Werken als Verpleegkundige. Dat is leuk en afwisselend werk. Verantwoordelijk werk ook. Mensen doen een beroep op jou als het gaat om zorg en begeleiding in situaties waarin zij dat tijdelijk of langdurig niet zelfstandig kunnen. Het vraagt van jou dat je beschikt over de juiste competenties. Dit boek bevat de theorie die je nodig hebt om op een verantwoorde manier zorg te verlenen aan mensen die aan jou zijn toevertrouwd. Dit boek – Verplegen van kinderen en jongeren – maakt deel uit van de serie ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken. Het boek draagt bij aan jouw ontwikkeling van beroepscompetenties. Beroepscompetenties zijn contextgebonden. Ze gelden slechts in bepaalde beroepssituaties, ook wel contexten genoemd. Een context wordt gevormd door personen met een bepaalde aandoening (een cliëntencategorie) in een bepaalde zorgomgeving (een branche). Dit boek gaat over het verplegen van kinderen en jongeren. Het speciale is natuurlijk de leeftijd. Bij de lichamelijke zorg en de psychosociale begeleiding houd je rekening met de leeftijd. Het maakt veel uit of je voor een kleuter zorgt of voor een puber. Om de specialistische kennis te presenteren die je nodig hebt, hebben we in dit boek niet de ziekte of stoornis als uitgangspunt genomen. Niet dat ziektes en stoornissen niet genoemd worden, maar belangrijker is welke gevolgen een kind of jongere ondervindt van de ziekte en hoe hij daarmee om kan gaan. Denk aan langdurige bedrust, een nare behandeling moeten ondergaan of een streng dieet moeten volgen. Dáár schuilt voor jou als verpleegkundige de uitdaging in het verplegen van kinderen en jongeren. Dit boek sluit aan bij de volgende uitstroomverbijzonderingen: GGZ ZH
Geestelijke Gezondheidszorg Ziekenhuizen
Zorg basisboek Verplegen van kinderen en jongeren
Verplegen van kinderen en jongeren – niveau 4
Verplegen van kinderen en jongeren
ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken, Traject V&V, i-care flex, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie etc.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg
9006924534_omslag.indd 10
02-02-11 11:47
Verplegen van kinderen en jongeren
9006924534_bw.indd 1
28-1-11 9:08
Colofon Auteurs Joke Zoet-Lavooi Barbara Peels Sandra Verbeek Patricia Willemsen Jos Kaldenhoven Susan Hol
ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 92453 4 Eerste druk, eerste oplage, 2011
Inhoudelijke redactie Ton Vermeij Joke Zoet-Lavooi
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2011 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
Ontwerp Omslag: Enof, Utrecht Binnenwerk: DeltaHage, Den Haag
geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij
Fotografie Karin Ligthart, Amsterdam
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j°
elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB
Overige foto’s in deze uitgave Fidder & Löhr, Deventer Hans Brik, Callantsoog Catchlight Visual Services, Huizen Spaarnestad Fotoarchief, Haarlem ANP, Rijswijk Mauritius, ANP, Rijswijk National Pictures, ANP, Rijswijk Robert Rizzo, Hollandse Hoogte, Amsterdam
Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
2
9006924534_bw.indd 2
28-1-11 9:08
Inhoudsopgave Woord vooraf Thema 1
1 2 3 4 Thema 2
Het verplegen van kinderen en jongeren 1 De verpleegkundige in de zorg voor kinderen en jongeren 2 Verpleegkundige kerntaken 3 Verpleegkundige competenties in de zorg voor kinderen en jongeren
Thema 3
OriĂŤntatie op de zorgcategorie De zorgcategorie De zorg voor kinderen en jongeren Zorgsettings Historisch perspectief
1 2 3 4 5 6 7 8 9
4 9 10 34 52 68 81 82 96 114
ZorgvragercategorieĂŤn Verplegen van kinderen die kortdurend worden opgenomen Verplegen van kinderen die langdurig worden opgenomen Het verplegen van kinderen met een chronische ziekte Verpleegkundige zorg aan terminale kinderen en jongeren Verplegen van kinderen met pijn Verplegen van kinderen met leefregels Het geĂŻsoleerd verplegen van zieke kinderen Het verplegen van kinderen met een bewegingsbeperking Verplegen van kinderen na vergiftiging
125 126 150 170 196 212 234 254 272 296
Kernwoorden
309
Index
320
3
9006924534_bw.indd 3
28-1-11 9:08
Woord vooraf Over Thiememeulenhoff Zorg - Basisboeken De ThiemeMeulenhoff Zorg – Basisboeken zijn competentiegericht naslagmateriaal voor niveau 3 en niveau 4 van het gezondheidszorgonderwijs. Het uitgangspunt van ThiemeMeulenhoff Zorg is het leveren van een bijdrage aan het opleiden van studenten tot competente beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg. De Basisboeken sluiten aan bij het competentiegericht opleiden waarbij aan de beroepspraktijk gerelateerde theorie en leeractiviteiten vanaf het begin van de opleiding tot verzorgende-IG en verpleegkundige centraal staan. De theorie is toegankelijk geschreven en voorzien van veel praktijksituaties. Vragen en opdrachten doen voortdurend een beroep op het beroepsmatig handelen. Dit maakt de ThiemeMeulenhoff Zorg - Basisboeken tot een compleet product dat past in elk didactisch model. Het naslagmateriaal is gerelateerd aan de kerntaken en werkprocessen uit de nieuwe kwalificatiedossiers. Van hieruit is een vertaalslag naar de kernactiviteiten en beroepsprestaties eenvoudig te maken. Als zodanig is het naslagmateriaal goed te plaatsen in een onderwijsmagazijn. In combinatie met onze digitale producten vormt het een compleet en rijk geschakeerd aanbod aan competentiegericht lesmateriaal, dat ingezet kan worden binnen het competentiegericht leren. Deze variatie aan leermiddelen en werkvormen in combinatie met e-learning (blended learning) verhoogt het leerrendement en bevordert de zelfstandigheid van studenten.
Competenties Competenties zijn de vermogens van mensen om in bepaalde situaties effectief, doelbewust en gemotiveerd te handelen. Een competentie is samengesteld uit kennis, inzichten, vaardigheden, houdingen en persoonlijke eigenschappen. Een competent persoon kan deze elementen geĂŻntegreerd en doelgericht inzetten om de juiste resultaten te bereiken. Er zijn drie typen competenties, namelijk: beroepscompetenties: de vermogens om in beroepssituaties effectief, doelbewust en gemotiveerd te handelen; leercompetenties: de vermogens om in leersituaties effectief, doelbewust en gemotiveerd te handelen; burgerschapscompetenties: de vermogens om in maatschappelijke situaties effectief, doelbewust en gemotiveerd te handelen. Voor verpleegkundigen, maar ook voor verpleegkundigen in opleiding zijn alle drie de soorten competenties van belang. Beroepscompetenties heb je nodig omdat je handelen een grote invloed heeft op het leven van mensen. Je hebt een beroep gekozen met een grote verantwoordelijkheid, temeer
4
9006924534_bw.indd 4
28-1-11 9:08
omdat je als verpleegkundige zelfstandig besluit, kiest en handelt. Je bent een professional met een eigen bevoegdheid. Leercompetenties zijn van belang omdat het beroep voortdurend in ontwikkeling is. Verplegingswetenschap, maar ook de medische en gedragswetenschappen zorgen onophoudelijk voor nieuwe kennis. Dat maakt het verplegen tot een vak waarin steeds weer nieuwe leersituaties ontstaan. Burgerschapscompetenties zijn belangrijk omdat het verzorgen midden in de samenleving gebeurt. Het contact met mensen staat altijd centraal. Verpleegsituaties zijn maatschappelijke situaties, ongeacht de zorgsetting. De beroepsspecifieke boeken – dus ook dít boek, Verplegen van kinderen en jongeren – zijn geschreven voor verpleegkundigen in opleiding. Het boek levert een bijdrage aan jouw ontwikkeling van beroepscompetenties. Beroepscompetenties zijn contextgebonden, dat wil zeggen dat ze slechts gelden in bepaalde beroepssituaties, of met een andere woord ‘contexten’. Zo’n context wordt gevormd door personen met een bepaalde aandoening (een cliëntencategorie) in een bepaalde zorgomgeving (een branche). Omschrijvingen van beroepscompetenties kom je in dit boek tegen in thema 3, dat handelt over specifieke cliëntencategorieën. Het verplegen van kinderen en jongeren verschilt in vele opzichten van de verpleegkundige zorg voor volwassenen. Om te beginnen heb je te maken met zorgvragers in verschillende fasen van hun ontwikkeling. Daar moet je ook op verschillende manieren mee om kunnen gaan. Tegen een peuter praat je bijvoorbeeld anders dan tegen een puber. Een tweede kenmerkend verschil met de zorg voor volwassenen is dat je altijd te maken hebt met de ouders. Zij hebben een heel grote rol. Hun aanwezigheid en manier van omgaan met (de aandoening van) hun kind heeft grote invloed op hoe het kind de zorg ondergaat en zeker ook op het herstel. Kunnen omgaan met de ouders is een belangrijke verpleegkundige competentie. Kinderen en jongeren worden verpleegd in alle settings waar verpleegkundigen werken, in de GGZ, in het ziekenhuis, in de VVT-sector en in de gehandicaptenzorg. In dit boek gaat het vooral over de verpleegkundige zorg die in het ziekenhuis gegeven wordt. De verpleegkundige zorg voor kinderen en jongeren met een psychiatrische stoornis of met een verstandelijke beperking wordt in andere boeken binnen deze serie beschreven. Dit boek sluit aan bij de volgende uitstroomverbijzonderingen: ZH Ziekenhuizen
5
9006924534_bw.indd 5
28-1-11 9:08
In deze boeken komen alle kerntaken en de daarbij behorende werkprocessen op het niveau van verdieping en verbijzondering aan bod. Dit boek sluit aan bij de volgende beroepsprestaties: Fase 2: Beroepsprestaties ontwikkelingsgericht: Vaardig in verplegingstechniek Planmatig verplegen 2 Beroepsprestaties kwalificerend: Uitvoeren van verpleegtechnische vaardigheden Begeleiden bij verliesverwerking Hanteren van communicatieproblemen Handelen onder druk Fase 3: Beroepsprestaties kwalificerend: Verdiepen in de branche Regie voeren Professionaliseren Het boek is ingedeeld in drie thema’s: Oriëntatie op de zorgcategorie Het verplegen van kinderen en jongeren Zorgvragercategorieën Ieder thema is ingedeeld in hoofdstukken die elk een afgerond geheel vormen. De hoofdstukken vormen samen het bronnenmateriaal voor je verdere verdieping als beginnend beroepsbeoefenaar in één of meerdere uitstroomverbijzonderingen. Het bronnenmateriaal heb je nodig om je de betreffende competenties eigen te maken. Naast theorie kom je praktijkvoorbeelden tegen waarmee je je verdiept in levensechte situaties. In thema 3 tref je competentieopdrachten aan. Deze opdrachten doen een appèl op de competenties die je ook in je beroep nodig hebt, zoals zelfstandigheid, initiatief, keuzes maken en beslissingen nemen. Zo beslis je bij elke opdracht zelf in welke vorm je deze giet en of je de opdracht alleen of met anderen uitvoert. Ook organiseer je zelf bijvoorbeeld het krijgen van feedback.
