BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL A
A
Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.
De biologie van je leven
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL A NAAM KLAS
versie 1.1
LJ3vmbo-GT_omslagen_vivo.indd 1
9 789006 731194
25/03/2025 13:34
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 260
24/03/2025 14:41
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL A
Beste leerling, Dit boek gebruik je samen met de digitale leeromgeving. Het is van jou, dus je mag je aantekeningen erin schrijven. Na dit schooljaar mag je het boek houden. Dan kun je het boek volgend jaar nog gebruiken om te leren voor je eindexamen. Veel succes en plezier met biologie! Team Vivo
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 1
24/03/2025 14:38
COLOFON Auteurs Rob Melchers, Anne van Rossum, Martine van der Wiel, Rik Smale, Willy Stein Eindredactie Ilse Gmelig, Ramon Verwijst Taalredactie Maurice Breugelmans, Marcella Sleeuwenhoek Illustraties Gemma Stekelenburg, Rogier Trompert, Marjolein Luiken Ontwerp Omslag: Carlo Polman - OudZuid Ontwerp Binnenwerk: Tom Lamers - Reclamers Opmaak Crius Group, Hulshout Omslagbeeld Shutterstock / Jack.Q
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.
Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AItraining en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 731 194 Editie 1, druk 1, oplage 1, 2025 � ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2025
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
2
VIVO 3vmbo GT_H1_Zo werk je met.indd 2
24/03/2025 16:51
INHOUD ZO WERK JE MET VIVO
4
Deel A
Deel B
Hoofdstuk 1 Leven 1.1 Hoe hangt al het leven samen? 1.2 Levenskenmerken 1.3 Organisatieniveaus 1.4 Cellen en weefsels 1.5 Organen en orgaanstelsels 1.6 Organismen en soorten 1.7 Organismen in een ecosysteem 1.8 Alles in samenhang 1.9 Examenopgaven
6 8 12 22 33 44 55 66 76 78
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen SE 88 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? 90 94 2.2 Botten SE 106 2.3 Beenverbindingen SE 116 2.4 Spieren SE 125 2.5 Been en kraakbeen SE 134 2.6 Blessures SE 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving 144 2.8 Alles in samenhang 154 2.9 Examenopgaven 156 Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten 3.1 Wat is de rol van seks? 3.2 Groei en ontwikkeling 3.3 Geslachtsorganen 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks 3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting 3.6 Zwangerschap en geboorte 3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.8 Alles in samenhang 3.9 Examenopgaven Register Knipbladen Illustratieverantwoording
158 160 165 178 190 198 210 223 237 239
Hoofdstuk 4 Erfelijkheid en evolutie 4.1 Hoe worden eigenschappen doorgegeven? 4.2 Erfelijke eigenschappen 4.3 Meiose en bevruchting 4.4 Overerven van eigenschappen 4.5 Mutaties 4.6 DNA-onderzoek 4.7 Evolutie 4.8 Alles in samenhang 4.9 Examenopgaven Hoofdstuk 5 Leefomgeving en duurzaamheid 5.1 Hoe blijft de aarde leefbaar? 5.2 Verspreiding van organismen 5.3 Voedselketens 5.4 Mens en milieu SE 5.5 Biotechnologie SE 5.6 Koolstofkringloop en stikstofkringloop 5.7 Alles in samenhang 5.8 Examenopgaven Hoofdstuk 6 Planten en fotosynthese 6.1 Waarom kun je niet zonder planten? 6.2 Verschillende planten 6.3 Fotosynthese 6.4 Bladeren, stengels en wortels 6.5 Bloemen en geslachtelijke voortplanting 6.6 Zaadverspreiding en overleven 6.7 Ongeslachtelijke voortplanting 6.8 Alles in samenhang 6.9 Examenopgaven
246 251 257
3
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 3
24/03/2025 14:38
ZO WERK JE MET VIVO – De biologie van je leven In Vivo vind je alles wat je nodig hebt voor de voorbereiding op je examen. Hieronder zie je alle onderdelen van een hoofdstuk uitgelegd.
Hoofdstuk 1 Leven
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
Hoofdstuk 1 Leven
1.1 Hoe hangt al het leven samen?
Organisatieniveaus 1.3
1.3 Organisatieniveaus
In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.
• • • •
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.
Bij deze paragraaf horen de volgende practica:
H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging
• •
Hoe hangt al het leven samen?
Slak
STARTOPDRACHT
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem
Levensprocessen vinden in samenhang plaats
H6 - Planten en fotosynthese energie
1
Groeispurt
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
1
Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.
O2
A
C
D
Leg uit waarom.
4
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 4
B
a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel?
Het grote plaatje
18
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 18
20/09/2024 10:14
STARTEN MET HET HOOFDSTUK
• Het hoofdstuk start met de grote vraag. Deze vraag ga je aan de hand van het hoofdstuk beantwoorden. • De hoofdstukvraag staat in een overzichtstekening: het grote plaatje. Daarin zie je de samenhang met andere hoofdstukken en de belangrijkste zaken van dit hoofdstuk om te onthouden. • In de eerste paragraaf ontdek je waarom het onderwerp van het hoofdstuk belangrijk is, voor jouw leven én onze planeet. Ook ontdek je hoe het onderwerp samenhangt met andere onderwerpen in de biologie.
20/09/2024 10:14
WERKEN MET DE PARAGRAFEN
• Bij de paragraaftitel zie je aan de iconen welke hoofdpunten uit het grote plaatje in de paragraaf terugkomen. • Aan de leerdoelen zie je wat je in deze paragraaf gaat leren. • Bij de practica ga je zelf iets onderzoeken: je docent bepaalt welke je gaat doen. Je vindt deze online. • In de practica en opdrachten oefen je ook met verschillende vaardigheden die nodig zijn voor je examen. Bijvoorbeeld met een microscoop werken of tabellen gebruiken. Hiervoor zijn online vaardigheidskaarten te vinden. • De paragraaf begint met een startopdracht. In deze opdracht ga je meteen actief aan de slag met het onderwerp van de paragraaf. Zo ontdek je wat je al weet en begrijp je de stof sneller en beter.
4
VIVO 3vmbo GT_H1_Zo werk je met.indd 4
24/03/2025 15:21
WERKEN IN HET BOEK OF ONLINE Je kunt aan de slag in je leerwerkboek of online. In je boek vind je alles wat je nodig hebt: theorie en opdrachten. Deze staan natuurlijk ook online, plus handige extra’s. Boek • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding
Hoofdstuk 1 Leven
5
Online • Theorie • Opdrachten • Examenvoorbereiding
Organisatieniveaus 1.3
Hoofdstuk 1 Leven
Alles in samenhang 1.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd?
Populaties in een sloot
Noteer je antwoorden in de vakjes.
Leerlingen onderzoeken een sloot voor een opdracht. Noem de soortnamen van twee populaties dieren en twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.
6
• Verder oefenen op maat (Herhaling en Plus) • Practica en vaardigheidskaarten • Kennistoets en proeftoets
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus.
Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen.
Kijk terug naar paragraaf 4.
Levensprocessen vinden in samenhang plaats.
Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.
Functie van orgaanstelsels A
B
C
D
E
F
O2
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.
Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.
Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al
vervoeren van stoffen (A)
het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag?
regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B)
Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)
VERDER OEFENEN Maak online de proeftoets bij dit hoofdstuk.
24
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 24
74
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 74
20/09/2024 10:14
WERKEN MET DE PARAGRAFEN
• In de theorie zie je blauwgedrukte woorden: de belangrijkste begrippen. • In groene kaders staan weetjes. Je ziet bijvoorbeeld hoe het onderwerp van de paragraaf terugkomt in het dagelijks leven. • Iedere paragraaf heeft acht basisopdrachten. Daarna is er een Terugkijkopdracht om te zien of je de leerdoelen al beheerst. Wat gaat goed en waar moet je nog aan werken? • Online krijg je na de basisopdrachten een advies op maat om verder te oefenen: Herhaling of Plus.. In het boek zie je ook altijd een herhaalopdracht en een plusopdracht . • Bij de opdrachten staat soms een icoon. Staat bij opdrachten waar je samenwerkt met klasgenoten. Staat bij opdrachten waar je iets moet doen. Leren door te doen! Staat bij opdrachten waar je kritisch nadenkt. 5
VIVO 3vmbo GT_H1_Zo werk je met.indd 5
20/09/2024 10:15
ALLES IN SAMENHANG
• Je kijkt terug op het grote plaatje. Begrijp je de verbanden en kun je de hoofdstukvraag beantwoorden met wat je hebt geleerd? • Aan je docent kun je ook een samenvatting van het hoofdstuk vragen. • Wil je verder oefenen? Met de afsluitende examenopgave in de Examenparagraaf oefen je de stof uit het huidige en andere hoofdstukken in combinatie. • Met de online kennistoets en proeftoets controleer je of je de theorie goed hebt geleerd.
EXAMENPARAGRAAF
• Hier vind je eindexamenopgaven die horen bij de theorie van het hoofdstuk. Bij elke paragraaf die over eindexamenstof gaat, horen één of meer opgaven. Ook is er een grote examenopgave waarin de stof van meerdere hoofdstukken wordt gecombineerd. Zo kun je je goed voorbereiden. • Bij elke opgave hoort ook een hint.
24/03/2025 15:21
1 Leven
INHOUD Basis 1.1 Hoe hangt al het leven samen?
...............................
8
1.2 Levenskenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 1.3 Organisatieniveaus
............................................
22
1.4 Cellen en weefsels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 1.5 Organen en orgaanstelsels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 1.6 Organismen en soorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55 1.7 Organismen in een ecosysteem
.............................
66
............................................
76
Afsluiting 1.8 Alles in samenhang
1.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - determineren - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - werken met de loep - werken met de microscoop
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 6
24/03/2025 14:38
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 7
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
1.1 Hoe hangt al het leven samen? In dit hoofdstuk leer je over biologie en het leven. In het grote plaatje zie je wat de hoofdstukvraag en hoofdpunten zijn. Je ziet daar ook wat dit onderwerp te maken heeft met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H1 H2 - Stevigheid en bewegen beweging
Hoe hangt al het leven samen?
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus H6 - Planten en fotosynthese energie
O2
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem
1
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen
Levensprocessen vinden in samenhang plaats
Het grote plaatje
8
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 8
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
THEORIE Leven op aarde
De aarde is tot nu toe de enige planeet waarvan we weten dat er leven is. Er leven miljoenen soorten organismen op aarde. Er zijn hele kleine organismen die uit één cel bestaan, zoals het pantoffeldiertje. Er zijn ook grote organismen die uit miljarden cellen bestaan, zoals de giraf. Al deze organismen leven samen in ecosystemen, zoals het bos, het regenwoud, de woestijn of de zee. Organismen kun je in vier grote groepen verdelen: bacteriën, schimmels, planten en dieren. De bouw van cellen is bij elke groep anders. Bij organismen vinden levensprocessen als ademhalen en voeden plaats. Bij planten vindt ook fotosynthese plaats. Eéncelligen nemen zuurstof op door de cel. Grotere organismen hebben daar organen en orgaanstelsels voor. Bijvoorbeeld: het ademhalingsstelsel van de giraf heeft een luchtpijp en longen om zuurstof binnen te halen. Het bloedvatenstelsel, met het hart en de bloedvaten, zorgt ervoor dat die zuurstof op alle plaatsen in het lichaam komt.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
In cellen vindt verbranding plaats waarbij energie vrijkomt. Deze energie wordt onder andere gebruikt om te bewegen (hoofdstuk 2).
•
Planten maken tijdens de fotosynthese zuurstof en energie in de vorm van glucose. Dit proces vindt met behulp van zonlicht plaats in bladgroenkorrels in de plantencel (hoofdstuk 6).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus. Om het leven te bestuderen, kun je het grote geheel onderzoeken: de gehele aarde en alle organismen die daar leven. Je kunt ook inzoomen op een enkel organisme. Of je zoomt nog verder in: op het kleinste levende deel van een levend wezen, namelijk de cel.
•
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen. Er zijn organismen die uit één cel bestaan, andere organismen zijn meercellig. Cellen van bacteriën, schimmels, planten en dieren verschillen van elkaar. Die verschillen ontdek je als je met een microscoop naar de bouw van de verschillende cellen kijkt.
•
Levensprocessen vinden in samenhang plaats. Bij ééncelligen vinden alle levensprocessen binnen die ene cel plaats. Organismen
O2
die uit meerdere cellen bestaan zijn groter. Om de levensprocessen daar goed te laten verlopen werken cellen samen in weefsels, organen en orgaanstelsels.
•
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem. Elk organisme is belangrijk in een ecosysteem, want organismen zijn afhankelijk van elkaar. Planten maken door fotosynthese hun eigen voedingsstoffen. Dieren eten planten of andere dieren en nemen zo die voedingsstoffen op en geven ze door. Bacteriën en schimmels breken dode organismen af en maken daar stoffen van. Planten gebruiken die stoffen weer om nieuwe voedingsstoffen te maken.
9
VIVO 3vmbo GT_H1_Leven.indd 9
26/03/2025 08:07
Hoofdstuk 1 Leven
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
OPDRACHTEN 1
Een organisme als huis In de eerste kolom van het schema staan de biologische organisatieniveaus van klein naar groot onder elkaar. Stel een organisme voor als een huis. Elk biologisch organisatieniveau kun je vergelijken met een onderdeel van een huis. Vul de niveaus van een huis in achter de niveaus van een organisme. Kies uit: baksteen | raam | ramen en deuren | muur | stad | straat met dezelfde huizen cel weefsel orgaan orgaanstelsel organisme
huis
populatie ecosysteem
2
Cellen In de afbeelding zie je twee cellen.
1
2
Zijn de beweringen over de twee cellen juist of onjuist? juist
onjuist
De twee cellen kunnen in één organisme voorkomen.
●
●
Het zijn cellen van twee verschillende groepen organismen.
●
●
Cel 1 kan een onderdeel van een weefsel zijn.
●
●
Een orgaan kan een onderdeel van cel 2 zijn.
●
●
Je kunt de cellen met het blote oog zien.
●
●
Cel 1 kan van een meercellig organisme zijn.
●
●
10
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 10
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
3
Hoe hangt al het leven samen? 1.1
Zoeken naar leven Wetenschappers zoeken in het heelal naar plaatsen waar leven mogelijk is. Ze zoeken naar dezelfde omstandigheden die leven en levensprocessen hier op aarde mogelijk maken. Zoek uit welke omstandigheden onmisbaar zijn voor het leven. Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. Je mag online extra informatie zoeken. 2 Maak samen een lijstje met de levensprocessen uit de theorie. 3 Noteer daarachter wat nodig is voor die levensprocessen. 4 Noteer ook welke andere omstandigheden belangrijk zijn. 5 Vergelijk daarna in een klassengesprek de lijstjes en vul je eigen lijstje aan.
4
Ecosysteem de sloot De sloot is een ecosysteem waar bepaalde planten en dieren voorkomen. Dit zijn de levende factoren. Ook heb je daar te maken met niet-levende factoren.
a Welke plantensoorten kun je in een sloot tegenkomen?
b Welke dieren kun je in een sloot tegenkomen?
c Welke niet-levende factoren zijn belangrijk voor een sloot?
5
Hoe hangt al het leven samen? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe hangt al het leven samen? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
11
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 11
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
1.2 Levenskenmerken Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
O2
levenskenmerken benoemen. uitleggen wanneer je spreekt van een organisme. uitleggen dat bij een organisme de levensprocessen samenwerken. uitleggen waarvoor het lichaam energie nodig heeft.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Van boon tot bonenplant Voorwaarden voor ontkieming
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Bruine bonen In de supermarkt kun je droge bruine bonen kopen. Deze zitten in een pakje. Dit heb je nodig:
• • • • •
droge bruine boon geweekte bruine boon tekenmateriaal eventueel loep eventueel prepareermateriaal
Je gaat de bonen uit zo’n pakje eens beter bekijken.
a Welk deel van de plant is dit?
b Welke functie heeft dit deel voor de plant?
12
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 12
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
c Denk je dat een boon leeft? Leg uit waarom.
d Maak een tekening van een droge bruine boon. Zorg dat in de tekening het naveltje te zien is. Dit is de plek waarmee de boon aan de peul heeft vastgezeten (zie de foto).
navel
Buitenaanzicht bruine boon
e Pak nu de geweekte bruine boon. 1 Haal voorzichtig de bruine zaadhuid van de geweekte boon af. 2 De boon bestaat uit twee helften: de zaadlobben. Aan één van de helften zit een uitsteeksel vast: een worteltje. 3 Haal de helften voorzichtig uit elkaar. Zorg dat het worteltje vast blijft zitten. 4 Je kunt aan de helft met het worteltje nu ook een klein blaadje zien. Dit blaadje heeft dezelfde kleur als de zaadlob.
Zaadlob met worteltje en blaadje
Maak een tekening van de zaadlob met het worteltje en het blaadje. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.
f
Je hebt de bruine boon nu beter bekeken. Denk je dat zo’n bruine boon leeft? Waaraan kun je dat zien?
13
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 13
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
THEORIE Levenskenmerken
Een levend wezen noem je in de biologie een organisme. Maar wat is precies levend? Probeer maar eens te beschrijven wat leven is. Dat is niet zo makkelijk. Zelfs wetenschappers geven verschillende antwoorden. Ze zijn het wel over één ding eens: een organisme kan verschillende levenskenmerken vertonen (figuur 1 en 2). levenskenmerk
omschrijving
voorbeeld
gaswisseling
opnemen en afgeven van gassen
ademen
voeden
voedingsstoffen opnemen
eten, drinken
uitscheiden
afvalstoffen uit het lichaam verwijderen
plassen, zweten
groeien/ontwikkelen
groter en zwaarder worden/ veranderen, nieuwe delen krijgen
van klein naar groot van rups naar vlinder
waarnemen
prikkels uit de omgeving opmerken
zien, horen, voelen, proeven, ruiken
reageren/bewegen
een actie ondernemen op een prikkel
lopen
voortplanten
zorgen voor nakomelingen
eieren leggen
1
Levenskenmerken
Gaswisseling, voeden en uitscheiden worden samen ook wel stofwisseling genoemd.
2
Waarnemen en reageren/bewegen (links) en uitscheiden (zweten) (rechts)
WIST JE DAT? Bamboe Het levenskenmerk ‘groeien’ kun je goed zien bij bamboeplanten. Bamboe hoort bij de familie van de grassen. Er zijn veel verschillende soorten bamboeplanten. Er zijn soorten die maar een paar centimeter hoog worden, maar ook reuzen van wel 30 meter. Bamboe groeit heel snel onder gunstige omstandigheden, dus bij genoeg zonlicht en genoeg water. De moso-bamboe kan onder deze omstandigheden bijna een meter per dag groeien. Hij wordt dan binnen een paar maanden 20 meter hoog.
Moso-bamboe
De moso-bamboe is daarmee de snelst groeiende plant ter wereld en staat vermeld in het Guinness Book of Records. 14
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 14
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
Levend, dood en levenloos
Planten, dieren, schimmels en bacteriën zijn de biotische (levende) factoren in een gebied. Een organisme is levend als het levenskenmerken vertoont. Dat hoeven niet alle levenskenmerken tegelijk te zijn. Zo vindt gaswisseling doorlopend plaats, maar voortplanten gebeurt alleen op sommige momenten als een organisme volwassen is. Als een organisme geen levenskenmerken meer vertoont, is het dood. Dat geldt ook voor dingen die van delen van organismen zijn gemaakt, zoals een wollen trui of een houten tafel (figuur 3). Organismen gaan dood door ouderdom, ziekte of omdat ze worden opgegeten.
3
'Dode' jurk gemaakt van een schimmel
Als iets nooit levenskenmerken heeft vertoond, noem je het levenloos. Voorbeelden daarvan zijn stenen, water, licht en temperatuur. Je noemt deze ook wel abiotische (levenloze) factoren. Een steen kan wel in beweging komen, maar niet uit zichzelf. Ook kan een steen zich niet voortplanten en heeft dat ook nooit gekund.
levend
dood
levenloos 4
Levend, levenloos en dood op één foto
TIP Het verschil tussen levend en dood is soms lastig te zien. Scan de QR-code en kijk maar eens naar het filmpje over sponzen. 15
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 15
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
Je kunt bepalen of iets levend, dood of levenloos is door twee vragen te stellen (figuur 5).
Vraag 1 Heeft iets op dit moment één of meerdere levenskenmerken? ja
nee
Dan is het levend.
Vraag 2 Heeft iets levenskenmerken gehad? ja
nee
Dan is het dood. 5
Dan is het levenloos.
Levend, dood of levenloos?
Een gezonde samenwerking geeft energie
Bij een gezond organisme werken de levensprocessen goed samen. Ademhaling, voeding en vertering zorgen ervoor dat er zuurstof en voedingsstoffen in ons lichaam komen. Uitscheiding zorgt ervoor dat de afvalstoffen worden afgevoerd. Voedingsstoffen worden in je lichaam afgebroken met behulp van zuurstof. Dit proces, waarbij energie vrijkomt, heet verbranding. Er ontstaan ook koolstofdioxide en water (figuur 6). De energie wordt gebruikt om de levensprocessen uit te voeren en ook om te bewegen, te denken, te groeien en je lichaam op temperatuur te houden. Warmte is een vorm van energie. Als je longen niet goed werken of als je te weinig eet, dan heeft dat gevolgen voor de hoeveelheid energie die je hebt. Je bent dan sneller moe en je kunt slechter denken. Het is dus verstandig om elke dag te ontbijten. zuurstof
koolstofdioxide
verbranding
voedingsstof 6
water
energie
Verbranding
De energie die je hebt, wordt over al je activiteiten verdeeld. De hoeveelheid energie is niet op elke plek in je lichaam hetzelfde. Als je hebt gegeten, is er extra energie nodig in je darmen. Tijdens een toets gaat er meer energie naar je hersenen. Ben je aan het hardlopen, dan is er veel energie nodig in je spieren.
16
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 16
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Levenskenmerken 1.2
OPDRACHTEN 2
Levenskenmerken Je zit in het klaslokaal.
a Welke levenskenmerken kun je bij jezelf waarnemen?
b Welke levenskenmerken neem je niet waar, maar heb je wel?
c Welke levenskenmerken vertoon je nu niet?
3
Levenskenmerken bij planten Ook planten vertonen alle levenskenmerken.
a Bedenk bij elk levenskenmerk een situatie die met planten te maken heeft. uitscheiden
groeien
voortplanten
reageren
waarnemen
voeden
gaswisseling
b Hoe noem je de drie levenskenmerken gaswisseling, voeden en uitscheiden samen ook wel?
17
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 17
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
4
Levenskenmerken 1.2
Levend, levenloos, dood Geef in het schema aan of het levend, levenloos of dood is. levend
5
levenloos
dood
water
●
●
●
katoenen T-shirt
●
●
●
paardenbloem
●
●
●
rieten mand
●
●
●
glazen ruit
●
●
●
broodschimmel
●
●
●
Een verzameling maken Maak met een klasgenoot een verzameling van levende, levenloze en dode dingen. 1 Verzamel van tevoren (kleine) spulletjes en neem die mee naar school. Er moeten dingen bij zitten die levend, levenloos en dood zijn. 2 Werk in tweetallen. 3 Kies tien dingen uit. Jullie verzameling moet dode, levende en levenloze dingen bevatten. 4 Laat een ander tweetal jullie verzameling verdelen in levenloos, levend en dood. 5 Hebben ze alles goed? Hebben ze fouten gemaakt? Overleg met elkaar. Vraag hulp aan je docent als je er niet uit komt. 6 Draai de rollen om. Verdeel nu de verzameling van het andere tweetal.
6
Wat als? Wat gebeurt er bij je als … je uitscheiding niet goed werkt?
je te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt?
je te veel voedingsstoffen binnenkrijgt?
je ademhaling niet goed werkt?
18
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 18
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
7
Levenskenmerken 1.2
Groeispurt In de puberteit groei je in een korte periode heel snel. Voor die groei moeten een aantal delen van je lichaam samenwerken. Je hormonen en botten spelen hierbij een rol. Vertel in een tekst van maximaal 100 woorden wat de hormonen en de botten doen om je te laten groeien. Je mag online extra informatie zoeken en overleggen met een klasgenoot.
8
Verbranding Verbranding is een belangrijk proces.
a Welke twee stoffen zijn nodig voor verbranding?
b Welke twee stoffen ontstaan bij verbranding?
c Waarom is voor een organisme verbranding nodig?
9
Energie nodig? Geef bij de volgende situaties aan wanneer er meer energie nodig is en waarom. Je zit buiten op een bankje. Wanneer heb je meer energie nodig, in de zomer of in de winter?
Een zebra staat te grazen. Ineens ziet zij een leeuw en slaat op de vlucht. Wanneer heeft zij meer energie nodig, grazend of op de vlucht?
De buitentemperatuur is 10 °C. Een schildpad is een koudbloedig dier dat zijn lichaamstemperatuur aan de omgeving aanpast. Een even groot warmbloedig dier, zoals een rat, heeft een constante lichaamstemperatuur van 38 °C. Beide dieren zitten stil. Welk dier heeft de meeste energie nodig, de schildpad of de rat?
19
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 19
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
10
Levenskenmerken 1.2
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. levenskenmerken benoemen.
2, 3
H11
2. uitleggen wanneer je spreekt van een organisme.
4, 5
H12, P15
3. uitleggen dat bij een organisme de levensprocessen samenwerken.
6, 7
H13, P16
4. uitleggen waarvoor het lichaam energie nodig heeft.
8, 9
H14, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Aardbeienplant Ook een aardbeienplant bevat levenskenmerken.
a Welk levenskenmerk zie je hier?
● reageren ● uitscheiden ● voortplanten b Noem vier andere levenskenmerken van de aardbeienplant.
20
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 20
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
15
Levenskenmerken 1.2
Voetbal Op de foto zie je twee voetballers tijdens een training.
Maak een lijstje met levende, dode en levenloze dingen die je op de foto ziet.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgaven Koningsvissen en Leven in rottend hout gaat maken.
21
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 21
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
1.3 Organisatieniveaus Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
verschillende organisatieniveaus benoemen. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Groeispurt Slak
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Weefsel Het lichaam van een organisme bestaat uit cellen en meestal ook uit weefsels en organen. Die zie je op de tekeningen.
A
B
C
D
a Bij welke tekening(en) heb je te maken met een weefsel? Leg uit waarom.
22
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 22
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
b De buitenkant van een orgaan bestaat uit een weefsel dat het orgaan beschermt. In de afbeelding zie je één cel uit dat weefsel.
Teken met potlood een weefsel dat bestaat uit vijf van deze cellen.
THEORIE Van cel tot biosfeer
Een amoebe is een ééncellig organisme zonder vaste vorm (figuur 1). Een amoebe leeft in water, en soms ook in de menselijke darm. Die ene cel kan alle levenskenmerken vertonen.
1
Amoebe
23
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 23
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
Grotere organismen, zoals de mens, bestaan uit miljarden cellen. Die cellen werken samen, zodat het organisme goed functioneert. Het samenwerken gebeurt in weefsels, organen en orgaanstelsels. Dit noem je organisatieniveaus. Organismen zoals de amoebe en de mens horen bij de natuur. Je kunt de hele natuur in organisatieniveaus indelen. Alle organisatieniveaus zie je van klein naar groot in figuur 2 en 3.
klein
groot 2
organisatieniveau
omschrijving
voorbeeld
cel
kleinste levende onderdeel van een organisme
maagcel
weefsel
een aantal cellen met dezelfde vorm en functie
maagweefsel
orgaan
deel van een organisme met een eigen functie, bestaat uit een aantal weefsels
maag
orgaanstelsel
een groep organen die samenwerken, heeft een eigen functie
verteringsstelsel
organisme
een levend wezen met samenwerkende orgaanstelsels
konijn
populatie
groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied
konijnengroep
ecosysteem
alle levende organismen en abiotische factoren in een bepaald gebied
duingebied
biosfeer
alle ecosystemen samen
de planeet aarde
Definities van organisatieniveaus
orgaanstelsel
organisme
orgaan
populatie biosfeer
ecosysteem weefsel
cel 3
Organisatieniveaus
24
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 24
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
Weefsels, organen en orgaanstelsels Weefsels, organen en orgaanstelsels komen alleen
voor bij organismen die uit meer cellen bestaan. Een aantal cellen met ongeveer dezelfde vorm en dezelfde functie noem je een weefsel. In de stengel van een plant komen verschillende weefsels voor (figuur 4). Bijvoorbeeld dekweefsel, dat voor bescherming zorgt, en transportweefsel, waardoor stoffen vervoerd worden. Een orgaan is een deel van een organisme. Een orgaan heeft een bepaalde functie en bestaat uit verschillende weefsels (figuur 5). Het hart is een voorbeeld van een
4
dierlijk orgaan. Het zorgt voor het rondpompen van bloed door het lichaam. Een voorbeeld van een orgaan
Microscopische afbeelding van de doorsnede van een stengel van mais met verschillende weefsels
bij planten is de wortel. Wortels zorgen voor stevigheid en nemen water en mineralen op uit de bodem.
vetweefsel
spierweefsel
5
Buitenkant van een varkenshart met vetweefsel en spierweefsel
In een orgaanstelsel werken een aantal organen samen. In het verteringsstelsel verteren onder andere de maag en de darmen het voedsel (figuur 6). Andere orgaanstelsels bij dieren zijn het spierstelsel, het zenuwstelsel, het ademhalingsstelsel en het hart- en bloedvatenstelsel. Bij planten is het wortelstelsel een voorbeeld van een orgaanstelsel. Het bestaat onder andere uit een hoofdwortel met zijwortels en wortelharen. darm
boekmaag
netmaag slokdarm
pens lebmaag
6
Verteringsstelsel van een koe
TIP Kijk eens naar de organen van de mens op deze interactieve schoolplaat. Scan de QR-code. 25
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 25
24/03/2025 14:38
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
WIST JE DAT? Het zwaarste orgaan van de mens De huid is het grootste en zwaarste orgaan van de mens. De taken van de huid zijn: bescherming, waarneming en temperatuurregeling. Als je de huid zou wegen, kom je aan een gewicht van 15 tot 20 kg. De bovenste laag huid van een volwassene is ongeveer 0,1 mm dik, zo dun als een vel papier. Het bovenste deel van die laag bestaat uit dode cellen die
Je kunt waarnemen met de huid.
je verliest en die van de onderkant weer aangevuld worden. Elke minuut verlies je tot 40 000 oude huidcellen. In je huid zitten ook zintuigen. Je kunt daarmee voelen, pijn ervaren en temperatuurverschillen waarnemen. Mensen die blind zijn, kunnen met de zintuigen in hun huid braille lezen.
Onderzoek per organisatieniveau
Volgens onderzoek van de Vlinderstichting is het aantal vlinders in Nederland sinds 1992 met bijna 40% afgenomen. Een vlindersoort waar het heel slecht mee gaat, is de heivlinder (figuur 7).
7
De heivlinder
Een onderzoek begint met nieuwsgierigheid of verwondering. Je vraagt je af hoe het komt dat je steeds minder heivlinders ziet. Waarschijnlijk is daar al eens onderzoek naar gedaan. Dat onderzoek kun je dan gaan lezen. Of je gaat zelf onderzoek doen. Je kunt zo’n onderzoek op verschillende organisatieniveaus aanpakken.
• •
Cel en weefsel: je onderzoekt delen van heivlinders onder een microscoop. Orgaan en orgaanstelsel: je onderzoekt het zintuigstelsel (onder andere de ogen) van heivlinders met een loep.
• • •
Organismen: je onderzoekt de uiterlijke kenmerken van heivlinders. Populatie: je doet in twee gebieden onderzoek naar heivlinders. Ecosysteem: je onderzoekt in een gebied welke biotische en abiotische factoren invloed hebben op het aantal heivlinders.
Elk onderzoek heeft een andere aanpak nodig. Het verschil kan zitten in het organisme dat je onderzoekt, de plek waar je het onderzoek doet, de materialen die je nodig hebt en of je het onderzoek alleen of samen doet. 26
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 26
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
OPDRACHTEN 2
Van groot naar klein Noteer de verschillende organisatieniveaus van groot naar klein achter elkaar.
3
–
–
–
–
–
–
–
Microscooppreparaten Kirsten krijgt van haar docent vier microscooppreparaten. Op elk preparaat zit een etiketje (zie de afbeelding). Ze bekijkt de preparaten onder de microscoop.
eencellige boomalgen
bacteriën uit tandplak
zaadcellen van een stier
vlies van een ui
1
2
3
4
Welke organisatieniveaus horen bij de preparaten 1 t/m 4?
4
Verschillende organisatieniveaus
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
Bij welk organisatieniveau horen de volgende voorbeelden? Kies uit: cel | ecosysteem | orgaan | organisme | populatie Eikenbomen kunnen gemakkelijk 200 jaar oud worden. Het kleinste levende deel van een eekhoorn. Eiken en eekhoorns op de Veluwe hebben last van de droogte. De eekhoorns op de Veluwe eten vooral eikels. Via de bladeren van een eik verdampt veel water.
27
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 27
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
5
Organisatieniveaus 1.3
Populaties in een sloot Leerlingen onderzoeken een sloot voor een opdracht. Noem de soortnamen van twee populaties dieren en twee populaties planten die ze daar aan kunnen treffen.
6
Functie van orgaanstelsels A
B
C
D
E
F
Zet de orgaanstelsels bij de juiste functie. Kies uit: ademhalingsstelsel | bloedvatenstelsel | skelet (bottenstelsel) | spierstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel vervoeren van stoffen (A) regelen, doorgeven en verwerken van informatie (B) zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven (C) voedsel kleiner en oplosbaar maken (D) stevigheid geven, beschermen (E) beweging mogelijk maken (F)
28
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 28
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
7
Organisatieniveaus 1.3
Trilhaarcellen in de luchtpijp Je haalt adem door je luchtpijp. Tegen de wand van de luchtpijp van de mens zit een laagje trilhaarcellen.
a De luchtpijp is een voorbeeld van een:
● orgaan ● orgaanstelsel ● weefsel b Tot welk organisatieniveau behoort het laagje trilhaarcellen van de luchtpijp? Omcirkel het juiste organisatieniveau.
cel
8
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
Lengte In de puberteit vindt de groeispurt plaats. Je groeit dan heel snel in de lengte. In de tabel zie je de gemiddelde lengtes van jongens en meisjes in de puberteit. De cijfers komen uit een onderzoek dat is gehouden onder de jeugd van Nederland. leeftijd
gemiddelde lengte jongens (cm)
gemiddelde lengte meisjes (cm)
10
143,2
143,3
11
148,2
149,2
12
154,0
155,3
13
160,9
160,8
14
168,2
164,7
15
174,4
167,1
16
178,7
168,6
a Tussen welke jaren groeien jongens gemiddeld het meest? En wanneer meisjes?
b Op welk biologisch niveau is hier onderzoek gedaan?
29
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 29
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organisatieniveaus 1.3
c Er is bij een opgraving een bot van 2000 jaar geleden gevonden. Het is een opperarmbeen van 20 cm lang. Hoe lang is de persoon geweest bij wie het opperarmbeen hoort? Dit heb je nodig:
• •
meetlint klasgenoot om op te meten
Dit ga je doen: 1 Meet de lichaamslengte van de klasgenoot in cm. 2 Meet de bovenarm van de klasgenoot in cm. 3 Gebruik de meetgegevens om te berekenen hoe lang de persoon is van wie het bot is gevonden. 4 Noteer je berekening.
9
Onderzoek op niveau Wetenschappers doen verschillende biologische onderzoeken. Ze formuleren onderzoeksvragen voor deze onderzoeken. Op welk niveau vinden de onderzoeken plaats? Omcirkel het juiste antwoord. Hoeveel wolven zijn er op de Veluwe?
ecosysteem | organen | organisme | populatie
Wat is de oorzaak van de dood van de wolf die gevonden is?
ecosysteem | organen | organisme | populatie
Waardoor gaan er zo veel bomen in het bos dood?
ecosysteem | organen | organisme | populatie
Op welke delen van het lichaam heeft het coronavirus invloed?
ecosysteem | organen | organisme | populatie
30
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 30
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
10
Organisatieniveaus 1.3
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. verschillende organisatieniveaus benoemen.
2, 3
H12
2. voorbeelden geven bij de verschillende organisatieniveaus.
4, 5
H14, P15
3. weefsels, organen en orgaanstelsels beschrijven.
6, 7
H11, P16
4. uitleggen dat je in de biologie op verschillende organisatieniveaus onderzoek doet.
8, 9
H13, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Verschillende weefsels In de tekening zie je een aantal weefsels in de doorsnede van een blad.
a Hoe kun je in deze tekening weefsels herkennen?
b Hoeveel verschillende weefsels zie je hier?
31
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 31
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
15
Organisatieniveaus 1.3
Vleermuizen Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. Hun vleugels bestaan uit een zogenaamde vlieghuid die tussen de botten van de voor- en achterpoten is gespannen (zie de foto). In de vlieghuid zitten onder andere zenuwen en bloedvaten. De spieren die de vleugels laten bewegen, zitten in de romp. In de vleugels van een vleermuis bevinden zich delen van het skelet.
Noem nog twee andere orgaanstelsels die voor een deel in de vleugels zitten.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De axolotl gaat maken.
32
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 32
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
1.4 Cellen en weefsels Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
delen van een cel en hun functies benoemen. uitleggen dat je een cel als één geheel kunt zien. cellen van planten, dieren, bacteriën en schimmels vergelijken. de functie van verschillende weefsels beschrijven.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• • •
Cellen van het wangslijmvlies Cellen van de waterpest Cellen van de broodschimmel
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Een model van een cel Onder de microscoop lijkt een cel op een plat bouwsteentje. Maar in werkelijkheid zijn cellen een soort zakjes water, waar van alles in zweeft. Je gaat een model van een cel maken.
a Noem de delen waaruit een plantencel bestaat. Kun je er zes noemen? Vul jouw rijtje aan met de delen die klasgenoten weten.
b Maak een eenvoudig model van een plantencel. Dit heb je nodig:
• • • • •
bekerglas plastic boterhamzakje bruine boon een aantal erwten water
33
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 33
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Doe een bruine boon en de erwten in het boterhamzakje. 3 Vul het zakje met water en knoop het goed dicht. 4 Leg het zakje in het bekerglas. 5 Je hebt nu een eenvoudig model van een cel gemaakt.
c Zet de delen van de cel bij het juiste materiaal dat je gebruikt hebt. Kies uit: bladgroenkorrel | celkern | celmembraan | celwand | cytoplasma materiaal
deel van de cel
bekerglas boterhamzakje water bruine boon erwten
THEORIE Functie en bouw van een cel
Een cel is de kleinste levende bouwsteen van een organisme met alle erfelijke informatie van dat organisme. Cellen zijn zo klein, dat je ze alleen met een microscoop kunt zien. Eéncellige organismen bestaan uit één cel (figuur 1). De meeste organismen zijn meercellig. Ze zijn opgebouwd uit meerdere cellen die samen een geheel vormen.
