Skip to main content

Verhaaltjessommen-gr6-WB_antw

Page 1

Verhaaltjessommen Werkboek


Colofon Auteurs Marjanne van Gameren Cokky Stolze Redactie Margreet van der Kleij Omslag Eduardo Media

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

Opmaak PPMP Prepress, Wolvega Illustraties Ruud Bijman

ISBN 978 90 06 84083 4 Tweede druk, eerste oplage 2019 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2006 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.


Inhoud Blok 1 Taak 1

De sportdag

4

Taak 2

Meten in Nederland

6

Taak 3

Het museum

8

Taak 4

Betalen maar!

10

Toets 1

Toetsing blok 1

12

Taak 5

De school

14

Taak 6

Eerlijk zullen we alles delen

16

Taak 7

Op de sportclub

18

Taak 8

De kalender en de klok

20

Toets 2

Toetsing blok 2

22

Taak   9

Onderweg

24

Taak 10

De televisiegids

26

Taak 11

Van alles wat

28

Taak 12

Vakantie

30

Toets 3

Toetsing 3

32

Blok 2

Blok 3


Taak 1 1

Juiste betekent: goede.

Verbind het verhaaltje met de juiste som en reken uit. a

2

De sportdag

In groep 6a zitten 28 kinderen. Juf Anneke maakt teams van 4 kinderen. Hoeveel teams kan juf Anneke maken?

7+ 8=

15

of 60 : 4 =

15

28 + 32 =

60

b

Meester Dennis van groep 6b kan 8 teams van 4 kinderen maken. Hoeveel kinderen zitten er in groep 6b?

c

Hoeveel kinderen zitten er in groep 6a en 6b samen?

8× 4=

32

d

Hoeveel teams van 4 kinderen kun je maken van de kinderen van 6a en 6b samen?

28 : 4 =

7

Samen betekent meestal dat je moet optellen.

Hoeveel samen? Team 1

hoogspringen

verspringen

penalty’s

touwtje springen

Youssef

50

163

7

17

Matthijs

48

152

8

25

Lotte

48

135

8

26

Soumia

36

138

9

28

a

b

In totaal betekent: alles bij elkaar. Meestal moet je Hoeveel punten heeft team 1 in totaal gehaald bij ‘hoogspringen’? dan optellen.

Met welke getallen moet ik rekenen?

Wat moet ik doen? Zet er een rondje om.

50, 48, 48, 36

+

−

:

Wat is de som? Reken uit. ×

50 + 48 + 48 + 36 = 182

Hoeveel punten heeft team 1 gehaald bij alle onderdelen samen? Wat is handig?

Laat zien hoe je rekent:

punten per kind: Youssef Matthijs Lotte Soumia totaal c

punten per onderdeel: hoogspringen 182 verspringen 588 penalty’s 32 touwtje springen 96 + totaal 898 punten

237 233 217 211 + 898 punten

Welk kind uit team 1 heeft de meeste punten gehaald? Youssef 4


3

Hoeveel? Vul de som en het antwoord in. a

In de pauze krijgen we limonade van de twee moeders die helpen bij de sportdag. In een fles zit 1 liter. Ze schenken het in bekers van 20 cl. Er zijn 60 kinderen.

Met één literfles kun je

5

Voor 60 kinderen heb je dus b

bekers vullen.

12

literflessen nodig.

Juf Anneke, meester Dennis en de twee moeders drinken ieder 2 bekers koffie. In een beker gaat 20 cl koffie. In een kan zit 1 liter koffie. Er zijn 2 kannen koffie. Er zijn Dat is

4 40

personen die koffie drinken. Ieder drinkt 2 bekers koffie. cl koffie per persoon. Totaal is er 160 cl koffie nodig.

Een liter is hetzelfde als 100 cl. In twee koffiekannen zit 200 cl koffie. Er is dus wel/niet voldoende koffie. c

Er zijn 60 kinderen, 2 leerkrachten en 2 moeders. Iedereen krijgt een appel. In een zak zitten 8 appels. Er zijn

64

mensen, dus er zijn

Dat betekent dat je 4

8

64

appels nodig.

zakken appels nodig hebt.

Zet een rondje om de juiste som en reken uit. Tip! 1 kilometer = 1000 meter a

b

Meester Dennis knipt 110 meter afzetlint in stukken van 5 meter. Hoeveel stukken kan hij knippen?

Bij het onderdeel ‘hardlopen’ lopen de kinderen 4 rondjes. In totaal lopen ze 1 kilometer. Hoeveel meter is 1 rondje?

110   :   5 =  22 stukken   110 + 5 =

stukken

110 − 5 =

stukken

110 × 5 =

stukken

4 × 1 =

meter

1   :   4 =

meter

1000 × 4 =

meter

1000   :   4 = 250 meter c

d

Team 2 heeft 40 keer op het doel geschoten, waarvan 16 keer raak. Hoe vaak misten ze het doel? Team 4 heeft 22 doelpunten gemaakt en 18 keer mis geschoten. Hoe vaak heeft team 4 op het doel geschoten?

5

40 − 16 =  24 missers   40 + 16 =

missers

22 + 18 =  40 schoten   22 − 18 =

schoten


Taak 2 1

Meten in Nederland

Meubels bezorgen. a

Een vrachtwagenchauffeur uit Utrecht bezorgt meubels in Leiden, Den Haag en Rotterdam, Amersfoort en Arnhem. Welke plaats ligt het verst van Utrecht?

Den Haag

Leiden 50 17 62 21

57

Amersfoort Arnhem 64 Utrecht 23

Rotterdam

Arnhem

Hoeveel kilometer rijdt de chauffeur als hij langs de vijf plaatsen rijdt en dan weer terug naar Utrecht?

64 × 2 = 128, 23 × 2 = 46, 128 + 46 + 50 + 17 + 21 + 57 = 319 kilometer b

2

Welke route nam de chauffeur?

‘Na 64 kilometer stopte ik even in Utrecht en toen reed ik nog 62 kilometer verder.’

van Arnhem

‘Ik reed in totaal 78 kilometer. Na het kortste stuk stopte ik even in Rotterdam, daarna reed ik een langer stuk.’

van Den Haag naar Utrecht

‘Na 17 kilometer stopte ik even in Den Haag, toen reed ik nog 21 kilometer verder.’

van Leiden

naar Rotterdam

‘Ik kwam langs Den Haag, Rotterdam en Utrecht en ik reed in totaal 118 kilometer.’

van Leiden

naar Amersfoort

Omtrek en oppervlakte van tuintjes. Teken de tuintjes in het vak. a

Bij omtrek kun je denken aan een hekje om de tuin. Je rekent: lengte + breedte + lengte + breedte. Als de afmetingen in meters zijn dan is de omtrek ook in meters (m). Bij oppervlakte kun je denken aan tegels in de tuin. Je rekent: lengte x breedte. Als de afmetingen in meters zijn dan is de oppervlakte vierkante meter (m2).

Mijn tuin is vierkant. De lengte is 7 meter. Wat is de omtrek van mijn tuin? 28 meter

b

Mijn tuin is 2 keer zo lang als breed. De breedte is 3 meter. Wat is de omtrek van mijn tuin? 18 meter

c

De oppervlakte van mijn tuin is 35 m2. Mijn tuin is 5 meter breed. Hoe lang is mijn tuin? 7 meter

d

naar Den Haag

De omtrek van mijn tuin is 22 meter. Mijn tuin is 6 meter lang. Hoe breed is mijn tuin? 5 meter 6


3

Hoe lang? a

Jorn fietst 15 kilometer per uur. Hij fietst over de Afsluitdijk (tussen Noord-Holland en Friesland) en doet daar 2 uur over. Hoe lang is de Afsluitdijk? Getallen: 15 en 2

b

Som: 2 × 15 = 30

De Zeelandbrug (tussen Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland) is 5 kilometer. Hoe lang fietst Jorn daarover? Getallen: 5 en 15

c

+  −  :  ×

+  −  :  ×

Som:

15 : 5 = 3 dus 13 van 1 uur = 20 minuten.