6
9006924534_bw.indd 6
28-1-11 9:08
De auteurs hopen dat deze uitgave zal voldoen aan de eisen van de huidige student verpleging. In ieder geval hebben zij geprobeerd de leerstof zodanig te presenteren dat: de inhoud relevant is voor het verpleegkundig beroep; de verwerking in iedere gewenste leervorm kan plaatsvinden; elk hoofdstuk onafhankelijk van andere hoofdstukken bestudeerd kan worden. De auteurs: Joke Zoet-Lavooi Barbara Peels Sandra Verbeek Patricia Willemsen Jos Kaldenhoven Susan Hol Eindredactie: Ton Vermeij Joke Zoet-Lavooi
7
9006924534_bw.indd 7
28-1-11 9:08
8
9006924534_bw.indd 8
28-1-11 9:08
Thema Oriëntatie op de zorgcategorie De zorgcategorie kinderen en jongeren vertoont, veel meer dan volwassenen, een grote diversiteit aan, zeg maar, subcategorieën. In de eerste plaats heb je te maken met een groot aantal leeftijdsklassen: zuigelingen, peuters, kleuters, schoolkinderen en adolescenten. In de laatste leeftijdsklasse kun je de pubers nog als een aparte groep onderscheiden. Elk van die ontwikkelingsfasen heeft zijn eigen kenmerken en vereist een andere benadering. Dat geldt voor de manier waarop je communiceert met het kind, voor wat je aan het kind zelf overlaat en wat je voor hem doet, de mate van overleg en niet in de laatste plaats voor wat je de ouders van het kind vertelt. Een tweede onderscheid gaat over gezondheidsproblemen. De zorg strekt zich niet alleen uit tot kinderen die ziek zijn, maar ook tot kinderen die extra gezondheidsrisico’s lopen en gezonde kinderen. Voor de laatste twee groepen is de zorg vooral preventief. Die zorg bestaat voornamelijk uit het geven van gezondheidsvoorlichting en primaire en secundaire preventie. In Nederland is er op die gebieden veel geregeld. We hebben het dan over de Jeugdgezondheidszorg. Onderzoek, screening en vaccinatie maken daar onder meer deel van uit. Wat betreft de zorg voor zieke kinderen doet zich dezelfde ontwikkeling voor als bij volwassenen: extramuralisering. Technisch complexe zorg wordt steeds meer in de vertrouwde omgeving van het kind, thuis, verleend. Hiervoor worden steeds meer samenwerkingsverbanden tussen intramuraal en extramuraal werkende zorgverleners opgezet. Door het bestuderen van thema 1 kun je je oriënteren op deze zorgcategorie, de wijze waarop de zorg in Nederland georganiseerd is en wat daarvan de grondslagen zijn.
Thema 1
9006924534_bw.indd 9
9
28-1-11 9:08
1
De zorgcategorie
‘Hoi, jij bent zeker Sanne, ik ben Joris, ik ben jouw verpleegkundige, ik zorg vandaag voor jou’. ‘Nee hoor’, zegt Sanne, ‘ik wil een echte zuster met een witte jurk en een witte doek op haar hoofd met een rood kruis erop’. In dit onderwerp maak je kennis met de zorgcategorie: kinderen/jongeren met gezondheidsproblemen in de leeftijd van nul tot en met achttien jaar. Kinderen en jongeren hebben andere zorgbehoeften dan volwassenen. Kinderen groeien en ontwikkelen zich, en zijn onverbrekelijk met hun ouders of opvoeders verbonden. De leeftijd, de ontwikkelingsfase, is een belangrijke factor in de verpleegkundige zorgverlening. Een zuigeling met een gebroken been zul je anders verplegen dan een schoolkind met hetzelfde letsel. Een zuigeling is voor zijn voeding en een schone luier afhankelijk van zorgverleners. Een schoolkind wil ondanks zijn aandoening of ziekte spelen en contact hebben met zijn vriendjes. Dit onderwerp begint dan ook met een uiteenzetting van de ontwikkeling in fasen. Die ontwikkeling kent verschillende aspecten die voor de verpleegkundige belangrijk zijn. Kinderen hebben soms een extra gezondheidsrisico door de omstandigheden waarin ze leven. De omgeving en de sociale geschiedenis kunnen grote invloed hebben op de gezondheid van een kind. Je kunt hierbij denken aan kinderen van verslaafde ouders en geadopteerde kinderen. Ook kinderen met chronische gezondheidsproblemen, zoals een aangeboren hartafwijking, of een handicap vereisen specifieke zorg.
10
9006924534_bw.indd 10
Thema 1
28-1-11 9:08
1.1 De ontwikkeling van (gezonde) kinderen en jongeren Tot de volwassenheid maken kinderen en jongeren verschillende ontwikkelingsfasen door. Elk mens doorloopt deze fasen, in dezelfde onomkeerbare volgorde. Het worden fasen genoemd, omdat ze alle eindigen in een bepaald resultaat, ontwikkelingstaak genoemd. Als de ‘ontwikkelingstaak’ is vervuld, treedt de volgende fase in. In het volgende overzicht zie je de fasen tot de volwassenheid, met de bijbehorende ontwikkelingstaken. Ontwikkelingsfasen van zuigeling tot volwassene Zuigeling
0-1 jaar
Hechting en basisvertrouwen
Peuter
1-4 jaar
Zelfstandigheid en wilskracht
Kleuter
4-6 jaar
Uitbreiding van de leefwereld
Schoolkind
6-12 jaar
Verwerven van kennis en vaardigheid
Adolescent (de eerste fase van de adolescentie wordt gekenmerkt door lichamelijke verandering en wordt puberteit genoemd)
12-22 jaar
Vormen van een eigen identiteit
Kinderen en jongeren kom je in een ziekenhuis tegen op de polikliniek, de dagbehandeling of de kinderafdeling. Op een kinderafdeling liggen alle kinderen met allerlei aandoeningen of ziekten. De kinderen en jongeren liggen ingedeeld naar leeftijd bij elkaar. Ziekenhuizen hebben een couveuseafdeling, waar zuigelingen worden verpleegd. De peuters, kleuters en oudere kinderen liggen ook vaak naar leeftijd bij elkaar. Het ziek zijn beĂŻnvloedt de psychische, sociale, lichamelijke en motorische ontwikkeling van een kind. Elk kind dat ziek is, beleeft een ziekenhuisopname anders. Dit is afhankelijk van zijn leeftijd, de eerdere ervaringen van het kind met ziek zijn en de aard van de ziekte. Is de ziekte levensbedreigend, slepend, of van korte duur? De leeftijd en de ontwikkelingsfase van het kind geven de verpleegkundige de informatie die noodzakelijk is om de zorg af te stemmen. Verpleegkundigen die voor zieke kinderen en jongeren zorgen, weten welke invloed een aandoening of een ziekte heeft op de ontwikkeling van een kind.
1.1.1 De zuigeling De fase van zuigeling is van nul tot twaalf maanden. Een zuigeling is nog totaal afhankelijk van zijn omgeving en zijn verzorgers. Volwassenen zorgen ervoor dat een zuigeling de juiste voeding krijgt, veilig kan slapen en een schoon lichaam heeft. Een zuigeling kan nog niet praten. Knuffelen en licha-
Thema 1
9006924534_bw.indd 11
11
28-1-11 9:08
melijk contact maken is voor een zuigeling een manier om contact te hebben met zijn omgeving. Een zuigeling roept bij de meeste mensen vertedering op. Dit merk je bijvoorbeeld als iemand met een hoge zachte stem tegen een zuigeling praat. Sociaal contact Voor een zuigeling is sociaal contact met zijn omgeving een basisbehoefte, net zoals eten en slapen dat zijn. In de fase van zuigeling ontwikkelt het kind een gevoel van vertrouwen in zijn omgeving. Als het kind huilt, komt er iemand om te troosten. Als het honger heeft, komt er iemand om hem eten te geven. Jonge zuigelingen reageren dan ook al snel op hun omgeving. Als ze zes weken zijn, herkennen ze al gezichten en zullen de meeste zuigelingen hun eerste lachje vertonen. Ouders en verzorgers interpreteren gedrag van de zuigeling al snel op de juiste manier. Je kunt in het huilen diverse onlustgevoelens onderscheiden, zoals een natte luier, slaap, honger en buikkrampen.
hechting (attachment)
eenkennigheid scheidingsangst
12
9006924534_bw.indd 12
Hechting, relaties, veiligheid en vertrouwen Een zuigeling ervaart de omgeving als veilig als er bekende mensen om hem heen zijn. Contact met steeds dezelfde mensen – moeder en vader – geven een zuigeling een gevoel van veiligheid en vertrouwen. De Engelse psychiater John Bowlby heeft hier in 1958 de naam hechting (attachment) aan gegeven. In de zuigelingperiode hecht een kind zich aan de vaste mensen om hem heen. Dit is belangrijk voor een gezonde ontwikkeling van de zuigeling. Je kunt je voorstellen dat een ziekenhuisopname de hechtingsrelatie met de ouders verstoort. Als een zuigeling direct na de geboorte en voor langere tijd in het ziekenhuis moet blijven, hoor je soms van ouders dat ze zich moeilijk kunnen hechten aan hun kind. Eenkennigheid Rond de acht maanden gaan zuigelingen angst ontwikkelen voor onbekende mensen. Een zuigeling kan dan angstig reageren als een vreemde hem oppakt of toespreekt. Dit gedrag wordt ook wel eenkennigheid genoemd. Een zuigeling zal rond deze periode ook scheidingsangst ervaren. Dat betekent dat een kind angstig word als de moeder even uit het gezichtsveld is verdwenen. Voor een zuigeling is iemand weg als hij hem niet ziet. Een zuigeling heeft geen besef van tijd, een kort moment kan hij als een eeuwigheid beleven.