1
Euglena of oogdiertje, een ééncellig organisme
34
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 34
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
Organismen hebben energie nodig voor hun levensprocessen. Door verbranding van glucose komt in alle levende cellen energie vrij. Deze energie wordt onder andere gebruikt om te bewegen, te groeien en te ademen. Cellen met bladgroenkorrels kunnen door fotosynthese met behulp van licht zelf glucose maken. Elke cel van een bacterie, schimmel, plant of dier bevat in ieder geval de volgende delen (figuur 2).
•
Het celmembraan, een heel dun vlies aan de buitenkant van de cel. Gassen en water gaan via het celmembraan de cel in en uit.
•
Het cytoplasma, het vocht dat in een cel zit. In het cytoplasma zweven delen van de cel. Het cytoplasma bevat ook opgeloste stoffen, zoals glucose.
Verder kunnen cellen de volgende delen bevatten.
•
De celkern, meestal het grootste zichtbare deel in een cel. De celkern bevat DNA met erfelijke informatie over de bouw en werking van de cel. Hiermee wordt de cel aangestuurd.
•
De bladgroenkorrels, die de groene kleur geven aan bladeren en stengels. In de bladgroenkorrels vindt fotosynthese plaats waardoor glucose ontstaat.
•
De kleurstofkorrels geven bloemen of vruchten bijvoorbeeld een rode, oranje of gele kleur.
•
Zetmeelkorrels voor de opslag van zetmeel als reservevoedsel dat later gebruikt kan worden.
•
De vacuole, een blaasje met water en daarin opgeloste stoffen. Het vocht zorgt voor de stevigheid van binnenuit. Net als de lucht, die van de binnenkant tegen de wand van een opgeblazen ballon aandrukt.
Om de buitenkant van het celmembraan ligt bij sommige cellen nog een stevig laagje, de celwand. Dit laagje geeft cellen stevigheid en bescherming tegen ziekteverwekkers.
bladgroenkorrels celkern cytoplasma zetmeelkorrels
celmembraan celwand vacuole kleurstofkorrels
2
Delen van de cel
35
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 35
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
Verschillende soorten cellen
De cellen van bacteriën, schimmels, planten en dieren verschillen van elkaar. Hierdoor kun je deze organismen van elkaar onderscheiden. Een bacterie is een ééncellig organisme dat ongeveer 10× kleiner is dan de cellen van andere organismen. Daarom zijn bacteriën onder een gewone microscoop bijna niet te zien. Een bacterie bestaat uit cytoplasma met daaromheen een celmembraan en een celwand. Een bacterie heeft geen celkern, het DNA drijft los in het cytoplasma (figuur 3). TIP Scan de QR-code als je meer wilt weten over relatieve celgroottes. Je kunt inzoomen met de schuif onder de afbeelding. Let op: de site is Engelstalig. DNA cytoplasma celmembraan
celmembraan celwand celkern vacuole cytoplasma celwand
3
Een bacterie
4
Een schimmelcel
Een cel van een schimmel bestaat uit cytoplasma met een celkern. Daaromheen zit een celmembraan en een celwand (figuur 4). Een plantencel bestaat uit cytoplasma met een celkern en een grote vacuole. Het cytoplasma kan kleurstofkorrels, zetmeelkorrels of bladgroenkorrels bevatten. Bladgroenkorrels komen voor in cellen die licht opvangen. Deze cellen zijn meestal te vinden in stengels en bladeren. Om het cytoplasma zit een celmembraan en een celwand (figuur 5). celkern vacuole zetmeelkorrel cytoplasma bladgroenkorrel celmembraan celwand 5
celkern cytoplasma celmembraan
Bouw van een plantencel
6
Bouw van een dierlijke cel
Een dierlijke cel bestaat uit cytoplasma met een celkern. Om het cytoplasma zit een celmembraan. Dierlijke cellen hebben geen celwand en zijn daardoor minder stevig (figuur 6).
36
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 36
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
Wil je weten of de cel van een bacterie, een schimmel, een plant of een dier is? Beantwoord dan de volgende drie vragen (figuur 7).
nee
Vraag 1 Heeft de cel een celwand om zich heen?
Het is een dierlijke cel.
ja Vraag 2 Heeft de cel een celkern? ja
nee Het is een bacterie.
Vraag 3 Zijn er in de cel bladgroenkorrels te zien? ja
nee Het is een schimmelcel.
7
Het is een plantencel.
Welke cel is het?
Weefsels
Een groep cellen met ongeveer gelijke vorm en dezelfde functie noem je een weefsel. Voorbeelden van weefsels bij dieren zijn spierweefsel dat zorgt voor beweging, en vetweefsel onder de huid dat zorgt voor warmte en opslag van reservestof. Voorbeelden bij planten zijn transportweefsel in de stengel dat zorgt voor transport van stoffen, en steunweefsel dat zorgt voor stevigheid. Een weefsel dat zowel bij planten als bij dieren voorkomt is dekweefsel. Dekweefsel vind je bij de mens onder andere in de buitenste laag van de huid (figuur 8, links) en in de wanden van bloedvaten en darmen. Dekweefsel bij planten zit in de buitenste laag van wortels, stengels en bladeren (figuur 8, rechts). Dekweefsel beschermt tegen uitdroging en tegen schadelijke invloeden van buitenaf, zoals wind en ongedierte. dekweefsel
dekweefsel
8
bindweefsel
weefsels met bladgroenkorrels
vetweefsel
dekweefsel
Weefsels in de huid (links) en weefsels in een blad (rechts)
37
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 37
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
WIST JE DAT? Samenwerkende schimmels en planten Je hebt ze waarschijnlijk wel eens gezien: die platte, gele, lichtgroene of witte plekken op de stoep, op muurtjes, bomen of dakpannen. Het is geen mos, maar het zijn korstmossen. Dit is een samenwerking tussen schimmels en eencellige planten. De planten zijn omgeven door schimmeldraden. In de planten ontstaat glucose door fotosynthese. De schimmeldraden gebruiken een deel daarvan. De schimmel vormt een laag, die water vasthoudt, dat gebruikt kan worden voor de
Twee verschillende korstmossen op een tak
fotosynthese. Ook maakt de schimmel een zuur waardoor de plant gemakkelijker stoffen uit de grond op kan nemen. Zo hebben ze allebei voordeel van de samenwerking. Korstmossen kunnen slecht tegen luchtvervuiling. Als er bij jou in de buurt veel korstmossen voorkomen, dan is dat een teken dat de luchtkwaliteit goed is.
OPDRACHTEN 2
Delen van een cel In de tekening van de cel zijn de delen met letters aangegeven.
P R
a Welke delen zorgen voor stevigheid?
Q
b In welk deel vindt fotosynthese plaats?
S
c Welk deel hoort eigenlijk niet bij de cel?
T U
38
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 38
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
3
Cellen en weefsels 1.4
Zenuwcel Hier zie je een tekening van een zenuwcel.
3
1
4 2
a In welk onderdeel bevindt zich DNA?
● in onderdeel 1 ● in onderdeel 2 ● in onderdeel 3 ● in onderdeel 4 b Wat is de functie van DNA?
c Wat is de naam van onderdeel 1?
4
Fotosynthese en verbranding Fotosynthese en verbranding zijn belangrijk.
a Wanneer vindt in levende cellen verbranding plaats?
● alleen in het donker ● alleen in het licht ● altijd b Wanneer vindt in levende cellen fotosynthese plaats?
● alleen in het donker ● alleen in het licht ● altijd c Welk celdeel is nog meer nodig voor fotosynthese?
● bladgroenkorrel(s) ● celkern ● cytoplasma ● vacuole
39
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 39
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
5
Cellen en weefsels 1.4
Waterplanten en watervlooien In de tekening zie je reageerbuizen met waterplanten.
buis 1 in het licht een waterplant met bladgroen
buis 2 in het licht twee waterplanten met bladgroen
buis 3 in het licht een waterplant met bladgroen en vijf watervlooien
buis 4 in het licht watervlooien
buis 5 in het donker twee waterplanten met bladgroen
a Bij welk proces komt zuurstof vrij? Bij
b In welke buizen wordt zuurstof zowel gemaakt als verbruikt?
6
Cellen herkennen Als je cellen onder de microscoop bekijkt, kun je zien of de cellen van een bacterie, schimmel, plant of dier zijn. Dat zie je aan de aanwezige delen van de cel of aan de aanwezigheid van een celwand.
a Zet een kruisje als een deel aanwezig is. bacterie
schimmel
plant
dier
celkern
■
■
■
■
bladgroenkorrels
■
■
■
■
celwand
■
■
■
■
cytoplasma
■
■
■
■
celmembraan
■
■
■
■
40
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 40
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
b Vul het juiste woord in. •
Als een cel geen celkern heeft, is het een
.
•
Als een cel geen celwand heeft, is het een cel van een
.
•
Als een cel bladgroenkorrels heeft, is het een cel van een
.
•
Als een cel een celkern en een celwand heeft maar geen bladgroenkorrels, is het een cel van een
7
.
Organismen raden Kun jij raden welk organisme je klasgenoot in gedachten heeft? Je mag bij de opdracht de volgende organismen gebruiken: paard, paardenbloem, champignon (schimmel), broodschimmel, salmonella (bacterie), koe, tulp, pneumokokken (bacterie). Gebruik bij deze opdracht ook figuur 7 uit de theorie. Dit ga je doen: 1 De een neemt één van de organismen in gedachten. 2 De ander probeert achter de naam van het organisme te komen door vragen te stellen over de aanwezigheid van de celkern, bladgroenkorrels en de celwand. Je mag ook nog naar andere kenmerken vragen. 3 Geef alleen antwoord met ja of nee. 4 Als een organisme geraden is, draai je de rollen om. 5 Zorg dat je ieder minstens 3× aan de beurt komt.
8
Een blad van een jasmijn Links zie je een foto van een jasmijn. Rechts zie je een doorsnede van een jasmijnblad onder de microscoop.
a Op welke plaatsen is dekweefsel te vinden?
b De functie van dekweefsel is bescherming. Waartegen wordt het blad beschermd?
c Beschrijf de cellen van het dekweefsel. Noem minstens twee eigenschappen.
41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 41
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
9
Cellen en weefsels 1.4
Bloed Bloed wordt ook tot de weefsels gerekend. Bloed is in dat opzicht wel bijzonder.
a Noem minstens één manier waarin bloed anders is dan andere weefsels.
b Noem minstens één functie van bloed.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. delen van een cel en hun functies benoemen.
2, 3
H12, P17
2. uitleggen dat je een cel als één geheel kunt zien.
4, 5
H13, P15a, P16
3. cellen van planten, dieren, bacteriën en schimmels vergelijken.
6, 7
H11
4. de functie van verschillende weefsels beschrijven.
8, 9
H14, P15b
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
42
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 42
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Cellen en weefsels 1.4
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Celeigenschappen In de tekening zie je twee cellen van verschillende organismen.
1
2
Welke bewering over de herkomst van deze cellen is juist?
● Beide cellen zijn afkomstig van dieren. ● Cel 1 is afkomstig van een dier, cel 2 van een schimmel. ● Cel 1 is afkomstig van een plant, cel 2 van een dier. ● Cel 1 is afkomstig van een plant, cel 2 van een schimmel. 15
Boterbloemen Annemarie heeft een boeket boterbloemen geplukt en in een vaas met water gezet. De boterbloemen blijven mooi overeind staan. Na een poosje, als het water op is, gaan ze slap hangen.
a Waar komt de stevigheid van de cellen in de stengel vandaan? Kies de juiste delen van de cel.
■ bladgroenkorrels ■ celkern ■ celmembraan ■ celwand ■ cytoplasma ■ vacuole b Welk weefsel zorgt voor stevigheid?
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Verwelkingsziekte gaat maken.
43
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 43
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
1.5 Organen en orgaanstelsels Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
O2
de functie van verschillende orgaanstelsels benoemen. organen in het menselijk lichaam aanwijzen. de functie van verschillende organen benoemen. uitleggen dat bij een organisme orgaanstelsels samenwerken.
STARTOPDRACHT 1
Organen Het middenrif verdeelt de romp van een mens in een bovenste en een onderste helft (zie de tekening).
middenrif
a Noem een orgaan van het ademhalingsstelsel en een van het bloedvatenstelsel dat zich boven het middenrif bevindt.
44
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 44
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
b In de onderste helft van de romp zitten ook organen, zoals de maag, lever, alvleesklier, dikke darm, dunne darm, blinde darm en nieren. Je gaat een tekening maken van de hele romp met het middenrif en de organen. Dit heb je nodig:
• •
(behang)papier van 60 cm lang potlood
Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Neem de afbeelding van de romp over. Gebruik het hele papier. 3 Teken de organen op de juiste plaats. Geef ze de juiste vorm. 4 Zet de namen in de tekening.
THEORIE Orgaanstelsels
Als je iets eet, werken een aantal organen samen. De tong, maag en darmen zijn organen die bij het verteringsstelsel horen. Het verteringsstelsel zorgt voor het opnemen, vervoeren en verteren van het voedsel (figuur 1). Een aantal organen die samenwerken, noem je een orgaanstelsel. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje De spijsverteringsorganen.
tong
slokdarm
maag twaalfvingerige darm dunne darm dikke darm
blinde darm
endeldarm
1
Het orgaanstelsel voor het vervoeren en verteren van voedsel
45
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 45
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
Je lichaam heeft meerdere orgaanstelsels die zorgen voor de werking van de verschillende levensprocessen (figuur 2 en 3). levensproces
orgaanstelsel
twee voorbeelden van organen
functie
gaswisseling
ademhalingsstelsel
luchtpijp, longen
zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgeven
voeden
verteringsstelsel
maag, darmen
voedsel kleiner maken, zodat voedingsstoffen kunnen worden opgenomen
bloedvatenstelsel
hart, slagaders
stoffen door het lichaam vervoeren
uitscheidingsstelsel
nieren, lever
afvalstoffen uit het lichaam verwijderen
groeien en ontwikkelen
hormoonstelsel
schildklier, eierstokken
langzame, langdurende processen regelen, zoals groei
waarnemen
zintuigstelsel
ogen, oren
veranderingen in de omgeving opmerken
reageren en bewegen
zenuwstelsel
hersenen, zenuwen
snelle, kortdurende processen zoals beweging regelen, informatie verwerken en het lichaam aansturen
spierstelsel
armbuigspier, kuitspier
beweging mogelijk maken
skelet
rib, opperarmbeen
stevigheid en vorm geven, beschermen, beweging mogelijk maken
voortplantingsstelsel
baarmoeder, prostaat
zorgen voor nakomelingen
uitscheiden
voortplanten
2
Levensprocessen en orgaanstelsels
skelet (bottenstelsel) 3
ademhalingsstelsel
bloedvatenstelsel
verteringsstelsel
zenuwstelsel
Verschillende orgaanstelsels
46
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 46
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
Organen en hun functies
In je lichaam gebeuren veel dingen zonder dat je het merkt. Als je eet en drinkt zijn een aantal organen aan het werk. Als je beweegt zijn daarbij organen van het zenuwstelsel, het skelet en het spierstelsel betrokken. Zelfs als je stilzit zijn er organen aan het werk. Een orgaan is een deel van het lichaam met een eigen functie (figuur 4). Je longen en je maag zijn voorbeelden van organen. Je longen zorgen voor de opname van zuurstof en de afgifte van koolstofdioxide. Je maag verteert voedsel.
hersenen
huid longen hart
maag
4
Een torso met organen
TIP Scan de QR-code om de interactieve schoolplaat over organen te bekijken.
Ook planten hebben organen met een eigen functie. Wortels zorgen voor de opname van stoffen uit de bodem en voor opslag van reservevoedsel. Ook zorgen wortels ervoor dat de plant stevig in de grond blijft zitten. De wortels vormen samen een orgaanstelsel: het wortelstelsel (figuur 5). In stengels vindt vervoer van stoffen plaats. Houtachtige stengels bij een boom zorgen voor stevigheid. In de bladeren vindt fotosynthese plaats. De bloemen zorgen voor voortplanting.
5
Het wortelstelsel van een plant
47
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 47
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
Samenwerkende orgaanstelsels Orgaanstelsels werken samen. Als je bijvoorbeeld een training doet, luister je naar de instructie van de trainer en ga je aan de slag met een oefening. Ondertussen reageer je op zijn aanwijzingen. Hierbij werken het zintuigstelsel (luisteren), het zenuwstelsel (denken en spieren aansturen), het skelet en het spierstelsel (bewegen) samen (figuur 6). Tegelijkertijd zijn er ook een aantal andere orgaanstelsels actief. Het ademhalingsstelsel zorgt dat je zuurstof binnenkrijgt en het bloedvatenstelsel zorgt voor transport van zuurstof en glucose door het lichaam. Zuurstof en glucose worden over de verschillende organen verdeeld. Op de plekken in je lichaam die actief zijn is de meeste energie nodig. Die
6
Beweging: spierstelsel en skelet werken samen.
plekken ontvangen dus de meeste glucose en zuurstof. In dit geval zijn dat de spieren.
WIST JE DAT? Hart op de verkeerde plaats Je organen hebben een vaste plek in je lichaam. Je hart zit een beetje links van het midden in je borstholte. Je lever, galblaas en blinde darm zitten aan de rechterkant van je buikholte. Dit is niet bij iedereen zo. Bij minder dan 1 op de 10 000 mensen zitten de organen aan de andere kant van het lichaam. Dat kan met alle organen het geval zijn, maar het kan ook maar om een paar organen gaan. In het begin van de zwangerschap gaan de organen naar hun plek in het lichaam van het embryo. Het is niet bekend waarom dat soms gespiegeld gebeurt. Meestal hebben mensen met deze aandoening geen klachten, maar wordt het bij toeval ontdekt. Bijvoorbeeld als bij een blindedarmontsteking de blindedarm niet rechts, maar links in de buikholte blijkt te zitten.
Links: Röntgenfoto (vooraanzicht) van een 11-jarige jongen. Het hart zit hier met de punt rechts van het midden. Rechts: Röntgenfoto (vooraanzicht) van een persoon. Het hart zit hier, zoals meestal, met de punt links van het midden. 48
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 48
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organen en orgaanstelsels 1.5
OPDRACHTEN 2
Functie van orgaanstelsels Zet het juiste orgaanstelsel voor de functie. Kies uit: hormoonstelsel | skelet | uitscheidingsstelsel | verteringsstelsel | zenuwstelsel | zintuigstelsel langzame langdurende processen regelen informatie verwerken, lichaam aansturen voedsel kleiner en oplosbaar maken veranderingen in de omgeving waarnemen stevigheid, bescherming en vorm geven aan het lichaam afvalstoffen uit het lichaam verwijderen
3
De ziekte van Fabry De ziekte van Fabry is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Door ophoping van giftige afvalstoffen in cellen krijgen patiënten problemen met hun hart, bloedvaten, nieren en hersenen. De ziekte tast onder andere het uitscheidingsstelsel aan. Noem nog twee andere orgaanstelsels die volgens de informatie worden aangetast.
4
Organen in het lichaam Voorbeelden van organen in ons lichaam zijn: hersenen (1), lever (2), schildklier (3), baarmoeder (4), opperarmbeen (5), hart (6), luchtpijp (7), maag (8), ogen (9) en nieren (10). Geef in de tekening aan waar deze organen zitten. Je mag online extra informatie zoeken.
49
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 49
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
5
Organen en orgaanstelsels 1.5
Een scan in het ziekenhuis In het ziekenhuis is een scan gemaakt van een gedeelte van de romp van een patiënt (zie afbeelding).
a Is de onderkant van de afbeelding de rugzijde of de buikzijde? Hoe weet je dat?
b Is dit een doorsnede door de borstholte of door de buikholte? Hoe weet je dat? Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.
c Hoe heten de twee organen die in de afbeelding rood zijn aangegeven?
6
Organen en hun functies Maak het schema met organen en hun functie compleet. Gebruik de interactieve schoolplaat nog een keer of zoek online informatie. Dit ga je doen: 1 Werk bij deze opdracht in tweetallen. Je mag internet gebruiken. 2 Schrijf in het schema achter elk orgaanstelsel minstens drie organen die erbij horen. 3 Schrijf de functie van deze organen in de rechter kolom van het schema.
50
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 50
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
orgaanstelsel
Organen en orgaanstelsels 1.5
organen
functie
zenuwstelsel
bloedvatenstelsel
hormoonstelsel
ademhalingsstelsel
zintuigstelsel
skelet
spierstelsel
51
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 51
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
7
Organen en orgaanstelsels 1.5
Plantenorganen Ook planten hebben organen met een eigen functie.
a Welke organen van de plant zorgen voor stevigheid?
b In welke organen van een plant kan fotosynthese plaatsvinden?
c Welk plantenorgaan heeft voortplanting als functie?
8
Samenwerkende orgaanstelsels Orgaanstelsels werken samen.
a Welke orgaanstelsels werken samen als je beweegt tijdens een sportwedstrijd? Noem er drie.
b Welke orgaanstelsels werken samen als je groeit? Noem er drie.
c Welke orgaanstelsels werken samen als je naar een concert gaat en naar de artiest luistert? Noem er twee.
d Welke orgaanstelsels werken samen als je seks hebt? Noem er twee.
9
Wagenziekte Als je last hebt van wagenziekte, dan voel je je niet lekker tijdens een autorit. Het evenwichtsorgaan in je oren heeft informatie nodig uit je ogen, spieren en hersenen. Als die informatie niet met elkaar klopt, ontstaat wagenziekte. Het lukt de hersenen dan niet om het evenwicht goed te regelen. Je wordt misselijk. Welke orgaanstelsels werken niet goed samen als je wagenziek bent?
52
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 52
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
10
Organen en orgaanstelsels 1.5
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de functie van verschillende orgaanstelsels benoemen.
2, 3
H11, P15
2. organen in het menselijk lichaam aanwijzen.
4, 5
H12
3. de functie van verschillende organen benoemen.
6, 7
H13, P16, P17abc
4. uitleggen dat bij een organisme orgaanstelsels samenwerken.
8, 9
H14, P17d
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Orgaanstelsels van een vogel In het lichaam van een vogel zitten verschillende orgaanstelsels. Op de tekening zie je delen hiervan.
Welke twee orgaanstelsels zijn in de tekeningen te zien en wat is hun functie?
53
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 53
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
15
Organen en orgaanstelsels 1.5
Het hoofd Op de tekening zie je de doorsnede van het hoofd.
a Noteer in de linker kolom van de tabel de orgaanstelsels waarvan delen op de tekening te zien zijn. Noem er minstens vier.
b Noteer achter elk orgaanstelsel de functie(s). c Noteer in de rechter kolom een orgaan dat bij het orgaanstelsel hoort, en in de figuur te zien is. orgaanstelsel
functie
voorbeeld orgaan
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Medicijnresten in het oppervlaktewater gaat maken.
54
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 54
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
1.6 Organismen en soorten Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
dieren ordenen in groepen. werken met een determineertabel. benoemen wat een soort is. uitleggen dat het erfelijk materiaal van soorten verschilt.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• • •
Regenworm Mossel Determineren
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Determineren van diergroepen Dieren met dezelfde kenmerken kun je in groepen ordenen. Met een determineertabel kun je de namen van de groepen vinden. Begin bij 1 en volg de aanwijzingen. Schrijf op de plek van de hoofdletter de naam van de diergroep. Noteer de juiste diergroep achter elke letter. Als je het niet weet, mag je overleggen met klasgenoten of het online opzoeken.
55
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 55
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
Determineertabel 1a Het dier heeft een wervelkolom. ...............................gewervelde dieren, 2 A 1b Het dier heeft geen wervelkolom. .........................................................., 4 2a De huid is bedekt met schubben. ........................................................... 3 B 2b De huid is slijmerig. ................................................................................. C ........... 2c De huid is bedekt met veren. ........................................................
2d De huid is bedekt met haren. .................................................. zoogdieren D 3a Het dier ademt met kieuwen. ............................................................. ....... E 3b Het dier ademt met longen. ........................................................... .......
4a Het dier heeft geen skelet. ........................................................... wormen 4b Het dier heeft een uitwendig skelet. ........................................................5 F 5a Het skelet is een huisje of een schelp. ....................................... ..............
5b Het is een uitwendig skelet van kalk. .................................. stekelhuidigen 5c Het is een uitwendig skelet van chitine. ........................... geleedpotigen, 6 G 6a Het dier heeft 6 poten. .............................................................................. H 6b Het dier heeft 8 poten. .............................................................................. I 6c Het dier heeft 10 poten. ............................................................................
6d Het dier heeft meer poten. .......................................................veelpotigen
THEORIE Dieren ordenen
Je kunt organismen in vier grote groepen ordenen: bacteriën, schimmels, planten en dieren. Er zijn vele miljoenen soorten organismen op aarde. Het grootste deel daarvan zijn bacteriën. Elke dag worden er nieuwe soorten bacteriën en schimmels ontdekt. Ook ontdekken wetenschappers nog af en toe een nieuwe soort plant of dier. Veel planten en dieren zijn al door wetenschappers beschreven, maar vooral in ontoegankelijke oerwouden en in de oceanen leven nog steeds onbekende soorten (figuur 1). Als er in een gebied veel verschillende soorten voorkomen, is de biodiversiteit hoog. Al die organismen hebben hun eigen kenmerken, maar hebben ook overeenkomsten. Je kunt de dieren ordenen in twee groepen: de gewervelde en
1
In de diepzee worden soms nog nieuwe diersoorten ontdekt. Dit is de lintzaagstaartvis.
de ongewervelde dieren. Deze groepen kun je weer verder indelen. De gewervelde dieren hebben allemaal een inwendig skelet met een wervelkolom. De vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren behoren tot de gewervelde dieren (figuur 2). De gewervelde dieren kun je ordenen in groepen als je kijkt naar andere kenmerken, zoals de ademhaling, voortplanting en huidbedekking.
56
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 56
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
voorbeelden
ademhaling
voortplanting
huidbedekking
vissen
haai goudvis
kieuwen
eieren zonder schaal
schubben
amfibieën
kikker salamander
kieuwen en huid (jong) longen en huid (volwassen) alleen huid (winter)
eieren zonder schaal
slijmerige huid
reptielen
krokodil schildpad
longen
eieren met een leerachtige schaal
schubben
vogels
kip kraai
longen
eieren met kalkschaal
veren
zoogdieren
koe mens
longen
levendbarend
haren
2
De gewervelde dieren
Ongewervelde dieren hebben geen wervelkolom. Maar sommige ongewervelde dieren hebben wel een inwendig of uitwendig skelet. Een inwendig skelet zit in het lichaam, een uitwendig skelet zit buiten het lichaam. Voorbeelden van ongewervelde dieren zijn wormen, weekdieren, stekelhuidigen en geleedpotigen (figuur 3). De geleedpotigen zijn de grootste groep. voorbeeld
aantal poten
skelet
wormen
regenworm lintworm
geen
geen
weekdieren
slak mossel
geen
uitwendig huisje, schelp
stekelhuidigen
zeester zee-egel
geen
inwendig kalk
geleedpotigen
vlieg (insect) kruisspin (spinachtige) krab (kreeftachtige) duizendpoot (veelpotige)
6 8 10 meer dan 10
uitwendig pantser
3
Ongewervelde dieren
57
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 57
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
Geleedpotigen zijn dieren met poten die uit meer delen bestaan (figuur 4). Als je naar het aantal poten kijkt, kun je geleedpotigen verder indelen in insecten (zes poten), spinachtigen (8 poten), kreeftachtigen (10 poten) en veelpotigen (meer dan 10 poten).
4
De acht poten van de Tarantula, een spinachtige, bestaan uit meer delen.
WIST JE DAT? Een worm in je buik Als je rundvlees eet dat rauw of niet goed doorbakken is, zoals filet americain, kun je eitjes of larven van de lintworm in je darmen krijgen. Ze voeden zich met het voedsel dat in de darm zit. De kop van de jonge lintworm hecht zich aan de darmwand, blijft groeien en legt eitjes. Een lintworm is meestal wit of geelachtig. De lintworm kan wel een paar meter lang worden en bestaat uit platte, dunne
Een lintworm
stukjes. De lintworm die in Nederland het meest voorkomt, is de runderlintworm. Deze lintworm is ongevaarlijk, meestal merk je er niets van. Soms zie je platte witte of gele stukjes in je poep of ondergoed. Natuurlijk wil je een lintworm niet in je darm laten zitten. Om hem kwijt te raken moet je naar de huisarts. Dan krijg je een medicijn dat de worm doodt. De dode worm verlaat je lichaam via de anus.
Werken met een determineertabel
Bij determineren kijk je naar de uiterlijke kenmerken. Op basis hiervan bepaal je de naam van een organisme. Je kunt daar een determineertabel bij gebruiken, zoals in de startopdracht. In zo’n tabel staan uitspraken waarbij je steeds een keuze moet maken. Elke keuze stuurt je naar een volgende uitspraak. Je begint altijd bij 1 en je gaat door tot je bij de naam van het organisme komt. Een bijzondere determineertabel is de zoekkaart (figuur 5). Bij een zoekkaart staan de vragen in hokjes. Je begint bij start en beantwoordt de vragen steeds met ‘ja’ of ‘nee’. Uiteindelijk kom je dan bij de naam van het organisme terecht.
58
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 58
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
ja
nee
Bestaat het lichaam uit een aantal ringen (= segmenten)?
huisjesslak ja Draagt het dier een huisje op z’n rug?
insectenlarven
nee
ja
Zitten er voelsprieten op de kop?
nee Heeft het dier echte poten?
nee
naaktslak
ja
Heeft het dier 2 poten?
nee
nee ja Heeft het dier een duidelijke bek?
ja nee
ja
vogels
Heeft het dier poten?
reptielen amfibieën START
5
Een deel van een zoekkaart
Er zijn ook allerlei apps die het zoekwerk voor je doen. Je maakt een foto van een plant of dier en de app zoekt voor je uit wat de naam van het organisme is. TIP Kijk bijvoorbeeld eens op de site van waarneming.nl.
Een soort
Wanneer horen organismen bij dezelfde soort? Je spreekt over een soort als organismen zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. De nakomelingen kunnen dus zelf ook nakomelingen krijgen. Organismen van dezelfde soort lijken meestal veel op elkaar. Toch zijn er ook organismen die wel op elkaar lijken maar niet tot dezelfde soort behoren. Bijvoorbeeld Aziatische en Afrikaanse olifanten (figuur 6). Ze kunnen geen nakomelingen krijgen die zelf weer jongen kunnen krijgen.
6
De Afrikaanse olifant (links) en de Aziatische olifant (rechts)
59
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 59
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
Een grijze wolf en een poedel lijken niet op elkaar, maar ze kunnen wel vruchtbare nakomelingen krijgen. Een grijze wolf en een hond behoren dus wel tot dezelfde soort (figuur 7).
7
Een grijze wolf (links) en een poedel (rechts)
Door het DNA van twee dieren te vergelijken kun je vaststellen of ze tot dezelfde soort behoren. Als het DNA overeenkomt, dan horen ze bij dezelfde soort. Als het DNA te veel verschilt, zijn het verschillende soorten. Door DNA-onderzoek ontdekt men nieuwe soorten. Vroeger werd gedacht dat er maar één soort giraffe was. DNA-onderzoek heeft aangetoond dat er vier verschillende soorten giraffen zijn. Ze zijn ook te herkennen aan het verschillende vlekkenpatroon.
OPDRACHTEN 2
Diergroepen Het dier op de foto heeft een wervelkolom. Bij welke groep dieren wordt het ingedeeld? Je mag de determineertabel uit de startopdracht gebruiken.
● Bij de gewervelde dieren, het dier heeft een slijmerige huid, het is een amfibie.
● Bij de gewervelde dieren, het dier heeft schubben, het is een reptiel.
● Bij de ongewervelde dieren, het dier heeft een slijmerige huid, het is een amfibie. ● Bij de ongewervelde dieren, het dier heeft schubben, het is een reptiel. 3
Een kijkje in de dierentuin In dierentuin Burgers’ Zoo in Arnhem wonen allerlei verschillende dieren in hun natuurlijke omgeving.
a Kruis de gevonden diergroepen in het schema aan en geef van elk een voorbeeld. Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Scan de QR-code en ga naar de site van Burgers’ Zoo. 3 Onderzoek welke diergroepen er volgens de site in Burgers’ Zoo te vinden zijn. Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Determineren.
60
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 60
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
diergroep
aanwezig
voorbeeld
gewervelden - vissen gewervelden - amfibieën gewervelden - reptielen gewervelden - vogels gewervelden - zoogdieren wormen weekdieren geleedpotigen - insecten geleedpotigen - spinachtigen geleedpotigen - kreeftachtigen geleedpotigen - veelpotigen
b Welke diergroep is vooral te zien in Burgers' Zoo en waarom?
4
Veilig weiland Naar: Examen GL/GT 2022-2 Atypische myopathie is een paardenziekte. De ziekte kan ontstaan als paarden vruchten van de esdoorn eten. De gifstof in de vruchten verstoort de stofwisseling in de spiercellen. In een later stadium worden spiercellen afgebroken. Een paard kan aan deze ziekte overlijden. Anna wil bij een boer een weiland huren voor haar paard. In het weiland staan bomen die ze niet kent. Op de grond liggen vruchten die ze meeneemt om te controleren of ze veilig zijn voor haar paard. In de afbeelding zie je wat Anna heeft meegenomen. Daaronder zie je een deel van de determineertabel die Anna raadpleegt.
1
a b
De vruchten hebben één of meer vleugeltjes. . .......................... zie 2 De vruchten hebben geen vleugeltjes. .................................... robinia
2
a b
De vrucht bestaat uit één of twee zaden. .................................. zie 3 De vrucht bestaat uit meer dan twee zaden. .............................. linde
3
a b
De zaden en de vleugeltjes zijn met elkaar verbonden. ............... iep Alleen de zaden zijn met elkaar verbonden. ......................... esdoorn
Is het weiland veilig voor het paard van Anna? Leg je antwoord uit met behulp van de determineertabel.
61
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 61
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
5
Organismen en soorten 1.6
Kenmerken op een zoekkaart Hier zie je een zoekkaart voor rondvissen. eerste rugvin
Zoekkaart rondvissen vis langgerekt, bek buisvormig
ja 1
borstvin zeenaald
nee 2 vis met buikvin
nee 3
nee 4
zwarte vlek op de snuit, bek niet ver uitstulpbaar
nee 7
buiklijn is ruw
eerste rugvin twee keer zo hoog als tweede rugvin
nee 11
afstand tussen de rugvinnen even groot als de lengte van de eerste rugvin
ja 16
ja 13
makreel
koornaarvis
5
smelt
nee 8
haring
ja
ja 10
buikvin anaalvin buiklijn staartvin
zandspiering
ja
ja 6 vis met twee rugvinnen
tweede rugvin
9
sprot
nee 12
voorste rugvin zwart, lichte stip op staartbasis
nee 14 ja 15
zeedonderpad
kleine pieterman
a Noteer de kenmerken van een makreel.
b Maak een tekening van de makreel met deze kenmerken.
62
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 62
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
6
Organismen en soorten 1.6
Boombladeren In Nederland komen verschillende boomsoorten voor. Zoek uit welke soorten er in je schoolomgeving voorkomen. Je gebruikt hiervoor een handige app. Maak samen met de andere groepjes in de klas een tentoonstelling met de verschillende bladeren. Dit heb je nodig:
• •
de app Obsidentify of een andere determineerapp 5 vellen A4-papier
Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Verzamel vijf bladeren van verschillende soorten bomen in je schoolomgeving. 3 Plak elk blad op een apart vel papier. 4 Zoek uit hoe de app werkt. 5 Zoek met behulp van de app uit wat de naam van de verschillende bomen is. 6 Schrijf de naam van de boom bij elk blad.
7
Een nieuwe soort Onderzoekers hebben in het tropisch regenwoud van Brazilië een dier gevonden (zie afbeelding). Het dier heeft een harde buitenkant van chitine.
a Gebruik de determineertabel van de startopdracht om uit te vinden bij welke diergroep het dier hoort.
b Het dier lijkt heel erg op een andere kever, die de onderzoekers al beschreven hebben. Hoe kwamen de onderzoekers er vroeger achter of de beide kevers tot dezelfde soort behoren?
c Hoe kunnen ze er tegenwoordig veel sneller achter komen?
8
Erfelijke en uiterlijke kenmerken Verschillende soorten organismen hebben verschillend DNA.
a In welk deel van de cel is DNA te vinden?
b Een mens, een chimpansee, een hond en een vlinder hebben verschillend DNA. Leg uit welk DNA het meest op dat van de mens zal lijken, en welk DNA het minst.
63
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 63
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
9
Organismen en soorten 1.6
DNA in olifanten Er zijn twee soorten olifanten. De Aziatische olifant leeft in het zuiden en zuidoosten van Azië en de Afrikaanse olifant komt voor in Afrika ten zuiden van de Sahara.
a Noem een uiterlijke eigenschap waarin de Aziatische en de Afrikaanse olifant verschillen.
b Is er een verschil tussen het DNA van de Aziatische en de Afrikaanse olifant? Hoe weet je dat?
c Waarom zullen Aziatische en Afrikaanse olifanten in de natuur normaal gesproken nooit met elkaar paren?
d Waar zou dat eventueel wel kunnen gebeuren?
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. dieren ordenen in groepen.
2, 3
H11, P16
2. werken met een determineer tabel.
2, 4, 5, 7a, 7b
H12, P17
3. benoemen wat een soort is.
6, 7a, 7b
H13, P15
4. uitleggen dat het erfelijk materiaal van soorten verschilt.
7c, 8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
64
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 64
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen en soorten 1.6
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Een dolfijn Op de foto zie je een dolfijn. Dolfijnen leven in zee. Ze halen adem met longen en ze krijgen levende jongen. Tot welke groep van de gewervelden behoort een dolfijn?
