te bouwen in het DNA van een andere soort. Het gemodificeerde organisme noem je dan transgeen. Een voorbeeld van een transgene plant is de zogenaamde gouden rijst (figuur 4). Aan deze rijstplanten is een stukje DNA toegevoegd, waardoor de rijstkorrels vitamine A bevatten. Vitamine A is een belangrijke voedingsstof.
4
Gouden rijst en witte rijst
131
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 131
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
Er bestaan verschillende methoden om DNA aan te passen. Een nieuwe methode heet CRISPR-Cas9. Met deze methode is het mogelijk om een stukje DNA weg te halen en te vervangen door een nieuw stukje DNA. Hierdoor wordt het in de toekomst makkelijker om het DNA van planten en dieren aan te passen. Een andere methode van genetische modificatie is klonen. Hierbij plaats je de celkern uit een lichaamscel in een onbevruchte eicel. Uit die onbevruchte eicel ontwikkelt zich een nakomeling die precies dezelfde eigenschappen heeft als het individu dat de celkern heeft afgestaan. Het eerste dier dat gekloond werd was een schaap. TIP Wil je meer weten? Scan de QR-code en bekijk dan het filmpje over genetische modificatie.
Voorstanders en tegenstanders
Over het toepassen van genetische modificatie denkt niet iedereen hetzelfde. Voorstanders zijn blij met het verbeteren van de voedselproductie en de toepassingen waarbij zieke mensen beter kunnen worden geholpen. Tegenstanders vinden dat er nog te weinig onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de natuur. Voor het toepassen van genetische modificatie zijn allerlei regels. Die regels kunnen per land verschillen. In de meeste landen is het bijvoorbeeld verboden om een huisdier te klonen, maar in China is dat toegestaan.
OPDRACHTEN 2
Nuttige schimmels In de afbeelding zie je gistcellen.
Welke voedingsmiddelen worden gemaakt met behulp van schimmels?
■ brood ■ kaas ■ wijn ■ yoghurt ■ zuurkool
132
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 132
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
3
Biotechnologie 5.5
Bacteriën Bacteriën planten zich niet voort door middel van eicellen en zaadcellen. Bij bacteriën vindt de voortplanting plaats door celdeling. Leg uit dat bacteriën daardoor heel geschikt zijn voor genetische modificatie.
4
Vitamine B12 De meeste dieren hebben bacteriën in hun darmkanaal die vitamine B12 produceren. Mensen hebben die bacteriën niet. Daarom moeten mensen vlees, melk en eieren nuttigen om vitamine B12 op te nemen. Bij een tekort aan vitamine B12 moest je vroeger veel lever eten. Nu neem je een voedingssupplement met vitamine B12. De vitamine die daar in zit, is gemaakt door genetisch gemodificeerde bacteriën. Wat is het voordeel van het genetisch modificeren van bacteriën in plaats van de producten van dieren te gebruiken?
5
Orchideeën kweken Wilde orchideeën hebben kleine bloemen. Gekweekte orchideeën hebben grote bloemen in allerlei kleuren. De gekweekte planten moeten kunnen leven in huizen waar de temperatuur en luchtvochtigheid nogal verschillen. Sommige orchideeën worden gebruikt om planten te kweken die geschikt zijn om langdurig in de huiskamer te houden.
Welke eigenschappen hebben deze orchideeën?
■ De planten hebben grotere bloemen. ■ De planten nemen weinig water op. ■ De planten verliezen snel water door grote bladeren. ■ De planten zijn gevoelig voor temperatuurschommelingen. ■ De planten zijn minder gevoelig voor ziekten. 133
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 133
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
6
Biotechnologie 5.5
Transgeen Wanneer noem je een organisme een transgeen organisme?
● als er een stukje DNA is weggehaald ● als er een stukje DNA van een ander organisme is ingebouwd ● als het een kloon is ● als het genetisch gemodificeerd is 7
Biotechnologie Welke bewering over biotechnologie is juist?
● Biotechnologie is een voorbeeld van genetische modificatie. ● CRISPR-cas9 is een voorbeeld van genetische modificatie. ● Door te klonen ontstaat een transgeen organisme. ● Een genetisch gemodificeerd organisme is altijd een transgeen organisme. 8
Voorstanders en tegenstanders In voedsel komen ingrediënten voor die genetisch gemodificeerd zijn. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Feiten en meningen.
a Noem argumenten voor het toestaan van genetische modificatie bij de productie van voedsel.
b Noem argumenten tegen het toestaan van genetische modificatie bij de productie van voedsel.
TIP Je mag online extra informatie zoeken.
c Wissel verschillende meningen met elkaar uit in een groepje. Voer de volgende opdrachten uit. 1 Maak een groepje van vier. Zorg dat er voorstanders en tegenstanders in jullie groepje zitten. 2 Elke deelnemer krijgt 1 minuut de tijd de om zijn of haar argumenten te geven. 3 Als iedereen aan de beurt is geweest, volgt een vragenrondje van maximaal 10 minuten. In deze ronde mogen jullie elkaar vragen stellen over argumenten die nog niet duidelijk zijn. 4 Nu ga je met elkaar in discussie. Luister goed naar elkaar en probeer vervolgens elkaar te overtuigen met goede argumenten. Deze ronde duurt ook 10 minuten.
d Waarover zijn jullie het met elkaar eens geworden? En waarover verschillen jullie duidelijk van mening?
134
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 134
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
9
Biotechnologie 5.5
GloFish In de Verenigde staten kun je GloFish kopen. Dit zijn zebravisjes met een felle kleur. De kleur wordt veroorzaakt doordat er een stukje DNA uit kwallen is ingebouwd in de cellen van de visjes. In Europa is de verkoop van deze visjes verboden. Vind jij dat de verkoop ook in Europa moet worden toegestaan? Geef drie argumenten bij je antwoord.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. voorbeelden noemen waarvoor je biotechnologie kunt inzetten.
2, 3
H11, P15
2. uitleggen dat bacteriën en schimmels een rol spelen in biotechnologie.
4, 5
H12
3. uitleggen hoe je DNA kunt aanpassen.
6, 7
H13, P16, P17
4. argumenten van voor- en tegenstanders van biotechnologie noemen.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.
135
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 135
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Biotechnologie 5.5
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Nuttige bacteriën Welke voedingsmiddelen worden gemaakt met behulp van bacteriën?
■ brood ■ kaas ■ wijn ■ yoghurt ■ zuurkool 15
De Franse buldog De Franse buldog heeft een kleine schedel en een platte, brede neus. Hierdoor hebben deze honden vaak ademhalingsproblemen. Fokkers kunnen in de toekomst bij dit ras ademhalingsproblemen voorkomen door bij het fokken honden te kiezen die bepaalde eigenschappen hebben.
a Noem twee van deze eigenschappen.
b Leg uit of dat een voorbeeld is van oude of van moderne biotechnologie.
136
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 136
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
5.6 Koolstofkringloop en stikstofkringloop Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
de koolstofkringloop beschrijven. uitleggen welke rol reducenten spelen in de koolstofkringloop. de stikstofkringloop beschrijven. uitleggen welke rol bacteriën spelen in de stikstofkringloop.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Bladgrootte
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
De biologie-pubquiz Bij een pubquiz stelt een spelleider vragen aan teams over allerlei onderwerpen, zoals muziek, sport, films enzovoort. De deelnemers halen zo snel mogelijk allerlei ‘weetjes’ uit hun geheugen naar boven.
a Jullie gaan zelf een pubquiz voorbereiden en spelen. Alle vragen gaan over fotosynthese en verbranding. Dit heb je nodig:
• • • • •
A4-papier schaar pen stopwatch toegang tot internet of Vivo 1-kgt deel B
Dit ga je doen: 1 Je werkt in groepjes van 2 tot 4 personen. 2 Knip het A4-papier in 4 stukken. Elk team heeft 10 stukken papier nodig. 3 Bedenk minstens 10 vragen en antwoorden bij het onderwerp fotosynthese en verbranding. 4 Schrijf op de voorkant van elk papiertje een vraag. Zet op de achterkant het juiste antwoord. 5 Controleer je antwoorden in Vivo 1-kgt deel B of zoek online op de juiste antwoorden op. 137
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 137
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
6 Speel de pubquiz. Je docent is de spelleider. 7 Elke groep heeft pen en papier nodig. Schrijf op het papier de namen van alle groepsleden. 8 De spelleider leest telkens één vraag hardop voor. 9 Je krijgt maximaal 30 seconden om in je groep te overleggen en het antwoord op te schrijven. 10 Na afloop geef je het papier met de antwoorden aan een andere groep. Jullie krijgen de antwoorden van weer een andere groep. 11 De spelleider leest de vragen en de juiste antwoorden op. 12 Controleer de antwoorden van de groep waarvan jullie de antwoorden hebben gekregen. Elk goed antwoord levert 1 punt op. Tel hoeveel punten er in totaal zijn behaald. 13 De groep met de meeste punten is de winnende groep.
b Wat zijn de belangrijkste begrippen die jullie noemen in jullie antwoorden op de quiz over fotosynthese en verbranding?
THEORIE Fotosynthese en verbranding in een kringloop
Planten zijn de enige organismen die met behulp van (zon)licht koolstofdioxide en water kunnen omzetten in glucose. Dit proces heet fotosynthese. Glucose is een soort suiker. Van glucose en mineralen maken planten weer andere energierijke stoffen, zoals koolhydraten, eiwitten en vetten. Dieren eten planten of andere dieren. Bij de verbranding halen ze energie uit de energierijke stoffen in hun voedsel. Reducenten zetten dode planten, dode dieren en de resten daarvan om in koolstofdioxide, water en voedingsstoffen. Planten nemen deze stoffen weer op. Zo ontstaat er een kringloop van stoffen (figuur 1).
zuurstof en glucose
fotosynthese
verbranding koolstofdioxide en water 1
In de natuur worden stoffen telkens opnieuw gebruikt.
138
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 138
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
De koolstofkringloop
Planten gebruiken koolstof om allerlei energierijke stoffen te maken. Dieren eten planten en nemen al deze stoffen op. Zo komt de koolstof uit deze stoffen ook in het lichaam van dieren terecht. Planten en dieren verbranden een deel van de stoffen waar koolstof inzit om energie vrij te maken. De koolstof vormt dan samen met zuurstof de stof koolstofdioxide. Bacteriën en schimmels breken dode planten en dieren af en daarbij ontstaat ook koolstofdioxide. Al die koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht. Vervolgens kunnen de planten die koolstofdioxide weer opnemen. Zo ontstaat een kringloop waarin koolstof steeds opnieuw wordt gebruikt. Deze kringloop noem je de koolstofkringloop (figuur 2). koolstofdioxide
vetten
vetten
vetten
eiwitten koolhydraten
eiwitten koolhydraten
eiwitten koolhydraten
eiwitten vetten koolhydraten
vetten eiwitten koolhydraten 2
De koolstofkringloop
De meeste dode planten en dieren worden afgebroken door bacteriën en schimmels. Een deel van de planten en dieren die miljoenen jaren geleden zijn gestorven, is omgezet in fossiele brandstoffen. Dat komt doordat de overblijfselen van deze planten en dieren zijn bedolven onder een laag aarde of slib. Bij de juiste temperatuur en onder de juiste druk ontstaat uit die overblijfselen aardgas, steenkool of aardolie. Deze fossiele brandstoffen bevatten daardoor veel koolstof. Ook in de oceanen zit veel meer koolstof dan in de lucht. Doordat veel koolstof is opgeslagen in fossiele brandstoffen en in de oceanen, blijft de koolstofkringloop in balans. TIP Wil je meer weten over de koolstofkringloop? Scan de QR-code en kijk dan naar het filmpje.
139
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 139
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
De stikstofkringloop
Stikstof komt als gas voor in de lucht. Planten en dieren kunnen de stikstof uit de lucht niet opnemen. In de stikstofkringloop wordt stikstof bruikbaar gemaakt voor planten en dieren (figuur 3). stikstof in de lucht
planten Bacteriën leggen stikstof vast in de wortels van planten.
afbraak van dood materiaal door schimmels en bacteriën
ammoniak 3
nitraat
De stikstofkringloop
Planten nemen stikstof op uit de bodem in de vorm van nitraat. De planten hebben nitraat nodig om eiwitten te maken. Planten zijn het voedsel voor allerlei consumenten. Die maken met de eiwitten uit planten weer nieuwe eiwitten. In urine, uitwerpselen, dode planten en dode dieren zitten ook eiwitten die stikstof bevatten. Allerlei bacteriën zetten deze eiwitten om in ammoniak. Andere bacteriën kunnen hier weer nitraat van maken. Planten gebruiken de stikstof uit nitraat weer om eiwitten te maken. Bepaalde bacteriën kunnen nitraat omzetten in stikstofgas en geven dat af aan de lucht. Andere bacteriën kunnen stikstofgas uit de lucht opnemen. Deze bacteriën komen voor in de wortelknolletjes van planten, zoals klaver en lupine. Hier zetten ze de stikstof uit de lucht om in nitraat. Een deel daarvan komt in de grond terecht. Daardoor wordt de grond vruchtbaarder. Om de opbrengst van allerlei gewassen te verbeteren, bemesten boeren hun land met mest en kunstmest. Hierdoor komt er meer nitraat en ammoniak in de bodem. Deze stoffen komen echter ook terecht in natuurgebieden. Hierdoor gaan bepaalde planten, zoals bramen en brandnetels, harder groeien. Ze verdringen de planten die weinig stikstof nodig hebben. Door de stikstofuitstoot te verminderen, bescherm je de planten die weinig stikstof nodig hebben.
4
Daarom zoeken mensen naar manieren om minder stikstof uit te stoten.
Wortelknolletjes met bacteriën die stikstof uit de lucht opnemen
TIP Wil je meer weten over de stikstofkringloop? Scan de QR-code en kijk dan naar het filmpje.
140
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 140
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
WIST JE DAT? De stadsherder Op de hei zie je vaak schaapherders met schapen. Die schapen eten gras dat tussen de heide groeit. Zo krijgt de heide meer kans om uit te groeien. Je kunt een schaapskudde ook tegenkomen in de stad. In Rotterdam trekt een stadsherder van april tot november met een kudde door de stad. De schapen houden het gras kort in parken en op plekken waar een maaimachine niet kan komen. Met hun vacht verspreiden de schapen zaden
Stadsherder Maria met haar schapen
van allerlei planten. Zo vergroten ze de biodiversiteit. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de stadsherder.
OPDRACHTEN 2
Belangrijke processen De koolstofkringloop wordt in stand gehouden door twee processen.
a Welke twee processen?
b Op welk organisatieniveau speelt de koolstofkringloop zich af? Omcirkel het juiste niveau.
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
141
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 141
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
3
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
Jouw CO2-voetafdruk We stoten allemaal op allerlei verschillende manieren koolstof uit in de vorm van CO2
(koolstofdioxide). Te veel CO2-uitstoot brengt de koolstofkringloop uit balans. Hoeveel CO2 jouw gezin uitstoot noem je de CO2-voetafdruk.
Bij deze opdracht bepaal je de CO2-voetafdruk van jouw huishouden. Dit heb je nodig:
• •
laptop overzicht van het jaarlijks energiegebruik. Je ouders of verzorgers ontvangen dit via de energieleverancier.
Dit ga je doen: 1 Scan de QR-code en ga naar Bereken je CO2-voetafdruk. 2 Kies ‘Start’ en beantwoord de vragen.
a Geef in de tabel aan hoe groot de CO2-uitstoot van jouw huishouden is in vergelijking met andere huishoudens.
zeer hoog
hoog
gemiddeld
klein
zeer klein
energie in huis auto en openbaar vervoer vliegen eten kleding spullen
b Bij welke onderdelen zou je jouw CO2-voetafdruk willen verkleinen?
■ energie in huis ■ auto en openbaar vervoer ■ vliegen ■ eten ■ kleding ■ spullen
c Leg uit hoe je jouw CO2-voetafdruk hiervoor kan verkleinen.
d Waarom is het belangrijk dat we onze CO2-voetafdruk hiervoor verkleinen?
142
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 142
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
4
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
Schimmels en bacteriën Welke rol hebben schimmels en bacteriën in de koolstofkringloop?