Thema 1
28-1-11 9:08
Voorbeeld Milan is zeveneneenhalf maanden oud, ze was een gemakkelijk kind dat overal mee naartoe ging. Milan kon bij iedereen op schoot. Sinds een week zet Milan het op een brullen als haar ouders haar meenemen naar mensen die ze niet kent. Vooral mensen die direct op haar af komen en haar willen aanhalen, worden ontvangen met een huil- en brulconcert waarbij Milan zich moeilijk laat troosten.
Slapen Slapen is voor zuigelingen zeker in de eerste levensmaanden erg belangrijk. Tijdens de slaap rusten baby’s niet alleen, maar verwerken ook alle indrukken die ze opdoen. In de eerste maand slaapt een zuigeling zeventien tot twintig uur per dag en wordt hij wakker als hij honger heeft. Ervaren en leren met zintuigen De zintuigen van een zuigeling zijn na de geboorte al goed ontwikkeld. Een zuigeling hoort, ruikt, proeft, ziet en voelt koude en warmte. Speelgoed dat de zintuigen stimuleert is favoriet, zoals speelgoed dat geluid maakt, prettig aanvoelt en fel van kleur is. Speelgoed in de kleuren rood en geel vindt een zuigeling aantrekkelijk. Zuigelingen ontdekken en leren door alles in hun mond te stoppen. Een box biedt een zuigeling een veilige omgeving. Zuigelingen kunnen zich nog niet afsluiten voor prikkels van buitenaf en kunnen daardoor al snel te veel prikkels krijgen. Bied dus niet te veel speelgoed of prikkels aan. Als een zuigeling te veel speelgoed heeft in de box zal hij er juist onrustig van worden. De lichamelijke groei en motorische ontwikkeling In het eerste levensjaar maakt het kind lichamelijk en motorisch een grote verandering door. Een Nederlandse baby weegt bij de geboorte gemiddeld tussen de 3000 en 3400 gram. Het gewicht wordt onder andere door erfelijkheid bepaald. In het eerste jaar neemt de lengte van een zuigeling toe met gemiddeld 25 centimeter. Elke zuigeling ontwikkelt zijn motoriek in een eigen tempo. Zo leert de ene zuigeling eerst kruipen en later staan, terwijl de andere zuigeling dat vrijwel tegelijk ontdekt. Zuigelingen zijn de hele dag bezig met het oefenen van de motoriek. Soms worden zuigelingen boos, omdat het speeltje dat ze willen hebben net buiten hun bereik ligt. Proberen het speeltje te pakken is een oefening van de motoriek. Een zuigeling van 3 maanden zal zijn eigen lichaam gaan ontdekken. Het kind kan verwonderd naar zijn eigen handjes staren en deze steeds open en dicht doen. Een zuigeling van 3 maanden oud kan je al goed volgen en zijn hoofd meedraaien in de richting waar je gaat.
Een veilige omgeving voor een zuigeling
Thema 1
9006924534_bw.indd 13
13
28-1-11 9:09
De zuigeling als zorgvrager Zuigelingen zijn nog niet in staat je te vertellen waarom ze ziek zijn en waarom ze in een ziekenhuis liggen. Uitleg geef je dan alleen aan de ouders. Soms worden zuigelingen direct na de geboorte door een ziekenhuisopname gescheiden van de ouders. Als de opname lang duurt, vinden de ouders het soms moeilijk zich te hechten aan hun kind. Ouders worden daarom veel gestimuleerd hun kind te knuffelen en op schoot nemen. Zij worden actief betrokken bij de dagelijkse zorg, zoals in bad doen, eten geven en luiers verschonen. Sommige zuigelingen reageren op een ziekenhuisopname met een gedragsverandering. Dat valt het meest op als het kind voor die tijd thuis is geweest. Het kind huilt bijvoorbeeld, is onrustig of eet slecht. Zuigelingen kunnen ongenoegen en pijn alleen aangeven in hun gedrag. Je hebt informatie van ouders nodig om het gedrag van de zuigeling op de juiste manier te interpreteren. Huilen van de pijn klinkt anders dan huilen om een natte luier of van de honger.
1.1.2 De peuter De peuterfase loopt van een tot vier jaar. In de peutertijd ontwikkelen kinderen zich snel. Een peuter van een jaar oud is een heel ander kind dan een peuter van drie. Rond een jaar is de woordenschat vaak nog beperkt tot mamma en pappa, met drie jaar spreekt een peuter al in hele zinnen. Jonge peuters willen net als zuigelingen speelgoed graag voelen, horen, zien en proeven. Spelen met water en zand is favoriet. Je moet goed op het spel van jonge peuters letten, want jonge peuters stoppen vaak van alles in hun mond. Menige eerstehulpafdeling heeft te maken met peuters die speelgoed hebben ingeslikt of een voorwerp in hun neus hebben gestopt. Jonge peuters hebben, net als zuigelingen, nog geen voorstelling van mensen en voorwerpen. Een peuter kan nog niet beschrijven hoe een auto eruitziet, zonder er ĂŠĂŠn voor zich te hebben. Voor een peuter is mamma weg als hij haar niet kan zien. Een peuter zal het in het ziekenhuis op een brullen zetten als zijn vader of moeder uit zicht zijn. Uitleggen dat ze straks weer terugkomen zal een peuter nog niet begrijpen. Peuters zijn kwetsbaar op het moment dat ze hebben leren lopen. Ze rennen de weg op zonder op het verkeer te letten of ze klimmen ergens op en vallen ervanaf. Peuters komen vaak in het ziekenhuis terecht, doordat ze geen gevaar hebben gezien. Imiteren van gedrag Peuters leren door imiteren, het gedrag van anderen nadoen. Een peuter zal eerst mensen in zijn eigen omgeving imiteren zoals zijn ouders.
14
9006924534_bw.indd 14
Thema 1
28-1-11 9:09
Voorbeeld Sanne is een peuter van twee. Als haar ouders aan het koken zijn, wil zij graag meehelpen. Ze mag op het aanrecht zitten en soms in de pannen roeren.
Herhalen en rituelen De meeste peuters herhalen dingen eindeloos. De peuter kijkt steeds weer opnieuw hetzelfde boekje in of wil steeds een bepaald liedje horen. Herhalen heeft voor een peuter een functie, het maakt zijn wereld herkenbaar. Een peuter hecht aan rituelen, zo wil hij altijd uit hetzelfde bord eten. Een onbekende situatie, zoals een nieuwe oppas, is voor veel peuters een drama.
koppigheidsfase consultatiebureau
Koppigheidsfase Peuters willen steeds meer zelf doen. Dat is het begin van de ontwikkeling naar zelfstandigheid. Een peuter ontdekt zijn eigen wil en kan zich erg verzetten tegen regels. Ouders corrigeren dit gedrag vaak. Het is mogelijk dat deze drang naar zelfstandigheid een machtsstrijd geeft tussen ouders en hun kind. De peuter weigert bijvoorbeeld vaak te eten en wil ’s avonds niet meer naar bed. De peuterleeftijd wordt daarom ook wel de koppigheidsfase genoemd. Op het consultatiebureau vragen ouders vaak om advies over het koppige gedrag van hun peuter.
Voorbeeld Peter is drie jaar, een stoer mannetje met een sterke eigen wil. Hij rijdt graag op zijn fietsje in de straat. Peter weet dat hij niet verder mag dan het grasveld. Toch is hij al een aantal keren verdergegaan. Hevig schoppend en brullend wordt Peter dan naar binnen gebracht. Peter is boos dat het niet mag en bang dat zijn ouders hem nu niet meer lief vinden.
klokzindelijk
Zindelijkheidstraining De meeste peuters beginnen tussen de achttien en vierentwintig maanden met zindelijkheidstraining. Zindelijkheidstraining is alleen succesvol als de peuter zich bewust is van zijn urine en ontlasting. Een voorwaarde is dat het kind de sluitspier van de blaas kan bedwingen. In het begin zal een peuter klokzindelijk zijn. Dat betekent dat hij op vaste tijden ontlasting of een plas op een potje produceert. Het is belangrijk dat de opvoeder de peuter prijst als het lukt.