● tot de amfibieën ● tot de reptielen ● tot de vissen ● tot de vogels ● tot de zoogdieren 15
Onvruchtbare nakomelingen Er zijn dieren die wel met elkaar kunnen paren, maar de jongen die ze krijgen zijn niet vruchtbaar. Dit is bijvoorbeeld het geval bij paarden en ezels, zebra’s en ezels, leeuwen en tijgers, schapen en geiten. Zoek uit hoe deze nakomelingen heten en vul het schema in. Je mag online extra informatie zoeken. mannetje
vrouwtje
paard
ezel
ezel
paard
ezel
zebra
zebra
ezel
schaap
geit
geit
schaap
leeuw
tijger
tijger
leeuw
jong
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Citrusvruchten gaat maken.
65
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 65
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
1.7 Organismen in een ecosysteem Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
de functie van producenten en consumenten in een ecosysteem benoemen. de functie van reducenten in een ecosysteem benoemen. uitleggen welke plek producenten en consumenten in een voedselketen innemen. uitleggen hoe een organisme bij de levensprocessen energie opneemt, gebruikt en verliest.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Zetmeel aantonen Bacteriën in de bodem
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Woordzoeker ecosystemen In Nederland komen zeven ecosystemen voor.
a Kruis aan welke ecosystemen in Nederland voorkomen.
■ heide ■ koraalrif ■ loofbos ■ naaldbos ■ plas ■ poolgebied ■ regenwoud ■ savanne ■ sloot ■ steppe ■ toendra ■ wadden ■ weiland ■ woestijn
66
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 66
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
b Zoek alle veertien ecosystemen op in de woordzoeker. De namen kunnen van links naar rechts en van boven naar beneden staan, of omgekeerd. U
S
H
R
F
Z
N
X
Q
I
L
T
Q
T
A
N
V
Y
S
F
I
F
J
C
W
D
J
W
A
S
J
V
H
P
K
T
W
U
O
S
L
O
O
T
L
O
O
F
B
O
S
S
E
S
V
K
W
F
Q
K
D
I
D
L
C
F
P
O
E
A
Q
D
K
D
U
K
O
X
A
K
U
B
X
G
D
E
W
L
H
G
P
T
D
U
J
L
X
T
O
B
Y
Y
K
Y
O
P
E
V
G
W
A
D
D
E
N
M
W
N
C
D
U
C
E
E
X
W
S
Q
B
U
G
N
T
C
N
C
W
E
S
M
S
P
O
W
E
R
T
N
S
G
O
Y
E
N
J
U
Y
J
T
P
D
E
I
V
M
J
V
E
E
P
G
J
B
J
F
F
I
E
H
I
C
Q
W
R
A
I
N
M
E
N
D
E
J
J
J
T
W
L
K
E
A
M
X
J
D
V
R
F
S
J
B
D
N
S
V
A
R
N
V
I
B
U
R
N
V
J
O
Y
H
D
B
G
E
N
I
N
S
X
H
D
A
D
E
I
B
E
G
L
O
O
P
D
P
A
Z
K
A
E
E
C
N
A
A
L
D
B
O
S
W
L
P
V
Q
I
L
J
U
E
D
I
E
H
K
Y
P
C
T
S
O
A
S
Q
B
K
O
R
A
A
L
R
I
F
Y
O
M
V
L
S
Y
K
N
X
P
K
Z
Y
I
T
P
N
M
G
U
K
THEORIE Producenten en consumenten
Een voorbeeld van een ecosysteem dat in Nederland voorkomt, is het loofbos. In loofbossen staan bomen die in de herfst hun bladeren verliezen, zoals de eik en de beuk (figuur 1).
1
Loofbos
67
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 67
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
In bomen en in de planten die onder die bomen groeien, zoals mossen en varens, vindt fotosynthese plaats. De planten leggen de energie van de zon vast als glucose. Van glucose maken planten weer allerlei andere stoffen, zoals zetmeel, die veel energie bevatten. Ze gebruiken die stoffen om te groeien en te ontwikkelen. Wat ze niet meteen nodig hebben, wordt opgeslagen als zetmeel. Zetmeel is dus een soort reservevoedsel. De energierijke stoffen zijn ook belangrijk als voedsel voor alle andere organismen. Omdat planten energierijke stoffen produceren, noem je ze producenten (figuur 2).
2
Planten produceren energierijke stoffen die als voedsel dienen voor dieren.
Via voedsel komen de energierijke stoffen uit planten in het lichaam van dieren. Een ecosysteem is een systeem van eten en gegeten worden. Organismen die andere organismen eten om zichzelf te voeden, noem je consumenten. Voorbeelden van consumenten zijn: een koe die gras eet, een vos die een konijn eet en de made van een vlieg die rottend vlees eet.
Voedselketens
De verschillende soorten organismen in een loofbos zijn afhankelijk van elkaar. Die afhankelijkheid heeft vaak te maken met voedsel. Elk organisme is een schakel in een voedselketen met een plant als eerste schakel (figuur 3). Elke pijl in de voedselketen betekent: ‘wordt gegeten door’. Dus: gras wordt gegeten door een konijn en een konijn wordt gegeten door een vos.
gras 3
konijn
vos
Een voedselketen
68
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 68
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
Een ecosysteem bestaat uit verschillende voedselketens. Alle voedselketens in een gebied samen vormen een voedselweb (figuur 4).
uil
kikker
sprinkhaan
muis
vos
konijn
gras 4
paardenbloem
eik
Een voedselweb
Wanneer een dier een plant of een ander dier opeet, krijgt hij energierijke stoffen binnen. Die energie wordt voor een deel gebruikt om te groeien en te ontwikkelen. Een ander deel van de energie komt door verbranding vrij en wordt gebruikt om te bewegen en om de lichaamstemperatuur constant te houden. Stoffen uit het voedsel die niet verteren en niet worden gebruikt, poept een dier weer uit. Zo wordt niet alle energie in een voedselketen steeds doorgegeven. Daardoor bevat elke volgende schakel van de voedselketen minder energierijke stoffen (figuur 5).
energieverlies energie naar volgende schakel
consumenten (vleeseters)
energieverlies
energie van de zon energie naar volgende schakel
consumenten (planteneters)
energieverlies
producenten 5
Energieverlies in een voedselketen
69
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 69
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
Reducenten
Je ziet soms van die glanzende groene bromvliegen. Zij leggen hun eitjes in dode dieren. Uit de eitjes komen larven (maden) die het vlees eten. In elk voedselweb vind je consumenten die van dode organismen, delen van dode organismen en uitwerpselen leven. Je noemt dit soort consumenten ook wel afvaleters. Uiteindelijk blijven er alleen maar dode resten over. Die resten zijn weer voedsel voor bacteriën en schimmels. Je noemt bacteriën en schimmels reducenten. Reducenten breken de resten van (dode) organismen helemaal af tot mineralen. Deze mineralen komen in de bodem en in het water terecht. Planten nemen met hun wortels water met mineralen op en gebruiken ze om van glucose andere stoffen te maken. Door dit hergebruik ontstaat er een kringloop van voedingsstoffen: de voedselkringloop (figuur 6).
producenten (planten)
consumenten (planteneters)
voedingsstoffen
dode resten voedingsstoffen (mineralen)
6
voedingsstoffen
consumenten (vleeseters)
dode resten
dode resten
reducenten (schimmels en bacteriën)
Een voedselkringloop
WIST JE DAT? Leven in een vulkaan Is er leven in een vulkaan? Of in een geiser, zo’n fontein van kokend water? Of op de bodem van de diepzee, 11 kilometer onder het wateroppervlak? Je zou denken van niet, maar er zijn inderdaad eencellige organismen gevonden op extreme plekken. Ze lijken op bacteriën, maar vormen een aparte groep omdat hun DNA heel anders is. Dus eigenlijk zijn er niet vier groepen organismen, maar vijf. Wetenschappers zijn heel geïnteresseerd in deze vijfde
Geiser in Yellowstone Park
groep organismen, omdat ze misschien ook wel op plekken in het heelal voor kunnen komen. Plekken waarvan tot nu toe gedacht werd dat er geen leven mogelijk is.
70
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 70
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
OPDRACHTEN 2
Een weiland In een weiland komen onder andere een muis, een grasplant en een torenvalk voor.
a Welke van die organismen is een producent?
b Wat is de functie van een producent in een ecosysteem?
c Wat zijn de consumenten?
3
Van glucose naar zetmeel De glucose die een plant maakt bij de fotosynthese, wordt onder andere omgezet in zetmeel. Dit is reservevoedsel voor de plant. Zetmeel zit in allerlei soorten plantaardig voedsel dat jij eet. Zetmeel kun je aantonen met jodium. Het jodium, dat een geel-oranje kleur heeft, kleurt blauw/paars/zwart als het in aanraking komt met zetmeel.
a Waar denk je dat zetmeel in zit, in brood of kaas? Waarom denk je dat?
b Onderzoek in welk voedsel zetmeel zit: in de kaas of in het brood. Dit heb je nodig:
• •
druppelflesje jodium petrischaaltje met een stukje brood en een stukje kaas
Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen en bespreek wat je ziet gebeuren. 2 Doe een druppeltje jodium op het brood en de kaas. Let op dat er geen jodium op je kleren of boeken knoeit! Gebruik eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.
c Geef een verklaring waarom je antwoord op vraag b logisch is.
d In welk deel van de plant is zetmeel te vinden?
e In welk deel van de cel wordt dit reservevoedsel opgeslagen?
f
Noem een deel van een andere plant waar wij van eten en die veel zetmeel bevat.
71
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 71
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
4
Organismen in een ecosysteem 1.7
Micro-organismen In de bodem leven grote aantallen kleine organismen, zogenaamde micro-organismen. De meeste zijn reducenten.
a Welke twee groepen organismen horen bij de reducenten?
b Reducenten breken de dode resten van dieren helemaal af. Er komen daarbij stoffen vrij die door planten gebruikt worden. Hierdoor ontstaat de voedselkringloop. Welke stoffen zijn dat?
5
Relatieschema In de schema's A, B, C en D staan relaties tussen producenten, consumenten en reducenten. consumenten producenten
consumenten afvaleters
reducenten
afvaleters
reducenten
producenten
schema A
schema B consumenten
afvaleters
consumenten producenten
reducenten
reducenten
producenten afvaleters
schema C
schema D
Welk schema geeft die relaties juist weer? schema
6
Organismen in de zee In de afbeelding zie je een voedselweb. De organismen in dit voedselweb leven in zee, behalve de mens. Plankton is een verzamelnaam voor allerlei kleine organismen in de zee. mens platvis
rondvis
garnaal
dierlijk plankton
worm
plantaardig plankton
a Hoeveel schakels heeft de langste voedselketen in dit voedselweb? schakels
b Noteer de langste voedselketen in dit voedselweb waarin de worm voorkomt.
72
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 72
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
7
Organismen in een ecosysteem 1.7
Kikkerbilletjes Kikkerbilletjes worden in een aantal landen als een lekkernij gegeten. De kikkers worden massaal gevangen in rijstvelden in Indonesië. Een nadeel hiervan is dat er minder rijst groeit in velden waar kikkers worden gevangen. Op 1 hectare rijstveld leven meer dan 12 000 kikkers, die dagelijks meer dan 3 miljoen insecten eten. Rijstplanten en kikkers zijn onderdeel van dezelfde voedselketen.
a Over welke voedselketen gaat het hier?
b Hoe komt het dat er minder rijst groeit in velden waar veel kikkers worden gevangen? Leg je antwoord uit met behulp van de voedselketen.
8
Fouten in voedselketens Welke fout kun je ontdekken in de volgende voedselketens? Maak het kloppend. met fout
goed
worm platvis mens
gras – koe – mens
paardenbloem konijn vos
gras leeuw antilope
73
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 73
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
9
Organismen in een ecosysteem 1.7
Energie Een boer geeft zijn varkens graan als voer. Het graan en het varken zijn een deel van deze voedselketen: graan varken mens Het varken is in een bepaalde periode 1 kg zwaarder geworden. Het heeft in die periode geen ander voer dan graan gekregen. Hoeveel graan heeft het varken in die periode gegeten: 1 kg, minder dan 1 kg of meer dan 1 kg? Leg je antwoord uit.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de functie van producenten en consumenten in een ecosysteem benoemen.
2, 3
H11, P16
2. de functie van reducenten in een ecosysteem benoemen.
4, 5
H12, P17
3. uitleggen welke plek producenten en consumenten in een voedselketen innemen.
6, 7, 8
H13
4. uitleggen hoe een organisme bij de levensprocessen energie opneemt, gebruikt en verliest.
9
H14, P15
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 1.8 Alles in samenhang.
74
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 74
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Organismen in een ecosysteem 1.7
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Voedselrelaties tussen groepen organismen In het schema zijn een aantal voedselrelaties tussen groepen organismen weergegeven. De groepen zijn genummerd. 1
planten
alleseters
3
2 planteneters
vleeseters
4
a Welke van de genummerde groepen zijn consumenten?
b Welke van de genummerde groepen zijn producenten?
15
Amfibieën in de Millingerwaard Een bioloog doet onderzoek naar amfibieën in de Millingerwaard, een gebied langs de rivier de Waal. Amfibieën eten onder andere insecten, die op hun beurt weer planten eten. Amfibieën zijn een belangrijke schakel in de voedselketens in het ecosysteem van de Millingerwaard. In sommige jaren zijn er tienduizenden. In die jaren is er ook genoeg voedsel voor de vogels die amfibieën eten. In de Millingerwaard bepaalt een bioloog in juni het aantal amfibieën, het aantal insecten en het aantal vogels dat amfibieën eet in een proefgebied. Welke organismen komen het meest voor in het proefgebied: het aantal amfibieën, het aantal insecten of het aantal vogels? Leg uit waarom dat zo is.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Een voedselweb gaat maken.
75
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 75
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Alles in samenhang 1.8
1.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Leven Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het ‘grote plaatje’. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Leven en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H2 - Stevigheid en bewegen: beweging
H6 - Planten en fotosynthese: energie
76
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 76
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Alles in samenhang 1.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 3 en 6.
Biologie bekijkt het leven vanuit verschillende organisatieniveaus. Kijk terug naar paragraaf 4.
Organismen zijn opgebouwd uit één of meer cellen. O2
Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.
Levensprocessen vinden in samenhang plaats. Kijk terug naar paragraaf 6 en 7.
Verschillende soorten leven samen in een ecosysteem.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe hangt al het leven samen? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Teken gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.
77
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 77
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
1.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter in deze paragraaf voor de hints bij elke opgave.
LEVENSKENMERKEN 1
Koningsvissen Uit: Examen GL/TL 2023-1 Koningsvissen zijn grote vissen die diep in zee kunnen leven. Koningsvissen hebben een constante lichaamstemperatuur, in tegenstelling tot de meeste vissoorten.
1p
a In de spieren van koningsvissen ontstaat warmte. Geef de naam van het stofwisselingsproces in de spieren waardoor warmte ontstaat.
1p
b Door een hogere lichaamstemperatuur kunnen koningsvissen sneller bewegen dan vissen van gelijke grootte met een lagere lichaamstemperatuur. Wat is hiervan een voordeel?
78
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 78
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
2
Examenopgaven 1.9
Leven in rottend hout Uit: Examen GL/TL 2022-1
1p
In de afbeelding zie je een harlekijnboktor met daarop een bastaardschorpioen (uitvergroot). Beide soorten voeden zich met rottend hout. Harlekijnboktorren voeden zich ook nog met schimmels.
harlekijn boktor 1 centimeter
bastaardschorpioen 1 millimeter
Een harlekijnboktor legt haar eitjes in een omgevallen boom en vliegt daarna weg. Na enige maanden kruipen de nakomelingen uit het rottende hout. Ze paren en daarna vliegen de vrouwtjes naar een andere omgevallen boom om eitjes te leggen. Voordat een harlekijnboktor naar een andere boom vliegt, kruipen bastaardschorpioenen onder haar vleugels. Bastaardschorpioenen zijn maar vier millimeter groot. Ze gebruiken de harlekijnboktor om mee te liften. Op een harlekijnboktor kruipen één mannelijke bastaardschorpioen en meerdere vrouwelijke. Tijdens de vlucht van de harlekijnboktor paren de bastaardschorpioenen. Twee levenskenmerken van de harlekijnboktor zijn 'voeden' en 'zich voortplanten'. Noem een ander levenskenmerk van de harlekijnboktor uit de informatie.
79
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 79
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
ORGANISATIENIVEAUS 3
De axolotl Uit: Examen GL/TL 2019-1
De axolotl
De axolotl is een amfibie die zijn hele leven eigenschappen van een larve (jonge amfibie) houdt. Hij heeft uitwendige kieuwen en een staartvin, waardoor hij goed aangepast is aan het leven in water. De axolotl eet kleine diertjes, zoals watervlooien. Hij kan prooidieren alleen goed waarnemen als ze bewegen. Het dier heeft geen natuurlijke vijanden, behalve zijn soortgenoten.
1p
a Als een axolotl een poot verliest, groeit er op die plek vrijwel direct een klompje cellen. Alle cellen in dit klompje hebben dezelfde bouw. Vanuit dit klompje cellen groeit vervolgens een nieuwe poot, compleet met huid, spieren en bloedvaten. Bestaat het klompje cellen uit één type weefsel? En bestaat de nieuwe poot uit één type weefsel?
● geen van beide ● alleen het klompje cellen ● alleen de nieuwe poot ● het klompje cellen en de nieuwe poot 1p
b De informatie hierboven gaat over enkele levenskenmerken van de axolotl. Twee levenskenmerken zijn ademhalen en reageren op prikkels. Gaat de informatie over deze levenskenmerken?
● over geen van beide levenskenmerken ● alleen over ademhalen ● alleen over reageren op prikkels ● over ademhalen en over reageren op prikkels
80
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 80
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
CELLEN EN WEEFSELS 4
Verwelkingsziekte Uit: Examen GL/TL 2022-3 Bij tomatenplanten komt een ziekte voor die door een schimmel wordt veroorzaakt. De schimmel dringt via de wortels de tomatenplant binnen en verstopt vaten. De bladeren krijgen daardoor een gebrek aan water en worden slap. Kwekers noemen deze ziekte de verwelkingsziekte.
2p
Een cel uit een wortelhaar van een tomatenplant en een cel van de schimmel worden met elkaar vergeleken. Kies voor elke cel alle delen die deze cel heeft. bladgroenkorrels
celkern
celwand
cel uit een wortelhaar
■
■
■
cel van de schimmel
■
■
■
ORGANEN EN ORGAANSTELSELS 5
Medicijnresten in het oppervlaktewater Uit: Examen GL/TL 2023-2 Medicijnen helpen je om een ziekte te bestrijden. Medicijnen worden na inname verbruikt en afgebroken, maar een deel van elk medicijn komt via urine of ontlasting in het riool terecht. Rioolwater wordt gezuiverd maar medicijnresten kunnen niet goed worden verwijderd. Deze medicijnresten komen daarom met het gezuiverde water in het oppervlaktewater terecht. Medicijnresten hebben effect op de organismen die in het water leven. Je ziet een tabel waar het effect van verschillende soorten medicijnresten op vissen is beschreven. medicijn wordt gebruikt voor
effect op vissen bij te hoge concentratie medicijn in het oppervlaktewater
depressie
verminderde activiteit en eetlust
pijn
weefselschade aan kieuwen
hoge bloeddruk
verandering in voortplantingsgedrag
kalmering
verminderde activiteit
81
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 81
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
Vanaf een bepaalde concentratie zijn medicijnresten in het oppervlaktewater een risico voor vissen. Onderzoekers hebben voor verschillende medicijnresten die risicogrens vastgesteld. Bij een waarde hoger dan 1 is de gemeten concentratie medicijnen hoger dan de risicogrens. Je kunt informatie hierover terugzien in de grafiek hieronder. Je kunt informatie hierover terugzien in de grafiek hieronder.
Risico van medicijnresten in oppervlaktewater, 2009-2018 naam medicijn
werking
diclofenac
pijnstiller
azitromycine
antibiotica
oxazepam
kalmerend
dipyridamol
trombose
metoprolol
bloeddruk
paracetamol
pijnstiller 0
0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 4,0
index (risicogrens = 1) risicogrens 1p
a Resten van pijnstillers in het water veroorzaken ‘weefselschade aan kieuwen bij vissen’. Leg uit wat een weefsel is.
1p
b Bij welk orgaanstelsel horen de kieuwen?
1p
c Medicijnresten hebben ook invloed op eencellige organismen zoals bacteriën en groene algen. Een onderzoeker bekijkt eencellige algen en bacteriën onder de microscoop. De algen hebben behalve de groene kleur nog een onderscheidend kenmerk. Welk kenmerk heeft een eencellige alg wel, maar een bacterie niet?
● celkern ● celmembraan ● celwand ● cytoplasma
82
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 82
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
ORGANISMEN EN SOORTEN 6
Citrusvruchten Uit: Examen GL/TL 2019-2 Citrusvruchten zijn vruchten van planten van het geslacht Citrus. Sinds duizenden jaren kruisen kwekers de verschillende citrusplanten onderling, waardoor steeds nieuwe varianten ontstaan. Oorspronkelijk kwamen alleen pompelmoesplanten, mandarijnplanten en sukadecitroenplanten voor. Uit deze drie soorten lieten kwekers andere citrusplanten ontstaan die andere citrusvruchten maken, zoals sinaasappels, citroenen en grapefruits.
1p
Met behulp van DNA-onderzoek kan de onderlinge verwantschap van de citrusplanten worden onderzocht. Geef de naam van het deel van de cel waarin zich DNA van de sinaasappelplant bevindt.
ORGANISMEN IN EEN ECOSYSTEEM 7
Een voedselweb Uit: Examen GT 2023-1 Faizal maakt dit voedselweb met tien groepen organismen. roofvogels
jonge patrijzen kleine spinnen
kevers
grote spinnen
koolrupsen
bladluizen
vliegen
boerenkoolplanten 1p
aardappelplanten
De biologiedocent bespreekt met Faizal hoe zijn voedselweb eruit zou zien als er geen boerenkoolplanten waren. Uit hoeveel groepen organismen bestaat het voedselweb van Faizal als hij de boerenkoolplanten weglaat?
● uit 6 groepen organismen ● uit 7 groepen organismen ● uit 8 groepen organismen ● uit 9 groepen organismen
83
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 83
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
ALLES IN SAMENHANG 8
Teken Uit: Examen GL/TL 2021-1 Teken behoren tot de spinachtigen. Ze zijn ongeveer 2 mm groot en zuigen bloed van zoogdieren. In de afbeelding zie je een schematische weergave van het lichaam van een teek. orgaan van Haller zuigsnuit
zuigsnuit
orgaan van Haller schildje
stigma anus buikzijde
1p
rugzijde
a Teken hebben een speciaal zintuig voor het opsporen van koolstofdioxide: het orgaan van Haller. Aan de hoeveelheid koolstofdioxide in de lucht herkent een teek of er een zoogdier in zijn buurt is. Leg uit waardoor de lucht in de buurt van zoogdieren meer koolstofdioxide bevat.
Alléén schapenteken kunnen Borrelia-bacteriën overbrengen. Deze bacteriën veroorzaken bij mensen de ziekte van Lyme. De bacteriën kunnen zich in het lichaam schuilhouden, bijvoorbeeld in de oogzenuw en in de grote hersenen. Daardoor kunnen ook nog jaren na een tekenbeet klachten ontstaan. Hieronder staat een deel van een determineertabel voor teken.
1 a heeft een schild.............................................. ga naar 2 1 b heeft geen schild...........................................duiventeek 2 a schild heeft één kleur......................................ga naar 3 2 b schild heeft meerdere kleuren.....................dermacentor 3 a poten zijn gestreept........................................hyalomma 3 b poten zijn niet gestreept...................................ga naar 4 4 a poten zijn zwart...........................................schapenteek 4 b poten zijn anders gekleurd............................hondenteek
1p
b Noem een orgaanstelsel waarin Borrelia-bacteriën zich volgens de informatie kunnen verschuilen.
84
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 84
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
1p
Examenopgaven 1.9
c Elisabeth gaat met haar hond door het bos wandelen. Thuis ontdekt ze een teek op haar onderbeen. Ze bekijkt de teek met een loep. Ze ziet een volledig bruin schild en bruine poten. Kan de teek van Elisabeth besmet zijn met Borrelia-bacteriën? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie.
In de afbeelding hieronder zie je de levenscyclus van een teek. Het vrouwtje legt bevruchte eieren. Daarna sterft het vrouwtje. Uit de eieren komen larven met zes poten. De cellen van deze larven bevatten 28 chromosomen. Uit de larven ontwikkelen zich de nimfen. De nimfen groeien uit tot mannetjes of vrouwtjes die geslachtscellen produceren. Na de bevruchting begint de cyclus opnieuw.
eieren vrouwtje
mannetje 1p
larve
nimf
d In de informatie over de levenscyclus worden enkele levenskenmerken van teken beschreven. Noem één zo’n levenskenmerk.
85
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 85
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 1 Leven
Examenopgaven 1.9
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Levenskenmerken
•
Koningsvissen a: Welke stofwisselingsprocessen ken je?
•
Koningsvissen b: Denk aan voedsel.
•
Leven in rottend hout: De harlekijnboktor vliegt daarna weg.
Organisatieniveaus
•
De axolotl a: Een weefsel is een groep cellen met dezelfde vorm en functie.
•
De axolotl b: De axolotl heeft uitwendige kieuwen.
Cellen en weefsels
•
Verwelkingsziekte: Wortels van een plant en schimmels doen niet aan fotosynthese.
Organen en orgaanstelsels
•
Medicijnresten in het oppervlaktewater a: Een organisatieniveau tussen cellen en organen.
•
Medicijnresten in het oppervlaktewater b: Kieuwen halen zuurstof uit het water.
•
Medicijnresten in het oppervlaktewater c: De cellen van algen lijken op die van planten.
Organismen en soorten
•
Citrusvruchten: In het DNA bevinden zich de erfelijke eigenschappen.
Organismen in een ecosysteem
•
Een voedselweb: Alleen de voedselketens die beginnen met een aardappelplant blijven over.
Alles in samenhang
•
Teken a: In een levend dier vindt verbranding plaats.
•
Teken b: Bij welk orgaanstelsel horen de oogzenuw en de grote hersenen?
•
Teken c: Bij een determinatietabel kies je steeds tussen a en b.
•
Teken d: Het vrouwtje legt bevruchte eieren.
86
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 86
24/03/2025 14:39
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 87
24/03/2025 14:39
2 Stevigheid en bewegen SE
INHOUD Basis 2.1 Hoe blijven organismen in vorm? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90 2.2 Botten SE
........................................................
94
2.3 Beenverbindingen SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 2.4 Spieren SE
.....................................................
116
2.5 Been en kraakbeen SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125 2.6 Blessures SE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134 2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving
......................
144
..........................................
154
Afsluiting 2.8 Alles in samenhang
2.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
VAARDIGHEDEN - biologische tekening maken - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - tabellen en diagrammen maken - werken met de microscoop
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 88
24/03/2025 14:39
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 89
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Hoe blijven organismen in vorm? 2.1
2.1 Hoe blijven organismen in vorm? In dit hoofdstuk leer je hoe organismen in vorm blijven en bewegen. In het grote plaatje zie je welke hoofdstukvraag en hoofdpunten daarbij centraal staan en welke verbanden er zijn met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H2 H1 - Leven cellen
Hoe blijven organismen in vorm?
Een skelet geeft een lichaam vorm
Botten en spieren zorgen voor beweging
Vorm en leefomgeving passen bij elkaar
Botten en kraakbeen bevatten cellen
H9 - Ademhalen en verbranden energie
1
Het grote plaatje
90
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 90
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Hoe blijven organismen in vorm? 2.1
THEORIE 100 meter sprint
De 100 meter sprint is één van de afstanden voor atletiekwedstrijden. De een legt de 100 meter net wat sneller af dan de ander. Voor veel mensen is is rennen geen probleem. Toch is het bijzonder dat je spieren je botten op zo’n manier laten bewegen dat jij de 100 meter in een rechte lijn aflegt. Alle botten samen vormen je skelet. Je skelet zorgt ervoor dat je niet als een plumpudding in elkaar zakt. Botten zijn sterk en hard. De botten zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden. Kraakbeen, zoals in je oorschelp of neus, is erg flexibel bot. De bouw en functie
2
Femke Bol na een wedstrijd op de 400 m.
hebben altijd met elkaar te maken. Dankzij het kniegewricht kan Femke Bol rennen én over hordes heen springen.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Orgaanstelsels, zoals je skelet of je spierstelsel, bestaan uit organen: je botten en spieren. Elk bot en elke spier is weer opgebouwd uit weefsels. En die weefsels zijn opgebouwd uit verschillende cellen: beencellen, kraakbeencellen en spiercellen (hoofdstuk 1).
•
Om te bewegen is energie nodig en daarvoor vindt er verbranding in cellen plaats. Voor de verbranding is glucose en zuurstof nodig. Daarbij komt energie vrij, onder andere in de vorm van beweging. Hoe meer je beweegt, hoe meer verbranding er plaatsvindt (hoofdstuk 9).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Een skelet geeft een lichaam vorm. De vorm van je lichaam heb je voor een groot deel te danken aan je skelet. Dankzij de wervelkolom blijft je bovenlichaam rechtop staan. De vorm van je schedel bepaalt de vorm van je hoofd. Kraakbeen zorgt voor de vorm van je neus en oren.
•
Botten en spieren zorgen voor beweging. Spieren brengen botten in beweging. Hiervoor spannen de spieren aan, waardoor de botten naar elkaar toe bewegen. Of de spieren ontspannen, waardoor de botten weer terug bewegen. Maar niet alle botten kunnen in beweging worden gebracht. Zo zit er geen beweging tussen de botten van het heiligbeen of de botten van de schedel.
•
Botten en kraakbeen bevatten cellen. Botten en kraakbeen zijn opgebouwd uit weefsel. En weefsel bestaat weer uit beencellen en kraakbeencellen. De verschillende cellen zorgen ervoor dat kraakbeen buigzamer is dan bot en bot harder is dan kraakbeen.
•
Vorm en leefomgeving passen bij elkaar. Organismen passen bij hun leefomgeving. Organismen hebben allerlei aanpassingen om daar te leven. Een vis heeft een staart om snel te kunnen zwemmen en een giraffe heeft een lange nek om naar de bladeren van bomen te bewegen. 91
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 91
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Hoe blijven organismen in vorm? 2.1
OPDRACHTEN 1
Verschillende vormen Een skelet geeft een lichaam vorm. Aan deze vorm kun je mensen en dieren herkennen.
a Welke organismen herken jij in hun schaduw? A=
B
B= C= D= C
E= A
b Raad het silhouet. Dit heb je nodig:
• •
tekengerei en papier, of
E
klei met placemat D
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal.
2 Zoek allebei een voorbeeld van een dier. Gebruik hierbij een boek of zoek het online op. Laat het nog niet aan elkaar zien! 3 Teken het silhouet na of maak het na van klei. 4 Raad van elkaar welk silhouet jullie hebben getekend of gemaakt.
2
Nadenken Over sommige bewegingen denk je na. Deze bewegingen maak je bewust. Andere bewegingen maak je zonder dat je erbij nadenkt. Deze bewegingen maak je onbewust. Maak je de volgende bewegingen bewust of onbewust? bewust
onbewust
knipperen met je ogen
●
●
kloppen van je hart
●
●
een boterham uit je broodtrommel pakken
●
●
kippenvel krijgen als het koud is
●
●
been uitstrekken om een voetbal weg te schieten
●
●
92
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 92
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
3
Hoe blijven organismen in vorm? 2.1
Kraakbeen Je botten zijn hard en nauwelijks buigzaam. Kraakbeen is erg flexibel. Op verschillende plaatsen in je lichaam komt kraakbeen voor. Op welke plaatsen in je lichaam komt kraakbeen voor? Waarom is juist daar veel kraakbeen? Zet deze plaatsen van het lichaam in de linkerkolom. Vul in de rechterkolom in waarom hier veel kraakbeen is. De eerste is voorgedaan. Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot en vul eventueel de lijst aan. Vul dit in in de rechterkolom.
4
plaats in het lichaam
Waarom is juist hier veel kraakbeen?
puntje van je neus
Het puntje van je neus is erg flexibel.
De mol In de afbeelding zie je een mol. Mollen leven onder de grond en hebben aanpassingen om daar te kunnen leven. Welke aanpassingen heeft een mol om onder de grond te kunnen leven? Noem minimaal twee eigenschappen.
5
Hoe blijven organismen in vorm? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Hoe blijven organismen in vorm? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
93
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 93
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
2.2 Botten
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• •
de functies van het skelet benoemen. uitleggen hoe botgroepen het lichaam beschermen of zorgen voor beweging.
• •
botten van het skelet benoemen. uitleggen hoe de wervelkolom is opgebouwd.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Braakballen Stevigheid en vorm
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Een fossiel als bouwpakket Een paleontoloog heeft een aantal fossiele botten van een dinosauriër gevonden. Voorzichtig haalt de paleontoloog de botten uit het gesteente en stuurt ze naar een museum. Daar onderzoekt de paleontoloog hoe de botten het skelet vormden. Hiervoor wordt een reconstructie van de dinosauriër gemaakt.
a Maak je eigen reconstructie van een dinosauriër. Dit heb je nodig:
• • • • •
de twee knipbladen met botten achter in het boek schaar tekenpapier A3 plakstift tekenmateriaal
Dit ga je doen: 1 Knip de botten uit. 2 Vorm met de botten het skelet. 3 Plak de onderdelen op het tekenvel. 4 Teken de omtrek van de dinosauriër. Gebruik één kleur. 5 Hang het tekenvel op in het lokaal. 94
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 94
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
b Welke functies heeft een skelet? Noem minstens twee functies.
c Bekijk de verschillen tussen dinosauriërs van je klasgenoten. Wat leer je hieruit?
d Hoe komt een dino nog meer aan zijn vorm behalve door het skelet? Noem twee soorten weefsel.
THEORIE Functies van het skelet
Organismen kunnen bewegen. Dat is een levenskenmerk. Bewegen doen ze op verschillende manieren. Het skelet is voor gewervelde dieren belangrijk voor het bewegen. Botten noem je ook wel beenderen. Andere woorden voor skelet zijn beenderenstelsel of geraamte (figuur 1). Het skelet zorgt samen met je spieren ervoor dat je kunt bewegen. Het skelet heeft meer functies.
• •
Het skelet beschermt kwetsbare organen. Het skelet geeft stevigheid en vorm aan je lichaam.
•
Een aantal botten in het skelet maakt rode bloedcellen aan.
Botgroepen
Op verschillende plaatsen in je lichaam werken meerdere botten samen, bijvoorbeeld om je lichaam te beschermen of delen te laten bewegen. Deze botgroepen zijn:
• • • • • •
de schedel
1
de wervelkolom
Het skelet van een mens
de borstkas de schoudergordel de bekkengordel de ledematen
95
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 95
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
Je schedel beschermt je hersenen en je ogen. Je schedel bestaat uit een paar botten die stevig aan elkaar vast zitten (figuur 2). Alleen je onderkaak zit los van de bovenkaak. Hierdoor kun je bijten en kauwen. In de wervelkolom liggen zenuwen. Je wervelkolom beschermt deze zenuwen. Je wervelkolom bestaat uit verschillende wervels en heeft vier bochten boven elkaar. Samen vormen ze twee S-vormen. Dankzij deze dubbele S-vorm kan de rug een beetje ‘veren’ en zo schokken opvangen, bijvoorbeeld als je springt en weer neerkomt (figuur 3).
onderkaak 2
Een schedel
halswervels
S borstwervels
lendenwervels
S
heiligbeen
staartbeen 3
De wervelkolom, gezien vanaf de rug (links) en vanaf de zijkant (rechts) 96
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 96
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
Je borstkas beschermt je longen en je hart. Je borstkas bestaat uit je ribben, borstwervels en borstbeen (figuur 4). Spieren zorgen ervoor dat je borstkas kan uitzetten, waardoor je kunt ademhalen. Je schoudergordel zorgt dat je armen aan je romp vast blijven zitten. De schoudergordel bestaat uit je sleutelbeenderen en schouderbladen (figuur 4).
sleutelbeen schoudergordel schouderblad borstbeen borstkas
ribben borstwervels
4
De borstkas en de schoudergordel
Je bekkengordel of bekken verbindt de romp met je
heupbeen
benen en biedt je lichaam ondersteuning wanneer je zit, staat, loopt en springt. Je bekkengordel bestaat uit
heiligbeen
je heupbeenderen, heiligbeen en staartbeen (figuur 5).
staartbeen
Je armen en benen zijn ledematen en bestaan uit verschillende botten (figuur 6). De botten van een arm en een been hebben veel overeenkomsten. 5
Het bekken
opperarmbeen dijbeen
knieschijf
ellepijp spaakbeen
handwortelbeentjes middenhandsbeentjes
kuitbeen scheenbeen
vingerkootjes voetwortelbeentjes middenvoetsbeentjes teenkootjes
6
De ledematen: been (links) en arm (rechts) 97
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 97
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
De botten van je skelet Je skelet bestaat uit
schedel
verschillende botten (figuur 7). Veel botten in je
onderkaak
lichaam zijn rond van vorm, bijvoorbeeld je dijbeen en je opperarmbeen. In figuur 8
sleutelbeen
zie je een dwarsdoornede en
schouderblad
een lengtedoorsnede van het
borstbeen
opperarmbeen. Deze ronde
opperarmbeen
botten heten pijpbeenderen. De ronde vorm geeft de
rib
botten extra stevigheid, waardoor ze meer gewicht
wervels spaakbeen ellepijp
kunnen dragen en minder snel breken. In je lichaam zitten ook platte botten,
heiligbeen heupbeen staartbeen
bijvoorbeeld je schouderblad en je heupbeen. Deze platte beenderen maken rode bloedcellen aan.
dijbeen
knieschijf
kuitbeen scheenbeen
7
De botten van het skelet
98
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 98
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
bloedvaten
bloedvaten
8
Het opperarmbeen dwarsdoorsnede (links), lengtedoorsnede (rechts)
De wervelkolom
Je wervelkolom bestaat uit 24 wervels (figuur 3) waardoor je je rug kunt bewegen. De wervelkolom is flexibel doordat de wervels met elkaar
wervel tussenwervelschijf
verbonden zijn door stukjes kraakbeen. Deze
zenuw
noem je de tussenwervelschijven (figuur 9). De tussenwervelschijven helpen je soepel te bewegen en vangen schokken op. Als je bijvoorbeeld springt, dempt het kraakbeen de schok en beschermt zo je wervelkolom. En dat is nodig omdat door de holtes van de wervels zenuwen lopen. De botten van de wervelkolom beschermen deze zenuwen. Bij iedere wervel komt er een zenuw uit het ruggenmerg. Aan de bovenzijde van de rug lopen er zenuwen naar de
9
Wervels, zijaanzicht
armen en aan de onderzijde naar de benen.