5
De oesterzwam Oesterzwammen leven op stammen van dode of beschadigde bomen. Omdat oesterzwammen veel eiwitten bevatten, zijn ze geschikt als vleesvervanger. In eiwitten komt koolstof voor.
Waar komt de koolstof in de eiwitten van de oesterzwammen vandaan?
6
De stikstofkringloop De volgende zinnen beschrijven een deel van de stikstofkringloop. Zet de stappen in de juiste volgorde. Stap 1 is al ingevuld. Geef met 2 t/m 7 de verdere volgorde aan. Dieren eten planten. Bacteriën in wortelknolletjes nemen stikstof uit de lucht op. Bacteriën zetten stikstof uit de lucht om in nitraat. Planten nemen nitraat op uit de bodem. Planten maken eiwitten. Dieren maken eiwitten.
1
In de lucht zit stikstofgas.
143
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 143
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
7
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
Landbouwgewassen In de landbouw worden allerlei gewassen verbouwd die we verwerken tot voedsel. Deze gewassen bevatten verschillende groepen energierijke stoffen.
a Voor de productie van welke groep stoffen hebben deze gewassen nitraat nodig?
● eiwitten ● koolhydraten ● mineralen ● vetten b Leg uit dat de stikstofkringloop verstoord wordt wanneer landbouwgewassen worden geoogst.
c Wat doet een landbouwer om deze verstoring van de stikstofkringloop tegen te gaan?
8
Daar zit een luchtje aan Wanneer landbouwgrond wordt bemest met koeienmest, ruik je de geur van ammoniak.
Leg uit waardoor deze geur ontstaat.
144
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 144
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
9
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
Bacteriën Bacteriën zetten in de stikstofkringloop eiwitten om in nitraat. Welk voordeel hebben de bacteriën hiervan?
● Bacteriën nemen meer stikstof op. ● Er ontstaan wortelknolletjes. ● In de bacteriën komt energie vrij. ● In de bacteriën ontstaan nieuwe eiwitten. 10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de koolstofkringloop beschrijven.
2, 3
H12, P16
2. uitleggen welke rol reducenten spelen in de koolstofkringloop.
4, 5
H11
3. de stikstofkringloop beschrijven.
6, 7
H13, P15
4. uitleggen welke rol bacteriën spelen in de stikstofkringloop.
8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 5.7 Alles in samenhang.
145
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 145
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.6
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Bacteriën en schimmels in de koolstofkringloop Welke functie hebben bacteriën en schimmels in de koolstofkringloop?
● Ze ruimen afval op dat niet biologisch afbreekbaar is. ● Ze zetten water en koolstofdioxide om in glucose. ● Ze zijn consumenten. ● Ze zorgen dat voedingsstoffen uit afval beschikbaar zijn voor planten. 15
Vleesetende planten Vleesetende planten vangen insecten. De planten halen stikstof uit de insecten. Daardoor kunnen deze planten leven op grond waar heel weinig stikstof in zit.
Leg uit waarom vleesetende planten niet voorkomen in gebieden waar veel stikstof in de grond voorkomt.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Indraaien van een aquarium gaat maken.
146
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 146
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Alles in samenhang 5.7
5.7 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Leefomgeving en duurzaamheid Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Leefomgeving en duurzaamheid en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H2 Stevigheid en bewegen: aanpassingen
H6 Planten en fotosynthese: glucose
147
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 147
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Alles in samenhang 5.7
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 3.
Organismen hebben elkaar nodig. Kijk terug naar paragraaf 2, 3 en 6.
Elk organisme heeft zijn eigen plek. Kijk terug naar paragraaf 4 en 6.
Duurzame keuzes beschermen de aarde. Kijk terug naar paragraaf 4, 5 en 6.
Je hebt zelf invloed op je leefomgeving.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe blijft de aarde leefbaar? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Golfstromen gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.
148
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 148
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Examenopgaven 5.8
5.8 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints bij elke opgave.
VERSPREIDING VAN ORGANISMEN 1
Guanovleermuizen Uit: GL/TL 2019-2 Guanovleermuizen zijn insecteneters. Als ze op jacht zijn, stoten ze geluiden uit die door voorwerpen en organismen in de omgeving worden weerkaatst. De vleermuizen vangen de weerkaatste geluiden op en kunnen zo bepalen waar prooien zich bevinden (zie de afbeelding).
teruggekaatst geluid
uitgestoten geluid In de tabel staat informatie over guanovleermuizen in verschillende gebieden. gemiddeld gewicht (gram)
2p
Argentinië
13,6
Californië
11,0
Jamaica
9,8
Louisiana
12,2
a Maak op grafiekpapier een staafdiagram van het gemiddelde gewicht van de vleermuizen uit elk van de vier gebieden.
149
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 149
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
1p
Examenopgaven 5.8
b Het gemiddelde lichaamsgewicht van de vleermuizen in de vier gebieden is niet gelijk. Dit kan verklaard worden door verschillen in biotische factoren in die gebieden. Noteer een biotische factor die van invloed kan zijn op het lichaamsgewicht van vleermuizen.
VOEDSELKETENS 2
Ganzen Uit: Examen MAVO-D, 1997-1 ’s Winters trekken grote groepen ganzen in Nederland rond. Veel boeren zien niet graag zo’n grote groep ganzen op hun weiland landen. Zij kunnen in korte tijd veel gras opeten. De overheid probeert in samenwerking met milieuorganisaties de ganzen te beschermen en tegelijk de schade voor de boeren zoveel mogelijk te beperken.
In het voorjaar trekken de ganzen naar het hoge Noorden. Daar verspreiden zij zich over de onmetelijk grote vlaktes. Op de grond maken zij nesten. De jongen zijn in het begin nog hulpeloos en veel worden er slachtoffer van vossen en roofvogels. Vossen en roofvogels staan aan de top van de piramide van biomassa van de noordelijke vlaktes. Op de vlaktes leven ook veel kleine knaagdieren, waaronder lemmingen. Lemmingen eten net als ganzen van planten zoals gras. Ze worden in grote aantallen gevangen door vossen en roofvogels. In de jaren dat er veel lemmingen zijn, overleven veel jonge ganzen. In de jaren daarna zijn er minder lemmingen en neemt het aantal ganzen weer af. In het najaar trekken alle ganzen, jong en oud, weer naar zuidelijker streken zoals Nederland en Frankrijk. 1p
a Teken het voedselweb van de genoemde organismen op de vlaktes in het hoge Noorden. Neem de mens niet op in het voedselweb.
150
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 150
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
2p
Examenopgaven 5.8
b Het aantal ganzen dat kan leven in het hoge Noorden, wordt beperkt door abiotische factoren en door biotische factoren. Geef een voorbeeld van zo’n abiotische factor en biotische factor die invloed heeft op het aantal ganzen.
1p
c De bescherming van de ganzen in Nederland heeft invloed op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden. Geef een voorbeeld van de invloed die deze bescherming van de ganzen heeft op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden.
2p
d In de jaren dat er in het hoge Noorden veel lemmingen zijn, maken de jonge ganzen meer kans om te overleven. Geef hiervoor een verklaring.
3
Een voedselweb Uit: Examen GL/TL 2023-1 Faizal maakt dit voedselweb met tien groepen organismen. roofvogels jonge patrijzen
kleine spinnen
kevers
grote spinnen
koolrupsen
bladluizen
vliegen
boerenkoolplanten 1p
aardappelplanten
a Uit het voedselweb leidt Faizal een voedselketen af die uit vier schakels bestaat en waarin roofvogels voorkomen. Noteer deze voedselketen.
151
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 151
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
2p
Examenopgaven 5.8
b De biologiedocent doet drie beweringen over dit voedselweb. Kruis voor elke bewering aan of die juist of onjuist is. juist
onjuist
Elke voedselketen in het voedselweb begint met een consument.
●
●
De bladluizen maken deel uit van vier voedselketens.
●
●
In het voedselweb komen geen alleseters voor.
●
●
KOOLSTOFKRINGLOOP EN STIKSTOFKRINGLOOP 4
Indraaien van een aquarium Uit: Examen GL/TL 2022-1 Inge heeft een aquarium gekocht en richt het in met planten en vissen. Binnen een week zijn alle vissen dood. Bij de dierenwinkel testen ze het water van haar aquarium. Het water blijkt te veel ammoniak en nitriet te bevatten, wat schadelijk is voor de vissen. Ammoniak en nitriet ontstaan uit afgestorven planten, uitwerpselen van vissen of rottend visvoer. Inge krijgt het advies om het aquarium eerst te laten indraaien voordat ze vissen erin doet. Daarvoor moet ze eerst wat ammoniak in het water doen. Dan wacht ze tot alle ammoniak en nitriet zijn omgezet in nitraat, dat onschadelijk is voor de vissen. Dan pas mag ze vissen in het water doen.
1p
a In de afbeelding zie je hoe organisch afval omgezet wordt in nitraat.
visvoer waterplanten vissen organisch afval
nitraat
nitriet
ammoniak
Welke groep organismen zet ammoniak om in nitriet en nitraat?
● bacteriën ● dieren ● planten ● schimmels
152
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 152
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
1p
Examenopgaven 5.8
b Inge laat haar aquarium nu indraaien. Elke dag test ze de concentratie ammoniak, nitriet en nitraat. Ze zet de gegevens in een grafiek.
Vanaf welke dag kan Inge vissen in haar aquarium doen zonder gevaar voor de vissen?
● vanaf dag 13 ● vanaf dag 26 ● vanaf dag 33 1p
c Inge voegt nieuwe waterplanten toe aan haar aquarium. Welke invloed heeft dit op de hoeveelheid nitraat in het water? Leg je antwoord uit.
ALLES IN SAMENHANG 5
Golfstromen Uit: Examen GL/TL 2019-1 Voor de westkust van Zuid-Amerika voert een golfstroom koel water aan met veel voedingszouten. Hierdoor is het zeewater rijk aan algen die deze zouten opnemen als voedingsstoffen. De algen zijn microscopisch kleine organismen met bladgroen. Ze vormen het voedsel voor sardines en ansjovissen. Deze vissen zijn voedsel voor dolfijnen, albatrossen en jan-van-genten. Er leven ook orka’s die op dolfijnen jagen.
2p
a Noteer een voedselketen bestaande uit vier schakels uit de informatie.
153
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 153
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
1p
Examenopgaven 5.8
b Noteer een abiotische factor uit de informatie die invloed heeft op de overlevingskansen van organismen in het zeewater voor de kust van Zuid-Amerika.
1p
c De temperatuur van het zeewater voor de westkust van Zuid-Amerika wisselt voortdurend
temperatuur (°C)
onder invloed van de golfstromen (zie het diagram). 3
hoger
2 1
gemiddeld
0 −1 −2 −3 1982
lager 1986
1990
1994
1998
2002
2006
2010
2014 jaar
In welke periode was het verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur van het zeewater het grootst?
● 1982-1986 ● 1986-1990 ● 1998-2002 ● 2010-2014 2p
d Soms wordt de koele golfstroom voor de kust van Zuid-Amerika verdrongen door een warme stroom. Dit verschijnsel wordt El Niño genoemd. Het water van deze warme stroom bevat veel minder voedingszouten dan dat van de koele stroom. Dit heeft gevolgen voor de albatrossen en de jan-van-genten. Deze zeevogels vinden dan te weinig voedsel in zee en gaan op het vaste land op zoek naar voedsel. Leg uit waardoor deze zeevogels gebrek aan voedsel uit zee krijgen.
154
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 154
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid
Examenopgaven 5.8
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Verspreiding van organismen
• •
Guanovleermuizen a: Zet het gemiddelde gewicht in gram op de verticale as. Guanovleermuizen b: Biotisch is levend.
Voedselketens
• • • • • •
Ganzen a: Een voedselweb bestaat uit een aantal voedselketens. Ganzen b: Abiotisch is niet levend. Ganzen c: Wat voor invloed heeft bescherming op het aantal ganzen? Ganzen d: Waar worden jonge ganzen door gegeten? Een voedselweb a: Begin bij een plant. Een voedselweb b: Alleseters eten zowel planten als dieren.
Koolstofkringloop en stikstofkringloop
• • •
Indraaien van een aquarium a: Reducenten leven van afval Indraaien van een aquarium b: Nitraat is onschadelijk voor vissen. Indraaien van een aquarium c: Er komen meer waterplanten.
Alles in samenhang
• • • •
Golfstromen a: Een voedselketen begint altijd met een plant. Golfstromen b: Abiotisch is niet levend. Golfstromen c: Schrijf de hoogste en laagste waarde in een periode in het klad op. Golfstromen d: Waar zijn voedingszouten voor nodig?
155
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 155
24/03/2025 17:44
6 Planten en fotosynthese
INHOUD Basis 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158 6.2 Verschillende planten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163 6.3 Fotosynthese . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176 6.4 Bladeren, stengels en wortels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting . . . . . . . . . . . . . . . . . 197 6.6 Zaadverspreiding en overleven
............................
207
6.7 Ongeslachtelijke voortplanting
............................
218
..........................................
228
Afsluiting 6.8 Alles in samenhang
6.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230
VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - determineren - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met de microscoop - werken met een loep
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 156
24/03/2025 17:44
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 157
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Waarom kun je niet zonder planten? 6.1
6.1 Waarom kun je niet zonder planten? In dit hoofdstuk leer je over planten en fotosynthese. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H6 H5 - Leefomgeving en duurzaamheid producenten
Waarom kun je niet zonder planten?
Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving H9 - Ademhalen en verbranden zuurstof
O2
Planten zijn belangrijk voor andere organismen
1
Planten doen aan fotosynthese
Planten zijn organismen die zich voortplanten
Het grote plaatje
158
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 158
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Waarom kun je niet zonder planten? 6.1
THEORIE Onkruid of niet?
Overal om je heen zie je planten, in allerlei soorten en maten. Sommige groeien perfect op de ene plek, terwijl ze op andere plekken nauwelijks kunnen overleven. Planten hebben slimme aanpassingen om te groeien waar ze zich thuis voelen. In een tuin vind je grassen, klimplanten, struiken, bomen en misschien zelfs planten die je er liever niet ziet. Als je ze niet verwijdert, planten ze zich snel voort en voor je het weet staat de tuin ermee vol. Maar bedenk voordat je ze zomaar weghaalt dat ook deze planten waarschijnlijk belangrijk zijn voor andere organismen. Door ze te laten staan, help je bijen, vlinders of bladluizen en mieren. Wat jij onkruid noemt, kan voor
2
Bladluizen en een mier onder een blad
hen een belangrijke voedselbron zijn.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Voedingsstoffen zijn niet zomaar beschikbaar. Planten maken voedingsstoffen tijdens fotosynthese. Zij zijn producenten. Producenten leveren voedingsstoffen voor andere organismen, de consumenten (hoofdstuk 5).
•
In elke cel van je lichaam vindt verbranding plaats. Voor deze verbranding zijn glucose en zuurstof nodig. Deze stoffen zijn afkomstig van planten. Planten verbruiken deze stoffen zelf ook om in leven te blijven. Zuurstof en voedingsstoffen worden gemaakt tijdens fotosynthese en verbruikt tijdens verbranding (hoofdstuk 9).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Planten overleven in verschillende omstandigheden. In een woestijn hebben cactussen bijvoorbeeld dikke bladeren en een waslaagje om water vast te houden. In regenwouden hebben planten brede bladeren om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen. De leefomgeving bepaalt hoe een plant eruitziet en wat hij nodig heeft om te overleven.
•
Planten doen aan fotosynthese. Planten maken hun eigen voedsel via fotosynthese. Dit proces vindt plaats in de bladgroenkorrels van de bladeren. Met zonlicht, water en koolstofdioxide maken planten glucose. Hierbij komt zuurstof vrij, die je inademt. Fotosynthese is dus niet alleen belangrijk voor planten, maar ook voor alle andere organismen.
•
Planten zijn organismen die zich voortplanten. Planten zorgen dat er steeds nieuwe planten komen. Sommige planten maken zaden bloemen die insecten aantrekken om hun stuifmeel te verspreiden. Andere planten gebruiken uitlopers, zoals aardbeienplanten. Zelfs zonder zaden kunnen sommige planten zich voortplanten, bijvoorbeeld doordat een stukje van de plant weer uitgroeit tot een nieuwe plant.