Zindelijk worden moet je leren
Thema 1
9006924534_bw.indd 15
15
28-1-11 9:09
grove motoriek fijne motoriek
regressie
Lichamelijke groei en motorische ontwikkeling Tussen de eerste en de vierde verjaardag neemt de lengte van een peuter met iets minder dan de helft toe. De gemiddelde lengte van een peuter is uiteindelijk een meter en vijf centimeter. Het leren lopen is van grote invloed op de motorische ontwikkeling. Peuters die hier vroeg mee beginnen, lopen waggelend. Dit komt doordat hun lichaam min of meer topzwaar is. Hun hoofd is groot in verhouding tot hun lichaam. Typisch voor een jonge peuter is een bol buikje, een holle rug en o- of x-benen. De grove motoriek ontwikkelt zich eerst en daarna volgt de fijne motoriek. De grove motoriek staat voor lopen en rennen, de fijne motoriek voor de fijne bewegingen van handen en vingers. Een peuter van twee jaar kan een toren bouwen van vijf of meer blokken. Een driejarige peuter kan een toren met negen blokken bouwen en kan een cirkel natekenen. De peuter als zorgvrager Sommige peuters reageren heftig op een ziekenhuisopname. Peuters zijn erg gehecht aan gewoonten en rituelen. Deze worden door een ziekenhuisopname doorbroken. Sommige peuters reageren erg angstig. Ouders blijven daarom meestal bij hun kind gedurende de hele opname. Soms verzetten peuters zich hevig tegen de behandeling. Ze uiten hun protest tegen de opname door continue aandacht te vragen, driftbuien of ouders totaal te negeren. Meestal weigert een peuter te eten en te slapen. Een peuter dwingen tot eten heeft een averechts effect, hij volhart dan alleen maar in het weigeren van eten. Eten aanbieden zonder dwang werkt het beste. De rituelen en gewoonten van thuis moeten in het ziekenhuis zo veel mogelijk voortgezet worden. Ouders doen er goed aan het eigen speelgoed, bestek, bord en de lievelingsboekjes van hun kind mee te nemen. Er zijn peuters die regressie, een terugval in hun aangeleerde vaardigheden en gedrag, vertonen. Zo zijn ze bijvoorbeeld ineens niet meer zindelijk. Als alles achter de rug is, lopen ze hun achterstand weer in.
1.1.3 De kleuter
magische wereld
16
9006924534_bw.indd 16
De kleuterfase loopt van vier tot zes jaar. Kleuters zijn al veel beter in staat zich in taal uitdrukken dan peuters. Kleuters leren samen te spelen met andere kinderen. Ze zetten hun eerste stappen buiten het gezin, door naar de basisschool te gaan. Kleuters leven in een magische wereld. Voor kleuters kunnen dieren en knuffelbeesten praten. Een stok is bijvoorbeeld voor een kleuter een zwaard en een kartonnen doos het kasteel van de ridder. Voor een kleuter is een sprookje geen fantasie maar werkelijkheid. Een gevolg van dat magisch denken is dat kleuters het ziek zijn kunnen ervaren als straf, omdat ze denken stout te zijn geweest. Sommige kleuters zijn bij een ziekenhuisopname bang dat hun ouders ze niet meer lief vinden.
Thema 1
28-1-11 9:09
Voorbeeld Marcel is vijf jaar. Hij speelt samen met zijn broer Bas. Ze spelen zwembadje. Marcel en Bas gaan ieder weekend samen met hun ouders naar het zwembad. Beiden vinden ze dat het leukste van de hele week. Vandaag is het woensdagmiddag. In de huiskamer ligt een kleed en voor het kleed hebben Bas en Marcel een stoel gezet. Om de beurt springen ze van de stoel op het kleed om daar ‘te zwemmen’.
Naar school gaan In de kleutertijd gaat de ontwikkeling van de zelfstandigheid verder. Een kleuter zet zijn eerste stappen buiten het gezin. Voor het eerst naar school gaan is een hele verandering voor een kleuter. Een school is een vreemde omgeving met vreemde gezichten. In het begin is een kleuter erg moe als hij uit school komt, door alle nieuwe indrukken die hij opdoet. Regressie in gedrag Sommige kleuters reageren op veranderingen met regressief gedrag. De kleuter voert dan bepaalde vaardigheden opeens niet meer uit. Een kleuter wordt bijvoorbeeld weer onzindelijk als reactie op het naar school gaan of als reactie op een ziekenhuisopname. Een kleuter gaat in deze periodes bijvoorbeeld duimzuigen, wat een troostend effect heeft. Imiteren van volwassenen Kleuters leren door ook te kijken naar andere volwassenen dan zijn ouders. Een kleuter wil dan bijvoorbeeld graag brandweerman, politie of dokter zijn.
Voorbeeld Pascal van vijf en haar buurmeisje Merel zitten samen op dezelfde school. Ze spelen het liefst samen in de poppenhoek vadertje en moedertje. De poppen worden dan netjes aangekleed en naast elkaar gezet. Als de poppen eten hebben gekregen, worden ze in bed gelegd om te gaan slapen.
Thema 1
9006924534_bw.indd 17
17
28-1-11 9:09
Spelen Kleuters kunnen wild in hun spel zijn en zo anderen pijn doen. Ze leren geleidelijk om samen te spelen. Ze worden actiever in het kiezen van vriendjes. Een kleuter probeert alle mogelijkheden van speelgoed uit. De meeste kleuters proberen een speelgoedauto of een pop uit elkaar te halen om het op alle mogelijkheden te onderzoeken. Ten onrechte wordt dat nog wel eens gezien als vernielzucht. Ontdekken van geslachtsdelen Kleuters ontdekken verschillen in het lichaam van mannen en vrouwen en ontdekken ook hun eigen geslachtdelen. Het is niet vreemd dat een kleuter met zijn geslachtsdelen speelt. Kleuters zijn nieuwsgierig naar hun eigen lichaam en dat van anderen. De lichamelijke groei en motorische ontwikkeling Kleuters groeien minder snel dan zuigelingen en peuters, in twee jaar tijd ongeveer vijftien centimeter. Een kleuter van zes jaar oud is ongeveer een meter twintig lang en weegt ongeveer tweeëntwintig kilo. De motorische coördinatie neemt toe. Een kleuter kan bijvoorbeeld een cirkel op papier tekenen. De fijne motoriek ontwikkelt zich verder. Een kleuter speelt graag met kleine bouwstenen. Een kleuter kan springen en de trap op- en aflopen, zonder de leuning vast te houden. Kleuters leren ook vaardigheden, zoals de knopen van hun blouse vastmaken. De kleuter als zorgvrager Een kleuter reageert vaak net zo op een ziekenhuisopname als een peuter. Hij heeft meestal wel meer besef van tijd. Hij begrijpt wat je bedoelt met tijd als je het koppelt aan een gebeurtenis zoals ‘na het eten’, ‘na het bad’ en ‘voor het slapengaan’. Een kleuter kan al even zonder zijn ouders, als hij maar weet bij welke gebeurtenis ze weer terugkomen. Het is mogelijk een kleuter voor te bereiden op iets wat de volgende dag gaat gebeuren, bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Nog een nachtje slapen en dan is de operatie’. Het is ook mogelijk een kind met spel voor te bereiden op een ingreep en operatie. De knuffelbeer van het kind geef je bijvoorbeeld ook een infuus om de behandeling uit te leggen. Een kleuter heeft al een grote woordenschat. Kleuters leven in een magische wereld en kunnen zelf veel fantaseren over de ingreep en de ziekenhuisopname. Een kleuter is in staat je uitleg te begrijpen.
18
9006924534_bw.indd 18
Thema 1
28-1-11 9:09
Praktijk 1
Spelmateriaal op de kinderafdeling Sam is verpleegkundige op de kinderafdeling. Hij zit in de werkgroep spelmateriaal. De afdeling heeft een budget vrijgemaakt om nieuw spelmateriaal aan te schaffen voor de baby’s, peuters en kleuters.
Vraag
1 G eef voorbeelden van geschikt spelmateriaal. Geef daarbij aan waarom het geschikt is. Doe dit voor elke leeftijdsgroep waarmee Sam te maken heeft.
1.1.4 Het schoolkind De fase van schoolkind loopt van zes tot twaalf jaar. Schoolkinderen kunnen zich uitstekend uitdrukken in taal, ze leren lezen en schrijven. Ze willen graag bij een groep horen. Als hen dat niet lukt worden ze vaak gepest. Naast de school hebben ze hobby’s en zijn ze lid van sportclubs.
zich identificeren
Spelen om te leren en te presteren School krijgt voor kinderen een andere betekenis. Een kleuter gaat naar school om te spelen, een schoolkind om te leren. Een spel is vaak geen doel op zich meer, maar een middel om iets te bereiken. Een schoolkind wil presteren. Het heeft plezier in het maken van een mooie tekening en het behalen van goede cijfers. Het leren lezen, schrijven en sommen maken zijn mijlpalen. Schoolkinderen zijn competitief, ze houden van het wedstrijdelement bij sport en spelletjes en willen zich meten met een tegenstander om een doel te bereiken. Een schoolkind maakt zich steeds meer los van het gezin en richt zich steeds meer op leeftijdgenootjes. Een schoolkind identificeert zich niet alleen meer met zijn vader en moeder, maar ook met een held uit een film, een boek of een popidool.
Voorbeeld Peter is elf jaar en dol op de boeken en films van Harry Potter. De boeken worden steeds opnieuw gelezen. Hij verzamelt alles van Harry Potter. Zijn kamer hangt vol met posters. Peter zou het liefst een uil als huisdier hebben, omdat zijn boekenheld dat ook heeft.
Zwart-witdenken Jonge schoolkinderen vanaf acht jaar denken vaak in zwart-wittegenstellingen: goed-slecht, altijdnooit. Je bent voor of tegen Ajax. Je vindt een zangeres ‘cool’ of ‘stom’. Schoolkinderen denken generaliserend, zo voetballen jongens en spelen meisjes met poppen.
Thema 1
9006924534_bw.indd 19
19
28-1-11 9:09
Vriendschappen en pesten De laatste schooljaren van een kind worden gekenmerkt door geheime clubs en hechte vriendschappen tussen kinderen van hetzelfde geslacht. Op het schoolplein zie je groepjes van jongens en meisjes gescheiden van elkaar staan. Sommige schoolkinderen krijgen te maken met pesten. Gepest worden is voor de ontwikkeling van een kind een grote belemmering. Als opvoeder moet je alert zijn op pesten. Het is niet altijd gemakkelijk om daar achter te komen, omdat kinderen zich nogal eens schamen en er niet graag over praten. De lichamelijke groei en motorische ontwikkeling Na de kleuterperiode neemt de groeisnelheid af, maar het gewicht neemt sneller toe. Het kind wordt wat steviger van bouw. De houding verandert, de typische lordose (holle rug) die het kind als kleuter heeft, verdwijnt. De motorische coรถrdinatie wordt steeds beter. De bewegingen worden eleganter en de handvaardigheid wordt beter. De fijne motoriek van schoolkinderen is zo goed ontwikkeld, dat ze een pen kunnen vasthouden en kunnen leren schrijven. Het schoolkind als zorgvrager Een schoolkind dat ziek is, mist naast het gezinsleven contact met de school en klasgenoten en vriendjes. Sociale contacten en bij de groep horen zijn voor een schoolkind belangrijk. Er zijn schoolkinderen die zich door een ziekte en een ziekenhuisopname erg buitengesloten voelen. Schoolkinderen kunnen al veel zelfstandig en bezitten goede verbale vaardigheden. Je kunt een schoolkind actief betrekken bij het afnemen van de anamnese en de planning van zorg. Door naar de wensen van het kind te luisteren kan het kind controle over zijn situatie houden. Anders heeft het kind het gevoel dat er maar wat met hem gedaan wordt. Sommige schoolkinderen schamen zich voor hun ziekte of voor hun uiterlijk, als dat verandert door hun ziekte.