Over de Houtribdijk (tussen Enkhuizen en Lelystad) fietst Jorn ongeveer 2 uur en een kwartier. Hoe lang is de Houtribdijk ongeveer? Laat zien hoe je rekent: 2 × 15 = 30 kilometer en 15 minuten is 3,75 kilometer,

samen 33,75 kilometer 4

Het Pieterpad. a Toos en Bertje wandelen 25 dagen de route van het Pieterpad. Ze lopen gemiddeld bijna 20 kilometer per dag. Hoe lang is het Pieterpad ongeveer? Getallen: 20 en 25

+  −  :  ×

Som: 25 × 20 = 500 kilometer

Toos en Bertje lopen gemiddeld 5 kilometer per uur. Hoeveel uur doen ze in totaal over het Pieterpad? Getallen: 500 en 5 b

+  −  :  ×

Harry en Carin lopen een deel van het Pieterpad: Dag 1: van Hardenberg naar Ommen (21 km) Dag 2: van Ommen naar Hellendoorn (21 km) Dag 3: van Hellendoorn naar Holten (16 km) Dag 4: van Holten naar Laren (15 km) Dag 5: van Laren naar Vorden (14 km)

Hoeveel kilometer is dit bij elkaar?

21 + 21 + 16 + 15 + 14 = 87 kilometer Jos loopt mee van Hardenberg tot Holten. Hoeveel kilometer is dat?

21 + 21 + 16 = 58 kilometer

7

Som: 500 : 5 = 100 uur


Taak 3 1

Het museum

Welke informatie mis ik? Verbind het verhaaltje met de informatie die je mist. Schrijf de som op en reken uit. a

Dit weekend waren er 215 bezoekers in het museum. Hoeveel bezoekers waren er deze week? Som: 215 + 158 = 373

b

Vanochtend waren er 32 bezoekers. Hoeveel bezoekers waren er vanmiddag? Som: 86 − 32 = 54

c

Op 27 juni kwamen er op 1 dag evenveel bezoekers als in de hele maand januari. Hoeveel bezoekers kwamen er op 27 juni?

Vandaag waren er in totaal 86 bezoekers.

Doordeweeks waren er 158 bezoekers.

In oktober, november en december kwamen er 2112 bezoekers.

325 d

In de eerste 3 kwartalen van dit jaar waren er in totaal 7873 bezoekers. Hoeveel bezoekers kwamen er dit jaar?

In januari kwamen er 325 bezoekers.

Som: 7873 + 2112 = 9985 2

Wat is waar? Reken uit en zet een rondje om de juiste som.

Voorbeeld De familie De Visser (vader, moeder en 2 × € 9 = € 18 Eva van 13 jaar) gaat naar het museum. Wat moeten ze betalen?

2 × € 9 = € 18 € 18 + € 5,50 = € 23,50

a

De familie Tekinbas (oma, opa, moeder, Myriam van 15 jaar en Yusri van 11 jaar) gaat naar het museum. Oma wil een museumboekje. Wat moeten ze betalen?

3 × € 9 = € 27 3 × € 9 = € 27 € 27 + € 5,50 + € 2,50 = € 35 € 27 + € 2,50 = € 29,50

b

Familie Lange (vader, moeder, Bas van 17 jaar en Anne van 10 jaar) twijfelt: zullen we een gezinskaart kopen of gewone kaartjes? Wat is goedkoper?

Gewone kaartjes kosten: 2 × € 9 = € 18 2 × € 5,50 = € 11 € 18 + € 11 = € 29 Een gezinskaart is goedkoper.

8

Gewone kaartjes kosten: 2 × € 9 = € 18 1 × € 5,50 = € 5,50 € 18 + € 5,50 = € 23,50 Een gezinskaart is duurder.


3

4

Kies de juiste vraag bij het verhaal. Zet een rondje om 1 of 2. Schrijf de som op en reken uit. Het verhaal:

Zet een rondje om 1 of 2.

Schrijf de som op:

a

Azra moet voor 3 museumkaartjes € 16,50 betalen.

1 Hoeveel kost 1 kaartje? 2 Naar welk museum gaat zij?

€ 16,50 : 3 = € 5,50

b

Baran moet voor 3 museumkaartjes € 16,50 betalen. Hij betaalt met een briefje van 20 euro.

1 Hoeveel geld krijgt hij terug? 2 Hoeveel geld zit er nog in zijn portemonnee?

€ 20 − € 16,50 = € 3,50

c

In de kassa van het museum zat vanochtend € 225. Aan het eind van de dag zit er € 705 in.

1 Hoeveel bezoekers zijn er vandaag geweest? 2 Hoeveel geld is er vandaag verdiend?

€ 705 − € 225 = € 480 Ruim betekent: ‘meer dan’ of ‘iets meer dan’

Naar het museum. a

b

Het museum is dinsdag t/m zondag geopend van 10.00 uur tot 17.00 uur. Hoeveel uur is dat per week?

In het museum is een tentoonstelling ‘Ridders en Kastelen’. Deze tentoonstelling duurt van 2 juni tot 11 september.

Som: 6 × 7 uur = 42 uur

Dat zijn ruim

3

En hoeveel uur is dat per jaar?

Dat zijn ongeveer

maanden.

90

dagen.

Som: 52 × 42 uur = 2184 uur 5

Zet een rondje om het juiste antwoord. a

In het museum hangen in totaal 96 schilderijen. De schilderijen zijn gelijk verdeeld over de zalen. In elke zaal hangen 12 schilderijen. Hoeveel zalen zijn er? Antwoord 1 Er zijn 96 schilderijen en in elke zaal hangen er 12. Dan moet ik 96 : 12 uitrekenen, dat is 8. Er zijn dus 8 zalen.

b

Op de openingsdag van de tentoonstelling waren er in totaal 389 bezoekers. 196 daarvan konden met een museumkaart gratis naar binnen. Hoeveel bezoekers moesten betalen? Antwoord 1 Er waren 389 bezoekers en ook nog 196 mensen met een museumkaart. Dat is samen 389 + 196 = 585 bezoekers die betalen.

6

Antwoord 2 In het verhaal staan de getallen 96 en 12, die moet ik van elkaar aftrekken. Er zijn dus 96 − 12 = 84 zalen.

Antwoord 2 Van de 389 bezoekers hadden er 196 een museumkaart. De rest van de bezoekers heeft betaald. Je rekent dus uit: 389 − 196 = 193.

Bedenk een verhaaltje bij de som. a

325 + 175 = 500

Ter beoordeling van de leerkracht.

b

144 : 12 =

12

Ter beoordeling van de leerkracht.

9

c

20 × 25 = 500

Ter beoordeling van de leerkracht.


Taak 4 1

Kunnen ze de spelcomputer betalen?

a

2

Betalen maar!

Roos heeft € 198 en haar zus heeft € 71. Kunnen ze samen de spelcomputer kopen?

b

Sam verdient € 85 per maand. Kan hij na 3 maanden de spelcomputer kopen?

€ 198 + € 71 = € 269

3 × € 85 = € 255

Ja, ze kunnen de

Nee, na 3 maanden kan

spelcomputer samen

hij de spelcomputer nog

kopen.

niet kopen.

c

Malina zegt: ‘Ik spaar voor de spelcomputer en ben precies op de helft’. Hoeveel geld heeft Malina gespaard?

€ 269 : 2 = € 134,50

Wat moet je weten om de som op te lossen? Verbind het verhaaltje met het juiste weetje. Schrijf de som op en reken uit. Tip! Soms staat niet alles wat je nodig hebt in het verhaaltje. De rest moet je gewoon weten. a

Een belabonnement voor een mobiel kost € 12,50 per maand. Hoeveel kost het per jaar? Som: 12 × € 12,50

b

Parkeren kost € 2,50 per 30 minuten. Hoeveel kost 4 uur parkeren? Som: 2 × € 2,50 × 4

c

Antwoord: 52

Waar zit meer in: in een literfles of in 3 blikjes met 30 cl? Som: 3 × 30 cl = 90 cl,

f

Antwoord: € 1,47

Onze hond krijgt elke week een hondensnoepje. Hoeveel snoepjes zijn dat in een jaar? Som: 1 × 52

e

Antwoord: € 20

1 euro = 100 cent

1 uur = 60 minuten

Een citroen kost 49 cent. Hoeveel euro kosten 3 citroenen? Som: 3 × € 0,49

d

Antwoord: € 150

Antwoord: in een literfles

1 jaar = 12 maanden

1 liter = 100 cl

1 week = 7 dagen 1 dag = 24 uur

Hoeveel uren zitten er in een week? Som: 7 × 24

Antwoord: 168 uur

10

1 jaar = 52 weken


3

Bij korting gaat het altijd om 3 bedragen: het oude bedrag, de korting en het nieuwe bedrag. Vind je het moeilijk? Vul dan een overzichtje in:

Korting.

a

De spelcomputer kostte eerst € 315 en nu € 269. Hoeveel euro korting?

b

Som: € €   € d

4

c

Som: € –

€

46

Als je 3 bossen rozen van € 3,50 koopt, krijg je één van die bossen gratis. Hoeveel euro korting is dat?