•
Planten zijn belangrijk voor andere organismen.
O2
Planten vormen de basis van de voedselketen. Dieren eten planten voor energie en mensen eten bijvoorbeeld groenten, fruit en graan die van planten afkomstig zijn. Daarnaast zorgen planten voor zuurstof, die je inademt. Ze bieden ook schuilplaatsen voor dieren, zoals vogels die nesten maken in bomen. 159
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 159
24/03/2025 17:44
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Waarom kun je niet zonder planten? 6.1
OPDRACHTEN 1
Aangepast aan de leefomgeving Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Kruis in de tabel aan of de planten in een droge of vochtige leefomgeving groeien. droge leefomgeving
vochtige leefomgeving
cactus
varen
dotterbloem
160
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 160
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
2
Waarom kun je niet zonder planten? 6.1
Producenten Planten zijn producenten. Ze produceren voedingsstoffen voor zichzelf. Andere organismen kunnen planten eten. Zij krijgen zo de voedingsstoffen uit de planten binnen. Beantwoord de volgende vragen 1 Welke voedingsmiddelen heb je gisteren gegeten? Noteer ze hieronder. 2 Welke voedingsmiddelen van je lijst zijn gemaakt van planten? Arceer deze groen. 3 Welke voedingsmiddelen van je lijst zijn gemaakt van dieren? Arceer deze geel. 4 Wat hebben die dieren gegeten om aan hun voedingsmiddelen te komen?
3
Pluisjes In de afbeelding zie je een uitgebloeide paardenbloem. Op de plaats van de bloem zijn allemaal pluisjes ontstaan. Aan elk pluisje zit een zaadje. Als het waait, waaien de pluisjes weg. Ze landen dan ergens anders op de grond.
a Wat is de functie van een zaadje?
b Wat is de functie van de pluisjes?
161
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 161
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
4
Waarom kun je niet zonder planten? 6.1
Nuttig Welke functie van planten is in de volgende situaties van belang? 1 Je ademt snel als je aan het sporten bent. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren 2 Om te groeien heb je de juiste voedingsstoffen nodig. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren 3 Een merel maakt een nest voor zijn jongen. bescherming | glucose aanmaken | zuurstof produceren
5
Waarom kun je niet zonder planten? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Waarom kun je niet zonder planten? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
162
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 162
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
6.2 Verschillende planten Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
planten indelen in drie groepen op basis van kenmerken. uitleggen hoe planten zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. uitleggen hoe planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. groeifactoren van planten benoemen.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Planten determineren Aanpassingen bij planten
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Planten indelen Planten kun je indelen in verschillende groepen. Weet jij nog tot welke groep iedere plant behoort? Dit heb je nodig:
• •
telefoon of fototoestel plantenboek of planten-app (bijvoorbeeld PictureThis)
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Ga naar een park, schooltuin of een andere groene omgeving. 3 Maak foto’s van minstens drie planten uit elk van de drie groepen: algen, sporenplanten en zaadplanten. In totaal fotografeer je dus minimaal negen planten. 4 Noteer in de tabel de naam van elke plant. Gebruik een plantenboek of een app (bijvoorbeeld PictureThis) om de planten te identificeren en te bepalen tot welke groep ze behoren. 5 Noteer in de laatste kolom van de tabel typische kenmerken van elke plant. Benoem hierbij ook hoe je kunt zien tot welke plantgroep de plant behoort.
163
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 163
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
naam van de plant
Verschillende planten 6.2
plantgroep
kenmerken horend bij de plantgroep
THEORIE Soorten planten
Er zijn meer dan 380 000 verschillende soorten planten. Je kunt ze indelen in drie hoofdgroepen op basis van hun kenmerken en manier van voortplanten. Deze groepen zijn:
•
Algen: veel soorten algen hebben geen echte wortels, bladeren of bloemen (figuur 1). Ze groeien vaak op vochtige plekken en planten zich meestal voort door celdeling. Sommige algensoorten worden tegenwoordig niet meer tot de planten gerekend, omdat ze eenvoudiger zijn en vaak eencellig. Een aantal algen, zoals groenwieren, lijken wel veel op planten doordat ze ook fotosynthese gebruiken. 1
Algen groeien vaak in het water.
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje voor meer informatie over algen.
164
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 164
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
•
Verschillende planten 6.2
Sporenplanten: hiertoe behoren planten zoals varens. Ze hebben wortels, stengels en bladeren, maar geen bloemen. Ze planten zich voort met sporen (figuur 2). Mossen gebruiken ook sporen, maar ze hebben geen vaatbundels, zoals de meeste andere sporenplanten.
•
Zaadplanten: dit is de grootste en meest diverse plantengroep. Zaadplanten hebben wortels, stengels, bladeren en bloemen (figuur 3). Ze planten zich voort met zaden. De belangrijkste planten in deze groep zijn: -
2
Varens planten zich voort door middel van sporen.
3
Een paardenbloem is een voorbeeld van een zaadplant.
Loofbomen: deze hebben een stevige houtachtige stam. Loofbomen hebben vlakke bladeren.
-
Naaldbomen: naaldbomen hebben naaldvormige of schubvormige bladeren.
-
Grassen en andere kruidachtige planten: deze hebben geen houtachtige stengels en zijn meestal zacht en buigzaam.
-
Planten die groeien uit bollen of knollen: bollen en knollen slaan hun reservevoedsel ondergronds op.
Voortplanting van planten
Planten kunnen zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. Bij geslachtelijke voortplanting smelten mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen samen. Bij zaadplanten gaat dit via bloemen. De stuifmeelkorrels (mannelijke geslachtscellen) worden van de meeldraden overgebracht naar de stamper (vrouwelijk voortplantingsorgaan) van een andere bloem. Dit kan gebeuren door de wind, insecten of andere dieren. Nadat vervolgens bevruchting heeft plaatsgevonden, ontstaat er een zaadje waaruit een nieuwe plant kan groeien. Bij ongeslachtelijke voortplanting is er geen bevruchting nodig. Planten kunnen door celdeling nieuwe planten maken uit stukjes van zichzelf. Ongeslachtelijke voortplanting is daardoor meestal sneller dan geslachtelijke voortplanting. Voorbeelden van ongeslachtelijke voorplanting zijn:
• •
stekken, een stuk van een plant in de grond zetten om een nieuwe plant te laten groeien; wortelstokken of uitlopers, bijvoorbeeld een aardbeienplant die nieuwe planten vormt via stengels die over de grond kruipen.
165
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 165
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
Aanpassingen van planten aan de leefomgeving
Planten overleven door zich aan te passen aan hun leefomgeving. Woestijnplanten, zoals cactussen, leven in droge en warme gebieden. Om te overleven hebben ze dikke stengels om water op te slaan en kleine bladeren of helemaal geen bladeren om zoveel mogelijk waterverlies te voorkomen (figuur 4). Daarnaast hebben ze wortelstelsels die heel diep of heel breed zijn om zoveel mogelijk water te kunnen vinden. Als er heel weinig water is, sluiten planten ook hun huidmondjes om verdamping te voorkomen.
4
Cactussen groeien vaak in de woestijn en houden zoveel mogelijk water vast.
Vaste planten beschermen zich tegen vrieskou door in de winter bovengronds af te sterven. Zij slaan reservevoedsel op in hun wortels, zodat ze in het voorjaar weer kunnen groeien. Andere planten laten alleen hun wortelrozet boven de grond leven. Dit noem je rozetvormende planten. Hierbij zitten de bladeren allemaal dicht op een kring net boven de grond. Deze kring noem je een rozet (figuur 5).
5
Een sleutelbloem maakt een rozet van bladeren.
166
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 166
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
Voorjaarsbloeiers, zoals narcissen, bloeien in het vroege voorjaar. In de zomer en herfst slaan deze bloemen veel energie op, zodat ze in het voorjaar al vroeg kunnen bloeien (figuur 6).
6
Narcissen bloeien vroeg in het voorjaar.
Planten die in het water leven, hebben zich aangepast aan hun omgeving door bijvoorbeeld te zorgen dat ze blijven drijven. Hiervoor hebben ze holle stengels en bladeren met luchtholtes (figuur 7). Daarnaast bevinden de huidmondjes zich bij deze waterplanten met drijvende bladeren niet aan de onderkant, maar aan de bovenkant van het blad.
7
Waterplanten zoals riet hebben als aanpassing holle stengels. Zo blijven ze drijven en kunnen ze zuurstof naar de wortels transporteren.
167
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 167
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
Klimplanten zoals klimop hebben zich zo aangepast dat ze overal tegenaan kunnen groeien. Met hun hechtwortels zetten ze zichzelf vast aan bijvoorbeeld een muur of boom (figuur 8).
8
Met hechtwortels zorgt een klimop ervoor dat hij tegen muren omhoog kan groeien.
Soms zie je planten groeien op een plaats waar je ze niet verwacht. Bijvoorbeeld in dakgoten, op andere planten of tegen een muur (figuur 9). Planten passen zich op allerlei manieren aan hun omgeving aan en kunnen zo in bijzondere omstandigheden overleven.
9
Muurleeuwenbek groeit op een muur.
Planten groeien met behulp van groeifactoren: water, licht, temperatuur, lucht en voedingsstoffen. Mangroven hebben bijvoorbeeld luchtwortels om in zuurstofarme grond te overleven (figuur 10). Bergplanten blijven laag bij de grond tegen kou en vleesetende planten vangen insecten voor extra voedingsstoffen.
10 Mangroven hebben een aangepast wortelstelsel. 168
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 168
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
WIST JE DAT? Groeien met weinig voedingsstoffen in de bodem Bekerplanten zijn vleesetende planten. Ze hebben bladeren die de vorm hebben van een diepe beker met gladde wanden. Insecten worden gelokt door een zoete geur en glijden vervolgens in de beker, waar ze niet meer uit kunnen. De plant verteert de insecten en haalt zo extra voedingsstoffen uit de prooi binnen. Hierdoor kunnen bekerplanten groeien op plaatsen waar de bodem weinig voedingsstoffen bevat.
Bekerplant met prooi
OPDRACHTEN 2
Hoofdgroepen van planten Er bestaan verschillende soorten planten.
a Welke groep planten groeit vaak op vochtige plekken en heeft geen echte wortels of bladeren?
b Wat is het belangrijkste verschil tussen loofbomen en naaldbomen?
c De planten in de afbeelding planten zich voort door middel van sporen.
Bij welke groep horen deze planten?
169
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 169
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
3
Verschillende planten 6.2
Planten kiezen Stel dat je een zonnige plek in je tuin hebt waar je planten met bloemen wilt planten. Je wilt dat de planten in de maanden maart en april bloeien.
a Welke groep planten zou je het best kunnen kiezen voor deze locatie? Leg uit waarom.
b Vingerhoedskruid is een plant die 1,5 meter hoog kan worden. Hij staat met zijn wortels graag in vochtige grond. Het eerste jaar vormt de plant bladeren die in een rondje dicht op elkaar staan. Bij welke groep planten hoort vingerhoedskruid? Kies uit: klimplanten | rozetvormende planten | waterplanten Leg je antwoord uit.
4
Verspreiding van ongewenste planten Het bestrijden van ongewenste kruidachtige planten kan lastig zijn. Deze ongewenste planten kunnen zich verspreiden door zaden of door uitlopers te vormen. Kruis in de tabel aan of er sprake is van geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting. geslachtelijke voortplanting
ongeslachtelijke voortplanting
verspreiding door zaden door de wind
●
●
aanmaken van wortelstokken
●
●
verspreiding van zaden door insecten
●
●
170
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 170
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
5
Verschillende planten 6.2
Kruipend zenegroen Kruipend zenegroen is een bodembedekker. Deze plant vormt lange stengels over de grond die nieuwe wortels en plantjes vormen. Hierdoor vormt hij een dicht tapijt op de bodem, zie de foto.
a Hoe noem je de stengels van kruipend zenegroen die over de grond kruipen en nieuwe planten vormen?
b Welke vorm van voortplanting is dit? geslachtelijke | ongeslachtelijke voortplanting.
6
Naaldbomen Naaldbomen leven vaak in koude gebieden waar minder water is (zie de foto). Bladeren bezitten huidmondjes. Kleinere bladeren hebben minder huidmondjes dan grotere bladeren.
a Wat is de functie van huidmondjes?
b Welke aanpassing hebben naaldbomen in gebieden waar minder water is?
c Waardoor hebben planten met minder huidmondjes minder water nodig?
171
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 171
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
7
Verschillende planten 6.2
Wortelstelsel Een cactus heeft in droge gebieden vaak een heel breed en ondiep wortelstelsel. Waardoor komt dat?
● Een cactus groeit op plaatsen met veel stenen in de bodem, waardoor de wortels niet diep kunnen wortelen.
● Een cactus kan zo veel water opvangen als het regent. ● Een cactus waait op deze manier niet om als het regent. ● Wortelstelsels van verschillende cactussen werken zo samen. 8
Groeifactoren Welke groeifactor speelt de belangrijkste rol in de volgende situaties? 1 Een kamerplant staat in een hoek waar weinig zonlicht binnenkomt en groeit langzaam en verbleekt. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 2 Een zaadje dat je in het voorjaar buiten plant, komt pas in de lente uit de grond als het warmer wordt. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 3 Een plant in een kas groeit snel en stevig, maar de bladeren beginnen geel te worden en vallen uit. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water 4 Na een aantal zonnige dagen zonder regen in de zomer beginnen de bladeren van een plant slap te hangen en te krullen. licht | temperatuur | voedingsstoffen | water
9
Ontkiemen van tuinkers Je onderzoekt hoe verschillende groeifactoren (licht, vocht, temperatuur) de ontkieming van tuinkers beïnvloeden. Dit heb je nodig:
• • • • • •
tuinkerszaadjes zes petrischaaltjes of kleine bakjes watten of keukenpapier water donkere ruimte (bijvoorbeeld een kast) toegang tot een warme plek en een koele plek
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Vul vijf petrischaaltjes met vochtige watten of keukenpapier. Vul het zesde petrischaaltje met droge watten of keukenpapier. 3 Verdeel de zaadjes over de zes petrischaaltjes. 4 Leg de zaadjes weg in verschillende omstandigheden:
• • •
Licht en donker: één bakje in het licht, één in het donker. Vocht en droogte: één bakje met vochtige watten, één zonder water. Warmte en kou: één bakje op een warme plek, één op een koele plek.
Controleer de volgende les de ontwikkelingen en beantwoord de vragen.
a Welk verschil valt je op bij de zaadjes die groeien in het donker en in het licht?
172
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 172
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
b Welk verschil valt je op bij de zaadjes die groeien in het vocht en in droogte?
c Welk verschil valt je op bij de zaadjes die groeien in warmte en in kou?
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. planten indelen in drie groepen op basis van kenmerken.
2, 3
H11
2. uitleggen hoe planten zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten.
4, 5
H12, P16
3. uitleggen hoe planten zijn aangepast aan hun leefomgeving.
6, 7
H13, P15
4. groeifactoren van planten benoemen.
8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
173
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 173
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Plantgroepen Je kunt planten in verschillende groepen indelen. Een van de kenmerken waarop je dan let is de manier van voortplanten. Zet de antwoorden op de juiste plaats in de tabel. Kies uit: algen | sporen | ongeslachtelijke voortplanting | sporenplanten | zaadplanten | zaden kenmerken
groep planten
voortplanting
geen echte wortels, bladeren of bloemen
wortels, stengels en bladeren, geen bloemen
wortels, stengels, bladeren en bloemen
15
Planten op vreemde plaatsen Heb je weleens gezien dat een plant in een scheur in de muur groeit, zoals op de foto?
a Hoe kan de plant op zo’n onverwachte plaats groeien?
174
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 174
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Verschillende planten 6.2
b Welke aanpassingen moet de plant hebben om in zo’n omgeving te overleven?
c Wat kan er gebeuren als de plant daar blijft groeien? Denk aan de invloed op de muur en de omgeving.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een determineertabel gaat maken.