1.1.5 De adolescent
identiteit
De adolescentie loopt van 12 tot 22 jaar. De eerste fase van de adolescentie wordt puberteit genoemd. Deze periode kenmerkt zich vooral door de hormonale en lichamelijke ontwikkeling. Geleidelijk verschuift het accent tijdens de adolescentie naar de ontwikkeling van identiteit. Jongeren die ouder zijn dan 18 jaar, worden niet meer op een kinderafdeling (of jongerenafdeling) opgenomen. Het gaat hier dan ook om adolescenten in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Verandering van uiterlijk en gedrag door hormonale ontwikkeling In de puberteit spelen lichamelijke en hormonale ontwikkeling een grote rol. Zowel het uiterlijk van het kind als zijn gedrag kan enorm veranderen. Sommige kinderen worden onherkenbaar voor hun naaste omgeving. Een gemakkelijke en vrolijke zoon kan veranderen in een sombere puber. Meisjes zijn vaak eerder dan jongens in de puberteit, vaak al in hun laatste basisschooljaar.
20
9006924534_bw.indd 20
Thema 1
28-1-11 9:09
Voorbeeld Rick is vijftien jaar. Sinds een paar weken ziet hij er opeens anders uit. Hij heeft zijn haar zwartgeverfd en maakt zijn ogen zwart op. Rick zit veel op zijn kamer en luistert naar hard core muziek. Zijn ouders vinden de verandering aan zijn uiterlijk moeilijk te accepteren. De vrienden van Rick zien er ook zo uit. Rick vindt dat hij zelf moet weten hoe hij eruit wil zien.
Ontwikkeling van de identiteit Een puber gaat zich steeds zelfstandiger gedragen en voelt zich steeds minder afhankelijk van zijn ouders. In de puberteit ontwikkelt hij zijn identiteit, die voor een groot deel door de seksuele ontwikkeling wordt bepaald. De groep vrienden en klasgenoten waar de puber bij hoort, heeft veel invloed op de beleving van seksualiteit. De reactie van de klas en groepsgenoten op de uiterlijke verandering is belangrijk voor de eigen beleving hiervan. Een puber zal meer waarde hechten aan de mening van leeftijdgenoten dan die van zijn ouders en gaat steeds meer leren zijn eigen keuzes te maken. Studierichting Al vroeg in de puberteit moeten jongeren voor een bepaalde studierichting of beroepsopleiding kiezen. Een puber is soms gedwongen zijn ideaalbeeld van de toekomst bij te stellen. Bijvoorbeeld, een jongere die graag dierenarts wil worden, moet kiezen voor een opleiding tot dierenverzorgster. Het is een leeftijd waarop jongeren zich bewust worden van hun mogelijkheden en beperkingen. De opvoeder als begeleider Als opvoeder krijg je bij een puber een andere rol dan bij jongere kinderen. Een puber heeft geen lichamelijke zorg meer nodig van zijn opvoeder. Hij heeft behoefte aan privacy en ruimte om zijn zelfstandigheid te kunnen ontwikkelen. Ouders moeten erop leren te vertrouwen dat hun kind de juiste beslissingen neemt. Een puber leert zelfstandig zorg te dragen voor zijn kamer en heeft een eigen aandeel in het huishouden. Voor opvoeders is hun veranderende rol ook een groeiproces. In plaats van grenzen stellen begeleid je een puber in het stellen van eigen grenzen en in het nemen van beslissingen. Een puber besteedt misschien in het begin zijn eigen kleedgeld niet altijd even handig. Hij koopt bijvoorbeeld verkeerde of te dure kleding. Ontwikkeling in eigen tempo Vooral de eerste jaren ontwikkelen pubers zich op zowel psychisch als sociaal gebied in een eigen tempo. De ene puber van veertien jaar speelt nog met poppen, terwijl de ander op die leeftijd al bezig
Thema 1
9006924534_bw.indd 21
21
28-1-11 9:09
is met uitgaan. Dit hangt samen met de hormonale ontwikkeling en lichamelijke groei. Onder invloed van hormonen gaat een kind lichamelijk veranderen, waardoor ook het uiterlijk verandert. Vooral meisjes zien er soms ouder uit dan ze zijn. Een meisje van dertien met ontwikkelde borsten wordt al gauw ouder geschat. In een ziekenhuis worden meisjes daarom vaak op een volwassenenafdeling opgenomen. De lichamelijke groei, hormonale en motorische ontwikkeling De puberteit begint met een voorbereidend stadium, de prepuberteit waarin geslachtskenmerken, zoals borsten en beharing in oksel- en schaamstreek zichtbaar worden. De groeispurt vanaf het tiende jaar is een teken dat de puberteit in gang is gezet. De lengtegroei eindigt in de puberteit onder invloed van de geslachtshormonen. Door de snelle groei veranderen de lichaamsverhoudingen. Zo groeien in de eerste fase de armen en benen sneller dan de romp, wat invloed heeft op de motoriek. Pubers bewegen zich vaak onhandig, omdat ze moeten wennen aan deze nieuwe lichaamsverhoudingen. Als de romp ook gaat groeien, komen de lichaamsverhoudingen weer in proportie. V贸贸r de puberteit zijn er lage hoeveelheden geslachtshormoon (LH, FSH) in het bloed. De hersenen geven het lichaam een signaal om meer van deze hormonen te maken. De hormonen zorgen ervoor dat bij jongens de testes (testikels, zaadballen) en bij meisjes de ovaria (eierstokken) zich gaan ontwikkelen. Meisjes en jongens Meisjes krijgen in de puberteit okselbeharing en beharing van de schaamstreek. De borsten ontwikkelen zich en de baarmoeder groeit. Ook de eerste menstruatie is een kenmerk van de puberteit. De eerste vaginale bloedingen zijn bloedingen zonder eisprong. Twee jaar nadat de puberteit is gestart, begint de menstruatie en vindt er wel een eisprong plaats. Lichamelijke veranderingen bij jongens zijn onder andere okselbeharing, vergroting van de penis en testikels en verandering van de huid van het scrotum. Ook de stem verandert. In het begin van de puberteit hebben jongens een stem die steeds overslaat. Verderop in de puberteit krijgen ze een zwaardere stem. De puber als zorgvrager Pubers zijn in een fase waarin ze zich afzonderen van het gezin en de ouders. Als een puber in het ziekenhuis wordt opgenomen, worden ouders minder intensief in de dagelijkse zorg betrokken. Pubers hebben vaak zelf inzicht in hun ziekte en zoeken informatie. Privacy is voor een puber belangrijk, ouders hoeven niet alles in detail te weten als een puber dat niet wil. Pubers kun je vaak al in volwassen bewoordingen uitleg geven. Pubers zijn in een fase van grote uiterlijke veranderingen. Hier maken ze zich soms grote zorgen om: vooral als ze een aandoening of ziekte hebben die invloed heeft op het uiterlijk, zoals brandwonden.
22
9006924534_bw.indd 22
Thema 1
28-1-11 9:09
Pubers kunnen zich hevig verzetten tegen een opname en therapie. Een ziekenhuisopname kan de identiteitsontwikkeling belemmeren. Deze pubers gaan erg aan zichzelf twijfelen en zich onzeker voelen.
Praktijk 2
Walter ligt in het ziekenhuis Walter is veertien. Hij heeft pech, want hij is op de skatebaan gevallen en heeft zijn been gebroken. Hij moet geopereerd worden, waarna hij in tractie moet liggen. Hij is vanwege astma al vaker in het ziekenhuis geweest. Hij vindt het verschrikkelijk, vooral de prikken. Charida is zijn verpleegkundige, ze vertelt hem wat er de komende tijd gaat gebeuren. Zij krijgt als verpleegkundige op een kinderafdeling vaak te maken met kinderen die botbreuken hebben. Charida bereidt elk kind anders voor op een ingreep, afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind.
Vraag
1 O p welke manier kan Charida Walter, een jongen van veertien, het beste voorbereiden op een operatie?
1.2 Gezondheidsbedreigende factoren bij kinderen en jongeren Er zijn kinderen en jongeren die meer kans hebben op een bedreiging van hun gezondheid. Deze kinderen zijn nog niet ziek, maar komen wel in aanraking met omstandigheden die de gezondheid be誰nvloeden. De samenstelling van het gezin, de ouders, broertjes en zusjes hebben een directe invloed op het kind. Als er spanningen binnen het gezin zijn door een echtscheiding van de ouders, merkt het kind er direct wat van. Het zijn stressvolle omstandigheden waardoor een kind zich gespannen kan voelen, slecht eet, slecht slaapt en zich anders gaat gedragen dan voorheen. De geschiedenis van het gezin speelt ook een grote rol.