€ e

€ +

€

Sita koopt een fiets voor € 329. Vorige week was die fiets nog € 75 euro duurder. Hoe duur was de fiets vorige week?

€ 10,50 − € 3,50 = € 7,00 Antwoord: € 3,50

€ €   €

€

13000

Som:

Mijn moeder koopt een bank die eerst € 1115 kostte. Ze betaalt nu maar € 998. Hoeveel euro korting kreeg ze? Som:

11450  1550

Som:

Of: Nieuwe bedrag Korting ---------------- + Oude bedrag

f

1115  998

–

117

Melle koopt een vliegticket van € 426. Hij hoeft maar de helft te betalen. Hoeveel euro korting krijgt hij? Som:

329  75

€ 426 : 2 Antwoord: € 213

+

404

Betalen in delen. a

5

315 269

Mijn vader betaalt € 11.450 voor zijn nieuwe auto. Hij kreeg € 1550 korting. Hoeveel kostte de auto eerst?

Oude bedrag Korting ---------------- – Nieuwe bedrag (wat je echt moet betalen)

Kwami koopt een stofzuiger van € 250. Hij betaalt elke maand een deel: € 50. Na hoeveel maanden is hij klaar met betalen?

b

Yaba koopt een koffiezet­ apparaat van € 81. Ze wil het in 3 maanden betalen, telkens hetzelfde bedrag. Hoeveel betaalt ze per maand?

c

Kofi koopt een broodrooster van € 105. Hij betaalt elke maand een deel: € 15. Na hoeveel maanden is hij klaar met betalen?

Som: € 250 : € 50

Som: € 81 : 3

Som: € 105 : € 15

Antwoord: 5 maanden

Antwoord: € 27

Antwoord: 7 maanden

Goed of fout? Zet een rondje om het juiste antwoord. a

Anna wisselt een briefje van 20 euro om en krijgt 4 munten van 50 cent. goed / fout

b

Bart wisselt 20 munten van 20 cent om en krijgt 8 munten van 50 cent. goed / fout

11

c

Camilla wisselt een briefje van 50 euro om in twee briefjes van 20 euro en 10 munten van 1 euro. goed / fout


Toets 1 1

Verbind het verhaaltje met de juiste som en reken uit. a

2

Juf Sandra maakt teams van 5 kinderen. In groep 6a zitten 30 kinderen Hoeveel teams kan juf Sandra maken?

6+ 7= of: 65 : 5 =

13

30 : 5 =

6

b

Juf Anne Marie van groep 6b kan 7 teams van 5 kinderen maken. Hoeveel kinderen zitten er in groep 6b?

c

Hoeveel kinderen zitten er in groep 6a en 6b samen?

7× 5=

35

d

Hoeveel teams van 5 kinderen kun je maken van de kinderen van 6a en 6b samen?

30 + 35 =

65

Zet een rondje om de juiste som en reken uit. a

b

Juf Sandra knipt 110 meter afzetlint in stukken van 10 meter. Hoeveel stukken kan zij knippen?

110 : 10 =

11 stukken

110 + 10 =

stukken

110 − 10 =

stukken

110 × 10 =

stukken

Bij het onderdeel ‘hardlopen’ lopen de kinderen 8 rondjes van 200 meter. Hoeveel meter is dat in totaal?

8×

1=

kilometer

1 :

8=

kilometer

8 × 200 = 1600 meter 200 :

c

De 5 kinderen uit team 1 hebben ieder 50 punten gehaald bij het onderdeel ‘ring werpen’. Hoeveel punten is dat in totaal?

d

Team 1 heeft bij elkaar 436 punten gehaald en team 2 heeft 521 punten gehaald. Hoeveel punten had team 2 meer?

meter

8=

50 + 50 =

punten

50 +

5=

punten

5 × 50 =

250 punten

5=

punten

521 − 436 =

85 punten

521 + 436 =

punten

50 :

3

13

Goed of fout? Zet een rondje om het juiste antwoord. a

Didi wisselt 10 munten van 50 cent om voor een briefje van 10 euro.

goed / fout

b

Erik wisselt 40 munten van 5 cent om en krijgt 2 munten van 1 euro.

goed / fout

12

c

Fatima wisselt een briefje van 200 euro om in drie briefjes van 50 euro, 2 briefjes van 20 euro en 2 briefjes van 5 euro. goed / fout


4

Kunnen ze de laptop betalen? a Matthijs heeft € 238 en zijn zus heeft € 280. Kunnen ze samen de laptop kopen?

5

b Ole verdient € 75 per maand. Na hoeveel maanden kan hij de laptop kopen?

Som: € 238 + € 280

Som: 8 × € 75

Som: 2 × € 528

= € 518

= € 600

Antwoord: Nee

Antwoord: 8 maanden

= € 1056 Antwoord: € 1056

Korting. a De laptop kostte eerst € 528 en nu € 469. Hoeveel euro korting? Som: € €   €

528 469

b Mijn moeder betaalt € 22.650 voor onze nieuwe auto. Zij kreeg € 3350 korting. Hoeveel kostte de auto eerst? Som: €

–

59

d Lars koopt 6 plantjes van € 4,50. Hij hoeft er maar 5 te betalen. Hoeveel euro korting krijgt Lars?

€   €

22650  3350

+

€

Antwoord: € 4,50

€

129  85

€   €

e Nadine koopt laarzen voor € 129. Vorige week waren die laarzen 85 euro duurder. Hoe duur waren ze vorige week? Som:

Som: –

c Mijn zus koopt een scooter die eerst € 3029 kostte. Ze hoeft maar € 2700 te betalen. Hoeveel euro korting kreeg ze? Som: €

26000

€ 6

c Mona zegt: ‘Ik zou wel twee laptops kunnen kopen’. Hoeveel geld heeft Mona gespaard?

3029 2700

–

329

f Jesse betaalt in de uitverkoop € 170 voor een microscoop. Eigenlijk was de microscoop twee keer zo duur. Hoeveel euro korting krijgt hij? Som: –

+

Antwoord: € 170

214

Zet een rondje om het juiste antwoord. a

In het museum hingen al 96 schilderijen. Vanochtend kwamen er 26 schilderijen bij en vanmiddag kwamen er nog 13 schilderijen bij. Hoeveel schilderijen zijn er nu? Antwoord 1 Er waren al 96 schilderijen. Er kwamen 26 − 13 = 13 schilderijen bij. De som is: 96 + 13 = 109

b

Antwoord 2 Er waren al 96 schilderijen. Daar moet je 26 + 13 = 39 bij optellen. De som is: 96 + 39 = 135

Vandaag waren er 311 bezoekers in het museum, waarvan er 155 jonger waren dan 18 jaar. Hoeveel bezoekers waren 18 jaar of ouder? Antwoord 1 Van de 311 bezoekers waren er 155 jonger dan 18. De rest (311 − 155 = 156) is dus 18 jaar of ouder.

13

Antwoord 2 Er waren 311 bezoekers in het museum en ook 155 bezoekers jonger dan 18 jaar. Samen: 311 + 155 = 466 bezoekers.


Taak 5 1

2

De school

Schrijf de som op en reken uit.

a

De zomervakantie duurt 6 weken. Hoeveel dagen zijn dat?

6 × 7 = 42 dagen

b

Een schooljaar heeft ongeveer 40 lesweken en 12 vakantieweken. Hoeveel dagen heb je vakantie?

12 × 7 = 84 dagen

c

Je zit al meer dan 200 weken op school. In welke groep zit je dan?

200 : 40 = 5, dus groep 6

d

Over 4 weken heeft Yara zomervakantie. Hoeveel dagen heeft zij dit schooljaar al op school gezeten?

36 × 5 = 180 dagen

Welke vraag én welke som horen bij het verhaal? Geef het verhaal, de vraag en de som die bij elkaar horen dezelfde kleur. Reken ook uit.

3

In de gang beneden zitten groep 1, 2, 3 en 4. Daar zitten gemiddeld 26 kinderen in de groep.

Hoeveel lokalen zijn er?

In de gang boven hangen 108 jassen, die zijn van de kinderen uit groep 5, 6, 7 en 8.

108 : 4 =

27

Hoeveel kinderen zijn dat samen?

96 : 6 =

16

Elk lokaal heeft 6 ramen. In totaal hebben de lokalen 96 ramen.

Hoeveel ramen zijn er in de school?

4 × 26 = 104

Er wordt een nieuwe school gebouwd. In elk lokaal komen 12 ramen. Er zijn 8 lokalen.

Hoeveel kinderen zitten er gemiddeld in elke groep?