175
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 175
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
6.3 Fotosynthese Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
O2
benoemen waarom planten belangrijk zijn voor andere organismen. uitleggen hoe planten glucose en zuurstof maken met behulp van licht. uitleggen welke stoffen planten maken van glucose en waar ze die voor gebruiken. uitleggen dat planten door fotosynthese energie vastleggen en dat energie weer vrijkomt bij verbranding.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Licht en de vorming van zetmeel Fotosynthese bij waterpest
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Plantaardig of dierlijk product? Je wilt een cake bakken en vraagt jezelf af welke ingrediënten van de cake plantaardig zijn en welke dierlijk. Daarnaast wil je graag weten of je de dierlijke producten kunt vervangen door plantaardige producten, zodat de cake helemaal plantaardig is.
a Kruis in de tabel aan welke producten dierlijk en welke producten plantaardig zijn. b Zoek daarna op hoe je de dierlijke producten kunt vervangen door plantaardige producten. dierlijk product
plantaardig product
vervangen door
bloem
176
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 176
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
dierlijk product
plantaardig product
vervangen door
boter
suiker
melk
eieren
vanille
c Heb je nog meer alternatieven gevonden om dierlijke producten door plantaardige producten te vervangen? Zo ja, welke?
d Ga met een aantal klasgenoten in gesprek over waarom je wel of niet dierlijke producten (af en toe) zou vervangen door plantaardige producten.
177
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 177
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
THEORIE Fotosynthese, de basis van leven
Als je een boterham eet, verteert je lichaam die boterham om de voedingsstoffen eruit te kunnen halen. Deze voedingsstoffen breek je vervolgens verder af en zet je om in energie die je nodig hebt om je lichaam goed te laten werken. Ieder organisme breekt stoffen af om te zorgen dat er energie vrijkomt. Planten doen iets unieks. Ze maken glucose en zuurstof uit koolstofdioxide en water (figuur 1). Zo maken ze hun eigen energierijke stof. Dit proces heet fotosynthese. Alleen planten kunnen aan fotosynthese doen, omdat ze als enige bladgroenkorrels hebben. zonlicht
koolstofdioxide
fotosynthese
zuurstof
glucose water
1
Fotosynthese
Zonder planten zou er geen leven op aarde mogelijk zijn. Andere organismen gebruiken glucose en zuurstof van planten om te kunnen leven. Planten zijn erg belangrijk voor andere organismen, omdat deze afhankelijk zijn van de glucose en zuurstof die planten maken. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Wat is fotosynthese?
Fotosynthese kun je in het volgende schema weergeven.
water + koolstofdioxide
bladgroenkorrels lichtenergie
glucose + zuurstof
Waar halen planten de stoffen en energie voor fotosynthese vandaan?
• • •
Het water halen ze met hun wortels uit de grond. Koolstofdioxide nemen ze met hun huidmondjes op uit de lucht. Zonlicht vangen ze op via alle groene delen van de plant.
178
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 178
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
Van glucose naar voedingsstoffen
Je hebt voedsel nodig dat verschillende voedingsstoffen bevat. Planten maken hun eigen voedingsstoffen (figuur 2). Tijdens de fotosynthese maakt een plant glucose. Deze glucose wordt weer omgezet in andere voedingsstoffen die de plant gebruikt. Een plant kan glucose omzetten in:
• • • • •
cellulose, die in de celwand van de plant zit;
2
Doordat planten glucose opslaan, kunnen andere organismen dit als voedsel gebruiken.
suiker, die wordt opgeslagen in wortels, stengels en zaden; vet, dat wordt opgeslagen in zaden; zetmeel, dat wordt opgeslagen in bladeren en wortels; eiwitten, die onder andere worden opgeslagen in zaden.
Planten, maar ook andere organismen, gebruiken deze stoffen als brandstof, bouwstof en reservestof.
•
Brandstof: is nodig voor de verbranding. De glucose die niet als brandstof nodig is, gebruikt een plant voor het maken van andere stoffen.
•
Bouwstoffen: eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen en zijn nodig voor de vorming van cytoplasma, DNA en cellulose.
•
Reservestof: deze wordt meestal als zetmeel opgeslagen voor later. Elke cel bevat een klein beetje reservestof en de rest wordt opgeslagen in bijvoorbeeld zaden of knollen. Mensen gebruiken deze vaak als voedsel, zoals aardappelen.
Groene bladeren
Is het je weleens opgevallen dat de meeste bladeren groen zijn? Dit komt door bladgroenkorrels. Bladgroenkorrels zitten in alle groene delen van de plant, dus in de bladeren, maar ook in de stengels. Bladgroenkorrels bevatten chlorofyl. Dit zorgt voor de groene kleur van de bladeren (figuur 3). In de bladgroenkorrels vindt de fotosynthese plaats.
3
Bladgroenkorrels bekeken met een microscoop
179
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 179
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
Verbranding
Planten hebben net als alle andere organismen energie nodig om te kunnen groeien. Die energie komt vrij door verbranding van glucose. Bij verbranding gebeurt het omgekeerde als bij fotosynthese. Voor verbranding heb je glucose en zuurstof nodig. In de cellen wordt de glucose omgezet in koolstofdioxide en water. Hierbij komt energie vrij die een plant gebruikt om te groeien en te leven. Verbranding vindt zowel overdag als ’s nachts plaats. Fotosynthese kan alleen plaatsvinden als de plant voldoende licht krijgt. In een schema ziet verbranding er als volgt uit.
glucose + zuurstof
cellen
⚡
koolstofdioxide + water + energie
WIST JE DAT? Organismen doen al meer dan drie miljard jaar aan fotosynthese Cyanobacteriën waren de eerste organismen die fotosynthese gebruikten om energierijke stoffen te maken, lang voordat planten bestonden. Deze bacteriën konden net als planten energie maken met behulp van licht. Deze bacteriën worden ook wel blauwalgen genoemd. Bij te veel nitraat en fosfaat in het water groeien ze hard, waardoor er waterbloei kan ontstaan. Dit zorgt voor giftige stoffen in het water. Cyanobacteriën op een wateroppervlak
180
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 180
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
OPDRACHTEN 2
Wat eet je? Planten leveren voedingsstoffen aan andere organismen. In de tabel zie je verschillende onderdelen van planten die mensen eten. Welk onderdeel van de plant eet je?
3
bladeren | vruchten | wortels
bladeren | vruchten | wortels
bladeren | vruchten | wortels
bladeren | vruchten | wortels
Leven zonder planten Stel je voor dat je op een plek bent waar geen planten leven. Beschrijf wat dit zou betekenen voor de organismen die daar leven, zoals dieren en mensen. Leg uit of ze kunnen overleven zonder planten.
181
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 181
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
4
Fotosynthese 6.3
Fotosynthese in een plant Kies de juiste antwoorden. 1 Planten hebben licht nodig om glucose en zuurstof te kunnen maken. juist | onjuist 2 Op de foto staan wortels van een plant. In deze onderdelen vindt fotosynthese plaats. juist | onjuist 3 Tijdens fotosynthese zet de plant koolstofdioxide en water om in glucose en zuurstof. juist | onjuist 4 Alle planten met bladgroenkorrels kunnen aan fotosynthese doen.
Wortels van een plant
juist | onjuist
5
Proefje met waterpest Stel dat je een proefje doet om aan te tonen dat planten zuurstof maken. 1 Je vult een reageerbuisje voor twee derde met water en legt hierin een takje met waterpest. 2 Je zet de reageerbuis op een plek in de zon met een constante temperatuur. 3 Elke ochtend om negen uur tel je het aantal gasbelletjes dat je gedurende één minuut ziet opstijgen. 4 Je houdt de resultaten en de weersomstandigheden gedurende vijf dagen bij. dag
weersomstandigheden
aantal gasbelletjes per minuut
1
zonnig
14
2
bewolkt
5
3
zonnig
16
4
half bewolkt
8
5
regen
3
a Welke conclusie kun je uit deze proef trekken?
b Wat zou er met de resultaten gebeuren als je dit proefje opnieuw uitvoert, maar het reageerbuisje met de waterpest in een donkere ruimte zonder zonlicht staat?
182
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 182
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
6
Fotosynthese 6.3
Hoe gebruiken planten glucose? Planten zetten glucose om in verschillende stoffen: cellulose, eiwitten, suiker, vet en zetmeel.
a Onderzoek hoe planten deze stoffen gebruiken. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Zoek bij elke stof een voorbeeld hoe een plant deze stof gebruikt. 3 Zet je antwoorden in het schema. stof
naam plant
Hoe wordt de stof gebruikt?
cellulose
eiwitten
suiker
vet
zetmeel
b Tijdens het kweken van aardappelplanten worden verschillende stoffen in de plant opgeslagen. Leg uit hoe de stoffen die de plant aanmaakt, worden gebruikt als brandstof, bouwstof en reservestof. Brandstof:
Bouwstof:
Reservestof:
183
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 183
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
7
Fotosynthese 6.3
Functies van voedingsstoffen Kruis de meest passende voedingsstof aan bij elke functie in de plant.
8
cellulose
eiwitten
glucose
vet
zetmeel
bouwstof voor celwanden
●
●
●
●
●
energiebron
●
●
●
●
●
opslag in zaden
●
●
●
●
●
reservestof
●
●
●
●
●
vorming van cytoplasma
●
●
●
●
●
Dag en nacht Op de foto zie je een jonge plant in de aarde.
a Maakt de plant op dit moment glucose aan? Leg je antwoord uit.
b Leg uit of de plant ’s nachts glucose aanmaakt.
c Leg uit waarom een plant meestal naar het licht toe groeit.
d In welke delen van de plant kan fotosynthese plaatsvinden?
184
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 184
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
9
Fotosynthese 6.3
Fotosynthese overdag Overdag vindt er fotosynthese plaats.
a Waarom vindt fotosynthese alleen overdag plaats?
● Omdat de temperatuur ’s nachts te laag is voor fotosynthese. ● Omdat fotosynthese alleen zuurstof nodig heeft, die ’s nachts niet beschikbaar is. ● Omdat fotosynthese zonlicht nodig heeft om glucose en zuurstof te produceren. b Wat gebeurt er met de glucose die een plant overdag heeft aangemaakt?
● De glucose wordt alleen gebruikt voor fotosynthese en niet voor andere processen. ● De glucose wordt allemaal direct omgezet in zuurstof. ● De glucose wordt opgeslagen en kan ’s nachts worden verbrand voor energie. 10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. benoemen waarom planten belangrijk zijn voor andere organismen.
2, 3
H14
2. uitleggen hoe planten glucose en zuurstof maken met behulp van licht.
4, 5
H11
3. uitleggen welke stoffen planten maken van glucose en waar ze die voor gebruiken.
6, 7
H13, P15, P17
4. uitleggen dat planten door fotosynthese energie vastleggen en dat energie weer vrijkomt bij verbranding.
8, 9
H12, P16
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
185
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 185
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Fotosynthese 6.3
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Wat heeft een plant nodig? Zet de woorden op de juiste plek in onderstaande tekst. Kies uit: bladgroenkorrels| chlorofyl | fotosynthese | glucose | huidmondjes | koolstofdioxide | licht | verbranding | water | wortels | zuurstof Een plant heeft
nodig uit de lucht via
uit de grond via
om
Hiervoor moet
vallen op . Het
15
en en
te maken. . Dit proces noem je
zorgt voor de groene kleur in de bladgroenkorrels.
Reservestoffen a Planten zetten overtollige glucose om in reservestoffen. Geef per plant aan waar ze dat het meest doen. soort
plaats
aardappel
blad | bol | knol | stengel | wortels
rabarber
blad | bol | knol | stengel | wortels
sla
blad | bol | knol | stengel | wortels
ui
blad | bol | knol | stengel | wortels
wortel
blad | bol | knol | stengel | wortels
b Waarom zijn planten belangrijk voor andere organismen?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Alfalfa gaat maken.
186
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 186
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
6.4 Bladeren, stengels en wortels Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
O2
de functies en onderdelen van bladeren benoemen. de functies en onderdelen van stengels benoemen. de functies en onderdelen van wortels benoemen. uitleggen hoe planten hun stevigheid verkrijgen en hoe het transport in de plant verloopt.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Vaatbundels Huidmondjes
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Eetbare planten Er zijn veel planten of onderdelen van planten die je kunt eten. Veel eetbare planten ken je waarschijnlijk wel, maar er zijn ook planten waar je niet meteen aan denkt en die ook eetbaar zijn. Zoek over deze planten meer informatie op en voeg een foto toe. Vul het schema in. naam
dovenetel
foto
eetbare deel
smaak
andere functie
bijzonder heden
jonge blaadjes en bloemen
als sla, licht zoet
je kunt er thee van maken
lijkt op een brandnetel, maar prikt niet
zevenblad
187
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 187
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
naam
Bladeren, stengels en wortels 6.4
foto
eetbare deel
smaak
andere functie
bijzonderheden
paardenbloem
viooltje
brandnetel
THEORIE Het blad
Net als een mens heeft een plant verschillende organen, zoals bladeren, stengels en wortels. Elk van deze organen heeft specifieke functies. Bladeren spelen een belangrijke rol in het leven van de plant. Belangrijke functies zijn:
• • •
fotosynthese; gaswisseling; verdampen van water.
Hoewel bladeren er per plant verschillend uitzien, hebben ze allemaal een aantal basisonderdelen (figuur 1):
• •
Bladsteel: hiermee zit het blad vast aan de stengel. Bladnerven: deze zorgen voor het transport van voedingsstoffen en water door het blad. Ze bestaan uit hoofdnerven en zijnerfjes, die overgaan in fijne adertjes.
•
Bladmoes: hierin bevinden zich de bladgroenkorrels, die fotosynthese mogelijk maken. Ook bevinden zich hier de huidmondjes, die zorgen voor de opname van koolstofdioxide en afgifte van zuurstof. hoofdnerf
stengel
1
bladsteel
adertjes
bladmoes zijnerf
Onderdelen van een blad
188
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 188
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
Als je een blad doorsnijdt, zie je de verschillende weefsels. Deze weefsels bestaan uit lagen en structuren (figuur 2). Enkele belangrijke onderdelen zijn:
• •
Waslaagje: beschermt het blad tegen uitdroging. Huidmondjes: via de huidmondjes vindt gaswisseling plaats. De kleine openingen laten water verdampen en zorgen ervoor dat de plant kan ademen (figuur 3). Als ze gesloten zijn, stopt de fotosynthese.
• • •
Opperhuid: bevat de huidmondjes en beschermt tegen uitdroging en beschadiging. Bladmoes: zoals bij figuur 1 al benoemd. Vaatbundels: deze lopen door het bladmoes en transporteren water en voedingsstoffen naar verschillende delen van het blad.
opperhuid hoofdnerf zijnerf
weefsel met bladgroenkorrels vaatbundel
bladmoes adertjes
stengel bladsteel
2
waslaagje huidmondje
Doorsnede van een blad
gesloten huidmondje
koolstofdioxide zuurstof water open huidmondje 3
Huidmondje
Stengels en wortels
De bladeren van een plant zitten vast aan de stengels. In de stengels komen soms bladgroenkorrels voor. De stengel heeft een aantal belangrijke functies:
•
Het vervoeren van water en mineralen van de wortels naar de bladeren en voedingsstoffen terug naar de rest van de plant.
• •
Het opslaan van reservestoffen, zoals zetmeel. Het geven van stevigheid aan de plant.
De wortels hebben ook een aantal belangrijke functies:
• • •
Het opnemen van water en mineralen uit de bodem via wortelharen. Het vastzetten van de plant in de grond. Het opslaan van reservestoffen die de plant kan gebruiken in tijden van schaarste.
189
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 189
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
De wortels nemen water en mineralen op uit de bodem via wortelharen (figuur 4). Dit water met mineralen wordt vervolgens door de vaatbundels via de stengel omhoog getransporteerd naar de bladeren.
stengel en bladeren
water en mineralen bodemdeeltjes
wortelharen 4
wortelcellen
Wortels met wortelharen
Wortels bieden ook stabiliteit aan de plant en kunnen reservestoffen opslaan. De wortels bevatten vaak een grote hoeveelheid zetmeel en andere stoffen die als reservestof dienen.