1.2.1 Echtscheiding
rouwreactie
Thema 1
9006924534_bw.indd 23
In onze maatschappij komt echtscheiding veel voor: in 2006 liep 33,8% van de huwelijken uit op een echtscheiding. In 2003 hadden volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 35.000 minderjarige kinderen en jongeren te maken met een echtscheiding. Een echtscheiding is voor kinderen een emotionele gebeurtenis. De meeste kinderen vertonen een rouwreactie om de vertrekkende ouder. Veel kinderen voelen zich een periode onzeker en slapen slechter. Soms durven zij niet te gaan slapen,
23
28-1-11 9:09
omdat ze bang zijn dat de ouders weg zijn als ze wakker worden. Het is mogelijk dat deze kinderen daardoor slechter presteren op school of onaangepast gedrag vertonen, zoals ruziemaken met andere kinderen. Het is voor een kind erg moeilijk als het moet kiezen bij welke ouder het gaat wonen. Veel kinderen maken zich grote zorgen over de ouder waar ze niet bij wonen. Als een van de ouders een nieuwe relatie krijgt, is dat voor het kind vaak verwarrend. Een andere samenstelling van een gezin door een nieuwe relatie van een van de ouders vergt veel van het aanpassingsvermogen van het kind.
Voorbeeld Pieter was zeven jaar bij de scheiding van zijn ouders. Pieter heeft drie jaar alleen met zijn moeder gewoond en logeerde elke veertien dagen een weekend bij zijn vader. Pieter heeft met beide ouders een goede band. De moeder van Pieter heeft een nieuwe vriend. Deze vriend is ook gescheiden en heeft twee dochters van elf en dertien jaar, die bij hem wonen. De moeder van Pieter en haar vriend willen graag samen verder en een nieuw gezin vormen met de kinderen. Pieter vindt het allemaal erg verwarrend. De nieuwe vriend van zijn moeder heeft veel strengere regels dan zijn echte vader. Zijn nieuwe zussen bemoeien zich ook al steeds met hem. Pieter heeft moeilijk, hij misdraagt zich op school en wil steeds vaker bij zijn echte vader op bezoek.
1.2.2 Adoptie In 2005 zijn in Nederland 1185 kinderen en jongeren geadopteerd. De meeste kinderen die geadopteerd worden, komen uit derdewereldlanden en Oost-Europa. Adoptiekinderen worden zo jong mogelijk in het adoptiegezin opgenomen. Een kind wordt wettelijk het kind van zijn adoptieouders als de familierechtelijke band met de biologische ouders ophoudt te bestaan. Adoptiekinderen komen meestal uit kindertehuizen en tijdelijke opvangplaatsen, zoals een pleeggezin. Over de achtergrond van deze kinderen is vaak weinig bekend. Informatie over de biologische ouders is soms niet meer te achterhalen. Meer dan de helft van de adoptiekinderen hebben bij hun aankomst in hun nieuwe gezin medische en psychische problemen.
Een echtscheiding is voor kinderen een emotionele gebeurtenis
24
9006924534_bw.indd 24
Thema 1
28-1-11 9:09
Voorbeeld Kim is zestien jaar oud en samen met haar broertje Sem geadopteerd. Kim vraagt zich het laatste jaar steeds vaker af hoe haar biologische moeder eruit ziet en of ze op elkaar lijken. Kim zou haar biologische moeder willen vragen waarom deze haar heeft afgestaan. Kim kan haar vragen over adoptie met haar adoptieouders goed bespreken.
Adoptie en hechtingsproblemen als gezondheidsbedreigende factor Geadopteerde kinderen en jongeren hebben vaak hechtingsproblemen. Men noemt dit ook wel ‘geenbodemsyndroom’. Kinderen hebben zich in hun eerste levensdagen en de periode daarna niet kunnen hechten aan een persoon. Deze ervaring maakt het voor een kind onmogelijk om een vertrouwensband op te bouwen met adoptieouders en zich te hechten. Hechtingsproblemen uiten zich vaak in niet willen knuffelen en voortdurend aandacht vragen. Ook negatief gedrag, zoals agressie, conflicten zoeken en stelen komt in sommige gevallen uit een verkeerde hechting voort. Hechtingsproblemen spelen een rol bij alle relaties en contacten die een kind aangaat. Op school vallen deze kinderen sneller buiten de groep. Pleegzorg Bij pleegzorg gaat het om een tijdelijke plaatsing van een kind. In tegenstelling tot adoptie gaat het hier om kinderen en jongeren van alle leeftijden. Er zijn pleegkinderen die net als adoptiekinderen problemen met hechting hebben. Pleegkinderen verblijven vaak tijdelijk in een pleeggezin en hebben wel contact met hun biologische ouders.
1.2.3 Maatschappelijke omgeving Er zijn niet-tastbare maatschappelijke factoren die een negatieve invloed kunnen hebben op de gezondheid van een kind, zoals armoede, werkeloosheid en de omgeving waarin het kind opgroeit.
jeugdgezondheidszorg (JGZ)
Thema 1
9006924534_bw.indd 25
Armoede Verpleegkundigen die bij de jeugdgezondheidszorg (JGZ) werken, signaleren dat bij opvoedingsproblemen de financiële problemen van het gezin een grote rol spelen. Armoede komt ook in Nederland voor. Je ziet dat onder andere terug in de huisvesting. Gezinnen wonen vaak in goedkope huizen die slecht geïsoleerd zijn en waar het snel koud is. De huizen zijn vochtig en hebben daardoor schimmels. Kinderen krijgen dan eerder last van gezondheidsproblemen. Kinderen en jongeren die in armoedige omstandigheden opgroeien, hebben meestal geen tekort aan
25
28-1-11 9:09
voeding, maar eten wel vaak erg eenzijdig. Ze eten vaker alleen brood en minder vaak een warme maaltijd. De kinderen spelen minder buiten, omdat de wijken vaak druk zijn met verkeer.
Voorbeeld Het zit Marlies tot nu toe niet mee. Ze is pas twintig jaar oud en gescheiden. Marlies heeft twee jonge kinderen. Marlies bleef na de scheiding achter met de kinderen en een torenhoge schuld. Ze heeft schulden bij postorderbedrijven, een huurschuld en een schuld bij de bank. De financiĂŤle tekorten zijn niet te overzien. Marlies wil wel werken, maar ze heeft geen opleiding en er moet ook iemand op de kinderen passen als ze niet thuis is. Geld voor kinderopvang is er niet. Daarnaast is het zoeken naar goedkoop eten en kleding bijna een dagtaak. Marlies heeft weinig contact met andere moeders in de buurt.
Achterstandswijken Met een laag inkomen ben je aangewezen op woningen met lage huren. Gezinnen met een inkomen op het bestaansminimum komen bij elkaar in de straat en wijk te wonen. Zo ontstaan de zogenoemde achterstandswijken. De ouders hebben vaak niet of nauwelijks scholing gehad. Kinderen en jongeren die opgroeien in deze wijken, krijgen vanuit hun omgeving weinig stimulans om zich te ontwikkelen. Dit heeft op meerdere gebieden nadelige gevolgen voor hun ontwikkeling. Zo ontwikkelen ze een kleine woordenschat, waardoor je bij deze groep kinderen vaak een taalachterstand ziet. Het leren op school zal door de taalachterstand moeilijker gaan en contacten met leeftijdgenoten verlopen moeizamer.
1.2.4 Kinderen en jongeren met een stoornis Kinderen kunnen een aangeboren of later verworven stoornis hebben. Dit kan een zintuiglijke stoornis zijn, maar ook een contact- of concentratiestoornis. De stoornis beperkt kinderen vaak in het dagelijkse leven, maar met aanpassingen kunnen ze in hun eigen omgeving wonen, naar school gaan en spelen, net als andere kinderen.
auditieve stoornis visuele stoornis
26
9006924534_bw.indd 26
Zintuiglijke stoornis Bij een zintuiglijke beperking gaat het vaak om een auditieve stoornis of een visuele stoornis.
Thema 1
28-1-11 9:09
Een auditieve stoornis wordt al snel na de geboorte geconstateerd. Tegelijk met de hielprik wordt direct een gehoortest afgenomen. Deze vroege diagnose kan voorkomen dat een kind een taalachterstand oploopt, want zo kan het al vroegtijdig auditief ondersteund worden. Denk bijvoorbeeld aan een gehoorapparaat of aan het op jonge leeftijd leren van gebarentaal. Er is een onderscheid tussen slechthorendheid en doofheid. De mate van de gehoorstoornis bepaalt welk onderwijs een kind kan volgen: een gewone basisschool of een school voor speciaal onderwijs voor doven en slechthorenden. Een visuele stoornis, zoals blindheid wordt vaak al snel opgemerkt doordat het kind niet op beweging en licht reageert. Slechtziendheid wordt vaak pas later opgemerkt, soms pas op de basisschool. De instelling Bartiméus ondersteunt vanuit verschillende vestigingen blinden en slechtzienden in Nederland. Kinderen en jongeren kunnen er terecht voor diverse vormen van begeleiding, onderwijs en training.
Voorbeeld Tygo is thuis geboren. Hij is het tweede kindje binnen het gezin. De kraamverzorgster zorgt voor het gezin en zorgt dat de kraamvrouw haar rust krijgt. Tygo’s gehoor wordt vijf dagen na zijn geboorte getest. De test geeft aan dat Tygo geen respons geeft op de geluidsklikjes in het oor. Hij wordt doorverwezen naar het audiologisch centrum. Daar wordt een gehooraparaat aangemeten voor Tygo. Zijn ouders zijn verdrietig dat Tygo’s gehoor niet goed is, maar ook blij dat ze het zo vroeg weten.
Contactstoornissen Contactstoornissen zijn stoornissen in de communicatie met de omgeving. De bekendste zijn de autisme spectrum stoornissen (ASS). In Nederland zijn er 25.000 tot 30.000 mensen met een ASS. De oorzaak van ASS is te vinden in een verstoorde hersenwerking. Het verwerken van de informatie van buitenaf verloopt verstoord. Voor een kind met een ASS is de wereld vaak onoverzichtelijk. Het interpreteert informatie op een andere manier en de logische samenhang ontbreekt vaak. De wereld is dan verwarrend en angstig voor het kind. Een kenmerk is sociale onhandigheid, het kind zoekt geen contact met anderen of doet dat juist wel, maar dan op een extreem ongeremde manier. Een ziekenhuisopname is voor deze groep kinderen vaak een stressvolle ervaring. Het ziekenhuis is onbekend en er gebeuren onverwachte dingen, die een kind met een contactstoornis in paniek kunnen brengen. De ouders zullen bij deze opnames dan ook nauw worden betrokken.