8 × 12 =

Van welke vraag staat het antwoord in het verhaal? Zet een kruisje bij de juiste vraag. Reken ook uit. a

Meester Bert is geboren in 1969 en meester Wim is geboren in 1971. Ze zijn allebei jarig vandaag. Hoeveel jaar is meester Bert ouder? 1971 − 1969 = 2 Wat hebben ze voor hun verjaardag gekregen?

b

Bij de kleuters is het juffendag. Er is een spelletjescircuit voor de kinderen. De juffen maken groepjes van 4 en er zijn 84 kinderen. Welke spelletjes gaan ze doen? Hoeveel groepjes kunnen ze maken? 84 : 4 = 21

c

Juf Lizzy koopt luizentassen voor haar groep. Er zitten 14 jongens en 16 meisjes in de groep. Een luizentas kost € 5,50. Wanneer krijgen de kinderen de luizentas? Hoeveel kost het bij elkaar? 30 × € 5,50 = € 165

14

96


4

Schrijf de sommen op en reken uit. Let op! Je moet twee sommen per vraag uitrekenen. a

De tegels in de gang liggen in rijtjes. In elk rijtje liggen 6 witte en 6 zwarte tegels. Er zijn 11 rijtjes. Hoeveel tegels liggen er in totaal?

6 + 6 = 12, 12 × 11 = 132 b

In de gang bij de gymzaal liggen 144 tegels. In elk rijtje liggen 6 witte en 6 blauwe tegels. Hoeveel rijtjes zijn er?

6 + 6 = 12, 144  :  12 = 12 c

Aan de kapstok hangen de jassen en tassen. In groep 6 zitten 28 kinderen, in groep 7 zitten 31 kinderen en in groep 8 zitten 26 kinderen. Hoeveel jassen én tassen hangen er in de gang?

28 + 31 + 26 = 85, 2 × 85 = 170 5

Nu jij! Bedenk een verhaaltje bij de som. Schrijf de vraag op en reken ook uit. a

40 × 7 = 280

b

Ter beoordeling van de leerkracht.

c

240 : 8 =

30

e

84

Ter beoordeling van de leerkracht.

d

Ter beoordeling van de leerkracht.

283 − 199 =

365 + 365 = 730

Ter beoordeling van de leerkracht.

Kun je deze som ook maken? Kijk goed naar het voorbeeld. 25 + 28 = 53 53 × 10 = 530

19 + 23 = 42 42 ×  8 = 336

In groep 6a zitten 25 kinderen, in groep 6b zitten er 28. Elk kind heeft 10 kleurpotloden. Hoeveel kleurpotloden zijn dat samen?

Ter beoordeling van de leerkracht.

15


Taak 6 1

Eerlijk zullen we alles delen

Voetbalplaatjes: 5 plaatjes in elk pakje. Voorbeeld Nils en Tinke hebben van oma 9 pakjes met voetbalplaatjes gekregen. Kunnen ze de plaatjes eerlijk verdelen? Hoeveel houden ze over?

9 pakjes met 5 plaatjes is 45 plaatjes. 45 : 2 kan niet. 44 : 2 kan wel, ieder krijgt 22 plaatjes en er is 1 plaatje over. Ja/nee, want

a

Zep en Morris krijgen van de buurvrouw 12 pakjes met voetbalplaatjes. Kunnen ze de plaatjes eerlijk verdelen? Ja/nee, want 12 pakjes met 5 plaatjes is 60 plaatjes. 60

b

Oom Tjeerd stuurt 16 pakjes met voetbalplaatjes naar zijn 3 neefjes. Kunnen ze de plaatjes eerlijk verdelen? Ja/nee, want 16 pakjes met 5 plaatjes is 80 plaatjes. 80

c

: 3 = 26, rest 2.

Juf Fatima heeft 13 pakjes voetbalplaatjes. In de klas zitten 24 kinderen. Kunnen ze de plaatjes eerlijk verdelen? Ja/nee, want 13 pakjes met 5 plaatjes is 65 plaatjes. 65

2

: 2 = 30.

: 24 = 2 rest 17.

Hoeveel tijd heb jij? a

15 c

b

In groep 6 zitten 24 kinderen. Om de beurt werken ze aan de computer. In totaal is dat 6 uur. Hoeveel minuten werkt 1 kind gemiddeld aan de computer?

3

minuten d

Groep 8 kijkt elke ochtend naar het Jeugdjournaal. Na een week hebben ze 25 minuten gekeken. Hoe lang duurt elke uitzending?

5

In groep 7 staan 2 computers in de klas. Er zitten 36 kinderen in de klas. Hoe lang moeten de computers aan staan als elk kind 10 minuten aan de computer werkt?

Groep 6 kijkt naar Overblijf-tv. Na een week hebben ze 1 uur tv gekeken. Hoe lang duurt 1 uitzending?

12

minuten

16

uur

minuten


3

Hoeveel geld? a

Oma geeft met nieuwjaarsdag al haar kleinkinderen evenveel geld. Oma heeft 8 kleinkinderen en ze heeft in totaal 100 euro. Hoeveel krijgt elk kind? Getallen:

b

en

100

15

en

9

12 en 10 en 2 Getallen: € 2100 en € 240

+ − × :

Som: 9 × € 15 = € 135

+ − × :

Som: 12 × € 10 = € 120 × 2 = € 240

+ − × :

Som: € 2100 − € 240 = € 1860

Oom Leo heeft 20 neefjes en nichtjes. Hij geeft hun elk jaar een boekenbon van € 12,50. Hoeveel geld geeft hij in 1 jaar aan boekenbonnen uit? En hoeveel geeft hij uit na 5 jaar? Getallen: Getallen:

4

Som: € 100 : 8 = € 12,50

Tante Klaasje heeft 2100 euro op haar spaarrekening staan. Per jaar geeft ze haar 12 neefjes en nichtjes allemaal 10 euro. Hoeveel geld heeft ze nog op haar spaarrekening staan na 2 jaar? Let op! Twee sommen! Getallen:

d

+ − × :

Opa geeft elk kleinkind op zijn/haar verjaardag 15 euro. Hoeveel geld geeft opa in totaal per jaar als hij 9 kleinkinderen heeft? Getallen:

c

8

20 5

12,50 en 250 en

+ − × :

Som: 20 × € 12,50 = € 250

+ − × :

Som: 5 × € 250 = € 1250

Waar of niet waar? Zet een rondje. Is het niet waar? Schrijf dan de goede som en het antwoord op. a

Joris en zijn 4 vrienden verdelen 165 knikkers. Ieder krijgt er 41 en er blijft 1 knikker over. waar/niet waar

165  :  5 = 33 b

Vader, moeder en hun 3 kinderen betalen voor de dierentuin € 90,-. Dan is de prijs per persoon € 30,-. waar/niet waar

€ 90  :  5 = € 18 c

Juf Léone en haar 24 kinderen schrijven met vulpen. Per jaar gebruiken ze 100 vullingen. Ieder gebruikt dus 4 vullingen per jaar. waar/niet waar

– d

Mitchell koopt een game voor de spelcomputer. Hij gebruikt daarvoor de helft van zijn geld. Het spel kost € 59,-. Hij heeft nu nog € 29,50 over. waar/niet waar

2 × € 59,00 = € 118,00. Mitchell houdt nog € 59 over. 17


Taak 7 1

Op de sportclub

Schrijf de som op en reken uit. Bedenk steeds welke getallen je nodig hebt en wat je moet uitrekenen.

a

De mannen van FC Yippie gaan eerst warmlopen. Ze lopen twee keer heen en weer over de breedte van het veld. Hoeveel meter hebben ze gelopen?

2 × 2 × 65 = 260 meter b

De tegenpartij rent een rondje om het voetbalveld. Hoeveel meter is dat?

100 + 65 + 100 + 65 = 330 meter c

De penaltystip ligt op

11

meter van het doel.

Hoeveel keer past de afstand tot de penaltystip in de lengte van het veld?

9 × 11 = 99 meter d

Als je de vier lichtmasten achter elkaar zou neerleggen, past dat dan in de breedte van het veld?

4 × 15,5 = 62 meter, dat past, want de breedte is 65 meter 2

Klopt het of klopt het niet? Voorbeeld De breedte van het doel is ongeveer 700 centimeter. Klopt / klopt niet, want 700 centimeter is hetzelfde als 7 meter. a

Wesley is 1,25 meter lang. Het doel is 2 × zo hoog. Het doel is dus ongeveer 2500 centimeter. Klopt / klopt niet, want 2500 cm = 25 meter.

b

De 8 spelers van de E3 zijn gemiddeld 150 centimeter lang. De afstand van het doel naar de penaltystip is 11 meter. Als de spelers achter elkaar op het veld gaan liggen zijn ze precies de afstand van het doel naar de penaltystip. Klopt / klopt niet, want 8 × 150 cm = 1200 cm = 12 meter.