Transport en stevigheid
Het transport in planten vindt plaats via de vaatbundels in bladeren, de stengel en de wortels (figuur 5). Vaatbundels bevatten twee soorten vaten:
•
Houtvaten: deze lopen van de wortels naar de bladeren en vervoeren water en mineralen. Houtvaten bestaan uit stevige dode cellen die daardoor extra stevigheid aan een plant geven. In de houtvaten beweegt water omhoog dankzij de zuigkracht die ontstaat door verdamping van
water in cel celwand
water uit de bladeren.
•
Bastvaten: deze lopen van de bladeren naar andere delen van de plant en vervoeren energierijke stoffen zoals glucose. Bastvaten bevinden zich aan de buitenkant van de stengel.
Planten zijn stevig door:
•
Waterdruk in de vacuole van de cellen, vooral bij kruidachtige planten. Als de cellen goed zijn gevuld met water, staan de stengels en bladeren stevig overeind. Als er te weinig water is, verliest de plant stevigheid en gaan de stengels en
5
Stevigheid door vacuole
bladeren hangen (figuur 5).
•
Houtstof in houtachtige planten, waardoor de cellen in de stengel steviger zijn.
190
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 190
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
WIST JE DAT? Planten kunnen bloeden ABC-planten, zoals de acer (esdoorn), betula (berk) en cornus (kornoelje), zijn populair, omdat ze snel groeien en je tuin mooi maken. Maar in het voorjaar snoeien? Dat kun je beter niet doen. In die periode groeien deze bomen volop. Daarnaast bevatten de stengels van ABCplanten in het voorjaar veel sap. Als je in het voorjaar snoeit, snijd je als het ware in de ‘waterleiding’ van de plant. Hierdoor kunnen de stengels te veel sap verliezen, wat betekent dat de plant ook te veel
Bloedende boom
water verliest. Het is alsof je een lekke kraan hebt die je niet kunt dichtdraaien.
OPDRACHTEN 2
Bladeren De bladeren van planten hebben verschillende onderdelen en functies.
a Noteer in de afbeelding de verschillende onderdelen van het blad. Gebruik de volgende woorden: adertjes | bladmoes | hoofdnerf | stengel | zijnerf
...................
...................
...................
................... ...................
b Bladeren hebben verschillende functies. Welke drie functies zijn het belangrijkst?
■ glucose maken ■ koolstofdioxide maken ■ mineralen opnemen ■ water verdampen ■ water opnemen ■ zuurstof maken
191
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 191
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
c Planten hebben huidmondjes op hun bladeren. Maak de tekst compleet. Kies uit: fotosynthese | huidmondjes | koolstofdioxide | mineralen | open | verdampen | verdamping | water | zuurstof Planten hebben kleine openingen op hun bladeren, de zijn, kan de plant voor het proces van
. Wanneer deze
opnemen uit de lucht. Dit gas is nodig , waarbij de plant glucose maakt.
Tijdens dit proces komt er
vrij, die de plant via de huidmondjes weer
afgeeft aan de omgeving. Het openen van de huidmondjes zorgt ook voor het van
. Deze verdamping helpt om water en
omhoog te
trekken vanuit de wortels naar de bladeren. Wanneer er weinig water beschikbaar is, sluiten de huidmondjes om de
te
verminderen. Op deze manier voorkomt de plant dat hij te veel water verliest en uitdroogt.
3
Bladeren van rietplanten Rietplanten groeien vaak in open gebieden waar de weersomstandigheden grote invloed op de planten hebben. Bij koude oostenwind rollen de bladeren van rietplanten zich op. Dit heeft invloed op de verdamping van water door de huidmondjes van de bladeren. Leg uit welke invloed dit heeft op de verdamping van water.
4
Functies van stengels Wat zijn de drie belangrijkste functies van de stengels van planten?
5
Herfst In de winter hebben bomen geen bladeren, maar hun stengels en wortels helpen bomen om de koude periode door te komen. Welke twee functies van de stengels en wortels dragen bij aan de overleving van een boom in de winter?
■ De stengels slaan water en voedingsstoffen op die direct beschikbaar zijn voor de fotosynthese.
■ De stengels zorgen voor stevigheid bij harde wind en koude temperaturen. ■ De wortels nemen geen water en mineralen op in de winter, omdat de boom geen bladeren heeft.
■ De wortels slaan reservestoffen op, zoals zetmeel, die de boom in de winter van energie voorzien.
192
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 192
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
6
Bladeren, stengels en wortels 6.4
Functies van wortels De wortels van een plant hebben verschillende functies.
a Wat zijn de drie belangrijkste functies van de wortels van planten?
b Over welk organisatieniveau gaat het als je de wortels van een plant onderzoekt? Omcirkel het juiste niveau.
cel
7
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
Verpotten Als je een plant in huis verpot, moet je de plant voorzichtig uit de grond halen. Doe je dit te ruw, dan beschadig je de onderdelen van de wortels van de plant.
a In de tekening staat een vergroting van een deel van de wortel.
P
Hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met de letter P?
b Welke gevolgen heeft het voor de plant als je de wortelharen beschadigt?
193
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 193
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
8
Bladeren, stengels en wortels 6.4
De functie van houtvaten en bastvaten a Leg uit hoe houtvaten bijdragen aan de stevigheid van een plant.
b Wat gebeurt er als er niet genoeg water door de houtvaten kan stromen?
c Wat is de belangrijkste functie van de bastvaten aan de buitenkant van de stengel?
9
Transport in anjers Je gaat ontdekken hoe het transport van water door de vaten van een plant verloopt en hoe dit bijdraagt aan de stevigheid van de plant. Dit heb je nodig:
• • • • • •
witte anjers ecoline twee reageerbuizen reageerbuisrekje snoeischaar water
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Vul één reageerbuisje met water en de ander met een oplossing van water en ecoline. 3 Knip bij minimaal twee anjerstengels de stelen schuin af. 4 Zet de ene anjer in de reageerbuis met water en de andere anjer in de reageerbuis met de ecolineoplossing. 5 Zet de bloemen weg en kom later op de dag terug naar het lokaal. Neem een foto van de anjers.
a Hoe komt de kleur van de ecoline in de blaadjes terecht?
b Wat denk je dat er gebeurt als een plant geen water meer opneemt?
c Wat zal er gebeuren met de stevigheid van de plant als de vaatbundels beschadigd zijn?
194
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 194
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
10
Bladeren, stengels en wortels 6.4
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de functies en onderdelen van bladeren benoemen.
2, 3
H11, H12
2. de functies en onderdelen van stengels benoemen.
4, 5
H11
3. de functies en onderdelen van wortels benoemen.
6, 7
H11, H14, P17
4. uitleggen hoe planten hun stevigheid verkrijgen en hoe het transport in de plant verloopt.
8, 9
H13, P15, P16
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
195
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 195
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bladeren, stengels en wortels 6.4
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
De functies van delen van planten Kruis in de tabel aan welk onderdeel van de plant het best past bij de genoemde functie.
15
bladeren
stengels
wortels
reservevoedsel opslaan
●
●
●
transport van stoffen
●
●
●
voedingsstoffen en water opnemen
●
●
●
voedsel maken door fotosynthese
●
●
●
stevigheid geven aan planten
●
●
●
opnemen van koolstofdioxide
●
●
●
Bloemen schuin afsnijden Als je bloemen koopt, krijg je van de bloemist vaak het advies om de stelen schuin af te snijden.
a Wat geeft de bloemist vaak als reden voor dat advies?
● Schuin afsnijden maakt het oppervlak groter, waardoor de bloemen meer water kunnen opnemen.
● Schuin afsnijden voorkomt dat de bloemen snel verwelken door minder luchtbellen in de stelen.
● Schuin afsnijden voorkomt dat het water in de vaas snel vuil wordt. ● Schuin afsnijden zorgt ervoor dat de bloemen steviger in de vaas staan. Scan de QR-code en bekijk het filmpje over het afsnijden van bloemstelen. De reden dat schuin afsnijden wordt geadviseerd, lijkt toch niet te kloppen in het onderzoek dat je ziet in het filmpje.
b Waarom is afsnijden van een stuk van de stengel dan toch een goed idee?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Witlof gaat maken.
196
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 196
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting. de functies van de delen van bloemen benoemen. kenmerken van bloemen met wind- of insectenbestuiving vergelijken. uitleggen wat er gebeurt bij de bevruchting van een zaadplant.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
De bloem
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Onderdelen van een tulp Je bekijkt een bloem van dichtbij en noteert kenmerken van de verschillende onderdelen. Dit heb je nodig:
• • •
een tulp papier loep
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Bestudeer de verschillende onderdelen van de bloem en onderzoek de kenmerken van deze onderdelen. 3 Noteer de kenmerken van de onderdelen in de tabel.
197
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 197
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
onderdeel
kenmerken
kroonblad
meeldraad
stamper
THEORIE De bloem
Bloemen zijn vaak erg mooi om te zien (figuur 1). Ze zijn daarnaast ook noodzakelijk voor de voortplanting van zaadplanten. Ondanks dat bloemen er allemaal verschillend uitzien, bevatten ze wel dezelfde onderdelen (figuur 2). Deze onderdelen hebben elk hun eigen functie:
• •
Kroonbladeren: deze zijn vaak felgekleurd om insecten te lokken. Kelkbladeren: deze zijn meestal groen en bevinden zich vaak aan de onderkant van de bloem. Als de bloem nog in de knop zit, beschermen de kelkbladeren de knop tegen weersinvloeden en insecten.
198
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 198
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
•
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Meeldraden: dit zijn de mannelijke geslachtsorganen. Ze bestaan uit een helmdraad en een helmknop. In de helmknop ontstaan stuifmeelkorrels, de mannelijke geslachtscellen.
•
Stamper: dit is het vrouwelijke geslachtsorgaan. Een stamper bestaat uit de stempel, de stijl en het vruchtbeginsel. Dit vruchtbeginsel bevat eicellen, de vrouwelijke geslachtscellen.
Planten hebben dus net als mensen mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. Ook bij planten worden de geslachtscellen gevormd door meiose.
1
Bloemen zijn mooi om te zien.
stempel stijl
meeldraad
stamper kroonblad kelkblad zaadbeginsel
vruchtbeginsel
eicel
2
Doorsnede van een bloem
199
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 199
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Bestuiving
Als planten zich geslachtelijk voortplanten, moeten ze elkaar eerst bestuiven. Bij bestuiving komt stuifmeel van de ene bloem op de stempel van een andere bloem van dezelfde soort. Doordat de stempel plakkerig is, blijven de stuifmeelkorrels daarop liggen. Bestuiving kan op verschillende manieren plaatsvinden: door insecten of door de wind. Bij insectenbestuiving vindt bestuiving plaats door insecten. De vaak kleurrijke bloemen bevatten nectar. Insecten zoals bijen, vliegen en vlinders komen op de kleuren af en willen nectar uit de bloem ophalen. De insecten kruipen langs de helmknoppen op zoek naar nectar (figuur 3).
3
Bestuiving door insecten
De stuifmeelkorrels blijven aan de insecten kleven. Als de insecten vervolgens op een andere bloem landen, blijven de stuifmeelkorrels plakken op de plakkerige stempel van de bloem (figuur 4). De bloem is bestoven.
4
Een insect bestuift een bloem.
Insecten zoals bijen zijn dus belangrijk voor bestuiving van bloemen. Het gaat alleen niet goed met de bijenpopulatie. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor onze voedselproductie. TIP Als je meer wilt weten over bijen, scan dan de QR-code en bekijk het filmpje.
200
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 200
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Bij windbestuiving vindt bestuiving plaats door de wind. De bloemen zijn heel anders dan insectenbloemen (figuur 5). De kroonbladeren zijn meestal klein en onopvallend van kleur (vaak groen). De stempel is vaak groter dan bij insectenbloemen, zodat de kans groter is dat er stuifmeel wordt opgevangen. De stempel en de helmknoppen hangen meestal buiten de bloem. Zo kan de wind de lichte stuifmeelkorrels gemakkelijk wegblazen. Als de stuifmeelkorrels op een stempel terechtkomen, is de bestuiving geslaagd.
5
Grassen zijn windbloemen.
Bevruchting
Na de bestuiving vindt de bevruchting plaats. Als een stuifmeelkorrel op de stempel komt, dan vormt de stuifmeelkorrel daar een stuifmeelbuis (figuur 6). Deze buis groeit door de stijl naar een zaadbeginsel in het vruchtbeginsel. Zodra de buis het zaadbeginsel heeft bereikt, gaat de kop van de stuifmeelbuis open. De kern van de stuifmeelkorrel kan dan de eicel bereiken en met de eicel versmelten. Dit is bevruchting. Hierbij wordt zaad gevormd, bijvoorbeeld een boon. Dit heet geslachtelijke voortplanting. Rondom het zaadje groeit een vruchtbeginsel dat een vrucht wordt.
stuifmeelkorrel
stempel
stuifmeelbuis stijl
stamper
meeldraad zaadbeginsel vruchtbeginsel
eicel
6
Bevruchting en zaadvorming
In elk zaadje zit een kiem, die kan uitgroeien tot een kiemplantje als hij op de juiste plaats terechtkomt (figuur 7).
kiem
7
Een kiemplantje in een boon
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 201
201
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
WIST JE DAT? Sommige orchideeën foppen hun bestuivers De bijenorchidee (Ophrys apifera) lijkt zo sterk op een vrouwtjesbij dat mannetjesbijen proberen te paren met de bloem. Tijdens dit mislukte romantische moment blijft stuifmeel aan het lijfje van de mannetjesbij plakken, die het vervolgens naar de volgende bloem brengt. Zo zorgt de orchidee voor bestuiving zonder nectar aan te bieden! Een slimme truc, toch? De bijenorchidee
OPDRACHTEN 2
Voortplantingsorganen a Kies de juiste woorden. De stamper | meeldraad is een voorbeeld van een mannelijk geslachtorgaan van een plant. In de stamper zitten helmknoppen en helmdraden | vruchtbeginsel en stijl.
b In welke twee delen van de bloem vindt meiose plaats?
3
Meiose Bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting. Meiose speelt daarin een belangrijke rol. Waarom kan er geen geslachtelijke voortplanting plaatsvinden zonder meiose?
4
Hoe werkt een bloem? Je gaat onderzoeken hoe de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving zorgen. Dit heb je nodig:
• • •
werkblad of kladpapier loep insectenbloem (één per tweetal) TIP Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Werken met een loep.
202
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 202
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Je gaat werken aan de volgende onderzoeksvraag: ‘Hoe zorgen de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving?’ TIP Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.
a Analyseer de bloem. Bekijk de bloem met een loep en bespreek samen de volgende vragen:
•
Lokkers: welke bloemonderdelen trekken insecten aan? Hoe doen ze dat?
•
Beschermers: welke onderdelen beschermen de bloem tegen schade of uitdroging?
•
Voortplanters: welke onderdelen zijn direct betrokken bij het maken van zaden? Hoe herken je die?
b Vergelijk en denk verder. • Wat valt je op aan de vorm, kleur en plaatsing van de verschillende onderdelen?
•
Bedenk samen waarom bloemen in zoveel verschillende vormen en kleuren voorkomen. Welke voordelen heeft dat?
c Schrijf een conclusie. Beantwoord in één of twee zinnen de onderzoeksvraag: ‘Hoe zorgen de onderdelen van een bloem samen voor voortplanting en overleving?’
203
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 203
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
5
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Een appel In de afbeelding zie je een appel.
a Benoem de onderdelen P en Q. P=
P
Q=
Q
b Hoeveel keer heeft in deze bloem minimaal bevruchting plaatsgevonden? Leg je antwoord uit.
6
Insectenbloemen of windbloemen Gaan de volgende zinnen over insectenbloemen of windbloemen?
7
De bloemen zijn meestal klein.
insectenbloemen | windbloemen
De bloemen geuren.
insectenbloemen | windbloemen
De bloemen hebben nectar.
insectenbloemen | windbloemen
De kroonbladeren zijn meestal gekleurd.
insectenbloemen | windbloemen
Er zijn heel veel stuifmeelkorrels aanwezig.
insectenbloemen | windbloemen
De stempels zijn klein.
insectenbloemen | windbloemen
Stuifmeelkorrels Planten die aan windbestuiving doen, maken meer stuifmeelkorrels aan dan planten die door insecten worden bestoven. Waarom is dit?