Thema 1
9006924534_bw.indd 27
27
28-1-11 9:09
ADHD Kinderen met Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) kunnen zich moeizaam concentreren. Ze zijn snel afgeleid, vooral in een omgeving die voor het kind vreemd en bedreigend is, zoals een ziekenhuis. Deze kinderen reageren ook nogal eens boos en opstandig. Een ander kenmerk is dat kinderen met ADHD vaak moeilijker kunnen slapen. Ze zijn vaak nog actief bezig met alle indrukken die ze hebben opgedaan. Voor kinderen met ADHD is een rustige omgeving, een vaste dagindeling met zo veel mogelijk dezelfde mensen het beste.
1.3 Kinderen en jongeren met gezondheidsproblemen Sommige kinderen en jongeren hebben tijdelijk een aandoening of ziekte, waardoor ze een tijdje in een ziekenhuis moeten blijven. Het is ook mogelijk dat deze kinderen en jongeren thuis worden verzorgd, bijvoorbeeld door de thuiszorg. De zorgverlening wordt zo afgestemd dat de ontwikkeling van een kind zo min mogelijk wordt verstoord door de tijdelijke aandoening of ziekte. Kinderen krijgen de mogelijkheid om te spelen en te leren en hebben de zorg van ouders in hun nabijheid.
Voorbeeld Mark werkt als verpleegkundige op een kinderafdeling van een middelgroot ziekenhuis. Er verblijven kinderen en jongeren van nul tot zestien jaar. Vandaag is het rustig op de afdeling. Mark zorgt vandaag voor baby Roy van drie maanden. Roy is opgenomen ter observatie van zijn huilgedrag. Daarnaast heeft hij de zorg voor Samantha, een meisje van vijf jaar oud dat al vier dagen op de afdeling ligt met een gecompliceerde beenbreuk. Mark gaat vandaag ook Peter opnemen. Peter is twaalf jaar oud en komt voor een dagbehandeling. Mark kent Peter goed, want hij woont vlak bij hem in de buurt. Peter komt voor een oogoperatie.
Spelen Het meest kenmerkende aan een kind is dat het zich ontwikkelt en groeit. Een kind heeft daardoor andere behoeften dan volwassenen. Kinderen moeten spelen, ook als ze ziek zijn. In spel kunnen zij hun indrukken verwerken. Een kind met een gebroken been wil bijvoorbeeld zijn knuffelbeer ook een verband geven. Voor jonge kinderen heeft spel een andere functie dan voor grote kinderen. Een kind van drie speelt bijvoorbeeld zijn ziekenhuisopname na met poppen, een kind van twaalf zoekt afleiding in een spelcomputer en een jongere verwerkt zijn opname door erover te praten met anderen.
28
9006924534_bw.indd 28
Thema 1
28-1-11 9:09
School en onderwijs Kinderen en jongeren moeten leren, want ze zijn leerplichtig. Ook een ziek kind moet de kans en mogelijkheid hebben om te leren. Er moet voor een ziek kind contact worden gezocht met de school waar het heen gaat om zo het onderwijs niet te onderbreken. Kinderen kunnen als ze ziek zijn niet zelfstandig contact zoeken met de school en de klasgenoten, volwassenen moeten hen daarbij helpen. Gevolgen van ziek zijn voor het kind Bij zorgverlening aan volwassenen is de leeftijd minder belangrijk dan bij kinderen. Het maakt niet veel uit of een volwassen zorgvrager dertig of veertig jaar is. Bij kinderen en jongeren maakt tien jaar leeftijdsverschil enorm veel uit. Een kleuter beleeft een kleine chirurgische ingreep anders dan een puber van zestien jaar. De aard van de aandoening speelt een rol bij de beleving van ziek zijn. Is de ziekte of aandoening blijvend? Is een opname in een ziekenhuis noodzakelijk voor de behandeling? Wat is het effect van de ziekte of aandoening op de ontwikkeling van het kind? Hoe kan het kind met deze aandoening functioneren? Kan het kind naar huis, naar het gezin? Kan het kind naar school? Kan het kind buiten spelen? Kortom, de gevolgen van ziek zijn en alle bijkomende, al of niet bedreigende zaken spelen een belangrijke rol bij de manier waarop het kind zijn ziekte beleeft. Ouders Kinderen en jongeren zijn nog niet zelfstandig. Een kind heeft de zorg en liefde van ouders nodig om zich veilig te voelen. De ouders en het kind horen bij elkaar. Ouders begeleiden hun kind en participeren in de zorg aan hun kind. Ouders maken keuzes voor jonge kinderen. Bij oudere kinderen beslissen ouders en kind samen wat het beste is. Dat betekent voor de zorgverlening dat ouders altijd betrokken moeten worden en vaak, afhankelijk van de leeftijd van het kind, toestemming moeten geven voor een behandeling. Het gezin Het gezin vormt de veilige basis voor kinderen. Een kind of een jongere kan terugvallen op het gezin en de bescherming van zijn ouders. De opvoeding en samenstelling van een gezin heeft invloed op de ontwikkeling van kinderen. Ouders kiezen voor een opvoedingsstijl en geven hun kinderen waarden en normen mee. Broertjes en zusjes spelen een grote rol tijdens het opgroeien. Ieder heeft zijn eigen positie binnen het gezin. Zo moet de oudste vaak meer moeite doen om zelfstandigheid te krijgen dan de jongste. Een kind leert ook dat de aandacht van ouders over hem en zijn broertjes en zusjes verdeeld moet worden. Als het mogelijk is wordt het zieke kind thuis verpleegd door de ouders, mantelzorgers en verpleegkundigen. Als een kind in het ziekenhuis verblijft, worden ouders zo veel mogelijk bij de zorg betrokken.
Thema 1
9006924534_bw.indd 29
29
28-1-11 9:09
Een ziek kind beïnvloedt het gehele gezinsleven. Ouders, broertjes en zusjes passen zich aan de omstandigheden aan die de ziekte van het kind met zich meebrengt. Een operatie aan een liesbreukje heeft misschien weinig effect op het gezinsleven, maar een ernstige ziekte, zoals kanker, beïnvloedt het hele gezinsleven. Je kunt je voorstellen dat er veel zorg en aandacht uitgaat naar het zieke kind, maar ook de andere kinderen hebben die aandacht nodig. Gezondheid Kinderen zijn kwetsbaar doordat ze nog niet zelfstandig zijn en dus afhankelijk zijn van volwassenen. Vooral jonge kinderen lopen sneller het risico een ziekte of aandoening te krijgen. Hun afweersysteem werkt nog niet optimaal waardoor ze sneller een infectieziekte krijgen. Als een kind in de klas waterpokken heeft, dan krijgt al snel de hele klas waterpokken. Inentingsprogramma’s van de overheid voorkomen dat kinderen gevaarlijke en levensbedreigende infectieziekten krijgen. Kinderen en jongeren worden door de overheid gevolgd in hun groei en ontwikkeling. Ze komen vanaf hun geboorte tot hun achttiende jaar bij de JGZ op controle. Ziekten en aandoeningen, zoals gehoorstoornissen, worden hier zo vroeg mogelijk gesignaleerd, zodat deze tijdig behandeld kunnen worden.
1.4 Kinderen en jongeren met een chronische ziekte, aandoening of handicap Als verpleegkundige kom je in het ziekenhuis vaak chronisch zieke kinderen en jongeren tegen. Chronische ziekten zijn in de meeste gevallen blijvend van aard. De behandeling is grotendeels gericht op het leren omgaan met de ziekte en het bestrijden van ziekteverschijnselen, zodat het kind zo min mogelijk beperkt wordt door zijn ziekte. Een chronische ziekte beïnvloedt de psychische, sociale en maatschappelijke ontwikkeling van een kind. De ziekte heeft ook invloed op het leven van de andere gezinsleden. Zij worden vaak psychisch, emotioneel en ook praktisch extra belast. Zo gaat allereerst veel van de aandacht binnen het gezin naar het zieke kind toe. Maar het gezin kan bijvoorbeeld ook moeilijker met vakantie als een van de kinderen in het gezin een chronische ziekte heeft.
1.4.1 Kinderen en jongeren met een lichamelijke handicap Lichamelijke beperkingen, zoals spasticiteit of verlammingen, zijn aangeboren of later verworven. Je spreekt van een handicap als deze kinderen door hun lichamelijke beperkingen niet mee kunnen komen in het maatschappelijk leven. Een kind met lichamelijke beperkingen heeft praktische aanpassingen nodig, om zijn handicap tot een minimum terug te brengen. Hij heeft bijvoorbeeld een rolstoel nodig om zich voort te bewegen.
30
9006924534_bw.indd 30
Thema 1
28-1-11 9:09
De lichamelijke beperkingen vereisen vaak ook aanpassingen in de huisvesting van het kind. Deze aanpassingen zijn voor kinderen met een lichamelijke handicap anders dan bij volwassenen. Zo moeten bij kinderen hulpmiddelen, zoals een rolstoel of prothese, regelmatig worden aangepast, doordat ze snel groeien. Daarbij moet je er ook rekening mee houden dat kinderen spelen en dat de aanpassingen die het kind heeft, daarop afgestemd zijn.
1.4.2 Verstandelijke beperkingen Een kind met verstandelijke beperkingen is lichamelijk niet ziek, maar heeft wel extra begeleiding en zorg nodig. Voor een kind met verstandelijke beperkingen is de wereld vol obstakels. De ernst van de beperkingen is per kind verschillend. Zo leert de een zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen, terwijl de ander met moeite leert zelfstandig te eten. Kinderen met een verstandelijke beperking zijn in meer of mindere mate altijd afhankelijk van anderen, zoals ouders, broers, zussen en professionele hulpverleners. Tot de jaren tachtig gingen kinderen met een verstandelijke beperking vaak al op jonge leeftijd naar een instelling ver buiten dorpen en steden, waar ze permanent verbleven. Tegenwoordig maken kinderen met een verstandelijke beperking deel uit van de maatschappij en wonen ze begeleid in kleinschalige wooneenheden in de straat.