De penaltystip ligt op 11 meter. c

Het voetbalveld van de E3 is 65 meter lang en 50 meter breed. Als je een rondje om het veld loopt, heb je ongeveer 2,3 kilometer gelopen. Klopt / klopt niet, want 65 + 50 + 65 + 50 = 230 meter.

2,3 km is 2300 meter. d

Je loopt over de breedte van het veld van de E3 heen en weer. Je moet dan 100 keer het veld op een neer om 1 kilometer te lopen. Klopt / klopt niet, want als je 1 keer heen en weer loopt, is dat 100 meter.

Doe je dat 10 keer dan is het 1000 meter = 1 kilometer 18


3

1 liter = 100 cl

Rust. a

Het is rust, de 11 spelers van FC Yippie en de coach, drinken allemaal een bekertje thee van 20 cl. De coach is 35 jaar. Hoeveel kannen van een liter zijn er nodig?

b

12 × 20 cl = 240 cl = 2,4 liter, dus 3 kannen van 1 liter Welk getal heb je niet nodig? 35 c

14 × 50 cl = 700 cl = 7 liter Welk getal heb je niet nodig? 15

Er staan 187 mensen in de kantine en op de tribune zijn er nog eens 341. Van de 187 mensen kopen 150 mensen koffie. Hoeveel mensen zijn er bij elkaar?

187 + 341 = 528 mensen Welk getal heb je niet nodig? 150 4

d

Er worden in de rust door de 10 mensen achter de bar 150 bekertjes koffie verkocht. In elk bekertje zit 15 cl koffie. Hoeveel koffie is dat bij elkaar?

150 × 15 cl = 2250 cl koffie, dat is 22,5 liter Welk getal heb je niet nodig? 10

Zet een rondje om het juiste antwoord. a

In een flesje SPORTS zit 30 cl. In een krat met 15 flesjes zit in totaal 4,5 liter, want 15 × 30 cl is 450 cl en dat is gelijk aan 4,5 liter. Klopt dit? Antwoord 1 Als er 15 flesjes met 30 cl in een krat zitten, dan doe je 15 × 30 cl = 450 cl = 4,5 liter

b

Antwoord 2 Als er 15 flesjes met 30 cl in een krat zitten, dan doe je 15 × 30 cl = 350 cl = 3,5 liter

In de koelkast staan 44 flesjes met elk 0,25 liter ZZ-drink. Hoeveel liter is dat bij elkaar? Antwoord 1 Als er 44 flesjes met 0,25 liter in de koelkast staan, dan doe je 44 × 0,25 liter = 110 liter

5

De tegenpartij heeft ook dorst. De rust duurt 15 minuten. Zij hebben elk een drinkfles van 50 cl met sportwater. Er zijn 14 spelers. Hoeveel liter sportwater hebben ze samen?

Antwoord 2 Als er 44 flesjes met 0,25 liter in de koelkast staan, dan doe je 44 × 0,25 liter = 11 liter

Atletiek. Geef antwoord op de vraag. Schrijf op hoe je het uitrekent. a

Kasper springt 3 m en 123 cm, Hugo springt 4 m en 1 dm en Jelle springt 44 dm. Wie springt het verst?

Kasper springt 423 cm, Hugo 410 cm en Jelle 440 cm, Jelle springt het verst. b

Ronja rent 5 rondjes van 400 meter. Hoeveel km heeft ze dan gelopen?

5 × 400 meter = 2000 meter = 2 kilometer c

Juf Cynthia zegt dat ze 200 mm kan hoogspringen. Kan dat?

200 mm = 20 cm, dat kan juf Cynthia wel springen!

19


Taak 8 1

De kalender en de klok

Vul het juiste woord in. Kies uit: eeuw – 10 – decennium – 100 – maand – 3 – kwartaal – 30 Geef ook antwoord op de vraag. begonnen. Dat is 100 jaar.

Op 1 januari 2000 is de 21e

b

Je kunt naast een jaarabonnement ook een abonnement nemen voor een

kwartaal c

d

. Dat is hetzelfde als

3

maanden.

Als je je abonnement wilt opzeggen heb je meestal een Dat is ongeveer De eerste

10

30

maand

opzegtermijn.

dagen.

jaren van deze eeuw zijn al voorbij.

Dit noem je het eerste

2

eeuw

a

decennium

van deze eeuw.

Schrijf de juiste tijd digitaal op. Voorbeeld De wekker van Sanne loopt om zeven uur af. Een kwartier later staat ze op. Hoe laat is het dan? 7.15 uur a

Mees moet op zaterdag om half negen op het voetbalveld zijn. Hij moet 20 minuten daarvoor van huis vertrekken. Hoe laat vertrekt Mees van huis? 8.10 uur

b

Nils gaat op vrijdag naar judo. Hij vertrekt om half vijf en een kwartier later begint de training. Hoe laat begint de training? 16.45 uur

c

Mariëlle fietst op woensdag naar gitaarles. De school is om half één uit en haar gitaarles begint een kwartiertje later. Hoe laat begint de gitaarles? 12.45 uur

d

Amine mag in het weekend een half uur later naar bed dan doordeweeks. Op zaterdag gaat hij om kwart over negen naar bed. Hoe laat gaat hij doordeweeks naar bed? 20.45 uur

20


3

Voorbeelden van een eenheid: kilometers en minuten, maar ook uren, meters, kilo’s, euro’s, enz.

Naar de film. Reken uit. Let op! Zet steeds de juiste eenheid bij je antwoord. a

b

De film ‘Volg me’ begint om 15.00 uur, er is een pauze van 15.50-16.05 uur en om 16.30 uur is de film afgelopen. Hoe lang duurt de film?

‘Kwisnie II’ is om 17.15 uur afgelopen. De film duurt 1 uur en 20 minuten. Er is een pauze van 10 minuten. Hoe laat is de film begonnen?

1 uur en 15 minuten c

15.45 uur d

De film ‘10 gram’ begint om 14.30 uur. Hij duurt 1 uur en 25 minuten en er is een pauze van 15 minuten. Hoe laat is de film afgelopen?

Om 12.35 uur begint de film ‘The Roof’. Er is een pauze van een kwartier, precies midden in de film. Om 13.50 is de film afgelopen. Van hoe laat tot hoe laat is de pauze?

16.10 uur 4

van 13.05 tot 13.20 uur

Rekenen met tijd. Je mag er een kalender bij gebruiken. a

b

Het is nu 26 maart. Maria is over 31 dagen jarig. Wanneer is zij jarig?

35 dagen geleden is de zomervakantie begonnen. Het is nu 14 augustus. Wanneer begon de zomervakantie?

26 april c

10 juli

Tijn is volgende week zaterdag jarig. Het is vandaag woensdag 23 november. Wanneer is Tijn jarig?

d

Maandag 21 december begint de kerstvakantie. Op welke dag én datum moeten we weer naar school als we 2 weken vakantie hebben?

3 december 5

maandag 4 januari

Schrijf de som op en reken uit. Teken in de klokken de juiste tijd. a

De klok loopt 12 minuten voor. Hij wijst 6 over 6 aan. Hoe laat is het eigenlijk?

11 10

12

1 2

9

3 8 7

b

c

De training duurt van kwart voor zes tot zeven uur. Hoe lang duurt de training?

Een andere klok loopt 12 minuten achter. Hij wijst 6 over 6 aan. Hoe laat is het eigenlijk?

6

5

1 uur en 15 minuten

11 10

12

1 2

9

3 8

4 7

21

6 minuten voor 6

4

6

5

18 minuten over 6


Toets 2 1

Welke vraag én welke som horen bij het verhaal? Geef het verhaal, de vraag en de som die bij elkaar horen dezelfde kleur. Reken ook uit.

2

Beneden zitten de groepen 1, 2 en 3. Daar zitten gemiddeld 27 kinderen in de groep.

Hoeveel lokalen zijn er?

87 : 3 =

Elk lokaal heeft 4 computers. In totaal staan er in de lokalen 72 computers.

Hoeveel kinderen zitten er gemiddeld in elke groep?

9 × 12 = 108

Boven hangen 87 jassen, die zijn van de kinderen uit groep 4, 5 en 6.

Hoeveel kinderen zijn dat samen?