204
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 204
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
8
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
Bevruchting bij planten Na bestuiving kan bevruchting plaatsvinden. Hieronder staan vier stappen die plaatsvinden bij de bevruchting van een zaadplant. Zet de stappen in de juiste volgorde. Noteer de getallen 1 tot en met 4 in de juiste vakjes. Het stuifmeel groeit uit tot een stuifmeelbuis die door de stijl naar het vruchtbeginsel groeit. De stuifmeelbuis brengt de zaadcel naar de eicel, waar bevruchting plaatsvindt. Na bestuiving komt een stuifmeelkorrel op de stempel van een bloem terecht. Een zaad ontstaat in het vruchtbeginsel, waaruit een nieuwe plant kan groeien.
9
Bevruchting bij verschillende bloemen Kan bij insectenbloemen en windbloemen bevruchting plaatsvinden?
● Alleen bij insectenbloemen, want zij worden door insecten bestoven. ● Alleen bij windbloemen, want zij worden door de wind bestoven. ● Bij zowel insectenbloemen als windbloemen, want bij zaadplanten vindt bevruchting plaats als een zaadcel samensmelt met een eicel.
● Bij geen van beide, want het zijn verschillende typen bloemen met een andere manier van voortplanting.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe bloemen zorgen voor geslachtelijke voortplanting.
2, 3
H12, P16
2. de functies van de delen van bloemen benoemen.
4, 5
H13, P17
3. kenmerken van bloemen met wind- of insectenbestuiving vergelijken.
6, 7
H11, P15
4. uitleggen wat er gebeurt bij de bevruchting van een zaadplant.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
205
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 205
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.5
HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.
11
Klaprozen In de afbeelding zie je klaprozen.
Zijn klaprozen insectenbloemen of windbloemen? Leg je antwoord uit.
15
Winterbloei en zomerbloei Planten zoals klaprozen bloeien in de zomer. Planten zoals hazelaars bloeien aan het eind van de winter en in het vroege begin van de lente.
De manier van de verspreiding van hun stuifmeel hangt samen met de tijd van het jaar. Leg dit uit.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Hennep als medicijn gaat maken. 206
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 206
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
6.6 Zaadverspreiding en overleven Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
de levenscyclus van een plant uitleggen. het verschil tussen eenjarige, tweejarige en vaste planten benoemen. verschillende manieren van zaadverspreiding uitleggen. uitleggen hoe een plant kan overwinteren.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Eigenschappen van zaden Esdoornzaad
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Fantasieplant Verzin een fantasieplant die zijn zaad op een creatieve manier verspreidt. Beschrijf in wat voor soort gebied deze plant staat en waarom hij zich op deze manier voortplant. Hoe zorgt jouw plant voor een goede verspreiding van zijn zaden, zodat hij op verschillende plaatsen kan groeien?
a Maak van de plant een tekening en benoem de onderdelen van de plant.
b Op welke wijze verspreidt jouw plant zijn zaden?
207
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 207
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
THEORIE Levenscyclus van een plant
Het leven van een plant begint bij het ontkiemen van een zaadje. Hieruit groeit een kiemplantje. Na een periode van groei gaat de plant bloeien. Na bestuiving en bevruchting groeien vruchtbeginsels uit tot vruchten met daarin zaden. De zaden zijn ontstaan uit de bevruchte eicel en bevatten het kiempje. Wanneer de plant een volgende stap van zijn levenscyclus begint, is afhankelijk van de omstandigheden waarin de plant groeit. Dit wordt onder andere beïnvloed door de hoeveelheid zonlicht, de temperatuur en de hoeveelheid water. Bij sommige planten duurt de levenscyclus één jaar, bij andere twee jaren en bij weer andere meerdere jaren. Eenjarige planten vormen zaad in het eerste jaar en sterven daarna af (figuur 1).
1
Viooltjes zijn eenjarige planten die tuinen opvrolijken.
Bij tweejarige planten duurt de levenscyclus twee jaar (figuur 2). In het eerste jaar maakt de plant wortels, stengels en bladeren en legt hij veel reservevoedsel aan. In het tweede jaar vormt de plant bloemen, zaden en vruchten. Hierna sterft de plant af.
2
Duizendschoon is een tweejarige plant, in het tweede jaar bloeit hij uitbundig.
208
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 208
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Vaste planten kunnen meerdere jaren zaad vormen (figuur 3). Vaste planten zijn kruidachtig of houtachtig. Bomen en struiken zijn houtachtige vaste planten die erg oud kunnen worden.
3
De hortensia is een vaste plant die ieder jaar weer opnieuw bloeit.
Verspreiding van zaden
Voor het voortbestaan van een plantensoort is voortplanting nodig. Zaadplanten doen dit via zaden. Planten doen vervolgens aan zaadverspreiding, zodat de kiemplantjes ver van de moederplant gaan groeien. Daar ontvangen ze voldoende ruimte, licht en voedingsstoffen.
Verspreiding door wind Sommige planten hebben zaden die licht zijn en de vorm van een pluisje hebben (figuur 4). Andere planten hebben zaden met ‘vleugels’, zoals de zaden van een linde of een esdoorn (figuur 5). Deze vormen zorgen ervoor dat de zaden gemakkelijk door de wind worden verspreid. Zo heeft de plant een groot verspreidingsgebied en komen de zaden op veel verschillende plaatsen terecht.
4
Planten zoals de akkerdistel maken pluisjes die 5 Zaadje van de esdoorn. Door de speciale vorm van worden meegenomen door de wind. deze zaadjes verspreiden ze zich verder van de boom.
209
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 209
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Verspreiding door dieren Sommige planten hebben vruchten die door dieren worden gegeten. Vogels eten bijvoorbeeld bessen (figuur 6). De zaden uit de bessen worden verspreid via de uitwerpselen van deze vogels. Andere planten hebben zaden die blijven plakken aan de vacht van dieren (figuur 7). Zo zorgen deze dieren ervoor dat de zaden op een andere plaats terechtkomen. Planten zoals de kastanje en de eik hebben vruchten die recht onder de ouderplant vallen en door dieren worden verspreid.
6 Een vogel eet een lijsterbes. 7 De zaadjes blijven plakken aan de vacht van dieren en zorgen zo voor verspreiding.
Verspreiding door de plant zelf Er zijn ook planten die de zaden zelf verspreiden. Deze zaden komen onder spanning te staan. Zodra de spanning eraf gaat, schiet het zaad weg uit de vrucht. Soms gebeurt dit bij aanraking door een mens of dier, bijvoorbeeld bij klein springzaad (figuur 8).
8
Klein springzaad schiet zijn zaden weg.
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Verhuisplanten als je meer wilt weten over de verspreiding van zaden.
210
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 210
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Verspreiding via het water Veel water- en oeverplanten maken gebruik van verspreiding via het water. Hun zaden kunnen op het water drijven (figuur 9).
9
De zaden van een waterlelie verspreiden zich via het water.
Overwinteren
Lage temperaturen en minder zonlicht maken het moeilijker voor planten om te overwinteren. Daarom gaan veel planten in winterrust. Veel bomen en struiken laten hun bladeren vallen. De plant verbruikt hierdoor minder energie en kan zo overleven. Vaak sterven bovengrondse delen van een plant, zoals de stengel en de bladeren, in de winter af. Soms blijven ze in de winter aanwezig, vaak in de vorm van een rozet (figuur 10).
10 Bovengrondse delen die overwinteren in de vorm van een rozet
211
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 211
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Sommige planten hebben meer suikers in hun wortels en stengels, waardoor ze niet zo snel bevriezen. Ook slaan veel planten energie op in de vorm van zetmeel in hun wortels of knollen (figuur 11). Tijdens de winter en in het voorjaar kan de plant deze reservestoffen gebruiken.
11 Aardappels zijn knollen die veel zetmeel bevatten.
WIST JE DAT? Maagsap nodig om te ontkiemen Sommige zaden kunnen alleen ontkiemen nadat ze door het spijsverteringskanaal van een dier zijn gegaan. Een goed voorbeeld hiervan is de jeneverbes. De zaden zitten in de blauwe ‘besjes’ die vogels zoals merels en lijsters graag eten. Tijdens de reis door de maag van de vogel wordt het harde laagje rondom het zaad verweekt, waardoor het zaad later beter kan ontkiemen. Na een tijdje poept de vogel het zaadje uit, vaak op een andere plek, en zo krijgt de plant een
Cederpestvogel die een jeneverbes eet
nieuwe kans om te groeien.
212
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 212
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
OPDRACHTEN 2
Tweejarige plant Maak de levenscyclus van een tweejarige plant compleet. Verwerk in de tekening de volgende fasen in de juiste volgorde. Kies uit: bloei | groei van de plant | ontkieming | overwinteren | vrucht- en zaadproductie | zaadverspreiding | zaaien ....................................
....................................
....................................
....................................
....................................
.................................... ....................................
3
Levenscyclus De levenscyclus van een plant bestaat uit verschillende stappen.
a Wat gebeurt er als een plant tijdens zijn levenscyclus geen vruchten aanmaakt?
● De plant kan geen nieuwe zaden maken, waardoor er geen voortplanting plaatsvindt. ● De plant slaat deze stap over, maar groeit normaal door. ● De plant stopt met groeien en sterft onmiddellijk. ● De zaden die worden gevormd, zijn niet levensvatbaar. b In het najaar rapen veel mensen tamme kastanjes. Die kun je poffen en vervolgens opeten. Wat gebeurt er als mensen alle vruchten van een plant openbreken en de zaden opeten?
● De plant kan zich niet meer voortplanten, omdat er geen zaden overblijven. ● De plant maakt automatisch nieuwe zaden om het verlies te compenseren. ● De zaden worden door de mensen via hun uitwerpselen verspreid. ● De zaden worden volledig verteerd en dragen niet bij aan verspreiding.
213
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 213
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
4
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Verschillende soorten a Wat is het belangrijkste kenmerk van een eenjarige, een tweejarige en een vaste plant?
b Wat zijn voorbeelden van winterharde vaste planten die het hele jaar in de grond blijven? Je mag online informatie opzoeken.
c Hoe kun je half-winterharde eenjarige planten beschermen tegen vrieskou? Je mag online informatie opzoeken.
5
Plantensoorten Bekijk de volgende situaties en kies de juiste plantengroep. 1 Een boer zaait tarwe in de lente en oogst de tarwe na de zomer. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant 2 Een tuinier plant wortels in het eerste jaar en oogst ze pas in het tweede jaar. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant 3 Een struik in het bos bloeit elk voorjaar opnieuw zonder opnieuw te zaaien. eenjarige plant | tweejarige plant | vaste plant
6
Zaadverspreiding Planten hebben verschillende manieren om hun zaad te verspreiden.
a Wat is het doel van zaadverspreiding?
● De zaden komen direct naast de moederplant terecht zodat ze kunnen profiteren van haar schaduw.
● De zaden blijven in de lucht zweven om langer te overleven, doordat ze veel zuurstof uit de lucht kunnen halen.
● De zaden komen op een plek terecht waar ze kunnen uitgroeien tot een gezonde volwassen plant.
● De zaden worden beschermd tegen dieren die ze willen opeten.
214
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 214
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
b Kruis aan welk type zaadverspreiding bij ieder kenmerk hoort. wind
7
dier
zelf
water
lichte zaden
●
●
●
●
haakjes aan de zaden
●
●
●
●
zaden zijn eetbaar
●
●
●
●
zaden blijven drijven
●
●
●
●
vleugels aan de zaden
●
●
●
●
zaden springen door veerkracht
●
●
●
●
Planten in de dakgoot Op de foto zie je planten die in een dakgoot groeien. Heel vaak zijn dit besdragende planten.
Leg uit hoe de zaden van deze planten daar terechtgekomen kunnen zijn.
8
Overleven in de winter Planten slaan vaak voor de winter energie op in hun wortels en knollen.
a Waarom is het belangrijk voor planten om energie op te slaan in hun wortels of knollen voordat de winter begint?
b Wat zou er kunnen gebeuren als planten niet voldoende reserve-energie opslaan?
215
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 215
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
9
Zaadverspreiding en overleven 6.6
Planten afdekken Op de foto staat een plant die wordt afgedekt.
Waarom wordt dit gedaan?
● De plant wordt beschermd tegen de kou. ● De plant wordt beschermd tegen de zon. ● De plant wordt beschermd tegen knaagdieren. ● De plant wordt beschermd tegen regen. 10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de levenscyclus van een plant uitleggen.
2, 3
H12, P16, P17
2. het verschil tussen eenjarige, tweejarige en vaste planten benoemen.
4, 5
H13, P15
3. verschillende manieren van zaadverspreiding uitleggen.
6, 7
H11
4. uitleggen hoe een plant kan overwinteren.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
216
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 216
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Zaadverspreiding en overleven 6.6
HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.
11
Zaadverspreiding door dieren a Noem drie factoren die van invloed zijn op de groei van een plant.
b Waarom is zaadverspreiding belangrijk voor het voortbestaan van een plantensoort?
c Wat gebeurt er met planten die afhankelijk zijn van dieren voor zaadverspreiding als er een afname is in de populatie van deze dieren?
15
Eigenschappen bij planten Je wilt een tuin aanleggen waarin elk jaar bloemen bloeien. Je kunt kiezen uit de volgende planten: eenjarige planten, tweejarige planten, vaste planten. Welke combinatie van plantensoorten zou je kiezen om ervoor te zorgen dat je zowel dit jaar als de komende jaren bloemen in je tuin hebt? Geef bij je keuze een reden en gebruik de eigenschappen van de plantensoorten in je uitleg.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Koffie gaat maken.
217
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 217
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
6.7 Ongeslachtelijke voortplanting Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
O2
uitleggen hoe planten zich ongeslachtelijk voortplanten. voorbeelden geven van ongeslachtelijke voortplanting bij planten. het verschil uitleggen tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting bij planten. het verschil tussen bollen en knollen benoemen.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Bollen en knollen
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Ongeslachtelijke voortplanting Planten kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten. Dat heeft voor- en nadelen. Dit heb je nodig:
• •
A4-papier schrijfmateriaal
Dit ga je doen: 1 Werk in een viertal. 2 Verdeel een vel A4 in vier gelijke vakken. 3 Elke leerling beantwoordt een van de vragen en schrijft het antwoord op in een vak. 4 Je mag als groepje overleggen en elkaar helpen.
a Beantwoord de volgende vragen. • Wat is ongeslachtelijke voortplanting?
•
Noem minimaal vier planten die zich ongeslachtelijk kunnen voortplanten.
218
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 218
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
•
Welke voordelen hebben planten bij ongeslachtelijke voortplanting?
•
Welke nadelen zijn er bij ongeslachtelijke voortplanting?
b Vergelijk je antwoorden met die van een ander groepje. Pas je antwoorden zo nodig aan als je denkt dat dit nodig is.
THEORIE Ongeslachtelijke voortplanting
Planten kunnen zichzelf voortplanten. Kijk maar eens in een natuurgebied zoals een bos. Hier groeien steeds nieuwe planten. Deze ontstaan door geslachtelijke voortplanting. Er vindt bevruchting plaats doordat twee geslachtscellen samensmelten (waarbij DNA van beide ouders samenkomt). Zo ontstaat er een zaadje. Als dat zaadje in de grond terechtkomt, groeit er een nieuwe plant uit. Planten kunnen zich ook zonder geslachtelijke voortplanting voortplanten. Bij ongeslachtelijke voortplanting vindt er geen bevruchting plaats. Uit een deel van een bestaande plant groeit een nieuwe plant. Bij ongeslachtelijke voortplanting vindt mitose plaats. Bij mitose hebben de beide dochtercellen dezelfde erfelijke eigenschappen als de moedercel. Na ongeslachtelijke voortplanting hebben alle nakomelingen hetzelfde genotype als de moederplant. Er zijn verschillen tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting (figuur 1). geslachtelijke voortplanting
ongeslachtelijke voortplanting
bevruchting
geen bevruchting
verschillende nakomelingen verschillende genotypen
gelijke nakomelingen hetzelfde genotype
kleine planten als start
al snel grotere planten
zaadverspreiding
bollen, knollen, uitlopers, wortelstokken
zaaien
stekken, scheuren, enten
kost veel energie en tijd
kost weinig energie en tijd
1
Verschillen tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting
219
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 219
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Bollen en knollen
In het voorjaar zie je overal bloemen opkomen. Deze komen vaak uit bloembollen of knollen. Er zijn verschillende soorten bollen en knollen. Sommige kun je eten en sommige zijn gekweekt voor de sier. Bollen die je kunt eten zijn bijvoorbeeld de ui en de knoflook. Bollen die worden gekweekt voor de sier zijn bijvoorbeeld narcissen en blauwe druifjes (figuur 2). Knollen die je kunt eten zijn bijvoorbeeld de aardappel en de aardpeer (figuur 3). Een bekende bloeiende knol is de dahlia.