1.4.3 Meervoudige handicaps Soms hebben kinderen meerdere handicaps tegelijk. Een kind met het downsyndroom heeft bijvoorbeeld vaak een aangeboren afwijking aan het hart of een afsluiting van de darm. Een lichamelijke en verstandelijke handicap tegelijk wordt vaak veroorzaakt door zuurstoftekort in de hersenen. Als gevolg hiervan hebben deze kinderen vaak verlammingen en ongecontroleerde spierbewegingen en kunnen ze zich moeilijk verstaanbaar maken
Voorbeeld De ouders van Joris zagen het al bij zijn geboorte dat hij anders was. De moeder van Joris vroeg direct aan de verloskundige of Joris een mongooltje was. Na de eerste schrik hebben Joris’ ouders alle informatie verzameld die ze konden vinden over het downsyndroom. Niet alle kinderen met het downsyndroom hebben hetzelfde. Joris is gelukkig verder gezond en heeft geen aangeboren afwijkingen aan zijn hart.
Thema 1
9006924534_bw.indd 31
31
28-1-11 9:09
Ziekenhuisopname Kinderen en jongeren met een meervoudige handicap hebben te maken met meerdere specialisten. Vaak kunnen artsen alleen binnen hun eigen vakgebied naar het kind kijken. De verpleegkundigen letten er vaak goed op dat de specialisten hun onderzoeken en behandeling goed op elkaar afstemmen. Kinderen met een meervoudige handicap zijn kwetsbaar en komen vaak in het ziekenhuis. Een ziekenhuisopname heeft veel voorbereiding nodig. Het moet duidelijk zijn welke hulp het kind allemaal nodig heeft met wassen, aankleden eten en drinken. Het is ook belangrijk dat artsen en verpleegkundigen weten hoe het kind pijn aangeeft. De zorg voor deze kinderen eist een goede samenwerking met de ouders en opvoeders van het kind. Een kind dat zich verbaal niet of moeilijk kan uiten, heeft zijn ouders of begeleiders nodig die het gedrag begrijpen en vertalen voor anderen. Een ziekenhuis moet zo veel mogelijk gebruik maken van de kennis van instellingen voor kinderen met een verstandelijke beperking.
Praktijk 3
Saskia komt voor een oogcorrectie Saskia is een meisje van veertien jaar. Ze heeft een verstandelijke handicap en kan zich verbaal moeilijk uiten. Ze woont al vanaf haar vierde jaar in een woongroep voor kinderen met een verstandelijke handicap. Ze heeft niet veel contact met haar ouders. Saskia heeft veel zorg nodig: ze kan niet zelf eten of zich aan- en uitkleden. Aan douchen heeft ze een enorme hekel. Ze zet het dan op een brullen en verzet zich hevig. Saskia kan ook agressief reageren op snelle veranderingen. Ze gaat dan hard schreeuwen, schoppen en slaan. Saskia moet worden opgenomen voor een oogcorrectie en daarna een paar dagen blijven ter observatie. De zorgcoรถrdinator van Saskia neemt contact op met de kinderafdeling waar Saskia wordt opgenomen om te vertellen welke zorg Saskia nodig heeft.
Vraag
1 H oe kun je de kinderafdeling voorbereiden op de opname van Saskia?Welke disciplines zou je allemaal moeten betrekken bij de zorg aan Saskia?
1.4.4 Kinderen en jongeren met ziekten aan de organen
dialyseren
Sommige kinderen of jongeren worden beperkt door een afwijking aan de organen, zoals aan het hart of de nieren. Kinderen met een aangeboren hartafwijking krijgen soms meerdere operaties. Kinderen met nierziekten moeten vaak dialyseren en hebben een groeiachterstand. De groeiachterstand heeft invloed op de motoriek. Kinderen met hart- en nierziekten maken zich vaak veel zorgen over het verloop van hun ziekte en zijn extra kwetsbaar.
Kinderen met een nierziekte moeten regelmatig dialyseren
32
9006924534_bw.indd 32
Thema 1
28-1-11 9:09
1.4.5 Kinderen en jongeren met een erfelijke aandoening hemofilie cystic fibrosis
Er zijn kinderen die een erfelijke aandoening hebben zoals, hemofilie of cystic fibrosis. Erfelijke aandoeningen kunnen de levensduur van een kind verkorten. Bij een ziekte als cystic fibrosis weten kinderen vaak al op vroege leeftijd dat de ziekte levensbedreigend is. Kinderen en jongeren met cystic fibrosis zijn vaak meer bezig met het hier en nu dan met de toekomst. Een erfelijke ziekte roept bij jongeren in de puberteit vragen op over school- en beroepskeuze, partnerkeuze en het krijgen van kinderen. Ouders voelen zich vaak schuldig, omdat ze een ziekte aan hun kind hebben doorgegeven.
1.4.6 Kinderen en jongeren met levensbedreigende ziektes Sommige kinderen hebben een levensbedreigende ziekte, zoals kanker. Een levensbedreigende ziekte heeft grote invloed op het kind, de ouders, het gezin en de omgeving. Ouders en kind zijn veel in het ziekenhuis voor onderzoeken en behandeling. Zij moeten veel keuzes maken, bijvoorbeeld over de verschillende behandelmethoden. De ene behandelmethode kan een betere overlevingskans geven, de andere verhoogt alleen de kwaliteit van leven. De verpleegkundige ondersteunt de ouders. Zij helpt hen de gesprekken met de arts voor te bereiden en houdt in de gaten of de hoeveelheid informatie die ouders en kind krijgen, voldoende was en goed begrepen is. Kinderen en jongeren die ernstig en langdurig ziek zijn, hebben vaak een dagprogramma zodat er tijd is om te spelen en om onderwijs te volgen. Zo gauw het kan gaat een kind naar huis en neemt de wijkverpleging de zorg over, soms met medische of verpleegtechnische hulpmiddelen, zoals een infuuspomp en extra zuurstoftoediening.
Samenvatting Kinderen en jongeren vormen een bijzondere zorgcategorie. Ze groeien en ontwikkelen zich, zijn nog niet zelfstandig en onverbrekelijk met hun ouders verbonden. Kinderen maken van nul tot achttien jaar verschillende ontwikkelingsfasen door op psychisch, sociaal, motorisch en hormonaal gebied. Ze doorlopen de fase van zuigeling, peuter, kleuter, schoolkind en puber. Een verpleegkundige moet zich bij elk kind afvragen in welke leeftijds- en ontwikkelingsfase het zit en stemt de zorg daarop af. Kennis over kinderen en jongeren en ontwikkelingsfasen is daarom noodzakelijk. Zorgverlening aan kinderen en jongeren heeft bijzondere aspecten, kinderen spelen ook als ze ziek zijn en zieke kinderen zullen ook onderwijs moeten volgen. Sommige kinderen hebben meer kans om ziek te worden doordat ze met gezondheidsbedreigende factoren te maken krijgen. Denk hierbij aan sociale en maatschappelijke factoren, zoals een echtscheiding, armoede en de wijk waarin ze opgroeien. Negatieve veranderingen in sociale omstandigheden veroorzaken bij kinderen vaak stress, waardoor ze slechter gaan eten, slapen en zich uiteindelijk anders gaan gedragen. Het is mogelijk dat kinderen met contact- of concentratiestoornissen door een opname in een ziekenhuis uit hun evenwicht raken. In een ziekenhuis kom je kinderen en jongeren tegen met een tijdelijke of chronische aandoening, ziekte of handicap. Vooral de chronisch zieke kinderen vormen een kwetsbare groep, die vaak gebruikmaakt van verpleegkundige en medische zorg.
Thema 1
9006924534_bw.indd 33
33
28-1-11 9:09
Werken als Verpleegkundige. Dat is leuk en afwisselend werk. Verantwoordelijk werk ook. Mensen doen een beroep op jou als het gaat om zorg en begeleiding in situaties waarin zij dat tijdelijk of langdurig niet zelfstandig kunnen. Het vraagt van jou dat je beschikt over de juiste competenties. Dit boek bevat de theorie die je nodig hebt om op een verantwoorde manier zorg te verlenen aan mensen die aan jou zijn toevertrouwd. Dit boek – Verplegen van kinderen en jongeren – maakt deel uit van de serie ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken. Het boek draagt bij aan jouw ontwikkeling van beroepscompetenties. Beroepscompetenties zijn contextgebonden. Ze gelden slechts in bepaalde beroepssituaties, ook wel contexten genoemd. Een context wordt gevormd door personen met een bepaalde aandoening (een cliëntencategorie) in een bepaalde zorgomgeving (een branche). Dit boek gaat over het verplegen van kinderen en jongeren. Het speciale is natuurlijk de leeftijd. Bij de lichamelijke zorg en de psychosociale begeleiding houd je rekening met de leeftijd. Het maakt veel uit of je voor een kleuter zorgt of voor een puber. Om de specialistische kennis te presenteren die je nodig hebt, hebben we in dit boek niet de ziekte of stoornis als uitgangspunt genomen. Niet dat ziektes en stoornissen niet genoemd worden, maar belangrijker is welke gevolgen een kind of jongere ondervindt van de ziekte en hoe hij daarmee om kan gaan. Denk aan langdurige bedrust, een nare behandeling moeten ondergaan of een streng dieet moeten volgen. Dáár schuilt voor jou als verpleegkundige de uitdaging in het verplegen van kinderen en jongeren. Dit boek sluit aan bij de volgende uitstroomverbijzonderingen: GGZ ZH
Geestelijke Gezondheidszorg Ziekenhuizen
Zorg basisboek Verplegen van kinderen en jongeren
Verplegen van kinderen en jongeren – niveau 4
Verplegen van kinderen en jongeren
ThiemeMeulenhoff Zorg bestaat uit ThiemeMeulenhoff Zorg Basisboeken, Traject V&V, i-care flex, Verpleegtechniek in Beeld, InCasu en een reeks ondersteunende uitgaven (Anatomie & Fysiologie, Basisboek Pathologie etc.). Kijk voor meer informatie op www.thiememeulenhoff.nl/zorg
9006924534_omslag.indd 10
02-02-11 11:47