72 : 4 =

18

Er wordt een nieuwe school gebouwd. In elk lokaal komen 12 computers. Er zijn 9 lokalen.

Hoeveel computers zijn er in de school?

3 × 27 =

81

29

Schrijf de sommen op en reken uit. Let op! Je moet twee sommen per vraag uitrekenen. a

De tegels in de gang liggen in rijtjes. In elk rijtje liggen 7 witte en 7 zwarte tegels. Er zijn 11 rijtjes. Hoeveel tegels liggen er in totaal?

7 + 7 = 14, 14 × 11 = 154 b

In de hal liggen 192 tegels. In elk rijtje liggen 8 witte en 8 blauwe tegels. Hoeveel rijtjes zijn er?

8 + 8 = 16, 192 : 16 = 12 c

Aan de kapstok hangen de jassen en tassen. In groep 4 zitten 24 kinderen, in groep 5 zitten 27 kinderen en in groep 6 zitten 25 kinderen. Hoeveel jassen én tassen hangen er in de gang?

24 + 27 + 25 = 76, 2 × 76 = 152 3

Hoeveel tijd heb jij? a

In groep 6 zitten 24 kinderen. Om de beurt mogen ze op de computer werken. In totaal is dat 4 uur. Hoeveel uur werkt 1 kind gemiddeld aan de computer?

10 c

In groep 7 staan 2 computers in de klas. Er zitten 30 kinderen in de klas. Hoe lang moeten de computers aan staan als elk kind 15 minuten aan de computer werkt?

3

minuten

Groep 6 kijkt ’s ochtends op school naar het Jeugdjournaal. Na een week hebben ze 30 minuten tv gekeken. Hoe lang duurt 1 uitzending?

6

b

d

22

45

minuten

Groep 8 kijkt elke ochtend op school een herhaling van het Klokhuis. Na een week hebben ze 100 minuten gekeken. Hoe lang duurt elke uitzending?

20

minuten

uur en

minuten


4

Zet een rondje om het juiste antwoord. a

In een flesje Ixmix zit 50 cl. In een krat met 14 flesjes zit dan in totaal 70 liter, want 14 × 50 cl is 700 c. Is dat gelijk aan 70 liter? Antwoord 1 Als er 14 flesjes met 50 cl in een krat zitten, dan doe je 14 × 50 cl = 700 cl = 70 liter.

b

In de koelkast staan 40 flesjes met elk 0,3 liter WK-water. Hoeveel liter is dat? Antwoord 1 Als er 40 flesjes met 0,3 liter in de koelkast staan, dan doe je 40 × 0,3 liter = 12 liter.

5

Antwoord 2 Als er 14 flesjes met 50 cl in een krat zitten, dan doe je 14 × 50 cl = 700 cl = 7 liter.

Antwoord 2 Als er 40 flesjes met 3 liter in de koelkast staan, dan doe je 40 × 3 liter = 120 liter.

Schrijf de juiste tijd digitaal op. a

b

Joosje bezoekt op zondagmorgen haar oma. Oma verwacht haar om tien uur. Het is 15 minuten fietsen. Hoe laat vertrekt Joosje? 9.45 uur

Farid verslaapt zich. Hij wordt pas om tien voor half acht wakker. Zijn wekker is al 35 minuten geleden afgegaan. Hoe laat ging zijn wekker af?

6.45 uur c

Maggie heeft op zaterdag een afspraak bij de kapper om kwart voor twaalf. Drie kwartier later is de kapper klaar.

d

Hoe laat is het dan? 12.30 uur 6

Kees gaat om vijf uur naar de film. De film duurt vijf kwartier. Hoe laat is de film afgelopen?

18.15 uur

Rekenen met tijd. a

b

De zomervakantie duurt nog 40 dagen! Op maandag 26 augustus moeten we weer naar school. Welke datum is het nu?

17 juli c

Falco is over 2 weken jarig. Het is nu 27 januari. Op welke datum is Falco jarig?

10 februari

Luuk was vorige week zaterdag jarig. Het is vandaag woensdag 12 september. Wanneer was Luuk jarig?

8 september

d

Maandag 26 april begint de meivakantie. We hebben 2 weken vakantie. Op welke dag én datum moeten we weer naar school?

maandag 10 mei

23


Taak 9 1

Onderweg Soms staan er in een verhaaltje getallen die niet belangrijk zijn. Daar hoef je dan niet mee te rekenen.

Hoe snel? a

Hind is 26 jaar en ze houdt van wandelen. Ze loopt 5 kilometer per uur. Hoeveel kilometer loopt ze als ze 5 uur wandelt? Welke getallen staan er in het verhaal?

Wat moet ik doen? Zet een rondje.

26 en 5 en 5

Som:

5 × 5

+  −  :  ×

Welk getal is niet belangrijk?

25

26 b

Sofia heeft een fiets met 5 versnellingen en ze fietst 15 kilometer per uur. Ze fietst, zonder te stoppen, een afstand van 90 kilometer. Hoe lang doet ze daar over? Welke getallen staan er in het verhaal?

Wat moet ik doen? Zet een rondje.

5 en 15 en 90

Som:

90 : 15

+  −  :  ×

Welk getal is niet belangrijk?

Antwoord:

6 uur

5 2

Antwoord:

Hoe lang en hoe ver? Reken uit en zet een rondje om de juiste eenheid. a

b

Winston rijdt 90 kilometer per uur.

De afstand van Amsterdam naar Heerhugowaard is 50 kilometer. Hoe lang doet Robert daarover?

Hij rijdt in 40 minuten van Amsterdam naar Den Haag. Hoe ver is Den Haag van Amsterdam?

60

30

kilometer/minuten

Van Amsterdam naar Alkmaar rijdt hij in 30 minuten. Hoe ver is Alkmaar van Amsterdam?

45

Robert rijdt 100 kilometer per uur.

kilometer/minuten

De afstand van Amsterdam naar Brussel is 200 kilometer. Hoe lang doet Robert daarover?

120 kilometer/minuten

kilometer/minuten

24


3

Zet een kruisje bij de juiste manier. a

Said reist met de trein van Utrecht Centraal naar Dordrecht. De trein vertrekt om 16.15 uur uit Utrecht. Na 40 minuten is de trein in Rotterdam en dan heeft Said 5 minuten om over te stappen. De reis van Rotterdam naar Dordrecht duurt 15 minuten. Hoe laat is Said in Dordrecht?   Eerst reken je uit hoe lang Said over hele de reis heeft gedaan: reisminuten + overstapminuten. Dus: 40 + 5 + 15 = 60 minuten. Dan reken je vanaf 16.15 uur die 60 minuten erbij. Said is dus om 17.15 uur in Dordrecht.

b

Floor reist met de trein van Utrecht Centraal naar Vlaardingen. De trein vertrekt om 19.30 uur uit Utrecht. Na 40 minuten is de trein in Rotterdam en dan heeft Floor 20 minuten om over te stappen. De reis van Rotterdam naar Vlaardingen duurt 10 minuten. Hoe laat is Floor in Vlaardingen?   Je begint bij 19.30 uur. Daar tel je 40 minuten bij op. Dat is 20.10 uur. Met 20 minuten wachttijd in Rotterdam is het 20.30 uur. En dan nog 10 minuten tot Vlaardingen. Floor is dus om 20.40 uur in Vlaardingen.

4

Floor reist 40 + 20 + 10 = 70 minuten. Dan reken je vanaf 19.30 uur die 70 minuten erbij. Floor is dus om 20.20 uur in Vlaardingen.

Kijk naar de kilometerteller.  a

5

Je rekent uit hoeveel minuten Said in de trein zat. De overstaptijd telt niet mee. Dat zijn dus 40 + 15 = 55 minuten. Dan reken je vanaf 16.15 uur die 55 minuten erbij. Said is dus om 17.10 uur in Dordrecht.

Johan maakt een rit van 20 kilometer. Wat is daarna de stand van de kilometerteller?

b

Johan maakt een rit van 300 kilometer. Wat is daarna de stand van de kilometerteller?

c

Johan rijdt op vakantie 5000 kilometer. Wat is daarna de stand van de kilometerteller?

Som: 006994 + 20

Som: 006994 + 300

Som: 006994 + 5000

Antwoord: 007014

Antwoord: 007294

Antwoord: 011994

Benzinekosten. Een liter benzine kost € 1,55. De auto van Simon kan 13 kilometer rijden op 1 liter benzine. a

b

Simon rijdt 130 kilometer. Wat zijn de benzinekosten? Sommen: 130 : 13 = 10

In de tank van de auto past 40 liter benzine. Hoeveel kilometer kan hij daarmee rijden? Som: 40 × 13 = 520

10 × € 1,55 = € 15,50 Antwoord: € 15,50

Antwoord: 520 Hoe duur is een volle tank?