2
Narcissen en blauwe druifjes zijn bollen die 3 Aardperen zijn eetbare knollen. uitbundig bloeien.
Een plant maakt bollen of knollen om te overleven in de winter. In de bol of knol zit veel reservevoedsel opgeslagen waardoor de plant in het voorjaar weer kan uitgroeien. Het grootste verschil tussen een bol en een knol is zichtbaar aan de binnenkant. Een bol is opgebouwd uit allemaal verschillende laagjes. Deze laagjes noem je rokken (figuur 4). Eigenlijk zijn het verdikte bladeren waarin de plant voedsel opslaat. Het midden bevat al het begin van een klein plantje.
4
Dwarsdoorsnede van een ui. De rokken zijn goed zichtbaar.
220
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 220
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Na de groei- en bloeifase vormen zich een aantal nieuwe bolletjes rondom de oude bol. Op deze manier vermeerdert de plant zich door ongeslachtelijke voortplanting (figuur 5). De nieuwe bollen hebben hetzelfde genotype als de bol waaruit ze zijn gegroeid.
5
De tulp groeit uit één bol en vormt na de bloei nieuwe bollen.
Een knol groeit op een hele andere manier dan een bol. Een knol bestaat uit één vast deel. De plant groeit uit knopjes (ogen) die ontstaan aan de buitenkant. Knollen zijn verdikte wortels waaruit één of meerdere stengels kunnen groeien. De bekendste knol in Nederland is waarschijnlijk de aardappel. Uit een knol groeien een of meer stengels. Tijdens de groei vormen er nieuwe knollen aan de wortels (figuur 6). Uit deze knollen groeien het volgende jaar weer nieuwe planten. Om te zorgen dat ze niet allemaal op dezelfde plaats gaan groeien, maken veel knollen uitlopers (figuur 7) waardoor ze een stukje verderop uitgroeien tot een plant.
6
Vanuit één knol groeit een plant. Aan de wortels van die plant ontstaan nieuwe knollen.
7
Een knol met uitlopers
221
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 221
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Waarom ongeslachtelijk voortplanten?
Bij geslachtelijke voortplanting ontvangt het zaad eigenschappen van de vader- en van de moederplant. Het zaad krijgt een nieuw genotype. Als kwekers eenmaal een goede plant hebben, willen ze het liefst zoveel mogelijk planten met hetzelfde genotype produceren. Daarom kiezen veel kwekers ervoor om planten ongeslachtelijk te laten voortplanten. Ongeslachtelijk voortplanten heeft een aantal voordelen:
• • •
De nieuwe planten zijn gelijk aan de oude plant in uiterlijk. Je kunt in een korte tijd veel nieuwe planten produceren. Je kunt sterke en gezonde planten krijgen door een gezonde en sterke moederplant te gebruiken.
•
Het kost planten zelf weinig energie en tijd om nakomelingen te produceren.
Een nadeel is dat een mutatie in de moederplant ook altijd wordt doorgegeven aan de nieuwe plant. Naast bol- en knolvorming zijn er verschillende manieren die mensen gebruiken om planten zich ongeslachtelijk te laten voortplanten. Je kunt bijvoorbeeld een stukje van de plant afsnijden en dit opnieuw planten. Dat heet stekken. De plant waarvan je een stukje afsnijdt heet de moederplant. Zo kun je snel aan veel nieuwe planten komen. Bij scheuren haal je een plant uit de grond en splits je de wortelkluit in twee of meer delen. Elk deel bevat wortels en scheuten. Deze plant je weer apart in de grond, zodat ze verder kunnen groeien als nieuwe planten.
WIST JE DAT? Wist je dat aardbeienplanten zichzelf kunnen ‘klonen‘ via uitlopers? Deze lange stengels, die je ook wel ‘runners’ noemt, groeien van de moederplant naar een nieuwe plek, waar ze wortel schieten en een identieke nieuwe plant vormen. Zo maken ze een hele ‘aardbeienfamilie’, zonder ooit een zaadje nodig te hebben. Het is alsof de plant zichzelf kopieert en een heel netwerk van aardbeienplanten maakt, klaar om overal vruchten te laten groeien.
Aardbeienplant met uitlopers
222
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 222
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
OPDRACHTEN 2
Ongeslachtelijke voortplanting bij planten Welk proces hoort bij ongeslachtelijke voortplanting?
● bevruchting van eicellen door stuifmeel ● groeien van nieuwe planten uit uitlopers ● verspreiding van stuifmeel door de wind ● vorming van zaden door bloemen 3
Hoe dan? Er zijn verschillende manieren van ongeslachtelijke voortplanting bij planten, zoals stekken, knollen of bollen. Kies een van die manieren en beschrijf in je eigen woorden hoe deze manier werkt. Leg uit waarom deze vorm van voortplanting handig is voor de plant.
4
Voortplanten Hieronder staan vier manieren waarop planten zich kunnen voortplanten. Gaat het om geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting? Vul het juiste antwoord in. 1 Een aardbeienplant maakt uitlopers die nieuwe plantjes vormen.
2 Een appelboom maakt zaden in de appels, die kunnen uitgroeien tot nieuwe bomen.
3 Een tulp groeit uit een bol die elk jaar een nieuwe plant vormt.
4 Een bonenplant groeit uit een zaadje dat ontkiemt in de grond. 223
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 223
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
5
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Uien De rokken van een ui zijn verdikte bladeren die onder de grond groeien en vol zitten met reservevoedsel.
a Hoe helpt het reservevoedsel in de rokken van een ui de plant om zich ongeslachtelijk voort te planten?
b Wat gebeurt er met dit reservevoedsel als een nieuwe ui begint te groeien?
6
Kastanjebloedingsziekte De kastanjeboom op de foto wordt bedreigd door de kastanjebloedingsziekte. Deze ziekte tast de bast aan en zorgt ervoor dat bomen verzwakken en uiteindelijk sterven. De kastanjeboom kan zichzelf voortplanten door uitlopers te maken vanuit de wortels (ongeslachtelijke voortplanting) of door zaden te laten groeien uit bloemen (geslachtelijke voortplanting).
Een zieke paardenkastanje
Welke methode is in deze situatie het best, en waarom?
224
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 224
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
7
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Snel voortplanten Sommige planten kunnen zich snel vermenigvuldigen zonder dat ze bloemen of zaden nodig hebben.
a Hoe doen die planten dat?
b Waarom is het handig voor planten om snel nakomelingen te krijgen als er niets verandert in hun leefomgeving?
c Wat is de naam van de methode waarbij je een deel van een tak of blad afsnijdt om een nieuwe plant te maken?
8
Eetbare knollen In deze opdracht onderzoek je de eetbaarheid, voedingswaarde en smaak van verschillende knollen. Dit heb je nodig:
• •
internet eventueel: verschillende eetbare knollen om te proeven TIP Scan de QR-code om op de site voedingswaardetabel.nl de voedingswaarde van producten op te zoeken.
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Onderzoek welke knollen eetbaar zijn bijvoorbeeld aardappelen, wortels. 3 Onderzoek de voedingswaarde en smaak van verschillende knollen. Maak een poster waarop je informatie geeft over de verschillende eetbare knollen, hun smaak en voedingswaarde.
225
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 225
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
9
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
Bol of knol? Wat is een belangrijk verschil tussen een bol en een knol?
● Een bol is gelaagd, terwijl een knol massief is. ● Een bol slaat geen voedsel op, maar een knol wel. ● Een knol bevat bladeren, terwijl een bol die niet heeft. ● Een knol groeit altijd onder de grond, terwijl een bol altijd boven de grond groeit. 10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. + + betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe planten zich ongeslachtelijk voortplanten.
2, 3
H14, P16
2. voorbeelden geven van ongeslachtelijke voortplanting bij planten.
4, 5
H12
3. het verschil uitleggen tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting bij planten.
6, 7
H13, P15
4. het verschil tussen bollen en knollen benoemen.
8, 9
H11, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 6.8 Alles in samenhang.
226
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 226
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Ongeslachtelijke voortplanting 6.7
HERHALING EN PLUS Extra oefenen met de stof uit deze paragraaf? Ga online verder met Herhaling en Plus. Herhaalopgave 11 en Plusopgave 15 staan ook in je boek.
11
Manieren van voortplanten Kruis in de tabel bij elke plantensoort de juiste omschrijving van voortplanting aan.
15
bollen
knollen
stekken
Uit één plant ontstaan meerdere nieuwe na de bloei.
●
●
●
Knopjes ontstaan aan de buitenkant.
●
●
●
Nieuwe planten ontstaan door een stuk van de plant af te knippen.
●
●
●
Bestaan uit verschillende laagjes.
●
●
●
Nieuwe varianten Nederland staat bekend om zijn verschillende bloembollen. Met name tulpen uit Nederland zijn erg populair. Ze zijn er dan ook in heel veel verschillende kleuren. Nieuwe kleuren ontstaan doordat een kweker de planten eerst via geslachtelijke voortplanting laat voorplanten. Als hij tevreden is met de nieuwe soort, dan kweekt hij deze via ongeslachtelijk voortplanting verder. Waarom begint de kweker met geslachtelijke voortplanting en gaat hij daarna door met ongeslachtelijke voortplanting?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Brandnetels en vlinders gaat maken.
227
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 227
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Alles in samenhang 6.8
6.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Planten en fotosynthese Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het ‘grote plaatje’. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Planten en fotosynthese en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H5 Leefomgeving en duurzaamheid: producenten
H9 Ademhalen en verbranden: zuurstof
228
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 228
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Alles in samenhang 6.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 6.
Planten zijn aangepast aan hun leefomgeving. Kijk terug naar paragraaf 3 en 4.
Planten doen aan fotosynthese. Kijk terug naar paragraaf 5, 6 en 7.
Planten zijn organismen die zich voortplanten. O2
Kijk terug naar paragraaf 3, 4 en 7.
Planten zijn belangrijk voor andere organismen.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Waarom kun je niet zonder planten? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Koolstofdioxide in planten gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.
229
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 229
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Examenopgaven 6.9
6.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints en uitwerkingen bij elke opgave.
VERSCHILLENDE PLANTEN 1
Een determineertabel Uit: Examen GL/TL 2022-3 In een boek over planten die in het water leven, staat een determineertabel. Hieronder staat een deel van deze tabel. 1
a. Alle bladeren van de plant bevinden zich onder water. ........................... 2 b. De plant heeft bladeren boven en/of op het water. ................................. 5
2
a. De blaadjes hebben een gladde rand. .................................. waterpest b. De blaadjes hebben geen gladde rand. ............................................. 3
3
a. De blaadjes zijn veervormig. .......................................... aarvederkruid b. De blaadjes zijn niet veervormig. ...............................................,............. 4
4
a. Het plantje stinkt als je het stuk wrijft. ........................................ kranswier b. Het plantje stinkt niet als je het stuk wrijft. ........................... hoornblad
5
a. De plant heeft bladeren die op het water drijven. .................................... 6 b. De plant heeft bladeren die boven het water uitsteken. ...................... 7
6
a. De bladeren zijn klein en rond. ............................................ kikkerbeet b. De bladeren zijn lang en smal. ................................................ fonteinkruid
7
a. De bladeren zijn pijlvormig. ..................................................... pijlkruid b. De bladeren zijn lang en smal. ..................................... krabbenscheer
1p
Kikkerbeet en krabbenscheer zijn planten met witte bloemen, maar hun bladeren verschillen duidelijk van vorm. Beschrijf met behulp van de determineertabel een ander verschil tussen deze twee planten. Schrijf je antwoord zo op: kikkerbeet: krabbenscheer:
230
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 230
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Examenopgaven 6.9
FOTOSYNTHESE 2
Alfalfa Uit: Examen GL/TL 2021-2 Abdel en Els willen voor biologie een proefje met alfalfa doen. Op internet vinden ze de volgende informatie: Alfalfa is een kiemgroente. Het zaaien van alfalfa is gemakkelijk. De zaadjes kunnen in het licht of in het donker ontkiemen. De kiemplantjes kunnen al na zes dagen gegeten worden. Alfalfa is gezond en zit vol eiwitten, mineralen en vitamines.
Abdel en Els laten 50 alfalfazaadjes in het donker ontkiemen en 50 alfalfazaadjes in het licht. In het donker blijven de kiemplantjes wit, in het licht worden ze groen. 2p
a Schrijf twee abiotische factoren op die voor de ontkieming van alfalfazaden nodig zijn.
1p
b Leg uit waardoor de kiemplantjes in het licht groen worden.
231
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 231
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Examenopgaven 6.9
BLADEREN, STENGELS EN WORTELS 3
Witlof Uit: Examen KB 2021-2 Witlof wordt gekweekt uit witlofwortels. Deze wortels worden in het donker in een bak met water en voedingsstoffen gezet. Aan een wortel groeien dan witte bladeren die samen een kropje vormen. Na drie weken kunnen de witlofkropjes geoogst worden. Wanneer de bak met wortels in het licht wordt gezet, groeien er groene kropjes aan de wortels.
in het donker: witte kropjes
in het licht: groene kropjes
witlofwortels
1p
a Vindt fotosynthese in volledig witte kropjes plaats? En vindt fotosynthese in groene kropjes plaats?
● alleen in volledig witte kropjes ● alleen in groene kropjes ● zowel in volledig witte als in groene kropjes 1p
b Het water in de bak bevat voedingsstoffen die opgenomen worden door de witlofwortels. Nemen de wortels glucose op? En nemen ze voedingszouten (mineralen) op?
● alleen glucose ● alleen voedingszouten ● zowel glucose als voedingszouten BLOEMEN EN GESLACHTELIJKE VOORTPLANTING 4
Hennep als medicijn Uit: Examen GL/TL 2022-2 Een hennepplant heeft alleen mannelijke of alleen vrouwelijke bloemen. De mannelijke bloemen van hennep produceren heel veel stuifmeel dat glad en niet kleverig is.
1p
Uit deze gegevens kun je concluderen of hennepplanten nectar produceren. Produceren hennepplanten nectar? En zo ja, welke planten?
● ja, alleen de planten met mannelijke bloemen ● ja, alleen de planten met vrouwelijke bloemen ● ja, de planten met mannelijke bloemen en de planten met vrouwelijke bloemen ● nee 232
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 232
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Examenopgaven 6.9
ZAADVERSPREIDING EN OVERLEVEN 5
Koffie Uit: Examen GL/TL 2024-1 Koffieplanten worden vermeerderd door van één moederplant meerdere takken te knippen en te stekken. Deze takken krijgen dan wortels en groeien uit tot nieuwe koffieplanten. Na een aantal jaren kunnen van die nieuwe planten weer koffiezaden geoogst worden.
1p
Kruis bij elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is. juist
onjuist
Het afknippen en stekken van meerdere takken van één moederplant is een manier van geslachtelijke voortplanting.
●
●
De nieuwe planten afkomstig van één moederplant hebben hetzelfde genotype.
●
●
ONGESLACHTELIJKE VOORTPLANTING 6
Brandnetels en vlinders Uit: Examen GL/TL 2023-2 De brandnetel is een veel voorkomende vaste plant. De brandnetel heeft mannelijke en vrouwelijke planten. De vrouwelijke bloeiwijze bestaat uit vele kleine groene bloemetjes. De mannelijke planten hebben pluimen met kleine onopvallende bloemen. Als je zo’n pluim een tikje geeft, valt er veel stuifmeel uit. In de herfst sterven de stengels en bladeren af en overwintert de plant met alleen de ondergrondse worteldelen. Uit deze worteldelen groeien in de lente meerdere nieuwe planten met stengels, bladeren en bloemen.