99
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 99
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
WIST JE DAT? Grote en kleine botten Je skelet bestaat uit 206 verschillende botten. Het grootste bot in het lichaam van een mens is het dijbeen. Dit kan bij sommige mensen wel 50 centimeter lang zijn! Het kleinste botje zit in je oor: de stijgbeugel. Dit botje is ongeveer 2,8 mm groot. Het grootste bot bij dieren is de onderkaak van de blauwe vinvis. Die kan tot wel 6 meter lang zijn. Het kleinste botje zit in het binnenoor van sommige kikkers. Deze stijgbeugel kan minder dan
Een boog van onderkaken van de blauwe vinvis op Schiermonnikoog
1 mm groot zijn.
OPDRACHTEN 2
Functies van het skelet Zet de juiste functie van het skelet achter de omschrijving. Kies uit: bescherming | beweging | rode bloedcellen aanmaken | stevigheid en vorm 1 Je verliest bloed door een wondje. 2 Je longen liggen veilig in je borstkas. 3 Je zakt niet als een pudding in elkaar als je op je stoel gaat zitten. 4 Je fietst naar school.
3
Fontanel Bij baby’s bestaat de schedel nog uit verschillende losse botten. De grotere open ruimte tussen deze botten heet fontanel. Als de baby ouder wordt, vergroeien de botten van de schedel steeds meer met elkaar. Dat zie je in de tekening. Tijdens de geboorte beweegt de baby langs het bekken van de moeder. fontanel
De losse botten van de schedel zorgen ervoor dat een baby gemakkelijker geboren kan worden dan als de botten al zijn vergroeid. Leg dit uit.
100
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 100
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
4
Botten 2.2
Bescherming In het schema zie je organen en botgroepen staan. Geef in het schema aan welke organen worden beschermd door welke botgroep. hart
5
hersenen
longen
zenuwen
borstkas
■
■
■
■
schedel
■
■
■
■
wervelkolom
■
■
■
■
Bescherming bij dieren Het skelet van een gewerveld dier is aangepast aan zijn levenswijze en leefomgeving. Vergelijk het skelet van een schildpad met het skelet van een kikker. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 De één zoekt informatie op over het skelet van een schildpad en de ander over het skelet van een kikker. 3 Vergelijk jullie informatie met elkaar. 4 Beantwoord samen de volgende vragen.
a Wat is er bijzonder aan de bouw van het skelet?
b Zorgt het skelet voor bescherming van het organisme tegen roofdieren? Leg je antwoord uit.
c Op welke andere manier beschermen deze organismen zich tegen roofdieren?
101
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 101
24/03/2025 14:39
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
6
Botten 2.2
Het skelet a Dit is een menselijk skelet. Hoe heten de verschillende botten? 1
1
2 3
2 3
4
4 5 6
5 6
7 8
7
9
8 9
10
14 15
11 12 13
10 11 12 13 14 15
16
16
17
17 18
18
19
19
20
20
b Kleur in de tekening de verschillende botgroepen. Het bekken – geel De borstkas – groen De schoudergordel – oranje
102
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 102
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
7
Botten 2.2
Het skelet van een kat In de tekening zie je het skelet van een kat. Hoe heten de botten A t/m E? Kies uit: heupbeen | kuitbeen |
A
opperarmbeen | scheenbeen | schouderblad
E
D B
8
C
Wervelkolom Je wervelkolom bestaat uit verschillende onderdelen.
a Hoe heten de schijfjes kraakbeen tussen de wervels?
b Welke onderdelen worden door je wervelkolom beschermd?
c De wervelkolom bestaat uit meerdere kleine wervels in plaats van één lange grote wervel. Welk voordeel heeft dat?
103
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 103
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
9
Botten 2.2
Hernia Een hernia is een aandoening waarbij een tussenwervelschijf uitpuilt en op een zenuw drukt. Het kan door tillen, draaien of slijtage ontstaan en komt vaak voor in de onderrug. Een hernia kan pijn, gevoelloosheid of zwakte veroorzaken in het gebied waar de zenuw signalen naartoe vervoert.
beknelde zenuw
pijngebied kraakbeenschijf
Hoe komt het dat je bij een hernia last kun hebben van je benen?
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de functies van het skelet benoemen.
2, 3
H12, P15
2. uitleggen hoe botgroepen het lichaam beschermen of zorgen voor beweging.
4, 5
H13, P16
3. botten van het skelet benoemen.
6, 7
H11, P17
4. uitleggen hoe de wervelkolom is opgebouwd.
8, 9
H14
104
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 104
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Botten 2.2
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Botgroepen en botten De botten van het skelet kun je indelen in verschillende botgroepen. Welke botten horen bij welke botgroep? Zet een kruisje in de juiste kolom. bekkengordel
borstkas
ledematen
schedel
schoudergordel
wervelkolom
heupbeenderen, heiligbeen en scheenbeen
●
●
●
●
●
●
middenhandsbeentjes en dijbeen
●
●
●
●
●
●
ribben en borstbeen
●
●
●
●
●
●
botten van de schedel
●
●
●
●
●
●
schouderbladen en sleutelbeenderen
●
●
●
●
●
●
wervels
●
●
●
●
●
●
15
Wervelkolom van een hond In de tekening zie je de wervelkolom van een hond. De vorm is anders dan de wervelkolom van een mens. Hierdoor geeft de wervelkolom van een hond minder demping dan die van een mens.
a Welk verschil in vorm zie je tussen de wervelkolom van een hond en de wervelkolom van een mens?
b Waarom heeft een hond minder demping van de wervelkolom nodig dan een mens?
105
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 105
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
2.3 Beenverbindingen
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe botten met elkaar verbonden zijn. uitleggen hoe botten ten opzichte van elkaar bewegen. voorbeelden van verschillende gewrichten noemen. de delen van een gewricht benoemen.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Gewrichten Kippenvleugel
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Leven zonder knie Je dijbeen is het grootste bot van je lichaam. Stel dat je dijbeen nog langer zou zijn, tot aan je voet. Hoe zou dat zijn?
a Je gaat bewegen zonder je knie te gebruiken. Dit heb je nodig:
• • •
4 plankjes of balkjes van 50-75 centimeter lengte touw, tape of reepjes doek een stoel
Dit ga je doen: 1 Leg aan beide kanten van je been een balkje of plankje, met je knie ter hoogte van het midden van deze plankjes. 2 Bind de balkjes of plankjes om je been vast. Doe dit boven en onder je knie. 3 Doe hetzelfde bij je andere been. Als het goed is kun je beide knieën nu niet meer buigen. 4 Bedenk wat er gebeurt als je nu gaat lopen, zitten en opstaan. Vul dat in het schema in bij ‘voorspelling’. 5 Loop een stukje, ga even zitten op een stoel en sta dan weer op.
106
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 106
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
b Wat gebeurt er als je loopt, zit en opstaat? Vul in het schema jouw waarnemingen in. voorspelling
waarneming
lopen
zitten
opstaan
c Het dijbeen is een deel van je been. Uit welke botten bestaat je been nog meer? Noem minstens drie botten.
d Wat is het nut van je knieën?
THEORIE Verbindingen tussen botten
Het skelet van een mens is een verzameling van kleine en grote botten. Bijna ieder bot is met een ander bot verbonden. Er zijn verschillende beenverbindingen mogelijk (figuur 1). Sommige botten kunnen ten opzichte van elkaar bewegen, sommige een klein beetje en sommige helemaal niet (figuur 2). vingerkootje
schedelbeenderen gewrichten
heiligbeen
borstbeen rib
staartbeen
kraakbeen
gewrichten (vingerkootjes) 1
kraakbeenverbindingen (ribben en borstbeen)
vergroeiing (wervels in het heiligbeen)
naadverbinding (schedelbeenderen)
Verschillende beenverbindingen
107
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 107
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
beenverbinding
voorbeelden
kenmerk
beweging mogelijk?
gewricht
• pols • knie • enkel
botten bewegen ten opzichte van elkaar
ja, veel
kraakbeenverbinding
• de verbinding tussen
botten verbonden door kraakbeen
ja, een beetje
•
ribben en borstbeen tussenwervelschijf
naadverbinding
• schedelbeenderen van de
botten door naden met elkaar verbonden
nee
vergroeiing
• wervels van het heiligbeen • botten van het staartbeen
botten vormen samen een geheel
nee
2
schedel
Kenmerken van beenverbindingen
Weinig tot geen beweging Botten die met elkaar zijn vergroeid
bewegen niet ten opzichte van elkaar. Net als botten die zijn verbonden door een naadverbinding. Door de gekartelde randen is deze verbinding extra stevig (figuur 3). Dankzij deze verbindingen kunnen je schedelbeenderen niet bewegen en zijn je hersenen goed beschermd. Bij de geboorte van een baby liggen de schedelbeenderen op een aantal plaatsen nog ver van elkaar af. Daar zorgt
3
stevig weefsel onder de huid voor de
Naadverbinding
bescherming van de hersenen. Door deze fontanellen (figuur 4) kan de schedel tijdens de geboorte een beetje worden samengedrukt, zonder dat de hersenen beschadigd worden. Na 12 tot 18 maanden zijn de fontanellen dicht en na ongeveer vier jaar zijn de schedelbeenderen aan elkaar vast gegroeid. grote fontanel
kleine fontanel
grote fontanel
kleine fontanel
zijfontanellen zijaanzicht 4
bovenaanzicht
De fontanellen in een babyschedel
108
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 108
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
Botten die met elkaar zijn verbonden door kraakbeenverbindingen bewegen een beetje ten opzichte van elkaar. De meeste ribben zitten met een kraakbeenverbinding vast aan het borstbeen (figuur 5). Hierdoor kan de borstkas als geheel bewegen. Als je ademt, bewegen je ribben op en neer. Tussen de wervels van je wervelkolom zitten tussenwervelschijven (figuur 6). Een tussenwervelschijf is een kraakbeenverbinding en maakt de wervelkolom buigzaam. Een tussenwervelschijf bestaat uit stevig kraakbeen aan de buitenkant en een soort gelei aan de binnenkant. De borstwervels zijn onderdeel van je borstkas en zijn met kleine gewrichten verbonden met je ribben.
borstbeen wervel
rib
gewricht
tussenwervelschijf
kraakbeen
5
Kraakbeenverbindingen bij de ribben en het borstbeen
6
Tussenwervelschijven en gewrichten van de wervelkolom
Veel beweging
Gewrichten maken verschillende bewegingen mogelijk. De beweging in je schouder is anders dan de beweging in je elleboog. Er zijn verschillende soorten gewrichten (figuur 7).
•
Het kogelgewricht kan in alle richtingen bewegen. Voorbeelden van een kogelgewricht zijn het schoudergewricht en het heupgewricht.
•
Met het scharniergewricht kun je in twee richtingen bewegen: strekken en buigen. De knie en de elleboog zijn scharniergewrichten.
•
Het rolgewricht maakt een rolbeweging van een bot mogelijk. Vlak bij je ellebooggewricht zit zo’n rolgewricht. Door dat gewricht rolt je spaakbeen over je ellepijp als je je hand omdraait.
scharniergewricht (twee richtingen)
kogelgewricht (alle richtingen)
rolgewricht (twee richtingen)
sleutelbeen schouderblad
opperarmbeen
opperarmbeen
opperarmbeen ellepijp spaakbeen
spaakbeen 7
ellepijp
Drie soorten gewrichten
109
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 109
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
De onderdelen van een gewricht
Gewrichten zorgen ervoor dat botten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Gewrichten hebben meestal twee botstukken die in elkaar passen. De gewrichtskom heeft een holte en de gewrichtskop heeft een ronding (figuur 8). Op de gewrichtskom en op de gewrichtskop zit een laagje kraakbeen. Gewrichtssmeer zorgt ervoor dat het kraakbeen glad blijft, waardoor het gewricht soepel werkt. Kraakbeen en gewrichtssmeer beschermen het gewricht tegen slijtage. Een gewrichtskapsel houdt de twee botstukken van het gewricht bij elkaar. Vaak is een gewricht extra verstevigd met gewrichtsbanden, zoals bij het heupgewricht en het kniegewricht. Ook aangespannen spieren houden een gewricht bij elkaar.
gewrichtskapsel
gewrichtskop kraakbeen gewrichtssmeer gewrichtskom
8
Onderdelen van een schoudergewricht
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Gewrichten: hoe zitten de botten aan elkaar vast.
WIST JE DAT? Extreem beweeglijk Jij kunt je hoofd ongeveer 80° draaien, terwijl een uil dat tot wel 270° graden kan. Een uil kan zijn hoofd bijna helemaal rond draaien doordat hij geen 7 halswervels heeft, zoals jij, maar 14. Een dier dat nog beweeglijker is, is de koningspython. Deze slang kan tot wel 400 wervels hebben die door gewrichten met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kan deze wurgslang extreme bewegingen maken.
De koningspython
110
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 110
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
OPDRACHTEN 2
Verschillende verbindingen Met welke verbinding zijn de botten verbonden? 1 Verbinding tussen je dijbeen en je heupbeenderen 2 De botten van je staartbeen zijn met elkaar verbonden. 3 Verbinding tussen je ribben en je borstbeen 4 De botten van je schedel zijn met elkaar verbonden.
3
Vliegende koolmees Koolmeesjes zijn kleine, behendige vogels. Ze vliegen op een dag steeds naar andere plekken op zoek naar voedsel. Om te vliegen gebruiken koolmezen hun vleugels. Met welke botverbinding zijn de vleugels van een koolmees verbonden met het lichaam? Leg je antwoord uit.
4
Wel of geen beweging? Tussen botten kunnen verschillende beenverbindingen zijn met meer, minder of geen beweging. Is beweging mogelijk en zo ja, in welke mate? Zet een kruisje in de juiste kolom. geen beweging
een beetje beweging
veel beweging
heiligbeen
●
●
●
wervelkolom
●
●
●
elleboog
●
●
●
schedel
●
●
●
111
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 111
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
5
Beenverbindingen 2.3
Het bekken
vooraanzicht
In de tekening zie je een mannelijk en een vrouwelijk bekken.
bekken van een vrouw
bovenaanzicht
bekken van een man
a Welk verschil zie je tussen het bekken van een man en dat van een vrouw?
b Waarom zal dit verschil er zijn?
c Aan de voorkant van het bekken zie je dat botten met elkaar verbonden zijn door kraakbeen (lichtblauw in de tekening). Wat is de functie van deze verbinding?
6
Verschillende gewrichten Op de afbeelding zie je een leerling. Welke soorten gewrichten zitten er op en plaats 1, 2 en 3? 1
1 2 3
2
3
112
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 112
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
7
Beenverbindingen 2.3
Rollen maar Je gaat ervaren hoe een rolgewricht werkt. Wat voel je gebeuren als je arm wordt gedraaid? Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Steek een arm recht vooruit, met de handpalm omhoog. 3 Je klasgenoot pakt de arm losjes met twee handen vast en draait de hand met de handpalm naar beneden. 4 Draai dan de rollen om.
8
Heupgewricht In de tekening zie je verschillende onderdelen van een gewricht.
a Benoem de aangegeven onderdelen.
2
3
1
Kies uit: dijbeen | gewrichtsband | gewrichtskapsel |
5
gewrichtskogel | gewrichtskom | heupbeen | kraakbeenlaagjes 1
7 4
2 3 4 5 6
6 7
b Vaak is een gewricht extra verstevigd. Dit onderdeel ontbreekt op de tekening. Welk deel is dit?
113
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 113
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
9
Beenverbindingen 2.3
Röntgenfoto Je ziet een röntgenfoto van de schouder. Röntgenstraling gaat niet door botten heen, wel door andere delen van het lichaam. Daardoor zie je op een röntgenfoto alleen beenweefsel en bijvoorbeeld geen spierweefsel of kraakbeenweefsel. In de röntgenfoto zijn twee onderdelen van het schoudergewricht aangegeven.
1 2
a Hoe heten de aangegeven onderdelen? 1 2
b Hoe komt het dat je de andere onderdelen van het gewricht niet ziet op de röntgenfoto?
● De andere onderdelen liggen achter het gewrichtskapsel, waardoor je ze niet op de röntgenfoto ziet.
● De andere onderdelen liggen in het gewricht en daarom zie je ze niet op de röntgenfoto. ● Röntgenstralen gaan door zachter weefsel, zoals kraakbeen en spieren, en zie je dus niet op een röntgenfoto.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe botten met elkaar verbonden zijn.
2, 3
H11, P15
2. uitleggen hoe botten ten opzichte van elkaar bewegen.
4, 5
H13, P16
3. voorbeelden van verschillende gewrichten noemen.
6, 7
H12, P17
4. de delen van een gewricht benoemen.
8, 9
H14
114
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 114
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Beenverbindingen 2.3
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Beenverbindingen Waar komt de beschreven verbinding in je lichaam voor? Maak de juiste combinaties.
15
gewricht
•
•
heiligbeen
kraakbeenverbinding
•
•
schedelbeenderen
naadverbinding
•
•
tussen borstbeen en ribben
vergroeiing
•
•
elleboog
De staart van een zwarte slingeraap De staart van een zwarte slingeraap bestaat uit verschillende wervels en is extreem beweeglijk.
Met welke beenverbinding zijn de wervels van de staart met elkaar verbonden? Leg uit hoe je dit ziet.
115
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 115
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
2.4 Spieren
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
benoemen hoe spieren botten in beweging brengen. uitleggen hoe spieren samenwerken. de functie van verschillende spieren uitleggen. de delen van een spier benoemen.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Vermoeide spieren Spierweefsel
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Squatten Je gebruikt je spieren om te bewegen. Heeft het gebruik van je spieren invloed op je ademhaling en op je lichaamstemperatuur? Je gaat ervaren of dat zo is. Je beantwoordt eerst de twee onderzoeksvragen bij opdracht a en b. De antwoorden zijn jouw hypotheses.
a Wat is de invloed van beweging op je ademhaling? Na beweging is mijn ademhaling langzamer dan / gelijk aan / sneller dan voor de beweging.
b Wat is de invloed van beweging op je lichaamstemperatuur? Na beweging is mijn lichaamstemperatuur lager dan / gelijk aan / hoger dan voor de beweging.
c Doe de oefening en ervaar wat er gebeurt als je je spieren gebruikt. Dit heb je nodig:
•
stopwatch
Dit ga je doen: 1 Ga rustig op een stoel zitten. Concentreer je 1 minuut op je ademhaling. 2 Ga naast je stoel staan en voer 10 squats uit. 3 Ga weer zitten op je stoel. 4 Focus opnieuw op je ademhaling en let op je lichaamstemperatuur. 116
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 116
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
Beantwoord daarna de vragen. De antwoorden zijn de conclusies op de onderzoeksvragen. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.
d Wat is de invloed van beweging op je ademhaling?
e Wat is de invloed van beweging op je lichaamstemperatuur?
f
Op je huid verschijnt misschien al zweet en je ademt meer waterdamp uit. Door welk proces in de spiercellen ontstaat er water?
● fotosynthese ● verbranding g Het gebruik van je spieren heeft dus invloed op je ademhaling. Hoe kun je het verschil verklaren?
h Het gebruik van je spieren heeft dus invloed op je lichaamstemperatuur. Hoe kun je het verschil verklaren?
THEORIE Spieren laten je botten bewegen
Je skelet zorgt ervoor dat je lichaam kan bewegen. Je botten bewegen niet uit zichzelf. Daar heb je spieren en gewrichten voor nodig. Alle spieren samen noem je het spierstelsel. Je lichaam bestaat voor ongeveer de helft uit spieren. Veel spieren zitten vlak onder de huid (figuur 1), zoals de spieren in je bovenarm en de kauwspier bij je wang. Die spieren kun je gemakkelijk voelen als je je hand op je huid legt. Als spieren samentrekken en er daardoor enkele botten meebewegen, noem je die spieren skeletspieren.
1
Veel spieren liggen vlak onder je huid. 117
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 117
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
Spieren zitten met pezen aan je botten vast. Pezen zijn taai en sterk. Een voorbeeld van een sterke, dikke pees is je achillespees (figuur 2). Pezen kunnen niet samentrekken, spieren kunnen dat wel. Als een spier samentrekt, wordt hij korter en dikker. Als een
kuitspier
spier ontspant, wordt hij langer en dunner.
Spieren werken samen
De spier in je bovenarm heet biceps (figuur 3). Als je biceps samentrekt, buigt je arm. Als je biceps ontspant, strekt je arm
achillespees
zich niet vanzelf uit. Het strekken van je arm gebeurt doordat de triceps zich aanspant. Je biceps en je triceps laten je onderarm buigen en strekken met tegengestelde bewegingen (figuur 3).
hielbeen
Als twee spieren zorgen voor tegengestelde bewegingen zijn het antagonisten.
2
biceps
Achillespees
biceps
triceps 3
triceps
Biceps en triceps
Je kunt je spieren sterk houden door ze te trainen. Door je spieren steeds iets meer en zwaarder te belasten dan normaal, kun je spieren zelfs dikker en sterker maken. Door regelmatig te bewegen (figuur 4) verklein je de kans op blessures en houd je je rug gemakkelijker rechtop als je zit.
4
Planking is een goede training voor je buikspieren.
118
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 118
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
Spieren in je lichaam
Het spierstelsel bestaat uit veel verschillende spieren. Niet alle spieren zijn skeletspieren en brengen botten in beweging. De spieren in je darmen maken peristaltische bewegingen zonder dat er botten bewegen. Zo duwen de spieren in de slokdarm het voedsel van de mondholte naar de maag. De hartspier beweegt en zorgt dat je hart klopt, maar zonder dat je skelet beweegt. En terwijl jij deze tekst leest, zorgen spieren in en rondom je ogen ervoor dat je de letters scherp ziet.
De bouw van een spier
Een skeletspier (figuur 5) is opgebouwd uit spiervezels. De spiervezels zijn lang en dun. Spiervezels bestaan uit een aantal samengesmolten kleine spiercellen. Daarom zie je meerdere celkernen in één spiervezel. Meerdere spiervezels bij elkaar vormen een spierbundel. Meerdere spierbundels vormen samen een spier. Tussen de spierbundels lopen bloedvaten en zenuwen. De bloedvaten voorzien de spieren van voedingsstoffen en zuurstof, zodat verbranding kan plaatsvinden. En de bloedvaten voeren afvalstoffen, zoals water en koolstofdioxide, weer af.
spiervezel
spierbundel
celkern
bot pees spier
5
De bouw van een skeletspier
Er zijn verschillende soorten spierweefsel zoals: glad spierweefsel en dwarsgestreept spierweefsel. Glad spierweefsel bestaat uit langwerpige, dunne cellen. Dit weefsel komt voor in je darmwand en je bronchiën. Deze spieren trekken zich niet zo snel samen als skeletspieren, zijn onvermoeibaar en trekken samen zonder dat je je daar bewust van bent. Skeletspieren bestaan uit dwarsgestreept spierweefsel (figuur 6). Je stuurt deze spieren bewust aan vanuit het centrale zenuwstelsel. Je hart bestaat uit hartspierweefsel. Dit weefsel lijkt op dwarsgestreept spierweefsel, maar je
6
Dwarsgestreept spierweefsel onder de microscoop
hart klopt gelukkig gewoon door zonder dat er je erover na hoeft te denken.
119
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 119
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
WIST JE DAT? Supertong Dat je je tong kunt uitsteken is misschien geen gek idee. Maar wat nu als je tong bijna 2,5 keer zo lang is dan je lichaam? En je die tong ook nog eens met bijna 100 kilometer per uur uit je mond kunt laten schieten? Bij kameleons is dat het geval. Geduldig wachten zij tot hun prooi binnen bereik is. Om vervolgens vliegensvlug toe te slaan. Daarna halen zij hun tong, met hun prooi daarop vastgeplakt, weer binnen.
Een kameleon vangt een insect met zijn supertong.
OPDRACHTEN 2
Beweging Hoe laten spieren je botten bewegen? Vul de juiste woorden in. Kies uit: botten | ontspannen | pezen | samentrekken | spieren Spieren laten je
bewegen. Dit gebeurt wanneer je spieren
Ze worden dan dikker en korter. Spieren zitten met Als je spieren
3
.
vast aan je botten.
, worden je
langer en dunner.
Je voet strekken Kirsten ligt met haar voeten op de bank tv te kijken. Ze strekt haar tenen naar voren (van zich af). Op dat moment voelt ze de skeletspieren in haar kuiten samentrekken.
a Welke tekening geeft weer hoe haar kuitspier er op dat moment uitziet? Leg je antwoord uit.
A
B
b Wat gebeurt er met je spieren in de kuit en in het scheenbeen als je je tenen naar je toe beweegt? C
120
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 120
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
4
Spieren 2.4
Bewegingen In het schema zie je spieren en bewegingen staan. Geef in het schema aan of de spieren ontspannen of samengetrokken zijn. ontspannen
5
samengetrokken
gebogen arm: biceps is
●
●
gebogen arm: triceps is
●
●
gestrekte arm: biceps is
●
●
gestrekte arm: triceps is
●
●
Antagonisten in je been Je kuitspier en je scheenbeenspier werken samen. In deze opdracht voel je dat. Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal en spreek af wie A is en wie B is. 2 A gaat zitten en legt zijn voeten omhoog op de stoel. Stroop je broek op tot aan je knie. 3 B legt een hand net onder de knie op het scheenbeen van A. Leg je andere hand onder aan de kuit. 4 A beweegt zijn tenen afwisselend langzaam naar zich toe en van zich af. De ander voelt wat er in het scheenbeen en in de kuit gebeurt. 5 Wissel de rol nu om.
a Wanneer voelde je de scheenbeenspier van je klasgenoot samentrekken?
b Wanneer voelde je de kuitspier van je klasgenoot samentrekken?
c Leg uit waarom de kuitspier en de scheenbeenspier antagonisten zijn.
d Verklaar dat antagonisten nodig zijn om een lichaamsdeel als je voet te laten bewegen.
121
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 121
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
6
Spieren 2.4
De functie van spieren Spieren in je lichaam hebben een functie; ze zitten er niet voor niets. Wat is de functie van de volgende spieren? Skeletspieren: Spieren rondom je bloedvaten: Spieren in je darmen: Spieren in je maag:
7
Sporten Voor een fit lichaam is het belangrijk dat je tijdens het sporten verschillende oefeningen doet.
a Waarom is het belangrijk dat je verschillende oefeningen doet en niet steeds dezelfde?
b Welke spieren train je vooral tijdens het doen van een push-up?
c Tijdens het sporten is niet alleen het dwarsgestreept spierweefsel van de skeletspieren meer doorbloed. Ook het hartweefsel en glad spierweefsel zijn meer doorbloed. Leg de functie daarvan uit.
8
Spierweefsels Is hier sprake van glad spierweefsel of dwarsgestreept spierweefsel? Omcirkel het goede antwoord. Om bepaalde bloedvaten zitten spiertjes. Deze spiertjes kunnen de bloedvaten dichtknijpen of openzetten. Zo regelen deze spiertjes hoeveel bloed er door de organen stroomt. glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel In je huid zit aan elk lichaamshaartje een heel klein spiertje vast. Als zo’n spiertje zich samentrekt, gaat het haartje overeind staan. Als alle haartjes dat tegelijk doen, heb je kippenvel. glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel In je arm zitten verschillende spieren. Deze trekken samen en ontspannen precies zo dat jij de beweging kunt maken om je glas drinken te pakken. glad spierweefsel | dwarsgestreept spierweefsel
122
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 122
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
9
Spieren 2.4
Bouw van een spier In de tekening zie je verschillende organisatieniveaus.
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
a Bij welk organisatieniveau horen alle spieren bij elkaar?
b Noem een voorbeeld van een orgaan uit het spierstelsel.
c Welk orgaan hoort bij zowel het spierstelsel als het bloedvatenstelsel?
d Welke weefsels komen in het spierstelsel voor?
e Uit welke delen bestaat een spier? Noteer de delen in de juiste volgorde van groot naar klein.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. benoemen hoe spieren botten in beweging brengen.
2, 3
H13, P16
2. uitleggen hoe spieren samenwerken.
4, 5
H11
3. de functie van verschillende spieren uitleggen.
6, 7
H14, P15
4. de delen van een spier benoemen.
8, 9
H12, P17
123
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 123
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Spieren 2.4
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Spieren van je been en je voet In de tekening zie je een ledemaat: het been. Er zijn verschillende spieren aangegeven.
a Welke spier spant aan als je op je tenen gaat staan? spier
a b c
b Wat gebeurt er als spier c samentrekt?
d e
c Wat gebeurt er met spier b als spier c samentrekt? f
15
Rechtop zitten Het is belangrijk om rechtop te zitten. Als je krom of in elkaar gedoken zit, kan dat verschillende klachten met zich meebrengen. Je zult per ademhaling waarschijnlijk minder zuurstof in je bloed opnemen. Leg uit hoe dit komt.
124
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 124
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
2.5 Been en kraakbeen
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen waardoor botten stevig en buigzaam zijn. uitleggen waardoor kraakbeen beweeglijk is. uitleggen hoe je kalkstof en lijmstof in botten aantoont. uitleggen hoe de verhouding tussen kraakbeen en bot verandert gedurende je leven.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• • •
Cellen van kraakbeen Cellen van been Kalkstof en lijmstof
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Breekbaar of buigbaar Een levend takje buigt, maar een dood takje breekt gemakkelijk. Hoe zit dat met een gum? Je gaat onderzoeken hoe buigzaam of hoe breekbaar een gum is. Dit heb je nodig:
•
een gum
Dit ga je doen: 1 Pak de gum vast met twee handen. 2 Probeer de gum eerst te buigen. Probeer de gum daarna te breken.
a Kun je een gum gemakkelijk buigen?
b Kun je een gum gemakkelijk breken?
c Kraakbeen kun je vergelijken met een gum: een soort bot dat je gemakkelijk kunt buigen. Geef een voorbeeld van een plek in je lichaam waar kraakbeen zit.
125
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 125
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
THEORIE Stevige botten
De botten van je skelet geven stevigheid aan
kraakbeen sponsachtig beenweefsel
je lichaam. Vooral de buitenkant van het bot is hard, glad en zwaar. Veel botten zijn vanbinnen hol en opgevuld met sponsachtig weefsel. Dit sponsachtig weefsel bevat rood of geel beenmerg. De meeste botten hebben aan de uiteinden sponsachtig beenweefsel (figuur 1). Onder de microscoop zie je dat beenweefsel
bloedvaten
bestaat uit beencellen met tussencelstof (figuur 2). De tussencelstof bestaat uit veel kalkstof (ook wel kalkzouten genoemd) en weinig lijmstof. Kalkstof geeft je botten stevigheid. Als botten alleen maar zouden bestaan uit kalkstof, zouden ze snel breken. Lijmstof zorgt ervoor dat botten een beetje kunnen buigen, dus dat ze flexibel zijn. Door het beenweefsel lopen bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof aanvoeren. Daardoor kan een bot groeien en herstellen als het is gebroken.
1
Compact en sponsachtig beenweefsel in het opperarmbeen
tussencelstof 2
uitloper van de beencel
beencel
Beenweefsel
126
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 126
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
Beweegbaar kraakbeen
Het skelet bestaat niet alleen uit botten, maar ook uit kraakbeen. Kraakbeen zit op veel plaatsen, zoals in je gewrichten, in je neus en oren en in je wervelkolom. Kraakbeen is lichter dan bot. Kraakbeenweefsel bestaat net als beenweefsel uit cellen met tussencelstof ertussen. De tussencelstof bestaat voor het grootste deel uit lijmstof. Door kraakbeenweefsel lopen in tegenstelling tot beenweefsel geen bloedvaten. De huid vervoert bloed met zuurstof en voedingsstoffen naar het kraakbeen toe. Zo transporteert de huid van je oor bloed naar het kraakbeen eronder. Voedingsstoffen en zuurstof komen hierdoor minder gemakkelijk bij de kraakbeencellen. Daardoor herstelt beschadigd kraakbeen langzaam of niet goed. Er is verschil in beweeglijkheid van kraakbeen. Dit komt door een verschil in de bouw van het weefsel (figuur 3).
•
Het kraakbeen in je gewrichten is stevig en glad. Het zit daarom vaak tussen twee bewegende botdelen die tegen elkaar worden gedrukt. Kraakbeen zorgt ervoor dat botten soepel langs elkaar glijden.
•
Het kraakbeen van je oorschelp en het puntje van je neus is stevig en elastisch, waardoor het een beetje kan vervormen.
•
Het kraakbeen van de tussenwervelschijven van de wervelkolom is stevig en weinig vervormbaar. Het vangt daardoor de schokken van bewegingen op.
2
1 4 1 = kraakbeen in het kniegewricht 2 = kraakbeen van het puntje van je neus 3 = kraakbeen van tussenwervelschijven 3
5
3
4 = kraakbeencel 5 = tussencelstof
Drie voorbeelden van kraakbeen
Stoffen in botten aantonen
Door een eenvoudige proef kun je kalkstof en lijmstof in botten aantonen (figuur 4). Wanneer je een botje in zoutzuur legt en er na een tijdje uithaalt, kun je het botje gemakkelijk buigen. Dit komt doordat de kalkstof oplost en de lijmstof overblijft. Wanneer je een botje in een vlam houdt, verbrandt de lijmstof in het bot en de kalkstof blijft over. Als je dan een beetje kracht zet, breek je het botje zo doormidden. TIP Scan de QR-code en bekijk dit filmpje als je meer wilt weten over de opbouw van botten.
4
Kalkstof en lijmstof aantonen 127
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 127
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
Het skelet verandert
De botten van een ongeboren baby bestaan eerst uit kraakbeen. Voor de geboorte wordt het kraakbeenweefsel steeds meer omgezet in beenweefsel (figuur 5). Bij de geboorte bestaat een groot deel van het skelet uit beenweefsel, zoals bij de lange pijpbeenderen. De uiteinden van die botten zijn nog van kraakbeen. groeischijf
kraakbeen bot
A
B
C
D
F
E
voor de geboorte
G
I
H
na de geboorte
5de week
40ste week
1 jaar 1 jaar
4 jaar 4 jaar
17 jaar 15 jaar
18-21 jaar 16-18 jaar
toename verbening van skelet 5
De vorming en groei van pijpbeenderen
Tijdens je groei worden je botten langer. Dit gebeurt vanuit de groeischijven aan de uiteinden van de pijpbeenderen (figuur 6). Groeischijven bestaan uit kraakbeen. De kraakbeencellen blijven zich vermenigvuldigen en veranderen uiteindelijk in beencellen. Rond je twintigste jaar verbenen de groeischijven en groei je niet meer. Gedurende je leven neemt de hoeveelheid lijmstof in je botten af en de hoeveelheid kalkstof in je botten neemt toe. Daardoor zijn botten van oudere mensen minder buigzaam en breken ze sneller. Om je botten gezond te houden is het belangrijk om voldoende mineralen (kalk) en vitaminen (vitamine D) met je voeding binnen te krijgen. Ook is het belangrijk om voldoende te bewegen. kraakbeenlaagje van het gewricht
bot groeischijf Kraakbeencellen verbenen en worden bot.
6
Uiteinde pijpbeen met groeischijf
128
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 128
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
WIST JE DAT? Bloemkooloren Beoefenaars van contactsporten, zoals MMA, rugby en worstelen, hebben vaak last van bloemkooloren. Bloemkooloren kunnen ook ontstaan na het zetten van een piercing of een oorbel in het kraakbeen. Bloemkooloren zijn vervormde, bobbelige oren, die lijken op de vorm van bloemkoolroosje. De vervorming ontstaat doordat het kraakbeen van de oorschelp beschadigd raakt. Het bestaande weefsel sterft af en nieuw kraakbeen groeit, maar dit nieuwe kraakbeen is dan bobbelig van vorm.
Reza Madad, een oud-vechtsporter met bloemkooloren
OPDRACHTEN 2
Stevigheid Als het hard waait zie je hoge bomen heen en weer wiegen. Een boom is behoorlijk buigzaam. Maar als je bij de boom staat en er tegen duwt, zul je merken dat de boom ook heel stevig is. Zo werkt het ook met je botten. Als je op de grond valt, buigen ze een beetje door. Maar als je een deur openduwt, zijn je botten heel stevig. Hoe komt het dat je botten zo stevig zijn?
● Kalkstof maakt je botten stevig. ● Lijmstof en kalkstof samen maken je botten stevig. ● Lijmstof maakt je botten stevig. 3
Engelse ziekte Mensen met de Engelse ziekte hebben last van skeletafwijkingen, vertraagde groei en zwakkere botten. Daardoor breken hun botten sneller dan de botten van mensen die de ziekte niet hebben en groeien hun botten soms krom. De Engelse ziekte is een ziekte die ontstaat door een vitamine D-tekort. Je lichaam gebruikt vitamine D om kalk op te nemen en ervoor te zorgen dat botten gaan groeien. De meest voorkomende oorzaak van een vitamine D-tekort is een gebrek aan zonlicht. Leg uit hoe de Engelse ziekte skeletafwijkingen en zwakkere botten veroorzaakt.
129
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 129
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
4
Been en kraakbeen 2.5
Bot en kraakbeen Kraakbeen zit op veel plaatsen in het lichaam.
a In het schema staan vier delen van het lichaam. Bevat het deel vooral bot of vooral kraakbeen? bot
kraakbeen
arm
●
●
neus
●
●
oor
●
●
voet
●
●
b Waar bevindt zich kraakbeen in het gezicht? Omcirkel de plaatsen in de schedel.
5
Kraakbeenvissen Het skelet van kraakbeenvissen, zoals de hamerhaai, bestaat uit kraakbeen.
a Een skelet van kraakbeen heeft voordelen vergeleken met een skelet van botten als je let op de beweeglijkheid van het skelet. Welk voordeel heeft een skelet van kraakbeen voor de hamerhaai?
b Fossielen zijn restanten van organismen die vroeger geleefd hebben en als versteende vorm bewaard gebleven zijn, bijvoorbeeld een skelet. Je ziet bij een menselijk overblijfsel dan geen neus of oren meer, maar wel vaak nog het gebit. Waarom worden er geen fossielen van haaien gevonden, maar wel fossielen van haaientanden?