Simon rijdt 65 kilometer. Wat zijn de benzinekosten?

Som: 40 × € 1,55 = € 62

Sommen: 65  :  13 = 5

Antwoord: € 62

5 × € 1,55 = € 7,75 Antwoord: € 7,75 25


Taak 10 1

De televisiegids

Waar kijk ik naar? a

Het is zeven uur in de avond en Noortje kijkt naar NPO 2.

19.00 uur Naar welk programma kijkt zij? Juf zoekt Mees Wat is zeven uur in digitale tijd?

b

Het is kwart voor zeven in de avond en Michael kijkt naar NPO 1.

18.45 uur Naar welk programma kijkt hij? Sportjournaal Wat is kwart voor zeven uur in digitale tijd?

c

Het is half acht in de avond en Amin kijkt naar NPO 1.

19.30 uur Naar welk programma kijkt hij? De kok Wat is half acht in digitale tijd?

2

In plaats van hoe lang duurt het kun je ook lezen: hoeveel tijd zit er tussen het begin en het einde?

Hoe lang duurt het programma? Kijk naar de televisiegids bij opdracht 1. a

25 c

Hoe lang duurt ‘De koek is op’ op NPO 2?

30

minuten d

Hoe lang duurt ‘De kok’ op NPO 1?

35 3

b

Hoe lang duurt ‘Strafwerk’ op NPO 3?

minuten

Hoe lang duurt ‘Juf zoekt Mees’ op NPO 2?

30

minuten

minuten

Waar of niet waar? Kijk naar de televisiegids bij opdracht 1. Zet een rondje. a

‘Sesamstraat’ begint eerder dan het ‘Journaal’.

b

‘Juf zoekt Mees’ begint eerder dan het ‘Sportjournaal’. waar / niet waar

c

‘De kok’ is eerder afgelopen dan ‘Vraag je vraag’.

d

‘Het klokhuis’ en het ‘Jeugdjournaal’ duren even lang. waar / niet waar

26

waar / niet waar

waar / niet waar

Eerder betekent: ‘vroeger’ of ‘er voor’.

Duren even lang betekent: het ene programma duurt net zolang als het andere programma.


4

Kies het goede antwoord. Kijk naar de televisiegids bij opdracht 1. a

Jamie mag een half uur tv kijken. Welk programma kan ze niet kijken?

b

Basje moet om kwart voor zeven naar bed. Welk programma kan hij helemaal niet zien? Juf zoekt Mees Sesamstraat Strafwerk

d

Welk programma duurt langer dan een half uur? Het Klokhuis Strafwerk Journaal

De koek is op Sportjournaal Vraag je vraag c

5

Welk programma begint precies om zeven uur? Juf zoekt Mees Jeugdjournaal De kok

Kies het juiste woord in de zin. Streep het foute woord door. Kijk naar de televisiegids bij opdracht 1.

6

a

‘Sesamstraat’ begint eerder / later dan ‘De slimste van Nederland’.

b

‘Juf zoekt Mees’ duurt korter / langer dan ‘Vraag je vraag’.

c

‘De kok’ duurt korter / langer dan een half uur.

d

‘Eén Vandaag’ is eerder / later afgelopen dan het ‘Journaal’.

30 min. ‘Juf zoekt Mees’ duurt 30 min. Samen duurt het: 60 min.

b

‘Strafwerk’ duurt

‘De slimste van Nederland’ duurt

d

Hoe lang duurt het samen? Kijk naar de televisiegids bij opdracht 1. a

c

‘De koek is op’ duurt

30

25

min.

‘Het Jeugdjournaal’ duurt Samen duurt het:

min.

35 min. Samen duurt het: 65 min. ‘De kok’ duurt

27

40

15

min.

min.

20 min. ‘Vraag je vraag’ duurt 40 min. Samen duurt het: 60 min. ‘Het Sportjournaal’ duurt


Taak 11 1

Van alles wat

Schrijf de som en het antwoord op. Let op! Zet steeds de juiste eenheid bij je antwoord. a

b

Er staan 360 skiërs te wachten die met de skilift omhoog willen. Er kunnen 60 skiërs in de lift. Hoe vaak moet de lift omhoog? Som: 360 : 60

De groepen 5 en 6 gaan met auto’s naar de boerderij. In groep 5 zitten 32 kinderen en in groep 6 28 kinderen. In elke auto kunnen 4 kinderen. Hoeveel auto’s zijn er nodig? Sommen: 32 + 28 = 60

60 : 4 = 15 Antwoord: 15 auto’s

Antwoord: 6 keer

c

Weet je het nog? Voorbeelden van een eenheid zijn: kilometers of minuten. Maar ook: auto’s, koeken, euro’s. Door de eenheid bij je antwoord te zetten, laat je zien wat je precies hebt uitgerekend.

In een fles hoestdrank zit 200 ml. Francisca neemt 3 keer per dag 10 ml. hoestdrank. Hoe lang doet ze met de fles hoestdrank? Sommen: 3 × 10 = 30

200 : 30 Antwoord: Bijna 7 dagen 2

De stratenmaker.

a

b

Het terras van tante Til is 5 meter lang en 6 meter breed. Hoeveel moet zij betalen? Sommen: 5 × 6 = 30 m

Sommen: 1 × 12 = 12 m

30 × 15 = € 450 Antwoord: € 450

12 × 15 = € 180 Antwoord: € 180

2

c

Sven laat een pad leggen van 1 meter breed en 12 meter lang. Hoeveel moet hij betalen?

d

Voor het vierkante terras van Britt zijn 144 tegels nodig. Hoeveel rijen van hoeveel tegels zijn dat?

In de achtertuin van opa Hondje passen precies 10 rijen van 30 tegels. Hoeveel tegels zijn dat? Som: 10 × 30

Som: 144 : 12 Antwoord: 12 rijen van 12 tegels

Antwoord: 300 tegels

28

2


3

Eén voor één betekent: achter elkaar of de een na de ander, dus niet tegelijk.

Gezellig! Gebruik een kladblaadje. a

b

Adam koopt 2 pakken met 12 kaarsen. Elke kaars heeft 5 branduren. Hij brandt de kaarsen één voor één. Hoeveel uren kaarslicht heeft hij? Som: 2 × 12 = 24 kaarsen

Bas wil een week lang elke avond van 18.00 uur – 22.00 uur 1 theelichtje laten branden. Een theelichtje heeft 6 branduren. Heeft hij voldoende aan 4 theelichtjes?

4 × 6 = 24 branduren. 18.00 – 22.00 uur is 4 uur per dag. 24 : 4 = 6 dagen. Niet voldoende.

24 × 5 = 120 uur Antwoord: 120 uur c

Hoeveel dagen zijn dat? Som: 120 : 24 Antwoord: 5 dagen

De week daarna wil Bas elke avond op dezelfde tijden 3 theelichtjes tegelijk laten branden. Heeft hij dan voldoende aan 15 theelichtjes?

15 : 3 = 5 theelichtjes.  5 × 6 = 30 branduren 30 : 4 = 7,5 dagen. Ja, voldoende. 4

Verhaaltjes. a

5

Een pakje met roze koeken weegt 210 gram. Eén koek weegt 35 gram. Hoeveel koeken zitten er in het pakje?

b

Een ooi (vrouwtjesschaap) is gemiddeld 147 dagen zwanger. Hoeveel weken zijn dat?

Som: 210 : 35

Som: 147 : 7

Antwoord: 6 koeken

Antwoord: 21 weken

c

Bij een sponsorloop krijgt Max 10 euro voor elke kilometer die hij loopt. Hij loopt 16 rondjes van 250 meter. Hoeveel krijgt Max? Sommen: 16 × 250 =

4000 m = 4 km 4 × 10 = € 40 Antwoord: € 40

Zet een rondje om de juiste som en reken uit. a

Akin koopt een BMX-bike van 529 euro. Hij betaalt met 6 briefjes van 100 euro. Hoeveel krijgt hij terug?

600 − 529 =  71 600 + 529 =

b

Op de musicalavond komen 180 ouders. De stoelen worden 180 +   20 = klaargezet in rijen van 20. Hoeveel rijen zijn er nodig? 180   :     20 =   9

c

Een schaakbord bestaat uit 8 × 8 vakjes. Iedere speler begint met 16 schaakstukken. Hoeveel vakjes zijn er aan het begin van het spel niet bezet?

64 −   32 =  32

Een dambord bestaat uit 10 × 10 vakjes. Hoeveel zwarte vakjes heeft een dambord?