1p
a Op welke manier(en) plant de brandnetel zich voort?
● alleen geslachtelijk ● alleen ongeslachtelijk ● zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk
233
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 233
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
1p
Examenopgaven 6.9
b Behoort de brandnetel tot insectenbestuivers of windbestuivers? Leg je antwoord uit.
ALLES IN SAMENHANG 7
Koolstofdioxide in planten Uit: Examen GL/TL 2021-1 In de afbeelding hieronder zie je een
P
dwarsdoorsnede van een blad. Enkele cellen zijn met een letter aangegeven.
Q
R
S T 1p
a Via deel T wordt koolstofdioxide opgenomen. Wat is de naam van deel T?
1p
b Koolstofdioxide en water worden door planten omgezet in glucose. In welke cellen kan deze omzetting plaatsvinden?
● alleen in de cellen P en Q ● alleen in de cellen P en R ● alleen in de cellen P en S ● alleen in de cellen Q en R ● alleen in de cellen Q en S ● alleen in de cellen R en S 1p
c Een deel van de gemaakte glucose wordt naar de wortels vervoerd. Leg uit waardoor wortelcellen zelf geen glucose kunnen maken uit koolstofdioxide en water.
1p
d Door welke vaten vindt transport van glucose naar de wortels plaats?
● alleen door de bastvaten ● alleen door de houtvaten ● door bastvaten en door houtvaten
234
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 234
24/03/2025 17:45
Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese
Examenopgaven 6.9
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Verschillende planten
•
Een determineertabel: Bij een determineertabel kies je steeds tussen a en b.
Fotosynthese
• •
Alfalfa a: Abiotisch is niet levend. Alfalfa b: Bladgroenkorrels zijn groen.
Bladeren, stengels en wortels
• •
Witlof a: Fotosynthese vindt plaats in cellen met bladgroenkorrels. Witlof b: Glucose wordt gemaakt bij fotosynthese.
Bloemen en geslachtelijke voortplanting
•
Hennep als medicijn: Windbloemen maken heel veel stuifmeel.
Zaadverspreiding en overleven
•
Koffie: Stekken hebben dezelfde erfelijke eigenschappen als de moederplant.
Ongeslachtelijke voortplanting
• •
Brandnetels en vlinders a: Een brandnetel heeft bloemen. Brandnetels en vlinders b: Brandnetels hebben kleine onopvallende bloemen.
Alles in samenhang
•
Koolstofdioxide in planten a: Hoe heten de openingen in een blad waar gaswisseling plaats vindt?
•
Koolstofdioxide in planten b: Deze cellen hebben bladgroenkorrels.
•
Koolstofdioxide in planten c: Wat is er nodig om fotosynthese plaats te laten vinden?
•
Koolstofdioxide in planten d: Het transport vindt maar door één soort vaten plaats.
235
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 235
24/03/2025 17:45
Register A
chemische stof
aanpassing 103
chlorofyl 180
aardbeienplant 222
chromosomenpaar 14
ABC-plant 191
chromosomenportret 14
abiotische factor
102
chromosoom 14
adertje 188
X-chromosoom 29
afvaleter 111
Y-chromosoom
49
26, 29
albinisme 50
consument
alg 164
CRISPR-Cas9 132
alleseter 110
cyanobacterie 180
ammoniak 140
cytoplasma 16
B
D
bacterie
130, 140
97, 110, 140
dampkring 120
bandenpatroon 59
Darwin
69, 73
bastvat 190
DNA 14
bekerplant 169
DNA-profiel 59
bestrijdingsmiddel
120, 122
DNA-spoor 59
bestuiving 200
dochtercel 16
insectenbestuiving 200
dode natuur
102
windbestuiving 201
dominant gen
38
bevruchting
26, 201, 219
biologische bestrijding
downsyndroom 60
122
drager 61
biomassa 113
duif 103
biotechnologie 129 moderne
E
biotechnologie 129
ecosysteem 101
oude biotechnologie
129
eenjarige plant
165, 208
102
eiwit
138, 178
blad 188
energie
113, 178
bladgroenkorrel 180
energierijke stof
bladmoes 188
erfelijke eigenschap
14, 38
bladnerf 188
erfelijke variatie
50, 71
biotische factor
138
hoofdnerf 188
erfelijkheidsonderzoek 61
zijnerf 188
evolutie 69
bladsteel 188 blauwalg 180 bol
165, 220
evolutionaire stamboom
72
F
bouwstof 179
fenotype 16
brandstof 179
fokken 50
broeikaseffect 120
forensisch onderzoek
59
fossiel 70
C
fossiele brandstof
cactus 166 celdeling gewone celdeling
16, 164 17
cellulose 179
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 236
fotosynthese
120, 139
110, 138, 178
G gaswisseling 189
24/03/2025 17:45
gemeenschappelijke
koolstofdioxide 139
voorouder 72
koolstofkringloop 139
gen 15
kroonblad 198
dominant gen
38
kruising 39
recessief gen
38
kruisingsschema 39
genetisch advies
61
kunstmatige selectie
genetische modificatie genotype
130
16, 38, 219
50
L
geslacht 29
leefomgeving 97
geslachtelijke
levenscyclus 208 165, 219
levensgemeenschap 102
geslachtscel 26
loofboom 165
geslachtschromosoom 29
luchtwortel 168
voortplanting
geslachtsorgaan 27 gewone celdeling
17
giftige stof glucose
122 110, 138, 178
M meeldraad
165, 199
meiose
27, 199
mimicry 103
gras 165
mitose
groeifactor 168
moderne biotechnologie
groen dak
121
moedercel 16
grote staartvin
50
moederplant 209
50, 71
mutatie 49
gunstige eigenschap
H hechtwortel 168
17, 219 129
negatieve mutatie
50
positieve mutatie
50
helmdraad 199
N
helmknop 199
naaldboom 165
heterozygoot 38
natuurlijke selectie
50, 71
hielprik 61
negatieve mutatie
50
homozygoot 38
NIPT 60
hoofdnerf 188
nitraat 140
houtstof 190 houtvat 190
O
huidmondje 189
omgevingsfactor 16 ongeslachtelijke
I
voortplanting
165, 219, 222
insectenbestuiving 200
opperhuid 189
intermediair fenotype
orchidee 202
40
oude biotechnologie
J
129
overerven 37
jeneverbes 212
overwinteren 211
K
P
kanker 49
piekenpatroon 59
kelkblad 198
piramide van aantallen
112
kiem 201
piramide van biomassa
113
kiemplantje 201
plaats delict
59
klimaatverandering 121
planteneter 110
klimplant 168
plasmagroei 16
klonen 132
populatie
knol
positieve mutatie
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 237
165, 221
71, 102 50
24/03/2025 17:45
prenataal onderzoek producent
60 97, 110
vleesetende plant
169
vleeseter 110 vlokkentest 60
R
voedingsstof
159, 179
recessief 38
voedselketen 110
reducent
voedselpiramide 112
97, 111, 138
reductiedeling 27
voedselpiramide van
reservestof 179
aantallen 112
rozetvormende plant
voedselpiramide van
166
runner 222
biomassa 112 voedselweb 111
S
voorjaarsbloeier 167
scholekster 103
vruchtbeginsel 199
sekse 29
vruchtwaterpunctie 60
soort 71 spock1gen 51
W
sporen 165
waslaagje 189
sporenplant 165
waterdruk 190
SRY-gen 26
waterplant met drijvend
stadsherder 141
blad 167
stamboom 38
windbestuiving 201
evolutionaire stamboom 72
stamper
165, 199
wortelhaar 189
stekken
165, 222
wortelstok 165
stempel 199 stijl 199
X
stikstof 140
X-chromosoom 29
stikstofkringloop 140 strandkrab 71
Y
stuifmeelbuis 201
Y-chromosoom
stuifmeelkorrel 165 suiker
130, 179
26, 29
Z zaad 201
T
zaadbeginsel 201
transgeen 131
zaadplant 165
tumor 49
zaadverspreiding 209
tweejarige plant
zetmeel
165, 208
U uitloper
179, 189
zijnerf 188 zweefvlieg 103 165, 221
V vaatbundel 189 vaste plant
165, 208
verbranding
138, 180
veredelen 50 verspreidingsgebied 102 versterkte broeikaseffect 121 vervuilen 120 verwant 72 verwantschapsonderzoek 59 vet 179
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 238
24/03/2025 17:45
Knipblad bij Startopdracht 4.6: Jouw profiel DNA-kaart eigenschappen
variatie
natuurlijke haarkleur
blond
profiel
bruin rood zwart natuurlijke haarstructuur
krul slag steil
natuurlijke oogkleur
blauw bruin groen grijs
kuiltje
in kin in wangen
tongrollen
kan tongrollen kan niet tongrollen
oorlellen
vastgegroeid loshangend
sproeten
veel weinig geen
lichaamslengte
onder 1.60 tussen 1.60 en 1.70 boven 1.70
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 239
24/03/2025 17:45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 240
24/03/2025 17:45
Illustratieverantwoording © Getty Images / Vittorio Ricci 6 © Shutterstock, Marjolein Luiken 8, 96 © Shutterstock / Drazen Zigic 8 © Shutterstock / Marian Fil 9 © Wikipedia 10 © Shutterstock / AI Generator 12 © Shutterstock / Panumas Yanuthai © Shutterstock / OlegD 13 © Gemma Stekelenburg 14-17, 20, 26-28, 33, 38, 39, 49, 60, 70, 74, 102, 190, 199 © Shutterstock 15, 16, 18, 26, 36, 37, 44, 49, 50, 52, 54, 59, 64, 71-73, 77, 79, 98, 110-113, 122, 126, 129, 138-140, 154, 158, 188, 189, 191, 201, 221 © Getty Images / E+ / Kali Nine LLC 19 © Shutterstock / Dr. Norbert Lange 21 © Shutterstock / zdenek_macat 23 © Shutterstock / Thanhnguyenphotography 24 © TM 29, 36, 40-44, 47, 49, 50, 52, 54, 59, 62, 64, 67, 71, 72, 77, 79, 98, 106, 110-113, 115, 116, 120, 122, 123, 126, 138-140, 178, 180, 188, 189, 191 © Shutterstock / Pavaphon Supanantananont 31 © Shutterstock / ONYXprj 31 © ANP / Vidiphoto 32 © Shutterstock / Eric Gevaert 35 © Shutterstock / Ellis Berankova 36 © Shutterstock / nuwatphoto 40 © Shutterstock / Enrique Garcia Navarro 45 © Shutterstock / Panumas Yanuthai © Shutterstock / tratong 48 © Shutterstock / Ken Griffiths | © Shutterstock / Novajzna 55 © Shutterstock / MandriaPix 58 © Getty Images / Oliver Helbig 68 © Shutterstock / Dima Moroz | © Shutterstock / Puwadol Jaturawutthichai 70 © Getty Images / Eric Hepp 71 © Shutterstock / COULANGES 72 © Shutterstock / Aleksei Verhovski 76 © Shutterstock / Niar 78 © Shutterstock / Eric Isselee 81 © Cito 85, 86, 87, 89, 115, 149, 151, 152, 153 © Shutterstock / jo Crebbin 94 © Getty Images / E+ 96 © Shutterstock / David Savile 97 © Shutterstock / Panumas Yanuthai © Shutterstock / NetPix 100 © Shutterstock / D-VISIONS 101 © Shutterstock / dinotayuyus 103 © Shutterstock / Archaeopteryx Tours 103 © Shutterstock / Catstyecam 103 © Getty Images / Paul Starosta 105 © Shutterstock / Bouke Atema, Brian E Kushner 106 © Getty Images / imageBROKER RF 109 © Rogier Trompert 111 © Shutterstock / Chris Moody 112 © Shutterstock / Anna Yakymenko 114 © Shutterstock / Tommy Svensson 116 © Shutterstock / Melnikov Dmitriy 118 © Shutterstock / Natalia van D 119 © Shutterstock / Fotokostic 120 © ANP / Huisman Media 121 © Shutterstock / Rene Notenbomer 121 © Shutterstock / Tunatura Shutterstock / D. Kucharski K. Kucharska 122 © Shutterstock / Rudmer Zwerver 124 © Shutterstock / Tote 125 © Shutterstock / Tomasz Klejdysz 125, 140 © Getty Images / ALEAIMAGE 128 © Shutterstock / otsphoto 130 © Shutterstock / Miljan Zivkovic 130 © Shutterstock / uladzimir zgurski 131 © Shutterstock / funstarts33 135 © Shutterstock / Satatat Lekhavani 136 © Shutterstock / Albert Beukhof 137 © ANP / Hans van Rhoon 141 © Shutterstock / Jonas Vegele 143 © Shutterstock / Tonko Oosterink 144 © Shutterstock / Emerson Gifford 150 © Shutterstock / Oleksandrum 156 © Shutterstock / Vladislav Havrilov 158
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 241
© Shutterstock / Miguel Angel RM 159 © Shutterstock / Brian A Jackson 161 © Shutterstock / FabriGallo_WildChicken 163 © Shutterstock / Dhesi Andra 164 © Shutterstock / Iris Petrovic 165 © Shutterstock / Licvin 165 © Shutterstock / LHBLLC 166 © Shutterstock / Zenobia Southcombe 166 © Shutterstock / MNStudio 167 © Shutterstock / juerginho 167 © Shutterstock / Wiert nieuman 168 © Shutterstock / IvanaStevanoski 168 © Shutterstock / Delpixel 168 © Shutterstock / sebloe 169 © Shutterstock / Jeff Holcombe 169 © Getty Images / iStock / seven75 171 © Shutterstock / Julia Sudnitskaya 171 © Shutterstock / Boyloso 174 © Shutterstock / Barbol 176 © Shutterstock / yusufdemirci 178 © Shutterstock / ifiStudio 179 © Shutterstock / Sinhyu Photographer 180 © Shutterstock / Kletr 180 © Shutterstock / Shutter Essence 184 © Shutterstock / Peter Hermes Furian 187 © Shutterstock / Zhabska T. 189 © Shutterstock / Kaentian Street 191 © Shutterstock / Aldona Griskeviciene 193 © Shutterstock / kukuruxa 197 © Shutterstock / rudolfgeiger 199 © Shutterstock / Lima_84 200 © Shutterstock / Nairit Roy 201 © Shutterstock / Andi111 202 © Shutterstock / Tanya_mtv 204 © Shutterstock / Wolf-photography 206 © Shutterstock / Hourvari / Iris_A 206 © Shutterstock / Katho Menden 207 © Shutterstock / Kabar 208 © Shutterstock / Alexey Medvedniko 208 © Shutterstock / Mariola Anna S 209 © Shutterstock / olko1975 | © Shutterstock / AlessandroZocc 209 © Shutterstock / Konstantin Dem 210, 220 © Shutterstock / Kateryna Puchka 210 © Shutterstock / Andreas von Mallinckrodt 210 © Shutterstock / Kginger 211 © Shutterstock / Dan4Earth 211 © Shutterstock / New Africa 212 © Shutterstock / Thomas Stanton 212 © Shutterstock / Hanna Taniukevich 215 © Shutterstock / S.O.E 216 © Shutterstock / FotoDuets 218 © Shutterstock / Rhoenbergfoto | © Shutterstock / NetPix 220 © Shutterstock / Yeti studio 220 © Shutterstock / nednapa 221 © Shutterstock / Elena Masiutkina 222 © Shutterstock / Jizu 224 © Shutterstock / pundapanda 22
24/03/2025 17:45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 242
24/03/2025 17:45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 243
24/03/2025 17:45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 244
24/03/2025 17:45
9789006731200 VIVO 3vmbo GT_B.indb 244
24/03/2025 17:45
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL B
B
Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.
De biologie van je leven
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL B NAAM KLAS
versie 1.1
LJ3vmbo-GT_omslagen_vivo.indd 1
9 789006 731200
25/03/2025 13:33