130
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 130
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
6
Been en kraakbeen 2.5
Kalk in voeding Meer dan de helft van de vrouwen die in verwachting is, krijgt te weinig kalk binnen met hun voeding.
a Welke gevolgen heeft het tekort aan kalk voor de botten van de zwangere vrouw?
b Welke gevolgen heeft het tekort aan kalk voor de botten van het ongeboren kind?
7
Beenweefsel Naar: Examen GT/TL 2004-2 Bij een patiënt met de ziekte van Kienböck functioneert het polsgewricht niet goed. Hierdoor ontstaat pijn in dit gewricht, vooral als de hand bewogen wordt. De aandoening ontstaat als één van de handwortelbeentjes te weinig bloed krijgt toegevoerd en dan afsterft. In de tekening zie je een stukje beenweefsel, gezien door een microscoop.
P
Q R
a Zie je hier een dwarsdoorsnede of een lengtedoorsnede van een stuk bot? Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Biologische tekening maken.
b Welke letter geeft de plaats aan waar zich een bloedvat bevindt? letter
c Door het slecht functioneren van het polsgewricht ontstaat slijtage. Vooral het gewrichtskraakbeen wordt dan aangetast. Noem een functie van het kraakbeen in een gewricht.
131
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 131
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
8
Been en kraakbeen 2.5
Flexibele baby Baby’s zijn ontzettend flexibel en kunnen met gemak hun teen in hun mond steken. Dit komt mede doordat hun botten nog voor een groot deel bestaan uit een bepaald weefsel.
a Welk weefsel is dat?
● beenweefsel ● kraakbeenweefsel b Kies het juiste woord. Baby’s hebben in verhouding meer kalkstof | lijmstof in de botten dan ouderen hebben.
9
Samenstelling van bot Als je ouder wordt, verandert de samenstelling van je botten. In het diagram zie je een
percentage
grafiek met het percentage kalkstof in je botten.
kalkstof
leeftijd
Teken een grafiek die de verandering van de hoeveelheid lijmstof in je botten weergeeft. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen waardoor botten stevig en buigzaam zijn.
2, 3
H12
2. uitleggen waardoor kraakbeen beweeglijk is.
4, 5
H13, P17
3. uitleggen hoe je kalkstof en lijmstof in botten aantoont
6, 7
H14, P16
4. uitleggen hoe de verhouding tussen kraakbeen en bot verandert gedurende je leven.
8, 9
H11, P15
132
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 132
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Been en kraakbeen 2.5
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Botbreuken Oudere mensen lopen bij een val vaker een botbreuk op dan jonge kinderen. Hoe komt dat?
15
Osteoporose Als mensen ouder worden, worden hun botten brozer. Dit heet osteoporose. Er is dan minder lijmstof aanwezig. Ook neemt de hoeveelheid kalkstof in de botten af. Doordat de botten minder hard zijn, lopen ouderen eerder een botbreuk op. Het linker bot in het beeld is een gezond bot. Hoe verder naar rechts, hoe ernstiger het bot is aangetast door osteoporose en hoe meer het zijn stevigheid verliest.
a Osteoporose noem je ook wel botontkalking. Leg uit waarom.
b Leg uit waarom mensen met osteoporose snel iets breken.
133
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 133
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Blessures 2.6
2.6 Blessures
SE
Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe blessures ontstaan. enkele blessures benoemen. uitleggen hoe je in conditie blijft. uitleggen hoe je lichamelijke problemen voorkomt.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Blessures
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Topsporters geblesseerd Frenkie de Jong moest in 2024 het EK aan zich voorbij laten gaan vanwege een enkelblessure. Je kent vast wel meer topsporters die niet aan een wedstrijd konden deelnemen door een blessure. Maak samen een top 3 van blessuregevoelige sporten en de daarbij voorkomende blessures. Dit heb je nodig:
• •
A4-papier Je mag online extra informatie zoeken.
Dit ga je doen: 1 Noteer de naam van een topsporter midden op het A4’tje. Denk ook aan andere sporten zoals schaatsen, skateboarden, hockey, turnen, bmx'en, tennis, paardrijden, ... 2 Schrijf de antwoorden op de vragen eromheen. -
Welke sport beoefent deze sporter?
-
Welke blessure heeft of had deze sporter?
-
Welke klachten geeft de blessure?
-
Hoelang duurt of duurde het herstel?
-
Wat moet je doen of juist niet doen tijdens het herstellen?
3 Bespreek de resultaten in de klas. 134
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 134
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Blessures 2.6
Maak met elkaar:
• •
een top 3 van sporten waarbij de meeste blessures voorkomen; een top 3 van blessures die bij die sporten het meeste voorkomen.
THEORIE Beschadigingen van het lichaam
Bewegen is gezond, maar soms gaat het mis. Je stoot je aan de punt van de tafel en krijgt een blauwe plek. Je verzwikt je enkel op een stoeprand of je scheurt een spier terwijl je over een plas water springt. Bij sporten beweeg je extra veel en daardoor is de kans op blessures groter. Daarom moet je bij veel sporten beschermende kleding dragen, zoals een helm of scheenbeschermers. Je skelet, gewrichtsbanden, pezen en spieren vormen samen een heel stevige constructie. Toch kan er iets misgaan. Als een bot, spier, pees of gewricht beschadigd raakt, noem je dat een blessure. Blessures ontstaan vaak door overbelasting en snelle onverwachte bewegingen. Bij overbelasting voer je (te) vaak dezelfde beweging uit, waardoor spieren of pezen beschadigd kunnen raken. Als een beschadiging van je lichaam voor klachten zorgt, noem je die beschadiging ook wel letsel.
Veel voorkomende blessures
Je kunt verschillende blessures oplopen. Vaak kun je zelf al iets doen om verdere schade te voorkomen.
•
Een blauwe plek is een bloeduitstorting. Dit is een beschadiging van bloedvaten onder de huid die vanzelf wegtrekt (figuur 1).
•
Een kneuzing is een zwelling waarbij een bult ontstaat en vaak een blauwe plek. Koel de plek minstens 20 minuten. De bloedvaten vernauwen en er hoopt minder bloed op.
•
Een verstuiking treedt op wanneer spieren,
1
Een ‘blauwe’ plek krijgt verschillende kleuren.
2
Een botbreuk
gewrichtsbanden en pezen te ver uitrekken door een verkeerde beweging. Geef het lichaamsdeel rust en bel je huisarts als je na een uur niet goed kunt staan.
•
Bij een ontwrichting, zoals een 'arm uit de kom', is de gewrichtskop uit de gewrichtskom geschoten. Koel het lichaamsdeel om de pijn te verminderen. Ondersteun je arm door een mitella te dragen. Een arts zal de botten weer op zijn plaats zetten.
•
Bij een botbreuk zit er een breuk of scheur in het bot. Vaak zie je dit niet aan de buitenkant en alleen op een röntgenfoto (figuur 2). Houd het gebroken lichaamsdeel zo stil mogelijk en ga naar je huisarts of spoedeisende hulp. Als de botten niet goed staan, worden ze rechtgezet en krijg je er gips of een spalk omheen. Deze houden je botten op hun plaats, zodat ze goed kunnen aangroeien. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over het herstel van een botbreuk.
135
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 135
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Blessures 2.6
Je conditie op peil houden
Je conditie geeft aan hoe fit je bent. Het gaat dan over je uithoudingsvermogen in combinatie met spierkracht, lenigheid en snelheid. Er zijn verschillende manier om je conditie op peil te houden.
•
Regelmatig bewegen. Beweeg elke dag minimaal een half uur actief, bijvoorbeeld door te fietsen, wandelen of sporten.
•
Gevarieerd voedsel. Eet genoeg groenten, fruit, volkoren producten en eiwitten. Vermijd te veel suiker en junkfood (figuur 3).
•
Voldoende slaap. Slaap 8 tot 10 uur per nacht om goed te herstellen.
•
Genoeg water drinken. Drink dagelijks 1,5 tot 2 liter water.
•
Ontspannen. Neem tijd voor jezelf om stress te verminderen. Dat is goed voor je hart en herstel.
•
Gezondheidscontroles. Ga regelmatig naar de tandarts voor controles. Je gebit is belangrijk voor het verteren van
3
Gevarieerd eten met hulp van de Schijf van Vijf
voedsel.
Lichamelijke problemen voorkomen
Het voorkomen van blessures en letsel is beter dan het behandelen ervan. Veel mensen hebben lichamelijke problemen doordat ze te weinig bewegen en een verkeerde lichaamshouding hebben. Zorg voor minimaal één uur per dag lichte beweging en drie keer per week intensieve beweging (figuur 4).
4
Beweegrichtlijnen van het Kenniscentrum Sport & Bewegen
136
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 136
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Blessures 2.6
TIP Scan de QR-code en kijk voor meer beweegtips naar het filmpje.
Sta of zit niet te lang in dezelfde houding. Dat is belangrijk voor een goede lichaamshouding. Beweeg dus tussen het leren of het gamen door. Voorkom daarbij een ingezakte houding als je zit en staat. Als je hoofd, nek en wervelkolom één lijn vormen zit je netjes rechtop. Houd daarbij je kin een klein beetje omhoog en span je buikspieren licht aan (figuur 5). Veel sportblessures kun je voorkomen door voldoende te trainen en van tevoren je spieren rustig op te warmen tijdens een warming-up (figuur 6). Begin je training rustig en bouw dan de training op. Belast je spieren dus niet meteen te zwaar. Ook is het belangrijk om kleding en schoenen te dragen die geschikt zijn voor jouw sport (figuur 7).
5
Zorg voor een goede lichaamshouding.
6
Warming-up
7
Goede sportschoenen zijn belangrijk.
WIST JE DAT? Vrouwenvoetbal Wist je dat vrouwen die voetballen meer kans hebben op knieblessures dan mannen die voetballen? Vrouwen hebben bredere heupbeenderen dan mannen en hierdoor staat het bovenbeen in een andere hoek op de knie. Ook beïnvloeden hormonen de stabiliteit van de knieën. Vrouwen hebben daardoor vaker last van knieblessures, zoals een gescheurde kruisband. Het is voor vrouwen dus nog belangrijker om de knie- en heupspieren te versterken en de juiste
Vivianne Miedema in duel
techniek te gebruiken.
137
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 137
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Blessures 2.6
OPDRACHTEN 2
Kans op een blessure De kans op een blessure is in de ene situatie groter dan in de andere situatie. Hoe groot is de kans op een blessure in de volgende situaties? Zet een kruisje in de juiste kolom.
3
grote kans op blessure
kleine kans op blessure
5 kilometer meewandelen met de avondvierdaagse
●
●
zonder warming-up 1 kilometer sprinten
●
●
invallen tijdens een volleybalwedstrijd terwijl je niet wekelijks volleybalt
●
●
na je eigen wedstrijd nog een wedstrijd mee voetballen met het andere team omdat zij te weinig spelers hebben
●
●
Springersknie Veel verspringers krijgen een blessure die ‘springersknie’ wordt genoemd. De onderzijde van de knieschijf doet dan pijn en is gezwollen. De blessure ontstaat door overbelasting van een pees. Deze pees verbindt de bovenste dijspier via de knieschijf met het scheenbeen.
a Kleur de plek in waar de overbelaste pees zich bevindt.
bovenste dijspier
b Met welk cijfer wordt de knieschijf aangegeven? cijfer
c Uit welk weefsel bestaat de knieschijf?
● beenweefsel ● bindweefsel ● kraakbeenweefsel ● spierweefsel
1 2
138
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 138
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
4
Blessures 2.6
Verschillende blessures Lees de beschrijvingen van blessures. Welke blessure hoort erbij? Kies uit: blauwe plek | blessure | ontwrichting | verstuiking 1 Beschadiging van het lichaam door beweging, val of botsing:
.
2 Tijdelijk uitrekken van spieren, gewrichtsbanden en pezen van een gewricht: 3 De kop schiet uit de kom van het gewricht en gaat niet meer terug: 4 Beschadiging van de huid en bloedvaten onder de huid:
5
. .
.
Knieblessure Je ziet een röntgenfoto van een knie (links) en een MRI-scan van een knie (rechts). Op een röntgenfoto zie je vooral de botten goed. Op een MRI-scan zie je botten én zachtere weefsels, zoals spieren, banden en pezen.
a Als een sporter een knieblessure oploopt, maken artsen regelmatig een MRI-scan na een röntgenfoto. Met welke reden zou een arts ook een MRI-scan willen maken bij een blessure aan het kniegewricht?
b Welke onderdelen zie je op de röntgenfoto?
■ dijbeen ■ heupbeen ■ hielbeen ■ kuitbeen ■ scheenbeen
139
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 139
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
6
Blessures 2.6
Hoeveel beweeg jij? Door te bewegen houd je je botten en je spieren sterk en gezond. Het is dan ook belangrijk dat je naast sporten ook voldoende ‘gewoon’ beweegt. Je gaat bijhouden hoeveel jij beweegt op een dag. Dit ga je doen: 1 Kies een dag waarop je deze opdracht uitvoert. 2 Houd deze dag bij hoeveel je beweegt. Bijvoorbeeld 5 minuten wandelen naar de supermarkt of 15 minuten fietsen naar school. Als je een stappenteller hebt, kun je deze dag je stappen bijhouden. 3 Noteer je gegevens in de tabel. Activiteit. Welke activiteit heb je ondernomen? Bijvoorbeeld wandelen of fietsen. Doel. De reden van de activiteit. Was je op weg naar school of naar een vriend of vriendin? Duur. De tijdsduur van de activiteit. Eenmalig of dagelijks. Was deze activiteit eenmalig of komt deze activiteit dagelijks voor? activiteit
doel
duur
aantal stappen
eenmalig of dagelijks
bijv. wandelen
bijv. hond uitlaten
bijv. 20 minuten
bijv. 1200 stappen
bijv. dagelijks
totaal Bereken de totale tijd en het totale aantal stappen dat je gezet hebt.
a Hoe lang heb jij op deze dag bewogen? Bespreek je antwoord met een klasgenoot.
b Beweeg jij voldoende volgens de Beweegrichtlijnen van het Kenniscentrum Sport & Bewegen? Kijk naar hoelang je beweegt. Leg je antwoord uit. Bespreek je antwoord in een tweetal. TIP Kijk nog eens naar figuur 4.
c Als je minder beweegt, hoe kun je meer beweging in je dag inbouwen? En als je voldoende beweegt, hoe kun je ervoor zorgen dat je dit elke dag doet? Bespreek je antwoord in een tweetal.
140
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 140
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
7
Blessures 2.6
Advies Tom zit in de derde klas en fietst elke dag naar school. Hij eet gevarieerd met veel groenten en fruit. Hij drinkt ook dagelijks voldoende water en gaat jaarlijks naar de tandarts voor controles. Tom merkt dat hij zich vaak gestrest voelt door schoolwerk. Hij slaapt gemiddeld zes uur per nacht.
a Wat kun je Tom adviseren om zijn conditie verder te verbeteren? Geef minstens twee adviezen.
b Waarom zal voldoende slapen goed zijn voor Toms botten en spieren?
8
Warming-up Een warming-up is een serie rustige bewegingen waarmee je je lichaam voorbereidt op een training of sportwedstrijd.
a Wat gebeurt er in je lichaam tijdens de warming-up?
■ Er komt meer bloed in je spieren. ■ Er komt minder bloed in je hersenen. ■ Je gaat sneller en dieper ademhalen. ■ Je hart gaat sneller kloppen. ■ Je lichaamstemperatuur gaat omhoog. ■ Je spieren maken extra spiercellen aan. b Wat is het nut van een warming-up voordat je gaat sporten?
c Geef twee voorbeelden van een oefening tijdens een warming-up.
9
Starten met hardlopen Mia wil beginnen met hardlopen. Hoe kan ze blessures voorkomen? Geef twee adviezen.
141
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 141
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
10
Blessures 2.6
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe blessures ontstaan.
2, 3
H13, P16
2. enkele blessures benoemen.
4, 5
H11, P15
3. uitleggen hoe je in conditie blijft.
6, 7
H14, P17
4. uitleggen hoe je lichamelijke problemen voorkomt.
8, 9
H12
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Röntgenfoto Bekijk de afbeelding. Deze röntgenfoto is gemaakt nadat twee sporters hard tegen elkaar zijn gebotst. Bij één van de twee doet de schouder veel pijn.
a Welke blessure zie je hier?
● botbreuk van het sleutelbeen ● kneuzing van de ribben ● schouder uit de kom b Wat moet de sporter met deze blessure doen?
● aan de kant gaan zitten om te rusten ● koelen met een coolpack tot de pijn weg is ● naar een (huis)arts of spoedeisende hulp 142
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 142
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
15
Blessures 2.6
Meniscusoperatie In elke knie zitten twee kraakbeenschijven. Zo’n kraakbeenschijf heet een meniscus. De meniscussen zorgen ervoor dat de twee botten van je gewricht niet te hard tegen elkaar drukken als je springt. Op de foto zie je een stukje meniscus. Met een endoscoop kijkt de arts in het kniegewricht. Als je veel of lang pijn in je knie hebt door je meniscus word je aan je meniscus geopereerd. De chirurg laat het onbeschadigde deel van de meniscus zoveel mogelijk zitten.
dijbeen
knieschijf
endoscoop meniscus
kuitbeen scheenbeen
beeldopname kijkoperatie Waarvoor laat een chirurg bij een operatie het onbeschadigde deel van de meniscus zoveel mogelijk zitten?
● omdat anders het kniegewricht niet meer volledig kan buigen en strekken ● omdat de benen anders een verschillende lengte krijgen ● om te voorkomen dat het kraakbeen op het uiteinde van het dijbeen en scheenbeen te snel slijt
● om te voorkomen dat de kruisbanden uitrekken
143
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 143
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
2.7 Aanpassingen aan de leefomgeving Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • •
uitleggen hoe dieren hun vorm behouden in verschillende leefomgevingen. uitleggen hoe gewervelde dieren zich voortbewegen. uitleggen hoe ongewervelde dieren zich voortbewegen.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Voortbeweging
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Leven in een andere omgeving Het menselijk lichaam is zo gebouwd dat het past bij de omgeving waarin we als mensen leven. Je kunt prima op blote voeten rondlopen, zeker in de zomer en met een beetje training ook in de winter. Het lichaam is minder goed gebouwd om te overleven in andere delen van de wereld. Zo is het in de woestijn overdag veel te warm om op blote voeten te lopen. Onze voeten zouden verbranden. Op de Noordpool zouden onze voeten juist bevriezen. En ook in het water zouden we het niet lang volhouden, want onze voeten zijn niet gemaakt om lang te zwemmen. Welke aanpassingen aan hun voeten hebben mensen nodig om op verschillende plaatsen zo goed mogelijk te kunnen voortbewegen? Dit heb je nodig:
•
flinke dosis creativiteit en inbeeldingsvermogen
Je mag online extra informatie zoeken.
a Kies één van de drie leefomgevingen: woestijn, de zee of de Noordpool.
b Geef een beschrijving van de abiotische leefomgeving. TIP Abiotisch betekent niet-levend.
144
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 144
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
c Door welke eigenschappen van jouw voeten kun je in die leefomgeving niet goed bewegen?
d Welke aanpassingen kun je doen aan je voeten om in die omgeving wel goed te kunnen bewegen?
e Leg uit waarom je juist die aanpassing wilt doen en waarom het je helpt om te kunnen bewegen.
THEORIE Lichaamsvorm past bij de omgeving
Gewervelde dieren hebben allemaal een inwendig skelet met een wervelkolom. Als ze dat niet zouden hebben, zouden ze eruitzien als een pudding. Zonder skelet is er geen enkele ondersteuning. Toch hebben niet alle dieren een skelet. Gewervelde dieren hebben een inwendig skelet dat is opgebouwd uit botten. Vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren horen bij de gewervelde dieren (figuur 1). Zij hebben naast een wervelkolom ook ribben en een schedel. De meeste groepen gewervelden hebben ledematen, zoals poten, vinnen of vleugels. Slangen hebben geen ledematen.
skelet van een vis
skelet van een slang
1
skelet van een zwemmend zoogdier
skelet van een vliegend zoogdier
skelet van een vogel
skelet van een lopend zoogdier
Gewervelde dieren
145
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 145
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Dieren zonder wervelkolom zijn ongewervelde dieren. Maar sommige ongewervelde dieren hebben wel een inwendig of uitwendig skelet. Inktvissen hebben een inwendig skelet in de vorm van een schelp in het lichaam (figuur 2). Het lichaam van ongewervelde waterdieren behoudt zijn vorm door de druk van het water. Sommige dieren zoals kwallen, regenwormen en naaktslakken zijn stevig doordat ze veel water in hun lichaam opnemen (figuur 3). Je kunt hun lichaam vergelijken met een ballon gevuld met water.
2
3
Skelet van een inktvis
Ongewervelde dieren: kwal, regenworm en naaktslak
Bij sommige dieren zit de ondersteuning aan de buitenkant van hun lichaam. Ze hebben een uitwendig skelet of exoskelet. Het exoskelet van weekdieren bestaat vooral uit kalk, zoals een schelp (figuur 4). Insecten hebben een exoskelet van chitine (figuur 5). Kreeftachtigen hebben een exoskelet van chitine en kalk (figuur 6). Een exoskelet geeft stevigheid aan het lichaam. Het beschermt als een pantser tegen natuurlijke vijanden. Een exoskelet groeit niet mee met een dier en daardoor vervellen insecten en kreeftachtigen.
4
Weekdier met een exoskelet van kalk, bijvoorbeeld een mossel
5
Insect met een exoskelet van chitine
6
Kreeftachtige met een exoskelet van kalk en chitine
Aanpassingen van gewervelde dieren
Lopende zoogdieren zetten allemaal hun poten op de grond. Aan de botten in hun poten en hun voetafdruk is te zien dat ze dat op verschillende manieren doen.
•
Hoefgangers, zoals paarden, koeien en gazelles, raken alleen met de toppen van de tenen (of met één teen) de grond (figuur 7a). De kootjes eindigen in een hoef. De dieren kunnen zich daarmee goed afzetten tegen een harde ondergrond. De middenhands- en middenvoetsbeentjes zijn heel lang. Daardoor hebben ze lange poten, waarmee ze grote stappen nemen en snel kunnen bewegen.
146
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 146
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
•
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Teengangers, zoals honden en katten, raken de grond met hun kootjes (figuur 7b) en hebben daardoor weinig contact met de ondergrond. De poten zijn in verhouding lang, waardoor teengangers hard kunnen rennen.
•
Zoolgangers, zoals beren en ratten, raken met de hele voetzool de grond (figuur 7c). Ze zakken daardoor niet snel weg in een zachte bodem en glijden ook niet snel uit op een gladde ondergrond. Zoolgangers zijn meestal geen snelle dieren, maar ze kunnen zich wel goed afzetten en iets vastgrijpen.
a
Hoefganger
b
Teenganger
c
Zoolganger
7
De meeste vogels kunnen vliegen. Als ze toch ergens op hun poten staan, lopen of zwemmen dan zie je dat ook hun poten goed aangepast zijn aan hun leefomgeving. Een buizerd en een uil zijn roofvogels. Zij grijpen met hun sterke klauwen hun prooi vast. Deze klauwen bevatten sterke tenen met daaraan scherpe nagels (figuur 8a). Reigers en flamingo’s staan vaak in ondiep water. Zij hebben lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen aan hun tenen. Hierdoor kunnen zij stabiel in ondiep water staan (figuur 8b). Eenden en zwanen hebben zwemvliezen tussen hun tenen om goed te kunnen zwemmen (figuur 8c).
a
Klauwen
b
Lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen
c
Zwemvliezen
8
Voortbewegen van ongewervelde dieren
Ongewervelde dieren hebben geen botten. Toch kunnen ze zich door spierbewegingen wel voortbewegen. Vlooien springen met krachtige achterpoten (figuur 9) en bijen vliegen door hun vleugels snel op en neer te bewegen. Wormen kruipen bijvoorbeeld door hun spieren samen te trekken en te ontspannen. Slakken glijden met behulp van spieren in hun voet en slijm. Kwallen bewegen hun spieren, waardoor ze zich met hun lichaam afzetten tegen het water. En eencellige organismen, zoals pantoffeldiertjes, gebruiken trilhaartjes om te bewegen.
9
Een vlo
147
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 147
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
WIST JE DAT? Leven in een luchtbel Een waterspin leeft onder water. Hij leeft in een soort luchtbel die hij zelf heeft gemaakt. De waterspin bouwt tussen waterplanten een web van spinrag (zie figuur). Daarna neemt de spin bij iedere duik lucht mee tussen de haartjes op zijn lijf. De spin vult zo zijn web met lucht vanaf het wateroppervlak. Het web is nu een soort tunnel gevuld met lucht. Hierin kan de waterspin zich onder water voortbewegen en zelfs prooien vangen. Hij hoeft dus niet meer naar de oppervlakte om adem te halen.
OPDRACHTEN 2
Lichaamsvorm Dieren herken je aan hun vorm. Een skelet is belangrijk voor deze vorm. Waaraan danken de volgende dieren hun vorm? Zet een kruisje in de juiste kolom. inwendig skelet
uitwendig skelet
geen skelet
kip
●
●
●
vleermuis
●
●
●
kwal
●
●
●
sprinkhaan
●
●
●
potvis
●
●
●
148
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 148
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
3
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Kip Vogels zijn gewervelde dieren. Ze hebben dus een skelet waarvan bijna alle onderdelen vergelijkbaar zijn met het skelet van de mens. In de tekening zie je het skelet van een kip. Hoe heten de skeletdelen P, R, S en T bij de mens? P=
R P
R= S=
S
T=
T
4
Manier van lopen Hier zie je een tekening van het skelet van een hond.
a Is de hond een zoolganger, een teenganger of een hoefganger?
● hoefganger ● teenganger ● zoolganger b Welk dierspoor hoort bij het skelet?
● spoor A ● spoor B ● spoor C
A
B
C
149
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 149
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
5
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Drassige weide In het voorjaar gaan koeien vanuit de stal vaak naar buiten, de wei in. Als het veel heeft geregend en het weiland erg drassig is, houdt de boer de koeien langer op stal staan. Koeien zijn hoefgangers.
a Waarom blijven de koeien langer op stal staan als het weiland drassig is?
b Stel dat koeien zoolgangers waren geweest. Zouden koeien dan beter of juist minder goed op een drassig weiland kunnen lopen? Leg je antwoord uit.
6
Hoe bewegen ongewervelden? Ongewervelde dieren bewegen zich op verschillende manieren. In de theorie staan al een aantal voorbeelden. In deze opdracht gaan jullie op zoek naar meer voorbeelden. Jullie maken een kwartetspel over de voortbeweging van ongewervelde dieren. Het kwartetspel bestaat uit verschillende setjes van vier kaarten. Dit heb je nodig:
• • •
setje van vier blanco kaarten of de knipbladen achter in het boek schaar en lijm tekenspullen
Dit ga je doen: 1 Werk in een tweetal. 2 Elk tweetal maakt één kwartet (set van vier kaarten). 3 Kies een manier van voortbewegen: kruipen, lopen, zwemmen, vliegen, springen of bewegen met trilharen. Stem jullie keus met de klas en de docent af. 4 Kies vier diersoorten die zich op die manier voortbewegen. Maak daar een kwartet van. Bijvoorbeeld: je kiest 'kruipen' als manier van voortbewegen. Je kwartet 'kruipen' krijgt vier kaartjes met deze dieren: worm, rups, naaktslak, zee-egel. 5 Zoek online namen en afbeeldingen bij elk dier op. 6 Teken of plak een afbeelding van elk dier op het kwartet. 7 Is jullie kwartet klaar? Wissel dan jullie kaartjes uit met een ander tweetal. Controleer elkaars kwartet. 8 Kloppen de kwartetten en zijn andere tweetallen ook klaar? Speel het kwartetspel dan met elkaar.
150
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 150
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
7
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Verschillende manieren van voortbewegen Koudbloedige dieren hebben dezelfde temperatuur als hun omgeving. Warmbloedige dieren hebben een constante lichaamstemperatuur. Spieren werken het best bij een bepaalde temperatuur. Als de temperatuur hoger of lager is, dan werken de spieren minder optimaal.
a Koudbloedige dieren bewegen zich minder snel bij een buitentemperatuur van 2 graden Celsius dan bij een buitentemperatuur van 20 graden Celsius. Hoe kun je dit verklaren?
b Wat is de invloed van de buitentemperatuur op de spieren van warmbloedige dieren?
8
Ideale leefomgeving De ene leefomgeving is heel droog, de andere heel nat. In welke leefomgeving kunnen deze dieren het beste leven? TIP Op de foto zie je een savanne.
bosgebied met veel drassige delen
savanne
bosgebied met droge en drassige delen
bruine beer
●
●
●
gazelle
●
●
●
zwarte panter
●
●
●
151
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 151
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
9
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
Gibbons Gibbons zijn mensapen. Ze zijn uitstekend aangepast aan het leven in de bomen in de oerwouden van Zuidoost-Azië. Als ze van tak naar tak slingeren, zie je dat gibbons erg lange armen hebben. In de afbeelding van het skelet zie je de verhouding tussen de romp, armen en benen.
a Je ziet dat de armen en vingers van gibbons heel lang zijn. Welke voordelen geeft dat?
b Stel dat mensen net zulke lange armen hebben als gibbons. Die eigenschap heeft voor- en nadelen. Noem een voordeel en een nadeel.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe dieren hun vorm behouden in verschillende leefomgevingen.
2, 3, 9
H11, P15, P16
2. uitleggen hoe gewervelde dieren zich voortbewegen.
4, 5
H12, H14, P17
3. uitleggen hoe ongewervelde dieren zich voortbewegen.
6, 7, 8
H13
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 2.8 Alles in samenhang.
152
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 152
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Aanpassingen aan de leefomgeving 2.7
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Gazelles Gazelles leven op de savanne. Ze zijn een prooi voor verschillende roofdieren die op ze jagen.
Een gazelle is een hoefganger. Welk voordeel heeft dat?
15
Het snelste zoogdier Het jachtluipaard of de cheeta haalt een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur. Hij kan die snelheid in drie seconden bereiken. De cheeta volgt de zigzaggende prooi op de voet. Zijn hele lichaam is gebouwd om dat mogelijk te maken. Ook zijn gedrag is aangepast, zodat hij met succes kan jagen. Door bepaalde lichaamskenmerken is de cheeta succesvol tijdens de jacht. Kijk hiervoor goed naar de twee foto’s.
Welke lichaamskenmerken zijn gunstig voor de cheeta tijdens de jacht?
■ buigzame wervelkolom ■ grote borstkas met grote longen ■ grote neusgaten ■ lange, dikke staart ■ soepele schouders EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een eindexamenopgave. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Reuzenreptiel gaat maken.
153
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 153
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Alles in samenhang 2.8
2.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Stevigheid en bewegen Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Stevigheid en bewegen en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H1 Leven: cellen
H9 Ademhalen en verbranden: energie
154
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 154
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Alles in samenhang 2.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 5.
Een skelet geeft een lichaam vorm. Kijk terug naar paragraaf 3, 4 en 6.
Botten en spieren zorgen voor beweging. Kijk terug naar paragraaf 5.
Botten en kraakbeen bevatten cellen. Kijk terug naar paragraaf 2 en 7.
Vorm en leefomgeving passen bij elkaar.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Hoe blijven organismen in vorm? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.
155
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 155
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Examenopgaven 2.9
2.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgave bij paragraaf 7. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter in deze paragraaf voor de hints bij elke opgave.
AANPASSINGEN AAN DE LEEFOMGEVING 1
Reuzenreptiel Uit: Examenbundel Biologie vmbo-gt/mavo 2024-2025, p. 21 Uit de bouw van het skelet van poten van uitgestorven dieren kan men afleiden of de dieren op het land of in het water geleefd hebben. Zo wijst het skelet van een poot van Bèr (zie onderstaande afbeelding) erop dat deze in het water leefde. Uit het skelet van een andere reuzenreptiel, een dinosauriër, leidt men af dat dit dier een landdier geweest moet zijn.
0
skelet van poot van Bèr
0,5
1m
skelet van een dinosauriër
Hier is ook het skelet van een dinosauriër afgebeeld. Is een dinosauriër een hoefganger, een teenganger of een zoolganger?
● een hoefganger ● een teenganger ● een zoolganger
156
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 156
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 2 Stevigheid en bewegen
Examenopgaven 2.9
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Aanpassingen aan de leefomgeving
•
Reuzenreptiel: Let op het onderste deel van de poten van de dinosauriër.
157
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 157
24/03/2025 14:40
3 Seksualiteit en voortplanten
INHOUD Basis 3.1 Wat is de rol van seks? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160 3.2 Groei en ontwikkeling
.......................................
165
3.3 Geslachtsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178 3.4 Omgaan met seksualiteit en seks . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190 3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198 3.6 Zwangerschap en geboorte
................................
210
3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223
Afsluiting 3.8 Alles in samenhang
..........................................
237
3.9 Examenopgaven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 239
VAARDIGHEDEN - natuurwetenschappelijk onderzoek doen - presentaties maken - tabellen en diagrammen maken - werken met de microscoop
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 158
24/03/2025 14:40
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 159
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Wat is de rol van seks? 3.1
3.1 Wat is de rol van seks? In dit hoofdstuk leer je hoe je je ontwikkelt tot een volwassen mens. In het grote plaatje zie je wat de hoofdstukvraag en hoofdpunten zijn. Je ziet daar ook wat dit onderwerp te maken heeft met andere onderwerpen.
Welke verbanden zijn er?
Wat leer je in dit hoofdstuk?
H3 H1 - Leven voortplantingsstelsel
Wat is de rol van seks?
Iedereen is anders
Voortplanten houdt de soort in stand
H4 - Erfelijkheid en evolutie overerven
Je bepaalt je eigen wensen en grenzen
1
Bij onveilige seks kun je een soa oplopen
Het grote plaatje
160
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 160
24/03/2025 14:40
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Wat is de rol van seks? 3.1
THEORIE Verliefdheid
Verliefdheid is spannend. Je doet nieuwe ervaringen op met jezelf en met anderen. Iedereen is hierbij anders. Je vindt iemand leuk omdat je met de ander kunt lachen (figuur 2), omdat je wordt gesteund in een moeilijke tijd of omdat je iemand aantrekkelijk vindt. Als je verliefd bent, wil je steeds vaker bij de ander zijn en krijg je steeds meer gevoelens voor de ander. Je ontdekt daarbij wat je prettig vindt en ook wat de ander fijn en minder fijn vindt. Langzamerhand ontdek
2
je je eigen wensen en grenzen.
Als je iemand leuk vindt
Seks is een onderdeel van je ontwikkeling naar volwassenheid. Door seks kun je je voortplanten, je kunt kinderen krijgen. Maar je kunt ook plezier hebben in seks en het fijn hebben met iemand anders of met jezelf. Om te voorkomen dat je zwanger raakt of een geslachtsziekte krijgt is het verstandig om voorbehoedsmiddelen te gebruiken.
Welke verbanden zijn er? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Het voortplantingsstelsel bestaat uit organen, zoals de baarmoeder. De baarmoeder bestaat uit verschillende weefsels en cellen (hoofdstuk 1).
•
Kinderen lijken vaak op hun biologische ouders. Dat komt omdat ouders erfelijke eigenschappen doorgeven aan hun kinderen (hoofdstuk 4).
Wat leer je in dit hoofdstuk? Bekijk het ‘grote plaatje’ in figuur 1.
•
Iedereen is anders. Hoe je je voelt, hoe je lichaam eruitziet en hoe je dat laat zien is bij iedereen verschillend. Bij je geboorte wordt gekeken naar je geslachtsorganen. Zo wordt je geslacht bepaald. Bij de meeste mensen komt hun geslacht of sekse overeen met hoe ze zich voelen tijdens de rest van hun leven, dus als ze kind, puber en volwassen zijn. De meeste mensen voelen zich man of vrouw, maar bij sommige mensen is dat anders.
•
Voortplanten houdt de soort in stand. Alle organismen planten zich voort en krijgen nakomelingen. Dit kunnen ze heel eenvoudig doen, bijvoorbeeld door gewone celdeling. Dit noem je ongeslachtelijke voortplanting. Mensen en veel andere dieren hebben een voortplantingsstelsel met geslachtsorganen die geslachtscellen maken. Hiermee kunnen ze zich voortplanten. Dit noem je geslachtelijke voortplanting.
•
Bij onveilige seks kun je een soa oplopen. Door onbeschermde seks te hebben kun je een soa (seksueel overdraagbare aandoening) krijgen, of ongewenst zwanger worden. Een condoom beschermt je tegen beide. Andere voorbehoedsmiddelen beschermen je alleen tegen een ongewenste zwangerschap.
•
Je bepaalt je eigen wensen en grenzen. Door te onderzoeken wat je zelf fijn of lekker vindt, kun je dat ook met iemand anders delen. Het is daarbij belangrijk dat je rekening houdt met iemand anders en dat die ander rekening houdt met jou. 161
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 161
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Wat is de rol van seks? 3.1
OPDRACHTEN 1
Iedereen is anders Werk bij deze opdracht samen in een groepje van vier leerlingen. Op de middelbare school leer je nieuwe mensen kennen. Sommigen hebben overeen komsten met je, anderen minder. Je gaat je eigen identiteit ontwikkelen en je eigen vrienden maken. Bij wie voel je je prettig? Bij wie voel je je op je gemak en met wie kun je interesses delen? Houden jullie van dezelfde of juist van andere muziek, woon je bij elkaar in de buurt of zit je allebei op een sport? Er ontstaan groepjes die soms jaren met elkaar om blijven gaan. Groepjes met ongeveer dezelfde soort kleren, dezelfde ideeën en hobby’s.
Je maakt een poster over verschillende groepen jongeren. Dit heb je nodig:
• • • •
A3-papier kladpapier teken- en schrijfmateriaal vaardigheidskaart Presentaties maken
Dit ga je doen: 1 Overleg met elkaar of je minstens vier verschillende groepen kunt bedenken die in je omgeving voorkomen. Kijk eventueel eens op straat of je bepaalde groepen kunt spotten. 2 Schrijf kenmerken van die groepen op het kladpapier en maak schetsen. 3 Verdeel het A3-papier in vier gelijke delen. 4 Maak de poster. Schrijf en teken de vier groepen in de vier vakken. 5 Hang de poster op. Bekijk en bespreek de resultaten met de rest van de klas.