100   :      2 =  50

d e

64   :     32 =

100   :     10 =

In een doos met theelichtjes zitten 4 lagen met 5 rijtjes   4 × 5 × 5 = 100 van 5 theelichtjes. Hoeveel theelichtjes zijn dat totaal?   4+5+5= 29


Taak 12 1

Vakantie

Met de auto naar het zuiden. a

De familie Van Geest gaat op vakantie. In de auto kan 500 kilo bagage. Kunnen alle spullen en mensen mee? Let op: de fietsen en de fietsendrager tellen we nog niet mee.

b

Het fietsenrek weegt 15 kg en kan 100 kilo dragen. Kunnen alle fietsen mee?

15 + 20 + 20 + 10 + 10 = 75 kilo 2

c

Tassen: 25 + 20 + 15 + 12 + 10 + 8 = 90 kilo Eten en speelgoed: 2 × 10 = 20 kilo Tafels en stoelen: 30 kilo Mensen: 82 + 65 + 45 + 28 + 20 = 240 kilo Totaal: 90 + 20 + 30 + 240 = 380 kilo Er kan 500 kilo in de auto, alles kan mee.

Hoeveel kilo bagage hebben ze per persoon ongeveer bij zich?

380 + 75 = 455 kilo 455 : 5 = 91 kilo

d

Moeder wil nog een tas meenemen. Die tas weegt ongeveer 20 kilo. Kan die nog mee?

Ja , 455 + 20 = 475 kilo

Op de camping. a

De familie Van Geest gaat 15 dagen kamperen. Voor de tent betalen ze per dag € 5,-. Per volwassene kost het per dag € 4,- en per kind € 2,50. Wat moeten zij betalen? Tip! Je kunt het op twee manieren uitrekenen: 1 Je kunt uitrekenen hoeveel ze per dag moeten betalen en dat × 15 doen. 2 Je kunt per persoon uitrekenen wat het kost en dat bij elkaar optellen.

b

Het gezin Buitenhek, vader, moeder en 2 kinderen kampeert 21 dagen. Voor de kinderen kost het € 5,- per dag en voor een volwassene kost het € 7,50. Voor de tent kost het € 6,- Wat moeten ze betalen?

30

Tent € 5 Volwassenen: 2 × € 4 = € 8 Kinderen: 3 × € 2,50 = € 7,50 Samen: € 20,50 per dag 15 × € 20,50 = € 307,50

Kinderen: 2 × € 5 = € 10 Volwassenen: 2 × € 7,50 = € 15 Tent: € 6 Samen: € 31 per dag 21 × € 31 = € 651


3

Van alles op de camping. a

Op de camping passen 14 tenten op een kampeerveld. Hoeveel tenten kunnen er op 12 velden?

b

12 × 14 = 168 c

70 : 14 = € 5 d

De afstand van huis tot de camping is 650 km. Je fietst 45 km per dag. Je hebt al 405 km gefietst. Hoeveel dagen heb je al gefietst als je tussendoor 2 rustdagen hebt gehad?

405 : 45 =   9 dagen    9 + 2 = 11 dagen 4

Björn heeft in totaal 70 euro en hij gaat 14 dagen op vakantie. Hoeveel geld kan hij gemiddeld opmaken per dag?

De campingwinkel is open van 8.00 uur tot 17.00 uur. Tussen 13.30 uur en 15.00 uur is de winkel gesloten. Hoeveel uur is de winkel open per dag? En hoeveel uur per week?

7 uur en 30 min. per dag 7 × 7,5 = 52 uur en 30 min.

Hoeveel passagiers? a

In het vliegtuig van Amsterdam naar Buenos Aires zitten 278 mensen. Hij maakt een tussenlanding in Madrid, daar stappen 69 mensen in en 56 mensen uit. Hoeveel mensen gaan er naar Buenos Aires? 69 − 56 = 13. 278 + 13 = 291

b

In het vliegtuig van Amsterdam naar Los Angeles zitten 261 mensen. Het vliegtuig maakt een tussenlanding in New York, daar stappen 124 mensen uit en 97 mensen in. Hoeveel mensen gaan er naar Los Angeles? 261 + 97 = 358. 358 −124 = 234

5

Een reisje naar Santiago de Compostella in Spanje. a

b

Je gaat met het vliegtuig van Amsterdam naar Santiago de Compostella. Het is ongeveer 1500 kilometer. Het vliegtuig vliegt ongeveer 800 kilometer per uur. Hoe lang is het vliegen?

Met de auto is het 1980 kilometer. Stel dat je per uur 90 kilometer rijdt. Hoeveel uren doe je er dan over?

1980 : 90 = 22 uur

Ongeveer 2 uur c

d

Met de fiets is het 2250 kilometer. Stel dat je per dag 45 kilometer fietst. Hoeveel dagen ben je onderweg?

2250 : 45 = 50 dagen

Lopend is het ongeveer 2400 kilometer. Stel dat je 25 kilometer per dag loopt. Na hoeveel dagen kom je in Santiago de Compostella aan?

2400 : 25 = 96 dagen

31


Toets 3 1

Wie is sneller? Zet een rondje om de naam van de snelste persoon. a

Wesley of Samet?

b

c

2

Mark of Luuk?

Romee of Eline?

Niet vergeten: zet steeds de juiste eenheid bij het antwoord!

Brandstofkosten. Een liter diesel kost € 1,30. De auto van Rajiv kan 22 kilometer rijden op 1 liter diesel. a

b

Rajiv rijdt 88 kilometer. Wat zijn de brandstof­kosten?

In de tank past 50 liter diesel. Hoeveel kilometer kan Rajiv daarmee rijden?

Sommen: 88 : 22 = 4 liter

Som: 50 × 22

4 × € 1,30 Antwoord: € 5,20

Rajiv rijdt 220 kilometer. Wat zijn de brandstof­kosten?

Hoe duur is een volle tank?

Sommen: 220 : 22 = 10 liter

Som: 50 × € 1,30

10 × € 1,30 Antwoord: € 13

Antwoord: 1100 kilometer

Antwoord: € 65 32


3

Kies het juiste woord in de zin. Kijk naar de televisiegids. Streep het foute woord door.

4

a

‘De koek is op’ begint eerder/later dan ‘Het Klokhuis’.

b

‘Sesamstraat’ duurt korter/langer dan een half uur.

c

‘Sportjournaal’ en ‘Klokhuis’ duren wel/niet even lang.

d

‘Sportjournaal’ duurt korter/langer dan ‘Jeugdjournaal’.

Welke som hoort bij het verhaaltje? Zet een rondje om de goede som en reken uit. a

c

5

Hakim koopt een metaal­detector van 329 euro. Hij betaalt met 7 briefjes van 50 euro. Hoeveel krijgt hij terug? Een dambord bestaat uit 10 × 10 vakjes. Hoeveel witte vakjes heeft een dambord?

b 350 − 329 =

21

329 + 350 =

100   :     2 =

d

50

100   :   10 =

Op de informatieavond komen 180 ouders. De stoelen worden klaargezet in rijen van 30. Hoeveel rijen zijn er nodig? In een doos met dobbelstenen zitten 5 lagen met 5 rijtjes van 4  dobbel­stenen. Hoeveel dobbel­ stenen zijn dat totaal?

180 + 30 = 180   :   30 =

6

5 × 5 × 4 = 100 5+5+4=

Van alles op de camping. Zet steeds de juiste eenheid bij het antwoord. a

Warm douchen op de camping kost € 1,-. Eva blijft 2 weken op de camping met haar ouders en broer. Ze douchen elke dag. Hoe duur is dat?

b

14 × € 4 = € 56 c

Sander koopt in de campingwinkel een krant van € 1,25, twee stokbroden van € 1,35 per stuk en een pakje kauwgom van € 1,-. Heeft hij genoeg aan € 5,-?

Ja, het kost € 4,95.

De afstand van huis tot de camping is 1110 km. Op zaterdag rijden we 485 kilometer. Op zondag rijden we de rest. Hoeveel kilometer rijden we op zondag?

1110 − 485 = 625

d

De campingwinkel is open van 9.00 uur tot 20.00 uur. Tussen 13.30 uur en 15.00 uur is de winkel gesloten. Hoeveel uur is de winkel open per dag? En hoeveel per week?

Per dag: 9 uur en 30 min. 7 × 9 uur = 63 uur. 7 × 30 = 3 uur en 30 min. Per week: 66 uur en 30 min. 33


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verhaaltjessommen-gr6-WB_antw by ThiemeMeulenhoff - Issuu