162
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 162
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
2
Wat is de rol van seks? 3.1
Zwangerschap en geboorte Bij een zwangere vrouw groeit en ontwikkelt zich een baby in de buik (zie foto).
a Welke beweringen over de zwangerschap bij de mens zijn juist?
■ De zwangerschap bij een mens duurt ongeveer negen maanden. ■ De vrouw op de foto is ongeveer drie maanden zwanger. ■ De baby in de buik brengt organen van de vrouw, zoals de maag, in de verdrukking. ■ Mensen planten zich voort door ongeslachtelijke voortplanting. b Sommige dieren, zoals de haas, kunnen meteen na de geboorte lopen. Konijnen worden blind en hulpeloos in een hol geboren. Met welk pasgeboren dier kun je een pasgeboren mens het best vergelijken? Leg uit waarom.
c Wat is het gewicht en wat is de lengte van een pasgeboren kind ongeveer?
d De meeste pasgeboren baby’s wegen tussen de 2500 en 4500 gram, maar soms komt een baby ter wereld met een afwijkend gewicht. Noem twee redenen waardoor het geboortegewicht kan afwijken.
163
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 163
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
3
Wat is de rol van seks? 3.1
Wat is consent? ‘Consent’ is een Engels woord en betekent ‘toestemming’. Scan de QR-code en bekijk het filmpje over consent. 'Consent' betekent dus toestemming. Hoe geef je toestemming? Noteer de voorwaarden uit het filmpje.
4
Verschillende voorbehoedsmiddelen Voorbehoedsmiddelen beschermen je tegen ongewenste zwangerschap en soa's.
a Twee voorbeelden van voorbehoedsmiddelen zijn de pil en het condoom. Noem drie andere voorbehoedsmiddelen. TIP Je mag samenwerken of het online opzoeken.
b Kies twee voorbehoedsmiddelen en vergelijk ze. Noem drie verschillen. Denk bij je vergelijking bijvoorbeeld aan: Hoe werkt het? Voor wie is het? Hoe gebruik je het? Hoe ziet het eruit?
5
Wat is de rol van seks? De grote vraag van dit hoofdstuk is: Wat is de rol van seks? Wat is jouw antwoord op deze vraag? Gebruik in je antwoord de informatie van deze paragraaf.
164
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 164
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
3.2 Groei en ontwikkeling Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
de verschillende levensfasen van mensen beschrijven. de primaire en secundaire geslachtskenmerken benoemen. de invloed van hormonen op de secundaire geslachtskenmerken uitleggen. groei en ontwikkeling bij dieren beschrijven.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Metamorfose meelworm Kippenei
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Kop of munt Het geslacht van een baby wordt bepaald op het moment dat de celkernen van de eicel en een zaadcel samenkomen. Er zijn twee verschillende typen zaadcellen en er is maar één type eicel. Bevrucht het ene type zaadcel de eicel, dan wordt het een jongetje. Als het andere type dat doet, wordt het een meisje. De kans op een jongen of een meisje kun je vergelijken met het opgooien van twee munten: Eicel: munt Zaadcel: kop of munt
a Bereken de kans op een jongen of een meisje en vul de tabel in. Dit heb je nodig:
•
een munt, bijvoorbeeld van 50 eurocent
Dit ga je doen: 1 Vul eerst de kolom onder ‘eicel’ verder in. 2 Gooi het muntstuk op. Noteer het resultaat (kop of munt) in de kolom bij ‘zaadcel’. 3 Gooi de munt nog drie keer op en vul de tabel in. 4 Wat is het geslacht van deze combinaties van eicel en zaadcel? Is het resultaat bij eicel en zaadcel allebei ‘munt’, vul dan bij geslacht ‘meisje’ in. Is het resultaat bij eicel en zaadcel ‘munt’ en ‘kop’, vul dan bij geslacht ‘jongen’ in.
165
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 165
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
worp
eicel
1
munt
Groei en ontwikkeling 3.2
zaadcel
geslacht j/m
2 3 4
b Hoe noem je het moment dat de celkernen van een eicel en een zaadcel samenkomen?
c Hoeveel kinderen worden bij jouw kansberekening geboren?
d Heeft iedereen in de klas hetzelfde resultaat?
e Waar is het resultaat van afhankelijk?
f
Waardoor wordt het geslacht bepaald?
THEORIE Groei en ontwikkeling bij mensen
Vanaf de bevruchting van een eicel door een zaadcel deelt de bevruchte eicel zich steeds verder. Door deze gewone celdeling (mitose) ontstaan uit een moedercel steeds twee identieke dochtercellen (figuur 1). Dit gaat je hele leven door. Door deze celdelingen komen er lichaamscellen bij en groei je. Maar er gaan ook cellen dood, oude lichaamscellen worden vervangen en weefsel hersteld. Bijvoorbeeld als je een wondje hebt in je huid.
moedercel 1
2 dochtercellen
Een moedercel deelt zich in twee identieke cellen.
Je groeit en ontwikkelt je tijdens je kinder- en puberjaren heel snel. Door groei word je groter en zwaarder. Door lichamelijke ontwikkeling veranderen delen van je lichaam. Je krijgt bijvoorbeeld lichaamsbeharing. Je verandert niet alleen lichamelijk, er vindt ook geestelijke ontwikkeling plaats. Je leert steeds meer en daarmee verandert ook je manier van denken. Je groei en lichamelijke ontwikkeling stoppen rond je 18e. Je geestelijke ontwikkeling gaat veel langer door.
166
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 166
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
Een mens doorloopt een aantal levensfasen waarin lichamelijke en geestelijke ontwikkeling plaatsvindt (figuur 2). levensfase
leeftijd in jaren*
ontwikkeling
baby
0–1,5
krijgt tanden, leert kruipen, lopen, reageert op de omgeving
peuter
1,5–4
leert praten, eten met een lepel, speelt alleen
kleuter
4–6
leert fietsen, veters strikken, tekenen, speelt met andere kinderen
schoolkind
6–12
wisselt tanden en krijgt blijvend gebit, leert lezen, rekenen, schrijven
puber
12–16
groeispurt, wordt vruchtbaar, graag bij een groep horen, stemmingswisselingen, zoekt grenzen op
jongvolwassene
16–21
groei stopt, je wordt steeds zelfstandiger
volwassene
21–67
zelfstandig, krijgt misschien kinderen
oudere
67+
krijgt vaker lichamelijke en geestelijke gebreken
*De leeftijden zijn gemiddelden.
2
Verschillende levensfasen van mensen
Primaire en secundaire geslachtskenmerken
Bij de bevruchting wordt het geslacht van de baby al bepaald. Bij de geboorte van een baby bepaalt de arts of verloskundige het geslacht of sekse. Heeft de baby een penis, dan komt er ‘M’ op de geboorteakte te staan. Als de baby schaamlippen heeft, dan staat er ‘V’. Penis en schaamlippen noem je de primaire geslachtskenmerken (figuur 3). vulva in ontwikkeling sekse meisje
anus
anus
sekse jongen
week 9 3
penis in ontwikkeling
week 14
Ontwikkeling primaire geslachtskenmerken tijdens de zwangerschap (van onderen gezien)
167
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 167
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
In de puberteit groei je snel tijdens de groeispurt en ontwikkel je je lichamelijk en geestelijk. De lichamelijke kenmerken die tijdens de puberteit ontstaan noem je secundaire geslachtskenmerken (figuur 4 en 5). meisjes
jongens
haargroei bij geslachtsorganen, oksels, benen
haargroei bij geslachtsorganen, oksels, benen, borst, gezicht
bredere heupen
bredere schouders
meer vetweefsel, borsten
meer spieren
groei van de schaamlippen
groei van penis en balzak
rijping van eicellen, eerste eisprong en menstruatie
productie van zaadcellen, eerste zaadlozing lagere stem
4
Secundaire geslachtskenmerken
meisjes
5
jongens
Secundaire geslachtskenmerken
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Zijn pubers van nature lui?
168
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 168
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
Hormonen in de puberteit
De puberteit wordt in gang gezet door een hormoonklier: de hypofyse. De hypofyse is zo groot als een erwt en zit aan de onderkant van de hersenen (figuur 6). Deze klier maakt verschillende hormonen aan die door het bloed door je lichaam worden
hypofyse
vervoerd. Het groeihormoon stimuleert de groeispurt aan het begin van de puberteit. Andere hormonen zorgen ervoor dat meisjes ongesteld worden en jongens een zaadlozing kunnen krijgen. Hormonen van de hypofyse zorgen er ook voor dat de geslachtsorganen geslachtshormonen gaan produceren. Door de geslachtshormonen
6
Hersenen met hypofyse
testosteron en oestrogeen produceren de geslachtsorganen geslachtscellen. TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de puberteit en de hypofyse.
WIST JE DAT? Je hebt een ingebouwde biologische klok Mensen hebben een ingebouwde biologische klok. Dat is het ritme van allerlei lichamelijke processen. Een van die processen is slapen. De biologische klok voor slapen schuift in de puberteit twee tot drie uur naar achteren. Pubers worden daardoor avondmensen en vallen later in slaap. Omdat ze ongeveer acht uur slaap per nacht nodig hebben is het ook lastig om op tijd op te staan. Pubers slapen te kort en zijn moe. Dat is niet handig als je in de klas moet opletten. Zou het niet beter zijn om school pas om 10.00 uur te laten beginnen?
Groei en ontwikkeling bij dieren
Bij zoogdieren, zoals de mens, gaat de groei en ontwikkeling tot een volwassen individu vaak op dezelfde manier. Een jong is meestal een kleine versie van een volwassen dier (figuur 7). Soms ontwikkelen dieren zich op een bijzondere manier. Het jong en het volwassen dier lijken dan niet op elkaar. Bijvoorbeeld bij amfibieën zoals kikkers en insecten zoals vlinders.
7
Volwassen hond met puppy
169
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 169
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
Een vlinder doorloopt tijdens zijn leven verschillende stappen (figuur 8). De stappen noem je ook wel stadia (enkelvoud: stadium). De vlinder legt eitjes. Uit die eitjes komen rupsen (larven). Rupsen eten bladeren en groeien. Ze maken uiteindelijk een soort slaapzak voor zichzelf: de pop. In de pop verandert de rups in een vlinder. Wanneer de vlinder volwassen is kan hij zich voortplanten en eieren leggen. Al deze stappen noem je de levenscyclus.
vlinder
ei
rups
pop 8
De levenscyclus van een monarchvlinder
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Het koolwitje.
OPDRACHTEN 2
Ontwikkeling en leeftijd Trek een lijn tussen elke levensfase en de juiste ontwikkeling. baby
•
•
leren praten
peuter
•
•
leren kruipen, lopen
kleuter
•
•
vruchtbaar worden
schoolkind
•
•
leren lezen, rekenen
puber
•
•
kinderen krijgen
volwassene
•
•
vaker lichamelijke gebreken
oudere
•
•
leren met andere kinderen spelen
170
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 170
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
3
Groei en ontwikkeling 3.2
Groei Cellen delen zich en daardoor groei je. Er gaan ook cellen dood.
a Als je groeit, wordt het totaal aantal cellen dan meer of minder, of blijft dat gelijk?
b Op een bepaald moment stopt de groei, je wordt niet langer. Stopt het delen van cellen dan? Leg je antwoord uit.
c Celdeling is niet alleen om te groeien. Noem nog twee andere functies van celdeling.
4
Geestelijke en lichamelijke ontwikkeling In de puberteit vinden veel veranderingen plaats. Je ontwikkelt je zowel geestelijk als lichamelijk. Bij welke veranderingen gaat het om geestelijke ontwikkeling?
■ Je krijgt seksuele gevoelens. ■ Je wordt verliefd. ■ Een meisje krijgt borsten. ■ Een jongen krijgt meer lichaamsbeharing. ■ Je wisselt tanden en kiezen en krijgt een blijvend gebit. ■ Je voelt je onzeker. 5
Slaapproblemen Slaapproblemen komen vaak voor bij pubers. Dit komt doordat hun biologische klok verandert, maar er zijn ook andere dingen die ervoor zorgen dat je niet snel in slaap valt.
a Maak een informatieve poster met tips hoe pubers beter in slaap kunnen komen. Dit heb je nodig:
• • •
kladpapier A3-papier stiften
Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Presentaties maken. Dit ga je doen: 1 Werk in tweetallen. 2 Bedenk minimaal vijf tips. Je mag internet gebruiken. 3 Maak eerst een ontwerp van de poster. 4 Illustreer de tips met tekeningen of foto’s. 5 Bekijk de tips op de posters van de andere tweetallen. 171
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 171
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
b Welke vijf beste tips heb je gezien? 1 2 3 4 5
6
De hypofyse Naar: Examen GL/TL 2005-1 De puberteit begint gemiddeld bij jongens als ze elf jaar zijn. Bij sommige kinderen raakt die ontwikkeling verstoord. Daardoor komen zij eerder in de puberteit, soms al vóór hun achtste jaar. In de afbeelding zie je een doorsnede van het hoofd.
P Q R S
a Welke letter in de afbeelding geeft de hypofyse aan?
b Hoe worden de hormonen die de hypofyse produceert door het lichaam vervoerd?
c Welke lichamelijke gevolgen kan dit voor jongens hebben als de puberteit eerder begint? Noem drie effecten.
172
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 172
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
7
Groei en ontwikkeling 3.2
Lengtegroei Naar: Examen GL/TL 2005-1 Als kinderen in de puberteit komen, krijgen ze een ‘groeispurt’. Dat is een periode waarin de groei heel snel gaat. In het diagram is de groei van twee jongens weergegeven: Adiel en Rob.
lengte in cm
210 200
Adiel
Rob
190 180 170 160 150 140 130 120 110 100 90 80 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 leeftijd in jaren
Adiel heeft een hypofyse die normaal werkt. Rob is eerder in de puberteit gekomen door een niet goed werkende hypofyse.
a Vergelijk de groei van de twee jongens. Welke twee verschillen kun je afleiden uit het diagram?
b De hypofyse heeft ook invloed op de secundaire geslachtskenmerken. Welk verschil is er daardoor tussen Rob en Adiel?
c Wie van de twee jongens krijgt eerder in zijn leven meer lichaamsbeharing?
173
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 173
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
8
Groei en ontwikkeling 3.2
Van kikkerdril tot kikker Scan de QR-code en bekijk het filmpje Gedaanteverwisseling van de groene kikker.
a Zet de zinnen in de juiste volgorde. Zet de nummers 2 tot en met 7 in de juiste vakjes.
1
Een volwassen kikker leeft in het water en op het land en eet dierlijk voedsel. De staart verdwijnt en het ademhalingsstelsel verandert. Er ontwikkelen zich achterpootjes. De vrouwtjeskikker legt eitjes (kikkerdril). Uit die eitjes komen kikkervisjes die in het water leven. Er ontwikkelen zich voorpootjes. Kikkervisjes eten plantaardig voedsel en ademen met kieuwen en door de huid.
b Welke twee orgaanstelsels veranderen in het lichaam van de kikker?
c Welke organen zijn nodig om te ademen in het water?
d Welke organen zijn nodig om te ademen op het land?
e Welk voedsel is moeilijker te verteren: dierlijk of plantaardig voedsel? Leg je antwoord uit. TIP Denk aan de bouw van cellen.
f
Welke organisatieniveaus zijn in deze opdracht aan bod gekomen? Kies de juiste niveaus en schrijf eronder een voorbeeld.
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
174
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 174
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
9
Groei en ontwikkeling 3.2
Groei van een kikker In de afbeelding is de groei en ontwikkeling van een kikkersoort te zien. 1 dag
5 dagen 15 dagen
29 dagen
40 dagen
42 dagen
50 dagen
60 dagen
a Maak een tabel en een lijngrafiek van de groei van deze kikker. Dit heb je nodig:
• • •
grafiekpapier / mm-papier potlood geodriehoek
Dit ga je doen: 1 Maak een tabel met twee kolommen waarin je de dagen zet en de lengte in mm. 2 Meet met een geodriehoek van elk kikkervisje en elke kikker de lengte in mm. 3 Zet de gegevens in de tabel. 4 Maak van de gegevens in de tabel een lijngrafiek. Zet de lengte op de verticale as en de dagen op de horizontale as. Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken. TIP Neem voor het gemak aan dat de afbeelding in het boek op ware grootte is. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet zo. De kikkers zijn in werkelijkheid groter!
b Beantwoord de vraag. Wat valt je op als je naar de lichaamslengte van het dier kijkt? Hoe kun je dat verklaren?
175
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 175
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
10
Groei en ontwikkeling 3.2
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent: niets gemaakt. ++ betekent: alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de verschillende levensfasen van mensen beschrijven.
2, 3
H12, P15, P17
2. de primaire en secundaire geslachtskenmerken benoemen.
4, 5
H11
3. de invloed van hormonen op de secundaire geslachtskenmerken uitleggen.
6, 7
H13, P16
4. groei en ontwikkeling bij dieren beschrijven.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
176
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 176
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Groei en ontwikkeling 3.2
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Primaire en secundaire geslachtskenmerken
Welke beweringen zijn juist? juist
15
onjuist
In de afbeelding zie je primaire geslachtskenmerken.
●
●
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan door geslachtshormonen.
●
●
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan in de levensfase van schoolkind.
●
●
Primaire geslachtskenmerken zijn voor de geboorte al aanwezig.
●
●
Celdeling Scan de QR-code en bekijk het filmpje over celdeling. Welke beweringen over celdeling zijn juist?
■ De cellen die na een celdeling ontstaan zijn precies hetzelfde als de moedercel. ■ Uit een dochtercel ontstaan twee moedercellen. ■ Bij een celdeling deelt eerst het cytoplasma, daarna de celkern. ■ De eerste celdeling vindt plaats na de geboorte. ■ De huid bij een wondje herstelt door celdeling. ■ Celdeling stopt als je niet meer groeit. EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Levenscyclus van de panda gaat maken.
177
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 177
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
3.3 Geslachtsorganen Aan het eind van deze paragraaf kun je:
•
de functies van delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel benoemen.
• • •
de functies van delen van het mannelijke voortplantingsstelsel benoemen. uitleggen hoe geslachtscellen zich ontwikkelen. verschillen tussen eicellen en zaadcellen benoemen.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Zaadcellen Eierstok
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Een zaadcel bouwen Een zaadcel bestaat uit een kop en een staart.
a Je maakt in deze opdracht een model van een zaadcel met een knoop en een draadje. Je zorgt dat de verhoudingen hetzelfde zijn. Dit heb je nodig:
• • • •
knoop met gaatjes stukje draad geodriehoek schaar
Dit ga je doen: 1 Meet in de afbeelding de lengte van de kop. Schrijf de afmeting in mm bij de afbeelding. 2 Doe hetzelfde bij de staart. 178
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 178
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
3 Bereken hoeveel keer de staart groter is dan de kop. Schrijf de berekening met uitkomst onder de afbeelding. 4 Maak het draadje aan de knoop vast. 5 Meet de lengte (doorsnede) van de knoop. Schrijf de afmeting in mm onder de afmeting van de kop van de zaadcel. 6 Bereken hoe lang de staart moet zijn als je dezelfde verhouding gebruikt als de afbeelding. 7 Knip de staart op de juiste lengte af. Daarmee heb je een model van een zaadcel.
b Ga er even van uit dat de kop van een zaadcel rond is, net als bij de knoop. Een eicel is 0,12 mm groot en net met het blote oog zichtbaar. Een zaadcel is veel kleiner. De kop is ongeveer 0,005 mm groot. Reken uit hoeveel keer zo groot de eicel is ten opzichte van de zaadcel. Laat de berekening zien.
THEORIE Het vrouwelijke voortplantingsstelsel
Aan de buitenkant van het lichaam van een vrouw zijn de schaamlippen, de clitoris met de eikel en de opening van de vagina te zien. Dit zijn de uitwendige geslachtsorganen. Deze noem je samen de vulva (figuur 1). Bij de vaginaopening kan een huidplooi zitten. Dat is het maagdenvlies. Ook aan de binnenkant van het lichaam bevinden zich delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel (figuur 2). Deze geslachtsorganen hebben elk hun eigen functie (figuur 3).
eikel van de clitoris buitenste schaamlip
plasbuisopening
binnenste schaamlip vaginaopening
anus 1
Een vulva van onderen gezien
179
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 179
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
baarmoeder
eileider
eierstok
baarmoederhals baarmoedermond
vagina
eikel binnenste schaamlippen zwellichaam vagina 2
Inwendige vrouwelijke geslachtsorganen waarbij de clitoris vergroot is weergegeven.
naam
functie
eierstokken
• rijpen van eicellen • produceren van geslachtshormonen, zoals oestrogeen
eileiders
• de eicel bij de eisprong opvangen • vervoeren van de (bevruchte) eicel naar de baarmoeder
baarmoeder
• in het slijmvlies ontwikkelt de bevruchte eicel zich tot baby • de gespierde baarmoederwand duwt bij de geboorte de baby naar buiten
vagina
• opvangen van sperma • bloed en slijm van de menstruatie afvoeren • hierdoor komt de baby bij de geboorte naar buiten
clitoris
• is gevoelig voor seksuele prikkels
eikel
• onderdeel van de clitoris, gevoelig voor seksuele prikkels
binnenste en buitenste schaamlippen
• zijn gevoelig voor seksuele prikkels en zwellen daardoor op • beschermen de opening van de vagina • maken vocht aan dat beschermt tegen infecties
3
Geslachtsorganen van de vrouw en hun functies
180
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 180
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
Het mannelijk voortplantingsstelsel
De uitwendige geslachtsorganen van een man bestaan uit de penis met de eikel en voorhuid en de balzak (figuur 4). Aan de binnenkant van het lichaam liggen andere delen van het mannelijk voortplantingsstelsel met elk hun eigen functie (figuur 5 en 6).
balzak eikel voorhuid plasbuisopening 4
Uitwendige mannelijke geslachtsorganen
zaadleider zaadblaasje prostaat plasbuis penis zwellichaam bijbal eikel teelbal
5
Inwendige mannelijke geslachtsorganen
181
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 181
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
naam
functie
teelballen
• produceren van zaadcellen • produceren van geslachtshormonen, vooral testosteron
bijballen
• tijdelijk opslaan van zaadcellen
zaadleiders
• vervoeren van zaadcellen naar de penis
zaadblaasjes
• produceren van vocht dat zaadcellen in leven houdt
prostaat
• produceren van vocht dat zaadcellen in leven houdt
plasbuis
• vervoeren van urine en sperma (zaadcellen en vocht uit
penis
• sperma in de vagina van de vrouw brengen
eikel
• onderdeel van de penis, gevoelig voor seksuele prikkels
voorhuid
• beschermen van de eikel
6
zaadblaasje en prostaat) door de penis
Geslachtsorganen van de man en hun functies
Een erectie bij mannen en vrouwen
Als een man seksueel opgewonden raakt, lopen zwellichamen in de penis vol bloed en wordt de penis stijf. Dit noem je een erectie (figuur 7). Ook een vrouw kan een erectie krijgen. Dit gebeurt bij de clitoris, die ook zwellichamen bevat. Dat valt minder op omdat bij de clitoris alleen de eikel zichtbaar is.
zwellichamen bloedvaten
erectie
erectie zwellichamen bloedvaten
plasbuis 7
Zwellichamen in de penis en clitoris
182
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 182
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
Geslachtscellen
Mitose gebeurt overal in het lichaam. Door mitose worden lichaamscellen gekopieerd en ontstaan steeds twee identieke cellen. Dat betekent dat de celkernen van de moedercel en van de dochtercellen precies hetzelfde DNA bevatten. Geslachtscellen ontstaan op een andere manier. Geslachtscellen ontstaan in de eierstokken en de teelballen door een bijzondere celdeling: de meiose of reductiedeling. Eicellen en zaadcellen die daarbij ontstaan, bevatten in de celkernen de helft van het DNA van een moedercel (figuur 8). Bij de bevruchting versmelten de celkernen van de eicel en de zaadcel (figuur 9). De bevruchte eicel heeft daardoor weer de hoeveelheid DNA van een lichaamscel.
mitose
8
meiose
bevruchting
Mitose, meiose en bevruchting
Bij meisjes zijn eicellen al voor de geboorte gevormd. Vanaf de puberteit rijpen elke maand één of twee eicellen in de eierstokken. Vanaf dat moment kan een vrouw zwanger raken. In de overgang, rond het 50e levensjaar, stopt dit rijpingsproces. Bij jongens worden vanaf de puberteit zaadcellen in de teelballen geproduceerd. Vanaf de eerste zaadlozing is een jongen vruchtbaar. Bij een zaadlozing komen miljoenen zaadcellen vrij. Mannen kunnen tot op hoge leeftijd vruchtbaar zijn. Een eicel is de grootste cel van een mens.
9
Eicel met zaadcellen
Hij bevat reservevoedsel om een bevruchte eicel de eerste dagen van energie te voorzien. Een zaadcel is veel kleiner dan een eicel. Een zaadcel bestaat uit een kop en een zweepstaart, waarmee hij zich voortbeweegt.
WIST JE DAT? Mannelijk geslachtshormoon als doping Het mannelijke geslachtshormoon testosteron bevordert de opbouw van spieren. Sommige sporters willen daarom extra testosteron hebben. Gewichtheffers, bodybuilders en kogelstoters kunnen zo hun prestaties verbeteren. Maar testosteron wordt in de sport beschouwd als doping en is dus verboden. Testosteron heeft ook veel nadelen. Mannen hebben een verhoogde kans op prostaatkanker. Vrouwen krijgen er een zwaardere stem door, meer beharing en verminderde borstgroei. 183
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 183
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
OPDRACHTEN 2
Vrouwelijke geslachtsorganen: namen Schrijf het juiste onderdeel achter de omschrijving. Kies uit: baarmoeder | clitoris | eierstok | eileider | vagina | vulva de plaats waar een eicel wordt bevrucht de plaats waar de bevruchte eicel uitgroeit tot baby de plek die heel gevoelig is voor seksuele prikkels de plaats waar eicellen rijpen de plaats waar sperma in het vrouwelijk lichaam wordt opgevangen de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen
3
Vrouwelijke geslachtsorganen: ligging In de twee tekeningen zijn schematisch de ligging van de geslachtsorganen, de urineblaas en de plasbuis van een vrouw weergegeven. A B C
1 2 3 4 5 6 7
D E F G
tekening 1
tekening 2
De tweede tekening ziet er iets anders uit. Vul het schema in. Welke letter geeft hetzelfde onderdeel aan en wat is de naam van dat onderdeel? tekening 1
tekening 2
naam
1 2 3 4 5 6 7
184
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 184
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
4
Geslachtsorganen 3.3
Sperma Sperma bestaat uit verschillende bestanddelen.
a Welke bestanddelen zijn dat en in welke drie delen van het voortplantingsstelsel wordt sperma geproduceerd?
b Welke functie heeft het vocht dat wordt toegevoegd aan de zaadcellen?
5
Sterilisatie Sterilisatie is een manier om bevruchting te voorkomen en kan zowel bij mannen als bij vrouwen worden toegepast. Bij sterilisatie van een man worden beide zaadleiders afgebonden en eventueel
1
onderbroken. Dit zie je bij P in de tekening.
a Kunnen na sterilisatie bij een man nog
2
P
geslachtshormonen worden gevormd? En zaadcellen?
P
● alleen geslachtshormonen ● alleen zaadcellen ● zowel geslachtshormonen als zaadcellen ● geen geslachtshormonen en geen zaadcellen
3
b Bij welk deel worden geslachtshormonen gemaakt? Noteer het nummer.
c Er komt bij een orgasme nog vocht uit de penis van de man. Hoe kan dat en wat is het verschil met de situatie vóór de sterilisatie?
185
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 185
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
6
Geslachtsorganen 3.3
Mitose en meiose Nieuwe cellen kunnen ontstaan door mitose en meiose.
a Welk soort cellen ontstaan door meiose?
b Wat is het verschil tussen mitose en meiose als je kijkt naar de hoeveelheid DNA in de cellen die ontstaan?
c Waarom is het antwoord bij b belangrijk voor het ontstaan van deze cellen?
d Welke delingen komen in de eierstokken en de teelballen voor?
● alleen mitose ● alleen meiose ● zowel mitose als meiose e Welke cellen ontstaan door meiose?
■ huidcellen ■ eierstokcellen ■ eicellen ■ hersencellen ■ teelbalcellen ■ zaadcellen 7
Zaadcellen en een spijkerbroek Teelballen hebben een temperatuur van 35 °C. Dat is lager dan de lichaamstemperatuur. Deze temperatuur is ideaal om veel zaadcellen te maken die beweeglijk zijn en de juiste vorm hebben. Een groepje studenten krijgt de opdracht om uit te zoeken of de temperatuur van teelballen wordt beïnvloed door het soort spijkerbroek (strak of wijd). Gebruik hierbij eventueel de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen. Je werkt samen met een klasgenoot.
a Wat is de onderzoeksvraag bij dit onderzoek?
b Bedenk een hypothese bij de onderzoeksvraag.
186
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 186
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
c Noem minstens één voorbeeld van een materiaal dat je bij deze proef nodig hebt.
d Uit het onderzoek blijkt dat de temperatuur van de teelballen bij strakke spijkerbroeken hoger is dan 35 °C. Welk vervolgonderzoek zou je kunnen doen?
8
Eicel en zaadcel Geef aan of de omschrijving gaat over een eicel of een zaadcel.
9
is al bij de geboorte aanwezig in het lichaam
eicel | zaadcel
is een onderdeel van sperma
eicel | zaadcel
er worden er miljoenen van gemaakt
eicel | zaadcel
bevat reservevoedsel
eicel | zaadcel
kan bewegen door een zweepstaart
eicel | zaadcel
is de grootste cel van het menselijk lichaam
eicel | zaadcel
Bouw en functie Bij mensen is de bouw van eicellen anders dan de bouw van zaadcellen. Dit verschil in bouw heeft te maken met het verschil in functie van beide typen cellen.
a Welk type geslachtscellen heeft een zweepstaart? Leg uit dat dit verschil in bouw samenhangt met het verschil in functie.
b Welk type geslachtscellen is het grootst? Leg uit dat dit verschil in bouw samenhangt met het verschil in functie.
187
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 187
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
10
Geslachtsorganen 3.3
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. de functies van delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel benoemen.
2, 3
H12, P16
2. de functies van delen van het mannelijke voortplantingsstelsel benoemen.
4, 5
H11, P17
3. uitleggen hoe geslachtscellen zich ontwikkelen.
6, 7
H13, P15
4. verschillen tussen eicellen en zaadcellen benoemen.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Mannelijke geslachtsorganen In de twee tekeningen zijn schematisch de ligging van de geslachtsorganen, de urineblaas en de plasbuis van een man weergegeven. 1
A
2 3 4 5 6 7
B C D E F G tekening 1
tekening 2
188
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 188
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Geslachtsorganen 3.3
De tweede tekening ziet er iets anders uit. Vul het schema in. Welke letter geeft hetzelfde onderdeel aan en wat is de naam van dat onderdeel? tekening 1
tekening 2
naam
1 2 3 4 5 6 7
15
Soorten celdeling In de afbeelding zie je schematisch een aantal delingen. Het zijn delingen zoals die voorkomen in het lichaam van de mens. A en B stellen het DNA voor. AB AB
AB AB
A
B
a Waar vindt in deze afbeelding een meiose plaats?
● bij de deling linksboven ● bij de deling linksonder ● bij de deling rechtsboven ● bij de deling rechtsonder b Leg je antwoord bij a uit.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave De mannenpoli gaat maken.
189
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 189
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
3.4 Omgaan met seksualiteit en seks Aan het eind van deze paragraaf kun je:
•
uitleggen dat je je op verschillende manieren aangetrokken kunt voelen tot iemand.
• • •
uitleggen dat je op verschillende manieren seks kunt hebben. uitleggen wat er gebeurt bij een orgasme. je eigen grenzen aangeven en de grenzen van anderen respecteren.
STARTOPDRACHT 1
Verliefd Als je verliefd bent gebeurt er iets in je hersenen. Er worden stoffen aangemaakt in je hersenen als je die ene persoon ziet. Die stoffen zijn verslavend, waardoor je steeds vaker die persoon wilt zien. Maar hoe begint verliefd worden?
Scan de QR-code en bekijk het filmpje Hoe werkt verliefdheid?
190
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 190
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
a In het filmpje worden twee stoffen genoemd die ervoor zorgen dat je het verliefdheidsgevoel krijgt. Welke twee zijn dit?
b De stoffen die je bij a hebt ingevuld zijn stoffen die ervoor zorgen dat zenuwcellen signalen kunnen doorgeven. Daarnaast spelen bij verliefdheid ook twee geslachtshormonen een rol. Welke?
c Bespreek de volgende vragen in twee-, drie- of viertallen. • Wat vind jij aantrekkelijk in iemand? Waar let je op? • Hoe gedraag je je als je verliefd op iemand bent? • Hoe merk je dat iemand verliefd op jou is? Eventueel volgt een klassengesprek over verliefd zijn.
THEORIE Je aangetrokken voelen
Seksualiteit en seks zijn voor veel mensen belangrijk. Seksualiteit is een verzamelbegrip. Het heeft te maken met je lichaam, je emoties (gevoelens) en je cultuur (normen en waarden). Seks gaat over de handelingen waardoor je seksueel opgewonden raakt. In de puberteit ontdekken de meeste jongeren zichzelf. Je leert jezelf zowel lichamelijk als geestelijk goed kennen. En dat is belangrijk om te bepalen hoe je jezelf opstelt ten opzichte van anderen in verschillende situaties. En ook tot wie je je aangetrokken voelt. Als je verliefd wordt op mensen van een andere sekse dan jijzelf, noem je dat heteroseksueel. Val je op mensen van dezelfde sekse, dan heet dat homoseksueel. Vrouwen die op vrouwen verliefd worden noem je lesbisch en mannen die op mannen vallen noem je homo. Mensen die zich zowel tot mannen als tot vrouwen aangetrokken voelen zijn biseksueel. Er zijn ook mensen die geen seksuele gevoelens voor anderen hebben. Zij zijn aseksueel. Maar zij kunnen zich wel vriendschappelijk tot iemand aangetrokken voelen.
1
Verliefd
Soms is het niet gemakkelijk om mensen in je omgeving te vertellen wat je seksuele voorkeur is. Dit noem je ‘uit de kast komen’. In de Nederlandse Grondwet staat dat iedereen die zich in Nederland bevindt in gelijke gevallen gelijk moet worden behandeld. Je mag dus niet iemand discrimineren wegens een seksuele voorkeur. Maar homoseksualiteit wordt niet overal ter wereld geaccepteerd. Er zijn ook landen waar homoseksualiteit verboden is.
191
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 191
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
Seks met jezelf en met een ander
Seks heeft bij mensen niet alleen maar een functie voor de voortplanting (figuur 2). Mensen hebben ook seks om te laten zien dat ze van elkaar houden en omdat ze het fijn vinden. Seks begint vaak in je gedachten. Je kunt opgewonden raken door je fantasie, maar ook door aanrakingen, zoenen of het zien van bepaalde plaatjes of films. Bij seks gaat het dus om meer dan alleen geslachtsgemeenschap, waarbij de penis in de vagina of anus gaat. Je kunt ook in je eentje seks hebben. Als je bij jezelf fijne seksuele gevoelens opwekt, noem je dat masturberen: vingeren bij vrouwen of aftrekken bij mannen. Door masturberen kun je onderzoeken wat je fijn en lekker vindt. Als je opgewonden wordt merk je dat aan je lichaam. Je gaat sneller ademen en je hart klopt sneller. Je krijgt rodere lippen en je lichaam wordt gevoeliger voor aanrakingen.
2
Seks gaat niet alleen om voortplanting.
Bij een vrouw zwellen de schaamlippen, de vaginawand en de clitoris op en worden vochtig. Bij een man wordt de penis stijf en de eikel wordt vochtig. In dit voorvocht kunnen al zaadcellen zitten. Als je de clitoris of eikel blijft stimuleren wordt je opwinding steeds groter en kun je een orgasme krijgen (klaarkomen). Dit is een fijn gevoel. Bij een vrouw trekken daarbij de spieren rond de vagina en de baarmoeder samen. Bij een man komt bij een zaadlozing sperma uit de penis.
Jouw grenzen en die van anderen
Seks is fijn als je je eigen grenzen bewaakt en die van iemand anders respecteert (figuur 3). Het is goed om voor jezelf na te denken wat je wilt en hoever je wilt gaan op seksueel gebied. Ook is het goed om je grenzen bij de ander aan te geven. Helaas komt seksueel grensoverschrijdend gedrag nog veel voor en op allerlei manieren.
• • • • •
ongewenste seksistische opmerkingen ongewenste aanrakingen (aanranding) (door)sturen van seksueel getinte berichten en foto’s (sexting) nafluiten of nasissen op straat verkrachting
Vaak heeft dit gedrag te maken met macht. Als de een afhankelijk is van de ander is het soms moeilijk om nee te zeggen. Ook groepsdruk kan ervoor zorgen dat je dingen doet die je eigenlijk liever niet wilt.
3
Geef je eigen grenzen aan.
192
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 192
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
WIST JE DAT? MeToo Machtsmisbruik en seksueel geweld in Hollywood was de aanleiding voor de MeToo-beweging. Op 15 oktober 2017 twitterde actrice Alyssa Milano: "Als alle vrouwen die seksueel zijn misbruikt hun status zouden veranderen in MeToo, dan wordt duidelijk hoe groot dit probleem is." De tweet ging viral! 24 uur later was hij al 4,7 miljoen keer gedeeld. Op die manier lieten ongekend veel vrouwen, en ook mannen, weten dat ze te maken hebben gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag. En dat is zeker niet alleen in Hollywood.
OPDRACHTEN 2
Aangetrokken voelen Schrijf de juiste naam achter de beschrijving. Kies uit: aseksueel | biseksueel | heteroseksueel | homoseksueel | lesbisch een vrouw die op vrouwen valt een vrouw die op mannen valt iemand die op een ander van hetzelfde geslacht valt iemand die geen seksuele gevoelens heeft iemand die zowel op mannen als op vrouwen valt
3
Hoe denk jij erover? Hieronder staan stellingen over seksualiteit. Dit ga je doen: 1 De docent of een leerling leest de stellingen één voor één voor. 2 Je bedenkt of je het eens of oneens bent met de stelling. Ben je het eens? Ga dan links in het lokaal staan. Ben je het oneens? Ga dan rechts in het lokaal staan. 3 Praat daarna over het resultaat. Stellingen:
• • • • • • • •
Als twee meisjes gearmd lopen zijn ze waarschijnlijk hetero. Als twee jongens gearmd lopen zijn ze zeker homo. Een heterojongen en een heteromeisje kunnen niet alleen maar vrienden zijn. Homoseksuele mensen komen te vaak op televisie. Je mag homo als scheldwoord gebruiken. Een meisje weet pas dat ze lesbisch is als ze het ook met een man heeft geprobeerd. Iedereen wordt biseksueel geboren. Een jongen die opgevoed wordt door homoseksuele vaders wordt zelf ook homoseksueel. 193
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 193
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
4
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
Seks John zegt: "Een ander woord voor seks is neuken." Klopt het wat John zegt? Leg je antwoord uit.
5
Vragen over seks Er zijn veel websites waar je informatie kunt krijgen over seks.
a Welk soort websites zijn het meest betrouwbaar als het gaat over lichamelijke en medische zaken? Kies er twee. Een website …
■ boven aan de lijst van Google na een zoekopdracht ■ van de overheid die gericht is op voorlichting ■ van een bekende artiest ■ van een online shop ■ van een vlogger ■ van een ziekenhuis b Welke websites bevatten feiten en welke meestal meningen? een website … boven aan de lijst van Google na een zoekopdracht
bevat feiten | bevat meestal meningen
van de overheid die gericht is op voorlichting
bevat feiten | bevat meestal meningen
van een bekende artiest
bevat feiten | bevat meestal meningen
van een online shop
bevat feiten | bevat meestal meningen
van een vlogger
bevat feiten | bevat meestal meningen
van een ziekenhuis
bevat feiten | bevat meestal meningen
c Zoek drie betrouwbare sites waar je antwoorden kunt vinden op vragen die je hebt over seks. Vul je lijstje aan met websites die een klasgenoot vindt.
194
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 194
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
6
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
Orgasme Zowel mannen als vrouwen kunnen een orgasme krijgen.
a Hoe merk je dat een vrouw opgewonden wordt en een orgasme krijgt?
b Hoe merk je dat een man opgewonden wordt en een orgasme krijgt?
7
Reclame Er zijn verschillende seksspeeltjes te koop die het plezier in seks kunnen vergroten. In een webshop van seksspeeltjes staat dat vrouwen vooral klaarkomen door het gebruik van seksspeeltjes die de clitoris aanraken en niet door een penis die in de vagina beweegt.
a Waarom zou je de webshop niet direct moeten geloven? Leg je antwoord uit.
b Heeft de webshop gelijk? Klopt de bewering? TIP Zoek dit uit met hulp van een betrouwbare website. Noem bij je antwoord de website die je hebt gebruikt.
8
Over de grens of niet? Op een muziekfestival van meerdere dagen blijf je slapen in een tentje. Zo kun je fijn feesten en hoef je niet heen en weer naar huis. Na de eerste avond ontmoet je een leuk iemand. Jullie zoenen en de ander wil meer en mee naar jouw tent. Twijfel je of het goed is wat er gebeurt? Scan de QR-code en bekijk de stellingen van Sense.info. Wat vind je van de stellingen? Helpen ze om je grens te bepalen? Leg je antwoord uit.
195
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 195
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
9
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
Ja en nee Als je seks hebt met zijn tweeën moet je rekening houden met elkaar. Hoe merk je of de ander iets wel of niet wil?
a Hoe herken je nee-signalen? Noem er drie.
b Hoe herken je ja-signalen? Noem er drie.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – – , –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen dat je je op verschillende manieren aangetrokken kunt voelen tot iemand.
2, 3
H14, P16
2. uitleggen dat je op verschillende manieren seks kunt hebben.
4, 5
H12, P15
3. uitleggen wat er gebeurt bij een orgasme.
6, 7
H11
4. je eigen grenzen aangeven en de grenzen van anderen respecteren.
8, 9
H13, P17
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
196
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 196
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Omgaan met seksualiteit en seks 3.4
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Klaarkomen Een onderzoek onder mannen en vrouwen wijst uit dat 92% van de mannen klaarkomt bij seks waarbij de penis in de vagina komt. Bij vrouwen is dat lager: 36%. Maak een staafdiagram waarin je deze cijfers verwerkt. TIP Gebruik zo nodig de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken.
15
Sense.info Op de site sense.info kunnen jongeren met al hun vragen terecht over seks. Scan de QR-code en ga naar de homepage van sense.info.
a In het menu staan verschillende onderwerpen. Je hebt een aantal vragen. Bij welk onderwerp moet je zoeken? Schrijf het juiste onderwerp achter de vraag.
•
Ik heb geslachtsgemeenschap gehad zonder voorbehoedmiddel en ben bang dat ik zwanger ben. Wat moet ik doen?
•
Ik ben een jongen, heb pijn bij het plassen en geen condoom gebruikt. Wat moet ik doen?
•
Ik ben smoorverliefd op een jongen, maar hij ziet me niet staan. Wat moet ik doen?
•
Wat is fellatio?
•
Waar zitten de vulvalippen? Is dat hetzelfde als schaamlippen?
b Wat vind jij van de reden dat de website kiest voor het woord vulvalippen en niet voor het woord schaamlippen?
197
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 197
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
3.5 Menstruatiecyclus en bevruchting Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe de menstruatiecyclus verloopt. benoemen welke invloed hormonen hebben op de menstruatiecyclus. uitleggen hoe een eicel wordt bevrucht. uitleggen wanneer een vrouw tijdens de menstruatiecyclus vruchtbaar is.
Bij deze paragraaf hoort de volgende practicumopdracht:
•
Tampon
Overleg met je docent of je dit practicum gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Menstrueren Je maakt met de klas een woordwolk over de menstruatiecyclus.
a Schrijf voor jezelf drie woorden op waar je aan denkt bij het woord ‘menstruatie’.
b Zijn de volgende stellingen over de menstruatie juist of onjuist? juist
onjuist
Vrouwen zijn elke week ongesteld.
●
●
Ongesteldheid duurt enkele weken.
●
●
Een menstruatiecyclus is gemiddeld 28 dagen.
●
●
Vrouwen zijn altijd chagrijnig tijdens de menstruatie.
●
●
Je verliest tijdens de menstruatie ongeveer 50 mL bloed. Dat is zo’n 2 tot 5 eetlepels.
●
●
Bij gebruik van de pil verlies je minder bloed.
●
●
198
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 198
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
c Je docent heeft van de hele klas de woorden van opdracht a verzameld. Bijvoorbeeld door ze op het bord te schrijven, een poll te laten invullen of door een app te gebruiken. Er is een woordwolk ontstaan waarbij je kunt zien welke antwoorden het meest zijn gegeven. Welke drie woorden zijn het meest genoemd? Is dat verrassend? Zit een van jouw woorden erbij?
THEORIE De menstruatiecyclus
In de puberteit, tussen het 10e en 15e levensjaar, menstrueren de meeste meisjes voor het eerst. Hierbij verliest een vrouw slijm en bloed via de vagina. Vlak voordat je ongesteld wordt, kun je last hebben van buikkrampen en sneller verdrietig en geïrriteerd zijn. Ook hebben sommige vrouwen last van extreme buikpijn tijdens de menstruatie. Voordat de menstruatie plaatsvindt is er in het lichaam al een aantal dingen gebeurd. Er zijn
rijping cellen
1
men st ru ie at
oe baarm derslijm vli oei r es g
vier fasen in de menstruatiecyclus van gemiddeld 28 dagen (figuur 1).
o v u l a ti e
Menstruatiecyclus
199
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 199
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
1 Er rijpen een of twee eicellen in de eierstokken. Dit zie je aan de rechterkant van de cyclus. 2 De eisprong of ovulatie vindt plaats. Een rijpe eicel ‘springt’ uit de eierstok naar de eileider (figuur 2). 3 Het baarmoederslijmvlies wordt dikker. Hierin kan een bevruchte eicel zich nestelen. 4 De menstruatie of ongesteldheid. Ongeveer veertien dagen na de eisprong wordt het dikke baarmoederslijmvlies met bloedvaatjes afgestoten. Slijm en bloed verlaten het lichaam via de vagina.
eileider
Een onbevruchte eicel wordt afgebroken in de eileider.
eicelrijping spierlaag
eisprong
verdikt baarmoederslijmvlies 2
Eicelrijping in de eierstok en eisprong
TIP Scan de QR-code en bekijk het filmpje Waarom worden meisjes ongesteld?
De tijd tussen twee menstruaties kan in de puberteit onregelmatig zijn. Ook de lengte van de cyclus kan verschillen, bijvoorbeeld door stress, eetproblemen, extreem sporten of door het gebruik van medicijnen. Tussen het 45e en 55e levensjaar komt een vrouw in de overgang. De menstruatiecyclus wordt onregelmatig en niet elke maand rijpt er een eicel meer. Na een tijdje is er geen eisprong meer en stoppen de menstruaties.
Hormonen zijn actief
Tijdens de menstruatiecyclus zijn meerdere hormonen actief. De hypofyse en de eierstokken maken hormonen die in de vier fasen de processen regelen.
•
De hypofyse maakt een hormoon dat eicellen laat rijpen (A) en een hormoon dat de ovulatie in gang zet (B).
•
De eierstokken maken hormonen die de groei van het baarmoederslijmvlies bevorderen (C) en die het slijmvlies klaarmaken voor de innesteling (D) (figuur 3).
Als de eicel niet wordt bevrucht, gaat deze dood en begint de cyclus opnieuw. Als de eicel wel wordt bevrucht, dan wordt het zwangerschapshormoon aangemaakt. Dit hormoon stopt de menstruatiecyclus. Er rijpen geen eicellen meer en er is geen menstruatie meer.
200
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 200
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
A B C D
eicellen rijpen menstruatie dag 3
ovulatie
1
groei baarmoederslijmvlies
14
28
Hormoonproductie
Bevruchting en innesteling
Na de eisprong kan een eicel in de eileider bevrucht worden door een zaadcel (figuur 4). Dat moet snel gebeuren, want een eicel die na ongeveer één dag niet is bevrucht, wordt in de eileider afgebroken. Tijdens de menstruatiecyclus is een vrouw dus kort vruchtbaar. Zaadcellen die bij een zaadlozing in de vagina komen leven twee tot drie dagen. In die tijd bewegen ze via de baarmoeder naar de eileiders. Onderweg gaan veel zaadcellen dood. Alleen de sterksten bereiken de eicel in de eileider.
eicel wordt bevrucht eileider zaadcellen
baarmoeder
eierstok
baarmoedermond zaadcellen vagina
penis
4
Zaadlozing in de vagina en bevruchting in de eileider.
201
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 201
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
Vanaf het moment dat de eerste zaadcel de eicel binnendringt, is de eicel ondoordringbaar voor andere zaadcellen. De bevruchting vindt plaats. De kernen van eicel en zaadcel smelten samen. Na de bevruchting deelt de eicel zich meerdere keren door mitose. Het klompje cellen dat ontstaat verplaatst zich door de eileider naar de baarmoeder. Na ongeveer een week vindt de innesteling plaats in het verdikte baarmoederslijmvlies met bloedvaten (figuur 5). De bloedvaten zorgen ervoor dat het klompje cellen voldoende zuurstof en voedingsstoffen krijgt om verder te delen.
eileider
baarmoeder
eierstok
bevruchting
innesteling in baarmoederslijmvlies
5
Bevruchting en innesteling in het baarmoederslijmvlies
WIST JE DAT? Hoe werkt een zwangerschapstest? Word je niet op tijd ongesteld en heb je seks gehad? Wil je weten of je zwanger bent? Dan kun je een zwangerschapstest doen. De test meet of er zwangerschapshormoon in de urine zit. Een zwangerschapstest is te koop via internet of bij een supermarkt of drogisterij. Je kunt een zwangerschapstest uitvoeren vanaf de dag dat je de menstruatie verwacht. Op een bijsluiter staat een gebruiks aanwijzing:
• •
Haal met droge, schone handen de dop van de test. Houd de stift 10–15 seconden in de urinestraal of in een schoon bakje met opgevangen urine.
• • •
Plaats de dop terug op de stift en leg de test op een vlakke ondergrond. Wacht 5–10 minuten om het resultaat in het venster af te lezen. Zie je twee streepjes? Dan ben je zwanger.
202
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 202
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
OPDRACHTEN 2
De menstruatiecyclus In de afbeelding zijn de vier fasen van de menstruatiecyclus in volgorde met een letter aangegeven. A
B
C
D
a Hoelang duurt de menstruatiecyclus gemiddeld?
b In welke fase is het baarmoederslijmvlies op zijn dikst?
c In welke fase vindt de menstruatie plaats?
d In welke fase vindt de ovulatie plaats?
e In welke fase is de vrouw vruchtbaar?
3
Sterilisatie vrouw Wanneer een vrouw zich laat steriliseren worden de eileiders onderbroken.
a Welk onderdeel van het voortplantingsstelsel functioneert daardoor niet meer?
● baarmoeder ● eierstok ● eileider ● vagina b Welke functie wordt daardoor uitgeschakeld?
● het maken van slijmvlies voor de innesteling ● het maken van geslachtshormonen ● het rijpen van eicellen ● het vervoeren van de eicel naar de baarmoeder ● het vervoeren van zaadcellen c Vindt er na sterilisatie nog menstruatie plaats? En ovulatie?
● alleen menstruatie ● alleen ovulatie ● geen menstruatie en geen ovulatie ● zowel menstruatie als ovulatie
203
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 203
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
4
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
Hormoonklieren In de tekening zie je de ligging van enkele hormoonklieren in het lichaam van een vrouw.
1
a Welke twee hormoonklieren zijn bij de vrouw betrokken bij het begin van de puberteit en het starten van de menstruatiecyclus?
2
Noem de nummers en de namen van de hormoonklieren.
3 4
b Wat zijn de functies van deze twee hormonen? 5
5
Een gouden medaille Bij mannen en vrouwen worden zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtshormonen gemaakt. Bij vrouwen meer vrouwelijk geslachtshormoon, bij mannen meer mannelijk geslachtshormoon. Bij de Olympische Spelen won een vrouwelijke Algerijnse bokser de gouden medaille. Bij haar werd meer dan gemiddeld mannelijk geslachtshormoon geproduceerd dan bij andere vrouwen. Er was discussie over of hier sprake was van een gelijke strijd.
a Welk voordeel heeft een vrouwelijke bokser met meer dan gemiddeld mannelijk geslachtshormoon?
b Was er sprake van een gelijke strijd met andere vrouwelijke boksers? Wat vind jij? Bespreek je antwoord met een of twee klasgenoten. Wat vinden jullie, is dit eerlijk? Geef met elkaar minstens één argument voor en één argument tegen.
204
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 204
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
6
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
De juiste plaatsing Een vrouw wordt zwanger. Waar vinden de volgende gebeurtenissen plaats in het lichaam van een vrouw? Koppel de gebeurtenis aan de juiste plaats.
7
bevruchting
•
•
eileider
innesteling
•
•
eierstok
ontwikkeling baby
•
•
baarmoeder
rijping eicel
•
•
vagina
zaadlozing
•
•
baarmoederslijmvlies
Buitenbaarmoederlijke zwangerschap Een eileider kan gaan ontsteken en daardoor bijna geheel verstopt raken. Zaadcellen kunnen nog wel langs deze verstopping, maar een eicel niet. Zo kan soms een buitenbaarmoederlijke zwangerschap ontstaan (zie tekening).
P
a Hoe heet orgaan P?
b Waarom kan de bevruchte eicel niet uitgroeien tot een baby?
205
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 205
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
c Waarom is een buitenbaarmoederlijke zwangerschap levensgevaarlijk voor de moeder?
8
Vruchtbare periode In het schema zie je gegevens van een vrouw van 35 jaar: de datum, de dag van de cyclus, haar lichaamstemperatuur in de ochtend en de dikte van het baarmoederslijmvlies. Ze heeft een regelmatige cyclus. Ga er bij het beantwoorden van de vragen vanuit dat een zaadcel drie dagen leeft en een eicel één dag. Mei
Juni
Dag van de maand 5
6
7
8
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 1
2
3
4
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 1
2
3
Dag van de cyclus 1
37,0 °C
2
3
4
5
6
7
8
lichaamstemperatuur in de ochtend
36,5 °C 36,0 °C
dikte van het baarmoederslijmvlies week 1
week 2
week 3
week 4
a Hoelang duurt de cyclus?
b Op welke datum is de ovulatie?
c Op welke dagen van de cyclus is de vrouw vruchtbaar? Leg je antwoord uit.
206
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 206
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
d In de figuur zie je de curve van de ochtendtemperatuur. Op welke twee dagen van de cyclus gaat de temperatuur duidelijk omhoog? Rond welke gebeurtenis is dat ongeveer?
e Waarvoor kun je de ochtendtemperatuurcurve gebruiken?
f
Op welke datum is de volgende cyclus afgelopen? Leg je antwoord uit.
9
Vloggers en wetenschap Met een ochtendtemperatuurcurve kan een vrouw het moment van haar ovulatie bepalen. Zij meet elke ochtend op hetzelfde tijdstip haar lichaamstemperatuur. Zij mag vlak voor het bepalen van de temperatuur niets anders doen, niet even drinken of uit bed gaan. Lees de volgende twee uitspraken.
•
Een vlogger met meer dan één miljoen volgers zegt dat het opmeten van de ochtendtemperatuur een heel betrouwbare manier is om zwangerschap te voorkomen.
•
Een wetenschapper laat een onderzoek onder 30 000 jongeren zien dat aantoont dat het opmeten van de ochtendcurve minder betrouwbaar is dan het gebruik van de pil, het spiraaltje of een condoom.
a Welk antwoord is juist?
● Wat de vlogger en de wetenschapper zeggen is allebei een mening. ● Wat de vlogger zegt is een mening, wat de wetenschapper zegt is een feit. ● Wat de vlogger zegt is een feit, wat de wetenschapper zegt is een mening. ● Wat de vlogger en de wetenschapper zeggen is allebei een feit. b Wat maakt de ochtendtemperatuurmethode onbetrouwbaar om te gebruiken als voorbehoedsmiddel? Noem minimaal drie redenen.
207
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 207
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
10
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe de menstruatie cyclus verloopt.
2, 3
H11, P15
2. benoemen welke invloed hormonen hebben op de menstruatie cyclus.
4, 5
H12, P16
3. uitleggen hoe een eicel wordt bevrucht.
6, 7
H13, P17
4. uitleggen wanneer een vrouw tijdens de menstruatiecyclus vruchtbaar is.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Processen van de menstruatiecyclus In welke volgorde treden deze processen op? Zet de nummers 1 tot en met 4 in de vakjes. Deze processen vinden plaats tijdens de menstruatiecyclus van de vrouw: ovulatie het baarmoederslijmvlies wordt dikker menstruatie rijping van de eicel in de eierstok
208
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 208
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
15
Menstruatiecyclus en bevruchting 3.5
Menstruatiecyclus van chimpansees Niet alle zoogdieren menstrueren. Mensen en mensapen lijken wat de menstruatiecyclus betreft het meest op elkaar. De tijdsduur van de cyclus verschilt wel. Bij mensen duurt de menstruatiecyclus gemiddeld 28 dagen, bij chimpansees 37 dagen. Werk bij deze vraag in een tweetal.
a Zoek uit hoe je bij een chimpanseevrouwtje kunt zien dat ze vruchtbaar is.
b Kleur in de tijdbalk de menstruatieperiode rood en de vruchtbare periode groen. Ga bij het tekenen uit van de volgende gegevens. De menstruatie duurt zes dagen. De ovulatie vindt op de 18e dag plaats. De zaadcellen en eicellen leven net zo lang als bij de mens. 1
2
3
4
5
6
7
8
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37
c Kies een zoogdier met een menstruatiecyclus. Maak hierover een ‘wist je dat’ van maximaal honderd woorden. Deel de ‘wist je dat’-verhalen in de klas.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Meten is weten? gaat maken.
209
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 209
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
3.6 Zwangerschap en geboorte Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• • • •
uitleggen hoe een bevruchte eicel uitgroeit tot een baby. benoemen waarvoor prenataal onderzoek wordt gebruikt. uitleggen hoe een tweeling ontstaat. uitleggen hoe een baby wordt geboren.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten:
• •
Vruchtwater Hartslag van een foetus
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Groei en ontwikkeling ongeboren baby Je bekijkt de groei en ontwikkeling van een ongeboren baby. Beantwoord eerst de volgende twee vragen.
a Een eicel is een van de grootste cellen in het menselijke lichaam en net met het blote oog te zien. Schat hoe groot een bevruchte eicel is.
b Schat hoe groot een net geboren baby is. TIP Misschien heb je een geboortekaartje waar het op staat?
210
VIVO 3vmbo GT_H3_Seksualiteit en voortplanten.indd 210
24/03/2025 15:28
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
c Volg de groei van een ongeboren baby. Scan de QR-code en bekijk het filmpje Ontwikkeling ongeboren baby. Vul tijdens het kijken de lengte van de baby in de tabel in. Zet hiervoor het filmpje af en toe stop. Wat is de lengte van de baby in maand 6 en maand 8? Maak een schatting en vul de tabel aan. na maand
1
2
3
4
5
6
7
8
9
lengte in cm
THEORIE Zwangerschap
Vanaf het moment dat de eicel bevrucht is, is een vrouw zwanger. Het klompje cellen bereikt na ongeveer zes dagen vanuit de eileider de baarmoeder. Daar vindt de innesteling in het baarmoederslijmvlies plaats. Bloedvaten in dat slijmvlies voeren zuurstof en voedingsstoffen aan. Het klompje cellen ontwikkelt zich hier tot een embryo. Na vier weken ontwikkelt zich de navelstreng. Dit is de verbinding tussen het embryo en de placenta. De navelstreng bestaat uit weefsel van het kind (figuur 1). De placenta bestaat voor een deel uit weefsel van de moeder en voor een deel uit weefsel van het embryo. In de placenta worden stoffen uitgewisseld door dunne vliezen tussen moeder en embryo. Bloed van de moeder en het kind vermengen zich hierbij niet. Zuurstof en voedingsstoffen gaan van de moeder via de navelstreng naar het embryo. Koolstofdioxide en afvalstoffen gaan via de navelstreng van het embryo naar de moeder. Ook alcohol, nicotine (de verslavende stof in sigaretten) en virussen kunnen de placenta passeren. placenta
baarmoederslijmvlies slagader van de moeder ader van de moeder bloedvaten van het embryo
navelstrengslagaders
navelstreng navelstrengader
1
De navelstreng en placenta
211
VIVO 3vmbo GT_H3_Seksualiteit en voortplanten.indd 211
24/03/2025 15:28
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
Na acht weken zwangerschap zijn alle organen aanwezig. Ze moeten nog wel verder groeien en zich ontwikkelen. Vanaf dit moment spreek je over de foetus (figuur 2). De foetus is omgeven door twee vruchtvliezen gevuld met vruchtwater. Zowel vruchtvliezen als vruchtwater zijn weefsels van het kind. Vruchtvliezen beschermen het kind tegen ziekteverwekkers. Het vruchtwater beschermt tegen schokken, uitdroging en temperatuurwisselingen.
2 weken 2
12 weken
20 weken
28 weken
36 weken
40 weken
Ontwikkeling van de foetus
Na tien weken zwangerschap kun je met een echo de foetus voor het eerst zien en je kunt het hart zien kloppen (figuur 3). De echo is een voorbeeld van prenataal onderzoek en werkt met geluidsgolven. Het wordt gebruikt om de groei en ontwikkeling van de foetus te volgen. Bij een 20 wekenecho kan de verloskundige ook het geslacht van de foetus zien.
3
Echo
212
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 212
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
Tweelingen
Bij een ovulatie komen er een of meer eicellen vrij. Soms valt het klompje cellen, dat ontstaan is uit een bevruchte eicel, in twee stukken uiteen (figuur 4). Deze stukken groeien dan uit tot een eeneiige tweeling. Het zijn kinderen van hetzelfde geslacht en ze lijken heel veel op elkaar (figuur 5). Als twee eicellen vrijkomen en ze worden allebei bevrucht, ontstaat er een twee-eiige tweeling. Een twee-eiige tweeling kan ook uit een jongen en een meisje bestaan. Ze lijken minder op elkaar dan een eeneiige tweeling. twee-eiige tweeling
eeneiige tweeling
vroege embryo splitst na innesteling placenta
4
Ontstaan van tweelingen
5
Een twee-eiige tweeling (links) en een eeneiige tweeling (rechts)
213
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 213
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
Geboorte
De draagtijd bij mensen, van bevruchting tot geboorte, is gemiddeld negen
ontsluiting
maanden of 40 weken. Dan is de foetus volgroeid en ligt de baby meestal met
baarmoedermond
het hoofd naar beneden tegen de baarmoedermond aan. De bevalling gaat
vagina
in een aantal fasen (figuur 6).
•
De ontsluiting. De moeder krijgt weeën. De spieren van de baarmoederwand trekken op dat
uitdrijving
moment samen. De vruchtvliezen breken en het vruchtwater loopt weg.
•
De uitdrijving. De weeën worden steeds sterker. De persweeën duwen het kind naar buiten. Na de geboorte wordt de navelstreng doorgeknipt. De baby moet nu zelf ademen.
•
De nageboorte. De placenta, de vruchtvliezen en een deel van de
nageboorte
navelstreng worden door weeën naar
navelstreng
buiten geduwd.
placenta 6
De drie fasen van de geboorte
WIST JE DAT? Siamese tweelingen Pin en Pan is een Siamese tweeling uit Thailand (foto links). Ze delen hun lichaam en hebben vier handen en twee benen. Siamese tweelingen ontstaan volgens de meeste wetenschappers doordat de bevruchte eicel zich niet volledig splitst. Soms kunnen ze door een operatie van elkaar gescheiden worden. Dit is afhankelijk van welke organen er met elkaar zijn vergroeid of worden gedeeld. Soms zijn de hersenen gedeeld en dan is zo’n operatie onmogelijk. Ze zullen dan hun hele leven samenblijven. Niet alleen mensen kunnen Siamese tweelingen krijgen, ook dieren. Een kalf met twee hoofden is een voorbeeld van zo’n dier (foto rechts).
214
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 214
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
OPDRACHTEN 2
Zwangerschap In de tekening zie je een eileider met daarin celdelingen.
a Vinden deze delingen plaats door mitose of door meiose? Leg je antwoord uit.
b Als cellen zich delen ontstaan nieuwe cellen die in de meeste gevallen net zo groot zijn als de oorspronkelijke cel. Wat valt je op aan het klompje cellen in de eileider? Leg uit waarom dit belangrijk is.
215
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 215
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
3
Zwangerschap en geboorte 3.6
De placenta De placenta ontstaat tijdens de zwangerschap.
a In de tabel staan verschillende organisatieniveaus en begrippen. Het begrip ‘placenta’ hoort bij het niveau van orgaan.
cel
weefsel
orgaan
orgaanstelsel organisme
populatie
ecosysteem
biosfeer
Vul de tabel aan met organisatieniveaus en begrippen uit dit hoofdstuk. orgaan eicel
bloed
orgaanstelsel
organisme
placenta
b In welk deel van het voortplantingsstelsel ontstaat de placenta?
c Wat is de functie van de placenta?
d Als een vrouw rookt tijdens de zwangerschap, is dat ook niet gezond voor het kind. Welke stof krijgt het kind dan binnen en wat gebeurt er na de geboorte met het kind?
aantal weken van de zwangerschap
massa van de placenta (gram)
10
25
24
225
40
475
massa placenta in gram →
e Tijdens de zwangerschap wordt de placenta zwaarder. Dit is in de tabel weergegeven.
Maak met deze gegevens een staafdiagram.
500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
10
24
40
duur zwangerschap in weken → TIP Kijk nog eens op de Vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken.
216
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 216
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
4
Zwangerschap en geboorte 3.6
Het ontstaan van een twee-eiige tweeling Tweelingen kunnen bij de mens op de volgende manieren ontstaan. 1 Een bevruchte eicel deelt zich. De beide klompjes cellen raken los van elkaar en groeien elk uit tot een kind. 2 Uit elk van beide eierstokken komt een eicel vrij. Beide eicellen worden bevrucht. 3 Uit één eierstok komen twee eicellen vrij, die beide worden bevrucht. Op welke manier of manieren ontstaat een twee-eiige tweeling?
● alleen op manier 1 ● alleen op manier 2 ● op manier 1 en 3 ● op manier 2 en 3 5
Een tweeling Uit één bevruchte eicel ontstaat een tweeling. De eerstgeboren baby is een jongen. Hoe groot is de kans dat de andere baby óók een jongen is? Leg je antwoord uit.
6
Fijnstof Naar: Examen GL/TL 2017-2 Fijnstof is een verzamelnaam voor deeltjes die in de lucht zweven en kleiner zijn dan 0,01 millimeter. Het is een vorm van luchtvervuiling die onder andere door verkeer en industrie wordt veroorzaakt. Fijnstof in het lichaam van een zwangere vrouw kan tot gevolg hebben dat de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen naar de ongeboren baby minder is dan normaal. Dit heeft een nadelige invloed op de groei van de baby.
a Hoe heet het orgaan waarin zuurstof en voedingsstoffen vanuit het bloed van de zwangere vrouw in het bloed van de baby terechtkomen?
b Waarom vindt tijdens een zwangerschap prenataal onderzoek plaats?
c Hoe heet de techniek die werkt met geluidsgolven waarmee je een achterstand in de groei kunt vaststellen?
217
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 217
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
d Onderzoekers hebben ontdekt dat fijnstof nadelig is voor de groei van het ongeboren kind. Leg in drie stappen uit hoe ze het onderzoek hebben aangepakt. TIP Je kunt gebruikmaken van de vaardigheidskaart Natuurwetenschappelijk onderzoek doen.
7
20 wekenecho Als je zwanger bent, kun je zelf kiezen voor een 20 wekenecho of niet. Een echo doet geen pijn en is niet gevaarlijk. Bij de 20 wekenecho kan de verloskundige behalve de groei en ontwikkeling ook het geslacht zien. Ook kunnen eventuele lichamelijke afwijkingen worden vastgesteld. Bespreek in een groepje deze vragen over de 20 wekenecho. 1 Zou je een 20 wekenecho laten doen? Waarom wel of niet? Bedenk argumenten voor en tegen. 2 Hoeveel wil je tijdens de zwangerschap al weten over je kind? Wat wel en wat niet?
8
De bevalling Scan de QR-code en bekijk het filmpje over de bevalling. Zet de nummers van de gebeurtenissen tijdens de bevalling in de juiste volgorde. Noteer de cijfers 2 tot en met 10 in de juiste vakjes.
1
Het kind gaat met het hoofd naar de uitgang van de baarmoeder liggen. De navelstreng wordt doorgeknipt. De geboorte vindt plaats. De vruchtvliezen springen stuk. De moeder krijgt weeën. Het kind gaat zelf ademhalen. De nageboorte komt naar buiten. Het vruchtwater stroomt naar buiten. De baarmoedermond wordt wijder. De persweeën beginnen.
9
Bevallen in bad Er zijn vrouwen die er de voorkeur aan geven om in een bad met warm water te bevallen. Door de temperatuur van het water is de bevalling voor het kind meer ontspannen. Vaak zijn pasgeboren kinderen daardoor rustiger en huilen ze minder.
a Waardoor zal de bevalling in water minder stressvol zijn voor het kind?
218
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 218
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
b Bestaat de kans dat het pasgeboren kind verdrinkt in het badwater? Leg je antwoord uit.
10
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe een bevruchte eicel uitgroeit tot een baby.
2, 3
H12, P16
2. benoemen waarvoor prenataal onderzoek wordt gebruikt.
4, 5
H13
3. uitleggen hoe een tweeling ontstaat.
6, 7
H11, P17
4. uitleggen hoe een baby wordt geboren.
8, 9
H14, P15
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
219
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 219
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Gapen Met echoscopie is aangetoond dat mensen al vóór de geboorte gapen (zie de afbeelding).
a Over de functie van gapen bestaan verschillende ideeën. Gapen begint met een diepe inademing. Vroeger dacht men daarom dat gapen werd veroorzaakt door zuurstoftekort. Door te gapen zou er dan meer zuurstof in het bloed komen. Leg uit dat gapen bij een ongeboren baby niet tot gevolg kan hebben dat er meer zuurstof in het bloed komt.
b Zal de afbeelding bij een 10 wekenecho of bij een 20 wekenecho zijn gemaakt? Waarom denk je dat?
c Waarvoor wordt prenataal onderzoek gebruikt?
TIP Meer weten over gapen? Scan de QR-code en bekijk het filmpje.
220
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 220
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
15
Zwangerschap en geboorte 3.6
Melkvee houden Naar: Examen GL/TL 2023-2 Teun is melkveehouder. Hij heeft geen stieren en bestelt daarom sperma om hiermee zijn koeien te bevruchten. Dat sperma brengt hij met een rietje in het geslachtsorgaan van de koe in. Dit noem je kunstmatige inseminatie.
a Tijdens de kunstmatige inseminatie voelt Teun met zijn hand in de endeldarm van de koe of het rietje op de juiste plek terechtkomt (zie tekening). De namen en functies van de voortplantingsorganen van koeien zijn hetzelfde als bij mensen. Geef de naam van het deel waar het rietje in uitkomt.
b Na negen maanden begint de geboorte van het kalfje (zie tekening).
Welke fase van de geboorte zie je in de tekening?
● indaling ● nageboorte ● ontsluiting ● uitdrijving
221
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 221
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Zwangerschap en geboorte 3.6
c In de tabel zie je de draagtijd van verschillende dieren. Daaronder staat een staafdiagram waarbij de namen van dieren nog ontbreken. dier
draagtijd
muis
20 dagen
kat
65 dagen
schaap
5 maanden
koe
280 dagen
paard
336 dagen
olifant
20 maanden
Kies uit: kat | koe | muis | olifant | paard | schaap
draagtijd dieren in maanden →
Schrijf in elke staaf van het staafdiagram de naam van het juiste dier. 20
10
0
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave Tweelingen gaat maken.
222
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 222
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
3.7 Soa’s en voorbehoedsmiddelen Aan het eind van deze paragraaf kun je:
• •
uitleggen hoe je besmet kunt raken door een soa. uitleggen hoe je een soa kunt voorkomen en wat je kunt doen als je besmet bent.
• •
uitleggen hoe je een ongewenste zwangerschap kunt voorkomen. uitleggen wat je kunt doen als je ongewenst zwanger bent.
Bij deze paragraaf horen de volgende practicumopdrachten.
• •
Het condoom Aids-bekerspel
Overleg met je docent of je deze practica gaat uitvoeren.
STARTOPDRACHT 1
Niet zwanger worden Je ziet hier verschillende middelen en voorwerpen die je kunt gebruiken om zwangerschap te voorkomen.
B
D
A
C
223
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 223
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Werk in tweetallen. Schrijf de letters op.
a Welke (voorbehoeds)middelen worden gebruikt door vrouwen?
b Welke middelen worden gebruikt door mannen?
c Welke middelen worden gebruikt vóór de geslachtsgemeenschap?
d Welke middelen worden gebruikt tijdens de geslachtsgemeenschap?
e Welke middelen werken gedurende langere tijd?
f
Bij welke middelen heb je een arts nodig om te plaatsen?
g Hoeveel pillen zitten in B? De strip bevat
pillen.
h Bij A zie je een thermometer. Leg uit hoe je een thermometer kunt gebruiken om een zwangerschap te voorkomen. Dit is overigens een onbetrouwbare methode.
i
Wat zijn de namen van B, C en D?
THEORIE Seksueel overdraagbare aandoeningen
Je wilt voorkomen dat je zwanger wordt of een soa (seksueel overdraagbare aandoening) oploopt. Daarom is het verstandig dat je van tevoren nadenkt en je voorbereidt op seks. Neem condooms mee. Als je een condoom gebruikt kun je zowel een zwangerschap als een geslachtsziekte (soa) voorkomen. Bij een soa worden ziekteverwekkers overgedragen tijdens seks. Dit gebeurt via voorvocht uit de penis, vocht uit de vagina en sperma. Overdracht kan ook plaatsvinden via de mond en de anus of door contact met besmet bloed. Soa’s worden door bacteriën en virussen veroorzaakt (figuur 1). Je merkt niet altijd dat je een soa hebt. Of je denkt dat het vanzelf over gaat. Als je niets doet, kunnen de gevolgen vooral bij syfilis, gonorroe, hiv en HPV ernstig zijn. Je kunt bijvoorbeeld onvruchtbaar worden. Hiv maakt het afweersysteem
224
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 224
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
kapot. Je merkt dan nog niet dat je ziek bent, maar je bent al wel besmettelijk. Als je dan ziekteverschijnselen krijgt, noem je het aids. De meest voorkomende klachten bij soa’s zijn pijn bij het plassen, pijn in de onderbuik en afscheiding uit de vagina, penis en anus. Afscheiding bestaat uit slijmerig vocht dat normaal helder of wit en geurloos is. Afscheiding met een andere kleur of geur wijst meestal op een soa (figuur 2). Met antibiotica kun je genezen van soa’s die veroorzaakt zijn door bacteriën. Soa’s veroorzaakt door virussen zijn moeilijker te bestrijden. soa
ziekteverwekker
klachten
chlamydia
bacterie
meestal geen
gonorroe
bacterie
meisjes: meestal geen jongens: witgelig of groen vocht uit de penis
syfilis
bacterie
zweertjes bij de mond, vagina, penis of anus De zweertjes verdwijnen na een aantal weken, maar de soa is niet uit je lichaam.
herpes
virus
blaasjes of zweertjes vol vocht, koortslip, één week na de seks De blaasjes verdwijnen, maar de soa is niet uit je lichaam.
genitale wratten
virus
wratten op penis, vagina, anus Gaat vanzelf over.
hiv (aids)
virus
klachten na een aantal weken en lijken op griep
HPV
virus
meestal geen Later kun je wel genitale wratten of kanker krijgen.
1
Soa's met ziekteverwekkers en klachten
2
Bij een soa merk je vaak dat plassen pijn doet, en dat er afscheiding met een andere kleur of geur in je onderbroek zit.
TIP Scan de QR-code voor meer informatie over soa’s.
225
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 225
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Voorbehoedsmiddelen
Voorbehoedsmiddelen of anticonceptiemiddelen voorkomen een ongewenste zwangerschap en soa’s (figuur 3). Het condoom doet beide. Veelgebruikte voorbehoedsmiddelen zijn de (anticonceptie)pil en het spiraaltje. Ze beschermen ieder op hun eigen manier tegen een ongewenste zwangerschap. Bij goed gebruik zijn deze voorbehoedsmiddelen heel betrouwbaar en is de kans op een zwangerschap klein. voorbehoedsmiddel
werking
bijzonderheid
condoom
tegenhouden van zaadcellen door een hoesje van latex om de penis
beschermt ook tegen soa’s
pil
voorkomen van de eisprong door het slikken van hormonen
Je slikt 21 dagen elke dag een pil en daarna 7 dagen niet.
spiraaltje
voorkomen van innesteling in baarmoederwand door hormonen of koper
• hormoonspiraaltje of
andere anticonceptiemiddelen met hormonen
voorkomen van de eisprong door hormonen
pessarium
tegenhouden van zaadcellen door een kapje over de baarmoedermond
3
koperspiraaltje
• wordt door een arts ingebracht
bijvoorbeeld: prikpil anticonceptiepleister ring staafje
• • • •
Je brengt het zelf in.
Voorbehoedsmiddelen
TIP Scan de QR-code voor meer informatie over voorbehoedsmiddelen.
226
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 226
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Er zijn ook onbetrouwbare methodes om zwangerschap te voorkomen.
•
Het terugtrekken van de penis uit de vagina vlak voor de zaadlozing. De methode is onbetrouwbaar, want in het voorvocht kunnen al zaadcellen zitten.
•
Het bepalen van de vruchtbare periode tijdens de menstruatiecyclus. Je voorkomt een zwangerschap door tijdens de vruchtbare periode geen geslachtsgemeenschap te hebben. De methode is niet betrouwbaar, omdat er altijd omstandigheden zijn die de lengte van de menstruatiecyclus en het moment van de ovulatie kunnen beïnvloeden, zoals ziekte, koorts of voeding.
De vruchtbare periode bepaal je door tijdens de menstruatiecyclus je lichaamstemperatuur te meten (figuur 4). Rond de ovulatie stijgt de temperatuur. Dit is het signaal dat je geen veilige seks kunt hebben. Een andere manier is om je menstruatiecyclus nauwkeurig op een kalender bij te houden. Bij een menstruatiecyclus van 28 dagen ben je tussen de 11e en 15e
lichaamstemperatuur
dag vruchtbaar en is seks onveilig.
dagen 1
7
14
21
28
ovulatie
4
Lichaamstemperatuur tijdens de menstruatiecyclus
Als je niet zwanger wilt worden, dan is sterilisatie mogelijk. Dit kan bij zowel de man als de vrouw. Hierbij worden de zaadleiders of de eileiders onderbroken, zodat een zaadcel niet bij de eicel kan komen (figuur 5).
5
Sterilisatie van de vrouw en van de man
227
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 227
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Als het misgaat
Voorkomen is beter dan genezen. Een condoom beschermt je zowel tegen een ongewenste zwangerschap als tegen een soa. Als je onveilige seks hebt gehad en je zorgen maakt of je een soa hebt, ga dan naar de dokter of GGD. Veel soa’s gaan snel over met antibiotica. Als uit een test blijkt dat je een soa hebt opgelopen, is het belangrijk dat je je sekspartner inlicht. Deze kan dan ook een test doen en zo voorkom je dat misschien anderen ook besmet raken. TIP Scan de QR-code voor meer informatie over een soa-test.
Heb je onveilige seks gehad en ben je bang dat je zwanger wordt? Haal dan meteen een morning-afterpil bij de apotheek of drogist (figuur 6). De morning-afterpil stelt de eisprong uit en voorkomt zo dat een eicel wordt bevrucht. TIP Scan de QR-code voor meer informatie over ongewenst zwanger worden.
6
Morning-afterpil?
WIST JE DAT? De geschiedenis van het condoom In 1564 werd er voor het eerst geschreven over een condoom. Het was een linnen omhulsel dat met een lint werd bevestigd en de eikel bedekte. Het was bedoeld om te beschermen tegen syfilis, waar in die tijd veel mensen aan stierven. Later, in de 17e eeuw, werden condooms gemaakt van dierlijke
Antiek condoom
darmen en blaas en ook gebruikt om zwangerschap te voorkomen. Condooms waren duur en werden vooral gebruikt door rijkere mensen. Ze werden pas goedkoper toen er vanaf 1930 rubberen condooms in een fabriek werden gemaakt. Tegenwoordig zijn condooms gemaakt van een veel dunnere soort rubber.
228
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 228
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
OPDRACHTEN 2
Ziekteverwekkers Soa's worden veroorzaakt door bacteriën of virussen.
a Welke soa’s worden veroorzaakt door een bacterie?
■ aids ■ chlamydia ■ gonorroe ■ herpes ■ HPV ■ syfilis b Hoe bestrijd je ziekten die veroorzaakt worden door een bacterie?
3
Aids-besmetting Aids kun je krijgen door seks te hebben met iemand die besmet is met hiv. Maar je kunt ook op een andere manier aids krijgen.
a Waardoor kun je ook aids oplopen?
b Geef drie voorbeelden van deze manier.
c De kans is niet groot dat je in Nederland op die manier besmet raakt. Waardoor is de kans klein in Nederland en groter in andere delen van de wereld? Leg je antwoord uit.
229
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 229
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
4
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Condoomgebruik neemt af De Wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft onderzoek gedaan naar condoomgebruik onder 15-jarigen tussen 2014 en 2022. Daaruit blijkt dat het condoomgebruik op die leeftijd in Europa is afgenomen. In 2014 gebruikte 70% van de jongens een condoom, in 2022 was dat 61%. Bij meisjes is de daling minder sterk: van 63% naar 57%. Aan het onderzoek deden 242 000 jongeren uit 42 Europese landen mee. Gebruik bij vraag a en b eventueel de vaardigheidskaart Tabellen en diagrammen maken.
a Zet de percentages condoomgebruik overzichtelijk in de tabel. % condoomgebruik
2014
2022
jongens meisjes
b Maak van de tabel een staafdiagram op grafiekpapier. c Waarom is het belangrijk dat jongeren een condoom gebruiken?
d Hoe kun je het condoomgebruik onder jongeren stimuleren? Bedenk twee manieren.
5
Aantal besmettingen Het RIVM heeft in 2022 en 2023 onderzoek gedaan naar een aantal soa's in Nederlands. In de tabel zie je het aantal besmettingen per soa. Het aantal positieve testen, dus het aantal mensen dat besmet is, is 21% van het totale aantal. soa
2022
2023
chlamydia
24 684
24 048
1574
1693
10 600
13 853
144
141
syfilis gonorroe hiv
verschil
a Welke soa komt het meest voor in Nederland?
230
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 230
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
b Zijn er in 2023 meer of minder besmettingen per soa? Vul de kolom verschil in.
c Bij welke soa is het aantal besmettingen het meest gestegen sinds 2022?
d Hoe berekent het RIVM hoeveel besmettingen er zijn?
e Het is lastig om goede informatie te verzamelen over het precieze aantal besmettingen. Leg uit waarom dat zo is. Geef twee redenen.
f
Als het aantal positieve testen op hiv ook 21% was, hoeveel testen op hiv zijn er dan uitgevoerd? Laat de berekening zien.
6
Niet in verwachting In het schema staan vier manieren om zwangerschap te voorkomen. De werking van deze vier manieren is niet dezelfde. Zet een kruisje bij de juiste werking. er komt geen eicel in de eileider
er komt geen zaadcel in de eileider
gebruik van de pil
●
●
gebruik van een condoom
●
●
sterilisatie van de man
●
●
sterilisatie van de vrouw
●
●
231
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 231
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
7
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Pessarium en spiraaltje Het pessarium is een rond, rubberen kapje dat de ingang van de baarmoeder afsluit. Het pessarium wordt vóór de geslachtsgemeenschap ingebracht. Een vrouw doet dat via het orgaan dat is aangegeven met de letter P (zie tekening).
pessarium
P
a Geef de naam van het orgaan dat in de afbeelding is aangegeven met de letter P.
b Een ander voorbehoedsmiddel is het spiraaltje. Dit wordt door een arts in een voortplantingsorgaan van een vrouw geplaatst. Het verhindert de innesteling van een bevruchte eicel in dat orgaan. Welk orgaan wordt hier bedoeld?
c Noem twee verschillen tussen het gebruik van het pessarium en het spiraaltje.
d Noem het verschil in werking tussen het pessarium en het spiraaltje.
e Tegenwoordig wordt het pessarium niet zo vaak meer gebruikt. Bedenk een reden waardoor dat komt.
232
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 232
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
8
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Handleiding zwangerschapstest Emma heeft onveilige seks gehad en wil weten of ze zwanger is. Ze haalt in een supermarkt een zwangerschapstest en leest de gebruiksaanwijzing. 1 Haal het teststaafje uit de verpakking en verwijder de dop. zwanger
niet zwanger
5
1-5 min
5 of 20
sec
sec
2
3
4
Houd het absorberende uiteinde 5 seconden lang in je urinestraal.
5 of 20 seconden (afhankelijk van de test die je gebruikt) in het urinemonster onderdompelen dat je in een schone, droge container hebt verzameld.
Houd het absorberende uiteinde tijdens het testproces met het uiteinde naar benenden gericht, d.w.z. draai het staafje nooit met het absorberende uiteinde naar boven gericht.
5
Wacht gedurende 1 tot 5 minuten volgens de instructies van de test en lees het resultaat af.
a Daarna gaat ze naar het toilet. Ze plast vijf seconden over het absorberende uiteinde dat naar boven wijst. Ze plaatst het kapje terug en legt het plat neer. Ze wacht een half uur en kijkt dan naar het resultaat. Welke twee fouten heeft Emma gemaakt bij het gebruik van de test?
b De uitslag van de test is dus niet betrouwbaar. Emma haalt een nieuwe test en doet de test opnieuw en nu goed. In de handleiding is de volgende afbeelding te zien. resultatenvenster
controlevenster
zwanger
niet zwanger
niet zwanger
zwanger
In welk geval is ze zwanger? Streep de onjuiste woorden door. dik | dun | geen kruisje in het resultatenvenster een streepje| geen streepje in het controlevenster
233
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 233
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
9
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Morning-afterpil of morning-afterspiraaltje Een morning-afterpil kun je nog innemen tot vijf dagen nadat je onveilige seks hebt gehad. Een morning-afterpil stelt de eisprong uit.
a Wanneer werkt de morning-afterpil niet meer?
b Waarom moet je de morning-afterpil zo snel mogelijk na onveilige seks innemen?
c Je kunt ook binnen vijf dagen na onveilige seks een morning-after spiraaltje laten plaatsen door een arts. Wat is de werking van zo’n spiraaltje?
d Wat is een voordeel van het spiraaltje ten opzichte van de morning-afterpil?
e Wat kan een nadeel zijn?
234
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 234
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
10
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
Terugkijken Kijk terug op deze paragraaf.
a Hoe heb je de opdrachten per leerdoel gemaakt? Noteer 0, – –, –, + of + +. 0 betekent niets gemaakt, + + betekent alles goed. Je kunt ...
opdrachten
score
extra oefenen? (Herhaling en Plus)
1. uitleggen hoe je besmet kunt raken door een soa.
2, 3
H11
2. uitleggen hoe je een soa kunt voorkomen en wat je kunt doen als je besmet bent.
4, 5
H12, P15
3. uitleggen hoe je een ongewenste zwangerschap kunt voorkomen.
6, 7
H13, P16, P17
4. uitleggen wat je kunt doen als je ongewenst zwanger bent.
8, 9
H14
b Bekijk je scores van vraag a. Kies minstens één opgave waarmee je nog wil oefenen, nu of in voorbereiding op de toets. TIP Noteer alvast enkele belangrijke begrippen uit deze paragraaf. Die heb je later nodig bij 3.8 Alles in samenhang.
235
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 235
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Soa’s en voorbehoedsmiddelen 3.7
HERHALING EN PLUS Online kun je extra oefenen met Herhaling en Plus. Opdracht 11 en 15 staan ook in je boek.
11
Goed of fout? Zijn de beweringen juist of onjuist? juist
15
onjuist
Griep wordt net als herpes overgedragen door een virus. Griep is dus ook een soa.
●
●
Een soa kan ook worden overgedragen door een vieze wc-bril.
●
●
Een mug kan je besmetten met hiv door je te steken.
●
●
Van de voorbehoedsmiddelen beschermt alleen een condoom je tegen besmetting.
●
●
Zonder ziekteverschijnselen kun je toch besmet zijn.
●
●
HPV en kanker HPV krijg je als je seks hebt met iemand die besmet is met HPV. Zelfs als je naakt met je intieme delen tegen elkaar aan ligt, kun je het gemakkelijk aan elkaar overdragen. Condooms beschermen niet goed tegen HPV. Meestal is HPV niet gevaarlijk. Je lichaam ruimt het dan zelf op. Soms krijg je wratjes, maar in de meeste gevallen merk je er niets van. Het gevaar is dat je er later kanker van kunt krijgen. Een infectie met het HPV-virus kan de oorzaak van baarmoederhalskanker zijn. Van alle gevallen van baarmoederhalskanker wordt 70% veroorzaakt door HPV. Je kunt door HPV ook andere vormen van kanker krijgen, zoals kanker in de mond, keelholte en anus. In het jaar dat je 10 wordt kun je een vaccinatie tegen HPV krijgen. De kans dat je het dan krijgt, wordt veel kleiner.
a Waarom worden kinderen in het jaar dat ze 10 worden al uitgenodigd voor deze vaccinatie?
b Waarom worden jongens ook uitgenodigd? Ze kunnen toch geen baarmoederhalskanker krijgen? Noem twee redenen.
EXAMENOPGAVEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met eindexamenopgaven. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave HPV gaat maken.
236
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 236
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Alles in samenhang 3.8
3.8 Alles in samenhang TERUG NAAR HET GROTE PLAATJE 1
Seksualiteit en voortplanting Dit hoofdstuk hangt samen met twee andere hoofdstukken. Daarnaast bevat het vier hoofdpunten. In paragraaf 1 heb je dit al gezien in het 'grote plaatje'. Je vat nu samen wat je hierover hebt geleerd.
a Wat heb je geleerd over de samenhang tussen Seksualiteit en voortplanten en andere hoofdstukken? Noteer je antwoorden in de vakjes.
H1 Leven: voortplantingsstelsel
H4 Erfelijkheid en evolutie: overerven
237
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 237
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Alles in samenhang 3.8
b Wat heb je over elk hoofdpunt geleerd? Noteer je antwoorden in de vakjes. Kijk terug naar paragraaf 2 en 4.
Iedereen is anders. Kijk terug naar paragraaf 2, 3, 5 en 6.
Voortplanten houdt de soort in stand. Kijk terug naar paragraaf 7.
Bij onveilige seks kun je een soa oplopen. Kijk terug naar paragraaf 4 en 7.
Je bepaalt je eigen wensen en grenzen.
c Je hebt in paragraaf 1 antwoord gegeven op de grote vraag van dit hoofdstuk: Wat is de rol van seks? Wat is nu je antwoord op de grote vraag? Kijk nog even terug naar je antwoord in paragraaf 1. En kijk ook naar je antwoorden bij opdracht a en b.
VERDER OEFENEN Bij deze paragraaf kun je oefenen met een grote eindexamenopgave. Hierin komt ook stof uit andere hoofdstukken terug. Overleg met je docent of je de eindexamenopgave In de baarmoeder gaat maken. Maak online de kennistoets en de proeftoets bij dit hoofdstuk.
238
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 238
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
3.9 Examenopgaven Maak de eindexamenopgaven bij de verschillende paragrafen. Met eindexamenopgaven oefen je de stof op examenniveau en wen je aan de vraagstelling van het eindexamen. Gebruik hierbij de vaardigheidskaart Examenopgaven maken. Kijk achter aan het hoofdstuk voor de hints bij elke opgave.
GROEI EN ONTWIKKELING 1
Levenscyclus van de panda Uit: Examen GL/TL 2024-2 Bij de panda duurt het ongeveer 5 jaar voordat het lichaam volgroeid is. In de tabel zie je kenmerken die bij de eerste 6 levensfasen horen.
levensfase / leeftijd fase 1 pasgeboren
fase 2 3-5 maanden fase 3 5-6 maanden fase 4 0,5 - 1,5 jaar fase 5
kenmerken Is kaal, blind en doof. Heeft geen zichtbare geslachtskenmerken. Kan niet uit zichzelf poepen en plassen. Wordt gevoed met moedermelk. Kan de lichaamstemperatuur niet constant houden. Begint met kruipen. Kan zelfstandig poepen en plassen. Wordt gevoed met moedermelk. Begint met lopen. Leert bamboe eten. Verlaat af en toe het hol. Drinkt soms moedermelk. Geslachtskenmerken zijn zichtbaar. Klimt in bomen. Eet bamboe. Drinkt geen moedermelk meer.
1,5 - 5 jaar
Is zelfstandig. Groeit snel. Wordt geslachtsrijp.
fase 6
Is volgroeid.
vanaf 5 jaar
239
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 239
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
2p
a Noteer twee kenmerken uit de tabel die horen bij het levenskenmerk 'stofwisseling'.
1p
b Met welke levensfasen van de mens zijn de fasen 2 en 5 van de panda te vergelijken? fase 2: fase 5:
GESLACHTSORGANEN 2
De mannenpoli Uit: Examen GL/TL 2024-1 Hans en zijn partner Karlijn gaan naar de mannenpoli in het ziekenhuis, omdat hij onder andere klachten ondervindt tijdens het vrijen. Als Hans een erectie krijgt, trekt zijn penis krom. Tijdens het onderzoek zegt de arts dat hij littekenweefsel in de penis voelt. Littekenweefsel is dikker dan normaal weefsel. Hij besluit een echo te maken om vast te stellen waar het littekenweefsel zich precies bevindt. Gedurende het bezoek aan de mannenpoli stellen Hans en Karlijn ook vragen over anticonceptiemethoden.
2p
In de tabel staan twee functies van organen omschreven die horen bij het mannelijk voortplantingsstelsel. Geef bij elke functie de letter en de naam van het bijbehorende orgaan. omschrijving van de functie
letter
naam van het orgaan
slaat zaadcellen tijdelijk op voegt vocht toe aan zaadcellen
240
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 240
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
MENSTRUATIECYCLUS EN BEVRUCHTING 3
Meten is weten? Uit: Examen GL/TL 2016-2 De menstruatiecyclus wordt geregeld door verschillende hormonen. Deze hormonen komen ook in de urine terecht. Er bestaat een apparaatje dat de gehaltes aan deze hormonen in de urine kan meten. Deze gehaltes zijn rondom de ovulatie anders dan tijdens de menstruatie. Het apparaatje leidt daaruit af of een vrouw wel of niet vruchtbaar is op een bepaald moment. Er gaat een groen lampje aan als ze niet vruchtbaar is. Dan weet ze dat de kans op zwangerschap klein is na geslachtsgemeenschap zonder voorbehoedmiddel. Lidy gebruikt dit apparaatje en heeft een regelmatige cyclus van 28 dagen. Het diagram geeft de dikte van haar baarmoederslijmvlies weer tijdens een menstruatiecyclus. dikte van het baarmoederslijmvlies
0
7
Q
14
21 28 tijd (dagen)
R
S
De letters Q, R en S geven drie verschillende dagen aan waarop Lidy met het apparaatje haar urine controleert. 1p
Op welke twee dagen zal het groene lampje van het apparaatje gaan branden?
● op dag Q en op dag R ● op dag Q en op dag S ● op dag R en op dag S
241
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 241
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
ZWANGERSCHAP EN GEBOORTE 4
Tweelingen Uit: Examen GL/TL 2023-2 Karin is zwanger van een tweeling. Ze brengt een bezoek aan de verloskundige. Ze vraagt zich af of het een eeneiige of een twee-eiige tweeling is. De verloskundige zegt dat op de echo te zien is dat de embryo’s géén gezamenlijke vruchtvliezen hebben. In deze tabel staat informatie over tweelingen.
frequentie
groep 1
groep 2
groep 3
groep 4
30% van de eeneiige tweelingen
67% van de eeneiige tweelingen
3% van de eeneiige tweelingen
100% van alle twee-eiige tweelingen
geen gezamenlijke vruchtvliezen
één gezamenlijk vruchtvlies
twee gezamenlijke vruchtvliezen
geen gezamenlijke vruchtvliezen
1−3 dagen na bevruchting
3−5 dagen na bevruchting
8−12 dagen na bevruchting
niet
situatie in de baarmoeder
bevruchte eicel splitste zich
1p
Is de informatie van de verloskundige voldoende om te bepalen of de tweeling van Karin eeneiig of twee-eiig is? Leg je antwoord uit.
242
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 242
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
SOA'S EN VOORBEHOEDSMIDDELEN 5
HPV Uit: Examen GL/TL 2018-2 Aan het begin van de puberteit krijgen meisjes een oproep om zich te laten inenten tegen HPV. Dunya wil meer weten over HPV en vindt onderstaande informatie op internet. HPV is een seksueel overdraagbaar virus. Er komen verschillende typen van dit virus voor. Je kunt jezelf beschermen door een inenting met het HPV-vaccin. Je krijgt twee prikken in je bovenarm, met een tussentijd van zes maanden. Het vaccin bevat antigenen van de twee typen HPV die 70 procent van alle gevallen van baarmoederhalskanker veroorzaken. Na de tweede prik ben je immuun voor deze typen HPV. HPV kan ook bij jongens ziekten veroorzaken. Sinds men begonnen is met het inenten van meisjes is ook het aantal ziektegevallen door HPV bij jongens afgenomen.
2p
Leg uit dat door meisjes in te enten, jongens ook beschermd worden tegen HPV.
ALLES IN SAMENHANG 6
In de baarmoeder Uit: Examen GL/TL 2024-1 In de afbeelding zie je veranderingen van het baarmoederslijmvlies in een periode van
dikte van het baarmoederslijmvlies
6 weken (42 dagen).
1p
P
Q
R
S dagen
a Tijdens de menstruatie wordt het baarmoederslijmvlies afgebroken. Wat is de functie van het baarmoederslijmvlies?
243
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 243
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
1p
Examenopgaven 3.9
b Kun je uit de afbeelding opmaken of er bevruchting heeft plaatsgevonden? Leg je antwoord uit.
1p
c In de tekening staan twee gebeurtenissen in het voortplantingsstelsel van de vrouw. Omcirkel de juiste letter uit de informatie bij elke afbeelding.
P/Q/R/S
1p
P/Q/R/S
d Met welke letter is in de afbeelding het deel aangegeven waar tijdens de menstruatie het baarmoederslijmvlies het lichaam verlaat?
● met letter X ● met letter Y ● met letter Z
X Y Z
244
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 244
24/03/2025 14:41
Hoofdstuk 3 Seksualiteit en voortplanten
Examenopgaven 3.9
HINTS BIJ EINDEXAMENOPGAVEN Groei en ontwikkeling
•
Levenscyclus van de panda a: Noteer twee kenmerken uit de tabel die horen bij het levenskenmerk ‘stofwisseling’.
•
Levenscyclus van de panda b: Vanaf welke levensfase kan de mens kinderen krijgen?
Geslachtsorganen
•
De mannenpoli: De zaadcellen worden in de teelballen gemaakt
Menstruatiecyclus en bevruchting
•
Meten is weten?: Rond dag R, tijdens de ovulatie is ze vruchtbaar. Op de andere dagen niet.
Zwangerschap en geboorte
•
Tweelingen: Bij een ééneiige tweeling splitst de bevruchte eicel zich.
Soa’s en voorbehoedsmiddelen
•
HPV: HPV wordt via seksueel contact overgedragen.
Alles in samenhang
•
In de baarmoeder a: Het heeft een functie tijdens de zwangerschap.
•
In de baarmoeder b: Een regelmatige menstruatiecyclus duurt 28 dagen.
•
In de baarmoeder c: Bij welke afbeelding vindt de menstruatie plaats?
•
In de baarmoeder d: Zoek in de afbeelding de baarmoeder op.
245
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 245
24/03/2025 14:41
Register A
C
aanranding 192
cel 24
abiotische factor
15
celkern 35
achillespees 117
celmembraan 35
ademhalingsstelsel 46
celwand 35
afscheiding 225
clitoris 180
afvaleter 70
conditie 136
amfibie 57
condoom
amoebe 23
consument 68
antagonist 118
cytoplasma 35
antibiotica 225
226, 228
anticonceptiemiddel 226
D
aseksueel 191
dekweefsel 37 determineertabel 58
B
dieren ordenen
56
baarmoeder 180
dierlijke cel
36
bacterie 36
DNA 35
balzak 181
dochtercel 166
bamboe 14
dood 15
beenderen
draagtijd 214
95
beenderenstelsel 95 beenmerg 126
dwarsgestreept spierweefsel
119
beenverbinding 107
E
beenweefsel 126
echo 212
bekkengordel 97
ecosysteem 24
bevalling 214
eencellig organisme
34
bevruchting
eeneiige tweeling
213
183, 201
beweegrichtlijn 136
eicel 183
bewegen 14
eicelrijping 200
bewegen van gewrichten
eierstok 180
109
biceps 118
eikel
bijbal 182
eileider 180
binnenste schaamlip
180
eisprong 200
biodiversiteit 56
embryo 211
biologische klok
energie
169
180, 181
16, 69
biosfeer 24
erectie 182
biotische factor
15
euglena 34
biseksueel 191
exoskelet 146
bladgroenkorrel 35 blauwe plek
135
F
blessure 135
foetus 212
bloedvatenstelsel 46
fontanel 108
bloemkooloren 129
fotosynthese
borstkas 97
35, 68
bot 95
G
botbreuk 135
gaswisseling 14
botgroep 95
gedeeltelijke zwemvliezen
147
buitenste schaamlip
geestelijke ontwikkeling
166
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 246
180
24/03/2025 14:41
geleedpotige 57
kogelgewricht 109
geraamte 95
korstmos 38
geslacht 168
kraakbeen
geslachtsgemeenschap 192
kraakbeenverbinding 109
geslachtshormoon 169
kraakbeenweefsel 127
geslachtskenmerk 168 primair geslachtskenmerk
168
L
secundair geslachtkenmerk
168
lange poten
geslachtsorgaan
180, 181
110, 127
147
ledematen 97
inwendig geslachtsorgaan
lesbisch 191
letsel 135
180, 181
levend 15
uitwendig geslachtsorgaan 179, 181
levenloos 15
gewervelde dieren
56, 145
levenscyclus 170
gewone celdeling
166
levensfase 167
gewricht 108
levenskenmerk 14
kogelgewricht 109
levensproces 16
rolgewricht 109
lichaamshouding 137
scharniergewricht 109
lichaamsvorm 145
gewrichtsband 110
lichamelijke ontwikkeling
gewrichtskapsel 110
lijmstof 126
gewrichtskom 110
lintworm 58
gewrichtskop 110
loofbos 67
gewrichtssmeer 110
166
glad spierweefsel
119
M
grensoverschrijdend gedrag
192
maagdenvlies 179
grenzen 192
masturberen 192
groei
meercellig organisme
14, 166
34
groeihormoon 169
meiose 183
groeischijf 128
menstruatie 200
groeispurt 168
menstruatiecyclus 199 MeToo-beweging 193
H
mineralen 70
hartspierweefsel 119
mitose
heteroseksueel 191
moedercel 166
hoefganger 146
morning-afterpil 228
homo 191
166, 183
homoseksueel 191
N
hormoonstelsel 46
naadverbinding 108
huid 26
nageboorte 214
hypofyse 169
natuur 24 navelstreng 211
I innesteling
202, 211
O
inwendig geslachtsorgaan
180, 181
oestrogeen 169
inwendig skelet
56, 145
onderzoek 26
K
ongesteldheid 200 ongewervelde dieren
57, 155
kalkstof 126
ontsluiting 214
klauwen 147
ontwikkelen 14
kleurstofkorrel 35
ontwrichting 135
kneuzing 135
opgewonden 192
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 247
24/03/2025 14:41
ordenen van dieren
56
orgaan 24 functies van organen
47
orgaanstelsel
sexting 192 Siamese tweeling skelet
24, 45
organisatieniveau 24 organisme
214 46, 95
functies van skelet
95
botten van skelet
98
14, 24
skeletspier 117
eencellig 34
soa 224
meercellig 34
soort 59
orgasme 192
sperma 182
overbelasting 135
spier 117
overgang 200
spierbundel 119
ovulatie 200
spierstelsel
46, 117
spiervezel 119
P
spierweefsel 119
pees 117
dwarsgestreept spierweefsel 119
penis
glad spierweefsel
181, 182
119
persweeën 214
hartspierweefsel 119
pessarium 226
spiraaltje 226
pijpbeenderen 98
sponsachtig weefsel
pil 226
stadia 170
placenta 211
stekelhuidige 57
plantencel 36
sterilisatie 227
plasbuis 182
steunweefsel 37
platte beenderen
stofwisseling 14
98
populatie 24 prenataal onderzoek
212
T
primair geslachtskenmerk
126
168
teelbal 182
producent 68
teenganger 147
prostaat 182
testosteron
169, 183
tong 120
R
transportweefsel 37
reageren 14
triceps 118
reducent 70
tussencelstof 126
reductiedeling 183
tussenwervelschijf
reptiel 57
tweeling 213
respecteren 192 rolgewricht 109
eeneiige tweeling
213
twee-eiige tweeling
213
siamese tweeling
S schaamlip 180
99, 109
214
U
binnenste schaamlip
180
uitdrijving 214
buitenste schaamlip
180
uithoudingsvermogen 136
scharniergewricht 109
uitscheiden 14
schedel 96
uitscheidingsstelsel 46
schimmel 36
uitwendig geslachtsorgaan 179, 181
schoudergordel 97 secundair geslachtkenmerk
168
V
seks 191
vacuole 35
sekse 168
vagina 180
seksualiteit 191
verbranding 16
seksueel grensoverschrijdend
vergroeiing 108
gedrag 192
verliefdheid 161
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 248
24/03/2025 14:41
verstuiking 135 verteringsstelsel 46 vis 57 voeden 14 voedselketen 68 voedselkringloop 70 voedselweb 69 vogel 57 voorbehoedsmiddel 226 voorhuid
181, 182
voortplanten 14 voortplantingsstelsel 46 vruchtbare periode
227
vruchtvliezen 212 vruchtwater 212 vulva 179
W waarnemen 14 waterspin 148 weeën 214 weefsel
24, 37
dekweefsel 37 steunweefsel 37 transportweefsel 37 weekdier 57 wervelkolom
96, 99
wervel 96 worm 57 wortel 47 wortelstelsel
25, 47
Z zaadblaasje 182 zaadcel 183 zaadleider 182 zaadlozing 192 zenuwstelsel 46 zetmeel 68 zetmeelkorrel 35 zintuigstelsel 46 zoekkaart 58 zoogdier 57 zoolganger 147 zwanger 211 zwangerschapstest 202 zwellichaam 182 zwemvliezen 147 gedeeltelijke zwemvliezen
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 249
147
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 250
24/03/2025 14:41
Knipblad bij Startopdracht 2.2 (I) Knipblad bij paragraaf 2.2
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 251
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 252
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 253
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 254
24/03/2025 14:41
Knipblad bij paragraaf 2.7
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 255
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 256
24/03/2025 14:41
Illustratieverantwoording © Shutterstock / Damsea 6 © Marjolein Luiken 8, 16, 24, 27, 59, 62, 90, 123, 173, 206, 233 © Shutterstock 8, 37, 53, 68, 69, 90, 92, 96, 116, 137, 139, 167, 170, 172, 178, 199, 205, 215, 226, 227 © TM 8, 13, 16, 37, 44, 61, 62, 68, 69, 72, 75, 183, 189, 199, 203, 216 © Getty Images / iStockphoto 8 © Shutterstock / Martin Janca 12 © Shutterstock / Hortimages 13 © Shutterstock / Zenzeta 14 © Getty Images / iStockphoto 14 © Shutterstock / yoshi0511 14 © By Aniela Hoitink 15 © Shutterstock / sophiecat 15 © Shutterstock / matimix 21 © Gemma Stekelenburg 22, 36-40, 43, 45, 54, 99, 108-110, 113, 119, 124, 126-128, 138, 168, 180-182, 202 © Shutterstock / Reinier Holster 22 © Shutterstock / Lebendkulturen.de 23 © Shutterstock / Balkonsky 25 © Shutterstock / VectorMine 25 © Shutterstock / Ekky Ilham 25, 34 © Shutterstock / Stephan Morris 26 © Shutterstock / vectorfusionart 26 © Shutterstock / Independent birds 32 © Shutterstock / Choksawatdikorn 33 © Shutterstock / Designua 35 © Shutterstock / HAOS 38 © Shutterstock / Jacob Lund 44 © Shutterstock / first vector trend 46 © Shutterstock / Black_Kira 47 © Shutterstock / Glasscage 47 © Shutterstock / design36 48 © Shutterstock / Monet_3k 50 © Shutterstock / Marius Dobilas 55 © Shutterstock / Diego Grandi 56 © Shutterstock / ejmcaskill 57 © Shutterstock / Jason Mintzer 57 © Shutterstock / Arunee Rodloy 57 © Shutterstock / Crevis 58, 133 © Shutterstock / Vera Larina 58 © Shutterstock / Salmons | © Shutterstock / Independent birds 59 © Shutterstock / Jim Cumming | © Shutterstock / Anna_Bondarenko 60 © Shutterstock / WildlifeWorld 60 © Shutterstock / Shy Radar 61 © Shutterstock / Anton Kozyrev 63 © Shutterstock / Gema Alvarez Fernandez 65 © Shutterstock / Spiks 66 © Shutterstock / Marijs Jan 67 © Shutterstock / smereka 68 © Rogier Trompert 70, 96-99, 104, 107, 109, 112, 118, 126-128, 143, 145147, 149, 179, 181, 201, 211-214 © Shutterstock / Bonnie Fink 70 © ANP / Mary Evans Picture Library Ltd. 78 © Shutterstock / teguh santosa kedua 88 © Shutterstock / oneinchpunch 90, 190 © Shutterstock / Marco Iacobucci Epp 91 © Shutterstock / nipa74 93 © Getty Images / Pier Marco Tacca 94 © Shutterstock / DM7 95 © Shutterstock / Thomas B Lee 97 © Shutterstock / Artemida-psy 100 © Shutterstock / Yvonne60 100 © Shutterstock / yamamedal 105 © Shutterstock / Andrew M. Allport 106 © Shutterstock / SS1001 108 © Shutterstock / BikerPhoto 110 © Shutterstock / Bachkova Natalia 111 © Shutterstock / Ljupco Smokovski 112 © Shutterstock / Lena Si 114 © Shutterstock / Vladislav T. Jiro 115 © Shutterstock / Anton Vierietin 116 © Shutterstock / adike 117 © Shutterstock / larisa Stefanjuk 118 © Shutterstock / BlueRingMedia 118
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 257
© Shutterstock / Jose Luis Calvo 119 © Shutterstock / VectorPlotnikoff 120 © Shutterstock / Svoboda Pavel 120 © Getty Images / STEVE GSCHMEISSNER 125 © Shutterstock / Stefan Holm 129 © Shutterstock / Macrovector 130 © Shutterstock / Tomas Kotouc 130 © Cito 131, 220, 232, 24 © Getty Images / Torrance Daily Breeze 134 © Shutterstock / dreii 135 © Shutterstock / Somsak Thapthimthong 135 © Voedingscentrum 136 © Kenniscentrum Sport & Bewegen 136 © Shutterstock / Cultura Creative | © Shutterstock / trek6500 137 © Shutterstock / Romain Biard 137 © Shutterstock / medical imaging 142 © Shutterstock / Marina Ibrahem00 144 © Shutterstock / David A Litman | © Shutterstock / Kat KTM | © Shutterstock / galitsin 146 © Shutterstock / JIANG HONGYAN 146 © Shutterstock / Mr. SUTTIPON YAKH 146 © Shutterstock / Prachaya Roekdeethaweesab 146 © Getty Images / Sebastian Condrea | © Shutterstock / Alex Castor 147 © ANP / Nature Picture Library 147 © imago images / blickwinkel 148 © Shutterstock / Mr. SUTTIPON YAKHAM 150 © Getty Images / Alberto Cassani 153 © Shutterstock, Marjolein Luiken 160 © Shutterstock / Panumas Yanuthai | © Shutterstock / Motortion Films 160 © Shutterstock / antoniodiaz 161 © Shutterstock / bbernard 163 © Getty Images / Maskot 165 © Shutterstock / Alejo Miranda 166, 168 © Shutterstock / YuliDor 169 © Getty Images / E+ 169 © Shutterstock / otsphoto 169 © Shutterstock / Kurit afshen 175 © Getty Images / iStock / luismmolina 178 © Getty Images / Science Source / F1online 183 © Getty Images / iStockphoto 183 © Shutterstock / EmeCeDesigns 184, 188 © Shutterstock / Alexander_P 185 © Shutterstock / Gustavo Frazao 190 © Getty Images / joan corominas | © Getty Images / Raul Mellado Ortiz | © Shutterstock / Inside Creative House 191 © Shutterstock / MDV Edwards 192 © Shutterstock / Juice Dash 192 © Shutterstock / Sk Hasan Ali 193 © Getty Images / Corbis 198 © Shutterstock / Ody_Stocker 200 © Shutterstock / Pikovit 201, 204 © Shutterstock / Thanumporn Thongkongkaew 202 © Shutterstock / Arif biswas 210 © Shutterstock / GagliardiPhotography 212 © Getty Images / FOTOGRAFIA INC. | © Getty Images / E+ 213 © Shutterstock / New Africa 223, 226 © Getty Images / Thom Lang 223 © Shutterstock / Pair Srinrat 225 © Shutterstock / Ekaterina43 226 © Shutterstock / 5 second Studio 226 © Shutterstock / ONYXprj 227 © Shutterstock / Image Point Fr 228 © Getty Images / Fine Art Images 228
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 258
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 259
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 260
24/03/2025 14:41
9789006731194 VIVO 3vmbo GT_A.indb 260
24/03/2025 14:41
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL A
A
Vi·vo - ik leef; levend Bij biologie leer je over alles wat leeft. Over hoe planten, dieren en mensen in elkaar zitten én hoe zij met elkaar samenleven. Ook jij leeft. Dus biologie gaat ook over jou. Met Vivo kom je alles te weten over het leven in jou en om jou heen.
De biologie van je leven
BIOLOGIE 3 VMBO-GT DEEL A NAAM KLAS
versie 1.1
LJ3vmbo-GT_omslagen_vivo.indd 1
9 789006 731194
25/03/2025 13:34